Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
22 JULI 2018. - Wet tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en diverse andere bepalingen wat het huwelijksvermogensrecht betreft en tot wijziging van de wet van 31 juli 2017 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de erfenissen en de giften betreft en tot wijziging van diverse bepalingen ter zake(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 27-07-2018 en tekstbijwerking tot 14-03-2022)
Titre
22 JUILLET 2018. - Loi modifiant le Code civil et diverses autres dispositions en matière de droit des régimes matrimoniaux et modifiant la loi du 31 juillet 2017 modifiant le Code civil en ce qui concerne les successions et les libéralités et modifiant diverses autres dispositions en cette matière(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 27-07-2018 et mise à jour au 14-03-2022)
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepaling
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het Burgerlijk W...
HOOFDSTUK 3. - Wijziging van de wet van 16 mei ...
HOOFDSTUK 4. - Wijzigingen van het Gerechtelijk...
HOOFDSTUK 5. - Wijzigingen van de wet van 13 ja...
HOOFDSTUK 6. - Wijzigingen van de wet van 31 ju...
HOOFDSTUK 6. - Hercodificatie
HOOFDSTUK 7. - Overgangsbepalingen
HOOFDSTUK 8. - Inwerkingtreding
Table des matières
CHAPITRE 1er. - Disposition introductive
CHAPITRE 2. - Modifications du Code civil
CHAPITRE 3. - Modification de la loi du 16 mai ...
CHAPITRE 4. - Modifications du Code judiciaire
CHAPITRE 5. - Modifications de la loi du 13 jan...
CHAPITRE 6. - Modifications de la loi du 31 jui...
CHAPITRE 6. - Recodification
CHAPITRE 7. - Dispositions transitoires
CHAPITRE 8. - Entrée en vigueur
Tekst (89)
Texte (89)
HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepaling
CHAPITRE 1er. - Disposition introductive
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.
Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l'article 74 de la Constitution.
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het Burgerlijk Wetboek
CHAPITRE 2. - Modifications du Code civil
Art. 2. Artikel 299 van het Burgerlijk Wetboek, vervangen bij de wet van 27 april 2007, wordt vervangen als volgt :
"Art. 299. Behoudens overeenkomst in tegenovergestelde zin, leidt de echtscheiding tot het verval van de overlevingsrechten die de echtgenoten elkaar bij huwelijksovereenkomst en sinds het aangaan van het huwelijk hebben toegekend.".
"Art. 299. Behoudens overeenkomst in tegenovergestelde zin, leidt de echtscheiding tot het verval van de overlevingsrechten die de echtgenoten elkaar bij huwelijksovereenkomst en sinds het aangaan van het huwelijk hebben toegekend.".
Art. 2. L'article 299 du Code civil, remplacé par la loi du 27 avril 2007, est remplacé par ce qui suit :
"Art. 299. Sauf convention contraire, le divorce entraîne la caducité des droits de survie que les époux se sont concédés par contrat de mariage et depuis qu'ils ont contracté mariage.".
"Art. 299. Sauf convention contraire, le divorce entraîne la caducité des droits de survie que les époux se sont concédés par contrat de mariage et depuis qu'ils ont contracté mariage.".
Art. 3. Artikel 733, eerste lid, van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met de volgende zin : "Deze verdeling in gelijke delen vindt niet plaats in het geval van artikel 754/1.".
Art. 3. L'article 733, alinéa 1er, du même Code, est complété par la phrase suivante : "Ce partage par parts égales n'a pas lieu dans le cas de l'article 754/1.".
Art. 4. In artikel 745bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 14 mei 1981 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 28 maart 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) in paragraaf 1 wordt het tweede lid vervangen als volgt :
"Wanneer de overledene bloedverwanten in de opgaande lijn of broeders, zusters of afstammelingen van dezen achterlaat, verkrijgt de langstlevende echtgenoot :
1° de volle eigendom van het deel van de eerststervende in het gemeenschappelijk vermogen en in het vermogen dat exclusief tussen de echtgenoten in onverdeeldheid is, en
2° het vruchtgebruik van de overige goederen van diens eigen vermogen.";
b) in paragraaf 1, derde lid, worden de woorden "andere erfgerechtigden of" ingevoegd tussen het woord "overledene" en het woord "geen";
c) in paragraaf 2 worden de woorden "366, § 1, eerste en tweede lid, 747 en 766" vervangen door de woorden "353-16, eerste lid, 2°, en 747".
a) in paragraaf 1 wordt het tweede lid vervangen als volgt :
"Wanneer de overledene bloedverwanten in de opgaande lijn of broeders, zusters of afstammelingen van dezen achterlaat, verkrijgt de langstlevende echtgenoot :
1° de volle eigendom van het deel van de eerststervende in het gemeenschappelijk vermogen en in het vermogen dat exclusief tussen de echtgenoten in onverdeeldheid is, en
2° het vruchtgebruik van de overige goederen van diens eigen vermogen.";
b) in paragraaf 1, derde lid, worden de woorden "andere erfgerechtigden of" ingevoegd tussen het woord "overledene" en het woord "geen";
c) in paragraaf 2 worden de woorden "366, § 1, eerste en tweede lid, 747 en 766" vervangen door de woorden "353-16, eerste lid, 2°, en 747".
Art. 4. Dans l'article 745bis du même Code, inséré par la loi du 14 mai 1981 et modifié en dernier lieu par la loi du 28 mars 2007, les modifications suivantes sont apportées :
a) dans le paragraphe 1er, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
"Lorsque le défunt laisse des ascendants ou des frères, soeurs ou descendants de ceux-ci, le conjoint survivant recueille :
1° la pleine propriété de la part du prémourant dans le patrimoine commun et dans le patrimoine en indivision exclusivement entre les époux, et
2° l'usufruit des autres biens du patrimoine propre du défunt.";
b) dans le paragraphe 1er, alinéa 3, les mots "laisse d'autres successibles ou" sont insérés entre le mot "défunt" et le mot "ne";
c) dans le paragraphe 2, les mots "366, § 1er, al. 1 et 2, 747 et 766" sont remplacés par les mots "353-16, alinéa 1er, 2°, et 747".
a) dans le paragraphe 1er, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
"Lorsque le défunt laisse des ascendants ou des frères, soeurs ou descendants de ceux-ci, le conjoint survivant recueille :
1° la pleine propriété de la part du prémourant dans le patrimoine commun et dans le patrimoine en indivision exclusivement entre les époux, et
2° l'usufruit des autres biens du patrimoine propre du défunt.";
b) dans le paragraphe 1er, alinéa 3, les mots "laisse d'autres successibles ou" sont insérés entre le mot "défunt" et le mot "ne";
c) dans le paragraphe 2, les mots "366, § 1er, al. 1 et 2, 747 et 766" sont remplacés par les mots "353-16, alinéa 1er, 2°, et 747".
Art. 5. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 754/1 ingevoegd, luidende :
"Art. 754/1. Bloedverwanten in de zijlijn, andere dan broeders of zusters van de overledene of hun afstammelingen, erven niet wanneer de overledene een langstlevende echtgenoot nalaat.
De verdeling van de nalatenschap bij helften, bedoeld in artikel 753, vindt niet plaats wanneer de overledene een langstlevende echtgenoot nalaat.".
"Art. 754/1. Bloedverwanten in de zijlijn, andere dan broeders of zusters van de overledene of hun afstammelingen, erven niet wanneer de overledene een langstlevende echtgenoot nalaat.
De verdeling van de nalatenschap bij helften, bedoeld in artikel 753, vindt niet plaats wanneer de overledene een langstlevende echtgenoot nalaat.".
Art. 5. Dans le même Code, il est inséré un article 754/1 rédigé comme suit :
"Art. 754/1. Les collatéraux autres que les frères ou soeurs du défunt ou leurs descendants n'héritent pas lorsque le défunt laisse un conjoint survivant.
Le partage de la succession par moitié, visé à l'article 753, n'a pas lieu lorsque le défunt laisse un conjoint survivant.".
"Art. 754/1. Les collatéraux autres que les frères ou soeurs du défunt ou leurs descendants n'héritent pas lorsque le défunt laisse un conjoint survivant.
Le partage de la succession par moitié, visé à l'article 753, n'a pas lieu lorsque le défunt laisse un conjoint survivant.".
Art. 6. Artikel 792 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
"Art. 792. De erfgenaam die te kwader trouw informatie verzwijgt of valse verklaringen aflegt met betrekking tot de samenstelling of de omvang van de nalatenschap, om hieruit voor zichzelf, ten nadele van zijn mede-erfgenamen of van de schuldeisers van de nalatenschap, een voordeel te verkrijgen, is schuldig aan heling.
De erfgenaam die schuldig is aan heling verliest de bevoegdheid om de nalatenschap te verwerpen; al zou hij die willen verwerpen, toch blijft hij zuiver erfgenaam, zonder op enig aandeel in de geheelde goederen of waarden aanspraak te kunnen maken.
Deze sanctie kan niet worden ingeroepen tegen de erfgenaam die spontaan en tijdig de juiste en volledige informatie verstrekt of zijn valse verklaringen rechtzet.".
"Art. 792. De erfgenaam die te kwader trouw informatie verzwijgt of valse verklaringen aflegt met betrekking tot de samenstelling of de omvang van de nalatenschap, om hieruit voor zichzelf, ten nadele van zijn mede-erfgenamen of van de schuldeisers van de nalatenschap, een voordeel te verkrijgen, is schuldig aan heling.
De erfgenaam die schuldig is aan heling verliest de bevoegdheid om de nalatenschap te verwerpen; al zou hij die willen verwerpen, toch blijft hij zuiver erfgenaam, zonder op enig aandeel in de geheelde goederen of waarden aanspraak te kunnen maken.
Deze sanctie kan niet worden ingeroepen tegen de erfgenaam die spontaan en tijdig de juiste en volledige informatie verstrekt of zijn valse verklaringen rechtzet.".
Art. 6. L'article 792 du même Code est remplacé par ce qui suit :
"Art. 792. L'héritier qui, de mauvaise foi, dissimule des informations ou fait de fausses déclarations en ce qui concerne la composition ou l'étendue de la succession, pour en retirer un avantage pour lui-même au préjudice de ses cohéritiers ou des créanciers de la succession, est coupable de recel.
L'héritier qui est coupable de recel est déchu de la faculté de renoncer à la succession; même s'il voulait y renoncer, il demeure héritier pur et simple, sans pouvoir prétendre à aucune part dans les biens ou valeurs recelés.
Cette sanction ne peut être invoquée à l'encontre de l'héritier qui fournit, spontanément et en temps utile, l'information exacte et complète ou rectifie ses fausses déclarations.".
"Art. 792. L'héritier qui, de mauvaise foi, dissimule des informations ou fait de fausses déclarations en ce qui concerne la composition ou l'étendue de la succession, pour en retirer un avantage pour lui-même au préjudice de ses cohéritiers ou des créanciers de la succession, est coupable de recel.
L'héritier qui est coupable de recel est déchu de la faculté de renoncer à la succession; même s'il voulait y renoncer, il demeure héritier pur et simple, sans pouvoir prétendre à aucune part dans les biens ou valeurs recelés.
Cette sanction ne peut être invoquée à l'encontre de l'héritier qui fournit, spontanément et en temps utile, l'information exacte et complète ou rectifie ses fausses déclarations.".
Art. 7. In artikel 1388 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 14 juli 1976 en gewijzigd bij de wet van 22 april 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het tweede lid wordt de zin "Deze regeling doet geen afbreuk aan het recht van de ene, om bij testament of bij akte onder de levenden te beschikken ten gunste van de andere en kan in geen geval aan de langstlevende het recht van vruchtgebruik ontnemen van het onroerend goed dat bij het openvallen van de nalatenschap van de eerststervende het gezin tot voornaamste woning diende en van het daarin aanwezige huisraad, volgens de voorwaarden bepaald in artikel 915bis, §§ 2 tot 4." vervangen door de zinnen "Deze regeling doet geen afbreuk aan het recht van de ene, om bij testament of bij akte onder de levenden te beschikken ten gunste van de andere. Ze kan in geen geval aan de langstlevende het recht van bewoning ontnemen van het onroerend goed dat bij het openvallen van de nalatenschap van de eerststervende het gezin tot voornaamste woning diende en het recht van gebruik van het daarin aanwezige huisraad voor een periode van zes maanden vanaf de dag van het openvallen van de nalatenschap van de eerststervende.";
2° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende :
"De artikelen 1100/2 tot 1100/6 zijn van toepassing op de overeenkomst bedoeld in het tweede lid.".
1° in het tweede lid wordt de zin "Deze regeling doet geen afbreuk aan het recht van de ene, om bij testament of bij akte onder de levenden te beschikken ten gunste van de andere en kan in geen geval aan de langstlevende het recht van vruchtgebruik ontnemen van het onroerend goed dat bij het openvallen van de nalatenschap van de eerststervende het gezin tot voornaamste woning diende en van het daarin aanwezige huisraad, volgens de voorwaarden bepaald in artikel 915bis, §§ 2 tot 4." vervangen door de zinnen "Deze regeling doet geen afbreuk aan het recht van de ene, om bij testament of bij akte onder de levenden te beschikken ten gunste van de andere. Ze kan in geen geval aan de langstlevende het recht van bewoning ontnemen van het onroerend goed dat bij het openvallen van de nalatenschap van de eerststervende het gezin tot voornaamste woning diende en het recht van gebruik van het daarin aanwezige huisraad voor een periode van zes maanden vanaf de dag van het openvallen van de nalatenschap van de eerststervende.";
2° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende :
"De artikelen 1100/2 tot 1100/6 zijn van toepassing op de overeenkomst bedoeld in het tweede lid.".
Art. 7. A l'article 1388 du même Code, remplacé par la loi du 14 juillet 1976 et modifié par la loi du 22 avril 2003, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans l'alinéa 2, la phrase "Cet accord ne porte pas préjudice au droit de l'un de disposer, par testament ou par acte entre vifs, au profit de l'autre et ne peut en aucun cas priver le conjoint survivant du droit d'usufruit portant sur l'immeuble affecté au jour de l'ouverture de la succession du prémourant au logement principal de la famille et des meubles meublants qui le garnissent, aux conditions prévues à l'article 915bis, §§ 2 à 4." est remplacé par les phrases : "Cet accord ne porte pas préjudice au droit de l'un de disposer, par testament ou par acte entre vifs, au profit de l'autre. Il ne peut en aucun cas priver le conjoint survivant du droit d'habitation portant sur l'immeuble affecté au jour de l'ouverture de la succession du prémourant au logement principal de la famille et du droit d'usage des meubles meublants qui le garnissent pour une période de six mois à compter du jour de l'ouverture de la succession du prémourant.";
2° l'article est complété par un alinéa rédigé comme suit :
"Les articles 1100/2 à 1100/6 s'appliquent à l'accord visé à l'alinéa 2.".
1° dans l'alinéa 2, la phrase "Cet accord ne porte pas préjudice au droit de l'un de disposer, par testament ou par acte entre vifs, au profit de l'autre et ne peut en aucun cas priver le conjoint survivant du droit d'usufruit portant sur l'immeuble affecté au jour de l'ouverture de la succession du prémourant au logement principal de la famille et des meubles meublants qui le garnissent, aux conditions prévues à l'article 915bis, §§ 2 à 4." est remplacé par les phrases : "Cet accord ne porte pas préjudice au droit de l'un de disposer, par testament ou par acte entre vifs, au profit de l'autre. Il ne peut en aucun cas priver le conjoint survivant du droit d'habitation portant sur l'immeuble affecté au jour de l'ouverture de la succession du prémourant au logement principal de la famille et du droit d'usage des meubles meublants qui le garnissent pour une période de six mois à compter du jour de l'ouverture de la succession du prémourant.";
2° l'article est complété par un alinéa rédigé comme suit :
"Les articles 1100/2 à 1100/6 s'appliquent à l'accord visé à l'alinéa 2.".
Art. 8. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 1389/1 ingevoegd, luidende :
"Art. 1389/1. Wanneer het huwelijksvermogensstelsel eindigt door het overlijden van een der echtgenoten, kan de langstlevende, tegen opleg indien daartoe grond bestaat, zich bij voorrang doen toewijzen, voor zover deze behoren tot het gemeenschappelijk vermogen of tot het vermogen dat exclusief tussen de echtgenoten in onverdeeldheid is :
1° een van de onroerende goederen die tot gezinswoning dient;
2° het aldaar aanwezige huisraad;
3° de goederen die hij aanwendt voor de uitoefening van zijn beroep of de uitbating van zijn bedrijf.".
"Art. 1389/1. Wanneer het huwelijksvermogensstelsel eindigt door het overlijden van een der echtgenoten, kan de langstlevende, tegen opleg indien daartoe grond bestaat, zich bij voorrang doen toewijzen, voor zover deze behoren tot het gemeenschappelijk vermogen of tot het vermogen dat exclusief tussen de echtgenoten in onverdeeldheid is :
1° een van de onroerende goederen die tot gezinswoning dient;
2° het aldaar aanwezige huisraad;
3° de goederen die hij aanwendt voor de uitoefening van zijn beroep of de uitbating van zijn bedrijf.".
Art. 8. Dans le même Code, il est inséré un article 1389/1 rédigé comme suit :
"Art. 1389/1. Lorsque le régime matrimonial prend fin par le décès d'un des époux, le conjoint survivant peut, moyennant soulte s'il y a lieu, se faire attribuer par préférence, pour autant qu'ils appartiennent au patrimoine commun ou au patrimoine qui est en indivision exclusivement entre les époux :
1° un des immeubles servant au logement de la famille;
2° les meubles meublants qui le garnissent;
3° les biens qu'il utilise pour l'exercice de sa profession ou l'exploitation de son entreprise.".
"Art. 1389/1. Lorsque le régime matrimonial prend fin par le décès d'un des époux, le conjoint survivant peut, moyennant soulte s'il y a lieu, se faire attribuer par préférence, pour autant qu'ils appartiennent au patrimoine commun ou au patrimoine qui est en indivision exclusivement entre les époux :
1° un des immeubles servant au logement de la famille;
2° les meubles meublants qui le garnissent;
3° les biens qu'il utilise pour l'exercice de sa profession ou l'exploitation de son entreprise.".
Art. 9. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 1389/2 ingevoegd, luidende :
Art. 1389/2. § 1. Wanneer het huwelijksvermogensstelsel eindigt door echtscheiding op grond van artikel 229, door de scheiding van tafel en bed of door de gerechtelijke scheiding van goederen, kan elk der echtgenoten binnen de vereffeningsprocedure aan de familierechtbank te zijnen voordele toepassing van artikel 1389/1 vragen.
§ 2. De rechtbank beslist met inachtneming van de belangen die ieder van de echtgenoten kan laten gelden en rekening houdend met de financiële mogelijkheden van degene die de opleg desgevallend zal moeten betalen.
Behoudens uitzonderlijke omstandigheden, wordt het verzoek ingewilligd dat uitgaat van de echtgenoot die slachtoffer is van een feit bedoeld in de artikelen 375, 398 tot 400, 402, 403, 405, 409, §§ 1 tot 3 en 5 en 422bis van het Strafwetboek of van een poging tot het plegen van een feit bedoeld in de artikelen 375, 393 tot 397, 401, 404 en 409, § 4, van hetzelfde Wetboek, indien de andere echtgenoot door in kracht van gewijsde gegane beslissing uit dien hoofde als dader, mededader of medeplichtige schuldig werd bevonden.".
Art. 1389/2. § 1. Wanneer het huwelijksvermogensstelsel eindigt door echtscheiding op grond van artikel 229, door de scheiding van tafel en bed of door de gerechtelijke scheiding van goederen, kan elk der echtgenoten binnen de vereffeningsprocedure aan de familierechtbank te zijnen voordele toepassing van artikel 1389/1 vragen.
§ 2. De rechtbank beslist met inachtneming van de belangen die ieder van de echtgenoten kan laten gelden en rekening houdend met de financiële mogelijkheden van degene die de opleg desgevallend zal moeten betalen.
Behoudens uitzonderlijke omstandigheden, wordt het verzoek ingewilligd dat uitgaat van de echtgenoot die slachtoffer is van een feit bedoeld in de artikelen 375, 398 tot 400, 402, 403, 405, 409, §§ 1 tot 3 en 5 en 422bis van het Strafwetboek of van een poging tot het plegen van een feit bedoeld in de artikelen 375, 393 tot 397, 401, 404 en 409, § 4, van hetzelfde Wetboek, indien de andere echtgenoot door in kracht van gewijsde gegane beslissing uit dien hoofde als dader, mededader of medeplichtige schuldig werd bevonden.".
Art. 9. Dans le même Code, il est inséré un article 1389/2 rédigé comme suit :
"Art. 1389/2. § 1er. Lorsque le régime matrimonial prend fin par le divorce sur la base de l'article 229, par la séparation de corps ou par la séparation de biens judiciaire, chacun des époux peut au cours des opérations de liquidation, demander au tribunal de la famille de faire application à son profit des dispositions visées à l'article 1389/1.
§ 2. Le tribunal statue en considération des intérêts que chacun des époux peut faire valoir et en tenant compte des capacités financières de celui qui, le cas échéant, devra payer la soulte.
Il est fait droit, sauf circonstances exceptionnelles, à la demande formulée par l'époux qui a été victime d'un fait visé aux articles 375, 398 à 400, 402, 403, 405, 409, §§ 1er à 3 et 5, et 422bis du Code pénal ou d'une tentative de commission d'un fait visé aux articles 375, 393 à 397, 401, 404 et 409, § 4, du même Code, si l'autre époux a été reconnu coupable de ce chef comme auteur, coauteur ou complice par décision coulée en force de chose jugée.".
"Art. 1389/2. § 1er. Lorsque le régime matrimonial prend fin par le divorce sur la base de l'article 229, par la séparation de corps ou par la séparation de biens judiciaire, chacun des époux peut au cours des opérations de liquidation, demander au tribunal de la famille de faire application à son profit des dispositions visées à l'article 1389/1.
§ 2. Le tribunal statue en considération des intérêts que chacun des époux peut faire valoir et en tenant compte des capacités financières de celui qui, le cas échéant, devra payer la soulte.
Il est fait droit, sauf circonstances exceptionnelles, à la demande formulée par l'époux qui a été victime d'un fait visé aux articles 375, 398 à 400, 402, 403, 405, 409, §§ 1er à 3 et 5, et 422bis du Code pénal ou d'une tentative de commission d'un fait visé aux articles 375, 393 à 397, 401, 404 et 409, § 4, du même Code, si l'autre époux a été reconnu coupable de ce chef comme auteur, coauteur ou complice par décision coulée en force de chose jugée.".
Art. 10. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 1389/3 ingevoegd, luidende :
"Art. 1389/3. De echtgenoot die te kwader trouw informatie verzwijgt of valse verklaringen aflegt met betrekking tot de samenstelling of de omvang van de gemeenschap, van de tussen echtgenoten bestaande onverdeeldheden, of, in geval van een stelsel van scheiding van goederen met beding van verrekening, van de verrekenmassa, om hieruit voor zichzelf, ten nadele van de andere echtgenoot, een voordeel te verkrijgen, is schuldig aan heling.
De echtgenoot die schuldig is aan heling verliest zijn aandeel in de geheelde goederen of waarden of wordt, desgevallend, gesanctioneerd ten belope van de geheelde goederen of waarden bij de berekening van de verrekenvordering.
Deze sanctie kan niet worden ingeroepen tegen de echtgenoot die spontaan en tijdig de juiste en volledige informatie verstrekt of zijn valse verklaringen rechtzet.".
"Art. 1389/3. De echtgenoot die te kwader trouw informatie verzwijgt of valse verklaringen aflegt met betrekking tot de samenstelling of de omvang van de gemeenschap, van de tussen echtgenoten bestaande onverdeeldheden, of, in geval van een stelsel van scheiding van goederen met beding van verrekening, van de verrekenmassa, om hieruit voor zichzelf, ten nadele van de andere echtgenoot, een voordeel te verkrijgen, is schuldig aan heling.
De echtgenoot die schuldig is aan heling verliest zijn aandeel in de geheelde goederen of waarden of wordt, desgevallend, gesanctioneerd ten belope van de geheelde goederen of waarden bij de berekening van de verrekenvordering.
Deze sanctie kan niet worden ingeroepen tegen de echtgenoot die spontaan en tijdig de juiste en volledige informatie verstrekt of zijn valse verklaringen rechtzet.".
Art. 10. Dans le même Code, il est inséré un article 1389/3 rédigé comme suit :
"Art. 1389/3. L'époux qui, de mauvaise foi, dissimule des informations ou fait de fausses déclarations en ce qui concerne la composition ou l'étendue de la communauté, des indivisions existant entre les époux ou, dans le cas d'un régime de séparation de biens avec clause de participation, de la masse de participation, pour en retirer un avantage pour lui-même au préjudice de l'autre époux, est coupable de recel.
L'époux qui est coupable de recel est privé de sa part dans les biens ou valeurs recelés ou est, le cas échéant, sanctionné à concurrence des biens ou valeurs recelés dans le calcul de la créance de participation.
Cette sanction ne peut être invoquée à l'encontre de l'époux qui fournit, spontanément et en temps utile, l'information exacte et complète ou rectifie ses fausses déclarations.".
"Art. 1389/3. L'époux qui, de mauvaise foi, dissimule des informations ou fait de fausses déclarations en ce qui concerne la composition ou l'étendue de la communauté, des indivisions existant entre les époux ou, dans le cas d'un régime de séparation de biens avec clause de participation, de la masse de participation, pour en retirer un avantage pour lui-même au préjudice de l'autre époux, est coupable de recel.
L'époux qui est coupable de recel est privé de sa part dans les biens ou valeurs recelés ou est, le cas échéant, sanctionné à concurrence des biens ou valeurs recelés dans le calcul de la créance de participation.
Cette sanction ne peut être invoquée à l'encontre de l'époux qui fournit, spontanément et en temps utile, l'information exacte et complète ou rectifie ses fausses déclarations.".
Art. 11. In artikel 1395 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 14 januari 2013, wordt een paragraaf 1/1 ingevoegd, luidende :
" § 1/1. Dezelfde verplichting rust op de notaris voor wie een akte eigendomsverkrijging van een onroerend goed is verleden, waarin overeenkomstig artikel 1452, § 2, een verklaring van anticipatieve inbreng is opgenomen, voor wat die verklaring betreft.".
" § 1/1. Dezelfde verplichting rust op de notaris voor wie een akte eigendomsverkrijging van een onroerend goed is verleden, waarin overeenkomstig artikel 1452, § 2, een verklaring van anticipatieve inbreng is opgenomen, voor wat die verklaring betreft.".
Art. 11. Dans l'article 1395 du même Code, remplacé par la loi du 14 janvier 2013, il est inséré un paragraphe 1er/1 rédigé comme suit :
" § 1er/1. La même obligation incombe au notaire devant qui est passé un acte d'acquisition de propriété d'un bien immeuble dans lequel figure une déclaration d'apport anticipé conformément à l'article 1452, § 2, en ce qui concerne cette déclaration.".
" § 1er/1. La même obligation incombe au notaire devant qui est passé un acte d'acquisition de propriété d'un bien immeuble dans lequel figure une déclaration d'apport anticipé conformément à l'article 1452, § 2, en ce qui concerne cette déclaration.".
Art. 12. In artikel 1399, derde lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 14 juli 1976, worden de woorden "of van schuldvorderingen" ingevoegd tussen het woord "goederen" en het woord "geleverd".
Art. 12. Dans l'article 1399, alinéa 3, du même Code, remplacé par la loi du 14 juillet 1976, les mots "ou des créances" sont insérés entre le mot "biens" et le mot "peut".
Art. 13. In artikel 1400 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 14 juli 1976, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) de bepaling onder 1 wordt vervangen als volgt :
"1. het toebehoren van eigen goederen of rechten;";
b) de bepaling onder 2 wordt opgeheven;
c) de bepaling onder 6 wordt vervangen als volgt :
"6. de vorderbare netto-afkoopwaarde, op het moment van de ontbinding van het stelsel, verbonden aan een individuele levensverzekeringsovereenkomst die door één van de echtgenoten tijdens het stelsel is gesloten, indien de verzekeringsprestatie niet verschuldigd is bij de ontbinding van het stelsel;";
d) de bepaling onder 7 wordt vervangen als volgt :
"7. de verzekerde prestatie verbonden aan een individuele levensverzekeringsovereenkomst die door één van de echtgenoten tijdens het stelsel is gesloten, en die bij de ontbinding van het stelsel ten voordele van die echtgenoot verschuldigd is.".
a) de bepaling onder 1 wordt vervangen als volgt :
"1. het toebehoren van eigen goederen of rechten;";
b) de bepaling onder 2 wordt opgeheven;
c) de bepaling onder 6 wordt vervangen als volgt :
"6. de vorderbare netto-afkoopwaarde, op het moment van de ontbinding van het stelsel, verbonden aan een individuele levensverzekeringsovereenkomst die door één van de echtgenoten tijdens het stelsel is gesloten, indien de verzekeringsprestatie niet verschuldigd is bij de ontbinding van het stelsel;";
d) de bepaling onder 7 wordt vervangen als volgt :
"7. de verzekerde prestatie verbonden aan een individuele levensverzekeringsovereenkomst die door één van de echtgenoten tijdens het stelsel is gesloten, en die bij de ontbinding van het stelsel ten voordele van die echtgenoot verschuldigd is.".
Art. 13. Dans l'article 1400 du même Code, remplacé par la loi du 14 juillet 1976, les modifications suivantes sont apportées :
a) le 1 est remplacé par ce qui suit :
"1. les accessoires de biens ou de droits propres;";
b) le 2 est abrogé;
c) le 6 est remplacé par ce qui suit :
"6. la valeur de rachat nette exigible, au moment de la dissolution du régime, liée à un contrat d'assurance sur la vie individuel qui a été conclu par un des époux pendant le régime, lorsque la prestation d'assurance n'est pas due à la dissolution du régime;";
d) le 7 est remplacé par ce qui suit :
"7. la prestation d'assurance liée à un contrat d'assurance sur la vie individuel qui a été conclu par un des époux pendant le régime, et qui est due au profit de cet époux à la dissolution du régime.".
a) le 1 est remplacé par ce qui suit :
"1. les accessoires de biens ou de droits propres;";
b) le 2 est abrogé;
c) le 6 est remplacé par ce qui suit :
"6. la valeur de rachat nette exigible, au moment de la dissolution du régime, liée à un contrat d'assurance sur la vie individuel qui a été conclu par un des époux pendant le régime, lorsque la prestation d'assurance n'est pas due à la dissolution du régime;";
d) le 7 est remplacé par ce qui suit :
"7. la prestation d'assurance liée à un contrat d'assurance sur la vie individuel qui a été conclu par un des époux pendant le régime, et qui est due au profit de cet époux à la dissolution du régime.".
Art. 14. In artikel 1401 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 14 juli 1976 en gewijzigd bij de wet van 1 april 1987, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) in de bestaande tekst, die de paragraaf 1 zal vormen, wordt de bepaling onder 5 vervangen als volgt :
"5. de lidmaatschapsrechten verbonden aan vennootschapsaandelen die met gemeenschappelijke gelden zijn verkregen en op naam van één echtgenoot zijn ingeschreven, met inbegrip van het recht om als eigenaar van deze aandelen te handelen, voor zover het gaat, hetzij om een vennootschap die onderworpen is aan wettelijke of statutaire regels, of overeenkomsten tussen vennoten, die de overdracht van aandelen beperken, hetzij om een vennootschap waarin enkel die echtgenoot zijn professionele activiteit als zaakvoerder of beheerder uitoefent;";
b) de bestaande tekst, die de paragraaf 1 zal vormen, wordt aangevuld met de bepalingen onder 6 en 7, luidende :
"6. het recht op goederen die een echtgenoot exclusief voor de uitoefening van zijn beroep of de uitbating van zijn bedrijf aanwendt, met inbegrip van het recht om als eigenaar van deze beroepsgoederen te handelen, tenzij de echtgenoten samen dat beroep uitoefenen of dat bedrijf uitbaten;
7. het recht op cliënteel, met inbegrip van het recht om als eigenaar van het cliënteel te handelen, tenzij het cliënteel is opgebouwd binnen een beroep dat de echtgenoten samen uitoefenen of een bedrijf dat ze samen uitbaten.";
c) het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 2, luidende :
" § 2. Eveneens eigen zijn :
1. de schadevergoeding uitgekeerd aan een echtgenoot, voor zover deze vergoeding strekt tot herstel van zijn persoonlijke ongeschiktheid, die betrekking heeft op de niet economisch waardeerbare gevolgen van de aantasting van de fysieke en psychische integriteit in zijn dagelijks leven;
2. de verzekerde prestatie verbonden aan een individuele levensverzekeringsovereenkomst die door een van de echtgenoten tijdens het stelsel gesloten is, indien ze bij de ontbinding van het stelsel ten voordele van de andere echtgenoot verschuldigd is.".
a) in de bestaande tekst, die de paragraaf 1 zal vormen, wordt de bepaling onder 5 vervangen als volgt :
"5. de lidmaatschapsrechten verbonden aan vennootschapsaandelen die met gemeenschappelijke gelden zijn verkregen en op naam van één echtgenoot zijn ingeschreven, met inbegrip van het recht om als eigenaar van deze aandelen te handelen, voor zover het gaat, hetzij om een vennootschap die onderworpen is aan wettelijke of statutaire regels, of overeenkomsten tussen vennoten, die de overdracht van aandelen beperken, hetzij om een vennootschap waarin enkel die echtgenoot zijn professionele activiteit als zaakvoerder of beheerder uitoefent;";
b) de bestaande tekst, die de paragraaf 1 zal vormen, wordt aangevuld met de bepalingen onder 6 en 7, luidende :
"6. het recht op goederen die een echtgenoot exclusief voor de uitoefening van zijn beroep of de uitbating van zijn bedrijf aanwendt, met inbegrip van het recht om als eigenaar van deze beroepsgoederen te handelen, tenzij de echtgenoten samen dat beroep uitoefenen of dat bedrijf uitbaten;
7. het recht op cliënteel, met inbegrip van het recht om als eigenaar van het cliënteel te handelen, tenzij het cliënteel is opgebouwd binnen een beroep dat de echtgenoten samen uitoefenen of een bedrijf dat ze samen uitbaten.";
c) het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 2, luidende :
" § 2. Eveneens eigen zijn :
1. de schadevergoeding uitgekeerd aan een echtgenoot, voor zover deze vergoeding strekt tot herstel van zijn persoonlijke ongeschiktheid, die betrekking heeft op de niet economisch waardeerbare gevolgen van de aantasting van de fysieke en psychische integriteit in zijn dagelijks leven;
2. de verzekerde prestatie verbonden aan een individuele levensverzekeringsovereenkomst die door een van de echtgenoten tijdens het stelsel gesloten is, indien ze bij de ontbinding van het stelsel ten voordele van de andere echtgenoot verschuldigd is.".
Art. 14. Dans l'article 1401 du même Code, remplacé par la loi du 14 juillet 1976 et modifié par la loi du 1er avril 1987, les modifications suivantes sont apportées :
a) dans le texte actuel, lequel formera le paragraphe 1er, le 5 est remplacé par ce qui suit :
"5. les droits résultant de la qualité d'associé liés à des parts ou actions de société acquises avec des fonds communs et qui ont été inscrites au nom d'un des époux, en ce compris le droit d'agir en tant que propriétaire de ces parts ou actions, pour autant qu'il s'agisse soit d'une société qui est soumise à des règles légales ou statutaires, ou à des conventions entre actionnaires, qui restreignent la cession des parts ou actions, soit d'une société au sein de laquelle seul cet époux exerce son activité professionnelle en tant que gérant ou administrateur;";
b) le texte actuel, lequel formera le paragraphe 1er, est complété par les 6 et 7 rédigés comme suit :
"6. le droit aux biens qu'un époux utilise exclusivement pour l'exercice de sa profession ou l'exploitation de son entreprise, en ce compris le droit d'agir en tant que propriétaire de ces biens professionnels, à moins que les époux n'exercent ensemble cette profession ou n'exploitent ensemble cette entreprise;
7. le droit à la clientèle, en ce compris le droit d'agir en tant que propriétaire de la clientèle, à moins que la clientèle n'ait été constituée dans le cadre d'une profession que les époux exercent ensemble ou d'une entreprise qu'ils exploitent ensemble.";
c) l'article est complété par un paragraphe 2 rédigé comme suit :
" § 2. Sont également propres :
1. l'indemnité payée à un époux en réparation d'un dommage, dans la mesure où cette indemnité vise à réparer son incapacité personnelle, qui concerne les conséquences non économiquement quantifiables de l'atteinte à son intégrité physique et psychique dans sa vie quotidienne;
2. la prestation d'assurance liée à un contrat d'assurance sur la vie individuel qui a été conclu par un des époux pendant le régime, et qui est due au profit de l'autre époux à la dissolution du régime.".
a) dans le texte actuel, lequel formera le paragraphe 1er, le 5 est remplacé par ce qui suit :
"5. les droits résultant de la qualité d'associé liés à des parts ou actions de société acquises avec des fonds communs et qui ont été inscrites au nom d'un des époux, en ce compris le droit d'agir en tant que propriétaire de ces parts ou actions, pour autant qu'il s'agisse soit d'une société qui est soumise à des règles légales ou statutaires, ou à des conventions entre actionnaires, qui restreignent la cession des parts ou actions, soit d'une société au sein de laquelle seul cet époux exerce son activité professionnelle en tant que gérant ou administrateur;";
b) le texte actuel, lequel formera le paragraphe 1er, est complété par les 6 et 7 rédigés comme suit :
"6. le droit aux biens qu'un époux utilise exclusivement pour l'exercice de sa profession ou l'exploitation de son entreprise, en ce compris le droit d'agir en tant que propriétaire de ces biens professionnels, à moins que les époux n'exercent ensemble cette profession ou n'exploitent ensemble cette entreprise;
7. le droit à la clientèle, en ce compris le droit d'agir en tant que propriétaire de la clientèle, à moins que la clientèle n'ait été constituée dans le cadre d'une profession que les époux exercent ensemble ou d'une entreprise qu'ils exploitent ensemble.";
c) l'article est complété par un paragraphe 2 rédigé comme suit :
" § 2. Sont également propres :
1. l'indemnité payée à un époux en réparation d'un dommage, dans la mesure où cette indemnité vise à réparer son incapacité personnelle, qui concerne les conséquences non économiquement quantifiables de l'atteinte à son intégrité physique et psychique dans sa vie quotidienne;
2. la prestation d'assurance liée à un contrat d'assurance sur la vie individuel qui a été conclu par un des époux pendant le régime, et qui est due au profit de l'autre époux à la dissolution du régime.".
Art. 15. In artikel 1404 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 14 juli 1976, worden de woorden "voor meer dan de helft" ingevoegd tussen het woord "goederen" en het woord "betaald".
Art. 15. Dans l'article 1404 du même Code, remplacé par la loi du 14 juillet 1976, les mots "à concurrence de plus de la moitié," sont insérés entre le mot "payée" et les mots "au moyen de".
Art. 16. Artikel 1405 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 14 juli 1976, wordt vervangen als volgt :
" § 1. Gemeenschappelijk zijn :
1. de inkomsten uit de beroepsbezigheden van elk der echtgenoten, alle inkomsten of vergoedingen die ze vervangen of aanvullen, evenals de inkomsten uit openbare of particuliere mandaten; de opzeggingsvergoeding en andere uitkeringen waarop een echtgenoot wegens beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst gerechtigd is, voor het deel daarvan dat overeenstemt met de opzeggingstermijn die tijdens het stelsel loopt;
2. de vruchten, inkomsten, interesten van hun eigen goederen;
3. de goederen geschonken of vermaakt aan de twee echtgenoten samen of aan een van hen onder beding dat die goederen gemeenschappelijk zullen zijn;
4. de schadevergoeding uitgekeerd aan een echtgenoot, voor zover deze vergoeding strekt tot herstel van zijn huishoudelijke of economische ongeschiktheid tijdens het stelsel;
5. de vermogenswaarde van de vennootschapsaandelen bedoeld in artikel 1401, § 1, 5;
6. de vermogenswaarde van de beroepsgoederen die door een van de echtgenoten met gemeenschappelijke gelden zijn verkregen, als het recht op die beroepsgoederen eigen is krachtens artikel 1401, § 1, 6;
7. de economische waarde van het cliënteel dat tijdens het stelsel door een van de echtgenoten in de uitoefening van zijn beroep of de uitbating van zijn bedrijf is opgebouwd, als het recht op dat cliënteel eigen is krachtens artikel 1401, § 1, 7;
8. de verzekerde prestatie verbonden aan een individuele levensverzekeringsovereenkomst die door een van de echtgenoten tijdens het stelsel is gesloten en tijdens het stelsel aan een van hen verschuldigd is. Indien de prestatie als kapitaal wordt uitbetaald, is het volledige bedrag ervan gemeenschappelijk. Indien de prestatie als rente wordt uitbetaald, zijn zowel de rentebedragen die tijdens het stelsel zijn uitbetaald als de reserve die overeenstemt met de na de ontbinding van het stelsel nog verschuldigde rentes, gemeenschappelijk.
§ 2. Gemeenschappelijk zijn ook alle goederen waarvan niet bewezen is dat zij aan een der echtgenoten eigen zijn ingevolge enige wetsbepaling.".
" § 1. Gemeenschappelijk zijn :
1. de inkomsten uit de beroepsbezigheden van elk der echtgenoten, alle inkomsten of vergoedingen die ze vervangen of aanvullen, evenals de inkomsten uit openbare of particuliere mandaten; de opzeggingsvergoeding en andere uitkeringen waarop een echtgenoot wegens beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst gerechtigd is, voor het deel daarvan dat overeenstemt met de opzeggingstermijn die tijdens het stelsel loopt;
2. de vruchten, inkomsten, interesten van hun eigen goederen;
3. de goederen geschonken of vermaakt aan de twee echtgenoten samen of aan een van hen onder beding dat die goederen gemeenschappelijk zullen zijn;
4. de schadevergoeding uitgekeerd aan een echtgenoot, voor zover deze vergoeding strekt tot herstel van zijn huishoudelijke of economische ongeschiktheid tijdens het stelsel;
5. de vermogenswaarde van de vennootschapsaandelen bedoeld in artikel 1401, § 1, 5;
6. de vermogenswaarde van de beroepsgoederen die door een van de echtgenoten met gemeenschappelijke gelden zijn verkregen, als het recht op die beroepsgoederen eigen is krachtens artikel 1401, § 1, 6;
7. de economische waarde van het cliënteel dat tijdens het stelsel door een van de echtgenoten in de uitoefening van zijn beroep of de uitbating van zijn bedrijf is opgebouwd, als het recht op dat cliënteel eigen is krachtens artikel 1401, § 1, 7;
8. de verzekerde prestatie verbonden aan een individuele levensverzekeringsovereenkomst die door een van de echtgenoten tijdens het stelsel is gesloten en tijdens het stelsel aan een van hen verschuldigd is. Indien de prestatie als kapitaal wordt uitbetaald, is het volledige bedrag ervan gemeenschappelijk. Indien de prestatie als rente wordt uitbetaald, zijn zowel de rentebedragen die tijdens het stelsel zijn uitbetaald als de reserve die overeenstemt met de na de ontbinding van het stelsel nog verschuldigde rentes, gemeenschappelijk.
§ 2. Gemeenschappelijk zijn ook alle goederen waarvan niet bewezen is dat zij aan een der echtgenoten eigen zijn ingevolge enige wetsbepaling.".
Art. 16. L'article 1405 du même Code, remplacé par la loi du 14 juillet 1976, est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. Sont communs :
1. les revenus de l'activité professionnelle de chacun des époux, tous revenus ou indemnités en tenant lieu ou les complétant, ainsi que les revenus provenant de l'exercice de mandats publics ou privés; l'indemnité de préavis et autres prestations auxquelles a droit un époux en raison de la rupture de son contrat de travail, pour la part de celle-ci correspondant au délai de préavis qui court pendant le régime;
2. les fruits, revenus, intérêts de leurs biens propres;
3. les biens donnés ou légués aux deux époux conjointement ou à l'un d'eux avec stipulation que ces biens seront communs;
4. l'indemnité payée à un époux en réparation d'un dommage, dans la mesure où cette indemnité vise à réparer son incapacité ménagère ou économique durant le régime;
5. la valeur patrimoniale des parts ou actions de société visées à l'article 1401, § 1er, 5;
6. la valeur patrimoniale des biens professionnels qui ont été acquis par un des époux avec des fonds communs, si le droit à ces biens professionnels est propre en vertu de l'article 1401, § 1er, 6;
7. la valeur économique de la clientèle qui a été constituée pendant le régime par un des époux dans le cadre de l'exercice de sa profession ou de l'exploitation de son entreprise, si le droit à cette clientèle est propre en vertu de l'article 1401, § 1er, 7;
8. la prestation d'assurance liée à un contrat d'assurance sur la vie individuel qui a été conclu par un des époux pendant le régime, lorsqu'elle est due à un des époux pendant le régime. Si la prestation est versée sous forme de capital, la totalité de son montant est commune. Si la prestation est payée sous la forme d'une rente, sont communs les montants de la rente payés pendant le régime ainsi que la réserve qui correspond aux rentes encore dues après la dissolution du régime.
§ 2. Sont également communs tous les biens dont il n'est pas prouvé qu'ils sont propres à l'un des époux par application d'une disposition de la loi.".
" § 1er. Sont communs :
1. les revenus de l'activité professionnelle de chacun des époux, tous revenus ou indemnités en tenant lieu ou les complétant, ainsi que les revenus provenant de l'exercice de mandats publics ou privés; l'indemnité de préavis et autres prestations auxquelles a droit un époux en raison de la rupture de son contrat de travail, pour la part de celle-ci correspondant au délai de préavis qui court pendant le régime;
2. les fruits, revenus, intérêts de leurs biens propres;
3. les biens donnés ou légués aux deux époux conjointement ou à l'un d'eux avec stipulation que ces biens seront communs;
4. l'indemnité payée à un époux en réparation d'un dommage, dans la mesure où cette indemnité vise à réparer son incapacité ménagère ou économique durant le régime;
5. la valeur patrimoniale des parts ou actions de société visées à l'article 1401, § 1er, 5;
6. la valeur patrimoniale des biens professionnels qui ont été acquis par un des époux avec des fonds communs, si le droit à ces biens professionnels est propre en vertu de l'article 1401, § 1er, 6;
7. la valeur économique de la clientèle qui a été constituée pendant le régime par un des époux dans le cadre de l'exercice de sa profession ou de l'exploitation de son entreprise, si le droit à cette clientèle est propre en vertu de l'article 1401, § 1er, 7;
8. la prestation d'assurance liée à un contrat d'assurance sur la vie individuel qui a été conclu par un des époux pendant le régime, lorsqu'elle est due à un des époux pendant le régime. Si la prestation est versée sous forme de capital, la totalité de son montant est commune. Si la prestation est payée sous la forme d'une rente, sont communs les montants de la rente payés pendant le régime ainsi que la réserve qui correspond aux rentes encore dues après la dissolution du régime.
§ 2. Sont également communs tous les biens dont il n'est pas prouvé qu'ils sont propres à l'un des époux par application d'une disposition de la loi.".
Art. 17. In artikel 1406 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 14 juli 1976, wordt het woord "huwelijk" telkens vervangen door het woord "stelsel".
Art. 17. Dans l'article 1406 du même Code, remplacé par la loi du 14 juillet 1976, le mot "mariage" est chaque fois remplacé par le mot "régime".
Art. 18. In artikel 1417 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 14 juli 1976, worden de woorden "daartoe noodzakelijke bestuurshandelingen" vervangen door de woorden "bestuurshandelingen die voor deze uitoefening verantwoord zijn.".
Art. 18. Dans l'article 1417 du même Code, remplacé par la loi du 14 juillet 1976, les mots "nécessaires à celle-ci." sont remplacés par les mots "qui sont justifiés pour cet exercice.".
Art. 19. In artikel 1419 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 14 juli 1976, wordt het tweede lid opgeheven.
Art. 19. Dans l'article 1419 du même Code, remplacé par la loi du 14 juillet 1976, l'alinéa 2 est abrogé.
Art. 20. In artikel 1429bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 10 december 2012, worden de woorden "de aanwinsten" vervangen door de woorden "hetgeen is overgespaard van de wederzijdse inkomsten der echtgenoten".
Art. 20. Dans l'article 1429bis du même Code, inséré par la loi du 10 décembre 2012, le mot "acquêts" est remplacé par les mots "économies faites sur les revenus respectifs des époux".
Art. 21. Artikel 1430 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 14 juli 1976, waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, wordt aangevuld met een paragraaf 2, luidende :
" § 2. Voor de volgende goederen wordt in de te verdelen massa de waarde op het tijdstip van ontbinding van het stelsel, en niet op het tijdstip van verdeling opgenomen :
1° de vermogenswaarde van de vennootschapsaandelen bedoeld in artikel 1401, § 1, 5;
2° de vermogenswaarde van de beroepsgoederen die door een van de echtgenoten met gemeenschappelijke gelden zijn verkregen, als het recht op die beroepsgoederen eigen is krachtens artikel 1401, § 1, 6;
3° de economische waarde van het cliënteel dat tijdens het stelsel door een van de echtgenoten in de uitoefening van zijn beroep of de uitbating van zijn bedrijf is opgebouwd, als het recht op dat cliënteel eigen is krachtens artikel 1401, § 1, 7.".
" § 2. Voor de volgende goederen wordt in de te verdelen massa de waarde op het tijdstip van ontbinding van het stelsel, en niet op het tijdstip van verdeling opgenomen :
1° de vermogenswaarde van de vennootschapsaandelen bedoeld in artikel 1401, § 1, 5;
2° de vermogenswaarde van de beroepsgoederen die door een van de echtgenoten met gemeenschappelijke gelden zijn verkregen, als het recht op die beroepsgoederen eigen is krachtens artikel 1401, § 1, 6;
3° de economische waarde van het cliënteel dat tijdens het stelsel door een van de echtgenoten in de uitoefening van zijn beroep of de uitbating van zijn bedrijf is opgebouwd, als het recht op dat cliënteel eigen is krachtens artikel 1401, § 1, 7.".
Art. 21. L'article 1430 du même Code, remplacé par la loi du 14 juillet 1976, dont le texte actuel formera le paragraphe 1er, est complété par un paragraphe 2 rédigé comme suit :
" § 2. Pour les biens suivants, la valeur au moment de la dissolution du régime, et non au moment du partage, est reprise dans la masse à partager :
1° la valeur patrimoniale des parts ou actions de société visées à l'article 1401, § 1er, 5;
2° la valeur patrimoniale des biens professionnels qui ont été acquis par un des époux avec des fonds communs, si le droit sur ces biens professionnels est propre en vertu de l'article 1401, § 1er, 6;
3° la valeur économique de la clientèle qui a été constituée pendant le régime par un des époux dans le cadre de l'exercice de sa profession ou de l'exploitation de son entreprise, si le droit à cette clientèle est propre en vertu de l'article 1401, § 1er, 7.".
" § 2. Pour les biens suivants, la valeur au moment de la dissolution du régime, et non au moment du partage, est reprise dans la masse à partager :
1° la valeur patrimoniale des parts ou actions de société visées à l'article 1401, § 1er, 5;
2° la valeur patrimoniale des biens professionnels qui ont été acquis par un des époux avec des fonds communs, si le droit sur ces biens professionnels est propre en vertu de l'article 1401, § 1er, 6;
3° la valeur économique de la clientèle qui a été constituée pendant le régime par un des époux dans le cadre de l'exercice de sa profession ou de l'exploitation de son entreprise, si le droit à cette clientèle est propre en vertu de l'article 1401, § 1er, 7.".
Art. 22. Artikel 1432 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 14 juli 1976, wordt aangevuld met een lid, luidende :
"De echtgenoot die zijn beroep uitoefent binnen een vennootschap waarvan de aandelen hem eigen zijn, is aan het gemeenschappelijk vermogen een vergoeding verschuldigd voor de nettoberoepsinkomsten die het gemeenschappelijk vermogen niet heeft ontvangen en redelijkerwijze had kunnen ontvangen indien het beroep niet binnen een vennootschap was uitgeoefend.".
"De echtgenoot die zijn beroep uitoefent binnen een vennootschap waarvan de aandelen hem eigen zijn, is aan het gemeenschappelijk vermogen een vergoeding verschuldigd voor de nettoberoepsinkomsten die het gemeenschappelijk vermogen niet heeft ontvangen en redelijkerwijze had kunnen ontvangen indien het beroep niet binnen een vennootschap was uitgeoefend.".
Art. 22. L'article 1432 du même Code, remplacé par la loi du 14 juillet 1976, est complété par un alinéa rédigé comme suit :
"Le conjoint qui exerce sa profession au sein d'une société dont les actions lui sont propres doit une récompense au patrimoine commun pour les revenus professionnels nets que le patrimoine commun n'a pas reçus et qu'il aurait raisonnablement pu recevoir si la profession n'avait pas été exercée au sein d'une société.".
"Le conjoint qui exerce sa profession au sein d'une société dont les actions lui sont propres doit une récompense au patrimoine commun pour les revenus professionnels nets que le patrimoine commun n'a pas reçus et qu'il aurait raisonnablement pu recevoir si la profession n'avait pas été exercée au sein d'une société.".
Art. 23. In artikel 1440 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 14 juli 1976, wordt het woord "huwelijk" vervangen door het woord "stelsel".
Art. 23. Dans l'article 1440 du même Code, remplacé par la loi du 14 juillet 1976, le mot "mariage" est remplacé par le mot "régime".
Art. 24. In artikel 1442, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 14 juli 1976, worden de woorden "artikelen 1446 en 1447" vervangen door de woorden "artikelen 1389/1 en 1389/2".
Art. 24. Dans l'article 1442, alinéa 2, du même Code, remplacé par la loi du 14 juillet 1976, les mots "les articles 1446 et 1447" sont remplacés par les mots "les articles 1389/1 et 1389/2".
Art. 25. Artikel 1446 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 14 juli 1976, wordt opgeheven.
Art. 25. L'article 1446 du même Code, remplacé par la loi du 14 juillet 1976, est abrogé.
Art. 26. Artikel 1447 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 14 juli 1976 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 30 juli 2013, wordt opgeheven.
Art. 26. L'article 1447 du même Code, remplacé par la loi du 14 juillet 1976 et modifié en dernier lieu par la loi du 30 juillet 2013, est abrogé.
Art. 27. Artikel 1448 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 14 juli 1976, wordt opgeheven.
Art. 27. L'article 1448 du même Code, remplacé par la loi du 14 juillet 1976, est abrogé.
Art. 28. In artikel 1452 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 14 juli 1976, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het tweede lid wordt opgeheven;
2° het artikel, waarvan de bestaande tekst van het eerste lid paragraaf 1 zal vormen, wordt aangevuld met de paragrafen 2 en 3, luidende :
" § 2. Toekomstige echtgenoten die, voor het aangaan van het huwelijk, de volle eigendom van een onroerend goed verkrijgen, kunnen, voor zover zij ten gevolge van die verkrijging exclusief en ten belope van gelijke delen onverdeelde eigenaren zijn van dit goed, in de akte van eigendomsverkrijging een verklaring van anticipatieve inbreng opnemen. Door het louter feit van hun huwelijk, zal dit onroerend goed dan tot het gemeenschappelijk vermogen behoren, alsof ze de inbreng in hun huwelijksovereenkomst hadden bedongen.
De echtgenoten kunnen in hun huwelijksovereenkomst afwijken van het eerste lid.
§ 3. De schulden die open staan op het ogenblik van de inbreng en die door de echtgenoot inbrenger werden aangegaan om de ingebrachte goederen te verkrijgen, te verbeteren of in stand te houden, komen ten laste van het gemeenschappelijk vermogen, behoudens andersluidende overeenkomst.".
1° het tweede lid wordt opgeheven;
2° het artikel, waarvan de bestaande tekst van het eerste lid paragraaf 1 zal vormen, wordt aangevuld met de paragrafen 2 en 3, luidende :
" § 2. Toekomstige echtgenoten die, voor het aangaan van het huwelijk, de volle eigendom van een onroerend goed verkrijgen, kunnen, voor zover zij ten gevolge van die verkrijging exclusief en ten belope van gelijke delen onverdeelde eigenaren zijn van dit goed, in de akte van eigendomsverkrijging een verklaring van anticipatieve inbreng opnemen. Door het louter feit van hun huwelijk, zal dit onroerend goed dan tot het gemeenschappelijk vermogen behoren, alsof ze de inbreng in hun huwelijksovereenkomst hadden bedongen.
De echtgenoten kunnen in hun huwelijksovereenkomst afwijken van het eerste lid.
§ 3. De schulden die open staan op het ogenblik van de inbreng en die door de echtgenoot inbrenger werden aangegaan om de ingebrachte goederen te verkrijgen, te verbeteren of in stand te houden, komen ten laste van het gemeenschappelijk vermogen, behoudens andersluidende overeenkomst.".
Art. 28. Dans l'article 1452 du même Code, remplacé par la loi du 14 juillet 1976, les modifications suivantes sont apportées :
1° l'alinéa 2 est abrogé;
2° l'article, dont le texte actuel de l'alinéa 1er, formera le paragraphe 1er, est complété par les paragraphes 2 et 3 rédigés comme suit :
" § 2. Les futurs époux qui, avant de contracter mariage, acquièrent la pleine propriété d'un bien immeuble, peuvent, pour autant qu'ils soient, suite à cette acquisition, propriétaires indivis exclusifs et par parts égales de ce bien, faire figurer une déclaration d'apport anticipé dans l'acte d'acquisition de propriété. Du simple fait de leur mariage, ce bien immeuble fera alors partie du patrimoine commun, comme s'ils avaient stipulé l'apport dans leur convention matrimoniale.
Les époux peuvent déroger à l'alinéa 1er dans leur convention matrimoniale.
§ 3. Les dettes en cours au moment de l'apport et qui ont été contractées par l'époux apporteur afin d'acquérir, d'améliorer ou de conserver les biens apportés sont à charge du patrimoine commun, sous réserve de convention contraire.".
1° l'alinéa 2 est abrogé;
2° l'article, dont le texte actuel de l'alinéa 1er, formera le paragraphe 1er, est complété par les paragraphes 2 et 3 rédigés comme suit :
" § 2. Les futurs époux qui, avant de contracter mariage, acquièrent la pleine propriété d'un bien immeuble, peuvent, pour autant qu'ils soient, suite à cette acquisition, propriétaires indivis exclusifs et par parts égales de ce bien, faire figurer une déclaration d'apport anticipé dans l'acte d'acquisition de propriété. Du simple fait de leur mariage, ce bien immeuble fera alors partie du patrimoine commun, comme s'ils avaient stipulé l'apport dans leur convention matrimoniale.
Les époux peuvent déroger à l'alinéa 1er dans leur convention matrimoniale.
§ 3. Les dettes en cours au moment de l'apport et qui ont été contractées par l'époux apporteur afin d'acquérir, d'améliorer ou de conserver les biens apportés sont à charge du patrimoine commun, sous réserve de convention contraire.".
Art. 29. Artikel 1455 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 14 juli 1976, wordt aangevuld met de volgende zin : "Deze bepaling is niet van toepassing op goederen die door beide echtgenoten gezamenlijk zijn ingebracht.".
Art. 29. L'article 1455 du même Code, remplacé par la loi du 14 juillet 1976, est complété par la phrase suivante : "La présente disposition ne s'applique pas aux biens apportés conjointement par les deux époux.".
Art. 30. Artikel 1465 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 14 juli 1976 en gewijzigd bij de wet van 10 mei 2007, wordt aangevuld met een lid, luidende :
"Een kind van een van de echtgenoten dat gewoon of ten volle is geadopteerd door de andere echtgenoot, wordt beschouwd als een gemeenschappelijk kind.".
"Een kind van een van de echtgenoten dat gewoon of ten volle is geadopteerd door de andere echtgenoot, wordt beschouwd als een gemeenschappelijk kind.".
Art. 30. L'article 1465 du même Code, remplacé par la loi du 14 juillet 1976 et modifié par la loi du 10 mai 2007, est complété par un alinéa rédigé comme suit :
"Un enfant d'un des époux qui a fait l'objet d'une adoption simple ou plénière par l'autre époux est considéré comme un enfant commun.".
"Un enfant d'un des époux qui a fait l'objet d'une adoption simple ou plénière par l'autre époux est considéré comme un enfant commun.".
Art. 31. In artikel 1466 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 14 juli 1976, worden de woorden "artikel 215, § 1" vervangen door de woorden "de bepalingen betreffende hun wederzijdse rechten en verplichtingen".
Art. 31. Dans l'article 1466 du même Code, remplacé par la loi du 14 juillet 1976, les mots "de l'article 215, § 1er" sont remplacés par les mots "des dispositions relatives à leurs droits et devoirs respectifs".
Art. 32. Artikel 1467 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 14 juli 1976, wordt vervangen als volgt :
"Art. 1467. Het bewijs van de eigendom van een goed of een schuldvordering wordt tussen echtgenoten zowel als ten aanzien van derden geleverd volgens de regels van artikel 1399, tweede en derde lid.
Roerende goederen waarvan niet kan worden bewezen dat ze eigendom zijn van een der echtgenoten, worden beschouwd als onverdeeld tussen de echtgenoten.".
"Art. 1467. Het bewijs van de eigendom van een goed of een schuldvordering wordt tussen echtgenoten zowel als ten aanzien van derden geleverd volgens de regels van artikel 1399, tweede en derde lid.
Roerende goederen waarvan niet kan worden bewezen dat ze eigendom zijn van een der echtgenoten, worden beschouwd als onverdeeld tussen de echtgenoten.".
Art. 32. L'article 1467 du même Code, remplacé par la loi du 14 juillet 1976, est remplacé par ce qui suit :
"Art. 1467. La preuve de la propriété d'un bien ou d'une créance se fait tant entre époux que vis-à-vis des tiers selon les règles des alinéas 2 et 3 de l'article 1399.
Les biens meubles dont la propriété dans le chef d'un seul des époux n'est pas établie sont considérés comme indivis entre eux.".
"Art. 1467. La preuve de la propriété d'un bien ou d'une créance se fait tant entre époux que vis-à-vis des tiers selon les règles des alinéas 2 et 3 de l'article 1399.
Les biens meubles dont la propriété dans le chef d'un seul des époux n'est pas établie sont considérés comme indivis entre eux.".
Art. 33. Artikel 1468 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 14 juli 1976, wordt vervangen als volgt :
"Art. 1468. Onverminderd de toepassing van artikel 215, § 1, en onder voorbehoud van andersluidende overeenkomsten, kan elk der echtgenoten te allen tijde verdeling vorderen van al hun onverdeelde goederen of een deel ervan.".
"Art. 1468. Onverminderd de toepassing van artikel 215, § 1, en onder voorbehoud van andersluidende overeenkomsten, kan elk der echtgenoten te allen tijde verdeling vorderen van al hun onverdeelde goederen of een deel ervan.".
Art. 33. L'article 1468 du même Code, remplacé par la loi du 14 juillet 1976, est remplacé par ce qui suit :
"Art. 1468. Sans préjudice de l'application de l'article 215, § 1er, et sous réserve de conventions contraires, chacun des époux peut à tout moment demander le partage de tout ou partie des biens indivis entre eux.".
"Art. 1468. Sans préjudice de l'application de l'article 215, § 1er, et sous réserve de conventions contraires, chacun des époux peut à tout moment demander le partage de tout ou partie des biens indivis entre eux.".
Art. 34. Artikel 1469 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 14 juli 1976 en gewijzigd bij de wet van 30 juli 2013, wordt vervangen als volgt :
"Art. 1469. § 1. Echtgenoten die kiezen voor het stelsel van scheiding van goederen kunnen aan dit stelsel alle bedingen toevoegen die met dat stelsel verenigbaar zijn.
Zij kunnen onder meer bedingen toevoegen met betrekking tot de bewijsvoering, tussen hen, van exclusief eigendomsrecht, met betrekking tot het bewijs van vorderingen die de ene tegen de andere kan inroepen, en bedingen ter nadere regeling van enige onverdeeldheid of doelvermogen die tussen hen zou bestaan.
Zij kunnen ook bedingen opnemen die ertoe strekken een verrekening tussen hun vermogens te verwezenlijken, met name door toevoeging van een beding van verrekening van aanwinsten.
De artikelen 1429bis, 1458, 1464 en 1465 zijn van overeenkomstige toepassing.
§ 2. Echtgenoten die een beding van verrekening van aanwinsten hebben opgenomen, zijn onderworpen aan de artikelen 1469/1 tot 1469/13. Het aanvangsvermogen, het eindvermogen, de verrekenvordering en de betaling daarvan worden overeenkomstig die artikelen bepaald.
Echtgenoten kunnen bij huwelijksovereenkomst afwijken van het bepaalde in het eerste lid en zelf de verrekenmassa, verrekensleutel, het verrekentijdstip en de verrekenmodaliteiten overeenkomen.
§ 3. De notaris vermeldt uitdrukkelijk in de huwelijksovereenkomst dat hij ieder van de echtgenoten heeft gewezen op de juridische gevolgen van het opnemen of niet opnemen van een beding van verrekening van aanwinsten.".
"Art. 1469. § 1. Echtgenoten die kiezen voor het stelsel van scheiding van goederen kunnen aan dit stelsel alle bedingen toevoegen die met dat stelsel verenigbaar zijn.
Zij kunnen onder meer bedingen toevoegen met betrekking tot de bewijsvoering, tussen hen, van exclusief eigendomsrecht, met betrekking tot het bewijs van vorderingen die de ene tegen de andere kan inroepen, en bedingen ter nadere regeling van enige onverdeeldheid of doelvermogen die tussen hen zou bestaan.
Zij kunnen ook bedingen opnemen die ertoe strekken een verrekening tussen hun vermogens te verwezenlijken, met name door toevoeging van een beding van verrekening van aanwinsten.
De artikelen 1429bis, 1458, 1464 en 1465 zijn van overeenkomstige toepassing.
§ 2. Echtgenoten die een beding van verrekening van aanwinsten hebben opgenomen, zijn onderworpen aan de artikelen 1469/1 tot 1469/13. Het aanvangsvermogen, het eindvermogen, de verrekenvordering en de betaling daarvan worden overeenkomstig die artikelen bepaald.
Echtgenoten kunnen bij huwelijksovereenkomst afwijken van het bepaalde in het eerste lid en zelf de verrekenmassa, verrekensleutel, het verrekentijdstip en de verrekenmodaliteiten overeenkomen.
§ 3. De notaris vermeldt uitdrukkelijk in de huwelijksovereenkomst dat hij ieder van de echtgenoten heeft gewezen op de juridische gevolgen van het opnemen of niet opnemen van een beding van verrekening van aanwinsten.".
Art. 34. L'article 1469 du même Code, remplacé par la loi du 14 juillet 1976 et modifié par la loi du 30 juillet 2013, est remplacé par ce qui suit :
"Art. 1469. § 1er. Les époux qui optent pour le régime de la séparation de biens peuvent ajouter à ce régime toutes les clauses compatibles avec ce régime.
Ils peuvent notamment ajouter des clauses concernant l'administration de la preuve, entre eux, du droit de propriété exclusif, concernant la preuve de créances que l'un peut invoquer contre l'autre, ainsi que des clauses précisant toute indivision ou patrimoine d'affectation pouvant exister entre eux.
Ils peuvent aussi adopter des clauses visant à réaliser un décompte entre leurs patrimoines, notamment par l'ajout d'une clause de participation aux acquêts.
Les articles 1429bis, 1458, 1464 et 1465 s'appliquent par analogie.
§ 2. Les époux qui ont adopté une clause de participation aux acquêts sont soumis aux articles 1469/1 à 1469/13. Le patrimoine originaire, le patrimoine final, la créance de participation et le paiement de celle-ci sont définis conformément à ces articles.
Les époux peuvent dans leur convention matrimoniale déroger au prescrit de l'alinéa 1er et convenir eux-mêmes de la masse de participation, de la clé de participation, du moment de participation et des modalités de participation.
§ 3. Le notaire mentionne explicitement dans la convention matrimoniale qu'il a attiré l'attention de chacun des époux sur les conséquences juridiques de l'adoption ou non d'une clause de participation aux acquêts.".
"Art. 1469. § 1er. Les époux qui optent pour le régime de la séparation de biens peuvent ajouter à ce régime toutes les clauses compatibles avec ce régime.
Ils peuvent notamment ajouter des clauses concernant l'administration de la preuve, entre eux, du droit de propriété exclusif, concernant la preuve de créances que l'un peut invoquer contre l'autre, ainsi que des clauses précisant toute indivision ou patrimoine d'affectation pouvant exister entre eux.
Ils peuvent aussi adopter des clauses visant à réaliser un décompte entre leurs patrimoines, notamment par l'ajout d'une clause de participation aux acquêts.
Les articles 1429bis, 1458, 1464 et 1465 s'appliquent par analogie.
§ 2. Les époux qui ont adopté une clause de participation aux acquêts sont soumis aux articles 1469/1 à 1469/13. Le patrimoine originaire, le patrimoine final, la créance de participation et le paiement de celle-ci sont définis conformément à ces articles.
Les époux peuvent dans leur convention matrimoniale déroger au prescrit de l'alinéa 1er et convenir eux-mêmes de la masse de participation, de la clé de participation, du moment de participation et des modalités de participation.
§ 3. Le notaire mentionne explicitement dans la convention matrimoniale qu'il a attiré l'attention de chacun des époux sur les conséquences juridiques de l'adoption ou non d'une clause de participation aux acquêts.".
Art. 35. In titel III, hoofdstuk IV, afdeling 1 van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel 1469/1 ingevoegd, luidende :
"Art. 1469/1. In een stelsel van scheiding van goederen met verrekening van aanwinsten worden de aanwinsten gevormd door het verschil tussen het eindvermogen van een echtgenoot en zijn aanvangsvermogen.
Bij de ontbinding van het huwelijksstelsel blijkt de verrekenvordering uit de vergelijking tussen de aanwinsten van beide echtgenoten.".
"Art. 1469/1. In een stelsel van scheiding van goederen met verrekening van aanwinsten worden de aanwinsten gevormd door het verschil tussen het eindvermogen van een echtgenoot en zijn aanvangsvermogen.
Bij de ontbinding van het huwelijksstelsel blijkt de verrekenvordering uit de vergelijking tussen de aanwinsten van beide echtgenoten.".
Art. 35. Dans le titre III, chapitre IV, section 1re, du même Code, il est inséré un article 1469/1 rédigé comme suit :
"Art. 1469/1. Dans un régime de séparation de biens avec participation aux acquêts, les acquêts sont constitués par la différence entre le patrimoine final d'un époux et son patrimoine originaire.
A la dissolution du régime matrimonial, la créance de participation résulte de la comparaison des acquêts de chacun des époux.".
"Art. 1469/1. Dans un régime de séparation de biens avec participation aux acquêts, les acquêts sont constitués par la différence entre le patrimoine final d'un époux et son patrimoine originaire.
A la dissolution du régime matrimonial, la créance de participation résulte de la comparaison des acquêts de chacun des époux.".
Art. 36. In dezelfde afdeling wordt een artikel 1469/2 ingevoegd, luidende :
"Art. 1469/2. § 1. Het aanvangsvermogen is het vermogen van ieder van de echtgenoten op de datum waarop het huwelijksstelsel uitwerking krijgt. De schulden worden in het aanvangsvermogen in aanmerking genomen, zelfs al overschrijden zij het bedrag van het actief.
§ 2. De goederen en rechten die ieder van de echtgenoten later verkrijgt door schenking, erfenis of testament en deze bedoeld in artikel 1401, § 1, 1°, en § 2, worden in het aanvangsvermogen opgenomen. De schulden bedoeld in de artikelen 1406 en 1407 worden in het aanvangsvermogen in aanmerking genomen, zelfs al overschrijden zij het bedrag van het actief.
§ 3. Tot het aanvangsvermogen worden niet gerekend :
1° de vruchten van de goederen die tot dat vermogen behoren;
2° de goederen van het aanvangsvermogen die een echtgenoot tijdens het huwelijksstelsel aan één van zijn bloedverwanten in rechte lijn heeft gegeven.
§ 4. Bij het sluiten van het huwelijkscontract maken de echtgenoten een beschrijving op van hun respectieve aanvangsvermogen. Indien die beschrijving door beide echtgenoten is ondertekend, wordt zij geacht juist te zijn.
§ 5. Indien geen beschrijving werd opgemaakt, wordt het aanvangsvermogen geacht nul te zijn.".
"Art. 1469/2. § 1. Het aanvangsvermogen is het vermogen van ieder van de echtgenoten op de datum waarop het huwelijksstelsel uitwerking krijgt. De schulden worden in het aanvangsvermogen in aanmerking genomen, zelfs al overschrijden zij het bedrag van het actief.
§ 2. De goederen en rechten die ieder van de echtgenoten later verkrijgt door schenking, erfenis of testament en deze bedoeld in artikel 1401, § 1, 1°, en § 2, worden in het aanvangsvermogen opgenomen. De schulden bedoeld in de artikelen 1406 en 1407 worden in het aanvangsvermogen in aanmerking genomen, zelfs al overschrijden zij het bedrag van het actief.
§ 3. Tot het aanvangsvermogen worden niet gerekend :
1° de vruchten van de goederen die tot dat vermogen behoren;
2° de goederen van het aanvangsvermogen die een echtgenoot tijdens het huwelijksstelsel aan één van zijn bloedverwanten in rechte lijn heeft gegeven.
§ 4. Bij het sluiten van het huwelijkscontract maken de echtgenoten een beschrijving op van hun respectieve aanvangsvermogen. Indien die beschrijving door beide echtgenoten is ondertekend, wordt zij geacht juist te zijn.
§ 5. Indien geen beschrijving werd opgemaakt, wordt het aanvangsvermogen geacht nul te zijn.".
Art. 36. Dans la même section, il est inséré un article 1469/2 rédigé comme suit :
"Art. 1469/2. § 1er. Le patrimoine originaire est le patrimoine de chacun des époux à la date à laquelle le régime matrimonial prend effet. Les dettes sont prises en compte dans le patrimoine originaire, même lorsqu'elles excèdent le montant de l'actif.
§ 2. Les biens et droits acquis ultérieurement par chacun des époux par donation, héritage ou testament ainsi que ceux visés à l'article 1401, § 1er, 1°, et § 2, sont ajoutés au patrimoine originaire. Les dettes visées aux articles 1406 et 1407 sont prises en compte dans le patrimoine originaire, même lorsqu'elles excèdent le montant de l'actif.
§ 3. Le patrimoine originaire ne comprend pas :
1° les fruits des biens qui le composent;
2° les biens du patrimoine originaire donnés par un époux à des parents en ligne directe au cours du régime matrimonial.
§ 4. Lors de la conclusion du contrat de mariage, les époux établissent un inventaire de leur patrimoine originaire respectif. Cet inventaire est présumé exact lorsque les deux époux l'ont signé.
§ 5. Si aucun inventaire n'a été établi, le patrimoine originaire est présumé nul.".
"Art. 1469/2. § 1er. Le patrimoine originaire est le patrimoine de chacun des époux à la date à laquelle le régime matrimonial prend effet. Les dettes sont prises en compte dans le patrimoine originaire, même lorsqu'elles excèdent le montant de l'actif.
§ 2. Les biens et droits acquis ultérieurement par chacun des époux par donation, héritage ou testament ainsi que ceux visés à l'article 1401, § 1er, 1°, et § 2, sont ajoutés au patrimoine originaire. Les dettes visées aux articles 1406 et 1407 sont prises en compte dans le patrimoine originaire, même lorsqu'elles excèdent le montant de l'actif.
§ 3. Le patrimoine originaire ne comprend pas :
1° les fruits des biens qui le composent;
2° les biens du patrimoine originaire donnés par un époux à des parents en ligne directe au cours du régime matrimonial.
§ 4. Lors de la conclusion du contrat de mariage, les époux établissent un inventaire de leur patrimoine originaire respectif. Cet inventaire est présumé exact lorsque les deux époux l'ont signé.
§ 5. Si aucun inventaire n'a été établi, le patrimoine originaire est présumé nul.".
Art. 37. In dezelfde afdeling wordt een artikel 1469/3 ingevoegd, luidende :
"Art. 1469/3. § 1. Het aanvangsvermogen wordt als volgt geschat :
1° de op datum waarop het huwelijksstelsel in werking treedt bestaande goederen worden op die datum geschat;
2° de goederen die na de datum waarop het huwelijksstelsel in werking treedt, worden verkregen en die, krachtens artikel 1469/2, § 2, tot het aanvangsvermogen behoren, worden op de datum van hun verkrijging geschat.
§ 2. De onroerende goederen en de onroerende zakelijke rechten van het aanvangsvermogen, andere dan vruchtgebruik en recht van gebruik en bewoning, worden op de datum van de ontbinding van het stelsel geschat. Indien die goederen tijdens het huwelijk zijn overgedragen of vervangen, wordt de waarde in aanmerking genomen op de datum van overdracht of vervanging. De tijdens het huwelijk ondernomen wijzigingen aan de toestand van die goederen, worden niet in aanmerking genomen voor de raming van het aanvangsvermogen.
§ 3. Indien de goederen worden geraamd op een datum die de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel voorafgaat, dan wordt hun overeenkomstig paragrafen 1 en 2 bepaalde waarde, aangepast volgens de wijziging van het algemeen indexcijfer van de consumptieprijzen.
§ 4. De paragrafen 1 en 3 zijn ook van toepassing op de schatting van schulden.".
"Art. 1469/3. § 1. Het aanvangsvermogen wordt als volgt geschat :
1° de op datum waarop het huwelijksstelsel in werking treedt bestaande goederen worden op die datum geschat;
2° de goederen die na de datum waarop het huwelijksstelsel in werking treedt, worden verkregen en die, krachtens artikel 1469/2, § 2, tot het aanvangsvermogen behoren, worden op de datum van hun verkrijging geschat.
§ 2. De onroerende goederen en de onroerende zakelijke rechten van het aanvangsvermogen, andere dan vruchtgebruik en recht van gebruik en bewoning, worden op de datum van de ontbinding van het stelsel geschat. Indien die goederen tijdens het huwelijk zijn overgedragen of vervangen, wordt de waarde in aanmerking genomen op de datum van overdracht of vervanging. De tijdens het huwelijk ondernomen wijzigingen aan de toestand van die goederen, worden niet in aanmerking genomen voor de raming van het aanvangsvermogen.
§ 3. Indien de goederen worden geraamd op een datum die de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel voorafgaat, dan wordt hun overeenkomstig paragrafen 1 en 2 bepaalde waarde, aangepast volgens de wijziging van het algemeen indexcijfer van de consumptieprijzen.
§ 4. De paragrafen 1 en 3 zijn ook van toepassing op de schatting van schulden.".
Art. 37. Dans la même section, il est inséré un article 1469/3 rédigé comme suit :
"Art. 1469/3. § 1er. Le patrimoine originaire est évalué comme suit :
1° les biens existants à la date de prise d'effet du régime matrimonial sont évalués à cette date;
2° les biens acquis après la date de prise d'effet du régime matrimonial et qui, en vertu de l'article 1469/2, § 2, font partie du patrimoine originaire, sont évalués à la date de leur acquisition.
§ 2. Toutefois, les immeubles et droits réels immobiliers du patrimoine originaire, autres que l'usufruit et le droit d'usage et d'habitation, sont évalués à la date de la dissolution du régime. Si ces biens ont été cédés ou remplacés au cours du mariage, est retenue leur valeur à la date de la cession ou du remplacement. Les modifications de leur état entreprises au cours du mariage ne sont pas prises en compte dans l'évaluation du patrimoine originaire.
§ 3. Lorsque les biens sont évalués à une date antérieure à la dissolution du régime matrimonial, leur valeur déterminée en application des paragraphes 1er et 2 est indexée sur la variation de l'indice général des prix à la consommation.
§ 4. Les paragraphes 1er et 3 s'appliquent aussi à l'évaluation des dettes.".
"Art. 1469/3. § 1er. Le patrimoine originaire est évalué comme suit :
1° les biens existants à la date de prise d'effet du régime matrimonial sont évalués à cette date;
2° les biens acquis après la date de prise d'effet du régime matrimonial et qui, en vertu de l'article 1469/2, § 2, font partie du patrimoine originaire, sont évalués à la date de leur acquisition.
§ 2. Toutefois, les immeubles et droits réels immobiliers du patrimoine originaire, autres que l'usufruit et le droit d'usage et d'habitation, sont évalués à la date de la dissolution du régime. Si ces biens ont été cédés ou remplacés au cours du mariage, est retenue leur valeur à la date de la cession ou du remplacement. Les modifications de leur état entreprises au cours du mariage ne sont pas prises en compte dans l'évaluation du patrimoine originaire.
§ 3. Lorsque les biens sont évalués à une date antérieure à la dissolution du régime matrimonial, leur valeur déterminée en application des paragraphes 1er et 2 est indexée sur la variation de l'indice général des prix à la consommation.
§ 4. Les paragraphes 1er et 3 s'appliquent aussi à l'évaluation des dettes.".
Art. 38. In dezelfde afdeling wordt een artikel 1469/4 ingevoegd, luidende :
"Art. 1469/4. § 1. Het eindvermogen is samengesteld uit de goederen die de echtgenoot op de datum van ontbinding van het stelsel toebehoren. De schulden worden in aanmerking genomen, zelfs als zij het bedrag van het actief overschrijden.
§ 2. Aan dat eindvermogen wordt de waarde toegevoegd van de goederen die een echtgenoot :
1° heeft geschonken, behalve indien :
a) de schenking niet overdreven was, gelet op de levenswijze van de echtgenoten of;
b) de schenking betrekking heeft op een goed van het aanvangsvermogen dat aan bloedverwanten in rechte lijn werd geschonken. De meerwaarde ten gevolge van de verbeteringen die tijdens de duur van het huwelijksstelsel werd aangebracht, met gelden die niet van het aanvangsvermogen afhangen, wordt echter aan het eindvermogen toegevoegd;
2° heeft overgedragen met oogmerk om de andere echtgenoot te benadelen of;
3° heeft verkwist.
Die bepalingen zijn niet van toepassing indien de schenking, de bedrieglijke vervreemding of de verkwisting meer dan tien jaar voor de ontbinding van het huwelijksstelsel plaatsvond, of indien de andere echtgenoot ermee heeft ingestemd.".
"Art. 1469/4. § 1. Het eindvermogen is samengesteld uit de goederen die de echtgenoot op de datum van ontbinding van het stelsel toebehoren. De schulden worden in aanmerking genomen, zelfs als zij het bedrag van het actief overschrijden.
§ 2. Aan dat eindvermogen wordt de waarde toegevoegd van de goederen die een echtgenoot :
1° heeft geschonken, behalve indien :
a) de schenking niet overdreven was, gelet op de levenswijze van de echtgenoten of;
b) de schenking betrekking heeft op een goed van het aanvangsvermogen dat aan bloedverwanten in rechte lijn werd geschonken. De meerwaarde ten gevolge van de verbeteringen die tijdens de duur van het huwelijksstelsel werd aangebracht, met gelden die niet van het aanvangsvermogen afhangen, wordt echter aan het eindvermogen toegevoegd;
2° heeft overgedragen met oogmerk om de andere echtgenoot te benadelen of;
3° heeft verkwist.
Die bepalingen zijn niet van toepassing indien de schenking, de bedrieglijke vervreemding of de verkwisting meer dan tien jaar voor de ontbinding van het huwelijksstelsel plaatsvond, of indien de andere echtgenoot ermee heeft ingestemd.".
Art. 38. Dans la même section, il est inséré un article 1469/4 rédigé comme suit :
"Art. 1469/4. § 1er. Le patrimoine final est constitué des biens appartenant à l'époux à la date de la dissolution du régime. Les dettes sont prises en compte, même lorsqu'elles excèdent le montant de l'actif.
§ 2. Est ajouté au patrimoine final la valeur des biens qu'un époux :
1° a donnés, sauf :
a) si la donation n'est pas excessive eu égard au train de vie des époux ou;
b) si la donation porte sur un bien du patrimoine originaire donné à des parents en ligne directe. Toutefois, la plus-value apportée par les améliorations réalisées sur ce bien, pendant la durée du régime matrimonial, avec des deniers ne dépendant pas du patrimoine originaire, est ajoutée au patrimoine final;
2° a cédés dans le but de léser l'autre époux ou;
3° a dissipés.
Ces dispositions ne s'appliquent pas si la donation, l'aliénation frauduleuse ou la dissipation est intervenue plus de dix ans avant la dissolution du régime matrimonial ou si l'autre époux y a consenti.".
"Art. 1469/4. § 1er. Le patrimoine final est constitué des biens appartenant à l'époux à la date de la dissolution du régime. Les dettes sont prises en compte, même lorsqu'elles excèdent le montant de l'actif.
§ 2. Est ajouté au patrimoine final la valeur des biens qu'un époux :
1° a donnés, sauf :
a) si la donation n'est pas excessive eu égard au train de vie des époux ou;
b) si la donation porte sur un bien du patrimoine originaire donné à des parents en ligne directe. Toutefois, la plus-value apportée par les améliorations réalisées sur ce bien, pendant la durée du régime matrimonial, avec des deniers ne dépendant pas du patrimoine originaire, est ajoutée au patrimoine final;
2° a cédés dans le but de léser l'autre époux ou;
3° a dissipés.
Ces dispositions ne s'appliquent pas si la donation, l'aliénation frauduleuse ou la dissipation est intervenue plus de dix ans avant la dissolution du régime matrimonial ou si l'autre époux y a consenti.".
Art. 39. In dezelfde afdeling wordt een artikel 1469/5 ingevoegd, luidende :
"Art. 1469/5. § 1. Het eindvermogen wordt zowel voor het actief als voor het passief geschat op de datum van ontbinding van het huwelijksstelsel.
§ 2. De waarde van de goederen bedoeld in artikel 1469/4, § 2, wordt bepaald op de datum van de schenking, van de bedrieglijke vervreemding of van de verkwisting. De meerwaarde bedoeld in artikel 1469/4, § 2, eerste lid, 1°, b) wordt geschat op de datum van de schenking van het goed.
§ 3. De in paragraaf 2 vermelde waarden worden aangepast volgens de wijziging van het algemeen indexcijfer van de consumptieprijzen.".
"Art. 1469/5. § 1. Het eindvermogen wordt zowel voor het actief als voor het passief geschat op de datum van ontbinding van het huwelijksstelsel.
§ 2. De waarde van de goederen bedoeld in artikel 1469/4, § 2, wordt bepaald op de datum van de schenking, van de bedrieglijke vervreemding of van de verkwisting. De meerwaarde bedoeld in artikel 1469/4, § 2, eerste lid, 1°, b) wordt geschat op de datum van de schenking van het goed.
§ 3. De in paragraaf 2 vermelde waarden worden aangepast volgens de wijziging van het algemeen indexcijfer van de consumptieprijzen.".
Art. 39. Dans la même section, il est inséré un article 1469/5 rédigé comme suit :
"Art. 1469/5. § 1er. Le patrimoine final est évalué, tant en ce qui concerne l'actif que le passif, à la date de la dissolution du régime matrimonial.
§ 2. La valeur des biens visés à l'article 1469/4, § 2, est fixée à la date de la donation, de l'aliénation frauduleuse ou de la dissipation. La plus-value visée à l'article 1469/4, § 2, alinéa 1, 1°, b) est évaluée à la date de la donation du bien.
§ 3. Les valeurs indiquées au paragraphe 2 sont indexées sur la variation de l'indice général des prix à la consommation.".
"Art. 1469/5. § 1er. Le patrimoine final est évalué, tant en ce qui concerne l'actif que le passif, à la date de la dissolution du régime matrimonial.
§ 2. La valeur des biens visés à l'article 1469/4, § 2, est fixée à la date de la donation, de l'aliénation frauduleuse ou de la dissipation. La plus-value visée à l'article 1469/4, § 2, alinéa 1, 1°, b) est évaluée à la date de la donation du bien.
§ 3. Les valeurs indiquées au paragraphe 2 sont indexées sur la variation de l'indice général des prix à la consommation.".
Art. 40. In dezelfde afdeling wordt een artikel 1469/6 ingevoegd, luidende :
"Art. 1469/6. § 1. Indien bij ontbinding van het huwelijksstelsel de aanwinsten van een van de echtgenoten die van de andere overschrijden, dan kan deze laatste tegen zijn echtgenoot een verrekenvordering gelijk aan de helft van dat verschil doen gelden.
§ 2. De verrekenvordering wordt in geld betaald. De rechtbank kan echter op verzoek van de ene of van de andere echtgenoot beslissen dat, met het oog op die betaling, goederen van de schuldenaar aan de schuldeiser worden overgedragen, indien dit met het billijkheidbeginsel overeenstemt.
§ 3. Na de ontbinding van het huwelijksstelsel is de verrekenvordering wegens overlijden vererfbaar en onder levenden overdraagbaar.".
"Art. 1469/6. § 1. Indien bij ontbinding van het huwelijksstelsel de aanwinsten van een van de echtgenoten die van de andere overschrijden, dan kan deze laatste tegen zijn echtgenoot een verrekenvordering gelijk aan de helft van dat verschil doen gelden.
§ 2. De verrekenvordering wordt in geld betaald. De rechtbank kan echter op verzoek van de ene of van de andere echtgenoot beslissen dat, met het oog op die betaling, goederen van de schuldenaar aan de schuldeiser worden overgedragen, indien dit met het billijkheidbeginsel overeenstemt.
§ 3. Na de ontbinding van het huwelijksstelsel is de verrekenvordering wegens overlijden vererfbaar en onder levenden overdraagbaar.".
Art. 40. Dans la même section, il est inséré un article 1469/6 rédigé comme suit :
"Art. 1469/6. § 1er. Si à la dissolution du régime matrimonial, les acquêts d'un époux excèdent les acquêts de l'autre époux, ce dernier peut faire valoir à l'encontre de son conjoint une créance de participation égale à la moitié de la différence.
§ 2. La créance de participation donne lieu à un paiement en argent. Toutefois, le tribunal peut, à la demande de l'un ou l'autre des époux, ordonner, à l'effet de ce paiement, le transfert de biens du débiteur au créancier, si cela répond au principe de l'équité.
§ 3. Après la dissolution du régime matrimonial, la créance de participation est transmissible à cause de mort et cessible entre vifs.".
"Art. 1469/6. § 1er. Si à la dissolution du régime matrimonial, les acquêts d'un époux excèdent les acquêts de l'autre époux, ce dernier peut faire valoir à l'encontre de son conjoint une créance de participation égale à la moitié de la différence.
§ 2. La créance de participation donne lieu à un paiement en argent. Toutefois, le tribunal peut, à la demande de l'un ou l'autre des époux, ordonner, à l'effet de ce paiement, le transfert de biens du débiteur au créancier, si cela répond au principe de l'équité.
§ 3. Après la dissolution du régime matrimonial, la créance de participation est transmissible à cause de mort et cessible entre vifs.".
Art. 41. In dezelfde afdeling wordt een artikel 1469/7 ingevoegd, luidende :
"Art. 1469/7. Indien het huwelijk door echtscheiding is ontbonden, of indien het huwelijksstelsel door een andere gerechtelijke beslissing is ontbonden, wordt de verrekenvordering bepaald volgens de samenstelling en de waarde van het vermogen van de echtgenoten op het tijdstip waarop de vordering in rechte is ingediend.".
"Art. 1469/7. Indien het huwelijk door echtscheiding is ontbonden, of indien het huwelijksstelsel door een andere gerechtelijke beslissing is ontbonden, wordt de verrekenvordering bepaald volgens de samenstelling en de waarde van het vermogen van de echtgenoten op het tijdstip waarop de vordering in rechte is ingediend.".
Art. 41. Dans la même section, il est inséré un article 1469/7 rédigé comme suit :
"Art. 1469/7. Si le mariage est dissous par divorce ou si le régime matrimonial est dissous par une autre décision judiciaire, la créance de participation est déterminée en fonction de la composition et de la valeur du patrimoine des époux à la date d'introduction de la demande en justice.".
"Art. 1469/7. Si le mariage est dissous par divorce ou si le régime matrimonial est dissous par une autre décision judiciaire, la créance de participation est déterminée en fonction de la composition et de la valeur du patrimoine des époux à la date d'introduction de la demande en justice.".
Art. 42. In dezelfde afdeling wordt een artikel 1469/8 ingevoegd, luidende :
"Art. 1469/8. De verrekenvordering is beperkt tot de helft van de waarde van het vermogen van de schuldplichtige echtgenoot, zoals dat vermogen is na aftrek van de schulden op de datum die voor de bepaling van het bedrag ervan in aanmerking komt.
De beperking van de verrekenvordering wordt verhoogd met de helft van het bedrag dat aan het eindvermogen wordt toegevoegd overeenkomstig artikel 1469/4, § 2, met uitzondering van het geval bedoeld in het eerste lid, 1°, b), van diezelfde paragraaf.".
"Art. 1469/8. De verrekenvordering is beperkt tot de helft van de waarde van het vermogen van de schuldplichtige echtgenoot, zoals dat vermogen is na aftrek van de schulden op de datum die voor de bepaling van het bedrag ervan in aanmerking komt.
De beperking van de verrekenvordering wordt verhoogd met de helft van het bedrag dat aan het eindvermogen wordt toegevoegd overeenkomstig artikel 1469/4, § 2, met uitzondering van het geval bedoeld in het eerste lid, 1°, b), van diezelfde paragraaf.".
Art. 42. Dans la même section, il est inséré un article 1469/8 rédigé comme suit :
"Art. 1469/8. La créance de participation est limitée à la moitié de la valeur du patrimoine de l'époux débiteur tel qu'il existe, après déduction des dettes, à la date retenue pour la détermination du montant de cette créance.
La limite de la créance de participation est relevée de la moitié du montant ajouté au patrimoine final en application de l'article 1469/4, § 2, à l'exception du cas visé à l'alinéa 1er, 1°, b) du même paragraphe.".
"Art. 1469/8. La créance de participation est limitée à la moitié de la valeur du patrimoine de l'époux débiteur tel qu'il existe, après déduction des dettes, à la date retenue pour la détermination du montant de cette créance.
La limite de la créance de participation est relevée de la moitié du montant ajouté au patrimoine final en application de l'article 1469/4, § 2, à l'exception du cas visé à l'alinéa 1er, 1°, b) du même paragraphe.".
Art. 43. In dezelfde afdeling wordt een artikel 1469/9 ingevoegd, luidende :
"Art. 1469/9. Het recht op de verrekenvordering verjaart na drie jaar te rekenen vanaf de datum waarop de echtgenoot kennis heeft van de ontbinding van het huwelijksstelsel, en uiterlijk tien jaar na de ontbinding van het stelsel.".
"Art. 1469/9. Het recht op de verrekenvordering verjaart na drie jaar te rekenen vanaf de datum waarop de echtgenoot kennis heeft van de ontbinding van het huwelijksstelsel, en uiterlijk tien jaar na de ontbinding van het stelsel.".
Art. 43. Dans la même section, il est inséré un article 1469/9 rédigé comme suit :
"Art. 1469/9. Le droit à la créance de participation se prescrit par trois ans à compter de la date à laquelle l'époux a connaissance de la dissolution du régime matrimonial, et au plus tard dix ans après la dissolution du régime.".
"Art. 1469/9. Le droit à la créance de participation se prescrit par trois ans à compter de la date à laquelle l'époux a connaissance de la dissolution du régime matrimonial, et au plus tard dix ans après la dissolution du régime.".
Art. 44. In dezelfde afdeling wordt een artikel 1469/10 ingevoegd, luidende :
"Art. 1469/10. § 1. Na de ontbinding van het huwelijksstelsel moet iedere echtgenoot aan de andere alle informatie verschaffen over de samenstelling van zijn aanvangs- en eindvermogen. Hij moet op verzoek bewijsdocumenten voorleggen. Ieder van de echtgenoten kan eisen dat een volledige en waarheidsgetrouwe beschrijving wordt opgemaakt. Op zijn verzoek moet hij voor die beschrijving worden opgeroepen. Hij mag bovendien eisen dat die beschrijving op zijn kosten door een notaris wordt opgemaakt.
§ 2. Paragraaf 1 is eveneens van toepassing wanneer een van de echtgenoten de ontbinding van het huwelijk of de vervroegde uitbetaling van de verrekenvordering heeft geëist.".
"Art. 1469/10. § 1. Na de ontbinding van het huwelijksstelsel moet iedere echtgenoot aan de andere alle informatie verschaffen over de samenstelling van zijn aanvangs- en eindvermogen. Hij moet op verzoek bewijsdocumenten voorleggen. Ieder van de echtgenoten kan eisen dat een volledige en waarheidsgetrouwe beschrijving wordt opgemaakt. Op zijn verzoek moet hij voor die beschrijving worden opgeroepen. Hij mag bovendien eisen dat die beschrijving op zijn kosten door een notaris wordt opgemaakt.
§ 2. Paragraaf 1 is eveneens van toepassing wanneer een van de echtgenoten de ontbinding van het huwelijk of de vervroegde uitbetaling van de verrekenvordering heeft geëist.".
Art. 44. Dans la même section, il est inséré un article 1469/10 rédigé comme suit :
"Art. 1469/10. § 1er. Après la dissolution du régime matrimonial, chacun des époux a l'obligation de fournir à l'autre époux toutes informations sur la composition de ses patrimoines originaire et final. Sur demande, il doit présenter des justificatifs. Chacun des époux peut exiger la présentation d'un inventaire sincère et véritable. A sa demande, il doit être appelé à cet inventaire. Il peut en outre exiger que l'inventaire soit établi par un notaire à ses frais.
§ 2. Le paragraphe 1er s'applique également dès lors que l'un des époux a demandé la dissolution du mariage ou la liquidation anticipée de la créance de participation.".
"Art. 1469/10. § 1er. Après la dissolution du régime matrimonial, chacun des époux a l'obligation de fournir à l'autre époux toutes informations sur la composition de ses patrimoines originaire et final. Sur demande, il doit présenter des justificatifs. Chacun des époux peut exiger la présentation d'un inventaire sincère et véritable. A sa demande, il doit être appelé à cet inventaire. Il peut en outre exiger que l'inventaire soit établi par un notaire à ses frais.
§ 2. Le paragraphe 1er s'applique également dès lors que l'un des époux a demandé la dissolution du mariage ou la liquidation anticipée de la créance de participation.".
Art. 45. In dezelfde afdeling wordt een artikel 1469/11 ingevoegd, luidende :
"Art. 1469/11. § 1. Indien de onmiddellijke betaling van de verrekenvordering de schuldenaar onbillijk belast, met name als hij verplicht zou worden een goed af te staan dat hij nodig heeft om in zijn levensonderhoud te voorzien, kan de rechtbank hem, op zijn verzoek, uitstel voor die betaling verlenen.
§ 2. De vordering waarvan de betaling wordt uitgesteld, brengt intrest op.
§ 3. De rechtbank kan, op verzoek van de schuldeiser, de schuldenaar verplichten zekerheden te stellen, waarvan hij de aard en het bedrag naar billijkheid bepaalt.".
"Art. 1469/11. § 1. Indien de onmiddellijke betaling van de verrekenvordering de schuldenaar onbillijk belast, met name als hij verplicht zou worden een goed af te staan dat hij nodig heeft om in zijn levensonderhoud te voorzien, kan de rechtbank hem, op zijn verzoek, uitstel voor die betaling verlenen.
§ 2. De vordering waarvan de betaling wordt uitgesteld, brengt intrest op.
§ 3. De rechtbank kan, op verzoek van de schuldeiser, de schuldenaar verplichten zekerheden te stellen, waarvan hij de aard en het bedrag naar billijkheid bepaalt.".
Art. 45. Dans la même section, il est inséré un article 1469/11 rédigé comme suit :
"Art. 1469/11. § 1er. Si le règlement immédiat de la créance de participation pénalise de manière inéquitable le débiteur, notamment en l'obligeant à céder un bien constituant son moyen de subsistance, le tribunal peut, à sa demande, lui accorder des délais pour le règlement de la créance.
§ 2. La créance dont le paiement est différé, porte intérêts.
§ 3. Le tribunal peut, à la demande du créancier, imposer au débiteur la fourniture de sûretés dont il détermine la nature et le montant en équité.".
"Art. 1469/11. § 1er. Si le règlement immédiat de la créance de participation pénalise de manière inéquitable le débiteur, notamment en l'obligeant à céder un bien constituant son moyen de subsistance, le tribunal peut, à sa demande, lui accorder des délais pour le règlement de la créance.
§ 2. La créance dont le paiement est différé, porte intérêts.
§ 3. Le tribunal peut, à la demande du créancier, imposer au débiteur la fourniture de sûretés dont il détermine la nature et le montant en équité.".
Art. 46. In dezelfde afdeling wordt een artikel 1469/12 ingevoegd, luidende :
"Art. 1469/12. § 1. Indien een echtgenoot door het bestuur van zijn vermogen de rechten van de andere met betrekking tot de berekening van de verrekenvordering in gevaar brengt, kan deze laatste de vervroegde uitkering van de verrekenvordering eisen. Dat is met name zo in de gevallen die leiden tot de fictieve toevoeging bedoeld in artikel 1469/4, § 2.
§ 2. Vanaf de definitieve beslissing die de vraag inwilligt, zijn de echtgenoten aan het stelsel van scheiding van goederen onderworpen.".
"Art. 1469/12. § 1. Indien een echtgenoot door het bestuur van zijn vermogen de rechten van de andere met betrekking tot de berekening van de verrekenvordering in gevaar brengt, kan deze laatste de vervroegde uitkering van de verrekenvordering eisen. Dat is met name zo in de gevallen die leiden tot de fictieve toevoeging bedoeld in artikel 1469/4, § 2.
§ 2. Vanaf de definitieve beslissing die de vraag inwilligt, zijn de echtgenoten aan het stelsel van scheiding van goederen onderworpen.".
Art. 46. Dans la même section, il est inséré un article 1469/12 rédigé comme suit :
"Art. 1469/12. § 1er. Si la gestion de son patrimoine par l'un des époux est de nature à compromettre les droits de l'autre au titre du calcul de la créance de participation, ce dernier peut demander la liquidation anticipée de la créance de participation. Il en est notamment ainsi dans les cas qui conduisent à la réunion fictive visée à l'article 1469/4, § 2.
§ 2. A compter de la décision définitive faisant droit à la demande, les époux sont placés sous le régime de la séparation de biens.".
"Art. 1469/12. § 1er. Si la gestion de son patrimoine par l'un des époux est de nature à compromettre les droits de l'autre au titre du calcul de la créance de participation, ce dernier peut demander la liquidation anticipée de la créance de participation. Il en est notamment ainsi dans les cas qui conduisent à la réunion fictive visée à l'article 1469/4, § 2.
§ 2. A compter de la décision définitive faisant droit à la demande, les époux sont placés sous le régime de la séparation de biens.".
Art. 47. In dezelfde afdeling wordt een artikel 1469/13 ingevoegd, luidende :
"Art. 1469/13. De beschrijving bedoeld in de artikelen 1469/2 en 1469/10 kan voor de notaris of onderhands worden opgemaakt. De notariële beschrijving kan worden opgemaakt op grond van verklaringen, voor zover beide echtgenoten hiermee akkoord gaan.".
"Art. 1469/13. De beschrijving bedoeld in de artikelen 1469/2 en 1469/10 kan voor de notaris of onderhands worden opgemaakt. De notariële beschrijving kan worden opgemaakt op grond van verklaringen, voor zover beide echtgenoten hiermee akkoord gaan.".
Art. 47. Dans la même section, il est inséré un article 1469/13 rédigé comme suit :
"Art. 1469/13. L'inventaire visé aux articles 1469/2 et 1469/10 peut être établi soit devant notaire soit sous seing privé. En cas d'inventaire notarié, celui-ci peut être fait sur déclarations, pour autant que les deux époux y consentent.".
"Art. 1469/13. L'inventaire visé aux articles 1469/2 et 1469/10 peut être établi soit devant notaire soit sous seing privé. En cas d'inventaire notarié, celui-ci peut être fait sur déclarations, pour autant que les deux époux y consentent.".
Art. 48. In titel 5, hoofdstuk 4, van hetzelfde Wetboek wordt een afdeling 3 ingevoegd, luidende "Rechterlijke billijkheidscorrectie".
Art. 48. Dans le titre 5, chapitre 4 du même Code, il est inséré une section 3 intitulée "De la correction judiciaire en équité".
Art. 49. In afdeling 3, ingevoegd bij artikel 48, wordt een artikel 1474/1 ingevoegd, luidende :
"Art. 1474/1. § 1. Onverminderd paragraaf 2, kan de familierechtbank, wanneer het huwelijk ontbonden is door echtscheiding wegens onherstelbare ontwrichting van het huwelijk tussen de echtgenoten, aan de benadeelde echtgenoot, op zijn verzoek, een vergoeding ten laste van de andere echtgenoot toekennen op voorwaarde dat de omstandigheden sedert het sluiten van de huwelijksovereenkomst van scheiding van goederen of sedert de dag van de eis tot gerechtelijke scheiding van goederen onvoorzien en ongunstig gewijzigd zijn, waardoor het gekozen stelsel, rekening houdend met de vermogensrechtelijke situatie van beide echtgenoten, tot manifest onbillijke gevolgen ten nadele van de verzoekende echtgenoot zou leiden.
De toe te kennen vergoeding remedieert deze manifest onbillijke gevolgen en kan niet hoger liggen dan één derde van de nettowaarde van de samengevoegde aanwinsten van de echtgenoten op het tijdstip van ontbinding van hun huwelijk, waarvan vervolgens de nettowaarde van de persoonlijke aanwinsten van de verzoekende echtgenoot moet worden afgetrokken. De aanwinsten van de echtgenoten in de zin van dit lid worden bepaald bij toepassing van de artikelen 1469/1 tot 1469/5.
De vordering tot vergoeding wordt behandeld binnen de procedure van vereffening van het huwelijksstelsel.
§ 2. Echtgenoten die kiezen voor het stelsel van scheiding van goederen, stellen in hun huwelijksovereenkomst hun akkoord vast over het al dan niet opnemen van dat recht op vergoeding, al of niet met afwijkende modaliteiten.
De notaris wijst de echtgenoten op de in het eerste lid bepaalde verplichting en op de juridische gevolgen van hun keuze om het recht op vergoeding op te nemen, al of niet met afwijkende modaliteiten. Op straffe van aansprakelijkheid, vermeldt de notaris de keuze van de echtgenoten uitdrukkelijk in hun huwelijksovereenkomst.".
"Art. 1474/1. § 1. Onverminderd paragraaf 2, kan de familierechtbank, wanneer het huwelijk ontbonden is door echtscheiding wegens onherstelbare ontwrichting van het huwelijk tussen de echtgenoten, aan de benadeelde echtgenoot, op zijn verzoek, een vergoeding ten laste van de andere echtgenoot toekennen op voorwaarde dat de omstandigheden sedert het sluiten van de huwelijksovereenkomst van scheiding van goederen of sedert de dag van de eis tot gerechtelijke scheiding van goederen onvoorzien en ongunstig gewijzigd zijn, waardoor het gekozen stelsel, rekening houdend met de vermogensrechtelijke situatie van beide echtgenoten, tot manifest onbillijke gevolgen ten nadele van de verzoekende echtgenoot zou leiden.
De toe te kennen vergoeding remedieert deze manifest onbillijke gevolgen en kan niet hoger liggen dan één derde van de nettowaarde van de samengevoegde aanwinsten van de echtgenoten op het tijdstip van ontbinding van hun huwelijk, waarvan vervolgens de nettowaarde van de persoonlijke aanwinsten van de verzoekende echtgenoot moet worden afgetrokken. De aanwinsten van de echtgenoten in de zin van dit lid worden bepaald bij toepassing van de artikelen 1469/1 tot 1469/5.
De vordering tot vergoeding wordt behandeld binnen de procedure van vereffening van het huwelijksstelsel.
§ 2. Echtgenoten die kiezen voor het stelsel van scheiding van goederen, stellen in hun huwelijksovereenkomst hun akkoord vast over het al dan niet opnemen van dat recht op vergoeding, al of niet met afwijkende modaliteiten.
De notaris wijst de echtgenoten op de in het eerste lid bepaalde verplichting en op de juridische gevolgen van hun keuze om het recht op vergoeding op te nemen, al of niet met afwijkende modaliteiten. Op straffe van aansprakelijkheid, vermeldt de notaris de keuze van de echtgenoten uitdrukkelijk in hun huwelijksovereenkomst.".
Art. 49. Dans la section 3 insérée par l'article 48, il est inséré un article 1474/1 rédigé comme suit :
"Art. 1474/1. § 1er. Sans préjudice du paragraphe 2, le tribunal de la famille peut, lorsque le mariage est dissous par le divorce pour cause de désunion irrémédiable entre les époux, accorder à l'époux lésé, à sa demande, une indemnisation à charge de l'autre époux, à condition que les circonstances se soient modifiées défavorablement et de manière imprévue depuis la conclusion de la convention matrimoniale de séparation de biens ou depuis le jour de la demande de séparation des biens, de sorte que le régime choisi entraînerait, au détriment de l'époux demandeur, des conséquences manifestement inéquitables, eu égard à la situation patrimoniale des deux époux.
L'indemnisation à accorder remédie à ces conséquences manifestement inéquitables et ne peut être supérieure au tiers de la valeur nette des acquêts conjugués des époux au moment de la dissolution du mariage, dont il faut ensuite déduire la valeur nette des acquêts personnels de l'époux demandeur. Les acquêts des époux au sens du présent alinéa sont déterminés en application des articles 1469/1 à 1469/5.
La demande d'indemnisation est examinée dans le cadre de la procédure de liquidation du régime matrimonial.
§ 2. Les époux qui optent pour le régime de la séparation de biens constatent dans leur convention matrimoniale leur accord quant à l'insertion ou non de ce droit à l'indemnisation, assorti ou non de modalités dérogatoires.
Le notaire attire l'attention des époux sur l'obligation prévue à l'alinéa 1er ainsi que sur les conséquences juridiques qui découlent de leur choix d'insérer ou non le droit à l'indemnisation, assorti ou non de modalités dérogatoires. Sous peine de responsabilité, le notaire fait expressément mention du choix des époux dans la convention matrimoniale.".
"Art. 1474/1. § 1er. Sans préjudice du paragraphe 2, le tribunal de la famille peut, lorsque le mariage est dissous par le divorce pour cause de désunion irrémédiable entre les époux, accorder à l'époux lésé, à sa demande, une indemnisation à charge de l'autre époux, à condition que les circonstances se soient modifiées défavorablement et de manière imprévue depuis la conclusion de la convention matrimoniale de séparation de biens ou depuis le jour de la demande de séparation des biens, de sorte que le régime choisi entraînerait, au détriment de l'époux demandeur, des conséquences manifestement inéquitables, eu égard à la situation patrimoniale des deux époux.
L'indemnisation à accorder remédie à ces conséquences manifestement inéquitables et ne peut être supérieure au tiers de la valeur nette des acquêts conjugués des époux au moment de la dissolution du mariage, dont il faut ensuite déduire la valeur nette des acquêts personnels de l'époux demandeur. Les acquêts des époux au sens du présent alinéa sont déterminés en application des articles 1469/1 à 1469/5.
La demande d'indemnisation est examinée dans le cadre de la procédure de liquidation du régime matrimonial.
§ 2. Les époux qui optent pour le régime de la séparation de biens constatent dans leur convention matrimoniale leur accord quant à l'insertion ou non de ce droit à l'indemnisation, assorti ou non de modalités dérogatoires.
Le notaire attire l'attention des époux sur l'obligation prévue à l'alinéa 1er ainsi que sur les conséquences juridiques qui découlent de leur choix d'insérer ou non le droit à l'indemnisation, assorti ou non de modalités dérogatoires. Sous peine de responsabilité, le notaire fait expressément mention du choix des époux dans la convention matrimoniale.".
Art. 50. Artikel 1595 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 30 juli 2013, wordt opgeheven.
Art. 50. L'article 1595 du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 30 juillet 2013, est abrogé.
HOOFDSTUK 3. - Wijziging van de wet van 16 mei 1900 tot erfregeling van de kleine nalatenschappen
CHAPITRE 3. - Modification de la loi du 16 mai 1900 sur le régime successoral des petits héritages
Art. 51. In artikel 4, eerste lid, van de wet van 16 mei 1900 tot erfregeling van de kleine nalatenschappen, gewijzigd bij de wetten van 20 december 1961 en 14 mei 1981, worden de woorden "die artikel 1446" vervangen door de woorden "die artikel 1389/1".
Art. 51. Dans l'article 4, alinéa 1er, de la loi du 16 mai 1900 sur le régime successoral des petits héritages, modifié par les lois des 20 décembre 1961 et 14 mai 1981, les mots "par l'article 1446" sont remplacés par les mots "par l'article 1389/1".
HOOFDSTUK 4. - Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek
CHAPITRE 4. - Modifications du Code judiciaire
Art. 52. In artikel 628, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, vervangen bij de wet van 14 juli 1976 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 30 juli 2013, wordt het cijfer "1469" vervangen door het cijfer "1468".
Art. 52. Dans l'article 628, 2°, du Code judiciaire, remplacé par la loi du 14 juillet 1976 et modifié en dernier lieu par la loi du 30 juillet 2013, le chiffre "1469" est remplacé par le chiffre "1468".
Art. 53. In artikel 1253quater van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 14 juli 1976 en laatstelijk gewijzigd bij wet 8 mei 2014, wordt het cijfer "1469" vervangen door het cijfer "1468".
Art. 53. Dans l'article 1253quater du même Code, inséré par la loi du 14 juillet 1976 et modifié en dernier lieu par la loi du 8 mai 2014, le chiffre "1469" est remplacé par le chiffre "1468".
Art. 54. In artikel 1287, derde lid, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 mei 2018, worden de woorden ", 858bis, §§ 3 en 5," ingevoegd tussen de woorden "745bis" en de woorden "en 915bis".
Art. 54. Dans l'article 1287, alinéa 3, du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 25 mai 2018, les mots ", 858bis, § § 3 et 5," sont insérés entre les mots "745bis" et les mots "et 915bis".
HOOFDSTUK 5. - Wijzigingen van de wet van 13 januari 1977 houdende goedkeuring van de overeenkomst inzake de vaststelling van een stelsel van registratie van testamenten, opgemaakt te Bazel op 16 mei 1972 en tot invoering van een centraal huwelijksovereenkomstenregister
CHAPITRE 5. - Modifications de la loi du 13 janvier 1977 portant approbation de la Convention relative à l'établissement d'un système d'inscription des testaments, faite à Bâle le 16 mai 1972 et portant introduction d'un registre central des contrats de mariage
Art. 55. In artikel 4, § 2, van de wet van 13 januari 1977 houdende goedkeuring van de overeenkomst inzake de vaststelling van een stelsel van registratie van testamenten, opgemaakt te Bazel op 16 mei 1972 en tot invoering van een centraal huwelijksovereenkomstenregister, ingevoegd bij de wet van 6 mei 2009 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 10 augustus 2015, wordt een bepaling onder 1° /1 ingevoegd, luidende :
"1° /1 de verklaringen van anticipatieve inbreng opgenomen in een akte van eigendomsverkrijging van een onroerend goed overeenkomstig artikel 1452, § 2, van het Burgerlijk Wetboek, met het oog op hun tegenwerpelijkheid aan derden;".
"1° /1 de verklaringen van anticipatieve inbreng opgenomen in een akte van eigendomsverkrijging van een onroerend goed overeenkomstig artikel 1452, § 2, van het Burgerlijk Wetboek, met het oog op hun tegenwerpelijkheid aan derden;".
Art. 55. Dans l'article 4, § 2, de la loi du 13 janvier 1977 portant approbation de la Convention relative à l'établissement d'un système d'inscription des testaments, faite à Bâle le 16 mai 1972 et portant introduction d'un registre central des contrats de mariage, inséré par la loi du 6 mai 2009 et modifié en dernier lieu par la loi du 10 août 2015, est inséré un 1° /1 rédigé comme suit :
"1° /1 les déclarations d'apport anticipé qui figurent dans un acte d'acquisition de propriété d'un bien immeuble conformément à l'article 1452, § 2, du Code civil, en vue de leur opposabilité à l'égard des tiers;".
"1° /1 les déclarations d'apport anticipé qui figurent dans un acte d'acquisition de propriété d'un bien immeuble conformément à l'article 1452, § 2, du Code civil, en vue de leur opposabilité à l'égard des tiers;".
Art. 56. In artikel 6/1, eerste lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 6 mei 2009 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 10 augustus 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de woorden "verklaringen van anticipatieve inbreng bedoeld in artikel 1452, § 2, van het Burgerlijk Wetboek," worden ingevoegd tussen de woorden "gegevens die inzake huwelijksovereenkomsten," en de woorden "overeenkomsten bedoeld in artikel 1478 van het Burgerlijk Wetboek";
2° de woorden "de in artikel 1452, § 2, van het Burgerlijk Wetboek bedoelde verklaringen van anticipatieve inbreng," worden ingevoegd tussen de woorden "de verplichting tot registratie van alle huwelijksovereenkomsten," en de woorden "de in artikel 1478 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde overeenkomsten".
1° de woorden "verklaringen van anticipatieve inbreng bedoeld in artikel 1452, § 2, van het Burgerlijk Wetboek," worden ingevoegd tussen de woorden "gegevens die inzake huwelijksovereenkomsten," en de woorden "overeenkomsten bedoeld in artikel 1478 van het Burgerlijk Wetboek";
2° de woorden "de in artikel 1452, § 2, van het Burgerlijk Wetboek bedoelde verklaringen van anticipatieve inbreng," worden ingevoegd tussen de woorden "de verplichting tot registratie van alle huwelijksovereenkomsten," en de woorden "de in artikel 1478 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde overeenkomsten".
Art. 56. Dans l'article 6/1, alinéa 1er, de la même loi, inséré par la loi du 6 mai 2009 et modifié en dernier lieu par la loi du 10 août 2015, les modifications suivantes sont apportées :
1° les mots "aux déclarations d'apport anticipé visées à l'article 1452, § 2, du Code civil," sont insérés entre les mots "données relatives aux contrats de mariage," et les mots "aux conventions visées à l'article 1478 du Code civil";
2° les mots "des déclarations d'apport anticipé visées à l'article 1452, § 2, du Code civil," sont insérés entre les mots "l'obligation d'enregistrement de tous les contrats de mariage," et les mots "des conventions visées à l'article 1478 du Code civil".
1° les mots "aux déclarations d'apport anticipé visées à l'article 1452, § 2, du Code civil," sont insérés entre les mots "données relatives aux contrats de mariage," et les mots "aux conventions visées à l'article 1478 du Code civil";
2° les mots "des déclarations d'apport anticipé visées à l'article 1452, § 2, du Code civil," sont insérés entre les mots "l'obligation d'enregistrement de tous les contrats de mariage," et les mots "des conventions visées à l'article 1478 du Code civil".
Art. 57. In artikel 6/2, eerste lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 6 mei 2009 en gewijzigd bij de wet van 14 januari 2013, worden de worden "verklaringen van anticipatieve inbreng bedoeld in artikel 1452, § 2, van het Burgerlijk Wetboek," ingevoegd tussen het woord "huwelijksovereenkomsten," en het woord "overeenkomsten".
Art. 57. Dans l'article 6/2, alinéa 1er, de la même loi, inséré par la loi du 6 mai 2009 et modifié par la loi du 14 janvier 2013, les mots "des déclarations d'apport anticipé visées à l'article 1452, § 2, du Code civil," sont insérés entre le mot "mariage," et les mots "des conventions".
HOOFDSTUK 6. - Wijzigingen van de wet van 31 juli 2017 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de erfenissen en de giften betreft en tot wijziging van diverse andere bepalingen ter zake
CHAPITRE 6. - Modifications de la loi du 31 juillet 2017 modifiant le Code civil en ce qui concerne les successions et les libéralités et modifiant diverses autres dispositions en cette matière
Art. 58. In artikel 2 van de wet van 31 juli 2017 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de erfenissen en de giften betreft en tot wijziging van diverse bepalingen terzake, wordt het artikel 205bis, § 2, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek vervangen als volgt :
"De minister van Justitie bepaalt jaarlijks, op voorstel van het Federaal Planbureau, twee tabellen, een voor mannen en een voor vrouwen, die toelaten om het bedrag van het kapitaal of de gekapitaliseerde waarde van de lijfrente te berekenen op de wijze zoals voorgeschreven in het derde lid. Met uitzondering van de eerste tabellen, worden deze tabellen, ieder jaar, op 1 juli bepaald. Ze worden elk jaar in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt."
"De minister van Justitie bepaalt jaarlijks, op voorstel van het Federaal Planbureau, twee tabellen, een voor mannen en een voor vrouwen, die toelaten om het bedrag van het kapitaal of de gekapitaliseerde waarde van de lijfrente te berekenen op de wijze zoals voorgeschreven in het derde lid. Met uitzondering van de eerste tabellen, worden deze tabellen, ieder jaar, op 1 juli bepaald. Ze worden elk jaar in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt."
Art. 58. Dans l'article 2 de la loi du 31 juillet 2017 modifiant le Code civil en ce qui concerne les successions et les libéralités et modifiant diverses autres dispositions en cette matière, l'article 205bis, § 2, alinéa 4, du Code civil, est remplacé par ce qui suit :
"Le ministre de la Justice établit chaque année, sur la proposition du Bureau fédéral du Plan, deux tables, l'une pour les hommes et l'autre pour les femmes, qui permettent de calculer le montant du capital ou de la valeur capitalisée de la rente viagère selon le mode prévu à l'alinéa 3. A l'exception des premières tables, ces tables sont établies au 1er juillet de chaque année. Elles sont publiées chaque année au Moniteur belge."
"Le ministre de la Justice établit chaque année, sur la proposition du Bureau fédéral du Plan, deux tables, l'une pour les hommes et l'autre pour les femmes, qui permettent de calculer le montant du capital ou de la valeur capitalisée de la rente viagère selon le mode prévu à l'alinéa 3. A l'exception des premières tables, ces tables sont établies au 1er juillet de chaque année. Elles sont publiées chaque année au Moniteur belge."
Art. 59. In dezelfde wet wordt een artikel 2/1 ingevoegd, luidende :
"Art. 2/1. In artikel 353-16, eerste lid, 1°, van het Burgerlijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 24 april 2003 en gewijzigd bij de wet van 28 maart 2007, worden de woorden "de artikelen 747 en 915 zijn niet van toepassing" vervangen door de woorden "artikel 747 is niet van toepassing;".
"Art. 2/1. In artikel 353-16, eerste lid, 1°, van het Burgerlijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 24 april 2003 en gewijzigd bij de wet van 28 maart 2007, worden de woorden "de artikelen 747 en 915 zijn niet van toepassing" vervangen door de woorden "artikel 747 is niet van toepassing;".
Art. 59. Dans la même loi, il est inséré un article 2/1 rédigé comme suit :
"Art. 2/1. Dans l'article 353-16, alinéa 1er, 1°, du Code civil, inséré par la loi du 24 avril 2003 et modifié par la loi du 28 mars 2007, les mots "les articles 747 et 915 ne sont pas applicables" sont remplacées par les mots "l'article 747 ne s'applique pas;".
"Art. 2/1. Dans l'article 353-16, alinéa 1er, 1°, du Code civil, inséré par la loi du 24 avril 2003 et modifié par la loi du 28 mars 2007, les mots "les articles 747 et 915 ne sont pas applicables" sont remplacées par les mots "l'article 747 ne s'applique pas;".
Art. 60. In artikel 28 van dezelfde wet, wordt in artikel 843/1 van het Burgerlijk Wetboek, paragraaf 3 aangevuld met de volgende zin : "De artikelen 1100/5 en 1100/6 zijn niet van toepassing op deze overeenkomst.".
Art. 60. Dans l'article 28 de la même loi, à l'article 843/1 du Code civil, le paragraphe 3 est complété par la phrase suivante : "Les articles 1100/5 et 1100/6 ne s'appliquent pas à cette convention.".
Art. 61. In artikel 38 van dezelfde wet worden in het artikel 858 van het Burgerlijk Wetboek de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "paragraaf 5" vervangen door de woorden "paragraaf 6";
2° in paragraaf 5, derde lid, worden de woorden "de overeenkomst waarvan sprake in het tweede lid en" ingevoegd tussen de woorden "toepassing op" en de woorden "de aanvaarding";
3° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 7, luidende :
" § 7. Dit artikel is van toepassing niettegenstaande elk andersluidend beding, tenzij in de gevallen waarin dergelijk beding door de wet wordt toegelaten.".
1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "paragraaf 5" vervangen door de woorden "paragraaf 6";
2° in paragraaf 5, derde lid, worden de woorden "de overeenkomst waarvan sprake in het tweede lid en" ingevoegd tussen de woorden "toepassing op" en de woorden "de aanvaarding";
3° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 7, luidende :
" § 7. Dit artikel is van toepassing niettegenstaande elk andersluidend beding, tenzij in de gevallen waarin dergelijk beding door de wet wordt toegelaten.".
Art. 61. Dans l'article 38 de la même loi, à l'article 858 du Code civil, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots "paragraphe 5" sont remplacés par les mots "paragraphe 6";
2° dans le paragraphe 5, alinéa 3, les mots "la convention visée à l'alinéa 2 et" sont insérés entre les mots "applicables à" et les mots "l'acceptation"";
3° l'article est complété par un paragraphe 7 rédigé comme suit :
" § 7. Le présent article s'applique nonobstant toute clause contraire, sauf dans les cas où une telle clause est autorisée par la loi.".
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots "paragraphe 5" sont remplacés par les mots "paragraphe 6";
2° dans le paragraphe 5, alinéa 3, les mots "la convention visée à l'alinéa 2 et" sont insérés entre les mots "applicables à" et les mots "l'acceptation"";
3° l'article est complété par un paragraphe 7 rédigé comme suit :
" § 7. Le présent article s'applique nonobstant toute clause contraire, sauf dans les cas où une telle clause est autorisée par la loi.".
Art. 62. In artikel 39 van dezelfde wet worden in het artikel 858bis van het Burgerlijk Wetboek de volgende wijzigingen aangebracht :
1° paragraaf 3 wordt vervangen als volgt :
" § 3. Bij overlijden van de schenker ontvangt de langstlevende echtgenoot die tot de nalatenschap komt echter het vruchtgebruik van de goederen die de schenker heeft geschonken en waarvan hij zich het vruchtgebruik heeft voorbehouden, op voorwaarde dat de echtgenoot op het tijdstip van de schenking al die hoedanigheid heeft en dat de schenker de titularis van dit vruchtgebruik is gebleven tot de dag van zijn overlijden.
De artikelen 745ter tot 745septies zijn op dat vruchtgebruik van toepassing.";
2° paragraaf 4 wordt vervangen als volgt :
" § 4. De langstlevende wettelijk samenwonende die tot de nalatenschap komt ontvangt bij overlijden van de schenker het vruchtgebruik van het onroerend goed dat tijdens het samenwonen het gezin tot gemeenschappelijke verblijfplaats diende en van het daarin aanwezige huisraad, indien de schenker zich bij de schenking van deze goederen het vruchtgebruik ervan had voorbehouden, en op voorwaarde dat de wettelijk samenwonende op het tijdstip van de schenking al die hoedanigheid had en dat de schenker de titularis van dit vruchtgebruik is gebleven tot de dag van zijn overlijden.
Artikel 745octies, § 3, is op dat vruchtgebruik van toepassing.";
3° tussen paragraaf 4 en paragraaf 5, die paragraaf 6 wordt, wordt een paragraaf 5 ingevoegd, luidende :
" § 5. Bij het overlijden van de schenker ontvangt de langstlevende echtgenoot die tot de nalatenschap komt het vruchtgebruik van het onroerend goed dat tijdens het samenwonen het gezin tot gemeenschappelijke verblijfplaats diende en van het daarin aanwezige huisraad, op voorwaarde dat de schenker zich bij de schenking van die goederen het vruchtgebruik ervan had voorbehouden, dat de echtgenoot op het tijdstip van de schenking met de schenker wettelijk samenwoonde en dat de schenker de titularis van dit vruchtgebruik is gebleven tot de dag van zijn overlijden.
De artikelen 745ter tot 745septies zijn op dat vruchtgebruik van toepassing.";
4° in paragraaf 5, die paragraaf 6 wordt, wordt het cijfer "1100/5" vervangen door het cijfer "1100/6".
1° paragraaf 3 wordt vervangen als volgt :
" § 3. Bij overlijden van de schenker ontvangt de langstlevende echtgenoot die tot de nalatenschap komt echter het vruchtgebruik van de goederen die de schenker heeft geschonken en waarvan hij zich het vruchtgebruik heeft voorbehouden, op voorwaarde dat de echtgenoot op het tijdstip van de schenking al die hoedanigheid heeft en dat de schenker de titularis van dit vruchtgebruik is gebleven tot de dag van zijn overlijden.
De artikelen 745ter tot 745septies zijn op dat vruchtgebruik van toepassing.";
2° paragraaf 4 wordt vervangen als volgt :
" § 4. De langstlevende wettelijk samenwonende die tot de nalatenschap komt ontvangt bij overlijden van de schenker het vruchtgebruik van het onroerend goed dat tijdens het samenwonen het gezin tot gemeenschappelijke verblijfplaats diende en van het daarin aanwezige huisraad, indien de schenker zich bij de schenking van deze goederen het vruchtgebruik ervan had voorbehouden, en op voorwaarde dat de wettelijk samenwonende op het tijdstip van de schenking al die hoedanigheid had en dat de schenker de titularis van dit vruchtgebruik is gebleven tot de dag van zijn overlijden.
Artikel 745octies, § 3, is op dat vruchtgebruik van toepassing.";
3° tussen paragraaf 4 en paragraaf 5, die paragraaf 6 wordt, wordt een paragraaf 5 ingevoegd, luidende :
" § 5. Bij het overlijden van de schenker ontvangt de langstlevende echtgenoot die tot de nalatenschap komt het vruchtgebruik van het onroerend goed dat tijdens het samenwonen het gezin tot gemeenschappelijke verblijfplaats diende en van het daarin aanwezige huisraad, op voorwaarde dat de schenker zich bij de schenking van die goederen het vruchtgebruik ervan had voorbehouden, dat de echtgenoot op het tijdstip van de schenking met de schenker wettelijk samenwoonde en dat de schenker de titularis van dit vruchtgebruik is gebleven tot de dag van zijn overlijden.
De artikelen 745ter tot 745septies zijn op dat vruchtgebruik van toepassing.";
4° in paragraaf 5, die paragraaf 6 wordt, wordt het cijfer "1100/5" vervangen door het cijfer "1100/6".
Art. 62. Dans l'article 39 de la même loi, à l'article 858bis du Code civil, les modifications suivantes sont apportées :
1° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
" § 3. Cependant, le conjoint survivant qui vient à la succession recueille, au décès du donateur, l'usufruit des biens que celui-ci a donnés et sur lesquels il s'est réservé l'usufruit, pour autant que le conjoint ait déjà cette qualité au moment de la donation et que le donateur soit resté le titulaire de cet usufruit jusqu'au jour de son décès.
Les articles 745ter à 745septies s'appliquent à cet usufruit.";
2° le paragraphe 4 est remplacé par ce qui suit :
" § 4. Le cohabitant légal survivant qui vient à la succession recueille, au décès du donateur, l'usufruit de l'immeuble affecté durant la vie commune à la résidence commune de la famille, et des meubles qui le garnissent, si le donateur a donné ces biens en s'en réservant l'usufruit, pour autant que le cohabitant légal ait déjà cette qualité au moment de la donation et que le donateur soit resté le titulaire de cet usufruit jusqu'au jour de son décès.
L'article 745octies, § 3, s'applique à cet usufruit.";
3° entre le paragraphe 4 et le paragraphe 5, qui devient le paragraphe 6, il est inséré un paragraphe 5 rédigé comme suit :
" § 5. Le conjoint survivant qui vient à la succession recueille, au décès du donateur, l'usufruit de l'immeuble affecté durant la vie commune à la résidence commune de la famille, et des meubles qui le garnissent, pour autant que le donateur ait donné ces biens en s'en réservant l'usufruit, que le conjoint cohabitait légalement avec le donateur au moment de la donation et que le donateur soit resté le titulaire de cet usufruit jusqu'au jour de son décès.
Les articles 745ter à 745septies s'appliquent à cet usufruit.";
4° dans le paragraphe 5, qui devient le paragraphe 6, le chiffre"1100/5" est remplacé par le chiffre "1100/6".
1° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
" § 3. Cependant, le conjoint survivant qui vient à la succession recueille, au décès du donateur, l'usufruit des biens que celui-ci a donnés et sur lesquels il s'est réservé l'usufruit, pour autant que le conjoint ait déjà cette qualité au moment de la donation et que le donateur soit resté le titulaire de cet usufruit jusqu'au jour de son décès.
Les articles 745ter à 745septies s'appliquent à cet usufruit.";
2° le paragraphe 4 est remplacé par ce qui suit :
" § 4. Le cohabitant légal survivant qui vient à la succession recueille, au décès du donateur, l'usufruit de l'immeuble affecté durant la vie commune à la résidence commune de la famille, et des meubles qui le garnissent, si le donateur a donné ces biens en s'en réservant l'usufruit, pour autant que le cohabitant légal ait déjà cette qualité au moment de la donation et que le donateur soit resté le titulaire de cet usufruit jusqu'au jour de son décès.
L'article 745octies, § 3, s'applique à cet usufruit.";
3° entre le paragraphe 4 et le paragraphe 5, qui devient le paragraphe 6, il est inséré un paragraphe 5 rédigé comme suit :
" § 5. Le conjoint survivant qui vient à la succession recueille, au décès du donateur, l'usufruit de l'immeuble affecté durant la vie commune à la résidence commune de la famille, et des meubles qui le garnissent, pour autant que le donateur ait donné ces biens en s'en réservant l'usufruit, que le conjoint cohabitait légalement avec le donateur au moment de la donation et que le donateur soit resté le titulaire de cet usufruit jusqu'au jour de son décès.
Les articles 745ter à 745septies s'appliquent à cet usufruit.";
4° dans le paragraphe 5, qui devient le paragraphe 6, le chiffre"1100/5" est remplacé par le chiffre "1100/6".
Art. 63. In dezelfde wet wordt een artikel 39/1 ingevoegd, luidende :
"Art. 39/1. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 858ter ingevoegd, luidende :
"Art. 858ter. Wanneer de langstlevende echtgenoot recht heeft op het vruchtgebruik van de gehele nalatenschap, wordt dat vruchtgebruik vastgesteld zoals bepaald in de volgende leden.
Het vruchtgebruik zoals bedoeld in het eerste lid bezwaart de goederen die op de dag van het overlijden aanwezig waren.
Dat vruchtgebruik bezwaart eveneens, onder de voorwaarden bepaald in artikel 858bis, de goederen die door de overledene zijn geschonken en waarvan hij zich het vruchtgebruik had voorbehouden.
Dat vruchtgebruik bezwaart eveneens, onder de voorwaarden en overeenkomstig de nadere regels bepaald in titel II, hoofdstuk III, de andere door de overledene geschonken goederen voor zover de langstlevende echtgenoot de inkorting ervan kan vragen of genieten.
In afwijking van het tweede lid, bezwaart dat vruchtgebruik, onder de voorwaarden en overeenkomstig de modaliteiten bepaald in titel II, hoofdstuk III, de door de overledene gelegateerde goederen enkel voor zover de langstlevende echtgenoot de inkorting ervan kan vragen of genieten.".
"Art. 39/1. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 858ter ingevoegd, luidende :
"Art. 858ter. Wanneer de langstlevende echtgenoot recht heeft op het vruchtgebruik van de gehele nalatenschap, wordt dat vruchtgebruik vastgesteld zoals bepaald in de volgende leden.
Het vruchtgebruik zoals bedoeld in het eerste lid bezwaart de goederen die op de dag van het overlijden aanwezig waren.
Dat vruchtgebruik bezwaart eveneens, onder de voorwaarden bepaald in artikel 858bis, de goederen die door de overledene zijn geschonken en waarvan hij zich het vruchtgebruik had voorbehouden.
Dat vruchtgebruik bezwaart eveneens, onder de voorwaarden en overeenkomstig de nadere regels bepaald in titel II, hoofdstuk III, de andere door de overledene geschonken goederen voor zover de langstlevende echtgenoot de inkorting ervan kan vragen of genieten.
In afwijking van het tweede lid, bezwaart dat vruchtgebruik, onder de voorwaarden en overeenkomstig de modaliteiten bepaald in titel II, hoofdstuk III, de door de overledene gelegateerde goederen enkel voor zover de langstlevende echtgenoot de inkorting ervan kan vragen of genieten.".
Art. 63. Dans la même loi, il est inséré un article 39/1 rédigé comme suit :
"Art. 39/1. Dans le même Code, il est inséré un article 858ter rédigé comme suit :
"Art. 858ter. Lorsque le conjoint survivant a droit à l'usufruit de toute la succession, cet usufruit est établi conformément aux alinéas suivants.
L'usufruit visé à l'alinéa 1er grève les biens existants au jour du décès.
Cet usufruit grève également, aux conditions prévues à l'article 858bis, les biens donnés par le défunt et dont il s'était réservé l'usufruit.
Cet usufruit grève également, aux conditions et selon les modalités prévues au chapitre III du titre II, les biens donnés par le défunt dans la mesure où le conjoint survivant peut solliciter leur réduction ou profiter de celle-ci.
Par dérogation à l'alinéa 2, cet usufruit ne grève, aux conditions et selon les modalités prévues au chapitre III du titre II, les biens légués par le défunt que dans la mesure où le conjoint survivant peut solliciter leur réduction ou profiter de celle-ci.".
"Art. 39/1. Dans le même Code, il est inséré un article 858ter rédigé comme suit :
"Art. 858ter. Lorsque le conjoint survivant a droit à l'usufruit de toute la succession, cet usufruit est établi conformément aux alinéas suivants.
L'usufruit visé à l'alinéa 1er grève les biens existants au jour du décès.
Cet usufruit grève également, aux conditions prévues à l'article 858bis, les biens donnés par le défunt et dont il s'était réservé l'usufruit.
Cet usufruit grève également, aux conditions et selon les modalités prévues au chapitre III du titre II, les biens donnés par le défunt dans la mesure où le conjoint survivant peut solliciter leur réduction ou profiter de celle-ci.
Par dérogation à l'alinéa 2, cet usufruit ne grève, aux conditions et selon les modalités prévues au chapitre III du titre II, les biens légués par le défunt que dans la mesure où le conjoint survivant peut solliciter leur réduction ou profiter de celle-ci.".
Art. 64. In artikel 40 van dezelfde wet wordt in artikel 859 van het Burgerlijk Wetboek de laatste zin van paragraaf 1 door de volgende zin vervangen :
"De regels betreffende de wijze van inbreng van schenkingen zijn van toepassing op de inbreng van schulden, met uitzondering van de regels betreffende de waardering van schenkingen.".
"De regels betreffende de wijze van inbreng van schenkingen zijn van toepassing op de inbreng van schulden, met uitzondering van de regels betreffende de waardering van schenkingen.".
Art. 64. Dans l'article 40 de la même loi, à l'article 859 du Code civil, la dernière phrase du paragraphe 1er est remplacée par la phrase suivante :
"Les règles relatives au mode de rapport des donations sont applicables au rapport des dettes, à l'exception des règles relatives à l'évaluation des donations.".
"Les règles relatives au mode de rapport des donations sont applicables au rapport des dettes, à l'exception des règles relatives à l'évaluation des donations.".
Art. 65. In artikel 47 van dezelfde wet wordt artikel 914 van het Burgerlijk Wetboek vervangen als volgt :
"Art. 914. § 1. Het deel van de nalatenschap dat overeenkomstig artikel 913 aan de kinderen is voorbehouden wordt enkel bezwaard met vruchtgebruik ten voordele van de langstlevende echtgenoot wanneer hij recht heeft op het vruchtgebruik van de gehele nalatenschap en in de mate als bepaald in artikel 858ter.
§ 2. In alle andere gevallen wordt het voorbehouden erfdeel van de kinderen enkel binnen onderstaande grenzen met dat vruchtgebruik bezwaard :
1° wanneer de rechten van de langstlevende echtgenoot werden beperkt tot het vruchtgebruik van een breukdeel van de nalatenschap, bezwaart dat vruchtgebruik eerst het saldo van het beschikbaar deel nadat hierop de giften werden aangerekend zoals bepaald in artikel 922/1, § 3. Indien dat saldo niet volstaat om de langstlevende echtgenoot te voldoen in de hem toegekende rechten van vruchtgebruik, wordt het saldo van het vruchtgebruik dat hem toekomt ten laste gelegd van het voorbehouden erfdeel dat aan de kinderen is toegekend, elk voor een gelijk deel;
2° wanneer de rechten van de langstlevende echtgenoot werden beperkt tot het gedeelte zoals bepaald in artikel 915bis, § 1, bezwaart dat vruchtgebruik eerst het saldo van het beschikbaar deel nadat hierop de giften werden aangerekend zoals bepaald in artikel 922/1, § 3. Indien dat saldo niet volstaat om de langstlevende echtgenoot in zijn rechten van vruchtgebruik te voldoen, kan hij de inkorting eisen van de op het beschikbaar deel aangerekende giften, in de volgorde zoals bepaald in artikel 923. Die inkorting gebeurt overeenkomstig het bepaalde in artikel 920;
3° wanneer de rechten van de langstlevende echtgenoot werden beperkt tot het vruchtgebruik van bepaalde goederen van de nalatenschap en die goederen, door de verdeling, aan de kinderen zijn toegewezen, kunnen de kinderen een compensatie voor de last van dat vruchtgebruik vorderen, in de mate waarin dit hun recht op een voorbehouden erfdeel van de nalatenschap bezwaart.
In het geval bedoeld in het eerste lid, 2°, kan de langstlevende echtgenoot het vruchtgebruik waarvan hij de inkorting niet kan verkrijgen, hetzij omwille van artikel 915bis, § 2/1 hetzij omdat hij aan de vordering tot inkorting heeft verzaakt, niet ten laste van het voorbehouden erfdeel van de kinderen leggen.
De compensatie bedoeld in het eerste lid, 3°, komt ten laste van de begunstigden van de op het beschikbaar deel aan te rekenen legaten, zoals bepaald in artikel 922/1, § 3, alsook van de kinderen zelf in de mate waarin zij, naast hun voorbehouden erfdeel, in de goederen van de nalatenschap ook een deel of het geheel van het saldo van het beschikbaar deel ontvangen. Zij dragen allen de last van deze compensatie in verhouding tot de waarde van de goederen die zij ontvangen, met uitzondering van het voorbehouden erfdeel van de kinderen.
De globale compensatie is gelijk aan de gekapitaliseerde waarde van het vruchtgebruik van de langstlevende echtgenoot, bepaald overeenkomstig artikel 745sexies, § 3.
§ 3. Wanneer de langstlevende wettelijke samenwonende recht heeft op het vruchtgebruik van bepaalde goederen van de nalatenschap en die goederen, door de verdeling, zijn toegewezen aan de kinderen, kunnen zij een compensatie vorderen voor de last van dat vruchtgebruik, in de mate waarin dit hun recht op een voorbehouden erfdeel van de nalatenschap bezwaart.
Die compensatie komt ten laste van de begunstigden van de op het beschikbaar deel aangerekende legaten zoals bepaald in artikel 922/1, § 3, alsook van de kinderen zelf voor zover zij, naast hun voorbehouden erfdeel, in de goederen van de nalatenschap ook het saldo van het beschikbaar deel geheel of gedeeltelijk ontvangen. Zij dragen allen de last van deze compensatie in verhouding tot de waarde van de goederen die zij ontvangen, behoudens het reservatair erfdeel van de kinderen.
De globale compensatie is gelijk aan de gekapitaliseerde waarde van het vruchtgebruik van de langstlevende wettelijke samenwonende, bepaald overeenkomstig artikel 745sexies, § 3.".
"Art. 914. § 1. Het deel van de nalatenschap dat overeenkomstig artikel 913 aan de kinderen is voorbehouden wordt enkel bezwaard met vruchtgebruik ten voordele van de langstlevende echtgenoot wanneer hij recht heeft op het vruchtgebruik van de gehele nalatenschap en in de mate als bepaald in artikel 858ter.
§ 2. In alle andere gevallen wordt het voorbehouden erfdeel van de kinderen enkel binnen onderstaande grenzen met dat vruchtgebruik bezwaard :
1° wanneer de rechten van de langstlevende echtgenoot werden beperkt tot het vruchtgebruik van een breukdeel van de nalatenschap, bezwaart dat vruchtgebruik eerst het saldo van het beschikbaar deel nadat hierop de giften werden aangerekend zoals bepaald in artikel 922/1, § 3. Indien dat saldo niet volstaat om de langstlevende echtgenoot te voldoen in de hem toegekende rechten van vruchtgebruik, wordt het saldo van het vruchtgebruik dat hem toekomt ten laste gelegd van het voorbehouden erfdeel dat aan de kinderen is toegekend, elk voor een gelijk deel;
2° wanneer de rechten van de langstlevende echtgenoot werden beperkt tot het gedeelte zoals bepaald in artikel 915bis, § 1, bezwaart dat vruchtgebruik eerst het saldo van het beschikbaar deel nadat hierop de giften werden aangerekend zoals bepaald in artikel 922/1, § 3. Indien dat saldo niet volstaat om de langstlevende echtgenoot in zijn rechten van vruchtgebruik te voldoen, kan hij de inkorting eisen van de op het beschikbaar deel aangerekende giften, in de volgorde zoals bepaald in artikel 923. Die inkorting gebeurt overeenkomstig het bepaalde in artikel 920;
3° wanneer de rechten van de langstlevende echtgenoot werden beperkt tot het vruchtgebruik van bepaalde goederen van de nalatenschap en die goederen, door de verdeling, aan de kinderen zijn toegewezen, kunnen de kinderen een compensatie voor de last van dat vruchtgebruik vorderen, in de mate waarin dit hun recht op een voorbehouden erfdeel van de nalatenschap bezwaart.
In het geval bedoeld in het eerste lid, 2°, kan de langstlevende echtgenoot het vruchtgebruik waarvan hij de inkorting niet kan verkrijgen, hetzij omwille van artikel 915bis, § 2/1 hetzij omdat hij aan de vordering tot inkorting heeft verzaakt, niet ten laste van het voorbehouden erfdeel van de kinderen leggen.
De compensatie bedoeld in het eerste lid, 3°, komt ten laste van de begunstigden van de op het beschikbaar deel aan te rekenen legaten, zoals bepaald in artikel 922/1, § 3, alsook van de kinderen zelf in de mate waarin zij, naast hun voorbehouden erfdeel, in de goederen van de nalatenschap ook een deel of het geheel van het saldo van het beschikbaar deel ontvangen. Zij dragen allen de last van deze compensatie in verhouding tot de waarde van de goederen die zij ontvangen, met uitzondering van het voorbehouden erfdeel van de kinderen.
De globale compensatie is gelijk aan de gekapitaliseerde waarde van het vruchtgebruik van de langstlevende echtgenoot, bepaald overeenkomstig artikel 745sexies, § 3.
§ 3. Wanneer de langstlevende wettelijke samenwonende recht heeft op het vruchtgebruik van bepaalde goederen van de nalatenschap en die goederen, door de verdeling, zijn toegewezen aan de kinderen, kunnen zij een compensatie vorderen voor de last van dat vruchtgebruik, in de mate waarin dit hun recht op een voorbehouden erfdeel van de nalatenschap bezwaart.
Die compensatie komt ten laste van de begunstigden van de op het beschikbaar deel aangerekende legaten zoals bepaald in artikel 922/1, § 3, alsook van de kinderen zelf voor zover zij, naast hun voorbehouden erfdeel, in de goederen van de nalatenschap ook het saldo van het beschikbaar deel geheel of gedeeltelijk ontvangen. Zij dragen allen de last van deze compensatie in verhouding tot de waarde van de goederen die zij ontvangen, behoudens het reservatair erfdeel van de kinderen.
De globale compensatie is gelijk aan de gekapitaliseerde waarde van het vruchtgebruik van de langstlevende wettelijke samenwonende, bepaald overeenkomstig artikel 745sexies, § 3.".
Art. 65. Dans l'article 47 de la même loi, l'article 914 du Code civil est remplacé par ce qui suit :
"Art. 914. § 1er. La portion de la succession qui est réservée aux enfants conformément à l'article 913, n'est grevée d'usufruit au profit du conjoint survivant que lorsque celui-ci a droit à l'usufruit de toute la succession, et dans la mesure déterminée à l'article 858ter.
§ 2. Dans tous les autres cas, la réserve des enfants n'est grevée de cet usufruit que dans les limites ci-après :
1° lorsque les droits du conjoint survivant ont été limités à l'usufruit d'une fraction de la succession, cet usufruit grève d'abord le solde de la quotité disponible après imputation sur celle-ci des libéralités comme il est dit à l'article 922/1, § 3. Si ce solde ne suffit pas pour remplir le conjoint survivant des droits en usufruit qui lui ont été accordés, le solde d'usufruit qui lui revient est mis à charge de la part réservataire attribuée aux enfants, chacun pour une part égale;
2° lorsque les droits du conjoint survivant ont été limités à la portion déterminée par l'article 915bis, § 1er, cet usufruit grève d'abord le solde de la quotité disponible, après imputation sur celle-ci des libéralités comme il est dit à l'article 922/1, § 3. Si ce solde ne suffit pas pour remplir le conjoint survivant de ses droits en usufruit, il peut exiger la réduction des libéralités imputées sur la quotité disponible, dans l'ordre déterminé par l'article 923. Cette réduction se fait conformément à ce qui est dit à l'article 920;
3° lorsque les droits du conjoint survivant ont été limités à l'usufruit de certains biens de la succession, et que ces biens sont, par le partage, attribués aux enfants, ceux-ci peuvent exiger une compensation pour la charge de cet usufruit, dans la mesure où il grève leur droit à une part réservataire de la succession.
Dans le cas visé à l'alinéa 1er, 2°, le conjoint survivant ne peut mettre à charge de la réserve des enfants l'usufruit dont il ne peut obtenir la réduction, soit par application de l'article 915bis, § 2/1, soit parce qu'il a renoncé à l'action en réduction.
La compensation visée à l'alinéa 1er, 3°, est à charge tant des bénéficiaires de legs imputables sur la quotité disponible comme il est dit à l'article 922/1, § 3, que des enfants eux-mêmes dans la mesure où ils recueillent dans les biens de la succession, outre leur part réservataire, une portion ou la totalité du solde de la quotité disponible. Ils supportent tous la charge de cette compensation proportionnellement à la valeur des biens qu'ils recueillent, hormis la part réservataire des enfants.
La compensation globale est égale à la valeur capitalisée de l'usufruit du conjoint survivant, déterminée comme il est dit à l'article 745sexies, § 3.
§ 3. Lorsque le cohabitant légal survivant a droit à l'usufruit de certains biens de la succession, et que ces biens sont, par le partage, attribués aux enfants, ceux-ci peuvent exiger une compensation pour la charge de cet usufruit, dans la mesure où il grève leur droit à une part réservataire de la succession.
Cette compensation est à charge tant des bénéficiaires de legs imputables sur la quotité disponible comme il est dit à l'article 922/1, § 3, que des enfants eux-mêmes dans la mesure où ils recueillent dans les biens de la succession, outre leur part réservataire, une portion ou la totalité du solde de la quotité disponible. Ils supportent tous la charge de cette compensation proportionnellement à la valeur des biens qu'ils recueillent, hormis la part réservataire des enfants.
La compensation globale est égale à la valeur capitalisée de l'usufruit du cohabitant légal survivant, déterminée comme il est dit à l'article 745sexies, § 3.".
"Art. 914. § 1er. La portion de la succession qui est réservée aux enfants conformément à l'article 913, n'est grevée d'usufruit au profit du conjoint survivant que lorsque celui-ci a droit à l'usufruit de toute la succession, et dans la mesure déterminée à l'article 858ter.
§ 2. Dans tous les autres cas, la réserve des enfants n'est grevée de cet usufruit que dans les limites ci-après :
1° lorsque les droits du conjoint survivant ont été limités à l'usufruit d'une fraction de la succession, cet usufruit grève d'abord le solde de la quotité disponible après imputation sur celle-ci des libéralités comme il est dit à l'article 922/1, § 3. Si ce solde ne suffit pas pour remplir le conjoint survivant des droits en usufruit qui lui ont été accordés, le solde d'usufruit qui lui revient est mis à charge de la part réservataire attribuée aux enfants, chacun pour une part égale;
2° lorsque les droits du conjoint survivant ont été limités à la portion déterminée par l'article 915bis, § 1er, cet usufruit grève d'abord le solde de la quotité disponible, après imputation sur celle-ci des libéralités comme il est dit à l'article 922/1, § 3. Si ce solde ne suffit pas pour remplir le conjoint survivant de ses droits en usufruit, il peut exiger la réduction des libéralités imputées sur la quotité disponible, dans l'ordre déterminé par l'article 923. Cette réduction se fait conformément à ce qui est dit à l'article 920;
3° lorsque les droits du conjoint survivant ont été limités à l'usufruit de certains biens de la succession, et que ces biens sont, par le partage, attribués aux enfants, ceux-ci peuvent exiger une compensation pour la charge de cet usufruit, dans la mesure où il grève leur droit à une part réservataire de la succession.
Dans le cas visé à l'alinéa 1er, 2°, le conjoint survivant ne peut mettre à charge de la réserve des enfants l'usufruit dont il ne peut obtenir la réduction, soit par application de l'article 915bis, § 2/1, soit parce qu'il a renoncé à l'action en réduction.
La compensation visée à l'alinéa 1er, 3°, est à charge tant des bénéficiaires de legs imputables sur la quotité disponible comme il est dit à l'article 922/1, § 3, que des enfants eux-mêmes dans la mesure où ils recueillent dans les biens de la succession, outre leur part réservataire, une portion ou la totalité du solde de la quotité disponible. Ils supportent tous la charge de cette compensation proportionnellement à la valeur des biens qu'ils recueillent, hormis la part réservataire des enfants.
La compensation globale est égale à la valeur capitalisée de l'usufruit du conjoint survivant, déterminée comme il est dit à l'article 745sexies, § 3.
§ 3. Lorsque le cohabitant légal survivant a droit à l'usufruit de certains biens de la succession, et que ces biens sont, par le partage, attribués aux enfants, ceux-ci peuvent exiger une compensation pour la charge de cet usufruit, dans la mesure où il grève leur droit à une part réservataire de la succession.
Cette compensation est à charge tant des bénéficiaires de legs imputables sur la quotité disponible comme il est dit à l'article 922/1, § 3, que des enfants eux-mêmes dans la mesure où ils recueillent dans les biens de la succession, outre leur part réservataire, une portion ou la totalité du solde de la quotité disponible. Ils supportent tous la charge de cette compensation proportionnellement à la valeur des biens qu'ils recueillent, hormis la part réservataire des enfants.
La compensation globale est égale à la valeur capitalisée de l'usufruit du cohabitant légal survivant, déterminée comme il est dit à l'article 745sexies, § 3.".
Art. 66. In artikel 49 van dezelfde wet wordt de bepaling onder 6° vervangen als volgt :
"6° paragraaf 4 wordt opgeheven.".
"6° paragraaf 4 wordt opgeheven.".
Art. 66. Dans l'article 49 de la même loi, le 6° est remplacé par ce qui suit :
"6° le paragraphe 4 est abrogé.".
"6° le paragraphe 4 est abrogé.".
Art. 67. In artikel 52 van dezelfde wet wordt in artikel 918 van het Burgerlijk Wetboek paragraaf 4 opgeheven.
Art. 67. Dans l'article 52 de la même loi, à l'article 918 du Code civil, le paragraphe 4 est supprimé.
Art. 68. In artikel 54 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in artikel 920, § 3, van het Burgerlijk Wetboek, worden de woorden "745quinquies, § 4" vervangen door de woorden "745quinquies, § 3";
2° in artikel 920, § 4, van het Burgerlijk Wetboek, worden de woorden "in volle of blote eigendom" ingevoegd tussen de woorden"de inkorting" en de woorden "van legaten".
1° in artikel 920, § 3, van het Burgerlijk Wetboek, worden de woorden "745quinquies, § 4" vervangen door de woorden "745quinquies, § 3";
2° in artikel 920, § 4, van het Burgerlijk Wetboek, worden de woorden "in volle of blote eigendom" ingevoegd tussen de woorden"de inkorting" en de woorden "van legaten".
Art. 68. A l'article 54 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans l'article 920, § 3, du Code civil, les mots "745quinquies, § 4" sont remplacés par les mots "745quinquies, § 3";
2° dans l'article 920, § 4, du Code civil, les mots "en pleine ou en nue-propriété" sont insérés entre les mots "la réduction" et les mots "des legs".
1° dans l'article 920, § 3, du Code civil, les mots "745quinquies, § 4" sont remplacés par les mots "745quinquies, § 3";
2° dans l'article 920, § 4, du Code civil, les mots "en pleine ou en nue-propriété" sont insérés entre les mots "la réduction" et les mots "des legs".
Art. 69. In artikel 58 van dezelfde wet worden de woorden "920, § 2, tweede lid" vervangen door de woorden "920, § 4".
Art. 69. Dans l'article 58 de la même loi, les mots "920, § 2, alinéa 2" sont remplacés par les mots "920, § 4".
Art. 70. In artikel 63 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° In artikel 1100/1 van het Burgerlijk Wetboek wordt paragraaf 3 vervangen door een paragraaf 3 en een paragraaf 4, luidende :
" § 3. Overeenkomsten of bedingen onder bezwarende titel betreffende de eigen toekomstige nalatenschap van een partij die de algemeenheid van de goederen betreffen die de partij bij zijn overlijden zal nalaten, of een gedeelte van de goederen die de partij zal nalaten, of al zijn onroerende goederen, al zijn roerende goederen, of een gedeelte van al zijn onroerende goederen of van al zijn roerende goederen bij zijn overlijden, zijn niet toegelaten, tenzij in de gevallen bij de wet bepaald.
§ 4. Overeenkomsten of bedingen onder bezwarende titel zijn altijd toegelaten, als ze onder bijzondere titel zijn gesloten of gemaakt, zelfs als ze de toekomstige nalatenschap van een partij betreffen, en zelfs als die partij zich het recht voorbehoudt om tijdens zijn leven over het voorwerp van die overeenkomst of dat beding te beschikken. Een overeenkomst of beding is onder bijzondere titel, wanneer de overeenkomst of het beding niet de algemeenheid van de goederen betreft die de partij bij zijn overlijden zal nalaten, en evenmin een gedeelte van de goederen die de partij zal nalaten, noch al zijn onroerende goederen, al zijn roerende goederen, of een gedeelte van al zijn onroerende goederen of van al zijn roerende goederen bij zijn overlijden.
De artikelen 1100/5 en 1100/6 zijn niet van toepassing op de erfovereenkomsten in deze paragraaf vermeld.";
2° artikel 1100/3 van het Burgerlijk Wetboek wordt aangevuld met een lid, luidende :
"Wanneer het gaat om een overeenkomst inzake de eigen toekomstige nalatenschap van een partij, verandert de nietigheid bedoeld in het eerste en tweede lid evenwel in een relatieve nietigheid op de dag van het overlijden van die partij, onder voorbehoud van de miskenning van de vereiste opgelegd door artikel 1100/5, § 1, die behept blijft met een absolute nietigheid.";
3° het voorgestelde artikel 1100/4 van het Burgerlijk Wetboek wordt aangevuld met een paragraaf 4, luidende :
" § 4. Elke verzaking aan rechten in een niet opengevallen nalatenschap die voortvloeit uit een door de wet toegelaten erfovereenkomst wordt, ongeacht de nadere voorwaarden ervan, geacht geen gift te zijn. Dit vermoeden is onweerlegbaar.";
4° in artikel 1100/5, paragraaf 3, van het Burgerlijk Wetboek, wordt het cijfer "1090" vervangen door het cijfer "1100";
5° in artikel 1100/7, paragraaf 7, van het Burgerlijk Wetboek, worden de woorden "in paragraaf 1" vervangen door de woorden "in de paragrafen 1 en 2".
1° In artikel 1100/1 van het Burgerlijk Wetboek wordt paragraaf 3 vervangen door een paragraaf 3 en een paragraaf 4, luidende :
" § 3. Overeenkomsten of bedingen onder bezwarende titel betreffende de eigen toekomstige nalatenschap van een partij die de algemeenheid van de goederen betreffen die de partij bij zijn overlijden zal nalaten, of een gedeelte van de goederen die de partij zal nalaten, of al zijn onroerende goederen, al zijn roerende goederen, of een gedeelte van al zijn onroerende goederen of van al zijn roerende goederen bij zijn overlijden, zijn niet toegelaten, tenzij in de gevallen bij de wet bepaald.
§ 4. Overeenkomsten of bedingen onder bezwarende titel zijn altijd toegelaten, als ze onder bijzondere titel zijn gesloten of gemaakt, zelfs als ze de toekomstige nalatenschap van een partij betreffen, en zelfs als die partij zich het recht voorbehoudt om tijdens zijn leven over het voorwerp van die overeenkomst of dat beding te beschikken. Een overeenkomst of beding is onder bijzondere titel, wanneer de overeenkomst of het beding niet de algemeenheid van de goederen betreft die de partij bij zijn overlijden zal nalaten, en evenmin een gedeelte van de goederen die de partij zal nalaten, noch al zijn onroerende goederen, al zijn roerende goederen, of een gedeelte van al zijn onroerende goederen of van al zijn roerende goederen bij zijn overlijden.
De artikelen 1100/5 en 1100/6 zijn niet van toepassing op de erfovereenkomsten in deze paragraaf vermeld.";
2° artikel 1100/3 van het Burgerlijk Wetboek wordt aangevuld met een lid, luidende :
"Wanneer het gaat om een overeenkomst inzake de eigen toekomstige nalatenschap van een partij, verandert de nietigheid bedoeld in het eerste en tweede lid evenwel in een relatieve nietigheid op de dag van het overlijden van die partij, onder voorbehoud van de miskenning van de vereiste opgelegd door artikel 1100/5, § 1, die behept blijft met een absolute nietigheid.";
3° het voorgestelde artikel 1100/4 van het Burgerlijk Wetboek wordt aangevuld met een paragraaf 4, luidende :
" § 4. Elke verzaking aan rechten in een niet opengevallen nalatenschap die voortvloeit uit een door de wet toegelaten erfovereenkomst wordt, ongeacht de nadere voorwaarden ervan, geacht geen gift te zijn. Dit vermoeden is onweerlegbaar.";
4° in artikel 1100/5, paragraaf 3, van het Burgerlijk Wetboek, wordt het cijfer "1090" vervangen door het cijfer "1100";
5° in artikel 1100/7, paragraaf 7, van het Burgerlijk Wetboek, worden de woorden "in paragraaf 1" vervangen door de woorden "in de paragrafen 1 en 2".
Art. 70. A l'article 63 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans l'article 1100/1 du Code civil, le paragraphe 3 est remplacé par un paragraphe 3 et un paragraphe 4 rédigés comme suit :
" § 3. Les conventions ou stipulations à titre onéreux relatives à la propre succession future d'une partie qui concernent l'universalité des biens que la partie laissera à son décès, ou une quote-part des biens que la partie laissera, ou tous ses biens immeubles, tous ses biens meubles ou une quote-part de tous ses biens immeubles ou tous ses biens meubles à son décès ne sont pas autorisées, sauf dans les cas prévus par la loi.
§ 4. Les conventions ou stipulations à titre onéreux sont toujours autorisées, si elles sont conclues ou faites à titre particulier, même si elles concernent la succession future d'une partie et même si cette partie se réserve le droit de disposer de l'objet de cette convention ou de cette stipulation de son vivant. Une convention ou une stipulation est à titre particulier lorsque la convention ou la stipulation ne concerne pas l'universalité des biens que la partie laissera à son décès, ni une quote-part des biens que la partie laissera à son décès, ni tous ses biens immeubles ou tous ses biens meubles, ou une quote-part de tous ses biens immeubles ou de tous ses biens meubles à son décès.
Les articles 1100/5 et 1100/6 ne s'appliquent pas aux pactes successoraux mentionnés dans le présent paragraphe.";
2° l'article 1100/3 du Code civil est complété par un alinéa rédigé comme suit :
"Toutefois, lorsqu'il s'agit d'un pacte relatif à la propre succession future d'une partie, la nullité visée aux alinéas 1er et 2 se mue en une nullité relative au jour du décès de cette partie, sous réserve de la méconnaissance de la forme imposée par l'article 1100/5, § 1er, qui demeure frappée de nullité absolue.";
3° l'article 1100/4 du Code civil est complété par le paragraphe 4 rédigé comme suit :
" § 4. Toute renonciation à des droits dans une succession non ouverte qui résulte d'un pacte successoral autorisé par la loi est présumée, quelles que soient ses modalités, ne pas constituer une libéralité. Cette présomption est irréfragable.";
4° à l'article 1100/5, paragraphe 3, du Code civil, le chiffre "1090" est remplacé par le chiffre"1100";
5° à l'article 1100/7, paragraphe 7, du Code civil, les mots "au paragraphe 1er" sont remplacés par les mots "aux paragraphes 1er et 2".
1° dans l'article 1100/1 du Code civil, le paragraphe 3 est remplacé par un paragraphe 3 et un paragraphe 4 rédigés comme suit :
" § 3. Les conventions ou stipulations à titre onéreux relatives à la propre succession future d'une partie qui concernent l'universalité des biens que la partie laissera à son décès, ou une quote-part des biens que la partie laissera, ou tous ses biens immeubles, tous ses biens meubles ou une quote-part de tous ses biens immeubles ou tous ses biens meubles à son décès ne sont pas autorisées, sauf dans les cas prévus par la loi.
§ 4. Les conventions ou stipulations à titre onéreux sont toujours autorisées, si elles sont conclues ou faites à titre particulier, même si elles concernent la succession future d'une partie et même si cette partie se réserve le droit de disposer de l'objet de cette convention ou de cette stipulation de son vivant. Une convention ou une stipulation est à titre particulier lorsque la convention ou la stipulation ne concerne pas l'universalité des biens que la partie laissera à son décès, ni une quote-part des biens que la partie laissera à son décès, ni tous ses biens immeubles ou tous ses biens meubles, ou une quote-part de tous ses biens immeubles ou de tous ses biens meubles à son décès.
Les articles 1100/5 et 1100/6 ne s'appliquent pas aux pactes successoraux mentionnés dans le présent paragraphe.";
2° l'article 1100/3 du Code civil est complété par un alinéa rédigé comme suit :
"Toutefois, lorsqu'il s'agit d'un pacte relatif à la propre succession future d'une partie, la nullité visée aux alinéas 1er et 2 se mue en une nullité relative au jour du décès de cette partie, sous réserve de la méconnaissance de la forme imposée par l'article 1100/5, § 1er, qui demeure frappée de nullité absolue.";
3° l'article 1100/4 du Code civil est complété par le paragraphe 4 rédigé comme suit :
" § 4. Toute renonciation à des droits dans une succession non ouverte qui résulte d'un pacte successoral autorisé par la loi est présumée, quelles que soient ses modalités, ne pas constituer une libéralité. Cette présomption est irréfragable.";
4° à l'article 1100/5, paragraphe 3, du Code civil, le chiffre "1090" est remplacé par le chiffre"1100";
5° à l'article 1100/7, paragraphe 7, du Code civil, les mots "au paragraphe 1er" sont remplacés par les mots "aux paragraphes 1er et 2".
Art. 71. In artikel 66, § 2, derde lid, 2°, en vierde lid, 2°, van dezelfde wet worden de woorden "binnen een termijn van een jaar na de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad" telkens vervangen door de woorden "ten laatste op 1 september 2019, met inbegrip van laatstgenoemde datum".
Art. 71. Dans l'article 66, § 2, alinéa 3, 2°, et alinéa 4, 2°, de la même loi, les mots "dans un délai d'un an prenant cours le jour de la publication de la présente loi au Moniteur belge" sont chaque fois remplacés par les mots "au plus tard le 1er septembre 2019, en ce compris cette dernière date".
Art. 72. Artikel 68 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
"Art. 68. In artikel 188 van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen worden de woorden "en, voor zover de verzekeringnemer dit uitdrukkelijk heeft bedongen, aan de inbreng." vervangen door de woorden "en aan de inbreng."".
"Art. 68. In artikel 188 van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen worden de woorden "en, voor zover de verzekeringnemer dit uitdrukkelijk heeft bedongen, aan de inbreng." vervangen door de woorden "en aan de inbreng."".
Art. 72. L'article 68 de la même loi est remplacé par ce qui suit :
"Art. 68. Dans l'article 188 de la loi du 4 avril 2014 relative aux assurances, les mots "et, pour autant que le preneur d'assurance l'a spécifié expressément, à rapport." sont remplacés par les mots "et à rapport."".
"Art. 68. Dans l'article 188 de la loi du 4 avril 2014 relative aux assurances, les mots "et, pour autant que le preneur d'assurance l'a spécifié expressément, à rapport." sont remplacés par les mots "et à rapport."".
Art. 73. In artikel 71 van dezelfde wet worden in het voorgestelde artikel 4/1 van de wet van 13 januari 1977 houdende goedkeuring van de Overeenkomst inzake de vaststelling van een stelsel van registratie van testamenten, opgemaakt te Bazel op 16 mei 1972, en tot invoering van een centraal huwelijksovereenkomstenregister, de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het woord "betrokken" wordt telkens opgeheven;
2° in de Franse tekst, worden de woorden "consultés de leur vivant" vervangen door de woorden "consulté du vivant".
1° het woord "betrokken" wordt telkens opgeheven;
2° in de Franse tekst, worden de woorden "consultés de leur vivant" vervangen door de woorden "consulté du vivant".
Art. 73. A l'article 71 de la même loi, à l'article 4/1 proposé de la loi du 13 janvier 1977 portant approbation de la Convention relative à l'établissement d'un système d'inscription des testaments, faite à Bâle le 16 mai 1972 et portant introduction d'un registre central des contrats de mariage, les modifications suivantes sont apportées :
1° le mot "concernées" est à chaque fois abrogé;
2° les mots "consultés de leur vivant" sont remplacés par les mots "consulté du vivant".
1° le mot "concernées" est à chaque fois abrogé;
2° les mots "consultés de leur vivant" sont remplacés par les mots "consulté du vivant".
Art. 74. In artikel 72, eerste lid, van dezelfde wet worden de woorden "in de vorm van een of meerdere boeken van een Burgerlijk Wetboek, de bepalingen van boek I en boek III van het Burgerlijk Wetboek" vervangen door de woorden "in de vorm van boek 4 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek, de relevante bepalingen van het Burgerlijk Wetboek of van andere wetten inzake erfenissen, schenkingen en testamenten".
Art. 74. Dans l'article 72, alinéa 1er, de la même loi, les mots "sous la forme d'un ou plusieurs livres d'un Code civil les dispositions du livre I et du livre III du Code civil" sont remplacés par les mots "sous la forme du livre 4 du nouveau Code civil les dispositions pertinentes du Code civil ou d'autres lois relatives aux successions, donations et testaments".
HOOFDSTUK 6. - Hercodificatie
CHAPITRE 6. - Recodification
Art. 75.
Art. 75.
HOOFDSTUK 7. - Overgangsbepalingen
CHAPITRE 7. - Dispositions transitoires
Art. 76. Artikel 2 is van toepassing op de echtscheidingen die volgen uit een verzoek ingediend vanaf de datum van inwerkingtreding van deze wet.
Art. 76. L'article 2 s'applique aux divorces résultant d'une demande introduite à compter de la date de l'entrée en vigueur de la présente loi.
Art. 77. De artikelen 3 tot 6 zijn enkel van toepassing op de nalatenschappen opengevallen vanaf de datum van inwerkingtreding van deze wet.
Art. 77. Les articles 3 à 6 ne s'appliquent qu'aux successions ouvertes à compter de la date de l'entrée en vigueur de la présente loi.
Art. 78. § 1. De artikelen 7 tot 49 zijn van toepassing op de echtgenoten die een huwelijk aangaan vanaf de datum van inwerkingtreding van deze wet en op de reeds gehuwde echtgenoten die vanaf die datum overgaan tot een wijziging van hun huwelijksvermogensstelsel die de ontbinding ervan tot gevolg heeft.
§ 2. De artikelen 7 tot 47 zijn, onverminderd de huwelijksovereenkomsten die de echtgenoten op geldige wijze zouden hebben gesloten vooraleer de datum van inwerkingtreding van deze wet, van toepassing op de echtgenoten die reeds gehuwd zijn vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet en van wie het huwelijksvermogensstelsel nog niet ontbonden was op de datum van inwerkingtreding van deze wet, zulks onder de hierna vermelde voorbehouden :
1° de artikelen 13, 14, 16 en 21 zijn enkel van toepassing op de goederen verkregen vanaf de datum van inwerkingtreding van deze wet;
2° de artikelen 18 en 19 zijn enkel van toepassing op de bestuurshandelingen verricht vanaf de datum van inwerkingtreding van deze wet.
§ 3. In afwijking van paragraaf 2 zijn niet onderworpen aan de artikelen 7 tot 47, de echtgenoten van wie het huwelijksvermogensstelsel zal worden ontbonden na de datum van inwerkingtreding van deze wet maar met uitwerking vóór die datum, naar aanleiding van :
1° een vordering tot gerechtelijke scheiding van goederen overeenkomstig artikel 1470 van het Burgerlijk Wetboek;
2° een vordering tot echtscheiding overeenkomstig artikel 1254, § 1, eerste of tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek; of
3° een vordering tot echtscheiding door onderlinge toestemming overeenkomstig artikel 1288bis van het Gerechtelijk Wetboek.
§ 2. De artikelen 7 tot 47 zijn, onverminderd de huwelijksovereenkomsten die de echtgenoten op geldige wijze zouden hebben gesloten vooraleer de datum van inwerkingtreding van deze wet, van toepassing op de echtgenoten die reeds gehuwd zijn vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet en van wie het huwelijksvermogensstelsel nog niet ontbonden was op de datum van inwerkingtreding van deze wet, zulks onder de hierna vermelde voorbehouden :
1° de artikelen 13, 14, 16 en 21 zijn enkel van toepassing op de goederen verkregen vanaf de datum van inwerkingtreding van deze wet;
2° de artikelen 18 en 19 zijn enkel van toepassing op de bestuurshandelingen verricht vanaf de datum van inwerkingtreding van deze wet.
§ 3. In afwijking van paragraaf 2 zijn niet onderworpen aan de artikelen 7 tot 47, de echtgenoten van wie het huwelijksvermogensstelsel zal worden ontbonden na de datum van inwerkingtreding van deze wet maar met uitwerking vóór die datum, naar aanleiding van :
1° een vordering tot gerechtelijke scheiding van goederen overeenkomstig artikel 1470 van het Burgerlijk Wetboek;
2° een vordering tot echtscheiding overeenkomstig artikel 1254, § 1, eerste of tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek; of
3° een vordering tot echtscheiding door onderlinge toestemming overeenkomstig artikel 1288bis van het Gerechtelijk Wetboek.
Art. 78. § 1er. Les articles 7 à 49 s'appliquent aux époux qui contractent mariage à compter de la date de l'entrée en vigueur de la présente loi et aux époux déjà mariés qui, à compter de cette date, procèdent à une modification de leur régime matrimonial qui en entraîne la dissolution.
§ 2. Les articles 7 à 47 s'appliquent, sans préjudice des conventions matrimoniales que les époux auraient valablement conclues avant la date de l'entrée en vigueur de la présente loi, aux époux déjà mariés avant la date de l'entrée en vigueur de la présente loi et dont le régime matrimonial n'était pas encore dissous à la date de l'entrée en vigueur de la présente loi, sous les réserves énoncées ci-après :
1° les articles 13, 14, 16 et 21 ne s'appliquent qu'aux biens acquis à compter de la date de l'entrée en vigueur de la présente loi;
2° les articles 18 et 19 ne s'appliquent qu'aux actes de gestion accomplis à compter de la date de l'entrée en vigueur de la présente loi.
§ 3. Par dérogation au paragraphe 2, ne sont pas soumis aux articles 7 à 47, les époux dont le régime matrimonial sera dissous après l'entrée en vigueur de la présente loi, mais avec effet avant cette date, suite à :
1° une demande de séparation de biens judiciaire, conformément à l'article 1470 du Code civil;
2° une demande en divorce, conformément à l'article 1254, § 1er, alinéa 1er ou alinéa 2 du Code judiciaire; ou
3° une demande en divorce par consentement mutuel, conformément à l'article 1288bis du Code judiciaire.
§ 2. Les articles 7 à 47 s'appliquent, sans préjudice des conventions matrimoniales que les époux auraient valablement conclues avant la date de l'entrée en vigueur de la présente loi, aux époux déjà mariés avant la date de l'entrée en vigueur de la présente loi et dont le régime matrimonial n'était pas encore dissous à la date de l'entrée en vigueur de la présente loi, sous les réserves énoncées ci-après :
1° les articles 13, 14, 16 et 21 ne s'appliquent qu'aux biens acquis à compter de la date de l'entrée en vigueur de la présente loi;
2° les articles 18 et 19 ne s'appliquent qu'aux actes de gestion accomplis à compter de la date de l'entrée en vigueur de la présente loi.
§ 3. Par dérogation au paragraphe 2, ne sont pas soumis aux articles 7 à 47, les époux dont le régime matrimonial sera dissous après l'entrée en vigueur de la présente loi, mais avec effet avant cette date, suite à :
1° une demande de séparation de biens judiciaire, conformément à l'article 1470 du Code civil;
2° une demande en divorce, conformément à l'article 1254, § 1er, alinéa 1er ou alinéa 2 du Code judiciaire; ou
3° une demande en divorce par consentement mutuel, conformément à l'article 1288bis du Code judiciaire.
Art. 79. Artikel 50 is van toepassing op de contracten gesloten vanaf de datum van inwerkingtreding van deze wet.
Art. 79. L'article 50 s'applique aux contrats conclus à compter de la date de l'entrée en vigueur de la présente loi.
HOOFDSTUK 8. - Inwerkingtreding
CHAPITRE 8. - Entrée en vigueur
Art. 80. Deze wet treedt in werking op de dag van de inwerkingtreding van de wet van 31 juli 2017 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de erfenissen en de giften betreft en tot wijziging van diverse andere bepalingen ter zake.
Art. 80. La présente loi entre en vigueur le jour de l'entrée en vigueur de la loi du 31 juillet 2017 modifiant le Code civil en ce qui concerne les successions et les libéralités et modifiant diverses autres dispositions en cette matière.