Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
29 MAART 2018. - Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering betreffende de rijopleiding en het rijexamen van categorie van motorvoertuigen B en bepaalde aspecten voor alle categorieën van motorvoertuigen(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 05-04-2018 en tekstbijwerking tot 17-02-2023)
Titre
29 MARS 2018. - Arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale relatif à la formation à la conduite et à l'examen de conduite pour la catégorie de véhicules à moteur B et à certains aspects pour toutes les catégories de véhicules à moteur(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 05-04-2018 et mise à jour au 17-02-2023)
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
TITEL 1. - Inleidende bepalingen
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling
HOOFDSTUK 2. - Definities
TITEL 2. - De scholing
HOOFDSTUK 1. - Theoretische scholing
Afdeling 1. - Categorie van motorvoertuigen B
HOOFDSTUK 2. - Praktische scholing
Afdeling 1. - Categorie van motorvoertuigen B
Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen
Onderafdeling 2. - Scholingstrajecten
Onderafdeling 3. - Bijkomende scholingstrajecten
Onderafdeling 4. - Vrijstelling en wijziging va...
Onderafdeling 5. - EHBO-opleiding
Onderafdeling 6. - Scholing van de begeleider
Onderafdeling 7. - Scholing na het omwisselen v...
TITEL 3. - De examens
HOOFDSTUK 1. - Theoretisch examen
Afdeling 1. - Plaats voor het afleggen van examen
Onderafdeling 1. - Categorie van motorvoertuigen B
Afdeling 2. - Examenstof
Onderafdeling 1. - Categorie van motorvoertuigen B
Afdeling 3. - Deelname aan het examen
Onderafdeling 1. - Alle categorieën van motorvo...
Onderafdeling 2. - Categorie van motorvoertuigen B
Afdeling 3. - Wijze van het afnemen en beoordel...
Onderafdeling 1. - Categorie van motorvoertuigen B
HOOFDSTUK 2. - Praktisch examen
Afdeling 1. - Plaats voor het afleggen van examen
Onderafdeling 1. - Categorie van motorvoertuigen B
Afdeling 2. - Examenstof
Onderafdeling 1. - Categorie van motorvoertuigen B
Afdeling 3. - Deelname aan het examen
Onderafdeling 1. - Alle categorieën van motorvo...
Onderafdeling 2. - Categorie van motorvoertuigen B
Afdeling 3. - Wijze van het afnemen en beoordel...
Onderafdeling 1. - Categorie van motorvoertuigen B
TITEL 4. - Administratief georganiseerd beroep
HOOFDSTUK 1. - Beroepsprocedure
HOOFDSTUK 2. - De samenstelling van de beroepsc...
HOOFDSTUK 3. - De werking van de beroepscommissie
HOOFDSTUK 4. - De vergoeding van de leden van d...
TITEL 5. - Retributies
HOOFDSTUK 1. - Theoretisch examen
Afdeling 1. - Categorie van motorvoertuigen B
HOOFDSTUK 2. - Praktisch examen
Afdeling 1. - Categorie van motorvoertuigen B
HOOFDSTUK 3. - Andere retributies
Afdeling 1. - Categorie van motorvoertuigen B
HOOFDSTUK 4. - Gemeenschappelijke bepalingen aa...
TITEL 6. - Overgangsbepalingen
TITEL 7. - Wijzigingsbepalingen
TITEL 8. - Opheffingsbepalingen
TITEL 9. - Inwerkingtreding
TITEL 10. - Uitvoeringsbepaling
Table des matières
TITRE 1er. - Dispositions introductives
CHAPITRE 1er. - Disposition générale
CHAPITRE 2. - Définitions
TITRE 2. - De l'enseignement
CHAPITRE 1er. - Enseignement théorique
Section 1re. - Catégorie de véhicules à moteur B
CHAPITRE 2. - Enseignement pratique
Section 1re. - Catégories de véhicules à moteur B
Sous-section 1re. - Dispositions générales
Sous-section 2. - Parcours d'enseignement
Sous-section 3. - Parcours d'enseignement suppl...
Sous-section 4. - Dispense et modification de l...
Sous-section 5. - Formation aux premiers secours
Sous-section 6. - Formation de l'accompagnateur
Sous-section 7. - Enseignement après l'échange ...
TITRE 3. - Les examens
CHAPITRE 1er. - Examen théorique
Section 1re. - Lieu où se déroule l'examen
Sous-section 1re. - Catégorie des véhicules à m...
Section 2. - Matière d'examen
Sous-section 1re. - Catégorie de véhicules à mo...
Section 2. - Participation à l'examen
Sous-section 1re. - Toutes les catégories de vé...
Sous-section 2. - Catégorie des véhicules à mot...
Section 3. - Passage et évaluation de l'examen
Sous-section 1re. - Catégorie de véhicules à mo...
CHAPITRE 2. - Examen pratique
Section 1re. - Lieu où se déroule l'examen
Sous-section 1re. - Catégorie des véhicules à m...
Section 2. - Matière d'examen
Sous-section 1re. - Catégorie des véhicules à m...
Section 3. - Participation à l'examen
Sous-section 1re. - Toutes les catégories de vé...
Sous-section 2. - Catégorie des véhicules à mot...
Section 3. - Mode de passage et évaluation de l...
Sous-section 1re. - Catégorie des véhicules à m...
TITRE 4. - Recours administratif organisé
CHAPITRE 1er. - Procédure de recours
CHAPITRE 2. - La composition de la commission d...
CHAPITRE 3. - Le fonctionnement de la commissio...
CHAPITRE 4. - Le défraiement des membres de la ...
TITRE 5. - Redevances
CHAPITRE 1er. - Examen théorique
Section 1. - Catégorie de véhicules à moteur B
CHAPITRE 2. - Examen pratique
Section 1re. - Catégorie de véhicules à moteur B
CHAPITRE 3. - Autres redevances
Section 1re. - Catégorie de véhicules à moteur B
CHAPITRE 4. - Dispositions communes aux chapitr...
TITRE 6. - Dispositions transitoires
TITRE 7. - Dispositions modificatives
TITRE 8. - Dispositions abrogatoires
TITRE 9. - Entrée en vigueur
TITRE 10. - Disposition exécutoire
Tekst (137)
Texte (137)
TITEL 1. - Inleidende bepalingen
TITRE 1er. - Dispositions introductives
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling
CHAPITRE 1er. - Disposition générale
Artikel 1.1.1. Dit besluit voorziet in de gedeeltelijke omzetting van richtlijn 2006/126/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende het rijbewijs.
Article 1.1.1. Le présent arrêté transpose partiellement la directive 2006/126/CE du Parlement européen et du Conseil relative au permis de conduire.
HOOFDSTUK 2. - Definities
CHAPITRE 2. - Définitions
Art. 1.2.1. De definities bedoeld in artikelen 1 en 2 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs zijn van toepassing op dit besluit.
Art. 1.2.1. Les définitions contenues aux articles 1er et 2 de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire s'appliquent au présent arrêté.
TITEL 2. - De scholing
TITRE 2. - De l'enseignement
HOOFDSTUK 1. - Theoretische scholing
CHAPITRE 1er. - Enseignement théorique
Afdeling 1. - Categorie van motorvoertuigen B
Section 1re. - Catégorie de véhicules à moteur B
Art. 2.1.1. § 1. Elke kandidaat voor het rijbewijs geldig voor categorie van motorvoertuigen B kan een scholing doorlopen bij een rijschool.
§ 2. De theoretische scholing verstrekt door de rijscholen omvat de stof bedoeld in artikelen 3.1.3.
§ 2. De theoretische scholing verstrekt door de rijscholen omvat de stof bedoeld in artikelen 3.1.3.
Art. 2.1.1. § 1er. Chaque candidat au permis de conduire valable pour la catégorie de véhicules à moteur B peut suivre un enseignement dans une école de conduite.
§ 2. L'enseignement théorique dispensé par les écoles de conduite comprend les matières visées à l'article 3.1.3.
§ 2. L'enseignement théorique dispensé par les écoles de conduite comprend les matières visées à l'article 3.1.3.
Art. 2.1.2. De theoretische scholing heeft een minimumduur van twaalf uren voor de voorbereiding op het theoretisch examen.
Art. 2.1.2. L'enseignement théorique a une durée minimale de douze heures pour la préparation à l'examen théorique.
HOOFDSTUK 2. - Praktische scholing
CHAPITRE 2. - Enseignement pratique
Afdeling 1. - Categorie van motorvoertuigen B
Section 1re. - Catégories de véhicules à moteur B
Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen
Sous-section 1re. - Dispositions générales
Art. 2.2.1. § 1. Elke kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie van motorvoertuigen B moet een praktische scholing doorlopen.
Zonder afbreuk te doen aan artikel 5, § 2 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs, geldt een vrijstelling voor :
1° de houders van een Belgisch militair rijbewijs bedoeld in artikel 27, 1°, van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs;
2° [1 de houders van een Europees of een buitenlands rijbewijs, bedoeld in artikel 23, § 2, 1° van de wet, dat werd uitgereikt ten minste voor dezelfde categorie van voertuigen of voor een categorie als die waarvoor de validering wordt gevraagd en die tegemoetkomt aan de voorwaarden bedoeld in artikel 27, 2°, eerste tot zesde lid van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs;]1
3° de in artikel 4, 4°, 5°, 6°, 7°, 9° en 15°, van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs bedoelde kandidaten voor de categorieën die door deze bepalingen worden bedoeld.
§ 2. De praktische scholing verstrekt door de rijscholen omvat de stof voorgeschreven in artikel 3.2.2.
Zonder afbreuk te doen aan artikel 5, § 2 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs, geldt een vrijstelling voor :
1° de houders van een Belgisch militair rijbewijs bedoeld in artikel 27, 1°, van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs;
2° [1 de houders van een Europees of een buitenlands rijbewijs, bedoeld in artikel 23, § 2, 1° van de wet, dat werd uitgereikt ten minste voor dezelfde categorie van voertuigen of voor een categorie als die waarvoor de validering wordt gevraagd en die tegemoetkomt aan de voorwaarden bedoeld in artikel 27, 2°, eerste tot zesde lid van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs;]1
3° de in artikel 4, 4°, 5°, 6°, 7°, 9° en 15°, van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs bedoelde kandidaten voor de categorieën die door deze bepalingen worden bedoeld.
§ 2. De praktische scholing verstrekt door de rijscholen omvat de stof voorgeschreven in artikel 3.2.2.
Modifications
Art. 2.2.1. § 1. Chaque candidat au permis de conduire valable pour la catégorie de véhicules à moteur B doit suivre un enseignement pratique.
Sans préjudice de l'article 5, § 2, de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire, une exemption s'applique aux :
1° titulaires d'un permis de conduire militaire belge visé à l'article 27, 1°, de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire;
2° [1 titulaires d'un permis de conduire européen ou étranger visé à l'article 23, § 2, 1°, de la loi, qui a été délivré pour au moins la même catégorie de véhicules ou pour une catégorie équivalente à celle pour laquelle la validation est demandée, et qui remplit les conditions visées à l'article 27, 2°, alinéas 1er à 6, de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire ;]1
3° candidats visés à l'article 4, 4°, 5°, 6°, 7°, 9° et 15°, de l'arrêté royal du 23 mars 1998 pour les catégories visées par ces dispositions.
§ 2. L'enseignement pratique dispensé par les écoles de conduite comprend les matières visées à l'article 3.2.2.
Sans préjudice de l'article 5, § 2, de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire, une exemption s'applique aux :
1° titulaires d'un permis de conduire militaire belge visé à l'article 27, 1°, de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire;
2° [1 titulaires d'un permis de conduire européen ou étranger visé à l'article 23, § 2, 1°, de la loi, qui a été délivré pour au moins la même catégorie de véhicules ou pour une catégorie équivalente à celle pour laquelle la validation est demandée, et qui remplit les conditions visées à l'article 27, 2°, alinéas 1er à 6, de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire ;]1
3° candidats visés à l'article 4, 4°, 5°, 6°, 7°, 9° et 15°, de l'arrêté royal du 23 mars 1998 pour les catégories visées par ces dispositions.
§ 2. L'enseignement pratique dispensé par les écoles de conduite comprend les matières visées à l'article 3.2.2.
Modifications
Art. 2.2.2. § 1. De scholing op basis van een voorlopig rijbewijs is aan de volgende voorwaarden onderworpen :
1° De kandidaat :
a) moet beantwoorden aan de in artikel 3, § 1, van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs bedoelde voorwaarden om een rijbewijs te verkrijgen;
b) moet voldoen aan de bepalingen van artikel 41 of van artikel 42 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs;
c) moet houder zijn van een nog geldig voorlopig rijbewijs en het ook steeds bij zich hebben.
2° Het voertuig :
a) moet behoren tot de categorie van voertuigen waarvoor het voorlopige rijbewijs geldig verklaard is;
b) moet op de achterzijde en op een duidelijk zichtbare plaats uitgerust zijn met het teken "L", waarvan het model is bepaald door de Minister bevoegd voor Verkeersveiligheid;
c) moet, tenzij de bestuurder houder is van een voorlopig rijbewijs zonder begeleider zoals bedoeld in 2.2.6 en 2.2.7, voorzien zijn :
- als het gaat om een voertuig van de categorie B dat niet uitgerust is met een gesloten koetswerk, achteruitkijkspiegels binnen in het voertuig zodanig geplaatst dat de bestuurder en de begeleider ieder een voldoende uitzicht hebben op het verkeer van achter en van links;
- als het gaat om een voertuig van de categorie B uitgerust met een gesloten koetswerk, van rechtse buitenspiegels zodanig geplaatst dat de bestuurder en de begeleider een voldoende uitzicht hebben op het verkeer van achter en van rechts.
§ 2. De scholing op basis van een voorlopig rijbewijs is aan de volgende beperkingen onderworpen :
1° De kandidaat :
a) mag niet vervallen zijn van het recht om een motorvoertuig te besturen van de categorie waarvoor het voorlopige rijbewijs is aangevraagd en moet geslaagd zijn voor de onderzoeken die eventueel krachtens artikel 38 van de wet worden opgelegd.
2° Het voertuig :
a) mag in commercieel verband geen goederen vervoeren;
b) mag geen aanhangwagen trekken.
1° De kandidaat :
a) moet beantwoorden aan de in artikel 3, § 1, van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs bedoelde voorwaarden om een rijbewijs te verkrijgen;
b) moet voldoen aan de bepalingen van artikel 41 of van artikel 42 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs;
c) moet houder zijn van een nog geldig voorlopig rijbewijs en het ook steeds bij zich hebben.
2° Het voertuig :
a) moet behoren tot de categorie van voertuigen waarvoor het voorlopige rijbewijs geldig verklaard is;
b) moet op de achterzijde en op een duidelijk zichtbare plaats uitgerust zijn met het teken "L", waarvan het model is bepaald door de Minister bevoegd voor Verkeersveiligheid;
c) moet, tenzij de bestuurder houder is van een voorlopig rijbewijs zonder begeleider zoals bedoeld in 2.2.6 en 2.2.7, voorzien zijn :
- als het gaat om een voertuig van de categorie B dat niet uitgerust is met een gesloten koetswerk, achteruitkijkspiegels binnen in het voertuig zodanig geplaatst dat de bestuurder en de begeleider ieder een voldoende uitzicht hebben op het verkeer van achter en van links;
- als het gaat om een voertuig van de categorie B uitgerust met een gesloten koetswerk, van rechtse buitenspiegels zodanig geplaatst dat de bestuurder en de begeleider een voldoende uitzicht hebben op het verkeer van achter en van rechts.
§ 2. De scholing op basis van een voorlopig rijbewijs is aan de volgende beperkingen onderworpen :
1° De kandidaat :
a) mag niet vervallen zijn van het recht om een motorvoertuig te besturen van de categorie waarvoor het voorlopige rijbewijs is aangevraagd en moet geslaagd zijn voor de onderzoeken die eventueel krachtens artikel 38 van de wet worden opgelegd.
2° Het voertuig :
a) mag in commercieel verband geen goederen vervoeren;
b) mag geen aanhangwagen trekken.
Art. 2.2.2. § 1. L'enseignement sous le couvert d'un permis de conduire provisoire est soumis aux conditions suivantes :
1° Le candidat :
a) doit répondre aux conditions requises pour obtenir un permis de conduire, visées à l'article 3, § 1er, de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire;
b) doit satisfaire aux dispositions de l'article 41 ou de l'article 42 de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire;
c) doit être titulaire d'un permis de conduire provisoire valable et doit toujours en être en possession.
2° Le véhicule :
a) doit appartenir à la catégorie de véhicules pour laquelle le permis de conduire provisoire est validé;
b) doit être muni, à l'arrière et à un endroit clairement visible, du signe "L", dont le modèle est déterminé par le Ministre en charge de la Sécurité routière;
c) doit, sauf si le conducteur est titulaire d'un permis de conduire provisoire sans guide, tel que visé aux articles 2.2.6 et 2.2.7, être muni :
- s'il s'agit d'un véhicule de la catégorie B qui n'est pas équipé d'une carrosserie fermée, de rétroviseurs intérieurs placés de façon telle que le conducteur et le guide puissent chacun surveiller de manière satisfaisante la circulation vers l'arrière et sur la gauche;
- s'il s'agit d'un véhicule de la catégorie B équipé d'une carrosserie fermée, de rétroviseurs extérieurs droits placés de telle façon que le conducteur et le guide puissent chacun surveiller de manière satisfaisante la circulation vers l'arrière et sur la droite.
§ 2. L'enseignement sur la base d'un permis de conduire provisoire est soumis aux restrictions suivantes :
1° Le candidat :
a) ne peut être déchu du droit de conduire un véhicule de la catégorie pour laquelle le permis de conduire provisoire est demandé et doit avoir satisfait aux examens éventuellement imposés en application de l'article 38 de la loi.
2° Le véhicule :
a) ne peut transporter des marchandises à des fins commerciales;
b) ne peut tracter une remorque.
1° Le candidat :
a) doit répondre aux conditions requises pour obtenir un permis de conduire, visées à l'article 3, § 1er, de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire;
b) doit satisfaire aux dispositions de l'article 41 ou de l'article 42 de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire;
c) doit être titulaire d'un permis de conduire provisoire valable et doit toujours en être en possession.
2° Le véhicule :
a) doit appartenir à la catégorie de véhicules pour laquelle le permis de conduire provisoire est validé;
b) doit être muni, à l'arrière et à un endroit clairement visible, du signe "L", dont le modèle est déterminé par le Ministre en charge de la Sécurité routière;
c) doit, sauf si le conducteur est titulaire d'un permis de conduire provisoire sans guide, tel que visé aux articles 2.2.6 et 2.2.7, être muni :
- s'il s'agit d'un véhicule de la catégorie B qui n'est pas équipé d'une carrosserie fermée, de rétroviseurs intérieurs placés de façon telle que le conducteur et le guide puissent chacun surveiller de manière satisfaisante la circulation vers l'arrière et sur la gauche;
- s'il s'agit d'un véhicule de la catégorie B équipé d'une carrosserie fermée, de rétroviseurs extérieurs droits placés de telle façon que le conducteur et le guide puissent chacun surveiller de manière satisfaisante la circulation vers l'arrière et sur la droite.
§ 2. L'enseignement sur la base d'un permis de conduire provisoire est soumis aux restrictions suivantes :
1° Le candidat :
a) ne peut être déchu du droit de conduire un véhicule de la catégorie pour laquelle le permis de conduire provisoire est demandé et doit avoir satisfait aux examens éventuellement imposés en application de l'article 38 de la loi.
2° Le véhicule :
a) ne peut transporter des marchandises à des fins commerciales;
b) ne peut tracter une remorque.
Onderafdeling 2. - Scholingstrajecten
Sous-section 2. - Parcours d'enseignement
Art. 2.2.3. § 1. De kandidaat voor het rijbewijs van de categorie B die geslaagd is voor het theoretisch examen heeft de keuze uit vier scholingsmogelijkheden, zoals beschreven in de artikelen 2.2.4 tot en met 2.2.7.
§ 2. De kandidaat loopt gedurende een bepaalde periode een stage te rekenen vanaf de afgifte van het voorlopig rijbewijs.
§ 3. De kandidaat houdt tijdens zijn stageperiode een logboek bij waaruit zijn vorderingen inzake rijbekwaamheid blijkt evenals het feit dat hij een bepaald aantal kilometer heeft afgelegd tijdens deze periode, conform de artikelen 2.2.4 tot en met 2.2.6.
De Minister bevoegd voor Verkeersveiligheid bepaalt de inhoud van dit logboek.
Dit logboek is aanwezig in het voertuig dat wordt bestuurd door de kandidaat.
§ 2. De kandidaat loopt gedurende een bepaalde periode een stage te rekenen vanaf de afgifte van het voorlopig rijbewijs.
§ 3. De kandidaat houdt tijdens zijn stageperiode een logboek bij waaruit zijn vorderingen inzake rijbekwaamheid blijkt evenals het feit dat hij een bepaald aantal kilometer heeft afgelegd tijdens deze periode, conform de artikelen 2.2.4 tot en met 2.2.6.
De Minister bevoegd voor Verkeersveiligheid bepaalt de inhoud van dit logboek.
Dit logboek is aanwezig in het voertuig dat wordt bestuurd door de kandidaat.
Art. 2.2.3. § 1. Le candidat au permis de la catégorie B qui réussit l'examen théorique a le choix entre quatre méthodes d'enseignement, conformément à ce qui est décrit aux articles 2.2.4 à 2.2.7.
§ 2. Le candidat se soumet à un stage pendant une période déterminée commençant à partir de la délivrance du permis provisoire.
§ 3. Le candidat tient, pendant sa période de stage, un journal de bord dans lequel apparaissent ses progrès concernant sa capacité à conduire ainsi que le nombre de kilomètres parcourus durant cette période, conformément aux articles 2.2.4 à 2.2.6.
Le Ministre en charge de la Sécurité routière détermine le contenu de ce journal de bord.
Ce journal de bord est présent dans le véhicule qui est conduit par le candidat.
§ 2. Le candidat se soumet à un stage pendant une période déterminée commençant à partir de la délivrance du permis provisoire.
§ 3. Le candidat tient, pendant sa période de stage, un journal de bord dans lequel apparaissent ses progrès concernant sa capacité à conduire ainsi que le nombre de kilomètres parcourus durant cette période, conformément aux articles 2.2.4 à 2.2.6.
Le Ministre en charge de la Sécurité routière détermine le contenu de ce journal de bord.
Ce journal de bord est présent dans le véhicule qui est conduit par le candidat.
Art. 2.2.4. De kandidaat volgt geen praktische scholing aan een rijschool en doet een beroep op een begeleider zoals bepaald in artikel 3 van het koninklijk besluit van 10 juli 2006 betreffende het rijbewijs voor voertuigen van categorie B.
De stageperiode voor de kandidaat bedraagt minimum 9 maanden [1 ...]1.
Het richtcijfer voor het aantal kilometer met het voertuig benadert 1.500 kilometer, aanpasbaar aan de verkeersomstandigheden en -problemen.
De stageperiode voor de kandidaat bedraagt minimum 9 maanden [1 ...]1.
Het richtcijfer voor het aantal kilometer met het voertuig benadert 1.500 kilometer, aanpasbaar aan de verkeersomstandigheden en -problemen.
Modifications
Art. 2.2.4. Le candidat ne suit aucun enseignement pratique auprès d'une école de conduite et fait appel à un guide, conformément à l'article 3 de l'arrêté royal du 10 juillet 2006 relatif au permis de conduire pour les véhicules de catégorie B.
La période de stage pour le candidat est de minimum 9 mois [1 ...]1.
La norme indicative en termes de distance parcourue avec le véhicule tend vers les 1.500 kilomètres, ajustables aux conditions et difficultés de circulations.
La période de stage pour le candidat est de minimum 9 mois [1 ...]1.
La norme indicative en termes de distance parcourue avec le véhicule tend vers les 1.500 kilomètres, ajustables aux conditions et difficultés de circulations.
Modifications
Art. 2.2.5. De kandidaat volgt gedurende minimum 14 uur praktische scholing aan een rijschool en doet een beroep op een begeleider zoals bepaald in artikel 3 van het koninklijk besluit van 10 juli 2006 betreffende het rijbewijs voor voertuigen van categorie B.
De stageperiode voor de kandidaat bedraagt minimum 6 maanden [1 ...]1.
Het richtcijfer voor het aantal kilometer met het voertuig benadert 1.500 kilometer, aanpasbaar aan de verkeersomstandigheden en -problemen.
De stageperiode voor de kandidaat bedraagt minimum 6 maanden [1 ...]1.
Het richtcijfer voor het aantal kilometer met het voertuig benadert 1.500 kilometer, aanpasbaar aan de verkeersomstandigheden en -problemen.
Modifications
Art. 2.2.5. Le candidat suit pendant une durée minimale de 14 heures un enseignement pratique auprès d'une école de conduite et fait appel à un guide, conformément à l'article 3 de l'arrêté royal du 10 juillet 2006 relatif au permis de conduire pour les véhicules de catégorie B.
La période de stage pour le candidat est de minimum 6 mois [1 ...]1.
La norme indicative en termes de distance parcourue avec le véhicule tend vers les 1.500 kilomètres, ajustables aux conditions et difficultés de circulations.
La période de stage pour le candidat est de minimum 6 mois [1 ...]1.
La norme indicative en termes de distance parcourue avec le véhicule tend vers les 1.500 kilomètres, ajustables aux conditions et difficultés de circulations.
Modifications
Art. 2.2.6. De kandidaat volgt gedurende minimum 20 uur praktische scholing aan een rijschool. De kandidaat moet de leeftijd van 18 jaar bereikt hebben aan de start van de scholing.
De stageperiode voor de kandidaat [1 bedraagt minimaal 3 maanden]1.
Het richtcijfer voor het aantal kilometer met het voertuig voor de kandidaat benadert 1.000 kilometer, aanpasbaar aan de verkeersomstandigheden en -problemen
De stageperiode voor de kandidaat [1 bedraagt minimaal 3 maanden]1.
Het richtcijfer voor het aantal kilometer met het voertuig voor de kandidaat benadert 1.000 kilometer, aanpasbaar aan de verkeersomstandigheden en -problemen
Modifications
Art. 2.2.6. Le candidat suit pendant une durée minimale de 20 heures un enseignement pratique auprès d'une école de conduite. Le candidat doit avoir atteint l'âge de 18 ans au début de l'enseignement.
La période de stage pour le candidat [1 est de minimum 3 mois]1.
La norme indicative en termes de distance parcourue avec le véhicule tend vers les 1.000 kilomètres, ajustables aux conditions et difficultés de circulations.
La période de stage pour le candidat [1 est de minimum 3 mois]1.
La norme indicative en termes de distance parcourue avec le véhicule tend vers les 1.000 kilomètres, ajustables aux conditions et difficultés de circulations.
Modifications
Art. 2.2.7. De kandidaat volgt gedurende minimum 30 uur praktische scholing aan een rijschool. De kandidaat moet de leeftijd van 18 jaar bereikt hebben aan de start van de scholing.
Er is geen stageperiode.
Er is geen stageperiode.
Art. 2.2.7. Le candidat suit pendant une durée minimale de 30 heures un enseignement pratique auprès d'une école de conduite. Le candidat doit avoir atteint l'âge de 18 ans au début de l'enseignement.
Il n'y a pas de période de stage.
Il n'y a pas de période de stage.
Onderafdeling 3. - Bijkomende scholingstrajecten
Sous-section 3. - Parcours d'enseignement supplémentaire
Art. 2.2.8. De kandidaat volgt minimum twee uren praktische scholing aan een rijschool wanneer hij houder is van een Belgisch of Europees rijbewijs categorie B met de code 78 bedoeld in bijlage 7 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs, en een rijbewijs wenst te behalen geldig voor dezelfde categorie en waarop die vermelding niet voorkomt.
Art. 2.2.8. Le candidat suit au minimum deux heures d'enseignement pratique auprès d'une école de conduite lorsqu'il est titulaire d'un permis de conduire de catégorie B belge ou européen visé par le code 78 de l'annexe 7 de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire, et qu'il souhaite obtenir un permis de conduire valable pour cette même catégorie ou sous-catégorie et ne portant pas cette mention.
Art. 2.2.9. Telkens de kandidaat, houder van een voorlopig rijbewijs afgegeven met het oog op de opheffing van de code 78 bedoeld in bijlage 7 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs, twee opeenvolgende keren niet slaagt voor het praktisch examen, volgt hij minimum twee uur praktische scholing aan een rijschool vooraleer hij kan worden toegelaten tot een volgend praktisch examen.
Telkens de kandidaat, bedoeld in het eerste lid, het praktisch examen wenst af te leggen met een voorlopig rijbewijs waarvan de geldigheidsduur verstreken is, volgt hij minimum twee uur praktische scholing aan een rijschool vooraleer hij kan worden toegelaten tot een volgend praktisch examen.
De kandidaten, bedoeld in het eerste en tweede lid, mogen slechts het praktisch examen afleggen na het volgen van deze praktische scholing en op vertoon van het getuigschrift van praktische scholing afgegeven door een rijschool.
Telkens de kandidaat, bedoeld in het eerste lid, het praktisch examen wenst af te leggen met een voorlopig rijbewijs waarvan de geldigheidsduur verstreken is, volgt hij minimum twee uur praktische scholing aan een rijschool vooraleer hij kan worden toegelaten tot een volgend praktisch examen.
De kandidaten, bedoeld in het eerste en tweede lid, mogen slechts het praktisch examen afleggen na het volgen van deze praktische scholing en op vertoon van het getuigschrift van praktische scholing afgegeven door een rijschool.
Art. 2.2.9. Chaque fois que le candidat, titulaire d'un permis de conduire provisoire délivré en vue de la suppression du code 78 visé à l'annexe 7 de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire, échoue à deux reprises consécutives à l'examen pratique, il suit au minimum deux heures d'enseignement pratique auprès d'une école de conduite avant de pouvoir être admis à un prochain examen pratique.
Chaque fois que le candidat, visé au premier alinéa, souhaite passer l'examen pratique avec un permis de conduire provisoire dont la durée de validité a expiré, il suit au minimum deux heures d'enseignement pratique auprès d'une école de conduite avant de pouvoir être admis à un prochain examen pratique
Les candidats, visés aux premier et deuxième alinéas, peuvent seulement passer l'examen pratique après avoir suivi cet enseignement pratique et sur présentation du certificat d'enseignement pratique délivré par une école de conduite..
Chaque fois que le candidat, visé au premier alinéa, souhaite passer l'examen pratique avec un permis de conduire provisoire dont la durée de validité a expiré, il suit au minimum deux heures d'enseignement pratique auprès d'une école de conduite avant de pouvoir être admis à un prochain examen pratique
Les candidats, visés aux premier et deuxième alinéas, peuvent seulement passer l'examen pratique après avoir suivi cet enseignement pratique et sur présentation du certificat d'enseignement pratique délivré par une école de conduite..
Art. 2.2.10. Telkens de kandidaat, houder van een voorlopig rijbewijs of getuigschrift van een praktische scholing van 30 uur, twee opeenvolgende keren niet slaagt voor het praktisch examen, volgt hij minimum zes uren praktische scholing aan een rijschool vooraleer hij kan worden toegelaten tot een volgend praktisch examen.
Telkens de kandidaat, bedoeld in het eerste lid, het praktisch examen wenst af te leggen met een voorlopig rijbewijs waarvan de geldigheidsduur verstreken is, volgt hij minimum zes uur praktische scholing aan een rijschool vooraleer hij kan worden toegelaten tot een volgend praktisch examen.
De kandidaten, bedoeld in het eerste en tweede lid, mogen slechts het praktisch examen afleggen na het volgen van deze praktische scholing en op vertoon van het getuigschrift van praktische scholing afgegeven door een rijschool.
Telkens de kandidaat, bedoeld in het eerste lid, het praktisch examen wenst af te leggen met een voorlopig rijbewijs waarvan de geldigheidsduur verstreken is, volgt hij minimum zes uur praktische scholing aan een rijschool vooraleer hij kan worden toegelaten tot een volgend praktisch examen.
De kandidaten, bedoeld in het eerste en tweede lid, mogen slechts het praktisch examen afleggen na het volgen van deze praktische scholing en op vertoon van het getuigschrift van praktische scholing afgegeven door een rijschool.
Art. 2.2.10. Chaque fois que le candidat, titulaire d'un permis de conduire provisoire ou d'un certificat d'enseignement pratique de 30 heures, échoue à deux reprises consécutives à l'examen pratique, il suit au minimum six heures d'enseignement pratique auprès d'une école de conduite avant de pouvoir être admis à un prochain examen pratique.
Chaque fois que le candidat, visé au premier alinéa, souhaite passer l'examen pratique avec un permis de conduire provisoire dont la durée de validité a expiré, il suit au minimum six heures d'enseignement pratique auprès d'une école de conduite avant de pouvoir être admis à un prochain examen pratique
Les candidats, visés aux premier et deuxième alinéas, peuvent seulement passer l'examen pratique après avoir suivi cet enseignement pratique et sur présentation du certificat d'enseignement pratique délivré par une école de conduite.
Chaque fois que le candidat, visé au premier alinéa, souhaite passer l'examen pratique avec un permis de conduire provisoire dont la durée de validité a expiré, il suit au minimum six heures d'enseignement pratique auprès d'une école de conduite avant de pouvoir être admis à un prochain examen pratique
Les candidats, visés aux premier et deuxième alinéas, peuvent seulement passer l'examen pratique après avoir suivi cet enseignement pratique et sur présentation du certificat d'enseignement pratique délivré par une école de conduite.
Art. 2.2.11. De kandidaat volgt minimum twee uur praktische scholing aan een rijschool wanneer hij na het minimum aantal uren praktische scholing bepaald in artikel 2.2.5 tot en met 2.2.7 en 2.2.8 tot en met 2.2.10, gevolgd te hebben, zich voor het afleggen van het examen tot een andere zetel van deze rijschool of tot een andere rijschool wendt.
De uren van de praktische scholing die plaatsvonden voor de gebeurtenis bedoeld in het eerste lid worden niet in aanmerking genomen.
De uren van de praktische scholing die plaatsvonden voor de gebeurtenis bedoeld in het eerste lid worden niet in aanmerking genomen.
Art. 2.2.11. Le candidat suit au minimum deux heures d'enseignement pratique auprès d'une école de conduite, après avoir suivi le nombre minimal d'heures d'enseignement pratique visé aux articles 2.2.5 à 2.2.7 et 2.2.8 à 2.2.10, lorsqu'il s'adresse à un autre siège de la même école de conduite ou à une autre école de conduite pour présenter l'examen.
Les heures d'enseignement pratique qui ont eu lieu avant l'événement visé au premier alinéa ne sont pas prises en compte.
Les heures d'enseignement pratique qui ont eu lieu avant l'événement visé au premier alinéa ne sont pas prises en compte.
Onderafdeling 4. - Vrijstelling en wijziging van praktische scholing
Sous-section 4. - Dispense et modification de l'enseignement pratique
Art. 2.2.12. De verplichting tot het volgen van het aantal uren voorgeschreven in artikel 2.2.5 tot en met 2.2.7 en 2.2.8 tot en met 2.2.11 is niet van toepassing op de houders van een Belgisch, een Europees of een buitenlands rijbewijs bedoeld in artikel 23, § 2, 1°, van de wet of van een voorlopig rijbewijs, die lessen volgen om hun rijvaardigheid tot het sturen van voertuigen van de categorie waarvoor het document geldig is, te vervolmaken.
Art. 2.2.12. L'obligation de suivre le nombre d'heures prévu aux articles 2.2.5 à 2.2.7 et 2.2.8 à 2.2.11 ne s'applique pas aux titulaires d'un permis de conduire belge, européen ou étranger visés à l'article 23, § 2, 1°, de la loi ou d'un permis de conduire provisoire, qui suivent des cours en vue de perfectionner leur aptitude à conduire des véhicules de la catégorie pour laquelle le document est valable.
Art. 2.2.13. Voor het in artikel 2.2.5 tot en met 2.2.7 en 2.2.8 tot en met 2.2.10 bepaalde aantal uren mogen de in verschillende zetels van één rijschool of de in verschillende rijscholen gevolgde uren samengeteld worden.
De gevolgde lesuren in een rijschool worden in aanmerking genomen gedurende een termijn van drie jaar.
De gevolgde lesuren in een rijschool worden in aanmerking genomen gedurende een termijn van drie jaar.
Art. 2.2.13. Le nombre d'heures prévu aux articles 2.2.5 à 2.2.7 et 2.2.8 à 2.2.10 peut être atteint en additionnant le nombre d'heures suivies dans différents sièges d'une même école de conduite ou encore dans différentes écoles de conduite.
Les heures de cours suivies dans une école de conduite sont prises en considération pendant un délai de trois ans.
Les heures de cours suivies dans une école de conduite sont prises en considération pendant un délai de trois ans.
Onderafdeling 5. - EHBO-opleiding
Sous-section 5. - Formation aux premiers secours
Art. 2.2.14. De kandidaat volgt voorafgaand aan het praktisch examen een EHBO-opleiding. Deze opleiding heeft betrekking op de regels inzake het optreden bij eerste hulp waaronder de eerste vitale en niet-vitale hulp in het wegverkeer.
Deze opleiding omvat een theoretisch luik dat op afstand kan worden gevolgd en een praktisch luik van minimum 3 uur.
De nadere invulling en de vrijstellingen van deze opleiding worden bepaald door de Minister bevoegd voor Verkeersveiligheid.
Na het volgen van deze opleiding wordt een attest afgeleverd. De Minister bevoegd voor Verkeersveiligheid stelt het model van dit attest vast. Het attest blijft twee jaar geldig.
Deze opleiding omvat een theoretisch luik dat op afstand kan worden gevolgd en een praktisch luik van minimum 3 uur.
De nadere invulling en de vrijstellingen van deze opleiding worden bepaald door de Minister bevoegd voor Verkeersveiligheid.
Na het volgen van deze opleiding wordt een attest afgeleverd. De Minister bevoegd voor Verkeersveiligheid stelt het model van dit attest vast. Het attest blijft twee jaar geldig.
Art. 2.2.14. Le candidat suit, préalablement à l'examen pratique, une formation aux premiers secours. Cette formation vise les règles relatives à l'octroi des premiers soins, y compris la première aide vitale et non vitale dans la circulation routière.
Cette formation comprend une partie théorique, qui peut être suivie à distance, et une partie pratique d'un minimum de 3 heures.
Les mesures d'exécution de cette formation et les exemptions sont déterminées par le Ministre en charge de la Sécurité routière.
Une attestation est délivrée après le suivi de cette formation. Le modèle d'attestation est déterminé par le Ministre en charge de la Sécurité routière. L'attestation reste valable pendant deux ans.
Cette formation comprend une partie théorique, qui peut être suivie à distance, et une partie pratique d'un minimum de 3 heures.
Les mesures d'exécution de cette formation et les exemptions sont déterminées par le Ministre en charge de la Sécurité routière.
Une attestation est délivrée après le suivi de cette formation. Le modèle d'attestation est déterminé par le Ministre en charge de la Sécurité routière. L'attestation reste valable pendant deux ans.
Onderafdeling 6. - Scholing van de begeleider
Sous-section 6. - Formation de l'accompagnateur
Art. 2.2.15. § 1. De begeleider bedoeld in artikel 2.2.4 kan een cursuspakket ter beschikking krijgen voor zijn vorming als begeleider van de kandidaat. De inhoud wordt bepaald door de Minister bevoegd voor Verkeersveiligheid.
§ 2. De begeleider bedoeld in artikel 2.2.5 kan een vorming voor begeleiders volgen bij een rijschool. De vorming duurt telkens twee uur en vindt plaats tijdens het derde, vierde, elfde en twaalfde uur van de praktische scholing aan een rijschool. De vorming vindt plaats tijdens de praktische scholing die wordt gegeven aan de kandidaat-bestuurder.
§ 2. De begeleider bedoeld in artikel 2.2.5 kan een vorming voor begeleiders volgen bij een rijschool. De vorming duurt telkens twee uur en vindt plaats tijdens het derde, vierde, elfde en twaalfde uur van de praktische scholing aan een rijschool. De vorming vindt plaats tijdens de praktische scholing die wordt gegeven aan de kandidaat-bestuurder.
Art. 2.2.15. § 1er. L'accompagnateur visé à l'article 2.2.4 peut recevoir un ensemble pédagogique relatif à sa formation en tant que guide d'un candidat-conducteur. Le contenu est déterminé par le Ministre en charge de la Sécurité routière.
§ 2. L'accompagnateur visé à l'article 2.2.5 peut suivre une formation pour accompagnateurs dans une école de conduite. La formation dure chaque fois deux heures et se déroule au cours de la troisième, quatrième, onzième et douzième heures de l'enseignement pratique dans une école de conduite. La formation se déroule durant l'enseignement pratique qui est donné au candidat-conducteur.
§ 2. L'accompagnateur visé à l'article 2.2.5 peut suivre une formation pour accompagnateurs dans une école de conduite. La formation dure chaque fois deux heures et se déroule au cours de la troisième, quatrième, onzième et douzième heures de l'enseignement pratique dans une école de conduite. La formation se déroule durant l'enseignement pratique qui est donné au candidat-conducteur.
Onderafdeling 7. - Scholing na het omwisselen van het voorlopig rijbewijs B
Sous-section 7. - Enseignement après l'échange du permis de conduire provisoire B
Art. 2.2.16. Voor de kandidaat die gebruik maakt van de mogelijkheid bedoeld in artikel 5/1, § 2, van het koninklijk besluit van 10 juli 2006 betreffende het rijbewijs voor voertuigen van categorie B wordt de scholing die gevolgd wordt in het kader van het vorig voorlopig rijbewijs B in aanmerking genomen voor het berekenen van de termijn van de stageperiode voorgeschreven in artikel 2.2.4 tot en met 2.2.6.
Art. 2.2.16. Pour le candidat qui fait usage de la possibilité visée à l'article 5/1, § 2, de l'arrêté royal du 10 juillet 2006 relatif au permis de conduire pour les véhicules de catégorie B, l'enseignement qui a été suivi dans le cadre du précédent permis de conduire provisoire B est pris en compte pour le calcul du délai de la période de stage prévue aux articles 2.2.4 à 2.2.6.
TITEL 3. - De examens
TITRE 3. - Les examens
HOOFDSTUK 1. - Theoretisch examen
CHAPITRE 1er. - Examen théorique
Afdeling 1. - Plaats voor het afleggen van examen
Section 1re. - Lieu où se déroule l'examen
Onderafdeling 1. - Categorie van motorvoertuigen B
Sous-section 1re. - Catégorie des véhicules à moteur B
Art. 3.1.1. § 1. Het theoretisch examen bedoeld in artikel 23, § 1, 4°, van de wet, wordt afgelegd in de examencentra georganiseerd door de instellingen voor de automobielinspectie erkend overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 23 december 1994 tot vaststelling van de erkenningsvoorwaarden en de regeling van de administratieve controle van de instellingen belast met de controle van de in verkeer gebrachte voertuigen.
§ 2. De kandidaten leggen het theoretisch examen af ten overstaan van de examinatoren, bedoeld in het artikel 26 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.
§ 2. De kandidaten leggen het theoretisch examen af ten overstaan van de examinatoren, bedoeld in het artikel 26 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.
Art. 3.1.1. § 1. L'examen théorique visé à l'article 23, § 1er, 4°, de la loi, se déroule dans les centres d'examen organisés par les organismes d'inspection automobile agréés conformément aux dispositions de l'arrêté royal du 23 décembre 1994 portant détermination des conditions d'agrément et des règles du contrôle administratif des organismes chargés du contrôle des véhicules en circulation.
§ 2. Les candidats passent l'examen théorique devant les examinateurs visés à l'article 26 de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire.
§ 2. Les candidats passent l'examen théorique devant les examinateurs visés à l'article 26 de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire.
Art. 3.1.2. De kandidaten die een theoretische opleiding voor het besturen van de voertuigen van de categorie B hebben gevolgd in een school van het secundair onderwijs kunnen het theoretisch examen voor de categorie B ook in deze school afleggen.
Art. 3.1.2. Les candidats ayant suivi un enseignement théorique à la conduite des véhicules de la catégorie B dans une école de l'enseignement secondaire peuvent également passer l'examen théorique de la catégorie B dans cette école.
Afdeling 2. - Examenstof
Section 2. - Matière d'examen
Onderafdeling 1. - Categorie van motorvoertuigen B
Sous-section 1re. - Catégorie de véhicules à moteur B
Art. 3.1.3. Het theoretisch examen bepaald in artikel 23, § 1, 4°, van de wet heeft betrekking op de volgende stof :
1° Wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968, en de wijzigingen van kracht op de dag van het examen;
2° Koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg en de wijzigingen van kracht op de dag van het examen;
3° Koninklijk besluit van 30 september 2005 tot aanwijzing van de overtredingen per graad van de algemene reglementen genomen in uitvoering van de wet betreffende de politie over het wegverkeer en de wijzigingen van kracht op de dag van het examen;
4° Belang van de oplettendheid en van de houding ten opzichte van andere weggebruikers;
5° Waarneming, beoordeling en reactie, met name reactietijd, en gedragsveranderingen bij de bestuurder ten gevolge van alcohol, drugs en geneesmiddelen, gemoedsgesteldheid en vermoeidheid;
6° De belangrijkste principes voor het bewaren van afstand, remafstand en wegligging van het voertuig in uiteenlopende weers- en wegomstandigheden;
7° Verkeersrisico's in verband met verschillende wegomstandigheden, in het bijzonder veranderingen ten gevolge van de weerstoestand en het tijdstip van de dag of de nacht;
8° Kenmerken van de verschillende soorten wegen en daarop betrekking hebbende wettelijke voorschriften;
9° Specifieke risico's in verband met de onervarenheid van andere weggebruikers en in verband met de kwetsbaarste categorieën van weggebruikers, zoals kinderen, voetgangers, fietsers en personen met beperkte mobiliteit;
10° Risico's in verband met deelneming aan het verkeer en het besturen van diverse voertuigtypes en in verband met het verschillende gezichtsveld van de bestuurders van deze voertuigen;
11° Reglementering met betrekking tot administratieve bescheiden in verband met het gebruik van het voertuig;
12° Algemene regels voor de door de bestuurder te volgen gedragslijn bij ongevallen en maatregelen die hij in voorkomend geval kan nemen om hulp te verlenen aan verkeersslachtoffers
13° Veiligheidseisen met betrekking tot het voertuig, de lading en de passagiers;
14° Voorzorgsmaatregelen bij het verlaten van het voertuig;
15° De mechanische onderdelen die voor de rijveiligheid van belang zijn : in staat zijn de meest voorkomende defecten te ontdekken, in het bijzonder aan de stuurinrichting, wielophanging, remmen, banden, verlichting en richtingaanwijzers, reflectoren, achteruitkijkspiegels, voorruit en ruitenwissers, uitlaatsysteem, veiligheidsgordels en geluidstoestel;
16° Veiligheidsinrichtingen van de voertuigen, met name gebruik van de veiligheidsgordels, hoofdsteunen en veiligheidsvoorzieningen voor kinderen;
17° Regels voor het milieuvriendelijke gebruik van het voertuig : alleen toeteren indien nodig, matig brandstofgebruik, beperking van uitlaatgassen;
18° Veiligheid in tunnels.
1° Wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968, en de wijzigingen van kracht op de dag van het examen;
2° Koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg en de wijzigingen van kracht op de dag van het examen;
3° Koninklijk besluit van 30 september 2005 tot aanwijzing van de overtredingen per graad van de algemene reglementen genomen in uitvoering van de wet betreffende de politie over het wegverkeer en de wijzigingen van kracht op de dag van het examen;
4° Belang van de oplettendheid en van de houding ten opzichte van andere weggebruikers;
5° Waarneming, beoordeling en reactie, met name reactietijd, en gedragsveranderingen bij de bestuurder ten gevolge van alcohol, drugs en geneesmiddelen, gemoedsgesteldheid en vermoeidheid;
6° De belangrijkste principes voor het bewaren van afstand, remafstand en wegligging van het voertuig in uiteenlopende weers- en wegomstandigheden;
7° Verkeersrisico's in verband met verschillende wegomstandigheden, in het bijzonder veranderingen ten gevolge van de weerstoestand en het tijdstip van de dag of de nacht;
8° Kenmerken van de verschillende soorten wegen en daarop betrekking hebbende wettelijke voorschriften;
9° Specifieke risico's in verband met de onervarenheid van andere weggebruikers en in verband met de kwetsbaarste categorieën van weggebruikers, zoals kinderen, voetgangers, fietsers en personen met beperkte mobiliteit;
10° Risico's in verband met deelneming aan het verkeer en het besturen van diverse voertuigtypes en in verband met het verschillende gezichtsveld van de bestuurders van deze voertuigen;
11° Reglementering met betrekking tot administratieve bescheiden in verband met het gebruik van het voertuig;
12° Algemene regels voor de door de bestuurder te volgen gedragslijn bij ongevallen en maatregelen die hij in voorkomend geval kan nemen om hulp te verlenen aan verkeersslachtoffers
13° Veiligheidseisen met betrekking tot het voertuig, de lading en de passagiers;
14° Voorzorgsmaatregelen bij het verlaten van het voertuig;
15° De mechanische onderdelen die voor de rijveiligheid van belang zijn : in staat zijn de meest voorkomende defecten te ontdekken, in het bijzonder aan de stuurinrichting, wielophanging, remmen, banden, verlichting en richtingaanwijzers, reflectoren, achteruitkijkspiegels, voorruit en ruitenwissers, uitlaatsysteem, veiligheidsgordels en geluidstoestel;
16° Veiligheidsinrichtingen van de voertuigen, met name gebruik van de veiligheidsgordels, hoofdsteunen en veiligheidsvoorzieningen voor kinderen;
17° Regels voor het milieuvriendelijke gebruik van het voertuig : alleen toeteren indien nodig, matig brandstofgebruik, beperking van uitlaatgassen;
18° Veiligheid in tunnels.
Art. 3.1.3. L'examen théorique visé à l'article 23, § 1er, 4°, de la loi porte sur la matière suivante :
1° Loi relative à la police de la circulation routière, coordonnée le 16 mars 1968, avec les modifications en vigueur au jour de l'examen;
2° Arrêté royal du 1er décembre 1975 portant règlement général sur la police de la circulation routière avec les modifications en vigueur au jour de l'examen;
3° Arrêté royal du 30 septembre 2005 désignant les infractions par degré aux règlements généraux pris en exécution de la loi relative à la police de la circulation routière avec les modifications en vigueur au jour de l'examen;
4° Importance de la vigilance et du comportement vis-à-vis des autres usagers;
5° Perception, évaluation et réaction, notamment le temps de réaction, et les modifications de comportements du conducteur liées aux effets de l'alcool, de drogues et de médicaments, des états émotionnels et de la fatigue;
6° Principes les plus importants afférents au respect des distances, à la distance de freinage et à la tenue de route du véhicule dans diverses conditions météorologiques et à l''état des chaussées;
7° Risques de conduite liés aux différents états de la chaussée et notamment aux variations liées aux conditions atmosphériques et à l'heure du jour ou de la nuit;
8° Caractéristiques des différents types de routes et prescriptions légales qui en découlent;
9° Risques spécifiques liés à l'inexpérience d'autres usagers de la route et à la participation à la circulation des catégories d'usagers les plus vulnérables tels que les enfants, les piétons, les cyclistes et les personnes à mobilité réduite;
10° Risques inhérents à la circulation et à la conduite de divers types de véhicules et aux différentes conditions de visibilité de leurs conducteurs;
11° Réglementation relative aux documents administratifs liés à l'utilisation du véhicule;
12° Règles générales déterminant le comportement que le conducteur doit adopter en cas d'accident et les mesures qu'il peut prendre, le cas échéant, pour venir en aide aux victimes d'accidents de la route;
13° Exigences de sécurité concernant le chargement du véhicule et les personnes transportées;
14° Précautions à prendre en quittant le véhicule;
15° Eléments mécaniques liés à la sécurité de la conduite : pouvoir détecter les défectuosités les plus courantes pouvant affecter notamment le système de direction, de suspension, de freinage, les pneus, les feux et les indicateurs de direction, les catadioptres, les rétroviseurs, le pare-brise et les essuie-glaces, le système d'échappement, les ceintures de sécurité et l'avertisseur sonore;
16° Equipements de sécurité des véhicules, notamment l'utilisation des ceintures de sécurité, des appui-têtes et des équipements de sécurité pour les enfants;
17° Règles d'utilisation du véhicule liées au respect de l'environnement : utilisation pertinente des avertisseurs sonores, consommation de carburant modérée, limitation des émissions polluantes;
18° Sécurité dans les tunnels.
1° Loi relative à la police de la circulation routière, coordonnée le 16 mars 1968, avec les modifications en vigueur au jour de l'examen;
2° Arrêté royal du 1er décembre 1975 portant règlement général sur la police de la circulation routière avec les modifications en vigueur au jour de l'examen;
3° Arrêté royal du 30 septembre 2005 désignant les infractions par degré aux règlements généraux pris en exécution de la loi relative à la police de la circulation routière avec les modifications en vigueur au jour de l'examen;
4° Importance de la vigilance et du comportement vis-à-vis des autres usagers;
5° Perception, évaluation et réaction, notamment le temps de réaction, et les modifications de comportements du conducteur liées aux effets de l'alcool, de drogues et de médicaments, des états émotionnels et de la fatigue;
6° Principes les plus importants afférents au respect des distances, à la distance de freinage et à la tenue de route du véhicule dans diverses conditions météorologiques et à l''état des chaussées;
7° Risques de conduite liés aux différents états de la chaussée et notamment aux variations liées aux conditions atmosphériques et à l'heure du jour ou de la nuit;
8° Caractéristiques des différents types de routes et prescriptions légales qui en découlent;
9° Risques spécifiques liés à l'inexpérience d'autres usagers de la route et à la participation à la circulation des catégories d'usagers les plus vulnérables tels que les enfants, les piétons, les cyclistes et les personnes à mobilité réduite;
10° Risques inhérents à la circulation et à la conduite de divers types de véhicules et aux différentes conditions de visibilité de leurs conducteurs;
11° Réglementation relative aux documents administratifs liés à l'utilisation du véhicule;
12° Règles générales déterminant le comportement que le conducteur doit adopter en cas d'accident et les mesures qu'il peut prendre, le cas échéant, pour venir en aide aux victimes d'accidents de la route;
13° Exigences de sécurité concernant le chargement du véhicule et les personnes transportées;
14° Précautions à prendre en quittant le véhicule;
15° Eléments mécaniques liés à la sécurité de la conduite : pouvoir détecter les défectuosités les plus courantes pouvant affecter notamment le système de direction, de suspension, de freinage, les pneus, les feux et les indicateurs de direction, les catadioptres, les rétroviseurs, le pare-brise et les essuie-glaces, le système d'échappement, les ceintures de sécurité et l'avertisseur sonore;
16° Equipements de sécurité des véhicules, notamment l'utilisation des ceintures de sécurité, des appui-têtes et des équipements de sécurité pour les enfants;
17° Règles d'utilisation du véhicule liées au respect de l'environnement : utilisation pertinente des avertisseurs sonores, consommation de carburant modérée, limitation des émissions polluantes;
18° Sécurité dans les tunnels.
Afdeling 3. - Deelname aan het examen
Section 2. - Participation à l'examen
Onderafdeling 1. - Alle categorieën van motorvoertuigen
Sous-section 1re. - Toutes les catégories de véhicules à moteur
Art. 3.1.4. Een kandidaat die het Nederlands of het Frans niet machtig is, mag het theoretisch examen afleggen, bijgestaan door een tolk voor de talen Duits of Engels die onder de beëdigde tolken wordt gekozen door het examencentrum. De tolk wordt in alle gevallen door de kandidaat vergoed en mag geen betrekking uitoefenen in een erkende rijschool of op welke wijze ook professionele scholing geven.
Kandidaten met een gehoorhandicap, namelijk dove of slechthorende kandidaten, kunnen zich laten bijstaan door een door het examencentrum aangewezen beëdigd doventolk. De tolk wordt in alle gevallen door de kandidaat vergoed. De tolk mag geen betrekking uitoefenen in een erkende rijschool of op welke wijze ook professionele scholing geven.
Deze examens mogen derwijze georganiseerd worden dat meerdere kandidaten die eenzelfde taal spreken en verstaan, kunnen samengebracht worden; het examen mag niet meer dan twee maanden na de inschrijving plaatshebben.
Kandidaten met een gehoorhandicap, namelijk dove of slechthorende kandidaten, kunnen zich laten bijstaan door een door het examencentrum aangewezen beëdigd doventolk. De tolk wordt in alle gevallen door de kandidaat vergoed. De tolk mag geen betrekking uitoefenen in een erkende rijschool of op welke wijze ook professionele scholing geven.
Deze examens mogen derwijze georganiseerd worden dat meerdere kandidaten die eenzelfde taal spreken en verstaan, kunnen samengebracht worden; het examen mag niet meer dan twee maanden na de inschrijving plaatshebben.
Art. 3.1.4. Un candidat qui ne maîtrise pas le néerlandais ou le français peut participer à l'examen théorique, avec l'assistance d'un interprète désigné parmi les interprètes-jurés par le centre d'examen pour l'allemand ou l'anglais. L'interprète est dans tous les cas rémunéré par le candidat et ne peut pas occuper un emploi dans une école de conduite agréée ni donner de formation à la conduite à titre professionnel sous quelle forme que ce soit.
Les candidats souffrant d'un handicap auditif, à savoir les candidats sourds ou malentendants, peuvent se faire assister par un interprète en langue des signes juré, désigné par le centre d'examen. Dans tous les cas, l'interprète est rémunéré par le candidat. L'interprète ne peut pas exercer un emploi dans une école de conduite agréée ni donner de formation à la conduite à titre professionnel de quelle manière que ce soit.
Ces examens peuvent être organisés de telle façon que plusieurs candidats qui parlent et comprennent une même langue puissent être groupés; l'examen ne peut avoir lieu plus de deux mois après l'inscription.
Les candidats souffrant d'un handicap auditif, à savoir les candidats sourds ou malentendants, peuvent se faire assister par un interprète en langue des signes juré, désigné par le centre d'examen. Dans tous les cas, l'interprète est rémunéré par le candidat. L'interprète ne peut pas exercer un emploi dans une école de conduite agréée ni donner de formation à la conduite à titre professionnel de quelle manière que ce soit.
Ces examens peuvent être organisés de telle façon que plusieurs candidats qui parlent et comprennent une même langue puissent être groupés; l'examen ne peut avoir lieu plus de deux mois après l'inscription.
Art. 3.1.5. De kandidaat schikt zich naar de aanwijzingen die hem tijdens het examen worden gegeven.
De kandidaat die door zijn gedrag de orde verstoort is niet geslaagd. De kandidaat wordt gedurende een periode van zes maanden uitgesloten van elke deelname aan het examen.
De kandidaat die betrapt wordt op bedrog of op poging tot bedrog is niet geslaagd. De kandidaat en de personen die hebben meegewerkt aan het bedrog of de poging tot bedrog worden gedurende een periode van één jaar uitgesloten van elke deelname aan het examen.
De kandidaat die door zijn gedrag de orde verstoort is niet geslaagd. De kandidaat wordt gedurende een periode van zes maanden uitgesloten van elke deelname aan het examen.
De kandidaat die betrapt wordt op bedrog of op poging tot bedrog is niet geslaagd. De kandidaat en de personen die hebben meegewerkt aan het bedrog of de poging tot bedrog worden gedurende een periode van één jaar uitgesloten van elke deelname aan het examen.
Art. 3.1.5. Le candidat se conforme aux indications qui lui sont données lors de l'examen.
Le candidat qui perturbe le déroulement de l'examen par son comportement échoue. Le candidat est exclu de toute participation à l'examen pour une période de six mois.
Le candidat qui est surpris à frauder ou en tentative de fraude échoue. Le candidat et les personnes qui ont contribué à la fraude ou à la tentative de fraude sont exclus de toute participation à l'examen pour une période d'un an.
Le candidat qui perturbe le déroulement de l'examen par son comportement échoue. Le candidat est exclu de toute participation à l'examen pour une période de six mois.
Le candidat qui est surpris à frauder ou en tentative de fraude échoue. Le candidat et les personnes qui ont contribué à la fraude ou à la tentative de fraude sont exclus de toute participation à l'examen pour une période d'un an.
Art. 3.1.6. De kandidaten waarvan het mentale of intellectuele vermogen of de graad van alfabetisme ontoereikend is, kunnen, op hun verzoek, het examen afleggen in een speciale zitting waarvan de nadere regels worden opgesteld door de examencentra, bedoeld in artikel 3.1.1. Deze regels worden onderworpen aan de goedkeuring van de Minister bevoegd voor Verkeersveiligheid.
De betrokkene levert het bewijs dat hij zich in een van deze gevallen bevindt door het voorleggen van, inzonderheid, een getuigschrift of attest van een centrum voor leerlingenbegeleiding, een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, een instituut voor buitengewoon onderwijs, een centrum voor observatie of begeleiding of een centrum voor beroepsoriëntering.
De betrokkene levert het bewijs dat hij zich in een van deze gevallen bevindt door het voorleggen van, inzonderheid, een getuigschrift of attest van een centrum voor leerlingenbegeleiding, een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, een instituut voor buitengewoon onderwijs, een centrum voor observatie of begeleiding of een centrum voor beroepsoriëntering.
Art. 3.1.6. Les candidats dont les facultés mentales ou intellectuelles, ou le niveau d'alphabétisation, sont insuffisants peuvent, à leur demande, passer l'examen en session spéciale, dont les modalités sont déterminées par les centres d'examen, visés à l'article 3.1.1. Ces modalités sont soumises à l'approbation du Ministre en charge de la Sécurité routière.
L'intéressé fournit la preuve qu'il se trouve dans l'un de ces cas, notamment, par la présentation d'un certificat ou d'une attestation d'un centre psycho-médicosocial, d'un centre public d'aide sociale, d'un institut d'enseignement spécialisé, d'un centre d'observation et de guidance ou d'un centre d'orientation professionnelle.
L'intéressé fournit la preuve qu'il se trouve dans l'un de ces cas, notamment, par la présentation d'un certificat ou d'une attestation d'un centre psycho-médicosocial, d'un centre public d'aide sociale, d'un institut d'enseignement spécialisé, d'un centre d'observation et de guidance ou d'un centre d'orientation professionnelle.
Onderafdeling 2. - Categorie van motorvoertuigen B
Sous-section 2. - Catégorie des véhicules à moteur B
Art. 3.1.7. De kandidaat mag deelnemen aan het theoretisch examen vanaf de leeftijd van 17 jaar.
Art. 3.1.7. Le candidat peut participer à l'examen théorique dès l'âge de 17 ans.
Art. 3.1.8. Om aan het examen deel te nemen, legt de kandidaat een van de documenten voor die opgesomd zijn in artikel 3, § 1, van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.
Art. 3.1.8. Pour participer à l'examen, le candidat présente un des documents énumérés à l'article 3, § 1er, de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire.
Afdeling 3. - Wijze van het afnemen en beoordelen van het examen
Section 3. - Passage et évaluation de l'examen
Onderafdeling 1. - Categorie van motorvoertuigen B
Sous-section 1re. - Catégorie de véhicules à moteur B
Art. 3.1.9. Het theoretisch examen wordt afgelegd in de vorm van een computergestuurd examen.
Art. 3.1.9. L'examen théorique est passé sous la forme d'un examen sur ordinateur.
Art. 3.1.10. De inschrijving voor en de beoordeling van het theoretisch examen gebeuren volgens de nadere regels opgesteld door de examencentra, bedoeld in artikel 3.1.1, en onderworpen aan de goedkeuring van de Minister bevoegd voor Verkeersveiligheid.
Art. 3.1.10. L'inscription et l'évaluation de l'examen théorique ont lieu suivant les modalités déterminées par les centres d'examen, visés à l'article 3.1.1, et soumises à l'approbation du Ministre en charge de la Sécurité routière.
Art. 3.1.11. De examinator of de aangestelde van de instelling bevestigt het geslaagd zijn voor het theoretisch examen op de aanvraag om een rijbewijs of op de aanvraag om een voorlopig rijbewijs.
Art. 3.1.11. L'examinateur ou le préposé de l'organisme atteste la réussite de l'examen théorique pour la demande de permis de conduire ou pour la demande de permis de conduire provisoire.
Art. 3.1.12. Het theoretisch examen wordt beoordeeld op 50 punten. Om te slagen moet de kandidaat minstens 41 punten behalen.
De kandidaat is niet geslaagd als hij ten minste twee verkeerde antwoorden geeft op vragen die betrekking hebben op de overtredingen van de derde of vierde graad, vermeld in de artikelen 3 en 4 van het koninklijk besluit van 30 september 2005 tot aanwijzing van de overtredingen per graad van de algemene reglementen genomen ter uitvoering van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, of die betrekking hebben op het overschrijden van de toegelaten maximumsnelheid, bepaald in de reglementen die zijn uitgevaardigd op grond van de wet.
De kandidaat is niet geslaagd als hij ten minste twee verkeerde antwoorden geeft op vragen die betrekking hebben op de overtredingen van de derde of vierde graad, vermeld in de artikelen 3 en 4 van het koninklijk besluit van 30 september 2005 tot aanwijzing van de overtredingen per graad van de algemene reglementen genomen ter uitvoering van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, of die betrekking hebben op het overschrijden van de toegelaten maximumsnelheid, bepaald in de reglementen die zijn uitgevaardigd op grond van de wet.
Art. 3.1.12. L'examen théorique est évalué sur 50 points. Pour réussir, le candidat doit obtenir au moins 41 points.
Le candidat n'a pas réussi s'il donne au moins deux fausses réponses aux questions portant sur les infractions des troisième ou quatrième degrés, visées aux articles 3 et 4 de l'arrêté royal du 30 septembre 2005 désignant les infractions par degré aux règlements généraux pris en exécution de la loi relative à la police de la circulation routière ou portant sur le dépassement de la vitesse maximale autorisée, fixée dans les règlements pris en exécution de la loi.
Le candidat n'a pas réussi s'il donne au moins deux fausses réponses aux questions portant sur les infractions des troisième ou quatrième degrés, visées aux articles 3 et 4 de l'arrêté royal du 30 septembre 2005 désignant les infractions par degré aux règlements généraux pris en exécution de la loi relative à la police de la circulation routière ou portant sur le dépassement de la vitesse maximale autorisée, fixée dans les règlements pris en exécution de la loi.
Art. 3.1.13. Telkens de kandidaat twee opeenvolgende keren niet slaagt voor het theoretisch examen, volgt hij de door een rijschool verstrekte theoretische scholing, bedoeld in de artikelen 2.1.1 en 2.1.2, vooraleer hij kan worden toegelaten tot een volgend theoretisch examen. De kandidaat mag slechts een nieuw theoretisch examen afleggen na het volgen van deze theoretische scholing en op vertoon van het getuigschrift van theoretische scholing afgegeven door een rijschool.
De in het eerste lid voorgeschreven verplichting is niet van toepassing op :
1° de kandidaten die een attest van een keel-, neus- en oorarts voorleggen waarin bevestigd wordt dat ze een zodanige gehoorhandicap hebben dat ze de scholing bedoeld in het eerste lid niet in normale omstandigheden kunnen volgen;
2° de kandidaten bedoeld in artikel 3.1.6.
De in het eerste lid voorgeschreven verplichting is niet van toepassing op :
1° de kandidaten die een attest van een keel-, neus- en oorarts voorleggen waarin bevestigd wordt dat ze een zodanige gehoorhandicap hebben dat ze de scholing bedoeld in het eerste lid niet in normale omstandigheden kunnen volgen;
2° de kandidaten bedoeld in artikel 3.1.6.
Art. 3.1.13. Chaque fois que le candidat échoue à deux reprises consécutives à l'examen théorique, il suit l'enseignement théorique dispensé par une école de conduite, visé aux articles 2.1.1 et 2.1.2, avant de pouvoir être admis à un prochain examen théorique. Le candidat peut seulement passer un nouvel examen théorique après avoir suivi cet enseignement théorique et sur présentation du certificat d'enseignement théorique délivré par une école de conduite.
L'obligation prévue à l'alinéa 1er ne s'applique pas :
1° aux candidats qui produisent un certificat d'un médecin oto-rhino-laryngologiste attestant qu'ils présentent un handicap de l'ouïe tel qu'ils ne peuvent suivre l'enseignement visé à l'alinéa 1er dans des conditions normales;
2° aux candidats visés à l'article 3.1.6.
L'obligation prévue à l'alinéa 1er ne s'applique pas :
1° aux candidats qui produisent un certificat d'un médecin oto-rhino-laryngologiste attestant qu'ils présentent un handicap de l'ouïe tel qu'ils ne peuvent suivre l'enseignement visé à l'alinéa 1er dans des conditions normales;
2° aux candidats visés à l'article 3.1.6.
HOOFDSTUK 2. - Praktisch examen
CHAPITRE 2. - Examen pratique
Afdeling 1. - Plaats voor het afleggen van examen
Section 1re. - Lieu où se déroule l'examen
Onderafdeling 1. - Categorie van motorvoertuigen B
Sous-section 1re. - Catégorie des véhicules à moteur B
Art. 3.2.1. § 1. Het praktisch examen bedoeld in artikel 23, § 1, 2°, van de wet, wordt afgelegd in de examencentra georganiseerd door de instellingen voor de automobielinspectie erkend overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 23 december 1994 tot vaststelling van de erkenningsvoorwaarden en de regeling van de administratieve controle van de instellingen belast met de controle van de in verkeer gebrachte voertuigen.
§ 2. De kandidaten leggen het praktisch examen af ten overstaan van examinatoren, bedoeld in het artikel 26 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.
§ 2. De kandidaten leggen het praktisch examen af ten overstaan van examinatoren, bedoeld in het artikel 26 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.
Art. 3.2.1. § 1er. L'examen pratique visé à l'article 23, § 1er, 2°, de la loi, est passé dans les centres d'examen organisés par les organismes d'inspection automobile agréés conformément aux dispositions de l'arrêté royal du 23 décembre 1994 portant détermination des conditions d'agrément et des règles du contrôle administratif des organismes chargés du contrôle des véhicules en circulation.
§ 2. Les candidats passent l'examen pratique devant les examinateurs visés à l'article 26 de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire.
§ 2. Les candidats passent l'examen pratique devant les examinateurs visés à l'article 26 de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire.
Afdeling 2. - Examenstof
Section 2. - Matière d'examen
Onderafdeling 1. - Categorie van motorvoertuigen B
Sous-section 1re. - Catégorie des véhicules à moteur B
Art. 3.2.2. Het praktisch examen bepaald in artikel 23, § 1, 2°, van de wet bestaat uit een proef op de openbare weg en gaat over de volgende punten :
1° Wegrijden na een stop in het verkeer, verlaten van een oprit;
2° Rijden op rechte wegen, tegenliggers kruisen, ook bij wegversmallingen;
3° Rijden door bochten;
4° Oprijden en verlaten van snelwegen of vergelijkbare wegen, zo mogelijk;
5° Inhalen en voorbijrijden : inhalen van andere voertuigen, obstakels voorbijrijden, ingehaald worden;
6° Speciale verkeersinrichtingen, waaronder : rotondes, overwegen, tram- of bushaltes, voetgangersoversteekplaatsen, stijgende of dalende weg over een lange afstand, tunnels;
7° Beheersing van het voertuig : correct gebruik van de achteruitkijkspiegels en de lichten, correct gebruik van de koppeling, versnellingsbak, gaspedaal, reminrichting, hoofdsteun, zitplaats, stuurinrichting;
8° Zuinig en energie-efficiënt rijden : letten op het motorregime en het schakelen, remmen en versnellen;
9° Goed kijken : rondom kijken, correct gebruik van de achteruitkijkspiegels; dichtbij, verder weg, ver kijken;
10° Voorrang verlenen op kruispunten en overwegen, bij het veranderen van richting of rijstrook en bij manoeuvres; naderen en oversteken van kruispunten;
11° Juiste positie op de weg, de rijstroken, de rotondes en door bochten, volgens het type en de eigenschappen van het voertuig; voorsorteren;
12° Veilige afstand : voldoende afstand bewaren voor en naast het voertuig, voldoende afstand bewaren ten opzichte van de andere weggebruikers;
13° Snelheidsbeperkingen;
14° Verkeerstekens en instructies van verkeersagenten;
15° Het geven van signalen : signalen geven op de juiste momenten; correct reageren op signalen van andere weggebruikers;
16° Remmen en stoppen : tijdig gas minderen, afremmen of stoppen, waarbij rekening moet worden gehouden met de omstandigheden; anticipatievermogen;
17° Zelfstandig rijden;
18° De volgende manoeuvres worden op de openbare weg uitgevoerd :
a) Voorafgaande controles.
1° Verstellen van de zitplaats van de bestuurder voor een juiste zithouding;
2° Afstellen van de achteruitkijkspiegels, veiligheidsgordel en hoofdsteun;
3° Nakijken of de portieren goed gesloten zijn;
4° Banden, remmen, stuurinrichting, vloeistoffen, lichten, verluchting, richtingaanwijzers en geluidstoestel worden steekproefsgewijze gecontroleerd;
5° De nodige voorzorgsmaatregelen nemen bij het verlaten van het voertuig;
b) Keren in een smalle straat;
c) Parkeren achter een voertuig.
1° Wegrijden na een stop in het verkeer, verlaten van een oprit;
2° Rijden op rechte wegen, tegenliggers kruisen, ook bij wegversmallingen;
3° Rijden door bochten;
4° Oprijden en verlaten van snelwegen of vergelijkbare wegen, zo mogelijk;
5° Inhalen en voorbijrijden : inhalen van andere voertuigen, obstakels voorbijrijden, ingehaald worden;
6° Speciale verkeersinrichtingen, waaronder : rotondes, overwegen, tram- of bushaltes, voetgangersoversteekplaatsen, stijgende of dalende weg over een lange afstand, tunnels;
7° Beheersing van het voertuig : correct gebruik van de achteruitkijkspiegels en de lichten, correct gebruik van de koppeling, versnellingsbak, gaspedaal, reminrichting, hoofdsteun, zitplaats, stuurinrichting;
8° Zuinig en energie-efficiënt rijden : letten op het motorregime en het schakelen, remmen en versnellen;
9° Goed kijken : rondom kijken, correct gebruik van de achteruitkijkspiegels; dichtbij, verder weg, ver kijken;
10° Voorrang verlenen op kruispunten en overwegen, bij het veranderen van richting of rijstrook en bij manoeuvres; naderen en oversteken van kruispunten;
11° Juiste positie op de weg, de rijstroken, de rotondes en door bochten, volgens het type en de eigenschappen van het voertuig; voorsorteren;
12° Veilige afstand : voldoende afstand bewaren voor en naast het voertuig, voldoende afstand bewaren ten opzichte van de andere weggebruikers;
13° Snelheidsbeperkingen;
14° Verkeerstekens en instructies van verkeersagenten;
15° Het geven van signalen : signalen geven op de juiste momenten; correct reageren op signalen van andere weggebruikers;
16° Remmen en stoppen : tijdig gas minderen, afremmen of stoppen, waarbij rekening moet worden gehouden met de omstandigheden; anticipatievermogen;
17° Zelfstandig rijden;
18° De volgende manoeuvres worden op de openbare weg uitgevoerd :
a) Voorafgaande controles.
1° Verstellen van de zitplaats van de bestuurder voor een juiste zithouding;
2° Afstellen van de achteruitkijkspiegels, veiligheidsgordel en hoofdsteun;
3° Nakijken of de portieren goed gesloten zijn;
4° Banden, remmen, stuurinrichting, vloeistoffen, lichten, verluchting, richtingaanwijzers en geluidstoestel worden steekproefsgewijze gecontroleerd;
5° De nodige voorzorgsmaatregelen nemen bij het verlaten van het voertuig;
b) Keren in een smalle straat;
c) Parkeren achter een voertuig.
Art. 3.2.2. L'examen pratique visé à l'article 23, § 1er, 2°, de la loi consiste en une épreuve sur la voie publique et porte sur les points suivants :
1° Repartir après un arrêt dans la circulation, sortir d'une voie privée;
2° Emprunter des routes droites, croiser des véhicules, y compris dans des passages étroits;
3° Négocier des virages;
4° Approche et sortie d'autoroutes ou d'axes analogues, dans la mesure du possible;
5° Dépasser et croiser : dépassement d'autres véhicules, dépassement d'obstacles, être dépassé;
6° Aménagements routiers particuliers, notamment : ronds-points, passages à niveaux, arrêts de tramway ou d'autobus, passages pour piétons, pentes prolongées en montée ou en descente, tunnels;
7° Maîtrise du véhicule : utilisation correcte des rétroviseurs et des feux; utilisation correcte de l'embrayage, de la boîte de vitesses, de l'accélérateur, des systèmes de freinage, de la ceinture de sécurité, de l'appui-tête, du siège, de la direction;
8° Conduite de manière économique et efficace du point de vue énergétique, en tenant compte du régime du moteur, des rapports, du freinage et de l'accélération;
9° Capacité d'observation : observation panoramique; utilisation correcte des rétroviseurs; vision proche, moyenne et lointaine;
10° Donner la priorité et céder le passage aux carrefours et aux passages à niveau, en cas de changement de direction ou de bande de circulation et de manoeuvres; approche et franchissement de carrefours;
11° Position correcte sur la route, les bandes de circulation, les ronds-points et dans les virages, en fonction du type et des caractéristiques du véhicule; prépositionnement;
12° Distance de sécurité : maintien d'une distance suffisante à l'avant et à côté du véhicule, maintien d'une distance suffisante par rapport aux autres usagers de la route;
13° Limitations de vitesse;
14° Signalisation routière et indications des agents réglant la circulation;
15° Signalisation : donner en temps utile les signaux nécessaires et corrects; réagir correctement aux signaux donnés par les autres usagers de la route;
16° Freiner et s'arrêter : ralentir à temps, freiner ou s'arrêter en fonction des circonstances; capacité d'anticipation;
17° Conduite indépendante;
18° Les manoeuvres suivantes sont exécutées sur la voie publique :
a) Contrôles préalables.
1° Régler le siège du conducteur afin d'obtenir une position assise correcte;
2° Régler les rétroviseurs, les ceintures de sécurité et l'appui-tête;
3° S'assurer que les portes sont fermées;
4° Contrôle aléatoire de l'état des pneus, des freins, de la direction, des fluides, des feux, de la ventilation, des indicateurs de direction et de l'avertisseur sonore;
5° Prendre les précautions nécessaires avant de descendre du véhicule;
b) Demi-tour dans une rue étroite;
c) Stationnement derrière un véhicule.
1° Repartir après un arrêt dans la circulation, sortir d'une voie privée;
2° Emprunter des routes droites, croiser des véhicules, y compris dans des passages étroits;
3° Négocier des virages;
4° Approche et sortie d'autoroutes ou d'axes analogues, dans la mesure du possible;
5° Dépasser et croiser : dépassement d'autres véhicules, dépassement d'obstacles, être dépassé;
6° Aménagements routiers particuliers, notamment : ronds-points, passages à niveaux, arrêts de tramway ou d'autobus, passages pour piétons, pentes prolongées en montée ou en descente, tunnels;
7° Maîtrise du véhicule : utilisation correcte des rétroviseurs et des feux; utilisation correcte de l'embrayage, de la boîte de vitesses, de l'accélérateur, des systèmes de freinage, de la ceinture de sécurité, de l'appui-tête, du siège, de la direction;
8° Conduite de manière économique et efficace du point de vue énergétique, en tenant compte du régime du moteur, des rapports, du freinage et de l'accélération;
9° Capacité d'observation : observation panoramique; utilisation correcte des rétroviseurs; vision proche, moyenne et lointaine;
10° Donner la priorité et céder le passage aux carrefours et aux passages à niveau, en cas de changement de direction ou de bande de circulation et de manoeuvres; approche et franchissement de carrefours;
11° Position correcte sur la route, les bandes de circulation, les ronds-points et dans les virages, en fonction du type et des caractéristiques du véhicule; prépositionnement;
12° Distance de sécurité : maintien d'une distance suffisante à l'avant et à côté du véhicule, maintien d'une distance suffisante par rapport aux autres usagers de la route;
13° Limitations de vitesse;
14° Signalisation routière et indications des agents réglant la circulation;
15° Signalisation : donner en temps utile les signaux nécessaires et corrects; réagir correctement aux signaux donnés par les autres usagers de la route;
16° Freiner et s'arrêter : ralentir à temps, freiner ou s'arrêter en fonction des circonstances; capacité d'anticipation;
17° Conduite indépendante;
18° Les manoeuvres suivantes sont exécutées sur la voie publique :
a) Contrôles préalables.
1° Régler le siège du conducteur afin d'obtenir une position assise correcte;
2° Régler les rétroviseurs, les ceintures de sécurité et l'appui-tête;
3° S'assurer que les portes sont fermées;
4° Contrôle aléatoire de l'état des pneus, des freins, de la direction, des fluides, des feux, de la ventilation, des indicateurs de direction et de l'avertisseur sonore;
5° Prendre les précautions nécessaires avant de descendre du véhicule;
b) Demi-tour dans une rue étroite;
c) Stationnement derrière un véhicule.
Afdeling 3. - Deelname aan het examen
Section 3. - Participation à l'examen
Onderafdeling 1. - Alle categorieën van motorvoertuigen
Sous-section 1re. - Toutes les catégories de véhicules à moteur
Art. 3.2.3. Een kandidaat die het Nederlands of Frans niet machtig is, mag het praktisch examen afleggen, bijgestaan door een tolk voor de talen Duits of Engels die door hem onder de beëdigde tolken wordt gekozen. De tolk wordt in alle gevallen door de kandidaat vergoed en mag geen betrekking uitoefenen in een erkende rijschool of op welke wijze ook professionele scholing geven.
Kandidaten met een gehoorhandicap, namelijk dove of slechthorende kandidaten, kunnen zich laten bijstaan door een door hen gekozen beëdigd doventolk. De tolk wordt in alle gevallen door de kandidaat vergoed en mag geen betrekking uitoefenen in een erkende rijschool of op welke wijze ook professionele scholing geven.
Kandidaten met een gehoorhandicap, namelijk dove of slechthorende kandidaten, kunnen zich laten bijstaan door een door hen gekozen beëdigd doventolk. De tolk wordt in alle gevallen door de kandidaat vergoed en mag geen betrekking uitoefenen in een erkende rijschool of op welke wijze ook professionele scholing geven.
Art. 3.2.3. Un candidat qui ne maîtrise pas le néerlandais ou le français, peut participer à l'examen pratique, avec l'assistance d'un interprète désigné parmi les interprètes jurés par lui pour l'allemand ou l'anglais. L'interprète est dans tous les cas rémunéré par le candidat et ne peut pas occuper un emploi dans une école de conduite agréée ni donner de formation à la conduite à titre professionnel de quelle manière que ce soit.
Les candidats souffrant d'un handicap auditif, à savoir les candidats sourds ou malentendants, peuvent se faire assister par un interprète en langue des signes juré de leur choix.. Dans tous les cas, l'interprète est rémunéré par le candidat. L'interprète ne peut pas exercer un emploi dans une école de conduite agréée ni donner de formation à la conduite à titre professionnel de quelle manière que ce soit.
Les candidats souffrant d'un handicap auditif, à savoir les candidats sourds ou malentendants, peuvent se faire assister par un interprète en langue des signes juré de leur choix.. Dans tous les cas, l'interprète est rémunéré par le candidat. L'interprète ne peut pas exercer un emploi dans une école de conduite agréée ni donner de formation à la conduite à titre professionnel de quelle manière que ce soit.
Onderafdeling 2. - Categorie van motorvoertuigen B
Sous-section 2. - Catégorie des véhicules à moteur B
Art. 3.2.4. § 1. De kandidaat voor het rijbewijs B mag deelnemen aan het praktisch examen vanaf de leeftijd van 18 jaar.
§ 2. De kandidaat moet sinds minder dan drie jaar geslaagd zijn voor het theoretisch examen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, bedoeld in titel 3, hoofdstuk 1 van dit besluit, of ervan vrijgesteld zijn krachtens artikel 28 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.
§ 3. De kandidaat moet voldoen aan de verplichtingen inzake de stageperiode bedoeld in artikel 2.2.4 tot en met 2.2.7 en de EHBO-opleiding bedoeld in artikel 2.2.14.
§ 4. Het examen wordt afgelegd met een voertuig van de categorie waarvoor het rijbewijs wordt aangevraagd. Het voertuig voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 2.2.2.
§ 5. Wanneer de kandidaat zich aanbiedt met een instructeur van een rijschool dan legt hij het examen af met een scholingsvoertuig van de rijschool dat voldoet aan de voorwaarden bepaald in het koninklijk besluit van 11 mei 2004 betreffende de voorwaarden voor erkenning van scholen voor het besturen van motorvoertuigen.
De kandidaat die geen houder is van een geldig voorlopig rijbewijs B legt het praktisch examen af onder de voorwaarden bedoeld in het eerste lid.
§ 6. De kandidaat die betrapt wordt op bedrog of op poging tot bedrog is niet geslaagd. De kandidaat en de personen die hebben meegewerkt aan het bedrog of de poging tot bedrog worden gedurende een periode van één jaar uitgesloten van elke deelname aan het examen.
§ 2. De kandidaat moet sinds minder dan drie jaar geslaagd zijn voor het theoretisch examen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, bedoeld in titel 3, hoofdstuk 1 van dit besluit, of ervan vrijgesteld zijn krachtens artikel 28 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.
§ 3. De kandidaat moet voldoen aan de verplichtingen inzake de stageperiode bedoeld in artikel 2.2.4 tot en met 2.2.7 en de EHBO-opleiding bedoeld in artikel 2.2.14.
§ 4. Het examen wordt afgelegd met een voertuig van de categorie waarvoor het rijbewijs wordt aangevraagd. Het voertuig voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 2.2.2.
§ 5. Wanneer de kandidaat zich aanbiedt met een instructeur van een rijschool dan legt hij het examen af met een scholingsvoertuig van de rijschool dat voldoet aan de voorwaarden bepaald in het koninklijk besluit van 11 mei 2004 betreffende de voorwaarden voor erkenning van scholen voor het besturen van motorvoertuigen.
De kandidaat die geen houder is van een geldig voorlopig rijbewijs B legt het praktisch examen af onder de voorwaarden bedoeld in het eerste lid.
§ 6. De kandidaat die betrapt wordt op bedrog of op poging tot bedrog is niet geslaagd. De kandidaat en de personen die hebben meegewerkt aan het bedrog of de poging tot bedrog worden gedurende een periode van één jaar uitgesloten van elke deelname aan het examen.
Art. 3.2.4. § 1er. Le candidat au permis de conduire B peut participer à l'examen pratique à partir de l'âge de 18 ans.
§ 2. Le candidat doit avoir réussi l'examen théorique de la Région de Bruxelles-Capitale, visé au titre 3, chapitre 1er, de cet arrêté, depuis moins de trois ans ou en être dispensé en vertu de l'article 28 de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire.
§ 3. Le candidat doit remplir les obligations relatives à la période de stage visée aux articles 2.2.4 à 2.2.7 et la formation aux premiers secours visée à l'article 2.2.14.
§ 4. L'examen pratique est réalisé avec un véhicule de la catégorie qui fait l'objet de la demande de permis de conduire. Le véhicule satisfait aux conditions déterminées à l'article 2.2.2.
§ 5. Lorsqu'un candidat se présente avec un moniteur d'une école de conduite, il exécute l'examen avec un véhicule d'enseignement de l'école de conduite qui satisfait aux conditions visées dans l'arrêté royal du 11 mai 2004 relatif aux conditions d'agrément des écoles de conduite des véhicules à moteur.
Le candidat qui n'est pas titulaire d'un permis de conduire provisoire B valable passe l'examen pratique aux conditions visées à l'alinéa 1er.
§ 6. Le candidat qui est surpris à frauder ou en tentative de fraude échoue. Le candidat et les personnes qui ont contribué à la fraude ou à la tentative de fraude sont exclus de toute nouvelle participation à l'examen pour une période d'un an.
§ 2. Le candidat doit avoir réussi l'examen théorique de la Région de Bruxelles-Capitale, visé au titre 3, chapitre 1er, de cet arrêté, depuis moins de trois ans ou en être dispensé en vertu de l'article 28 de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire.
§ 3. Le candidat doit remplir les obligations relatives à la période de stage visée aux articles 2.2.4 à 2.2.7 et la formation aux premiers secours visée à l'article 2.2.14.
§ 4. L'examen pratique est réalisé avec un véhicule de la catégorie qui fait l'objet de la demande de permis de conduire. Le véhicule satisfait aux conditions déterminées à l'article 2.2.2.
§ 5. Lorsqu'un candidat se présente avec un moniteur d'une école de conduite, il exécute l'examen avec un véhicule d'enseignement de l'école de conduite qui satisfait aux conditions visées dans l'arrêté royal du 11 mai 2004 relatif aux conditions d'agrément des écoles de conduite des véhicules à moteur.
Le candidat qui n'est pas titulaire d'un permis de conduire provisoire B valable passe l'examen pratique aux conditions visées à l'alinéa 1er.
§ 6. Le candidat qui est surpris à frauder ou en tentative de fraude échoue. Le candidat et les personnes qui ont contribué à la fraude ou à la tentative de fraude sont exclus de toute nouvelle participation à l'examen pour une période d'un an.
Art. 3.2.5. Telkens de kandidaat twee opeenvolgende keren niet slaagt voor het praktisch examen, volgt hij minimum zes uren praktische scholing aan een rijschool vooraleer hij kan worden toegelaten tot een volgend praktisch examen.
De kandidaat mag slechts een nieuw praktisch examen afleggen na het volgen van deze praktische scholing en op vertoon van het getuigschrift van praktische scholing afgegeven door een rijschool.
De mislukkingen voor het praktisch examen die vóór de afgifte van het voorlopig rijbewijs bedoeld in artikel 5/1, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit van 10 juli 2006 betreffende het rijbewijs voor voertuigen van categorie B werden afgelegd, worden niet meegerekend.
De kandidaat mag slechts een nieuw praktisch examen afleggen na het volgen van deze praktische scholing en op vertoon van het getuigschrift van praktische scholing afgegeven door een rijschool.
De mislukkingen voor het praktisch examen die vóór de afgifte van het voorlopig rijbewijs bedoeld in artikel 5/1, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit van 10 juli 2006 betreffende het rijbewijs voor voertuigen van categorie B werden afgelegd, worden niet meegerekend.
Art. 3.2.5. Chaque fois que le candidat échoue à deux reprises consécutives à l'examen pratique, il suit au minimum six heures d'enseignement pratique auprès d'une école de conduite avant de pouvoir être admis à un prochain examen pratique.
Le candidat peut seulement passer un nouvel examen pratique après avoir suivi cet enseignement pratique et sur présentation du certificat d'enseignement pratique délivré par une école de conduite
Toutefois, les échecs à l'examen pratique subis avant la délivrance du permis de conduire provisoire visé à l'article 5/1, § 1er, alinéa 2, de l'arrêté royal du 10 juillet 2006 relatif au permis de conduire pour les véhicules de la catégorie B n'entrent pas en ligne de compte.
Le candidat peut seulement passer un nouvel examen pratique après avoir suivi cet enseignement pratique et sur présentation du certificat d'enseignement pratique délivré par une école de conduite
Toutefois, les échecs à l'examen pratique subis avant la délivrance du permis de conduire provisoire visé à l'article 5/1, § 1er, alinéa 2, de l'arrêté royal du 10 juillet 2006 relatif au permis de conduire pour les véhicules de la catégorie B n'entrent pas en ligne de compte.
Art. 3.2.6. Om toegelaten te worden tot het praktisch examen voor het behalen van een rijbewijs, legt de kandidaat voor :
1° één der documenten bedoeld in artikel 3, § 1, van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs;
2° een getuigschrift van praktische scholing afgegeven door een rijschool met vermelding van het aantal gevolgde uren in geval de kandidaat het scholingstraject bedoeld in artikel 2.2.7 volgt. Het getuigschrift van praktische scholing is, in voorkomend geval, vergezeld van een getuigschrift van scholing bedoeld in de artikelen 2.2.10 en 2.2.11.
3° het nog geldige voorlopige rijbewijs en het getuigschrift van praktische scholing afgegeven door een rijschool met vermelding van het aantal gevolgde uren. Het voorlopige rijbewijs is, in voorkomend geval, vergezeld van een getuigschrift van scholing bedoeld in de artikelen 2.2.10 en 2.2.11;
4° het verzekeringsbewijs inzake de burgerlijke aansprakelijkheid voor het voertuig waarmee hij zich aanbiedt;
5° het inschrijvingsbewijs van het voertuig en het groene keuringsbewijs van het voertuig als dat onderworpen is aan de technische controle;
6° in voorkomend geval, het logboek bedoeld in artikelen 2.2.4 tot en met 2.2.6;
7° het attest van de EHBO-opleiding bedoeld in artikel 2.2.14;
8° het attest van het slagen in het theoretisch examen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, bedoeld in titel 3, hoofdstuk 1 van dit besluit tenzij een vrijstelling geldt krachtens artikel 28 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.
9° in voorkomend geval, het Belgische of Europese rijbewijs van de begeleider, geldig voor het besturen van het voertuig waarmee het praktisch examen plaats heeft alsook het document bedoeld in artikel 3, § 1 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs waarvan de begeleider houder is.
1° één der documenten bedoeld in artikel 3, § 1, van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs;
2° een getuigschrift van praktische scholing afgegeven door een rijschool met vermelding van het aantal gevolgde uren in geval de kandidaat het scholingstraject bedoeld in artikel 2.2.7 volgt. Het getuigschrift van praktische scholing is, in voorkomend geval, vergezeld van een getuigschrift van scholing bedoeld in de artikelen 2.2.10 en 2.2.11.
3° het nog geldige voorlopige rijbewijs en het getuigschrift van praktische scholing afgegeven door een rijschool met vermelding van het aantal gevolgde uren. Het voorlopige rijbewijs is, in voorkomend geval, vergezeld van een getuigschrift van scholing bedoeld in de artikelen 2.2.10 en 2.2.11;
4° het verzekeringsbewijs inzake de burgerlijke aansprakelijkheid voor het voertuig waarmee hij zich aanbiedt;
5° het inschrijvingsbewijs van het voertuig en het groene keuringsbewijs van het voertuig als dat onderworpen is aan de technische controle;
6° in voorkomend geval, het logboek bedoeld in artikelen 2.2.4 tot en met 2.2.6;
7° het attest van de EHBO-opleiding bedoeld in artikel 2.2.14;
8° het attest van het slagen in het theoretisch examen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, bedoeld in titel 3, hoofdstuk 1 van dit besluit tenzij een vrijstelling geldt krachtens artikel 28 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.
9° in voorkomend geval, het Belgische of Europese rijbewijs van de begeleider, geldig voor het besturen van het voertuig waarmee het praktisch examen plaats heeft alsook het document bedoeld in artikel 3, § 1 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs waarvan de begeleider houder is.
Art. 3.2.6. Pour être admis à l'examen pratique en vue d'obtenir un permis de conduire, le candidat présente :
1° un des documents visés à l'article 3, § 1er, de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire;
2° un certificat d'enseignement pratique délivré par une école de conduite avec l'indication du nombre d'heures qu'il a suivies, si le candidat suit le parcours d'enseignement visé à l'article 2.2.7. Le certificat d'enseignement pratique est, le cas échéant, accompagné d'un certificat d'enseignement visé aux articles 2.2.10 et 2.2.11.
3° le permis de conduire provisoire en cours de validité et un certificat d'enseignement pratique délivré par une école de conduite avec l'indication du nombre d'heures qu'il a suivi. Le permis de conduire provisoire est, le cas échéant, accompagné d'un certificat d'enseignement visé aux articles 2.2.10 et 2.2.11;
4° la preuve d'assurance de la responsabilité civile pour le véhicule avec lequel il se présente;
5° le certificat d'immatriculation du véhicule et le certificat de visite, de couleur verte, du véhicule si ce dernier est soumis au contrôle technique;
6° le cas échéant, le journal de bord visé aux articles 2.2.4 à 2.2.6;
7° l'attestation à la formation aux premiers secours visée à l'article 2.2.14;
8° l'attestation de réussite de l'examen théorique de la Région de Bruxelles-Capitale, visée au titre 3, chapitre 1er, de cet arrêté, sauf dispense en vertu de l'article 28 de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire;
9° le cas échéant, le permis de conduire belge ou européen du guide, valable pour la conduite du véhicule à bord duquel a lieu l'examen pratique ainsi que le document visé à l'article 3, § 1er, de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire dont est titulaire l'accompagnateur.
1° un des documents visés à l'article 3, § 1er, de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire;
2° un certificat d'enseignement pratique délivré par une école de conduite avec l'indication du nombre d'heures qu'il a suivies, si le candidat suit le parcours d'enseignement visé à l'article 2.2.7. Le certificat d'enseignement pratique est, le cas échéant, accompagné d'un certificat d'enseignement visé aux articles 2.2.10 et 2.2.11.
3° le permis de conduire provisoire en cours de validité et un certificat d'enseignement pratique délivré par une école de conduite avec l'indication du nombre d'heures qu'il a suivi. Le permis de conduire provisoire est, le cas échéant, accompagné d'un certificat d'enseignement visé aux articles 2.2.10 et 2.2.11;
4° la preuve d'assurance de la responsabilité civile pour le véhicule avec lequel il se présente;
5° le certificat d'immatriculation du véhicule et le certificat de visite, de couleur verte, du véhicule si ce dernier est soumis au contrôle technique;
6° le cas échéant, le journal de bord visé aux articles 2.2.4 à 2.2.6;
7° l'attestation à la formation aux premiers secours visée à l'article 2.2.14;
8° l'attestation de réussite de l'examen théorique de la Région de Bruxelles-Capitale, visée au titre 3, chapitre 1er, de cet arrêté, sauf dispense en vertu de l'article 28 de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire;
9° le cas échéant, le permis de conduire belge ou européen du guide, valable pour la conduite du véhicule à bord duquel a lieu l'examen pratique ainsi que le document visé à l'article 3, § 1er, de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire dont est titulaire l'accompagnateur.
Art. 3.2.7. Om toegelaten te worden tot het praktisch examen met het oog op de opheffing van de code 78 bedoeld in bijlage 7 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs die voorkomt op zijn rijbewijs, legt de kandidaat voor :
1° een der documenten bedoeld in artikel 3, § 1, van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs;
2° een van de hierna opgesomde documenten :
a) de aanvraag om een rijbewijs waarop het attest van vrijstelling van het theoretisch examen is aangebracht.
In dit geval legt de kandidaat een getuigschrift van praktische scholing voor, afgegeven door een rijschool.
De aanvraag voor het verkrijgen van een rijbewijs geldig voor de categorie B omvat de verklaring voorgeschreven in artikel 41, § 1 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs of moet, naargelang het geval, vergezeld zijn van een of de attesten voorgeschreven in de artikelen 41, §§ 2 en 3, en 45, tweede lid, van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs
b) het nog geldige voorlopige rijbewijs.
Het voorlopige rijbewijs is, in voorkomend geval, vergezeld van een getuigschrift van scholing dat bewijst dat de lesuren, voorgeschreven in artikel 2.2.9, naar aanleiding van het tweemaal niet slagen, gevolgd zijn;
c) een attest waarin bevestigd wordt dat de kandidaat de in artikel 4, 4°, 5°, 6°, 7°, 8°, 9° of 15°, van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs bedoelde opleiding gevolgd heeft;
3° het verzekeringsbewijs inzake de burgerlijke aansprakelijkheid voor het voertuig waarmee hij zich aanbiedt;
4° het inschrijvingsbewijs van het voertuig;
5° het groene schouwingsbewijs van het voertuig indien dit is onderworpen aan de technische controle;
6° het Belgische of Europese rijbewijs waarvan hij houder is, met de code 78 bedoeld in bijlage 7 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs waarvan hij de opheffing wil;
7° in voorkomend geval, het Belgische of Europese rijbewijs van de begeleider, geldig voor het besturen van het voertuig waarmee het praktisch examen plaats heeft alsook het document bedoeld in artikel 3, § 1 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs van de begeleider.
1° een der documenten bedoeld in artikel 3, § 1, van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs;
2° een van de hierna opgesomde documenten :
a) de aanvraag om een rijbewijs waarop het attest van vrijstelling van het theoretisch examen is aangebracht.
In dit geval legt de kandidaat een getuigschrift van praktische scholing voor, afgegeven door een rijschool.
De aanvraag voor het verkrijgen van een rijbewijs geldig voor de categorie B omvat de verklaring voorgeschreven in artikel 41, § 1 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs of moet, naargelang het geval, vergezeld zijn van een of de attesten voorgeschreven in de artikelen 41, §§ 2 en 3, en 45, tweede lid, van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs
b) het nog geldige voorlopige rijbewijs.
Het voorlopige rijbewijs is, in voorkomend geval, vergezeld van een getuigschrift van scholing dat bewijst dat de lesuren, voorgeschreven in artikel 2.2.9, naar aanleiding van het tweemaal niet slagen, gevolgd zijn;
c) een attest waarin bevestigd wordt dat de kandidaat de in artikel 4, 4°, 5°, 6°, 7°, 8°, 9° of 15°, van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs bedoelde opleiding gevolgd heeft;
3° het verzekeringsbewijs inzake de burgerlijke aansprakelijkheid voor het voertuig waarmee hij zich aanbiedt;
4° het inschrijvingsbewijs van het voertuig;
5° het groene schouwingsbewijs van het voertuig indien dit is onderworpen aan de technische controle;
6° het Belgische of Europese rijbewijs waarvan hij houder is, met de code 78 bedoeld in bijlage 7 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs waarvan hij de opheffing wil;
7° in voorkomend geval, het Belgische of Europese rijbewijs van de begeleider, geldig voor het besturen van het voertuig waarmee het praktisch examen plaats heeft alsook het document bedoeld in artikel 3, § 1 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs van de begeleider.
Art. 3.2.7. Pour être admis à l'examen pratique en vue d'obtenir la suppression du code 78 visé à l'annexe 7 de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire figurant sur son permis de conduire, le candidat présente :
1° un des documents visés à l'article 3, § 1er, de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire;
2° un des documents énumérés ci-après :
a) la demande de permis de conduire sur laquelle figure l'attestation d'exemption de l'examen théorique.
Dans ce cas, le candidat présente un certificat d'enseignement pratique délivré par une école de conduite.
La demande en vue de l'obtention d'un permis de conduire valable pour la catégorie B comporte la déclaration prévue à l'article 41, § 1er, de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire ou est accompagnée, selon le cas, d'une ou des attestations prévues aux articles 41, §§ 2 et 3, et 45, alinéa 2, de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire;
b) le permis de conduire provisoire en cours de validité.
Le permis de conduire provisoire est, le cas échéant, accompagné par un certificat d'enseignement qui prouve le suivi des heures de cours prévues à l'article 2.2.9, à la suite de deux échecs successifs;
c) une attestation établissant que le candidat a suivi la formation visée à l'article 4, 4°, 5°, 6°, 7°, 8°, 9° ou 15°, de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire;
3° la preuve d'assurance de la responsabilité civile pour le véhicule avec lequel il se présente;
4° le certificat d'immatriculation du véhicule;
5° le certificat de visite, de couleur verte, du véhicule si celui-ci est soumis au contrôle technique;
6° le permis de conduire belge ou européen dont il est titulaire sur lequel figure le code 78 visé à l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire, dont il souhaite obtenir la suppression;
7° le cas échéant, le permis de conduire belge ou européen de l'accompagnateur, valable pour la conduite du véhicule à bord duquel a lieu l'examen pratique ainsi que le document visé à l'article 3, § 1er, de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire de l'accompagnateur.
1° un des documents visés à l'article 3, § 1er, de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire;
2° un des documents énumérés ci-après :
a) la demande de permis de conduire sur laquelle figure l'attestation d'exemption de l'examen théorique.
Dans ce cas, le candidat présente un certificat d'enseignement pratique délivré par une école de conduite.
La demande en vue de l'obtention d'un permis de conduire valable pour la catégorie B comporte la déclaration prévue à l'article 41, § 1er, de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire ou est accompagnée, selon le cas, d'une ou des attestations prévues aux articles 41, §§ 2 et 3, et 45, alinéa 2, de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire;
b) le permis de conduire provisoire en cours de validité.
Le permis de conduire provisoire est, le cas échéant, accompagné par un certificat d'enseignement qui prouve le suivi des heures de cours prévues à l'article 2.2.9, à la suite de deux échecs successifs;
c) une attestation établissant que le candidat a suivi la formation visée à l'article 4, 4°, 5°, 6°, 7°, 8°, 9° ou 15°, de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire;
3° la preuve d'assurance de la responsabilité civile pour le véhicule avec lequel il se présente;
4° le certificat d'immatriculation du véhicule;
5° le certificat de visite, de couleur verte, du véhicule si celui-ci est soumis au contrôle technique;
6° le permis de conduire belge ou européen dont il est titulaire sur lequel figure le code 78 visé à l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire, dont il souhaite obtenir la suppression;
7° le cas échéant, le permis de conduire belge ou européen de l'accompagnateur, valable pour la conduite du véhicule à bord duquel a lieu l'examen pratique ainsi que le document visé à l'article 3, § 1er, de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire de l'accompagnateur.
Art. 3.2.8. De kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie B legt het praktisch examen af met een vierwielig voertuig van deze categorie met ten minste drie plaatsen, voorzien van een cabine, dat op een horizontale weg een snelheid van ten minste 100 km/u bereikt.
Het voertuig is met veiligheidsgordels uitgerust.
Het voertuig is met veiligheidsgordels uitgerust.
Art. 3.2.8. Le candidat au permis de conduire valable pour la catégorie B passe l'examen pratique à bord d'un véhicule de cette catégorie, à quatre roues et à trois places au moins, pourvu d'un habitacle et qui atteint, sur une route en palier, une vitesse d'au moins 100 km/h.
Le véhicule est muni de ceintures de sécurité.
Le véhicule est muni de ceintures de sécurité.
Art. 3.2.9. De kandidaat bedoeld in artikel 3.2.7 die de opheffing van code 78 bedoeld in bijlage 7 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs wenst, legt het praktisch examen af met een voertuig dat uitgerust is met een handschakeling.
De kandidaat die, wegens lichamelijke gebreken, slechts bepaalde types voertuigen of aangepaste voertuigen mag besturen, legt het praktisch examen af met een dergelijk voertuig. Hij mag, in voorkomend geval, het examen afleggen met een voertuig dat niet beantwoordt aan de in dit artikel gestelde normen. De kenmerken waaraan het voertuig moet voldoen, komen op het attest bedoeld in artikel 44, § 5, of in artikel 45, tweede lid, van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.
Het praktisch examen moet afgelegd worden met een voertuig dat de uitvoering van de in artikel 3.2.2 bedoelde voorafgaande controles en manoeuvres toelaat.
De kandidaat die, wegens lichamelijke gebreken, slechts bepaalde types voertuigen of aangepaste voertuigen mag besturen, legt het praktisch examen af met een dergelijk voertuig. Hij mag, in voorkomend geval, het examen afleggen met een voertuig dat niet beantwoordt aan de in dit artikel gestelde normen. De kenmerken waaraan het voertuig moet voldoen, komen op het attest bedoeld in artikel 44, § 5, of in artikel 45, tweede lid, van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.
Het praktisch examen moet afgelegd worden met een voertuig dat de uitvoering van de in artikel 3.2.2 bedoelde voorafgaande controles en manoeuvres toelaat.
Art. 3.2.9. Le candidat visé à l'article 3.2.7 souhaitant obtenir la suppression du code 78 visé à l'annexe 7 de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire, passe l'examen pratique à bord d'un véhicule équipé d'un changement de vitesses manuel.
Le candidat qui, pour cause de déficience physique, ne peut conduire que certains types de véhicules ou des véhicules adaptés, passe l'examen pratique avec un tel véhicule. Il peut, le cas échéant, passer l'examen avec un véhicule qui ne répond pas aux normes fixées par le présent article. Les caractéristiques auxquelles doit répondre le véhicule figurent sur l'attestation visée à l'article 44, § 5, ou à l'article 45, alinéa 2, de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire.
L'examen pratique est passé à bord d'un véhicule qui permet l'exécution des contrôles préalables et des manoeuvres visés à l'article 3.2.2.
Le candidat qui, pour cause de déficience physique, ne peut conduire que certains types de véhicules ou des véhicules adaptés, passe l'examen pratique avec un tel véhicule. Il peut, le cas échéant, passer l'examen avec un véhicule qui ne répond pas aux normes fixées par le présent article. Les caractéristiques auxquelles doit répondre le véhicule figurent sur l'attestation visée à l'article 44, § 5, ou à l'article 45, alinéa 2, de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire.
L'examen pratique est passé à bord d'un véhicule qui permet l'exécution des contrôles préalables et des manoeuvres visés à l'article 3.2.2.
Art. 3.2.10. De kandidaat die zich aanbiedt met een rijschool legt het praktisch examen af met de bijstand van een instructeur of een stagiair en met een scholingsvoertuig van de rijschool waar hij de praktische scholing volgde en dat beantwoordt aan de voorwaarden bepaald in het koninklijk besluit van 11 mei 2004 betreffende de voorwaarden voor erkenning van scholen voor het besturen van motorvoertuigen.
De houder van een geldig voorlopige rijbewijs legt het praktisch examen af :
1° hetzij met een voertuig dat beantwoordt aan de voorwaarden bepaald in artikel 2.2.2. De begeleider moet aanwezig zijn;
2° hetzij onder de voorwaarden bedoeld in eerste lid.
Na tweemaal niet geslaagd te zijn voor het praktisch examen kan de houder van een voorlopig rijbewijs het praktisch examen evenwel enkel afleggen onder de voorwaarden bedoeld in het eerste lid.
De houder van een geldig voorlopige rijbewijs legt het praktisch examen af :
1° hetzij met een voertuig dat beantwoordt aan de voorwaarden bepaald in artikel 2.2.2. De begeleider moet aanwezig zijn;
2° hetzij onder de voorwaarden bedoeld in eerste lid.
Na tweemaal niet geslaagd te zijn voor het praktisch examen kan de houder van een voorlopig rijbewijs het praktisch examen evenwel enkel afleggen onder de voorwaarden bedoeld in het eerste lid.
Art. 3.2.10. Le candidat présenté par une école de conduite passe l'examen pratique avec l'assistance d'un moniteur ou d'un stagiaire et à bord d'un véhicule d'enseignement de l'école de conduite où il a suivi l'enseignement pratique et répondant aux conditions fixées dans l'arrêté royal du 11 mai 2004 relatif aux conditions d'agrément des écoles de conduite des véhicules à moteur.
Le titulaire d'un permis de conduire provisoire valable passe l'examen pratique :
1° soit à bord d'un véhicule répondant aux conditions fixées par l'article 2.2.2. Le guide doit être présent;
2° soit aux conditions prévues à l'alinéa 1er.
Après deux échecs à l'examen pratique, le titulaire d'un permis de conduire provisoire ne peut toutefois passer l'examen pratique qu'aux conditions visées à l'alinéa 1er.
Le titulaire d'un permis de conduire provisoire valable passe l'examen pratique :
1° soit à bord d'un véhicule répondant aux conditions fixées par l'article 2.2.2. Le guide doit être présent;
2° soit aux conditions prévues à l'alinéa 1er.
Après deux échecs à l'examen pratique, le titulaire d'un permis de conduire provisoire ne peut toutefois passer l'examen pratique qu'aux conditions visées à l'alinéa 1er.
Art. 3.2.11. Als een van de hierna opgesomde bedieningselementen van het in 3.2.10, tweede lid, 1°, bedoelde voertuig dubbel geïnstalleerd is, moeten de organen voor de bediening van de koppeling, van de bedrijfsreminrichting en van het gaspedaal alsook van de dimlichten, van de richtingaanwijzers en van het geluidstoestel ook dubbel geïnstalleerd worden. De begeleider moet bovendien de grootlichten kunnen uitschakelen en in de plaats daarvan de dimlichten aansteken.
De dubbele bediening is niet verplicht voor de in serie ingebouwde inrichtingen die automatisch zijn of die door de begeleider gemakkelijk te bereiken zijn zonder gevaar dat de kandidaat wordt gehinderd.
Een verklikkerinrichting dient op akoestische wijze aan te geven dat de begeleider het bedieningsorgaan van de bedrijfsreminrichting of van de koppeling bedient of de bediening ervan verhindert. Wanneer deze verklikkerinrichting ingeschakeld wordt, wordt de goede werking ervan aangegeven door een verklikkerlichtje dat evenwel dooft wanneer het akoestische alarmsignaal in werking treedt.
De dubbele bediening is niet verplicht voor de in serie ingebouwde inrichtingen die automatisch zijn of die door de begeleider gemakkelijk te bereiken zijn zonder gevaar dat de kandidaat wordt gehinderd.
Een verklikkerinrichting dient op akoestische wijze aan te geven dat de begeleider het bedieningsorgaan van de bedrijfsreminrichting of van de koppeling bedient of de bediening ervan verhindert. Wanneer deze verklikkerinrichting ingeschakeld wordt, wordt de goede werking ervan aangegeven door een verklikkerlichtje dat evenwel dooft wanneer het akoestische alarmsignaal in werking treedt.
Art. 3.2.11. Si l'un des dispositifs de commande énumérés ci-après du véhicule visé à l'article 3.2.10, alinéa 2, 1°, est dédoublé, les commandes d'embrayage, du dispositif de freinage de service et de l'accélérateur ainsi que la commande des feux de croisement, des feux indicateurs de direction et de l'avertisseur sonore doivent également être dédoublées. L'accompagnateur doit, en outre, pouvoir éteindre les feux de route et allumer les feux de croisement à la place.
En ce qui concerne les dispositifs de série automatiques ou aisément accessibles par l'accompagnateur sans risque de gêner le candidat, la double commande n'est pas imposée.
Un dispositif d'alarme constitué d'un signal sonore indique que l'accompagnateur actionne ou évite l'actionnement des commandes des dispositifs de freinage ou d'embrayage. Le bon fonctionnement du dispositif d'alarme est indiqué lorsqu'il est enclenché et ce, par un témoin lumineux qui s'éteint lorsque le signal sonore se met en marche.
En ce qui concerne les dispositifs de série automatiques ou aisément accessibles par l'accompagnateur sans risque de gêner le candidat, la double commande n'est pas imposée.
Un dispositif d'alarme constitué d'un signal sonore indique que l'accompagnateur actionne ou évite l'actionnement des commandes des dispositifs de freinage ou d'embrayage. Le bon fonctionnement du dispositif d'alarme est indiqué lorsqu'il est enclenché et ce, par un témoin lumineux qui s'éteint lorsque le signal sonore se met en marche.
Art. 3.2.12. § 1. Het praktisch examen bevat twee onderdelen :
a) een proef op de openbare weg in het verkeer die niet korter mag zijn dan veertig minuten;
b) een risicoperceptietest.
De kandidaat legt eerst de risicoperceptietest af. Indien hij voor deze test slaagt, kan de kandidaat deelnemen aan de proef op de openbare weg. Het slagen voor de risicoperceptietest blijft één jaar geldig.
De kandidaat moet geslaagd zijn op beide onderdelen om geslaagd te zijn op het praktisch examen.
§ 2. Tijdens de proef op de openbare weg neemt, naast de examinator, de instructeur of stagiair van de rijschool of de begeleider bij de scholing, bedoeld in artikel 3, § 4, van het koninklijk besluit van 10 juli 2006 betreffende het rijbewijs voor voertuigen van categorie B, in het voertuig plaats.
Behalve de personen bedoeld in het eerste lid en de tolk bedoeld in artikel 3.2.3, mogen enkel de door de Minister bevoegd voor Verkeersveiligheid aangeduide personen in het voertuig plaatsnemen.
§ 3. De examinator weigert het examen af te nemen indien hij vaststelt dat het voertuig onvoldoende veiligheid biedt of niet beantwoordt aan de voorschriften van dit besluit.
Hij beëindigt het examen wanneer de kandidaat onbekwaam is om te sturen, zijn onderrichtingen niet opvolgt, op een gevaarlijke manier stuurt of in geval van tussenkomst van de instructeur of de begeleider.
De kandidaat die door zijn gedrag het verloop van het examen verstoort is niet geslaagd. Deze kandidaat wordt gedurende een periode van zes maanden uitgesloten van elke deelname aan het examen.
§ 4. De examinator vermeldt op de beoordelingsstaat, voor elk van de genoemde proeven, de door hem toegekende beoordeling alsook de daaruit volgende beslissing dat de kandidaat geslaagd of uitgesteld is overeenkomstig de criteria vermeld in artikel 3.2.14.
De examinator vermeldt het geslaagd of niet-geslaagd zijn voor de risicoperceptietest op de beoordelingsstaat bedoeld in het eerste lid.
§ 5. De examinator bevestigt op de aanvraag om een rijbewijs, het slagen van de kandidaat voor het praktisch examen met vermelding van de categorie van het voertuig waarmee hij het examen heeft afgelegd en van de datum ervan. In voorkomend geval vermeldt hij dat het examen werd afgelegd met een voertuig bedoeld in artikel 3.2.9. In het geval bedoeld in artikel 4.1.3, § 1, wordt het slagen voor het praktisch examen vermeld op de aanvraag om een rijbewijs door een ambtenaar van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel Mobiliteit, bedoeld in artikel 4.1.2.
a) een proef op de openbare weg in het verkeer die niet korter mag zijn dan veertig minuten;
b) een risicoperceptietest.
De kandidaat legt eerst de risicoperceptietest af. Indien hij voor deze test slaagt, kan de kandidaat deelnemen aan de proef op de openbare weg. Het slagen voor de risicoperceptietest blijft één jaar geldig.
De kandidaat moet geslaagd zijn op beide onderdelen om geslaagd te zijn op het praktisch examen.
§ 2. Tijdens de proef op de openbare weg neemt, naast de examinator, de instructeur of stagiair van de rijschool of de begeleider bij de scholing, bedoeld in artikel 3, § 4, van het koninklijk besluit van 10 juli 2006 betreffende het rijbewijs voor voertuigen van categorie B, in het voertuig plaats.
Behalve de personen bedoeld in het eerste lid en de tolk bedoeld in artikel 3.2.3, mogen enkel de door de Minister bevoegd voor Verkeersveiligheid aangeduide personen in het voertuig plaatsnemen.
§ 3. De examinator weigert het examen af te nemen indien hij vaststelt dat het voertuig onvoldoende veiligheid biedt of niet beantwoordt aan de voorschriften van dit besluit.
Hij beëindigt het examen wanneer de kandidaat onbekwaam is om te sturen, zijn onderrichtingen niet opvolgt, op een gevaarlijke manier stuurt of in geval van tussenkomst van de instructeur of de begeleider.
De kandidaat die door zijn gedrag het verloop van het examen verstoort is niet geslaagd. Deze kandidaat wordt gedurende een periode van zes maanden uitgesloten van elke deelname aan het examen.
§ 4. De examinator vermeldt op de beoordelingsstaat, voor elk van de genoemde proeven, de door hem toegekende beoordeling alsook de daaruit volgende beslissing dat de kandidaat geslaagd of uitgesteld is overeenkomstig de criteria vermeld in artikel 3.2.14.
De examinator vermeldt het geslaagd of niet-geslaagd zijn voor de risicoperceptietest op de beoordelingsstaat bedoeld in het eerste lid.
§ 5. De examinator bevestigt op de aanvraag om een rijbewijs, het slagen van de kandidaat voor het praktisch examen met vermelding van de categorie van het voertuig waarmee hij het examen heeft afgelegd en van de datum ervan. In voorkomend geval vermeldt hij dat het examen werd afgelegd met een voertuig bedoeld in artikel 3.2.9. In het geval bedoeld in artikel 4.1.3, § 1, wordt het slagen voor het praktisch examen vermeld op de aanvraag om een rijbewijs door een ambtenaar van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel Mobiliteit, bedoeld in artikel 4.1.2.
Art. 3.2.12. § 1er. L'examen pratique comprend deux parties :
a) une épreuve sur la voie publique dans la circulation dont la durée ne peut être plus courte que quarante minutes;
b) un test de perception des risques.
Le candidat effectue d'abord le test de perception des risques. S'il réussit ce test, le candidat peut prendre part à l'épreuve sur la voie publique. La réussite du test de perception des risques reste valable un an.
Le candidat doit réussir les deux parties afin de réussir l'examen pratique.
§ 2. Pendant l'épreuve sur la voie publique doivent prendre place dans le véhicule, outre l'examinateur, le moniteur ou le stagiaire de l'école de conduite ou l'accompagnateur à la formation, visés à l'article 3, § 4, de l'arrêté royal du 10 juillet 2006 relatif au permis de conduire pour les véhicules de catégorie B.
En dehors des personnes visées à l'alinéa 1er et de l'interprète visé à l'article 3.2.3, seules les personnes désignées par le Ministre en charge de la Sécurité routière peuvent prendre place dans le véhicule.
§ 3. L'examinateur refuse de faire passer l'examen s'il constate que le véhicule ne présente pas une sécurité suffisante ou ne répond pas aux prescriptions du présent arrêté.
Il arrête l'examen si le candidat est incapable de conduire, ne respecte pas ses instructions, conduit de manière dangereuse ou en cas d'intervention de l'instructeur ou du guide.
Le candidat qui perturbe le déroulement de l'examen par son comportement échoue. Ce candidat est exclu de toute participation à l'examen pendant une période de six mois.
§ 4. L'examinateur indique sur le document d'évaluation, pour chacune des épreuves susvisées, l'appréciation qu'il attribue et la décision de réussite ou d'ajournement du candidat qui en résulte, suivant les critères mentionnés à l'article 3.2.14.
L'examinateur indique la réussite ou l'échec au test de perception des risques sur le document d'évaluation visé au premier alinéa.
§ 5. L'examinateur atteste sur la demande de permis de conduire la réussite du candidat à l'examen pratique en spécifiant la catégorie du véhicule à bord duquel l'examen a été passé et la date de celui-ci. Le cas échéant, il spécifie que l'examen a été passé avec un véhicule visé à l'article 3.2.9. Dans le cas visé à l'article 4.1.3, § 1er, la mention de réussite à l'examen pratique est portée sur la demande de permis de conduire par un fonctionnaire du Service public régional de Bruxelles Mobilité, visé à l'article 4.1.2.
a) une épreuve sur la voie publique dans la circulation dont la durée ne peut être plus courte que quarante minutes;
b) un test de perception des risques.
Le candidat effectue d'abord le test de perception des risques. S'il réussit ce test, le candidat peut prendre part à l'épreuve sur la voie publique. La réussite du test de perception des risques reste valable un an.
Le candidat doit réussir les deux parties afin de réussir l'examen pratique.
§ 2. Pendant l'épreuve sur la voie publique doivent prendre place dans le véhicule, outre l'examinateur, le moniteur ou le stagiaire de l'école de conduite ou l'accompagnateur à la formation, visés à l'article 3, § 4, de l'arrêté royal du 10 juillet 2006 relatif au permis de conduire pour les véhicules de catégorie B.
En dehors des personnes visées à l'alinéa 1er et de l'interprète visé à l'article 3.2.3, seules les personnes désignées par le Ministre en charge de la Sécurité routière peuvent prendre place dans le véhicule.
§ 3. L'examinateur refuse de faire passer l'examen s'il constate que le véhicule ne présente pas une sécurité suffisante ou ne répond pas aux prescriptions du présent arrêté.
Il arrête l'examen si le candidat est incapable de conduire, ne respecte pas ses instructions, conduit de manière dangereuse ou en cas d'intervention de l'instructeur ou du guide.
Le candidat qui perturbe le déroulement de l'examen par son comportement échoue. Ce candidat est exclu de toute participation à l'examen pendant une période de six mois.
§ 4. L'examinateur indique sur le document d'évaluation, pour chacune des épreuves susvisées, l'appréciation qu'il attribue et la décision de réussite ou d'ajournement du candidat qui en résulte, suivant les critères mentionnés à l'article 3.2.14.
L'examinateur indique la réussite ou l'échec au test de perception des risques sur le document d'évaluation visé au premier alinéa.
§ 5. L'examinateur atteste sur la demande de permis de conduire la réussite du candidat à l'examen pratique en spécifiant la catégorie du véhicule à bord duquel l'examen a été passé et la date de celui-ci. Le cas échéant, il spécifie que l'examen a été passé avec un véhicule visé à l'article 3.2.9. Dans le cas visé à l'article 4.1.3, § 1er, la mention de réussite à l'examen pratique est portée sur la demande de permis de conduire par un fonctionnaire du Service public régional de Bruxelles Mobilité, visé à l'article 4.1.2.
Afdeling 3. - Wijze van het afnemen en beoordelen van het examen
Section 3. - Mode de passage et évaluation de l'examen
Onderafdeling 1. - Categorie van motorvoertuigen B
Sous-section 1re. - Catégorie des véhicules à moteur B
Art. 3.2.13. De examencentra bedoeld in artikel 3.2.1 organiseren de risicoperceptietest in de vorm van een computergestuurd examen. Om te slagen moet de kandidaat minstens 60% behalen.
Art. 3.2.13. Les centres d'examen visés à l'article 3.2.1 organisent le test de perception des risques sous la forme d'un examen sur ordinateur. Pour réussir, le candidat doit obtenir au moins 60%.
Art. 3.2.14. § 1. De proef op de openbare weg wordt volgens de volgende rubrieken beoordeeld :
1° bediening van het voertuig;
2° plaats op de openbare weg;
3° bochten;
4° kruisen en inhalen;
5° richtingsverandering;
6° voorrang;
7° verkeerslichten en bevelen;
8° snelheid en verkeersinzicht;
9° gedrag ten overstaan van andere weggebruikers;
10° defensief rijden;
11° zelfstandig rijden;
12° manoeuvres.
De rubrieken worden beoordeeld met "goed", "voorbehoud", "onvoldoende" of "slecht".
§ 2. De kandidaat legt de proef opnieuw af indien :
1° een rubriek beoordeeld wordt met "slecht";
2° twee rubrieken beoordeeld worden met "onvoldoende";
3° een rubriek beoordeeld wordt met "onvoldoende" en twee met "voorbehoud";
4° vier rubrieken beoordeeld worden met "voorbehoud";
5° rijfouten of gevaarlijk rijgedrag de veiligheid van het examenvoertuig, de passagiers of de andere weggebruikers direct in gevaar brengen.
1° bediening van het voertuig;
2° plaats op de openbare weg;
3° bochten;
4° kruisen en inhalen;
5° richtingsverandering;
6° voorrang;
7° verkeerslichten en bevelen;
8° snelheid en verkeersinzicht;
9° gedrag ten overstaan van andere weggebruikers;
10° defensief rijden;
11° zelfstandig rijden;
12° manoeuvres.
De rubrieken worden beoordeeld met "goed", "voorbehoud", "onvoldoende" of "slecht".
§ 2. De kandidaat legt de proef opnieuw af indien :
1° een rubriek beoordeeld wordt met "slecht";
2° twee rubrieken beoordeeld worden met "onvoldoende";
3° een rubriek beoordeeld wordt met "onvoldoende" en twee met "voorbehoud";
4° vier rubrieken beoordeeld worden met "voorbehoud";
5° rijfouten of gevaarlijk rijgedrag de veiligheid van het examenvoertuig, de passagiers of de andere weggebruikers direct in gevaar brengen.
Art. 3.2.14. § 1er. L'épreuve sur la voie publique est évaluée selon les rubriques suivantes :
1° utilisation du véhicule;
2° place sur la chaussée;
3° virages;
4° croiser et dépasser;
5° changement de direction;
6° priorité;
7° signaux lumineux et injonctions;
8° vitesse et sens du trafic;
9° comportement vis-à-vis des autres usagers de la route;
10° conduite défensive;
11° conduite indépendante;
12° manoeuvres.
Les rubriques sont cotées par les mentions "satisfaisant", "réserve", "insuffisant" ou "mauvais".
§ 2. Le candidat repasse l'épreuve si :
1° une rubrique est cotée "mauvais";
2° deux rubriques sont cotées "insuffisant";
3° une rubrique est cotée "insuffisant" et deux sont affectées d'une "réserve";
4° quatre rubriques sont affectées d'une "réserve";
5° des erreurs de conduite ou un comportement dangereux mettent en cause la sécurité immédiate du véhicule d'examen, de ses passagers ou des autres usagers de la route.
1° utilisation du véhicule;
2° place sur la chaussée;
3° virages;
4° croiser et dépasser;
5° changement de direction;
6° priorité;
7° signaux lumineux et injonctions;
8° vitesse et sens du trafic;
9° comportement vis-à-vis des autres usagers de la route;
10° conduite défensive;
11° conduite indépendante;
12° manoeuvres.
Les rubriques sont cotées par les mentions "satisfaisant", "réserve", "insuffisant" ou "mauvais".
§ 2. Le candidat repasse l'épreuve si :
1° une rubrique est cotée "mauvais";
2° deux rubriques sont cotées "insuffisant";
3° une rubrique est cotée "insuffisant" et deux sont affectées d'une "réserve";
4° quatre rubriques sont affectées d'une "réserve";
5° des erreurs de conduite ou un comportement dangereux mettent en cause la sécurité immédiate du véhicule d'examen, de ses passagers ou des autres usagers de la route.
Art. 3.2.15. De inschrijving voor en de beoordeling van het praktisch examen gebeuren volgens de nadere regels opgesteld door de examencentra, bedoeld in artikel 3.2.1, en zijn onderworpen aan de goedkeuring van de Minister bevoegd voor Verkeersveiligheid.
Art. 3.2.15. L'inscription et l'évaluation de l'examen pratique ont lieu suivant les modalités déterminées par les centres d'examen, visés à l'article 3.2.1, et soumises à l'approbation du Ministre en charge de la Sécurité routière.
TITEL 4. - Administratief georganiseerd beroep
TITRE 4. - Recours administratif organisé
HOOFDSTUK 1. - Beroepsprocedure
CHAPITRE 1er. - Procédure de recours
Art. 4.1.1. § 1. Na twee mislukkingen in het onderdeel "proef op de openbare weg" van het praktisch examen kan beroep worden ingediend bij de beroepscommissie bedoeld in artikel 4.2.1.
§ 2. Het beroep wordt op straffe van niet-ontvankelijkheid ingediend bij de voorzitter van de bevoegde kamer van de beroepscommissie per aangetekende brief ingediend binnen de 15 dagen te rekenen vanaf de datum van het niet geslaagd zijn voor het examen.
De dag van het examen die het uitgangspunt is van de termijn wordt er niet inbegrepen. De laatste dag van de termijn wordt in de termijn gerekend. Is die dag een zaterdag, een zondag, een wettelijke feestdag of een nationale sluitingsdag van de postdiensten, dan wordt de termijn verlengd tot de eerstvolgende werkdag, zijnde niet een zaterdag, zon- of feestdag.
§ 3. Bij het beroepschrift worden, op straffe van niet-ontvankelijkheid de volgende documenten of gegevens vermeld :
1° het bewijs van betaling van de in artikel 5.3.2 bedoelde retributie;
2° de naam, voornaam en geboortedatum van de kandidaat die het examen heeft afgelegd;
3° het examencentrum waar het examen werd afgenomen en de datum daarvan;
4° de feiten die alleen betrekking hebben op de personen en de omstandigheden van plaats, tijd en procedure waaronder het examen werd afgelegd;
5° vermelding van beroepsgrieven.
Het beroepschrift wordt ondertekend door de kandidaat die het examen heeft afgelegd of zijn advocaat.
§ 4. De indiener van het beroep bezorgt gelijktijdig en per aangetekende zending een kopie van het beroepschrift aan het examencentrum waar het examen werd afgenomen. Aan de voorzitter van de beroepscommissie wordt, op straffe van niet-ontvankelijkheid van het beroep, een bewijs bezorgd van deze aangetekende zending aan het examencentrum.
§ 5. Het examencentrum maakt het dossier met betrekking tot het examen van de beroepsindiener of een kopie daarvan over aan de beroepscommissie, en zulks onverwijld na de ontvangst van het afschrift van het beroepschrift.
§ 2. Het beroep wordt op straffe van niet-ontvankelijkheid ingediend bij de voorzitter van de bevoegde kamer van de beroepscommissie per aangetekende brief ingediend binnen de 15 dagen te rekenen vanaf de datum van het niet geslaagd zijn voor het examen.
De dag van het examen die het uitgangspunt is van de termijn wordt er niet inbegrepen. De laatste dag van de termijn wordt in de termijn gerekend. Is die dag een zaterdag, een zondag, een wettelijke feestdag of een nationale sluitingsdag van de postdiensten, dan wordt de termijn verlengd tot de eerstvolgende werkdag, zijnde niet een zaterdag, zon- of feestdag.
§ 3. Bij het beroepschrift worden, op straffe van niet-ontvankelijkheid de volgende documenten of gegevens vermeld :
1° het bewijs van betaling van de in artikel 5.3.2 bedoelde retributie;
2° de naam, voornaam en geboortedatum van de kandidaat die het examen heeft afgelegd;
3° het examencentrum waar het examen werd afgenomen en de datum daarvan;
4° de feiten die alleen betrekking hebben op de personen en de omstandigheden van plaats, tijd en procedure waaronder het examen werd afgelegd;
5° vermelding van beroepsgrieven.
Het beroepschrift wordt ondertekend door de kandidaat die het examen heeft afgelegd of zijn advocaat.
§ 4. De indiener van het beroep bezorgt gelijktijdig en per aangetekende zending een kopie van het beroepschrift aan het examencentrum waar het examen werd afgenomen. Aan de voorzitter van de beroepscommissie wordt, op straffe van niet-ontvankelijkheid van het beroep, een bewijs bezorgd van deze aangetekende zending aan het examencentrum.
§ 5. Het examencentrum maakt het dossier met betrekking tot het examen van de beroepsindiener of een kopie daarvan over aan de beroepscommissie, en zulks onverwijld na de ontvangst van het afschrift van het beroepschrift.
Art. 4.1.1. § 1er. Après deux échecs à la partie "épreuve sur la voie publique" de l'examen pratique, un recours peut être introduit auprès de la commission de recours visée à l'article 4.2.1.
§ 2. Le recours est, sous peine d'irrecevabilité, introduit auprès du président de la chambre compétente de la commission de recours par lettre recommandée dans les 15 jours à partir de la date de l'échec de l'examen.
Le jour de l'examen, qui est le point de départ du délai, n'est pas compris. Le dernier jour du délai est compté dans le délai. Si ce jour est un samedi, un dimanche ou un jour férié légal ou un jour de fermeture nationale des services postaux, le délai est alors prolongé jusqu'au prochain jour ouvrable, n'étant pas un samedi, dimanche ou jour férié.
§ 3. Sous peine d'irrecevabilité, les documents ou données suivants sont mentionnés dans le recours :
1° la preuve de paiement de la redevance visée à l'article 5.3.2;
2° le nom, le prénom et la date de naissance du candidat qui a présenté l'examen;
3° le centre d'examen où l'examen a été passé et la date de celui-ci;
4° les faits liés aux personnes et aux circonstances de lieu, temps et procédure dans lesquelles l'examen s'est déroulé;
5° l'indication des moyens du recours.
Le recours est signé par le candidat qui a passé l'examen ou par son avocat.
§ 4. Le requérant fournit simultanément et par envoi recommandé une copie du recours au centre d'examen où l'examen s'est déroulé. Sous peine d'irrecevabilité du recours, une preuve de cet envoi recommandé au centre d'examen est envoyée au président de la commission de recours.
§ 5. Le centre d'examen transmet le dossier concernant l'examen du requérant ou une copie de celui-ci à la commission de recours et cela sans délai après la réception de la copie de la demande de recours.
§ 2. Le recours est, sous peine d'irrecevabilité, introduit auprès du président de la chambre compétente de la commission de recours par lettre recommandée dans les 15 jours à partir de la date de l'échec de l'examen.
Le jour de l'examen, qui est le point de départ du délai, n'est pas compris. Le dernier jour du délai est compté dans le délai. Si ce jour est un samedi, un dimanche ou un jour férié légal ou un jour de fermeture nationale des services postaux, le délai est alors prolongé jusqu'au prochain jour ouvrable, n'étant pas un samedi, dimanche ou jour férié.
§ 3. Sous peine d'irrecevabilité, les documents ou données suivants sont mentionnés dans le recours :
1° la preuve de paiement de la redevance visée à l'article 5.3.2;
2° le nom, le prénom et la date de naissance du candidat qui a présenté l'examen;
3° le centre d'examen où l'examen a été passé et la date de celui-ci;
4° les faits liés aux personnes et aux circonstances de lieu, temps et procédure dans lesquelles l'examen s'est déroulé;
5° l'indication des moyens du recours.
Le recours est signé par le candidat qui a passé l'examen ou par son avocat.
§ 4. Le requérant fournit simultanément et par envoi recommandé une copie du recours au centre d'examen où l'examen s'est déroulé. Sous peine d'irrecevabilité du recours, une preuve de cet envoi recommandé au centre d'examen est envoyée au président de la commission de recours.
§ 5. Le centre d'examen transmet le dossier concernant l'examen du requérant ou une copie de celui-ci à la commission de recours et cela sans délai après la réception de la copie de la demande de recours.
Art. 4.1.2. Een ambtenaar van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel Mobiliteit maakt voor elke beslissing in beroep een verslag op. Hij kan bij zijn onderzoek alle bijkomende inlichtingen inwinnen bij de indiener van het beroep en het examencentrum.
Hij bezorgt het verslag per aangetekende zending aan de partijen. Zij kunnen binnen de acht dagen na de kennisgeving van het verslag een antwoordnota bezorgen aan de beroepscommissie. Zij bezorgen in dat geval per aangetekende zending ook een kopie aan de andere partij.
Hij bezorgt het verslag per aangetekende zending aan de partijen. Zij kunnen binnen de acht dagen na de kennisgeving van het verslag een antwoordnota bezorgen aan de beroepscommissie. Zij bezorgen in dat geval per aangetekende zending ook een kopie aan de andere partij.
Art. 4.1.2. Un fonctionnaire du Service public régional de Bruxelles Mobilité établit un rapport sur chaque recours. Il peut dans le cadre de son instruction collecter toute information complémentaire auprès du requérant et du centre d'examen.
Il transmet le rapport par envoi recommandé aux parties. Elles peuvent fournir une note en réponse à la commission de recours dans les huit jours suivant la notification du rapport. Dans ce cas, elles transmettent également une copie de leur note en réponse à l'autre partie, par courrier recommandé.
Il transmet le rapport par envoi recommandé aux parties. Elles peuvent fournir une note en réponse à la commission de recours dans les huit jours suivant la notification du rapport. Dans ce cas, elles transmettent également une copie de leur note en réponse à l'autre partie, par courrier recommandé.
Art. 4.1.3. § 1. De beroepscommissie neemt haar beslissing omtrent het ingestelde beroep op grond van het verslag van de ambtenaar van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel Mobiliteit.
Zij beslist dat de kandidaat geslaagd is voor het examen, bevestigt het niet geslaagd zijn of stuurt het dossier terug naar de ambtenaar van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel Mobiliteit voor bijkomend onderzoek.
Indien de beroepscommissie het beroep gegrond verklaart, wordt de in artikel 5.3.2 bedoelde retributie terugbetaald.
§ 2. De beroepscommissie neemt haar beslissing binnen een ordetermijn van zestig dagen, die ingaat de dag na deze van de indiening van het beroep.
§ 3. Een kopie van de beslissing wordt binnen een ordetermijn van tien dagen gelijktijdig en per aangetekende zending bezorgd aan de indiener van het beroep en aan het examencentrum.
Zij beslist dat de kandidaat geslaagd is voor het examen, bevestigt het niet geslaagd zijn of stuurt het dossier terug naar de ambtenaar van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel Mobiliteit voor bijkomend onderzoek.
Indien de beroepscommissie het beroep gegrond verklaart, wordt de in artikel 5.3.2 bedoelde retributie terugbetaald.
§ 2. De beroepscommissie neemt haar beslissing binnen een ordetermijn van zestig dagen, die ingaat de dag na deze van de indiening van het beroep.
§ 3. Een kopie van de beslissing wordt binnen een ordetermijn van tien dagen gelijktijdig en per aangetekende zending bezorgd aan de indiener van het beroep en aan het examencentrum.
Art. 4.1.3. § 1er. La commission de recours prend sa décision concernant le recours introduit sur la base du rapport du fonctionnaire du Service public régional de Bruxelles Mobilité.
Elle décide que le candidat a réussi l'examen, confirme l'échec ou renvoie le dossier au fonctionnaire du Service public régional de Bruxelles Mobilité pour examen complémentaire.
Si la commission de recours déclare le recours fondé, la redevance visée à l'article 5.3.2 est remboursé.
§ 2. La commission de recours prend sa décision dans un délai d'ordre de soixante jours, qui commence le jour suivant celui de l'introduction du recours.
§ 3. Une copie de la décision est envoyée simultanément au requérant et au centre d'examen dans un délai d'ordre de 10 jours, par envoi recommandé.
Elle décide que le candidat a réussi l'examen, confirme l'échec ou renvoie le dossier au fonctionnaire du Service public régional de Bruxelles Mobilité pour examen complémentaire.
Si la commission de recours déclare le recours fondé, la redevance visée à l'article 5.3.2 est remboursé.
§ 2. La commission de recours prend sa décision dans un délai d'ordre de soixante jours, qui commence le jour suivant celui de l'introduction du recours.
§ 3. Une copie de la décision est envoyée simultanément au requérant et au centre d'examen dans un délai d'ordre de 10 jours, par envoi recommandé.
HOOFDSTUK 2. - De samenstelling van de beroepscommissie
CHAPITRE 2. - La composition de la commission de recours
Art. 4.2.1. De beroepscommissie bestaat uit een kamer voor de examens die in de Franse taal en een kamer voor de examens die in de Nederlandse taal zijn afgelegd.
Elke kamer is samengesteld uit drie leden. Ze worden door de Regering voor een termijn van vier jaar aangesteld. Dit mandaat kan hernieuwd worden.
De Regering bekrachtigt voor elke kamer een voorzitter en een vicevoorzitter onder de leden.
Elke kamer is samengesteld uit drie leden. Ze worden door de Regering voor een termijn van vier jaar aangesteld. Dit mandaat kan hernieuwd worden.
De Regering bekrachtigt voor elke kamer een voorzitter en een vicevoorzitter onder de leden.
Art. 4.2.1. La commission de recours se compose d'une chambre pour les examens qui sont présentés dans la langue française et une chambre pour les examens qui sont présentés dans la langue néerlandaise.
Chaque chambre est composée de trois membres. Ils sont désignés par le Gouvernement pour un mandat de quatre ans. Ce mandat peut être renouvelé.
Le Gouvernement approuve pour chaque chambre un président et un vice-président parmi les membres de la commission.
Chaque chambre est composée de trois membres. Ils sont désignés par le Gouvernement pour un mandat de quatre ans. Ce mandat peut être renouvelé.
Le Gouvernement approuve pour chaque chambre un président et un vice-président parmi les membres de la commission.
Art. 4.2.2. De leden worden aangewezen onder magistraten, advocaten of eenieder die over een voor de opdracht relevante beroepservaring beschikt van ten minste vijf jaar.
De voorzitter van elke kamer is een magistraat.
De voorzitter van elke kamer is een magistraat.
Art. 4.2.2. Les membres sont choisis parmi les magistrats, avocats ou tout un chacun qui dispose d'une expérience professionnelle appropriée pour la fonction d'au moins cinq ans.
Le président de chaque chambre est un magistrat.
Le président de chaque chambre est un magistrat.
Art. 4.2.3. De functie van lid van de beroepscommissie is onverenigbaar met elke betrekking of met elke functie in een rijschool of in een instelling belast met de controle van de in het verkeer gebrachte voertuigen.
Art. 4.2.3. La fonction de membre de la commission de recours est incompatible avec tout emploi ou toute fonction dans une école de conduite ou une institution chargée du contrôle des voitures mises en circulation.
HOOFDSTUK 3. - De werking van de beroepscommissie
CHAPITRE 3. - Le fonctionnement de la commission de recours
Art. 4.3.1. § 1. De ambtenaar van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel Mobiliteit stelt voor elke kamer de agenda, de datum en het uur van de zitting vast. Hij bezorgt het verslag, bedoeld in artikel 4.1.2, samen met het volledige beroepsdossier aan de leden van de bevoegde kamer van de beroepscommissie.
De zittingen van de beroepscommissie zijn niet openbaar.
§ 2. De op de vergadering aanwezige leden van de kamer tekenen het aanwezigheidsregister voorafgaand aan de aanvang van de zitting. Elke kamer zetelt op geldige wijze wanneer twee van haar leden aanwezig zijn.
Een lid kan niet aanwezig zijn tijdens de zitting wanneer hij een persoonlijk en rechtstreeks belang heeft, wanneer de zaak betrekking heeft op zijn bloed- of aanverwanten tot in de vierde graad of de personen met wie hij een feitelijk gezin vormt en persoonlijk en rechtstreeks belang heeft.
§ 3. De voorzitter van de kamer zit de zitting voor. Hij opent, schorst zo nodig en sluit de zitting. Hij is belast met de handhaving van de orde. Tenzij hij anders beslist, worden de zaken behandeld in de volgorde van de agenda.
§ 4. Elke kamer beslist bij gewone meerderheid van stemmen. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter of, bij zijn afwezigheid, deze van de vicevoorzitter beslissend.
De beslissing wordt ondertekend door de voorzitter en de ambtenaar van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel Mobiliteit.
De zittingen van de beroepscommissie zijn niet openbaar.
§ 2. De op de vergadering aanwezige leden van de kamer tekenen het aanwezigheidsregister voorafgaand aan de aanvang van de zitting. Elke kamer zetelt op geldige wijze wanneer twee van haar leden aanwezig zijn.
Een lid kan niet aanwezig zijn tijdens de zitting wanneer hij een persoonlijk en rechtstreeks belang heeft, wanneer de zaak betrekking heeft op zijn bloed- of aanverwanten tot in de vierde graad of de personen met wie hij een feitelijk gezin vormt en persoonlijk en rechtstreeks belang heeft.
§ 3. De voorzitter van de kamer zit de zitting voor. Hij opent, schorst zo nodig en sluit de zitting. Hij is belast met de handhaving van de orde. Tenzij hij anders beslist, worden de zaken behandeld in de volgorde van de agenda.
§ 4. Elke kamer beslist bij gewone meerderheid van stemmen. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter of, bij zijn afwezigheid, deze van de vicevoorzitter beslissend.
De beslissing wordt ondertekend door de voorzitter en de ambtenaar van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel Mobiliteit.
Art. 4.3.1. § 1er. Le fonctionnaire du Service public régional de Bruxelles Mobilité détermine pour chaque chambre l'agenda, la date et l'heure de la séance. Il fournit le rapport visé à l'article 4.1.2, avec le dossier de recours complet aux membres de la chambre compétente de la commission de recours.
Les séances de la commission de recours ne sont pas publiques.
§ 2. Les membres de la chambre présents à la séance signent le registre de présence préalablement au début de la séance. Chaque chambre siège valablement quand deux de ses membres sont présents.
Un membre ne peut pas être présent durant une séance quand il a un intérêt personnel et direct, quand l'affaire concerne un parent ou un parent apparenté jusqu'au quatrième degré ou les personnes avec lesquelles il forme une famille de fait et a un intérêt personnel et direct.
§ 3. Le président de la chambre préside la séance. Il ouvre, suspend si nécessaire et clôture la séance. Il est chargé du maintien de l'ordre. Sauf s'il en décide autrement, les affaires sont traitées dans l'ordre de l'agenda.
§ 4. Chaque chambre décide par majorité simple des voix. En cas de partage des voix, la voix du président ou, en son absence, celle du vice-président, est déterminante.
La décision est signée par le président et par le fonctionnaire du Service public régional de Bruxelles Mobilité.
Les séances de la commission de recours ne sont pas publiques.
§ 2. Les membres de la chambre présents à la séance signent le registre de présence préalablement au début de la séance. Chaque chambre siège valablement quand deux de ses membres sont présents.
Un membre ne peut pas être présent durant une séance quand il a un intérêt personnel et direct, quand l'affaire concerne un parent ou un parent apparenté jusqu'au quatrième degré ou les personnes avec lesquelles il forme une famille de fait et a un intérêt personnel et direct.
§ 3. Le président de la chambre préside la séance. Il ouvre, suspend si nécessaire et clôture la séance. Il est chargé du maintien de l'ordre. Sauf s'il en décide autrement, les affaires sont traitées dans l'ordre de l'agenda.
§ 4. Chaque chambre décide par majorité simple des voix. En cas de partage des voix, la voix du président ou, en son absence, celle du vice-président, est déterminante.
La décision est signée par le président et par le fonctionnaire du Service public régional de Bruxelles Mobilité.
HOOFDSTUK 4. - De vergoeding van de leden van de beroepscommissie
CHAPITRE 4. - Le défraiement des membres de la commission de recours
Art. 4.4.1. De leden van de beroepscommissie bekomen een vergoeding ten laste van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, waarvan het bedrag wordt vastgesteld door de Minister bevoegd voor Verkeersveiligheid . Dit bedrag is gekoppeld aan het indexcijfer van de gezondheidsindex van 30 september 2018.
De vergoeding, vermeld in het eerste lid, wordt op 1 januari van elk jaar aangepast aan het op 30 september van het voorgaande jaar bereikte indexcijfer van de gezondheidsindex en wordt tot op de dichtstbijzijnde euro naar boven afgerond.
De leden van de beroepscommissie hebben eveneens recht op een vergoeding als terugbetaling van de reiskosten onder de voorwaarden en volgens de bedragen van toepassing op de ambtenaren van het ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Zij worden daartoe gelijkgesteld met ambtenaren van niveau A.
De vergoeding, vermeld in het eerste lid, wordt op 1 januari van elk jaar aangepast aan het op 30 september van het voorgaande jaar bereikte indexcijfer van de gezondheidsindex en wordt tot op de dichtstbijzijnde euro naar boven afgerond.
De leden van de beroepscommissie hebben eveneens recht op een vergoeding als terugbetaling van de reiskosten onder de voorwaarden en volgens de bedragen van toepassing op de ambtenaren van het ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Zij worden daartoe gelijkgesteld met ambtenaren van niveau A.
Art. 4.4.1. Les membres de la commission de recours reçoivent un défraiement à charge de la Région Bruxelles-Capitale dont le montant est déterminé par le Ministre en charge de la Sécurité routière . Ce montant est lié à l'indice de l'indice-santé qui est atteint le 30 septembre 2018.
Le défraiement, mentionné dans le premier paragraphe, est adapté chaque 1er janvier à l'indice-santé atteint le 30 septembre de l'année précédente et est arrondi à l'euro supérieur.
Les membres de la commission de recours ont également droit à un défraiement comme remboursement de leur frais de déplacement sous les conditions et selon les montants applicables aux fonctionnaires du ministère de la Région Bruxelles-Capitale. Ils sont pour cela considérés comme des fonctionnaires de niveau A.
Le défraiement, mentionné dans le premier paragraphe, est adapté chaque 1er janvier à l'indice-santé atteint le 30 septembre de l'année précédente et est arrondi à l'euro supérieur.
Les membres de la commission de recours ont également droit à un défraiement comme remboursement de leur frais de déplacement sous les conditions et selon les montants applicables aux fonctionnaires du ministère de la Région Bruxelles-Capitale. Ils sont pour cela considérés comme des fonctionnaires de niveau A.
TITEL 5. - Retributies
TITRE 5. - Redevances
HOOFDSTUK 1. - Theoretisch examen
CHAPITRE 1er. - Examen théorique
Afdeling 1. - Categorie van motorvoertuigen B
Section 1. - Catégorie de véhicules à moteur B
Art. 5.1.1. Voorafgaand aan het theoretisch examen betaalt de kandidaat een retributie van 15 euro.
Art. 5.1.1. Préalablement à l'examen théorique, le candidat paie une redevance de 15 euros.
HOOFDSTUK 2. - Praktisch examen
CHAPITRE 2. - Examen pratique
Afdeling 1. - Categorie van motorvoertuigen B
Section 1re. - Catégorie de véhicules à moteur B
Art. 5.2.1. Voorafgaand aan het praktisch examen betaalt de kandidaat een retributie van 36 euro.
De kandidaat betaalt in de volgende gevallen een retributiebijslag van 36 euro :
1° De kandidaat die zich niet aanmeldt voor een praktische proef waarvoor hij zich heeft laten inschrijven, zonder het examencentrum ten minste 48 uur, zaterdag en zondag niet meegerekend, voor de dag van de proef te verwittigen.
Die bijslag is verschuldigd voor elke praktische proef waarvoor de kandidaat nalaat zich aan te melden.
2° de kandidaat die zich voor het praktisch examen heeft gemeld maar die het niet mocht afleggen om één van de volgende redenen :
a) het voertuig voldeed niet aan de voorschriften van dit besluit of bood geen voldoende veiligheid;
b) er werd niet voldaan aan de vereisten voorgeschreven voor het voorlopige rijbewijs;
c) de kandidaat was niet in staat te rijden;
d) de kandidaat kon één van de documenten genoemd in de artikelen 3.2.6 en 3.2.7 niet voorleggen of was niet vergezeld door de begeleider of de instructeur bedoeld in artikel 3.2.10;
3° de kandidaat wiens examen onderbroken werd omdat hij niet voldoende vertrouwd was met de plaats en het gebruik van de bedieningselementen van het voertuig.
De kandidaat betaalt in de volgende gevallen een retributiebijslag van 36 euro :
1° De kandidaat die zich niet aanmeldt voor een praktische proef waarvoor hij zich heeft laten inschrijven, zonder het examencentrum ten minste 48 uur, zaterdag en zondag niet meegerekend, voor de dag van de proef te verwittigen.
Die bijslag is verschuldigd voor elke praktische proef waarvoor de kandidaat nalaat zich aan te melden.
2° de kandidaat die zich voor het praktisch examen heeft gemeld maar die het niet mocht afleggen om één van de volgende redenen :
a) het voertuig voldeed niet aan de voorschriften van dit besluit of bood geen voldoende veiligheid;
b) er werd niet voldaan aan de vereisten voorgeschreven voor het voorlopige rijbewijs;
c) de kandidaat was niet in staat te rijden;
d) de kandidaat kon één van de documenten genoemd in de artikelen 3.2.6 en 3.2.7 niet voorleggen of was niet vergezeld door de begeleider of de instructeur bedoeld in artikel 3.2.10;
3° de kandidaat wiens examen onderbroken werd omdat hij niet voldoende vertrouwd was met de plaats en het gebruik van de bedieningselementen van het voertuig.
Art. 5.2.1. Préalablement à l'examen pratique, le candidat paie une redevance de 36 euros.
Le candidat paie un supplément de redevance de 36 euros dans les cas suivants :
1° Le candidat qui, sans avertir le centre d'examen au moins 48 heures, le samedi et le dimanche non compris, avant la date fixée pour l'épreuve, ne se présente pas à une épreuve pratique pour laquelle il s'est inscrit.
Ce supplément est dû pour chaque épreuve pratique à laquelle le candidat néglige de se présenter.
2° le candidat qui, s'étant présenté à l'examen pratique, n'a pas été admis à le passer pour une des raisons suivantes :
a) le véhicule ne répondait pas aux prescriptions du présent arrêté ou n'offrait pas une sécurité suffisante;
b) il n'était pas satisfait aux exigences prévues pour le permis de conduire provisoire;
c) le candidat n'était pas en état de conduire;
d) le candidat ne pouvait présenter un des documents énumérés aux articles 3.2.6 et 3.2.7 ou n'était pas accompagné par l'accompagnateur ou le moniteur visé à l'article 3.2.10;
3° le candidat dont l'examen a été interrompu parce qu'il n'était pas suffisamment familiarisé avec l'emplacement et l'utilisation des commandes du véhicule.
Le candidat paie un supplément de redevance de 36 euros dans les cas suivants :
1° Le candidat qui, sans avertir le centre d'examen au moins 48 heures, le samedi et le dimanche non compris, avant la date fixée pour l'épreuve, ne se présente pas à une épreuve pratique pour laquelle il s'est inscrit.
Ce supplément est dû pour chaque épreuve pratique à laquelle le candidat néglige de se présenter.
2° le candidat qui, s'étant présenté à l'examen pratique, n'a pas été admis à le passer pour une des raisons suivantes :
a) le véhicule ne répondait pas aux prescriptions du présent arrêté ou n'offrait pas une sécurité suffisante;
b) il n'était pas satisfait aux exigences prévues pour le permis de conduire provisoire;
c) le candidat n'était pas en état de conduire;
d) le candidat ne pouvait présenter un des documents énumérés aux articles 3.2.6 et 3.2.7 ou n'était pas accompagné par l'accompagnateur ou le moniteur visé à l'article 3.2.10;
3° le candidat dont l'examen a été interrompu parce qu'il n'était pas suffisamment familiarisé avec l'emplacement et l'utilisation des commandes du véhicule.
HOOFDSTUK 3. - Andere retributies
CHAPITRE 3. - Autres redevances
Afdeling 1. - Categorie van motorvoertuigen B
Section 1re. - Catégorie de véhicules à moteur B
Art. 5.3.1. De retributie voor de afgifte van een duplicaat van elk document door de examencentra voorgeschreven door dit besluit bedraagt 7,50 euro.
Art. 5.3.1. La redevance pour la délivrance par les centres d'examen d'un duplicata de tout document prévu par le présent arrêté est de 7,50 euros.
Art. 5.3.2. De retributie voor het verzoekschrift aan de beroepscommissie in de zin van artikel 4.1.1, § 3, 1°, bedraagt 12,50 euro.
Art. 5.3.2. La redevance pour l'introduction d'un recours devant la commission de recours au sens de l'article 4.1.1, § 3, 1°, est de 12,50 euros.
HOOFDSTUK 4. - Gemeenschappelijke bepalingen aan de vorige hoofdstukken
CHAPITRE 4. - Dispositions communes aux chapitres précédents
Art. 5.4.1. De Minister bevoegd voor Verkeersveiligheid bepaalt de betalingswijze van deze retributies. In deze bedragen is de belasting over de toegevoegde waarde inbegrepen.
De bedragen van de retributies zijn gekoppeld aan het indexcijfer van de gezondheidsindex van 30 september 2018.
De retributie, vermeld in het eerste lid, wordt op 1 januari van elk jaar automatisch aangepast aan het op 30 september van het voorgaande jaar bereikte indexcijfer van de gezondheidsindex en wordt tot op de dichtstbijzijnde euro naar boven afgerond.
De bedragen van de retributies zijn gekoppeld aan het indexcijfer van de gezondheidsindex van 30 september 2018.
De retributie, vermeld in het eerste lid, wordt op 1 januari van elk jaar automatisch aangepast aan het op 30 september van het voorgaande jaar bereikte indexcijfer van de gezondheidsindex en wordt tot op de dichtstbijzijnde euro naar boven afgerond.
Art. 5.4.1. Le Ministre en charge de la Sécurité routière fixe les modalités de paiement de ces redevances. Ces montants comprennent la taxe sur la valeur ajoutée.
Les montants des redevances sont liés à l'indice santé atteint le 30 septembre 2018.
La redevance, visée à l'alinéa 1er, fait l'objet d'une indexation automatique au 1er janvier de chaque année calculée sur la base de l'index santé atteint le 30 septembre de l'année précédente et est arrondie à l'euro supérieur le plus proche.
Les montants des redevances sont liés à l'indice santé atteint le 30 septembre 2018.
La redevance, visée à l'alinéa 1er, fait l'objet d'une indexation automatique au 1er janvier de chaque année calculée sur la base de l'index santé atteint le 30 septembre de l'année précédente et est arrondie à l'euro supérieur le plus proche.
TITEL 6. - Overgangsbepalingen
TITRE 6. - Dispositions transitoires
Art. 6.1. Voor de kandidaat-bestuurders die beschikken over een voorlopig rijbewijs voor de categorie van motorvoertuigen B met een eerste afgiftedatum vóór 1 november 2018 blijven de bepalingen gelden die van toepassing waren vóór 1 november 2018.
In afwijking van het eerste lid zijn de artikelen 3.2.1, 3.2.2, 3.2.7, 3.2.8, 3.2.9, 3.2.12, 3.2.13, 3.2.14, 3.2.15 en titel 4 en 5 van toepassing op de kandidaat-bestuurders, bedoeld in het eerste lid, vanaf 1 november 2018.
In afwijking van het tweede lid, blijft artikel 39, § 5, van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs, van toepassing op de kandidaat-bestuurders, bedoeld in het eerste lid, vanaf 1 november 2018.
In afwijking van het tweede lid, blijven de gebeurtenissen die aanleiding geven tot een retributiebijslag, bedoeld in artikel 63, § 2, 2°, van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs, zijn van toepassing op de kandidaat-bestuurders, bedoeld in het eerste lid, vanaf 1 november 2018. De retributiebijslag, bepaald in artikel 5.2.1, is van toepassing op deze gebeurtenissen.
In afwijking van het eerste lid zijn de artikelen 3.2.1, 3.2.2, 3.2.7, 3.2.8, 3.2.9, 3.2.12, 3.2.13, 3.2.14, 3.2.15 en titel 4 en 5 van toepassing op de kandidaat-bestuurders, bedoeld in het eerste lid, vanaf 1 november 2018.
In afwijking van het tweede lid, blijft artikel 39, § 5, van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs, van toepassing op de kandidaat-bestuurders, bedoeld in het eerste lid, vanaf 1 november 2018.
In afwijking van het tweede lid, blijven de gebeurtenissen die aanleiding geven tot een retributiebijslag, bedoeld in artikel 63, § 2, 2°, van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs, zijn van toepassing op de kandidaat-bestuurders, bedoeld in het eerste lid, vanaf 1 november 2018. De retributiebijslag, bepaald in artikel 5.2.1, is van toepassing op deze gebeurtenissen.
Art. 6.1. Pour les candidats-conducteurs qui ont un permis de conduire provisoire de la catégorie de véhicules à moteur B avec comme date de première délivrance une date précédant le 1er novembre 2018, les dispositions qui s'appliquaient avant le 1er novembre 2018 continuent à s'appliquer.
Par dérogation à l'alinéa premier, les articles 3.2.1, 3.2.2, 3.2.7, 3.2.8, 3.2.9, 3.2.12, 3.2.13, 3.2.14, 3.2.15 et les titres 4 et 5 s'appliquent aux candidats-conducteurs, visés à l'alinéa premier, à partir du 1er novembre 2018.
Par dérogation à l'alinéa 2, l'article 39, § 5, de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire reste applicable aux candidats conducteurs, visés à l'alinéa premier, à partir du 1er novembre 2018.
Par dérogation à l'alinéa 2, les événements donnant lieu à un supplément de redevance visé à l'article 63, § 2, 2 ° de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire restent applicables aux candidats conducteurs, visés à l'alinéa premier, à partir du 1er novembre 2018. Le supplément de redevance, visé à l'article 5.2.1, s'applique à ces événements.
Par dérogation à l'alinéa premier, les articles 3.2.1, 3.2.2, 3.2.7, 3.2.8, 3.2.9, 3.2.12, 3.2.13, 3.2.14, 3.2.15 et les titres 4 et 5 s'appliquent aux candidats-conducteurs, visés à l'alinéa premier, à partir du 1er novembre 2018.
Par dérogation à l'alinéa 2, l'article 39, § 5, de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire reste applicable aux candidats conducteurs, visés à l'alinéa premier, à partir du 1er novembre 2018.
Par dérogation à l'alinéa 2, les événements donnant lieu à un supplément de redevance visé à l'article 63, § 2, 2 ° de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire restent applicables aux candidats conducteurs, visés à l'alinéa premier, à partir du 1er novembre 2018. Le supplément de redevance, visé à l'article 5.2.1, s'applique à ces événements.
Art. 6.2. De regels inzake de beroepsprocedure bedoeld in artikelen 39, § 7, 47 en 48 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs zijn van toepassing op beroepen die werden ingesteld voor de inwerkingtreding van dit besluit.
Art. 6.2. Les règles en matière de procédure de recours visées aux articles 39, § 7, 47 et 48 de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire s'appliquent aux recours introduits avant l'entrée en vigueur de cet arrêté.
TITEL 7. - Wijzigingsbepalingen
TITRE 7. - Dispositions modificatives
Art. 7.1. In artikel 63, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 20 juli 2000, 10 juli 2006, 1 september 2006, 4 mei 2007, 31 oktober 2008, 28 april 2011 en 8 januari 2013, wordt de rubriek "Retributiebijslag voor het praktische examen (art. 63, § 2)" aangevuld met "categorie B : 36,00 euro".
Art. 7.1. Dans l'article 63, § 1er, alinéa 1er, de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire, modifié par les arrêtés royaux des 20 juillet 2000, 10 juillet 2006, 1er septembre 2006, 4 mai 2007, 31 octobre 2008, 28 avril 2011 et 8 janvier 2013, la rubrique "Supplément de redevance pour l'examen pratique (art. 63, § 2)" est complétée par "catégorie B : 36,00 euros".
Art. 7.2. Artikel 39, § 5, van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 8 januari 2013, wordt aangevuld met twee leden, luidende :
"De kandidaat die door zijn gedrag het verloop van het examen verstoort is niet geslaagd. Deze kandidaat wordt gedurende een periode van zes maanden uitgesloten van elke deelname aan het examen.
De kandidaat die betrapt wordt op bedrog of op poging tot bedrog is niet geslaagd. De kandidaat en de personen die hebben meegewerkt aan het bedrog of de poging tot bedrog worden gedurende een periode van één jaar uitgesloten van elke deelname aan het examen.".
"De kandidaat die door zijn gedrag het verloop van het examen verstoort is niet geslaagd. Deze kandidaat wordt gedurende een periode van zes maanden uitgesloten van elke deelname aan het examen.
De kandidaat die betrapt wordt op bedrog of op poging tot bedrog is niet geslaagd. De kandidaat en de personen die hebben meegewerkt aan het bedrog of de poging tot bedrog worden gedurende een periode van één jaar uitgesloten van elke deelname aan het examen.".
Art. 7.2. Article 39, § 5, de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire, modifié par l' arrêté royal du 8 janvier 2013, est complété par deux alinéas rédigés comme suit :
"Le candidat qui perturbe le déroulement de l'examen par son comportement échoue. Ce candidat est exclu de toute participation à l'examen pendant une période de six mois.
Le candidat qui est surpris à frauder ou en tentative de fraude échoue. Le candidat et les personnes ayant participé à la fraude ou à la tentative de fraude sont exclus de toute nouvelle participation à l'examen pour une période d'un an."
"Le candidat qui perturbe le déroulement de l'examen par son comportement échoue. Ce candidat est exclu de toute participation à l'examen pendant une période de six mois.
Le candidat qui est surpris à frauder ou en tentative de fraude échoue. Le candidat et les personnes ayant participé à la fraude ou à la tentative de fraude sont exclus de toute nouvelle participation à l'examen pour une période d'un an."
TITEL 8. - Opheffingsbepalingen
TITRE 8. - Dispositions abrogatoires
Art. 8.1. De artikelen 15, tweede lid, 3°, c), 32, § 3, § 4, § 5, § 6 en 39, § 8 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs worden opgeheven.
Art. 8.1. Les articles 15, alinéa 2, 3°, c), 32, § 3, § 4, § 5, § 6, et 39, § 8 de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire sont abrogés.
Art. 8.2. De artikelen 5, § 1, tweede lid, 15, tweede lid, 6°, 38, § 3, 39, § 1, eerste lid, 2°, tweede lid, 5°, 47, 48 en 61, eerste lid, 8° van hetzelfde besluit worden opgeheven.
Art. 8.2. Les articles 5, § 1er, alinéa 2, 15, alinéa 2, 6°, 38, § 3, 39, § 1er, alinéa 1er, 2°, alinéa 2, 5°, 47, 48 et 61, alinéa 1er, 8° du même arrêté sont abrogés.
Art. 8.3. De artikelen 16, 25, § 1 en 31, tweede tot vierde lid, van hetzelfde besluit worden opgeheven voor zover ze van toepassing zijn op het examen of de scholing bedoeld in artikel 23, § 1, 4°, van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968, en op motorvoertuigen van categorie B.
Art. 8.3. Les articles 16, 25, § 1er et 31, alinéas 2 à 4, du même arrêté sont abrogés dans la mesure où ils s'appliquent à l'examen ou à l'enseignement visés à l'article 23, § 1er, 4°, de la loi relative à la police de la circulation routière, coordonnée le 16 mars 1968, et aux véhicules à moteur de la catégorie B.
Art. 8.4. De artikelen 16, eerste lid, 25, § 1, en 33, tweede tot vierde lid, van hetzelfde besluit worden opgeheven voor zover ze van toepassing zijn op het examen of de scholing bedoeld in artikel 23, § 1, 2°, van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968, en op motorvoertuigen van categorie B met uitzondering van de artikelen die betrekking hebben op het plaatsen van de code 96 bedoeld in bijlage 7 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.
Art. 8.4. Les articles 16, alinéa 1er, 25, § 1er, et 33, alinéas 2 à 4, du même arrêté sont abrogés dans la mesure où ils s'appliquent à l'examen ou à l'enseignement visés à l'article 23, § 1er, 2°, de la loi relative à la police de la circulation routière, coordonnée le 16 mars 1968, et aux véhicules à moteur de la catégorie B à l'exception des articles relatifs à l'apposition du code 96 visé à l'annexe 7 de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire.
Art. 8.5. In artikel 35, eerste lid van hetzelfde besluit wordt de letter "B" opgeheven tussen de woorden "AM, A1" en "B+E of G".
Art. 8.5. Dans l'article 35, alinéa 1er, du même arrêté la lettre "B" est abrogée entre les mots "AM, A1" et "B+E ou G".
Art. 8.6. De artikelen 14, tweede lid, 15, tweede lid, 1°, e), 2°, a), 32, § 1, § 2, § 7 en bijlage 4, onderdelen B "Wijze van beoordeling" en C "Wijze van verbetering", van hetzelfde besluit worden opgeheven voor zover zij van toepassing zijn op motorvoertuigen van categorie B met uitzondering van de artikelen die betrekking hebben op het plaatsen van de code 96 bedoeld in bijlage 7 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.
Art. 8.6. Les articles 14, alinéa 2, 15, alinéa 2, 1°, e), 2°, a), 32, § 1er, § 2, § 7, et l'annexe 4, parties B "Mode de cotation" et C "Mode de correction", du même arrêté sont abrogés dans la mesure où ils s'appliquent aux véhicules à moteur de la catégorie B à l'exception des articles relatifs à l'apposition du code 96 visé à l'annexe 7 de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire.
Art. 8.7. De artikelen 15, tweede lid, 1°, b), d), f), 4°, b), 34, 37, 38, § 13, § 14, § 15, 39, § 3, § 5, § 6, § 7, en bijlage 5, onderdeel VI "Wijze van beoordeling van het examen", van hetzelfde besluit worden opgeheven voor zover zij van toepassing zijn op motorvoertuigen van categorie B met uitzondering van de artikelen die betrekking hebben op het plaatsen van de code 96 bedoeld in bijlage 7 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.
Art. 8.7. Les articles 15, alinéa 2, 1°, b), d), f), 4°, b), 34, 37, 38, § 13, § 14, § 15, 39, § 3, § 5, § 6, § 7, et l'annexe 5, partie VI "Mode de cotation de l'examen", du même arrêté sont abrogés dans la mesure où ils s'appliquent aux véhicules à moteur de la catégorie B à l'exception des articles relatifs à l'apposition du code 96 visé à l'annexe 7 de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire.
Art. 8.8. Artikel 16, tweede en derde lid van hetzelfde besluit wordt opgeheven voor zover het van toepassing is op het examen en de scholing bedoeld in artikel 23, § 1, 2°, van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968, en in artikel 15, tweede lid, 1°, e), 2°, a), van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs, en op motorvoertuigen van categorie B met uitzondering van de artikelen die betrekking hebben op het plaatsen van de code 96 bedoeld in bijlage 7 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.
Art. 8.8. L'article 16, alinéa 2 et 3, du même arrêté est abrogé dans la mesure où il s'applique à l'examen ou à l'enseignement visés à l'article 23, § 1er, 2°, de la loi relative à la police de la circulation routière, coordonnée le 16 mars 1968, et à l'article 15, alinéa 2, 1°, e), 2°, a), de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire, et aux véhicules à moteur de la catégorie B à l'exception des articles relatifs à l'apposition du code 96 visé à l'annexe 7 de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire.
Art. 8.9. Artikel 16, tweede en derde lid van hetzelfde besluit wordt opgeheven voor zover het van toepassing is op het examen en de scholing bedoeld in artikel 23, § 1, 2°, van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968, en in artikel 15, tweede lid, 1°, b), d), f), 4°, b), van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs, en op motorvoertuigen van categorie B met uitzondering van de artikelen die betrekking hebben op het plaatsen van de code 96 bedoeld in bijlage 7 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.
Art. 8.9. L'article 16, alinéa 2 et 3, du même arrêté est abrogé dans la mesure où il s'applique à l'examen ou à l'enseignement visés à l'article 23, § 1er, 2°, de la loi relative à la police de la circulation routière, coordonnée le 16 mars 1968, et à l'article 15, alinéa 2, 1°, b), d), f), 4°, b), de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire, et aux véhicules à moteur de la catégorie B à l'exception des articles relatifs à l'apposition du code 96 visé à l'annexe 7 de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire.
Art. 8.10. Artikel 63 van hetzelfde besluit wordt opgeheven voor zover het van toepassing is op het examen bedoeld in artikel 23, § 1, 4°, van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968, en op motorvoertuigen van categorie B.
Art. 8.10. L'article 63 du même arrêté est abrogé dans la mesure où il s'applique à l'examen ou à l'enseignement visés à l'article 23, § 1er, 4°, de la loi relative à la police de la circulation routière, coordonnée le 16 mars 1968, et aux véhicules à moteur de la catégorie B.
Art. 8.11. Artikel 63 van hetzelfde besluit wordt opgeheven voor zover het van toepassing is op het examen bedoeld in artikel 23, § 1, 2°, van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968, en op motorvoertuigen van categorie B met uitzondering van de artikelen die betrekking hebben op het plaatsen van de code 96 bedoeld in bijlage 7 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.
Art. 8.11. L'article 63 du même arrêté est abrogé dans la mesure où il s'applique à l'examen ou à l'enseignement visés à l'article 23, § 1er, 2°, de la loi relative à la police de la circulation routière, coordonnée le 16 mars 1968, et aux véhicules à moteur de la catégorie B à l'exception des articles relatifs à l'apposition du code 96 visé à l'annexe 7 de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire.
Art. 8.12. De artikelen 2 en 9, van het koninklijk besluit van 10 juli 2006 betreffende het rijbewijs voor voertuigen van categorie B worden opgeheven.
Art. 8.12. Les articles 2 et 9, de l'arrêté royal du 10 juillet 2006 relatif au permis de conduire pour les véhicules de catégorie B sont abrogés.
Art. 8.13. De artikelen 5/1, § 1, eerste lid en 8, van hetzelfde besluit worden opgeheven.
Art. 8.13. Les articles 5/1, § 1er, alinéa 1er et 8, du même arrêté sont abrogés.
Art. 8.14. In artikel 5/1, § 2 van hetzelfde besluit worden de woorden "De scholing die gevolgd wordt onder dekking van het vorig voorlopig rijbewijs B wordt in aanmerking genomen voor het berekenen van de termijn voorgeschreven in artikel 8, eerste lid" opgeheven.
Art. 8.14. Dans l'article 5/1, § 2, du même arrêté les mots "L'apprentissage effectué sous le couvert du permis de conduire provisoire B précédent est pris en considération pour le calcul du délai visé à l'article 8, alinéa 1er" sont abrogés.
TITEL 9. - Inwerkingtreding
TITRE 9. - Entrée en vigueur
Art. 9.1. Dit besluit treedt in werking op 1 november 2018.
Art. 9.1. Le présent arrêté entre en vigueur le 1er novembre 2018.
Art. 9.2. De artikelen 1.2.1, 2.1.1, 2.1.2, 3.1.1 tot en met 3.1.13, 3.2.3, 3.2.5, 5.1.1, 5.3.1, 5.4.1, 7.1, 7.2, 8.1, 8.3, 8.6, 8.8, 8.10 en 8.12 treden in werking op 30 april 2018.
Art. 9.2. Les articles 1.2.1, 2.1.1, 2.1.2, 3.1.1 à 3.1.13, 3.2.3, 3.2.5, 5.1.1, 5.3.1, 5.4.1, 7.1, 7.2, 8.1, 8.3, 8.6, 8.8, 8.10 et 8.12 entrent en vigueur le 30 avril 2018.
Art. 9.3. De artikelen 2.2.9 tot en met 2.2.13 treden in werking op 30 april 2018 voor zover zij van toepassing zijn op de kandidaten die tweemaal niet geslaagd zijn voor het praktisch examen.
Art. 9.3. Les articles 2.2.9 à 2.2.13 entrent en vigueur le 30 avril 2018 dans la mesure où ils s'appliquent aux candidats ayant échoué à deux reprises à l'examen pratique.
TITEL 10. - Uitvoeringsbepaling
TITRE 10. - Disposition exécutoire
Art. 10.1. De Staatssecretaris bevoegd voor Verkeersveiligheid is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 10.1. Le Secrétaire d'Etat chargé de la Sécurité routière est chargé de l'exécution du présent arrêté.