Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
14 SEPTEMBER 2016. - Koninklijk besluit betreffende de kosten, de percentages, de duur en de terugbetalingsmodaliteiten van kredietovereenkomsten onderworpen aan boek VII van het Wetboek van economisch recht en de vaststelling van referte-indexen voor de veranderlijke rentevoeten inzake hypothecaire kredieten en de hiermee gelijkgestelde consumentenkredieten(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 21-10-2016 en tekstbijwerking tot 07-05-2019)
Titre
14 SEPTEMBRE 2016. - Arrêté royal relatif aux coûts, aux taux, à la durée et aux modalités de remboursement des contrats de crédit soumis à l'application du livre VII du Code de droit économique et à la fixation des indices de référence pour les taux d'intérêt variables en matière de crédits hypothécaires et de crédits à la consommation y assimilés(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 21-10-2016 et mise à jour au 07-05-2019)
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepaling
HOOFDSTUK 2. - Definities
HOOFDSTUK 3. - Basisvergelijking
HOOFDSTUK 4. - Veronderstellingen
HOOFDSTUK 5. - Debet- en nalatigheidsinteresten
HOOFDSTUK 6. - Referte-indexen voor de verander...
HOOFDSTUK 7. - Maximale jaarlijkse kostenpercen...
HOOFDSTUK 8. - Maximale terugbetalingstermijnen...
HOOFDSTUK 9. - Opheffingsbepalingen
HOOFDSTUK 10. - Overgangsbepalingen
HOOFDSTUK 11. - Inwerkingtreding.
BIJLAGEN.
Table des matières
CHAPITRE 1er. - Disposition introductive
CHAPITRE 2. - Définitions
CHAPITRE 3. - De la comparaison de base
CHAPITRE 4. - Des hypothèses
CHAPITRE 5. - Des intérêts débiteurs et de retard
CHAPITRE 6. - Indices de référence pour les tau...
CHAPITRE 7. - Des taux annuels effectifs globau...
CHAPITRE 8. - Des délais maxima de remboursemen...
CHAPITRE 9. - Dispositions abrogatoires
CHAPITRE 10. - Dispositions transitoires
CHAPITRE 11. - Entrée en vigueur
ANNEXES.
Tekst (33)
Texte (33)
HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepaling
CHAPITRE 1er. - Disposition introductive
Artikel 1. Dit besluit voorziet onder meer in de omzetting van artikel 19 en van bijlage I bij richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van Richtlijn 87/102/EEG, zoals gewijzigd door richtlijn 2011/90/EU van de Commissie van 14 november 2011 en van artikel 17 en bijlage I bij Richtlijn 2014/17/EU van het Europees Parlement en van de Raad van 4 februari 2014 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen en tot wijziging van de richtlijnen 2008/48/EG en 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 1093/2010.
Article 1er. Le présent arrêté prévoit notamment la transposition de l'article 19 et de l'annexe Ire de la directive 2008/48/CE du Parlement européen et du Conseil concernant les contrats de crédit aux consommateurs et abrogeant la directive 87/102/CEE du Conseil, telle que modifiée par la directive 2011/90/UE de la Commission du 14 novembre 2011 et de la directive 2014/17/UE du Parlement européen et du Conseil du 4 février 2014 sur les contrats de crédit aux consommateurs relatifs aux biens immobiliers à usage résidentiel et modifiant les directives 2008/48/CE et 2013/36/UE et le règlement (UE) n° 1093/2010.
HOOFDSTUK 2. - Definities
CHAPITRE 2. - Définitions
Art. 2. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
1° "de residuele waarde" : de aankoopprijs bij de lichting van de koopoptie of bij de eigendomsoverdracht zoals bedoeld in artikel VII.81, § 2, van het Wetboek van economisch recht;
2° "de kredietopneming" : het bedrag dat ter beschikking wordt gesteld van de consument in de vorm van een uitstel van betaling, koopkracht, een geldsom of gelijk welk ander betaalmiddel, de residuele waarde inbegrepen;
3° "overbruggingskrediet" : een hypothecaire kredietovereenkomst die hetzij voor onbepaalde duur geldt, hetzij binnen twaalf maanden moet worden afgelost, en die door de consument als tijdelijke financieringsoplossing wordt gebruikt terwijl hij de overstap maakt naar een andere financiële regeling voor het onroerend goed;
4° [1 "het Agentschap": het Federale Agentschap van de Schuld, ingesteld bij de wet van 25 oktober 2016 houdende oprichting van het Federaal Agentschap van de Schuld en opheffing van het Rentenfonds.]1
1° "de residuele waarde" : de aankoopprijs bij de lichting van de koopoptie of bij de eigendomsoverdracht zoals bedoeld in artikel VII.81, § 2, van het Wetboek van economisch recht;
2° "de kredietopneming" : het bedrag dat ter beschikking wordt gesteld van de consument in de vorm van een uitstel van betaling, koopkracht, een geldsom of gelijk welk ander betaalmiddel, de residuele waarde inbegrepen;
3° "overbruggingskrediet" : een hypothecaire kredietovereenkomst die hetzij voor onbepaalde duur geldt, hetzij binnen twaalf maanden moet worden afgelost, en die door de consument als tijdelijke financieringsoplossing wordt gebruikt terwijl hij de overstap maakt naar een andere financiële regeling voor het onroerend goed;
4° [1 "het Agentschap": het Federale Agentschap van de Schuld, ingesteld bij de wet van 25 oktober 2016 houdende oprichting van het Federaal Agentschap van de Schuld en opheffing van het Rentenfonds.]1
Modifications
Art. 2. Pour l'application du présent arrêté, sont définis comme suit :
1° " la valeur résiduelle " : le prix d'achat lors de la levée de l'option d'achat ou du transfert de propriété, tel que visé par l'article VII.81, § 2, du Code de droit économique;
2° " le prélèvement de crédit " : le montant mis à la disposition du consommateur sous forme d'un délai de paiement, d'un pouvoir d'achat, d'une somme d'argent ou tout moyen de paiement, y compris la valeur résiduelle;
3° " crédit pont " : un contrat de crédit hypothécaire sans durée fixe ou devant être remboursé dans un délai de douze mois, utilisé par un consommateur comme moyen de financement temporaire lors de la transition vers une autre solution financière pour le bien immobilier;
4° [1 "l'Agence" : l'Agence fédérale de la Dette, instituée par la loi du 25 octobre 2016 portant création de l'Agence fédérale de la Dette et suppression du Fonds des Rentes .]1
1° " la valeur résiduelle " : le prix d'achat lors de la levée de l'option d'achat ou du transfert de propriété, tel que visé par l'article VII.81, § 2, du Code de droit économique;
2° " le prélèvement de crédit " : le montant mis à la disposition du consommateur sous forme d'un délai de paiement, d'un pouvoir d'achat, d'une somme d'argent ou tout moyen de paiement, y compris la valeur résiduelle;
3° " crédit pont " : un contrat de crédit hypothécaire sans durée fixe ou devant être remboursé dans un délai de douze mois, utilisé par un consommateur comme moyen de financement temporaire lors de la transition vers une autre solution financière pour le bien immobilier;
4° [1 "l'Agence" : l'Agence fédérale de la Dette, instituée par la loi du 25 octobre 2016 portant création de l'Agence fédérale de la Dette et suppression du Fonds des Rentes .]1
Modifications
HOOFDSTUK 3. - Basisvergelijking
CHAPITRE 3. - De la comparaison de base
Art. 3. § 1. De basisvergelijking ter bepaling van het jaarlijkse kostenpercentage (JKP), luidt als volgt :
Art. 3. § 1er. L'équation de base qui définit le taux annuel effectif global (TAEG), est la suivante :
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 21-10-2016, p. 70975)
waarbij :
m het nummer van volgorde aanduidt van de laatste kredietopneming;
k het nummer van volgorde aanduidt van een kredietopneming, waarbij 1 ≤ k ≤ m;
Ck het bedrag van kredietopneming nummer k aanduidt;
tk het tijdsinterval aanduidt, uitgedrukt in jaren en fracties van jaren, tussen de datum van kredietopneming nummer 1 en deze van de latere kredietopnemingen nummer 2 tot m, waarbij t1 = 0;
Σ het somteken is;
m' het nummer van volgorde aanduidt van het laatste termijnbedrag;
l het nummer van volgorde aanduidt van een termijnbedrag, waarbij l ≤ m';
Dl het termijnbedrag nummer l aanduidt;
Sl het tijdsinterval aanduidt, uitgedrukt in jaren en fracties van jaren, tussen de datum van de kredietopneming nummer 1 en die van termijnbedragen nummer 1 tot m';
X het jaarlijkse kostenpercentage aanduidt.
§ 2. De door beide partijen op diverse tijdstippen betaalde bedragen zijn niet noodzakelijk gelijk en worden niet noodzakelijk met gelijke tussenpozen betaald. De aanvangsdatum is die van de eerste kredietopneming.
Het verschil tussen de data, bedoeld in tk en sl, die bij de berekeningsmethoden worden gebruikt, wordt uitgedrukt in jaren of fracties van jaren. Een jaar wordt geacht 365 dagen (voor schrikkeljaren 366 dagen), 52 weken of 12 gelijke maanden te tellen. Een gelijke maand wordt geacht 30,41666 dagen te tellen (d.w.z. 365/12), zowel voor gewone jaren als voor schrikkeljaren.
Als een tijdsinterval tussen de eerste kredietopneming en een vervaldag (sl) of tussen de eerste kredietopneming en de datum van een nieuwe kredietopneming (tk) niet kan uitgedrukt worden in een geheel aantal jaren, maanden of weken, dan wordt dat tijdsinterval uitgedrukt in een geheel aantal dagen van alle betalingstermijnen of termijnen tussen twee kredietopnemingen die niet gelijk zijn aan een geheel aantal van jaren, maanden of weken, desgevallend, in combinatie met het geheel aantal van jaren, maanden of weken van de overige termijnen. Als het tijdsinterval kan uitgedrukt worden in een geheel aantal jaren, maanden of weken, dan wordt het niet uitgedrukt in een geheel aantal dagen. Er is geen andere combinatie met jaren of fracties van jaren toegestaan dan die van dagen met, ofwel jaren, ofwel maanden, ofwel weken.
In het geval van dagen :
1° wordt elke dag geteld, ook weekend- en feestdagen;
2° wordt er teruggeteld in gelijke perioden en vervolgens dagen tot de datum van de eerste kredietopneming;
3° wordt de lengte van de periode in dagen verkregen door de eerste dag niet en de laatste dag wel mee te tellen, waarna de periode in jaren wordt uitgedrukt door het verkregen aantal te delen door het aantal dagen (365 of 366 dagen) van het gehele jaar, waarbij wordt teruggeteld van de laatste dag tot dezelfde dag van het voorgaande jaar.
§ 3. De uitkomst van de berekening wordt uitgedrukt in procent en ten minste tot op de eerste decimaal weergegeven. Als de volgende decimaal groter is dan of gelijk is aan 5, wordt de voorgaande decimaal met 1 vermeerderd.
De vergelijking kan met slechts één sommatie worden herschreven aan de hand van het begrip flux (Ak). De flux is positief of negatief, d.w.z. wordt gedurende de perioden 1 tot en met n respectievelijk betaald of ontvangen, en wordt uitgedrukt in jaren, zijnde :
waarbij :
m het nummer van volgorde aanduidt van de laatste kredietopneming;
k het nummer van volgorde aanduidt van een kredietopneming, waarbij 1 ≤ k ≤ m;
Ck het bedrag van kredietopneming nummer k aanduidt;
tk het tijdsinterval aanduidt, uitgedrukt in jaren en fracties van jaren, tussen de datum van kredietopneming nummer 1 en deze van de latere kredietopnemingen nummer 2 tot m, waarbij t1 = 0;
Σ het somteken is;
m' het nummer van volgorde aanduidt van het laatste termijnbedrag;
l het nummer van volgorde aanduidt van een termijnbedrag, waarbij l ≤ m';
Dl het termijnbedrag nummer l aanduidt;
Sl het tijdsinterval aanduidt, uitgedrukt in jaren en fracties van jaren, tussen de datum van de kredietopneming nummer 1 en die van termijnbedragen nummer 1 tot m';
X het jaarlijkse kostenpercentage aanduidt.
§ 2. De door beide partijen op diverse tijdstippen betaalde bedragen zijn niet noodzakelijk gelijk en worden niet noodzakelijk met gelijke tussenpozen betaald. De aanvangsdatum is die van de eerste kredietopneming.
Het verschil tussen de data, bedoeld in tk en sl, die bij de berekeningsmethoden worden gebruikt, wordt uitgedrukt in jaren of fracties van jaren. Een jaar wordt geacht 365 dagen (voor schrikkeljaren 366 dagen), 52 weken of 12 gelijke maanden te tellen. Een gelijke maand wordt geacht 30,41666 dagen te tellen (d.w.z. 365/12), zowel voor gewone jaren als voor schrikkeljaren.
Als een tijdsinterval tussen de eerste kredietopneming en een vervaldag (sl) of tussen de eerste kredietopneming en de datum van een nieuwe kredietopneming (tk) niet kan uitgedrukt worden in een geheel aantal jaren, maanden of weken, dan wordt dat tijdsinterval uitgedrukt in een geheel aantal dagen van alle betalingstermijnen of termijnen tussen twee kredietopnemingen die niet gelijk zijn aan een geheel aantal van jaren, maanden of weken, desgevallend, in combinatie met het geheel aantal van jaren, maanden of weken van de overige termijnen. Als het tijdsinterval kan uitgedrukt worden in een geheel aantal jaren, maanden of weken, dan wordt het niet uitgedrukt in een geheel aantal dagen. Er is geen andere combinatie met jaren of fracties van jaren toegestaan dan die van dagen met, ofwel jaren, ofwel maanden, ofwel weken.
In het geval van dagen :
1° wordt elke dag geteld, ook weekend- en feestdagen;
2° wordt er teruggeteld in gelijke perioden en vervolgens dagen tot de datum van de eerste kredietopneming;
3° wordt de lengte van de periode in dagen verkregen door de eerste dag niet en de laatste dag wel mee te tellen, waarna de periode in jaren wordt uitgedrukt door het verkregen aantal te delen door het aantal dagen (365 of 366 dagen) van het gehele jaar, waarbij wordt teruggeteld van de laatste dag tot dezelfde dag van het voorgaande jaar.
§ 3. De uitkomst van de berekening wordt uitgedrukt in procent en ten minste tot op de eerste decimaal weergegeven. Als de volgende decimaal groter is dan of gelijk is aan 5, wordt de voorgaande decimaal met 1 vermeerderd.
De vergelijking kan met slechts één sommatie worden herschreven aan de hand van het begrip flux (Ak). De flux is positief of negatief, d.w.z. wordt gedurende de perioden 1 tot en met n respectievelijk betaald of ontvangen, en wordt uitgedrukt in jaren, zijnde :
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 21-10-2016, p. 70975)
dont :
m désigne le numéro d'ordre du dernier prélèvement de crédit;
k désigne le numéro d'ordre d'un prélèvement de crédit, dont 1 ≤ k ≤ m;
Ck désigne le montant du prélèvement de crédit numéro k;
tk désigne l'intervalle de temps, exprimé en années et fractions d'années, entre la date du prélèvement de crédit numéro 1 et celle des prélèvements de crédit ultérieurs numéros 2 à m, dont t1 = 0;
Σ est le signe de sommation;
m' désigne le numéro d'ordre du dernier montant d'un terme;
l désigne le numéro d'ordre d'un montant d'un terme, dont l ≤ m';
Dl désigne le montant d'un terme numéro l;
sl désigne l'intervalle de temps, exprimé en années et fractions d'années entre la date du prélèvement de crédit numéro 1 et celle des montants d'un terme numéros 1 à m';
X désigne le taux annuel effectif global.
§ 2. Les montants payés de part et d'autre à différents moments ne sont pas nécessairement égaux et ne sont pas nécessairement versés à des intervalles réguliers. La date initiale est celle du premier prélèvement de crédit.
L'écart entre les dates, visé en tk et sl, utilisées pour le calcul est exprimé en années ou en fractions d'années. Une année est présumée compter 365 jours (pour les années bis sextiles : 366 jours), 52 semaines ou 12 mois normalisés. Un mois normalisé est présumé compter 30,41666 jours (c'est-à-dire 365/12), que l'année soit bis sextile ou non.
Lorsqu'un intervalle de temps entre le premier prélèvement de crédit et une échéance (sl) ou entre le premier prélèvement de crédit et la date d'un nouveau prélèvement de crédit (tk), ne peut être exprimé en un nombre entier d'années, de mois ou de semaines, cet intervalle de temps est alors exprimé en un nombre entier de jours de tous les termes de paiement ou tous les termes entre deux prélèvements de crédit qui ne sont pas égaux à un nombre entier d'années, de mois ou de semaines, le cas échéant, en combinaison avec le nombre entier d'années, de mois ou de semaines des autres termes. Lorsqu'un intervalle de temps peut être exprimé en un nombre entier d'années, de mois ou de semaines, il n'est alors pas exprimé en un nombre entier de jours. Aucune autre combinaison d'années ou de fractions d'années, que celle de jours avec, soit des années, soit des mois, soit des semaines, n'est autorisée.
En cas d'utilisation de jours :
1° chaque jour est compté, y compris les weekends et les jours fériés;
2° l'intervalle de temps est calculé par périodes normalisées et ensuite par jours en remontant jusqu'à la date du prélèvement de crédit initial;
3° la durée en jours est obtenue en excluant le premier jour et en incluant le dernier et elle est exprimée en années en divisant le nombre obtenu par le nombre de jours (365 ou 366) de l'année complète en remontant du dernier jour au même jour de l'année précédente.
§ 3. Le résultat du calcul est exprimé en pourcentage et avec une exactitude d'au moins une décimale. Si le chiffre de la décimale suivante est supérieur ou égal à 5, le chiffre de la décimale précédente sera augmenté de 1.
On peut réécrire l'équation en n'utilisant qu'une seule sommation et en utilisant la notion de flux (Ak) qui seront positifs ou négatifs, c'est-à-dire respectivement payés ou perçus aux périodes 1 à n, et exprimés en années, soit :
dont :
m désigne le numéro d'ordre du dernier prélèvement de crédit;
k désigne le numéro d'ordre d'un prélèvement de crédit, dont 1 ≤ k ≤ m;
Ck désigne le montant du prélèvement de crédit numéro k;
tk désigne l'intervalle de temps, exprimé en années et fractions d'années, entre la date du prélèvement de crédit numéro 1 et celle des prélèvements de crédit ultérieurs numéros 2 à m, dont t1 = 0;
Σ est le signe de sommation;
m' désigne le numéro d'ordre du dernier montant d'un terme;
l désigne le numéro d'ordre d'un montant d'un terme, dont l ≤ m';
Dl désigne le montant d'un terme numéro l;
sl désigne l'intervalle de temps, exprimé en années et fractions d'années entre la date du prélèvement de crédit numéro 1 et celle des montants d'un terme numéros 1 à m';
X désigne le taux annuel effectif global.
§ 2. Les montants payés de part et d'autre à différents moments ne sont pas nécessairement égaux et ne sont pas nécessairement versés à des intervalles réguliers. La date initiale est celle du premier prélèvement de crédit.
L'écart entre les dates, visé en tk et sl, utilisées pour le calcul est exprimé en années ou en fractions d'années. Une année est présumée compter 365 jours (pour les années bis sextiles : 366 jours), 52 semaines ou 12 mois normalisés. Un mois normalisé est présumé compter 30,41666 jours (c'est-à-dire 365/12), que l'année soit bis sextile ou non.
Lorsqu'un intervalle de temps entre le premier prélèvement de crédit et une échéance (sl) ou entre le premier prélèvement de crédit et la date d'un nouveau prélèvement de crédit (tk), ne peut être exprimé en un nombre entier d'années, de mois ou de semaines, cet intervalle de temps est alors exprimé en un nombre entier de jours de tous les termes de paiement ou tous les termes entre deux prélèvements de crédit qui ne sont pas égaux à un nombre entier d'années, de mois ou de semaines, le cas échéant, en combinaison avec le nombre entier d'années, de mois ou de semaines des autres termes. Lorsqu'un intervalle de temps peut être exprimé en un nombre entier d'années, de mois ou de semaines, il n'est alors pas exprimé en un nombre entier de jours. Aucune autre combinaison d'années ou de fractions d'années, que celle de jours avec, soit des années, soit des mois, soit des semaines, n'est autorisée.
En cas d'utilisation de jours :
1° chaque jour est compté, y compris les weekends et les jours fériés;
2° l'intervalle de temps est calculé par périodes normalisées et ensuite par jours en remontant jusqu'à la date du prélèvement de crédit initial;
3° la durée en jours est obtenue en excluant le premier jour et en incluant le dernier et elle est exprimée en années en divisant le nombre obtenu par le nombre de jours (365 ou 366) de l'année complète en remontant du dernier jour au même jour de l'année précédente.
§ 3. Le résultat du calcul est exprimé en pourcentage et avec une exactitude d'au moins une décimale. Si le chiffre de la décimale suivante est supérieur ou égal à 5, le chiffre de la décimale précédente sera augmenté de 1.
On peut réécrire l'équation en n'utilisant qu'une seule sommation et en utilisant la notion de flux (Ak) qui seront positifs ou négatifs, c'est-à-dire respectivement payés ou perçus aux périodes 1 à n, et exprimés en années, soit :
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 21-10-2016, p. 70976)
waarbij S het saldo is van de geactualiseerde flux en nul bedraagt indien de flux gelijkwaardig is.
De toepasselijke oplossingsmethodes voor de vergelijking geven, bij het invoeren van gelijke gegevens, een jaarlijks kostenpercentage dat gelijk is aan dat van de voorbeelden 1 tot 39 opgenomen in bijlage 1 van dit besluit.
waarbij S het saldo is van de geactualiseerde flux en nul bedraagt indien de flux gelijkwaardig is.
De toepasselijke oplossingsmethodes voor de vergelijking geven, bij het invoeren van gelijke gegevens, een jaarlijks kostenpercentage dat gelijk is aan dat van de voorbeelden 1 tot 39 opgenomen in bijlage 1 van dit besluit.
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 21-10-2016, p. 70976)
S étant le solde des flux actualisés et dont la valeur sera nulle si on veut conserver l'équivalence des flux.
Les méthodes de résolution de l'équation applicables doivent donner, en introduisant des données égales, un taux annuel effectif global égal à celui des exemples 1 à 39 repris dans l'annexe 1re du présent arrêté.
S étant le solde des flux actualisés et dont la valeur sera nulle si on veut conserver l'équivalence des flux.
Les méthodes de résolution de l'équation applicables doivent donner, en introduisant des données égales, un taux annuel effectif global égal à celui des exemples 1 à 39 repris dans l'annexe 1re du présent arrêté.
HOOFDSTUK 4. - Veronderstellingen
CHAPITRE 4. - Des hypothèses
Art. 4. § 1. Bij de berekening van het jaarlijkse kostenpercentage wordt uitgegaan van de veronderstelling dat de kredietovereenkomst voor de overeengekomen tijdsduur geldt en dat de kredietgever en de consument hun verbintenissen nakomen volgens de voorwaarden en op de data die in de kredietovereenkomst zijn bepaald.
Bij kredietovereenkomsten waarin bedingen zijn opgenomen op grond waarvan een wijziging kan plaatsvinden van de debetrentevoet en, in voorkomend geval, van de kosten die deel uitmaken van het jaarlijkse kostenpercentage, welke wijziging bij de berekening daarvan evenwel niet kan worden gekwantificeerd, wordt bij de berekening van het jaarlijkse kostenpercentage uitgegaan van de veronderstelling dat de debetrentevoet en de kosten vast blijven ten opzichte van het oorspronkelijke niveau en tot de afloop van de kredietovereenkomst van toepassing blijft.
Indien in geval van financieringshuur de residuele waarde niet werd bepaald op het ogenblik van het sluiten van de kredietovereenkomst, dan kunnen slechts parameters gehanteerd worden die aanduiden dat het gehuurde goed onderworpen is aan een lineaire afschrijving die de waarde ervan bij het verstrijken van de normale huurtijd zoals die werd bepaald in de kredietovereenkomst, gelijkmaakt aan nul.
De verplichte brandverzekering dient opgenomen te worden in het jaarlijkse kostenpercentage, behalve wanneer het gaat om de verzekering van de gemeenschappelijke delen bij de aankoop van appartementen of huizen in mede-eigendom en waarvoor een verplichting tot het sluiten van een brandverzekering steeds zou gelden ongeacht of het onroerend goed contant of met behulp van een hypothecair krediet werd aangekocht.
§ 2. Wanneer bij de berekening van het jaarlijkse kostenpercentage blijkt dat één of meerdere parameters, nodig voor het oplossen van de basisvergelijking bedoeld in artikel 3, niet kwantificeerbaar zijn op het ogenblik van het verspreiden van reclame, de overhandiging van de precontractuele informatie of het sluiten van de kredietovereenkomst, dan wordt er, ter vervanging van deze parameters, uitsluitend gebruik gemaakt van de volgende bijkomende veronderstellingen :
1° indien de consument op grond van de kredietovereenkomst vrij kan kiezen hoeveel krediet hij opneemt, wordt verondersteld dat het kredietbedrag onmiddellijk en volledig wordt opgenomen;
2° indien een kredietovereenkomst de consument in het algemeen de vrijheid biedt om te kiezen hoeveel krediet hij opneemt, maar bij de verschillende wijzen van kredietopneming een beperking oplegt met betrekking tot het bedrag en de termijn, wordt verondersteld dat het kredietbedrag op de vroegste datum waarin de overeenkomst voorziet, overeenkomstig deze kredietopnemingsbeperkingen wordt opgenomen;
3° indien een kredietovereenkomst verscheidene mogelijkheden van kredietopneming met verschillende kosten of debetrentevoeten biedt, wordt verondersteld dat het kredietbedrag tegen de hoogste kosten en debetrentevoet wordt opgenomen, toegepast op het meest gebruikelijke mechanisme voor kredietopneming waarvan in het raam van dat soort kredietovereenkomst wordt gebruikgemaakt.
Voor wat de toepassing van de voorgaande bepaling betreft, wordt het meest gebruikelijke kredietopnemingsmechanisme voor een kredietovereenkomst bepaald op basis van het aantal verrichtingen voor dit soort van kredietovereenkomst in het voorgaande kalenderjaar of het te verwachten aantal verrichtingen in het geval van een nieuw kredietproduct bij de betrokken kredietgever.
Wanneer de kredietgever niet in staat is om dit kredietopnemingsmechanisme te kennen of op grond van redelijke verwachtingen te bepalen dan wordt het mechanisme toegepast met de hoogste debetrentevoet en kosten;
4° in geval van een geoorloofde debetstand op een rekening of een overbruggingskrediet wordt verondersteld dat het kredietbedrag volledig en voor de volledige duur van de kredietovereenkomst wordt opgenomen. Indien de duur van de geoorloofde debetstand onbekend is, wordt bij de berekening van het jaarlijkse kostenpercentage uitgegaan van de veronderstelling dat de duur van het krediet drie maanden bedraagt. Indien de duur van het overbruggingskrediet onbekend is wordt bij de berekening van het jaarlijkse kostenpercentage uitgegaan van de veronderstelling dat de duur twaalf maanden bedraagt;
5° in geval van een andere kredietovereenkomst voor onbepaalde duur dan de kredietovereenkomsten bedoeld onder 4° van deze paragraaf wordt geacht dat :
a) voor de hypothecaire kredieten met een onroerende bestemming, het krediet vanaf de datum van de eerste kredietopneming voor een periode van 20 jaar wordt verstrekt en dat de laatste betaling door de consument het saldo van het kapitaal, de rente en eventuele overige kosten dekt; en voor alle overige kredietovereenkomsten dat het krediet vanaf de datum van de eerste kredietopneming voor een periode van één jaar wordt verstrekt en dat de laatste betaling door de consument het saldo van het kapitaal, de rente en de eventuele overige kosten dekt;
b) het kapitaal vanaf één maand na de datum van de eerste kredietopneming door de consument in gelijke maandelijkse termijnbedragen wordt terugbetaald. In gevallen waarin het kapitaal binnen elke betalingstermijn uitsluitend volledig in één betaling moet worden terugbetaald, worden achtereenvolgende kredietopnemingen en terugbetalingen door de consument van het gehele kapitaal geacht over de periode van één jaar plaats te vinden. De rente en overige kosten worden overeenkomstig deze kredietopnemingen en terugbetalingen van kapitaal toegepast zoals in de kredietovereenkomst vastgelegd.
In dit punt wordt onder een kredietovereenkomst voor onbepaalde duur een krediet zonder vaste looptijd verstaan, met inbegrip van een krediet dat binnen of na een bepaalde periode volledig moet worden terugbetaald, maar vervolgens, na terugbetaling, weer beschikbaar is om te worden opgenomen;
6° in geval van andere kredietovereenkomsten dan geoorloofde debetstanden, overbruggingskredieten, gedeelde vermogenskredietovereenkomsten (shared equity-overeenkomsten), voorwaardelijke verplichtingen of garanties en kredietovereenkomsten voor onbepaalde duur zoals bedoeld in de veronderstellingen onder 4°, 5°, 11° en 12° :
a) indien de datum of het bedrag van een door de consument te verrichten terugbetaling van kapitaal niet kan worden vastgesteld, wordt de terugbetaling geacht te zijn verricht op de vroegste datum en met het laagste bedrag waarin de kredietovereenkomst voorziet;
b) indien het interval tussen de datum van de eerste opneming en de datum van de eerste door de consument te betalen aflossing niet kan worden vastgesteld, wordt het geacht het kortste interval te zijn;
7° wanneer de datum of het bedrag van een door de consument te verrichten betaling op basis van de kredietovereenkomst of op basis van de veronderstellingen onder 4°, 5°, 6°, 11° of 12° niet kan worden vastgesteld, wordt de betaling geacht te zijn verricht overeenkomstig de data en voorwaarden van de kredietgever en, indien deze onbekend zijn :
a) wordt de rente samen met de terugbetalingen van kapitaal betaald;
b) worden in één bedrag uitgedrukte niet-rentekosten betaald op de datum waarop de kredietovereenkomst wordt gesloten;
c) worden in verschillende betalingen uitgedrukte niet-rentekosten in periodieke termijnen betaald, te beginnen op de datum van de eerste terugbetaling van kapitaal, en indien het bedrag van dergelijke betalingen onbekend is, worden deze geacht gelijke bedragen te zijn;
d) dekt de laatste betaling het saldo van het kapitaal, de rente en de eventuele overige kosten;
8° indien voor de hypothecaire kredieten met een onroerende bestemming of de voorwaardelijke verplichting of garantie het kredietbedrag nog niet is overeengekomen, wordt het geacht 170.000 euro te bedragen. Voor alle overige kredietovereenkomsten waarbij het kredietbedrag nog niet is overeengekomen wordt het bedrag geacht 1.500 euro te zijn;
9° indien voor een beperkte termijn of een beperkt bedrag verschillende debetrentevoeten en kosten worden aangeboden, worden de hoogste debetrentevoet en de hoogste kosten geacht de debetrentevoet en de kosten voor de gehele duur van de kredietovereenkomst te zijn;
10° met betrekking tot kredietovereenkomsten waarvoor een vaste debetrentevoet voor de eerste periode is overeengekomen en waarvoor aan het eind van deze periode een nieuwe debetrentevoet wordt vastgesteld die vervolgens periodiek wordt aangepast volgens een overeengekomen indicator of referte-index, wordt bij de berekening van het jaarlijkse kostenpercentage uitgegaan van de hypothese dat vanaf het eind van de periode met vaste debetrentevoet de debetrentevoet dezelfde is als op het ogenblik van de berekening van het jaarlijkse kostenpercentage, gebaseerd op de waarde van de overeengekomen indicator of referte-index op dat moment, doch, in het geval van hypothecair krediet, niet lager dan de vaste debetrentevoet;
11° in het geval van voorwaardelijke verplichtingen of garanties wordt het kredietbedrag geacht volledig in één bedrag te worden opgenomen op de vroegste van de volgende data :
a) de meest recente datum van kredietopneming die is geoorloofd krachtens de kredietovereenkomst welke de mogelijke bron van de voorwaardelijke verplichting of garantie is; of
b) in het geval van een roll-over krediet, aan het eind van de eerste periode vóór de hernieuwing van de kredietovereenkomst.
12° in het geval van gedeelde vermogenskredietovereenkomsten (zgn. "shared equity-overeenkomsten") :
a) worden de aflossingen door de consumenten geacht op de laatste krachtens de kredietovereenkomst geoorloofde datum of data plaats te vinden;
b) het percentage van de waardestijging van het onroerend goed dat de gedeelde vermogenskredietovereenkomst (shared equity-kredietovereenkomst) dekt, en elk percentage van de inflatie-index waarnaar in de overeenkomst wordt verwezen, worden verondersteld gelijk te zijn aan een percentage gelijk aan de hoogste van twee waarden, namelijk het huidige inflatiestreefcijfer van de centrale bank en het inflatiepeil in de lidstaat waar het onroerend goed op het tijdstip van het sluiten van de kredietovereenkomst is gelegen, dan wel aan 0 % indien deze percentages negatief zijn.
§ 3. Bij de hypothecaire kredietovereenkomsten waarvoor een vaste debetrentevoet voor een eerste periode van ten minste vijf jaar is overeengekomen en waarvoor aan het eind van deze periode wordt onderhandeld over de debetrentevoet teneinde een nieuwe vaste debetrentevoet overeen te komen voor een verdere materiële periode, dekt de berekening van het bijkomende, illustratieve jaarlijkse kostenpercentage dat in het Europees gestandaardiseerd informatieblad (ESIS) is meegedeeld uitsluitend de oorspronkelijke periode met vaste rentevoet en wordt de berekening gebaseerd op de veronderstelling dat aan het einde van de periode met vaste debetrentevoet het uitstaand kapitaal is afgelost.
§ 4. Wanneer de kredietopening verschillende debetrentevoeten voorziet in functie van de opgenomen bedragen of betalingstermijnen, mogen geen van deze debetrentevoeten hoger zijn dan het maximale jaarlijkse kostenpercentage vastgesteld in functie van het kredietbedrag.
Evenzo, wanneer de financieringshuur verschillende tijdstippen voorziet waarop de koopoptie kan gelicht worden, wordt het jaarlijkse kostenpercentage berekend voor elk geval afzonderlijk.
Bij kredietovereenkomsten waarin bedingen zijn opgenomen op grond waarvan een wijziging kan plaatsvinden van de debetrentevoet en, in voorkomend geval, van de kosten die deel uitmaken van het jaarlijkse kostenpercentage, welke wijziging bij de berekening daarvan evenwel niet kan worden gekwantificeerd, wordt bij de berekening van het jaarlijkse kostenpercentage uitgegaan van de veronderstelling dat de debetrentevoet en de kosten vast blijven ten opzichte van het oorspronkelijke niveau en tot de afloop van de kredietovereenkomst van toepassing blijft.
Indien in geval van financieringshuur de residuele waarde niet werd bepaald op het ogenblik van het sluiten van de kredietovereenkomst, dan kunnen slechts parameters gehanteerd worden die aanduiden dat het gehuurde goed onderworpen is aan een lineaire afschrijving die de waarde ervan bij het verstrijken van de normale huurtijd zoals die werd bepaald in de kredietovereenkomst, gelijkmaakt aan nul.
De verplichte brandverzekering dient opgenomen te worden in het jaarlijkse kostenpercentage, behalve wanneer het gaat om de verzekering van de gemeenschappelijke delen bij de aankoop van appartementen of huizen in mede-eigendom en waarvoor een verplichting tot het sluiten van een brandverzekering steeds zou gelden ongeacht of het onroerend goed contant of met behulp van een hypothecair krediet werd aangekocht.
§ 2. Wanneer bij de berekening van het jaarlijkse kostenpercentage blijkt dat één of meerdere parameters, nodig voor het oplossen van de basisvergelijking bedoeld in artikel 3, niet kwantificeerbaar zijn op het ogenblik van het verspreiden van reclame, de overhandiging van de precontractuele informatie of het sluiten van de kredietovereenkomst, dan wordt er, ter vervanging van deze parameters, uitsluitend gebruik gemaakt van de volgende bijkomende veronderstellingen :
1° indien de consument op grond van de kredietovereenkomst vrij kan kiezen hoeveel krediet hij opneemt, wordt verondersteld dat het kredietbedrag onmiddellijk en volledig wordt opgenomen;
2° indien een kredietovereenkomst de consument in het algemeen de vrijheid biedt om te kiezen hoeveel krediet hij opneemt, maar bij de verschillende wijzen van kredietopneming een beperking oplegt met betrekking tot het bedrag en de termijn, wordt verondersteld dat het kredietbedrag op de vroegste datum waarin de overeenkomst voorziet, overeenkomstig deze kredietopnemingsbeperkingen wordt opgenomen;
3° indien een kredietovereenkomst verscheidene mogelijkheden van kredietopneming met verschillende kosten of debetrentevoeten biedt, wordt verondersteld dat het kredietbedrag tegen de hoogste kosten en debetrentevoet wordt opgenomen, toegepast op het meest gebruikelijke mechanisme voor kredietopneming waarvan in het raam van dat soort kredietovereenkomst wordt gebruikgemaakt.
Voor wat de toepassing van de voorgaande bepaling betreft, wordt het meest gebruikelijke kredietopnemingsmechanisme voor een kredietovereenkomst bepaald op basis van het aantal verrichtingen voor dit soort van kredietovereenkomst in het voorgaande kalenderjaar of het te verwachten aantal verrichtingen in het geval van een nieuw kredietproduct bij de betrokken kredietgever.
Wanneer de kredietgever niet in staat is om dit kredietopnemingsmechanisme te kennen of op grond van redelijke verwachtingen te bepalen dan wordt het mechanisme toegepast met de hoogste debetrentevoet en kosten;
4° in geval van een geoorloofde debetstand op een rekening of een overbruggingskrediet wordt verondersteld dat het kredietbedrag volledig en voor de volledige duur van de kredietovereenkomst wordt opgenomen. Indien de duur van de geoorloofde debetstand onbekend is, wordt bij de berekening van het jaarlijkse kostenpercentage uitgegaan van de veronderstelling dat de duur van het krediet drie maanden bedraagt. Indien de duur van het overbruggingskrediet onbekend is wordt bij de berekening van het jaarlijkse kostenpercentage uitgegaan van de veronderstelling dat de duur twaalf maanden bedraagt;
5° in geval van een andere kredietovereenkomst voor onbepaalde duur dan de kredietovereenkomsten bedoeld onder 4° van deze paragraaf wordt geacht dat :
a) voor de hypothecaire kredieten met een onroerende bestemming, het krediet vanaf de datum van de eerste kredietopneming voor een periode van 20 jaar wordt verstrekt en dat de laatste betaling door de consument het saldo van het kapitaal, de rente en eventuele overige kosten dekt; en voor alle overige kredietovereenkomsten dat het krediet vanaf de datum van de eerste kredietopneming voor een periode van één jaar wordt verstrekt en dat de laatste betaling door de consument het saldo van het kapitaal, de rente en de eventuele overige kosten dekt;
b) het kapitaal vanaf één maand na de datum van de eerste kredietopneming door de consument in gelijke maandelijkse termijnbedragen wordt terugbetaald. In gevallen waarin het kapitaal binnen elke betalingstermijn uitsluitend volledig in één betaling moet worden terugbetaald, worden achtereenvolgende kredietopnemingen en terugbetalingen door de consument van het gehele kapitaal geacht over de periode van één jaar plaats te vinden. De rente en overige kosten worden overeenkomstig deze kredietopnemingen en terugbetalingen van kapitaal toegepast zoals in de kredietovereenkomst vastgelegd.
In dit punt wordt onder een kredietovereenkomst voor onbepaalde duur een krediet zonder vaste looptijd verstaan, met inbegrip van een krediet dat binnen of na een bepaalde periode volledig moet worden terugbetaald, maar vervolgens, na terugbetaling, weer beschikbaar is om te worden opgenomen;
6° in geval van andere kredietovereenkomsten dan geoorloofde debetstanden, overbruggingskredieten, gedeelde vermogenskredietovereenkomsten (shared equity-overeenkomsten), voorwaardelijke verplichtingen of garanties en kredietovereenkomsten voor onbepaalde duur zoals bedoeld in de veronderstellingen onder 4°, 5°, 11° en 12° :
a) indien de datum of het bedrag van een door de consument te verrichten terugbetaling van kapitaal niet kan worden vastgesteld, wordt de terugbetaling geacht te zijn verricht op de vroegste datum en met het laagste bedrag waarin de kredietovereenkomst voorziet;
b) indien het interval tussen de datum van de eerste opneming en de datum van de eerste door de consument te betalen aflossing niet kan worden vastgesteld, wordt het geacht het kortste interval te zijn;
7° wanneer de datum of het bedrag van een door de consument te verrichten betaling op basis van de kredietovereenkomst of op basis van de veronderstellingen onder 4°, 5°, 6°, 11° of 12° niet kan worden vastgesteld, wordt de betaling geacht te zijn verricht overeenkomstig de data en voorwaarden van de kredietgever en, indien deze onbekend zijn :
a) wordt de rente samen met de terugbetalingen van kapitaal betaald;
b) worden in één bedrag uitgedrukte niet-rentekosten betaald op de datum waarop de kredietovereenkomst wordt gesloten;
c) worden in verschillende betalingen uitgedrukte niet-rentekosten in periodieke termijnen betaald, te beginnen op de datum van de eerste terugbetaling van kapitaal, en indien het bedrag van dergelijke betalingen onbekend is, worden deze geacht gelijke bedragen te zijn;
d) dekt de laatste betaling het saldo van het kapitaal, de rente en de eventuele overige kosten;
8° indien voor de hypothecaire kredieten met een onroerende bestemming of de voorwaardelijke verplichting of garantie het kredietbedrag nog niet is overeengekomen, wordt het geacht 170.000 euro te bedragen. Voor alle overige kredietovereenkomsten waarbij het kredietbedrag nog niet is overeengekomen wordt het bedrag geacht 1.500 euro te zijn;
9° indien voor een beperkte termijn of een beperkt bedrag verschillende debetrentevoeten en kosten worden aangeboden, worden de hoogste debetrentevoet en de hoogste kosten geacht de debetrentevoet en de kosten voor de gehele duur van de kredietovereenkomst te zijn;
10° met betrekking tot kredietovereenkomsten waarvoor een vaste debetrentevoet voor de eerste periode is overeengekomen en waarvoor aan het eind van deze periode een nieuwe debetrentevoet wordt vastgesteld die vervolgens periodiek wordt aangepast volgens een overeengekomen indicator of referte-index, wordt bij de berekening van het jaarlijkse kostenpercentage uitgegaan van de hypothese dat vanaf het eind van de periode met vaste debetrentevoet de debetrentevoet dezelfde is als op het ogenblik van de berekening van het jaarlijkse kostenpercentage, gebaseerd op de waarde van de overeengekomen indicator of referte-index op dat moment, doch, in het geval van hypothecair krediet, niet lager dan de vaste debetrentevoet;
11° in het geval van voorwaardelijke verplichtingen of garanties wordt het kredietbedrag geacht volledig in één bedrag te worden opgenomen op de vroegste van de volgende data :
a) de meest recente datum van kredietopneming die is geoorloofd krachtens de kredietovereenkomst welke de mogelijke bron van de voorwaardelijke verplichting of garantie is; of
b) in het geval van een roll-over krediet, aan het eind van de eerste periode vóór de hernieuwing van de kredietovereenkomst.
12° in het geval van gedeelde vermogenskredietovereenkomsten (zgn. "shared equity-overeenkomsten") :
a) worden de aflossingen door de consumenten geacht op de laatste krachtens de kredietovereenkomst geoorloofde datum of data plaats te vinden;
b) het percentage van de waardestijging van het onroerend goed dat de gedeelde vermogenskredietovereenkomst (shared equity-kredietovereenkomst) dekt, en elk percentage van de inflatie-index waarnaar in de overeenkomst wordt verwezen, worden verondersteld gelijk te zijn aan een percentage gelijk aan de hoogste van twee waarden, namelijk het huidige inflatiestreefcijfer van de centrale bank en het inflatiepeil in de lidstaat waar het onroerend goed op het tijdstip van het sluiten van de kredietovereenkomst is gelegen, dan wel aan 0 % indien deze percentages negatief zijn.
§ 3. Bij de hypothecaire kredietovereenkomsten waarvoor een vaste debetrentevoet voor een eerste periode van ten minste vijf jaar is overeengekomen en waarvoor aan het eind van deze periode wordt onderhandeld over de debetrentevoet teneinde een nieuwe vaste debetrentevoet overeen te komen voor een verdere materiële periode, dekt de berekening van het bijkomende, illustratieve jaarlijkse kostenpercentage dat in het Europees gestandaardiseerd informatieblad (ESIS) is meegedeeld uitsluitend de oorspronkelijke periode met vaste rentevoet en wordt de berekening gebaseerd op de veronderstelling dat aan het einde van de periode met vaste debetrentevoet het uitstaand kapitaal is afgelost.
§ 4. Wanneer de kredietopening verschillende debetrentevoeten voorziet in functie van de opgenomen bedragen of betalingstermijnen, mogen geen van deze debetrentevoeten hoger zijn dan het maximale jaarlijkse kostenpercentage vastgesteld in functie van het kredietbedrag.
Evenzo, wanneer de financieringshuur verschillende tijdstippen voorziet waarop de koopoptie kan gelicht worden, wordt het jaarlijkse kostenpercentage berekend voor elk geval afzonderlijk.
Art. 4. § 1er. Le calcul du taux annuel effectif global repose sur l'hypothèse que le contrat de crédit restera valable pendant la durée convenue et que le prêteur et le consommateur rempliront leurs obligations selon les conditions et aux dates déterminées dans le contrat de crédit.
Pour les contrats de crédit comportant des clauses qui permettent des adaptations du taux débiteur et, le cas échéant, des coûts entrant dans le taux annuel effectif global, mais ne pouvant pas faire l'objet d'une quantification au moment du calcul, le taux annuel effectif global est calculé en partant de l'hypothèse que le taux débiteur et les coûts resteront fixes par rapport au niveau initial et s'appliquera jusqu'au terme du contrat de crédit.
Si, en matière de crédit-bail, la valeur résiduelle n'est pas indiquée au moment de la conclusion du contrat de crédit, seuls peuvent être utilisés les paramètres qui indiquent que le bien loué fait l'objet d'un amortissement linéaire rendant sa valeur égale à zéro au terme de la durée normale de location telle que déterminée dans le contrat de crédit.
L'assurance incendie obligatoire doit être reprise dans le taux annuel effectif global, sauf s'il s'agit de l'assurance des parties communes pour l'achat d'appartements ou de maisons en copropriété et pour lesquels l'obligation de conclure une assurance incendie serait toujours applicable, peu importe que l'achat du bien immeuble se fasse au comptant ou à l'aide d'un crédit hypothécaire.
§ 2. Lorsque, lors du calcul du taux annuel effectif global, il s'avère qu'un ou plusieurs paramètres, nécessaires pour résoudre l'équation de base visée à l'article 3, sont inquantifiables au moment de la diffusion de la publicité, de la remise de l'information précontractuelle, ou de la conclusion du contrat de crédit, il est fait exclusivement usage, pour remplacer ces paramètres, des hypothèses supplémentaires suivantes :
1° si un contrat de crédit laisse au consommateur le libre choix quant au prélèvement de crédit, le montant du crédit est réputé entièrement et immédiatement prélevé;
2° si un contrat de crédit laisse en général au consommateur le libre choix quant au prélèvement de crédit, mais prévoit parmi les divers modes de prélèvement une limite quant au montant et à la durée, le montant du crédit est réputé prélevé à la date la plus proche prévue dans le contrat et conformément à ces limites de prélèvement de crédit;
3° si un contrat de crédit offre au consommateur différentes possibilités quant au prélèvement de crédit, assorties de frais ou de taux débiteurs différents, le montant du crédit est réputé prélevé au taux débiteur le plus élevé et avec les frais les plus élevés dans la catégorie d'opérations la plus fréquemment utilisé pour ce type de contrat de crédit.
En ce qui concerne l'application de la disposition précédente, le mécanisme de prélèvement le plus utilisé pour un contrat de crédit est déterminé sur base du nombre d'opérations pour ce type de contrat de crédit dans l'année calendrier qui précède ou du nombre d'opérations espérées en cas d'un nouveau produit de crédit auprès du prêteur concerné.
Lorsque le prêteur n'est pas en mesure de connaître ce mécanisme de prélèvement de crédit ou de le déterminer sur base de prévisions raisonnables, le mécanisme avec le taux débiteur et les frais les plus élevés est alors appliqué;
4° en cas de facilité de découvert ou d'un crédit pont, le montant du crédit est réputé prélevé en totalité et pour la durée totale du contrat de crédit. Si la durée de la facilité de découvert n'est pas connue, on calcule le taux annuel effectif global en partant de l'hypothèse que la durée du crédit est de trois mois. Si la durée du crédit pont n'est pas connue, on calcule le taux annuel effectif global en partant de l'hypothèse que la durée du crédit est de douze mois;
5° en cas de contrat de crédit à durée indéterminée, autre que les contrats de crédit visés au 4° du présent paragraphe :
a) pour les crédits hypothécaires avec une destination immobilière, le crédit est réputé être octroyé pour une durée de vingt ans à partir de la date du prélèvement initial, et le paiement final effectué par le consommateur liquide le solde du capital, les intérêts et les autres frais éventuels; et pour les autres contrats de crédit, le crédit est réputé être octroyé pour une durée d'un an à partir de la date du prélèvement initial, et le paiement final effectué par le consommateur liquide le solde du capital, les intérêts et les autres frais éventuels;
b) le capital est supposé être remboursé par le consommateur en montants de termes mensuels égaux, le remboursement débutant un mois après la date du prélèvement initial. Toutefois, dans les cas où le capital doit être remboursé en totalité uniquement, en un seul versement, à l'intérieur de chaque période de paiement, les prélèvements et les remboursements successifs de la totalité du capital par le consommateur sont supposés être effectués sur la durée d'un an. Les intérêts et autres frais sont appliqués conformément à ces prélèvements et remboursements du capital, d'une part, et aux dispositions du contrat de crédit, d'autre part.
Aux fins du présent point, on entend, par contrat de crédit à durée indéterminée, un contrat de crédit sans durée fixe, y compris les crédits qui doivent être remboursés en totalité dans ou après un délai donné mais qui, une fois remboursés, sont disponibles pour un nouveau prélèvement de crédit;
6° en cas de contrats de crédit autres que les facilités de découvert, les crédits ponts, les contrats de crédit en fonds partagés (contrats shared equity), les engagements conditionnels ou garanties et les contrats de crédit à durée indéterminée visés dans les hypothèses sous 4°, 5°, 11° et 12° :
a) si la date ou le montant d'un remboursement de capital devant être effectué par le consommateur ne peu être établi, le remboursement est réputé être effectué à la date la plus proche prévue dans le contrat de crédit et pour le montant le plus bas prévu dans le contrat;
b) si l'intervalle entre la date du prélèvement initial et celle du premier paiement devant être effectué par le consommateur ne peut pas être établi, il est supposé être l'intervalle le plus court;
7° si la date ou le montant d'un paiement devant être effectué par le consommateur ne peuvent être établis sur la base du contrat de crédit ou des hypothèses sous 4°, 5°, 6°, 11° ou 12° le paiement est réputé être effectué aux dates et conditions requises par le prêteur et, lorsque celles-ci ne sont pas connues :
a) les frais d'intérêts sont payés en même temps que les remboursements du capital;
b) les frais autres que d'intérêts, exprimés sous la forme d'une somme unique, sont payés à la date de conclusion du contrat de crédit;
c) les frais autres que d'intérêts, exprimés sous la forme de paiements multiples, sont payés à intervalles réguliers, à partir de la date du premier remboursement du capital, et si le montant de ces paiements n'est pas connu, les montants sont réputés égaux;
d) le paiement final liquide le solde du capital, les intérêts et les autres frais éventuels;
8° pour les crédits hypothécaires avec une destination immobilière ou pour l'engagement conditionnel ou garantie, si le montant du crédit n'a pas encore été arrêté, le montant est supposé être de 170.000 euros. Pour tous les autres contrats de crédit dont le montant du crédit n'est pas encore arrêté, le montant est supposé être de 1.500 euros;
9° si des taux débiteurs et des frais différents sont proposés pendant une période limitée ou pour un montant limité, le taux débiteur et les frais sont réputés être le taux et les frais les plus élevés pendant la durée totale du contrat de crédit;
10° pour les contrats de crédit pour lesquels un taux débiteur fixe a été convenu dans le cadre de la période initiale, à la fin de laquelle un nouveau taux débiteur est établi et est ensuite périodiquement ajusté en fonction d'un indicateur ou d'un indice de référence convenu, le calcul du taux annuel effectif global part de l'hypothèse que, à compter de la fin de la période à taux débiteur fixe, le taux débiteur est le même qu'au moment du calcul du taux annuel effectif global, en fonction de la valeur de l'indicateur ou l'indice de référence sans, en cas d'un crédit hypothécaire, être inférieur, cependant, au taux débiteur fixe;
11° en cas d'engagements conditionnels ou de garanties, le montant du crédit est réputé prélevé en totalité en une fois à celle des dates suivantes qui intervient le plus tôt :
a) la dernière date de prélèvement de crédit autorisée en vertu du contrat de crédit susceptible de faire intervenir l'engagement conditionnel ou garantie; ou
b) en cas d'un crédit roll-over, à la fin de la période initiale préalablement à la reconduction du contrat de crédit.
12° en cas de contrats de crédit en fonds partagés (contrats " shared equity ") :
a) les paiements effectués par les consommateurs sont réputés intervenir à la (ou aux) dernière(s) date(s) autorisée(s) en vertu du contrat de crédit;
b) le pourcentage d'accroissement de la valeur du bien immobilier qui garantit le contrat de crédit en fonds partagés (contrat shared equity), ainsi que le taux de tout indice d'inflation visé dans le contrat, sont supposés égaux à la valeur la plus élevée entre le taux d'inflation cible de la banque centrale en vigueur et le niveau d'inflation dans l'Etat membre où le bien immobilier est situé au moment de la conclusion du contrat de crédit ou à 0 % si ces pourcentages sont négatifs.
§ 3. Pour les contrats de crédit hypothécaire pour lesquels un taux débiteur fixe a été convenu dans le cadre de la période initiale d'au moins cinq ans, à la fin de laquelle une négociation est menée sur le taux débiteur afin de convenir d'un nouveau taux fixe pour une nouvelle période, le calcul du taux annuel effectif global illustratif supplémentaire figurant dans la fiche standardisée européenne (ESIS) couvre uniquement la période initiale à taux fixe et se fonde sur l'hypothèse selon laquelle, au terme de la période à taux débiteur fixe, le capital restant est remboursé.
§ 4. Lorsque l'ouverture de crédit prévoit des taux débiteurs différents en fonction des montants prélevés ou des termes de paiement, lesdits taux ne peuvent en aucun cas être supérieurs au taux annuel effectif global maximum fixé en fonction du montant du crédit.
De même, lorsque le crédit-bail prévoit plusieurs moments où l'option d'achat peut être levée, le taux annuel effectif global est calculé pour chacun des cas.
Pour les contrats de crédit comportant des clauses qui permettent des adaptations du taux débiteur et, le cas échéant, des coûts entrant dans le taux annuel effectif global, mais ne pouvant pas faire l'objet d'une quantification au moment du calcul, le taux annuel effectif global est calculé en partant de l'hypothèse que le taux débiteur et les coûts resteront fixes par rapport au niveau initial et s'appliquera jusqu'au terme du contrat de crédit.
Si, en matière de crédit-bail, la valeur résiduelle n'est pas indiquée au moment de la conclusion du contrat de crédit, seuls peuvent être utilisés les paramètres qui indiquent que le bien loué fait l'objet d'un amortissement linéaire rendant sa valeur égale à zéro au terme de la durée normale de location telle que déterminée dans le contrat de crédit.
L'assurance incendie obligatoire doit être reprise dans le taux annuel effectif global, sauf s'il s'agit de l'assurance des parties communes pour l'achat d'appartements ou de maisons en copropriété et pour lesquels l'obligation de conclure une assurance incendie serait toujours applicable, peu importe que l'achat du bien immeuble se fasse au comptant ou à l'aide d'un crédit hypothécaire.
§ 2. Lorsque, lors du calcul du taux annuel effectif global, il s'avère qu'un ou plusieurs paramètres, nécessaires pour résoudre l'équation de base visée à l'article 3, sont inquantifiables au moment de la diffusion de la publicité, de la remise de l'information précontractuelle, ou de la conclusion du contrat de crédit, il est fait exclusivement usage, pour remplacer ces paramètres, des hypothèses supplémentaires suivantes :
1° si un contrat de crédit laisse au consommateur le libre choix quant au prélèvement de crédit, le montant du crédit est réputé entièrement et immédiatement prélevé;
2° si un contrat de crédit laisse en général au consommateur le libre choix quant au prélèvement de crédit, mais prévoit parmi les divers modes de prélèvement une limite quant au montant et à la durée, le montant du crédit est réputé prélevé à la date la plus proche prévue dans le contrat et conformément à ces limites de prélèvement de crédit;
3° si un contrat de crédit offre au consommateur différentes possibilités quant au prélèvement de crédit, assorties de frais ou de taux débiteurs différents, le montant du crédit est réputé prélevé au taux débiteur le plus élevé et avec les frais les plus élevés dans la catégorie d'opérations la plus fréquemment utilisé pour ce type de contrat de crédit.
En ce qui concerne l'application de la disposition précédente, le mécanisme de prélèvement le plus utilisé pour un contrat de crédit est déterminé sur base du nombre d'opérations pour ce type de contrat de crédit dans l'année calendrier qui précède ou du nombre d'opérations espérées en cas d'un nouveau produit de crédit auprès du prêteur concerné.
Lorsque le prêteur n'est pas en mesure de connaître ce mécanisme de prélèvement de crédit ou de le déterminer sur base de prévisions raisonnables, le mécanisme avec le taux débiteur et les frais les plus élevés est alors appliqué;
4° en cas de facilité de découvert ou d'un crédit pont, le montant du crédit est réputé prélevé en totalité et pour la durée totale du contrat de crédit. Si la durée de la facilité de découvert n'est pas connue, on calcule le taux annuel effectif global en partant de l'hypothèse que la durée du crédit est de trois mois. Si la durée du crédit pont n'est pas connue, on calcule le taux annuel effectif global en partant de l'hypothèse que la durée du crédit est de douze mois;
5° en cas de contrat de crédit à durée indéterminée, autre que les contrats de crédit visés au 4° du présent paragraphe :
a) pour les crédits hypothécaires avec une destination immobilière, le crédit est réputé être octroyé pour une durée de vingt ans à partir de la date du prélèvement initial, et le paiement final effectué par le consommateur liquide le solde du capital, les intérêts et les autres frais éventuels; et pour les autres contrats de crédit, le crédit est réputé être octroyé pour une durée d'un an à partir de la date du prélèvement initial, et le paiement final effectué par le consommateur liquide le solde du capital, les intérêts et les autres frais éventuels;
b) le capital est supposé être remboursé par le consommateur en montants de termes mensuels égaux, le remboursement débutant un mois après la date du prélèvement initial. Toutefois, dans les cas où le capital doit être remboursé en totalité uniquement, en un seul versement, à l'intérieur de chaque période de paiement, les prélèvements et les remboursements successifs de la totalité du capital par le consommateur sont supposés être effectués sur la durée d'un an. Les intérêts et autres frais sont appliqués conformément à ces prélèvements et remboursements du capital, d'une part, et aux dispositions du contrat de crédit, d'autre part.
Aux fins du présent point, on entend, par contrat de crédit à durée indéterminée, un contrat de crédit sans durée fixe, y compris les crédits qui doivent être remboursés en totalité dans ou après un délai donné mais qui, une fois remboursés, sont disponibles pour un nouveau prélèvement de crédit;
6° en cas de contrats de crédit autres que les facilités de découvert, les crédits ponts, les contrats de crédit en fonds partagés (contrats shared equity), les engagements conditionnels ou garanties et les contrats de crédit à durée indéterminée visés dans les hypothèses sous 4°, 5°, 11° et 12° :
a) si la date ou le montant d'un remboursement de capital devant être effectué par le consommateur ne peu être établi, le remboursement est réputé être effectué à la date la plus proche prévue dans le contrat de crédit et pour le montant le plus bas prévu dans le contrat;
b) si l'intervalle entre la date du prélèvement initial et celle du premier paiement devant être effectué par le consommateur ne peut pas être établi, il est supposé être l'intervalle le plus court;
7° si la date ou le montant d'un paiement devant être effectué par le consommateur ne peuvent être établis sur la base du contrat de crédit ou des hypothèses sous 4°, 5°, 6°, 11° ou 12° le paiement est réputé être effectué aux dates et conditions requises par le prêteur et, lorsque celles-ci ne sont pas connues :
a) les frais d'intérêts sont payés en même temps que les remboursements du capital;
b) les frais autres que d'intérêts, exprimés sous la forme d'une somme unique, sont payés à la date de conclusion du contrat de crédit;
c) les frais autres que d'intérêts, exprimés sous la forme de paiements multiples, sont payés à intervalles réguliers, à partir de la date du premier remboursement du capital, et si le montant de ces paiements n'est pas connu, les montants sont réputés égaux;
d) le paiement final liquide le solde du capital, les intérêts et les autres frais éventuels;
8° pour les crédits hypothécaires avec une destination immobilière ou pour l'engagement conditionnel ou garantie, si le montant du crédit n'a pas encore été arrêté, le montant est supposé être de 170.000 euros. Pour tous les autres contrats de crédit dont le montant du crédit n'est pas encore arrêté, le montant est supposé être de 1.500 euros;
9° si des taux débiteurs et des frais différents sont proposés pendant une période limitée ou pour un montant limité, le taux débiteur et les frais sont réputés être le taux et les frais les plus élevés pendant la durée totale du contrat de crédit;
10° pour les contrats de crédit pour lesquels un taux débiteur fixe a été convenu dans le cadre de la période initiale, à la fin de laquelle un nouveau taux débiteur est établi et est ensuite périodiquement ajusté en fonction d'un indicateur ou d'un indice de référence convenu, le calcul du taux annuel effectif global part de l'hypothèse que, à compter de la fin de la période à taux débiteur fixe, le taux débiteur est le même qu'au moment du calcul du taux annuel effectif global, en fonction de la valeur de l'indicateur ou l'indice de référence sans, en cas d'un crédit hypothécaire, être inférieur, cependant, au taux débiteur fixe;
11° en cas d'engagements conditionnels ou de garanties, le montant du crédit est réputé prélevé en totalité en une fois à celle des dates suivantes qui intervient le plus tôt :
a) la dernière date de prélèvement de crédit autorisée en vertu du contrat de crédit susceptible de faire intervenir l'engagement conditionnel ou garantie; ou
b) en cas d'un crédit roll-over, à la fin de la période initiale préalablement à la reconduction du contrat de crédit.
12° en cas de contrats de crédit en fonds partagés (contrats " shared equity ") :
a) les paiements effectués par les consommateurs sont réputés intervenir à la (ou aux) dernière(s) date(s) autorisée(s) en vertu du contrat de crédit;
b) le pourcentage d'accroissement de la valeur du bien immobilier qui garantit le contrat de crédit en fonds partagés (contrat shared equity), ainsi que le taux de tout indice d'inflation visé dans le contrat, sont supposés égaux à la valeur la plus élevée entre le taux d'inflation cible de la banque centrale en vigueur et le niveau d'inflation dans l'Etat membre où le bien immobilier est situé au moment de la conclusion du contrat de crédit ou à 0 % si ces pourcentages sont négatifs.
§ 3. Pour les contrats de crédit hypothécaire pour lesquels un taux débiteur fixe a été convenu dans le cadre de la période initiale d'au moins cinq ans, à la fin de laquelle une négociation est menée sur le taux débiteur afin de convenir d'un nouveau taux fixe pour une nouvelle période, le calcul du taux annuel effectif global illustratif supplémentaire figurant dans la fiche standardisée européenne (ESIS) couvre uniquement la période initiale à taux fixe et se fonde sur l'hypothèse selon laquelle, au terme de la période à taux débiteur fixe, le capital restant est remboursé.
§ 4. Lorsque l'ouverture de crédit prévoit des taux débiteurs différents en fonction des montants prélevés ou des termes de paiement, lesdits taux ne peuvent en aucun cas être supérieurs au taux annuel effectif global maximum fixé en fonction du montant du crédit.
De même, lorsque le crédit-bail prévoit plusieurs moments où l'option d'achat peut être levée, le taux annuel effectif global est calculé pour chacun des cas.
HOOFDSTUK 5. - Debet- en nalatigheidsinteresten
CHAPITRE 5. - Des intérêts débiteurs et de retard
Art. 5. De nalatigheidsinteresten inzake consumentenkrediet en hypothecair krediet met een roerende bestemming worden berekend volgens dezelfde methode als hetgeen overeenkomstig artikel VII.78, § 2, 7°, van het Wetboek van economisch recht en artikel VII.134, § 2, 7° van het Wetboek van economisch recht contractueel is voorzien voor de berekening van de debetintresten.
Art. 5. Les intérêts de retard en matière de crédit à la consommation et de crédit hypothécaire avec une destination mobilière sont calculés d'après la même méthode que celle conforme à l'article VII.78, § 2, 7°, du Code de droit économique, et à l'article VII.134, § 2, 7° du Code de droit économique contractuellement prévue pour le calcul des intérêts débiteurs.
Art. 6. De debetrentevoet en de nalatigheidsintrestvoet worden uitgedrukt in procent en worden afgerond op twee decimalen. Indien de derde decimaal vijf of meer bedraagt, wordt de tweede decimaal naar boven afgerond. In de overige gevallen wordt geen rekening gehouden met de derde decimaal.
Art. 6. Le taux débiteur et le taux d'intérêts de retard sont exprimés en pourcentage et sont arrondis à la deuxième décimale. Si la troisième décimale est cinq ou plus, il y a lieu d'arrondir à la deuxième décimale supérieure. Dans les autres cas, il y a lieu de négliger la troisième décimale.
HOOFDSTUK 6. - Referte-indexen voor de veranderlijke rentevoeten inzake hypothecaire kredieten en de hiermee gelijkgestelde consumentenkredieten
CHAPITRE 6. - Indices de référence pour les taux d'intérêt variables en matière de crédits hypothécaires et de crédits à la consommation y assimilés
Art. 7. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder "de referte-index" : de waarde van de referte-index bedoeld in artikel VII.143, § 3, 3°, van het Wetboek van economisch recht.
Art. 7. Pour l'application du présent chapitre on entend par " l'indice de référence " : la valeur de l'indice de référence visé à l'article VII.143, § 3, 3°, du Code de droit économique.
Art. 8. Voor de veranderlijkheid van de debetrentevoet van de kredietovereenkomsten, bedoeld in de artikelen VII.86 en VII.143 van het Wetboek van economisch recht, wordt voor een krediet in euro één van de volgende referte-indexen genomen die maandelijks worden berekend door [1 het Federaal Agentschap van de Schuld]1 overeenkomstig de volgende voorschriften :
1° index A van een kalendermaand is gelijk aan het rekenkundig gemiddelde der referentierentevoeten, opgetekend gedurende de maand die eindigt op de 10de van die kalendermaand, van de lijn van de schatkistcertificaten waarvan de residuele looptijd het dichtst bij een jaar is. Deze referentierentevoeten worden dagelijks door [1 het Federaal Agentschap van de Schuld]1 bekendgemaakt overeenkomstig artikel 2, § 1, 2°, van het koninklijk besluit van 20 december 2007 betreffende de lineaire obligaties, de gesplitste effecten en de schatkistcertificaten;
2° de indexen B, C, D, E, F, G, H, I en J van een kalendermaand zijn ieder gelijk aan het rekenkundig gemiddelde der theoretische rendementsvoeten, opgetekend gedurende de maand die eindigt op de 10de van die kalendermaand, van de effecten van de Staatsschuld over respectievelijk 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 en 10 jaar die [1 het Federaal Agentschap van de Schuld]1 dagelijks bepaalt door wiskundige interpolatie. [1 Het Federaal Agentschap van de Schuld]1 voert die interpolaties uit op basis van de referentierentevoeten of -koersen die zij voor de schatkistcertificaten en lineaire obligaties bekendmaakt overeenkomstig artikel 2, § 1, 2° van het koninklijk besluit van 20 december 2007. Voor een gepaste toepassing van de interpolatiewerkwijze kan [1 het Federaal Agentschap van de Schuld]1 zich beperken tot de waarnemingen van sommige waarden.
3° Indien de rentevoet van het krediet op een andere periode slaat dan één jaar, wordt de in aanmerking te nemen referte-index bekomen door de bekendgemaakte jaarindex om te zetten in een index die slaat op die periode, met behulp van de formule van samengestelde interest.
Dit artikel is niet van toepassing op de kredietovereenkomsten die werden gesloten vóór 1 september 1998.
1° index A van een kalendermaand is gelijk aan het rekenkundig gemiddelde der referentierentevoeten, opgetekend gedurende de maand die eindigt op de 10de van die kalendermaand, van de lijn van de schatkistcertificaten waarvan de residuele looptijd het dichtst bij een jaar is. Deze referentierentevoeten worden dagelijks door [1 het Federaal Agentschap van de Schuld]1 bekendgemaakt overeenkomstig artikel 2, § 1, 2°, van het koninklijk besluit van 20 december 2007 betreffende de lineaire obligaties, de gesplitste effecten en de schatkistcertificaten;
2° de indexen B, C, D, E, F, G, H, I en J van een kalendermaand zijn ieder gelijk aan het rekenkundig gemiddelde der theoretische rendementsvoeten, opgetekend gedurende de maand die eindigt op de 10de van die kalendermaand, van de effecten van de Staatsschuld over respectievelijk 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 en 10 jaar die [1 het Federaal Agentschap van de Schuld]1 dagelijks bepaalt door wiskundige interpolatie. [1 Het Federaal Agentschap van de Schuld]1 voert die interpolaties uit op basis van de referentierentevoeten of -koersen die zij voor de schatkistcertificaten en lineaire obligaties bekendmaakt overeenkomstig artikel 2, § 1, 2° van het koninklijk besluit van 20 december 2007. Voor een gepaste toepassing van de interpolatiewerkwijze kan [1 het Federaal Agentschap van de Schuld]1 zich beperken tot de waarnemingen van sommige waarden.
3° Indien de rentevoet van het krediet op een andere periode slaat dan één jaar, wordt de in aanmerking te nemen referte-index bekomen door de bekendgemaakte jaarindex om te zetten in een index die slaat op die periode, met behulp van de formule van samengestelde interest.
Dit artikel is niet van toepassing op de kredietovereenkomsten die werden gesloten vóór 1 september 1998.
Modifications
Art. 8. Pour la variabilité du taux débiteur des contrats de crédit visée aux articles VII.86 et VII.143 du Code de droit économique, il convient pour un crédit en euros de prendre un des indices de référence suivants calculés mensuellement par [1 l'Agence fédérale de la Dette]1, conformément aux règles fixées ci-après :
1° l'indice A d'un mois civil est égal à la moyenne arithmétique des taux d'intérêt de référence, notés au cours du mois qui se termine le 10 de ce mois civil, de la ligne de certificats de trésorerie ayant la durée résiduelle la plus proche d'un an. Ces taux d'intérêt de référence sont ceux publiés quotidiennement par [1 l'Agence fédérale de la Dette]1 conformément à l'article 2, § 1er, 2°, de l'arrêté royal du 20 décembre 2007 relatif aux obligations linéaires, aux titres scindés et aux certificats de trésorerie;
2° les indices B, C, D, E, F, G, H, I et J d'un mois civil sont égaux chacun à la moyenne arithmétique des taux de rendement théoriques, notés au cours du mois qui se termine le 10 de ce mois civil, des titres de la dette de l'Etat à respectivement 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 et 10 ans que [1 l'Agence fédérale de la Dette]1 détermine quotidiennement par interpolation mathématique. [1 L'Agence fédérale de la Dette]1 procède à ces interpolations sur la base des taux d'intérêt ou cours de référence qu'il publie conformément à l'article 2, § 1er, 2° de l'arrêté royal du 20 décembre 2007 pour les certificats de trésorerie et obligations linéaires. [1 L'Agence fédérale de la Dette]1 peut, pour une application adéquate de la méthode d'interpolation, se limiter aux observations relatives à certains de ces titres.
3° Lorsque le taux d'intérêt du crédit est défini sur une période autre que l'année, l'indice de référence à prendre en considération est obtenu en convertissant l'indice annuel publié en un indice défini sur cette période, à l'aide de la formule des intérêts composés.
Le présent article ne s'applique pas aux contrats de crédit conclus avant le 1er septembre 1998.
1° l'indice A d'un mois civil est égal à la moyenne arithmétique des taux d'intérêt de référence, notés au cours du mois qui se termine le 10 de ce mois civil, de la ligne de certificats de trésorerie ayant la durée résiduelle la plus proche d'un an. Ces taux d'intérêt de référence sont ceux publiés quotidiennement par [1 l'Agence fédérale de la Dette]1 conformément à l'article 2, § 1er, 2°, de l'arrêté royal du 20 décembre 2007 relatif aux obligations linéaires, aux titres scindés et aux certificats de trésorerie;
2° les indices B, C, D, E, F, G, H, I et J d'un mois civil sont égaux chacun à la moyenne arithmétique des taux de rendement théoriques, notés au cours du mois qui se termine le 10 de ce mois civil, des titres de la dette de l'Etat à respectivement 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 et 10 ans que [1 l'Agence fédérale de la Dette]1 détermine quotidiennement par interpolation mathématique. [1 L'Agence fédérale de la Dette]1 procède à ces interpolations sur la base des taux d'intérêt ou cours de référence qu'il publie conformément à l'article 2, § 1er, 2° de l'arrêté royal du 20 décembre 2007 pour les certificats de trésorerie et obligations linéaires. [1 L'Agence fédérale de la Dette]1 peut, pour une application adéquate de la méthode d'interpolation, se limiter aux observations relatives à certains de ces titres.
3° Lorsque le taux d'intérêt du crédit est défini sur une période autre que l'année, l'indice de référence à prendre en considération est obtenu en convertissant l'indice annuel publié en un indice défini sur cette période, à l'aide de la formule des intérêts composés.
Le présent article ne s'applique pas aux contrats de crédit conclus avant le 1er septembre 1998.
Modifications
Art. 9. Voor de kredieten toegestaan in een andere munteenheid dan de euro dient de kredietgever contractueel een index vast te leggen die moet voldoen aan de volgende criteria :
1° zijn vaststelling mag niet afhangen van de kredietgever;
2° zijn evolutie is door de consument gekend zonder tussenkomst van de kredietgever;
3° hij moet representatief zijn voor de evolutie van de rentevoeten op de kapitaal- en geldmarkten van de betrokken munt.
1° zijn vaststelling mag niet afhangen van de kredietgever;
2° zijn evolutie is door de consument gekend zonder tussenkomst van de kredietgever;
3° hij moet representatief zijn voor de evolutie van de rentevoeten op de kapitaal- en geldmarkten van de betrokken munt.
Art. 9. Pour des crédits accordés dans une unité monétaire autre que l'euro, le prêteur doit fixer contractuellement un indice qui doit satisfaire aux critères suivants :
1° sa fixation ne peut pas dépendre du prêteur;
2° son évolution est connue par le consommateur sans intervention du prêteur;
3° il doit être représentatif de l'évolution des taux d'intérêt sur les marchés des capitaux et monétaires de la monnaie visée.
1° sa fixation ne peut pas dépendre du prêteur;
2° son évolution est connue par le consommateur sans intervention du prêteur;
3° il doit être représentatif de l'évolution des taux d'intérêt sur les marchés des capitaux et monétaires de la monnaie visée.
Art. 10. Door toedoen van [1 het Federaal Agentschap van de Schuld]1 wordt de lijst van de in artikel 7 bedoelde referte-indexen maandelijks in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt, op de twintigste dag. Indien deze dag geen dag van publicatie is, wordt hij bekendgemaakt op de volgende dag van publicatie.
De referte-indexen worden onder jaarlijkse, semestriële, trimestriële en maandelijkse vorm bekendgemaakt.
De referte-indexen worden onder jaarlijkse, semestriële, trimestriële en maandelijkse vorm bekendgemaakt.
Modifications
Art. 10. La liste des indices de référence visés à l'article 7 est publiée au Moniteur belge le vingtième jour de chaque mois par les soins [1 de l'Agence fédérale de la Dette]1. Si ce jour n'est pas un jour de publication, elle est publiée le premier jour de publication suivant.
Les indices de référence sont publiés sous forme annuelle, semestrielle, trimestrielle et mensuelle.
Les indices de référence sont publiés sous forme annuelle, semestrielle, trimestrielle et mensuelle.
Modifications
HOOFDSTUK 7. - Maximale jaarlijkse kostenpercentages
CHAPITRE 7. - Des taux annuels effectifs globaux maxima
Art. 11. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder "de referentie-index" :
1° voor de kredietopening : het maandgemiddelde van de interbancaire rentevoet EURIBOR op drie maanden.
2° voor de andere kredietovereenkomsten :
- voor de bedragen tot 1.250 euro : index A van een kalendermaand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, 1° ;
- voor de bedragen meer dan 1.250 euro tot 5.000 euro : index B van een kalendermaand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, 2° ;
- voor de bedragen hoger dan 5.000 euro : index C van een kalendermaand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, 2°.
De referentie-index wordt afgerond op twee decimalen na de komma. Indien de derde decimaal vijf of meer bedraagt, wordt de tweede decimaal naar boven afgerond. In de overige gevallen wordt geen rekening gehouden met de derde decimaal.
Dit hoofdstuk is enkel van toepassing op de consumentenkredieten en de hypothecaire kredieten met een roerende bestemming.
1° voor de kredietopening : het maandgemiddelde van de interbancaire rentevoet EURIBOR op drie maanden.
2° voor de andere kredietovereenkomsten :
- voor de bedragen tot 1.250 euro : index A van een kalendermaand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, 1° ;
- voor de bedragen meer dan 1.250 euro tot 5.000 euro : index B van een kalendermaand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, 2° ;
- voor de bedragen hoger dan 5.000 euro : index C van een kalendermaand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, 2°.
De referentie-index wordt afgerond op twee decimalen na de komma. Indien de derde decimaal vijf of meer bedraagt, wordt de tweede decimaal naar boven afgerond. In de overige gevallen wordt geen rekening gehouden met de derde decimaal.
Dit hoofdstuk is enkel van toepassing op de consumentenkredieten en de hypothecaire kredieten met een roerende bestemming.
Art. 11. Pour l'application du présent chapitre on entend par "l'indice de référence" :
1° pour l'ouverture de crédit : la moyenne mensuelle du taux interbancaire EURIBOR à trois mois.
2° pour les autres contrats de crédit :
- pour les montants jusqu'à 1.250 euros : indice A d'un mois calendrier, visé à l'article 8, alinéa 1er,1° ;
- pour les montants plus élevés que 1.250 euros jusqu'à 5.000 euros : indice B d'un mois calendrier, visé à l'article 8, alinéa 1 er, 2° ;
- pour les montants plus élevés que 5.000 euros : indice C d'un mois calendrier, visé à l'article 8, alinéa 1 er, 2°.
L'indice de référence est arrondi à la deuxième décimale après la virgule. Si la troisième décimale est égale ou supérieure à cinq, il y a lieu d'arrondir à la deuxième décimale supérieure. Dans les autres cas, il y a lieu de ne pas tenir compte de la troisième décimale.
Le présent chapitre ne s'applique qu'aux crédits à la consommation et aux crédits hypothécaires avec une destination mobilière.
1° pour l'ouverture de crédit : la moyenne mensuelle du taux interbancaire EURIBOR à trois mois.
2° pour les autres contrats de crédit :
- pour les montants jusqu'à 1.250 euros : indice A d'un mois calendrier, visé à l'article 8, alinéa 1er,1° ;
- pour les montants plus élevés que 1.250 euros jusqu'à 5.000 euros : indice B d'un mois calendrier, visé à l'article 8, alinéa 1 er, 2° ;
- pour les montants plus élevés que 5.000 euros : indice C d'un mois calendrier, visé à l'article 8, alinéa 1 er, 2°.
L'indice de référence est arrondi à la deuxième décimale après la virgule. Si la troisième décimale est égale ou supérieure à cinq, il y a lieu d'arrondir à la deuxième décimale supérieure. Dans les autres cas, il y a lieu de ne pas tenir compte de la troisième décimale.
Le présent chapitre ne s'applique qu'aux crédits à la consommation et aux crédits hypothécaires avec une destination mobilière.
Art. 12. § 1. De maximale jaarlijkse kostenpercentages worden vastgelegd in de basistabel opgenomen in bijlage 2 bij dit besluit.
§ 2. Om de zes maanden, bij het verstrijken van de maand maart en van de maand september, worden de referentie-indexen van de afgelopen maand vergeleken met de referentie-indexen die het laatst aanleiding gaven tot een wijziging van de respectievelijke maximale jaarlijkse kostenpercentages. Voor de toepassing van dit besluit worden de referentie-indexen van de maand maart 2016 beschouwd als eerste referentie-indexen.
Bij een eerste wijziging van een referentie-index met minstens 0,75 punten wordt het overeenstemmende maximale jaarlijkse kostenpercentage, opgenomen in de basistabel, gewijzigd in dezelfde zin en met hetzelfde aantal procentpunten, waardoor een referentievoet bekomen wordt. Het nieuwe maximale jaarlijkse kostenpercentage is gelijk aan deze referentievoet afgerond naar de meest nabije eenheid of halve eenheid.
Bij iedere verdere wijziging van een referentie-index, met minstens 0,75 punt, wordt de laatst vastgestelde referentievoet gewijzigd in dezelfde zin en met hetzelfde aantal procentpunten. Het nieuwe maximale jaarlijkse kostenpercentage is dan gelijk aan deze gewijzigde referentievoet afgerond naar de meest nabije eenheid of halve eenheid.
§ 3. De nieuwe maximale jaarlijkse kostenpercentages, samen met de bijhorende nieuwe referentie-indexen en referentievoeten, worden onverwijld onder de vorm van een bericht bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
De nieuwe maximale jaarlijkse kostenpercentages worden van kracht op de eerste dag van de tweede maand die volgt op de maand van de bekendmaking ervan.
§ 4. Voor de toepassing van dit artikel wordt voor de kredietovereenkomsten bedoeld in artikel VII.3, § 2, 3°, van het Wetboek van economisch recht, waarvan de kosten gelijk of hoger zijn dan de in dat artikel bedoelde drempel, het jaarlijkse kostenpercentage berekend zonder rekening te houden met de veronderstellingen in artikel 4, § 2, 5°, van dit besluit. Het jaarlijkse kostenpercentage wordt voor de toepassing van dit artikel berekend op basis van de veronderstellingen in artikel 4, § 1, eerste lid en § 2, 1° van dit besluit.
§ 2. Om de zes maanden, bij het verstrijken van de maand maart en van de maand september, worden de referentie-indexen van de afgelopen maand vergeleken met de referentie-indexen die het laatst aanleiding gaven tot een wijziging van de respectievelijke maximale jaarlijkse kostenpercentages. Voor de toepassing van dit besluit worden de referentie-indexen van de maand maart 2016 beschouwd als eerste referentie-indexen.
Bij een eerste wijziging van een referentie-index met minstens 0,75 punten wordt het overeenstemmende maximale jaarlijkse kostenpercentage, opgenomen in de basistabel, gewijzigd in dezelfde zin en met hetzelfde aantal procentpunten, waardoor een referentievoet bekomen wordt. Het nieuwe maximale jaarlijkse kostenpercentage is gelijk aan deze referentievoet afgerond naar de meest nabije eenheid of halve eenheid.
Bij iedere verdere wijziging van een referentie-index, met minstens 0,75 punt, wordt de laatst vastgestelde referentievoet gewijzigd in dezelfde zin en met hetzelfde aantal procentpunten. Het nieuwe maximale jaarlijkse kostenpercentage is dan gelijk aan deze gewijzigde referentievoet afgerond naar de meest nabije eenheid of halve eenheid.
§ 3. De nieuwe maximale jaarlijkse kostenpercentages, samen met de bijhorende nieuwe referentie-indexen en referentievoeten, worden onverwijld onder de vorm van een bericht bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
De nieuwe maximale jaarlijkse kostenpercentages worden van kracht op de eerste dag van de tweede maand die volgt op de maand van de bekendmaking ervan.
§ 4. Voor de toepassing van dit artikel wordt voor de kredietovereenkomsten bedoeld in artikel VII.3, § 2, 3°, van het Wetboek van economisch recht, waarvan de kosten gelijk of hoger zijn dan de in dat artikel bedoelde drempel, het jaarlijkse kostenpercentage berekend zonder rekening te houden met de veronderstellingen in artikel 4, § 2, 5°, van dit besluit. Het jaarlijkse kostenpercentage wordt voor de toepassing van dit artikel berekend op basis van de veronderstellingen in artikel 4, § 1, eerste lid en § 2, 1° van dit besluit.
Art. 12. § 1er. Les taux annuels effectifs globaux maxima sont fixés dans le tableau de base repris à l'annexe 2 du présent arrêté.
§ 2. Tous les six mois, à l'expiration du mois de mars et du mois de septembre, les indices de référence du mois écoulé sont comparés avec les indices de référence qui ont dernièrement donné lieu à une modification des taux annuels effectifs globaux maxima respectifs. Pour l'application du présent arrêté, les indices de référence du mois de mars 2016 sont considérés comme les premiers indices de référence.
Lors d'une première modification d'un indice de référence d'au moins 0,75 points, le taux annuel effectif global maximum correspondant, repris dans le tableau de base, sera modifié dans le même sens et d'un même nombre de points de pourcentage, afin d'obtenir un taux de référence. Le nouveau taux annuel effectif global maximum est égal à ce taux de référence arrondi à l'unité ou la demi unité la plus proche.
A chaque modification ultérieure de l'indice de référence d'au moins 0,75 points, le taux de référence dernièrement fixé, sera modifié dans le même sens et d'un même nombre de points de pourcentage. Le nouveau taux annuel effectif global maximum est égal à ce taux de référence modifié arrondi à l'unité ou la demi unité la plus proche.
§ 3. Les nouveaux taux annuels effectifs globaux maxima ainsi que les nouveaux indices de référence et taux de référence correspondants sont publiés sans délai sous la forme d'un avis au Moniteur belge.
Les nouveaux taux annuels effectifs globaux maxima entrent en vigueur le premier jour du deuxième mois qui suit celui de leur publication.
§ 4. Pour les contrats de crédit visés à l'article VII.3, § 2, 3°, du Code de droit économique pour lesquels les frais sont égaux ou supérieurs au seuil que cet article visait, le taux annuel effectif global est, pour l'application de cet article , calculé sans tenir compte des hypothèses de l'article 4, § 2, 5° du présent arrêté. Le taux annuel effectif global est, pour l'application du présent article, calculé sur base des hypothèses de l'article 4, § 1 er, alinéa 1 er et § 2, 1° du présent arrêté.
§ 2. Tous les six mois, à l'expiration du mois de mars et du mois de septembre, les indices de référence du mois écoulé sont comparés avec les indices de référence qui ont dernièrement donné lieu à une modification des taux annuels effectifs globaux maxima respectifs. Pour l'application du présent arrêté, les indices de référence du mois de mars 2016 sont considérés comme les premiers indices de référence.
Lors d'une première modification d'un indice de référence d'au moins 0,75 points, le taux annuel effectif global maximum correspondant, repris dans le tableau de base, sera modifié dans le même sens et d'un même nombre de points de pourcentage, afin d'obtenir un taux de référence. Le nouveau taux annuel effectif global maximum est égal à ce taux de référence arrondi à l'unité ou la demi unité la plus proche.
A chaque modification ultérieure de l'indice de référence d'au moins 0,75 points, le taux de référence dernièrement fixé, sera modifié dans le même sens et d'un même nombre de points de pourcentage. Le nouveau taux annuel effectif global maximum est égal à ce taux de référence modifié arrondi à l'unité ou la demi unité la plus proche.
§ 3. Les nouveaux taux annuels effectifs globaux maxima ainsi que les nouveaux indices de référence et taux de référence correspondants sont publiés sans délai sous la forme d'un avis au Moniteur belge.
Les nouveaux taux annuels effectifs globaux maxima entrent en vigueur le premier jour du deuxième mois qui suit celui de leur publication.
§ 4. Pour les contrats de crédit visés à l'article VII.3, § 2, 3°, du Code de droit économique pour lesquels les frais sont égaux ou supérieurs au seuil que cet article visait, le taux annuel effectif global est, pour l'application de cet article , calculé sans tenir compte des hypothèses de l'article 4, § 2, 5° du présent arrêté. Le taux annuel effectif global est, pour l'application du présent article, calculé sur base des hypothèses de l'article 4, § 1 er, alinéa 1 er et § 2, 1° du présent arrêté.
HOOFDSTUK 8. - Maximale terugbetalingstermijnen en nulstellingstermijnen.
CHAPITRE 8. - Des délais maxima de remboursement et de zérotage
Art. 13. Voor alle consumentenkredieten en hypothecaire kredieten met een roerende bestemming, behalve de kredietopening, dient het terug te betalen bedrag volledig betaald te worden binnen de hierna volgende maximale terugbetalingstermijnen :
Art. 13. Pour tous les crédits à la consommation et les crédits hypothécaires avec une destination mobilière, à l'exception de l'ouverture de crédit, le montant à rembourser doit être payé dans sa totalité dans les délais maxima de remboursement suivants :
| Kredietbedrag | Maximale terugbetalings- termijnen uitgedrukt in maanden |
| 200 tot 500 euro | 18 |
| meer dan 500 euro tot 2.500 euro | 24 |
| meer dan 2.500 euro tot 3.700 euro | 30 |
| meer dan 3.700 euro tot 5.600 euro | 36 |
| meer dan 5.600 euro tot 7.500 euro | 42 |
| meer dan 7.500 euro tot 10.000 euro | 48 |
| meer dan 10.000 euro tot 15.000 euro | 60 |
| meer dan 15.000 tot 20.000 euro | 84 |
| meer dan 20 000 euro tot 37.000 euro | 120 |
| meer dan 37.000 euro | 240 |
De maximale terugbetalingstermijn neemt een aanvang binnen de twee maanden volgend op het sluiten van de kredietovereenkomst behalve wanneer, overeenkomstig artikel VII.3, § 3, 6°, van het Wetboek van economisch recht, een nieuwe kredietovereenkomst werd gesloten, in welk geval een nieuwe maximale terugbetalingstermijn te bepalen in functie van het nieuwe kredietbedrag een aanvang neemt te rekenen vanaf de datum van ingebrekestelling verstuurd voor de eerste kredietovereenkomst of wanneer overeenkomstig de artikelen VII.91 of VII.147/5 van het Wetboek van economisch recht, het gefinancierde goed of de gefinancierde dienstverlening in de kredietovereenkomst wordt vermeld of wanneer het kredietbedrag rechtstreeks door de kredietgever aan de verkoper of dienstverlener wordt gestort, in welk geval de maximale terugbetalingstermijn een aanvang neemt binnen de twee maanden volgend op de kennisgeving bedoeld in deze artikelen.
| Montant du crédit | Délais maxima de remboursement exprimés en mois |
| 200 à 500 euros | 18 |
| plus de 500 euros à 2.500 euros | 24 |
| plus de 2.500 euros à 3.700 euros | 30 |
| plus de 3.700 euros à 5.600 euros | 36 |
| plus de 5.600 euros à 7.500 euros | 42 |
| plus de 7.500 euros à 10.000 euros | 48 |
| plus de 10.000 euros à 15.000 euros | 60 |
| plus de 15.000 euros à 20.000 euros | 84 |
| plus de 20.000 euros à 37.000 euros | 120 |
| plus de 37.000 euros | 240 |
Le délai maximum de remboursement commence à courir dans les deux mois qui suivent la conclusion du contrat de crédit sauf lorsque, conformément à l'article VII.3, § 3, 6°, du Code de droit économique, un nouveau contrat de crédit a été conclu, auquel cas un nouveau délai maximum de remboursement à déterminer en fonction du nouveau montant du crédit commence à courir et à compter de la date de mise en demeure envoyée pour le contrat de crédit initial ou lorsque, conformément aux articles VII.91 ou VII.147/5 du Code de droit économique, le contrat de crédit mentionne le bien financé ou la prestation de service financée ou que le montant du crédit est versé directement par le prêteur au vendeur ou prestataire de services, auquel cas le délai maximum de remboursement commence à courir dans les deux mois qui suivent la notification visée par ces articles.
Art. 14. § 1. Voor de toepassing van dit artikel moet onder verschuldigd saldo worden verstaan, het nog niet terugbetaalde bedrag der aan de consument toegestane kredietopnemingen met inbegrip van de debetintresten.
§ 2. Voor alle kredietopeningen die in een periodieke terugbetaling van kapitaal voorzien, dienen minimaal de volgende termijnbedragen te worden betaald :
- ofwel een maandelijks termijnbedrag gelijk aan 1/18de van het verschuldigd saldo indien het kredietbedrag gelijk of lager is dan 5.000 euro;
- ofwel een maandelijks termijnbedrag gelijk aan 1/24ste van het verschuldigd saldo indien het kredietbedrag hoger is dan 5.000 euro en gelijk of lager is dan 10.000 euro;
- ofwel een maandelijks termijnbedrag gelijk aan 1/36ste van het verschuldigd saldo indien het kredietbedrag hoger is dan 10.000 euro;
- ofwel een trimestrieel termijnbedrag gelijk aan 1/6de van het verschuldigd saldo indien het kredietbedrag gelijk of lager is dan 5.000 euro;
- ofwel een trimestrieel termijnbedrag gelijk aan 1/8ste van het verschuldigd saldo indien het kredietbedrag hoger is dan 5.000 euro en gelijk of lager is dan 10.000 euro;
- ofwel een trimestrieel termijnbedrag gelijk aan 1/12de van het verschuldigd saldo indien het kredietbedrag hoger is dan 10.000 euro;
- ofwel een semestrieel termijnbedrag gelijk aan 1/3de van het verschuldigd saldo indien het kredietbedrag gelijk of lager is dan 5.000 euro;
- ofwel een semestrieel termijnbedrag gelijk aan 1/4de van het verschuldigd saldo indien het kredietbedrag hoger is dan 5.000 euro en gelijk of lager is dan 10.000 euro;
- ofwel een semestrieel termijnbedrag gelijk aan 1/6de van het verschuldigd saldo indien het kredietbedrag hoger is dan 10.000 euro,
zonder dat het termijnbedrag lager mag zijn dan ofwel 25 euro, ofwel het verschuldigd saldo indien dit lager zou zijn dan 25 euro.
De maximale terugbetalingstermijn van de termijnbedragen, bedoeld in het voorgaande lid, neemt een aanvang binnen de twee maanden volgend op de kredietopneming, behalve wanneer, overeenkomstig de artikelen VII.91 of VII.147/5, van het Wetboek van economisch recht, het gefinancierde goed of de gefinancierde dienstverlening in de kredietovereenkomst wordt vermeld of wanneer het bedrag van de kredietopneming rechtstreeks door de kredietgever aan de verkoper of dienstverlener wordt gestort, in welk geval de maximale terugbetalingstermijn een aanvang neemt binnen de twee maanden volgend op de kennisgeving bedoeld in deze artikelen
§ 3. Voor alle kredietopeningen bedoeld in § 1, wordt er een nulstellingstermijn vastgesteld die niet langer mag zijn dan de terugbetalingstermijn die men bekomt bij volledige opneming van het kredietbedrag terugbetaald op basis van een maandelijks termijnbedrag gelijk aan :
1° ofwel 1/12de van het verschuldigd saldo, met een maximale termijn van 60 maanden, wanneer het kredietbedrag gelijk of lager is dan 5.000 euro;
2° ofwel 1/18de van het verschuldigd saldo, met een maximale termijn van 96 maanden, wanneer het kredietbedrag hoger is dan 5.000 euro,
zonder dat het termijnbedrag lager mag zijn dan ofwel 25 euro, ofwel het verschuldigd saldo indien dit lager zou zijn dan 25 euro.
Voor alle overige kredietopeningen wordt er een nulstellingstermijn vastgesteld die niet langer mag zijn dan :
1° twaalf maanden wanneer het kredietbedrag lager dan of gelijk is aan 3.000 euro;
2° zestig maanden wanneer het kredietbedrag hoger is dan 3.000 euro.
De nulstellingstermijn neemt een aanvang binnen de twee maanden volgend op de eerste kredietopneming. De termijn neemt opnieuw een aanvang vanaf de eerste kredietopneming volgend op de laatste nulstelling.
§ 2. Voor alle kredietopeningen die in een periodieke terugbetaling van kapitaal voorzien, dienen minimaal de volgende termijnbedragen te worden betaald :
- ofwel een maandelijks termijnbedrag gelijk aan 1/18de van het verschuldigd saldo indien het kredietbedrag gelijk of lager is dan 5.000 euro;
- ofwel een maandelijks termijnbedrag gelijk aan 1/24ste van het verschuldigd saldo indien het kredietbedrag hoger is dan 5.000 euro en gelijk of lager is dan 10.000 euro;
- ofwel een maandelijks termijnbedrag gelijk aan 1/36ste van het verschuldigd saldo indien het kredietbedrag hoger is dan 10.000 euro;
- ofwel een trimestrieel termijnbedrag gelijk aan 1/6de van het verschuldigd saldo indien het kredietbedrag gelijk of lager is dan 5.000 euro;
- ofwel een trimestrieel termijnbedrag gelijk aan 1/8ste van het verschuldigd saldo indien het kredietbedrag hoger is dan 5.000 euro en gelijk of lager is dan 10.000 euro;
- ofwel een trimestrieel termijnbedrag gelijk aan 1/12de van het verschuldigd saldo indien het kredietbedrag hoger is dan 10.000 euro;
- ofwel een semestrieel termijnbedrag gelijk aan 1/3de van het verschuldigd saldo indien het kredietbedrag gelijk of lager is dan 5.000 euro;
- ofwel een semestrieel termijnbedrag gelijk aan 1/4de van het verschuldigd saldo indien het kredietbedrag hoger is dan 5.000 euro en gelijk of lager is dan 10.000 euro;
- ofwel een semestrieel termijnbedrag gelijk aan 1/6de van het verschuldigd saldo indien het kredietbedrag hoger is dan 10.000 euro,
zonder dat het termijnbedrag lager mag zijn dan ofwel 25 euro, ofwel het verschuldigd saldo indien dit lager zou zijn dan 25 euro.
De maximale terugbetalingstermijn van de termijnbedragen, bedoeld in het voorgaande lid, neemt een aanvang binnen de twee maanden volgend op de kredietopneming, behalve wanneer, overeenkomstig de artikelen VII.91 of VII.147/5, van het Wetboek van economisch recht, het gefinancierde goed of de gefinancierde dienstverlening in de kredietovereenkomst wordt vermeld of wanneer het bedrag van de kredietopneming rechtstreeks door de kredietgever aan de verkoper of dienstverlener wordt gestort, in welk geval de maximale terugbetalingstermijn een aanvang neemt binnen de twee maanden volgend op de kennisgeving bedoeld in deze artikelen
§ 3. Voor alle kredietopeningen bedoeld in § 1, wordt er een nulstellingstermijn vastgesteld die niet langer mag zijn dan de terugbetalingstermijn die men bekomt bij volledige opneming van het kredietbedrag terugbetaald op basis van een maandelijks termijnbedrag gelijk aan :
1° ofwel 1/12de van het verschuldigd saldo, met een maximale termijn van 60 maanden, wanneer het kredietbedrag gelijk of lager is dan 5.000 euro;
2° ofwel 1/18de van het verschuldigd saldo, met een maximale termijn van 96 maanden, wanneer het kredietbedrag hoger is dan 5.000 euro,
zonder dat het termijnbedrag lager mag zijn dan ofwel 25 euro, ofwel het verschuldigd saldo indien dit lager zou zijn dan 25 euro.
Voor alle overige kredietopeningen wordt er een nulstellingstermijn vastgesteld die niet langer mag zijn dan :
1° twaalf maanden wanneer het kredietbedrag lager dan of gelijk is aan 3.000 euro;
2° zestig maanden wanneer het kredietbedrag hoger is dan 3.000 euro.
De nulstellingstermijn neemt een aanvang binnen de twee maanden volgend op de eerste kredietopneming. De termijn neemt opnieuw een aanvang vanaf de eerste kredietopneming volgend op de laatste nulstelling.
Art. 14. § 1er. Pour l'application du présent article, il faut entendre par solde restant dû, le montant non encore remboursé des prélèvements de crédit consentis au consommateur, y compris les intérêts débiteurs.
§ 2. Pour toutes les ouvertures de crédit qui prévoient un remboursement périodique en capital, il convient qu'au minimum les montants des termes suivants aient été payés :
- soit un montant de terme mensuel égal à 1/18e du solde restant dû quand le montant du crédit est égal ou inférieur à 5.000 euros;
- soit un montant de terme mensuel égal à 1/24e du solde restant dû quand le montant du crédit est supérieur à 5.000 euros et égal ou inférieur à 10.000 euros;
- soit un montant de terme mensuel égal à 1/36e du solde restant dû quand le montant du crédit est supérieur à 10.000 euros;
- soit un montant de terme trimestriel égal à 1/6e du solde restant dû quand le montant du crédit est égal ou inférieur à 5.000 euros;
- soit un montant de terme trimestriel égal à 1/8e du solde restant dû quand le montant du crédit est supérieur à 5.000 euros et égal ou inférieur à 10.000 euros;
- soit un montant de terme trimestriel égal à 1/12e du solde restant dû quand le montant crédit est supérieur à 10.000 euros;
- soit un montant de terme semestriel égal à 1/3e du solde restant dû quand le montant du crédit est égal ou inférieur à 5.000 euros;
- soit un montant de terme semestriel égal à 1/4e du solde restant dû quand le montant du crédit est supérieur à 5.000 euros et égal ou inférieur à 10.000 euros;
- soit un montant de terme semestriel égal à 1/6e du solde restant dû quand le montant du crédit est supérieur à 10.000 euros,
sans que le montant d'un terme puisse être inférieur soit à 25 euros, soit au solde restant dû si celui-ci est inférieur à 25 euros.
Le délai maximum de remboursement des montants des termes, visés à l'alinéa précédent, commence à courir dans les deux mois qui suivent le prélèvement du crédit sauf lorsque, conformément à aux articles VII.91 ou VII.147/5 du Code de droit économique, le contrat de crédit mentionne le bien financé ou la prestation de service financée ou que le montant du prélèvement de crédit est versé directement par le prêteur au vendeur ou prestataire de services, auquel cas le délai maximum de remboursement commence à courir dans les deux mois qui suivent la notification visée par ces articles.
§ 3. Pour toutes les ouvertures de crédit visées au § 1er, il est fixé un délai de zérotage qui ne peut excéder le délai de remboursement qu'on obtient en cas de prélèvement intégral du montant du crédit remboursé sur base d'un montant de terme mensuel égal à :
1° soit 1/12e du solde restant dû, avec un délai maximum de 60 mois, lorsque le montant de crédit est égal ou inférieur à 5.000 euros;
2° soit 1/18e du solde restant dû, avec un délai maximum de 96 mois, lorsque le montant de crédit est supérieur à 5.000 euros,
sans que le montant d'un terme puisse être inférieur à 25 euros ou au solde restant dû si celui-ci est inférieur à 25 euros.
Pour toutes les autres ouvertures de crédit, il est fixé un délai de zérotage qui ne peut excéder :
1° douze mois lorsque le montant du crédit est inférieur ou égal à 3.000 euros;
2° soixante mois lorsque le montant du crédit est supérieur à 3.000 euros.
Le délai de zérotage commence à courir dans les deux mois qui suivent le premier prélèvement de crédit. Le délai recommence à courir à partir du premier prélèvement de crédit suivant le dernier zérotage.
§ 2. Pour toutes les ouvertures de crédit qui prévoient un remboursement périodique en capital, il convient qu'au minimum les montants des termes suivants aient été payés :
- soit un montant de terme mensuel égal à 1/18e du solde restant dû quand le montant du crédit est égal ou inférieur à 5.000 euros;
- soit un montant de terme mensuel égal à 1/24e du solde restant dû quand le montant du crédit est supérieur à 5.000 euros et égal ou inférieur à 10.000 euros;
- soit un montant de terme mensuel égal à 1/36e du solde restant dû quand le montant du crédit est supérieur à 10.000 euros;
- soit un montant de terme trimestriel égal à 1/6e du solde restant dû quand le montant du crédit est égal ou inférieur à 5.000 euros;
- soit un montant de terme trimestriel égal à 1/8e du solde restant dû quand le montant du crédit est supérieur à 5.000 euros et égal ou inférieur à 10.000 euros;
- soit un montant de terme trimestriel égal à 1/12e du solde restant dû quand le montant crédit est supérieur à 10.000 euros;
- soit un montant de terme semestriel égal à 1/3e du solde restant dû quand le montant du crédit est égal ou inférieur à 5.000 euros;
- soit un montant de terme semestriel égal à 1/4e du solde restant dû quand le montant du crédit est supérieur à 5.000 euros et égal ou inférieur à 10.000 euros;
- soit un montant de terme semestriel égal à 1/6e du solde restant dû quand le montant du crédit est supérieur à 10.000 euros,
sans que le montant d'un terme puisse être inférieur soit à 25 euros, soit au solde restant dû si celui-ci est inférieur à 25 euros.
Le délai maximum de remboursement des montants des termes, visés à l'alinéa précédent, commence à courir dans les deux mois qui suivent le prélèvement du crédit sauf lorsque, conformément à aux articles VII.91 ou VII.147/5 du Code de droit économique, le contrat de crédit mentionne le bien financé ou la prestation de service financée ou que le montant du prélèvement de crédit est versé directement par le prêteur au vendeur ou prestataire de services, auquel cas le délai maximum de remboursement commence à courir dans les deux mois qui suivent la notification visée par ces articles.
§ 3. Pour toutes les ouvertures de crédit visées au § 1er, il est fixé un délai de zérotage qui ne peut excéder le délai de remboursement qu'on obtient en cas de prélèvement intégral du montant du crédit remboursé sur base d'un montant de terme mensuel égal à :
1° soit 1/12e du solde restant dû, avec un délai maximum de 60 mois, lorsque le montant de crédit est égal ou inférieur à 5.000 euros;
2° soit 1/18e du solde restant dû, avec un délai maximum de 96 mois, lorsque le montant de crédit est supérieur à 5.000 euros,
sans que le montant d'un terme puisse être inférieur à 25 euros ou au solde restant dû si celui-ci est inférieur à 25 euros.
Pour toutes les autres ouvertures de crédit, il est fixé un délai de zérotage qui ne peut excéder :
1° douze mois lorsque le montant du crédit est inférieur ou égal à 3.000 euros;
2° soixante mois lorsque le montant du crédit est supérieur à 3.000 euros.
Le délai de zérotage commence à courir dans les deux mois qui suivent le premier prélèvement de crédit. Le délai recommence à courir à partir du premier prélèvement de crédit suivant le dernier zérotage.
HOOFDSTUK 9. - Opheffingsbepalingen
CHAPITRE 9. - Dispositions abrogatoires
Art. 15. Worden opgeheven :
1° het koninklijk besluit van 4 augustus 1992 betreffende de kosten, de percentages, de duur en de terugbetalingsmodaliteiten van het consumentenkrediet, laatst gewijzigd bij koninklijk besluit van 11 december 2012;
2° het koninklijk besluit van 11 januari 1993 tot vaststelling van de referte-indexen voor de veranderlijke rentevoeten inzake hypothecaire kredieten, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 20 april 1999, 3 maart 2011 en 19 maart 2012.
1° het koninklijk besluit van 4 augustus 1992 betreffende de kosten, de percentages, de duur en de terugbetalingsmodaliteiten van het consumentenkrediet, laatst gewijzigd bij koninklijk besluit van 11 december 2012;
2° het koninklijk besluit van 11 januari 1993 tot vaststelling van de referte-indexen voor de veranderlijke rentevoeten inzake hypothecaire kredieten, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 20 april 1999, 3 maart 2011 en 19 maart 2012.
Art. 15. Sont abrogés :
1° l' arrêté royal du 4 août 1992 relatif aux coûts, aux taux, à la durée et aux modalités de remboursement du crédit à la consommation, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 11 décembre 2012;
2° l'arrêté royal du 11 janvier 1993 fixant les indices de référence pour les taux d'intérêt variables en matière de crédits hypothécaires, modifié par les arrêtés royaux du 20 avril 1999, 3 mars 2011 et 19 mars 2012.
1° l' arrêté royal du 4 août 1992 relatif aux coûts, aux taux, à la durée et aux modalités de remboursement du crédit à la consommation, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 11 décembre 2012;
2° l'arrêté royal du 11 janvier 1993 fixant les indices de référence pour les taux d'intérêt variables en matière de crédits hypothécaires, modifié par les arrêtés royaux du 20 avril 1999, 3 mars 2011 et 19 mars 2012.
HOOFDSTUK 10. - Overgangsbepalingen
CHAPITRE 10. - Dispositions transitoires
Art. 16. Dit besluit is van toepassing op alle lopende consumentenkredietovereenkomsten. Dit besluit is eveneens van toepassing op alle lopende hypothecaire kredieten voor wat de toepassing van de artikelen 7 tot 10 betreft en op alle lopende hypothecaire kredieten met roerende bestemming voor wat de toepassing van de artikelen 5, 6 en 11 tot 14 betreft.
De bepalingen die de vermelding en de berekening van het jaarlijkse kostenpercentage betreffen zijn van toepassing op de nieuwe hypothecaire kredietovereenkomsten, de hiermee verbonden ESIS en de kredietaanbiedingen binnen de perken van en de periodes bedoeld in artikel 41, § 1, van de wet van 22 april 2016 houdende wijziging en invoeging van bepalingen inzake consumentenkrediet en hypothecair krediet in verschillende boeken van het Wetboek van economisch recht en uiterlijk vanaf 1 april 2017.
De bepalingen die de vermelding en de berekening van het jaarlijkse kostenpercentage betreffen zijn van toepassing op de nieuwe hypothecaire kredietovereenkomsten, de hiermee verbonden ESIS en de kredietaanbiedingen binnen de perken van en de periodes bedoeld in artikel 41, § 1, van de wet van 22 april 2016 houdende wijziging en invoeging van bepalingen inzake consumentenkrediet en hypothecair krediet in verschillende boeken van het Wetboek van economisch recht en uiterlijk vanaf 1 april 2017.
Art. 16. Le présent arrêté s'applique à tous les contrats de crédit à la consommation en cours. Le présent arrêté s'applique également à tous les contrats de crédit hypothécaire en cours en ce qui concerne l'application des articles 7 à 10 et à tous les contrats de crédit hypothécaire en cours avec une destination mobilière en ce qui concerne l'application des articles 5, 6 et 11 à 14.
Les dispositions concernant la mention et le calcul du taux annuel effectif global s'appliquent aux nouveaux contrats de crédit hypothécaire, à l'ESIS qui y est liée et aux offres de crédit dans les limites et les périodes visées dans l'article 41, § 1er, de la loi du 22 avril 2016 portant modification et insertion de dispositions en matière de crédit à la consommation et de crédit hypothécaire dans plusieurs livres du Code de droit économique et au plus tard à partir du 1er avril 2017.
Les dispositions concernant la mention et le calcul du taux annuel effectif global s'appliquent aux nouveaux contrats de crédit hypothécaire, à l'ESIS qui y est liée et aux offres de crédit dans les limites et les périodes visées dans l'article 41, § 1er, de la loi du 22 avril 2016 portant modification et insertion de dispositions en matière de crédit à la consommation et de crédit hypothécaire dans plusieurs livres du Code de droit économique et au plus tard à partir du 1er avril 2017.
HOOFDSTUK 11. - Inwerkingtreding.
CHAPITRE 11. - Entrée en vigueur
Art. 17. Dit besluit treedt inwerking op 1 april 2017.
Art. 17. Le présent arrêté entre en vigueur le 1er avril 2017.
Art. 18. De minister bevoegd voor Economie en de minister bevoegd voor Financiën zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 18. Le ministre qui a l'Economie dans ses attributions et le ministre qui a les Finances dans ses attributions, sont chargés, chacun en ce qui le concerne, de l'exécution du présent arrêté.
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N1. Bijlage 1. - Berekening van het jaarlijkse kostenpercentage
Toepassingsvoorbeelden.
Voor de toepassing van deze bijlage moet onder worden verstaan onder "dit besluit" : het koninklijk besluit van 14 september 2016 betreffende de kosten, de percentages, de duur en de terugbetalingsmodaliteiten van kredietovereenkomsten onderworpen aan boek VII van het Wetboek van economisch recht en de vaststelling van referte-indexen voor de veranderlijke rentevoeten inzake hypothecaire kredieten en de hiermee gelijkgestelde consumentenkredieten.
Voorbeeld 1 - Een voorbeeld ter verduidelijking van het begrip "fracties van jaren", een enkel termijnbedrag.
Een kredietovereenkomst voor een kredietbedrag van 1.000 euro terug te betalen in 1 termijnbedrag van 1.200 euro na 1,5 jaar op dezelfde dag van de maand als de dag van de terbeschikkingstelling van het kredietbedrag.
Het krediet wordt ter beschikking gesteld op 5 januari 2009 en moet worden terug betaald op 5 juli 2010. Het exacte aantal dagen tussen deze data is 546 dagen.
Het verschil tussen deze data kan uitgedrukt worden in 18 gelijke maanden.
Hetzij, overeenkomstig artikel 3, § 2, derde lid, van dit besluit, een verschil tussen data die bij de berekening worden gebruikt, uitgedrukt in 18 gelijke maanden van elk 30,41666 dagen of 78 weken.
De vergelijking is de volgende :
Toepassingsvoorbeelden.
Voor de toepassing van deze bijlage moet onder worden verstaan onder "dit besluit" : het koninklijk besluit van 14 september 2016 betreffende de kosten, de percentages, de duur en de terugbetalingsmodaliteiten van kredietovereenkomsten onderworpen aan boek VII van het Wetboek van economisch recht en de vaststelling van referte-indexen voor de veranderlijke rentevoeten inzake hypothecaire kredieten en de hiermee gelijkgestelde consumentenkredieten.
Voorbeeld 1 - Een voorbeeld ter verduidelijking van het begrip "fracties van jaren", een enkel termijnbedrag.
Een kredietovereenkomst voor een kredietbedrag van 1.000 euro terug te betalen in 1 termijnbedrag van 1.200 euro na 1,5 jaar op dezelfde dag van de maand als de dag van de terbeschikkingstelling van het kredietbedrag.
Het krediet wordt ter beschikking gesteld op 5 januari 2009 en moet worden terug betaald op 5 juli 2010. Het exacte aantal dagen tussen deze data is 546 dagen.
Het verschil tussen deze data kan uitgedrukt worden in 18 gelijke maanden.
Hetzij, overeenkomstig artikel 3, § 2, derde lid, van dit besluit, een verschil tussen data die bij de berekening worden gebruikt, uitgedrukt in 18 gelijke maanden van elk 30,41666 dagen of 78 weken.
De vergelijking is de volgende :
Art. N1. Annexe 1. - Calcul du taux annuel effectif global
Exemples d'application
Pour l'application de cet annexe, il est entendu par " le/du présent arrêté " : l'arrêté royal du 14 septembre 2016 relatif aux coûts, aux taux, à la durée et aux modalités de remboursement des contrats de crédit soumis à l'application du livre VII du Code de droit économique et à la fixation des indices de référence pour les taux d'intérêt variables en matière de crédits hypothécaires et de crédits à la consommation y assimilés.
Exemple 1 - Exemple pour illustrer la notion de " fractions d'années ", un seul montant de terme.
Un contrat de crédit d'un montant de crédit de 1.000 euros à rembourser en un montant de terme de 1.200 euros après 1,5 an, le même jour du mois que le jour de la mise à disposition du montant du crédit.
Le crédit est mis à disposition le 5 janvier 2009 et doit être remboursé le 5 juillet 2010. Le nombre exact de jours entre ces dates est de 546 jours.
L'écart entre ces dates peut être exprimé en 18 mois égaux.
Soit, conformément à l'article 3, § 2, alinéa 3, du présent arrêté, l'écart entre les dates qui sont utilisées pour le calcul, s'exprime en 18 mois égaux, chacun de 30,41666 jours, ou 78 semaines.
L'équation est la suivante :
Exemples d'application
Pour l'application de cet annexe, il est entendu par " le/du présent arrêté " : l'arrêté royal du 14 septembre 2016 relatif aux coûts, aux taux, à la durée et aux modalités de remboursement des contrats de crédit soumis à l'application du livre VII du Code de droit économique et à la fixation des indices de référence pour les taux d'intérêt variables en matière de crédits hypothécaires et de crédits à la consommation y assimilés.
Exemple 1 - Exemple pour illustrer la notion de " fractions d'années ", un seul montant de terme.
Un contrat de crédit d'un montant de crédit de 1.000 euros à rembourser en un montant de terme de 1.200 euros après 1,5 an, le même jour du mois que le jour de la mise à disposition du montant du crédit.
Le crédit est mis à disposition le 5 janvier 2009 et doit être remboursé le 5 juillet 2010. Le nombre exact de jours entre ces dates est de 546 jours.
L'écart entre ces dates peut être exprimé en 18 mois égaux.
Soit, conformément à l'article 3, § 2, alinéa 3, du présent arrêté, l'écart entre les dates qui sont utilisées pour le calcul, s'exprime en 18 mois égaux, chacun de 30,41666 jours, ou 78 semaines.
L'équation est la suivante :
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 21-10-2016, p. 70983)
Voorbeeld 2 - Een voorbeeld ter verduidelijking van onmiddellijk te betalen kosten.
Een kredietovereenkomst voor een kredietbedrag van 1.000 euro en onmiddellijk te betalen dossierkosten van 50 euro, terug te betalen in 1 termijnbedrag van 1.200 euro, na 18 maanden, op dezelfde dag van de maand als de terbeschikkingstelling van het kredietbedrag.
Hetzij, overeenkomstig artikel 3, § 2, derde lid, van dit besluit, een verschil tussen data die bij de berekening worden gebruikt, uitgedrukt in 18 gelijke maanden.
Hetzij, een netto door de kredietgever te financieren bedrag in periode 0 van 1.000 - 50 = 950 euro.
De vergelijking is de volgende :
Voorbeeld 2 - Een voorbeeld ter verduidelijking van onmiddellijk te betalen kosten.
Een kredietovereenkomst voor een kredietbedrag van 1.000 euro en onmiddellijk te betalen dossierkosten van 50 euro, terug te betalen in 1 termijnbedrag van 1.200 euro, na 18 maanden, op dezelfde dag van de maand als de terbeschikkingstelling van het kredietbedrag.
Hetzij, overeenkomstig artikel 3, § 2, derde lid, van dit besluit, een verschil tussen data die bij de berekening worden gebruikt, uitgedrukt in 18 gelijke maanden.
Hetzij, een netto door de kredietgever te financieren bedrag in periode 0 van 1.000 - 50 = 950 euro.
De vergelijking is de volgende :
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 21-10-2016, p. 70983)
Exemple 2 - Exemple pour illustrer le paiement immédiat des frais.
Contrat de crédit d'un montant de 1.000 euros et frais de dossier de 50 euros à payer immédiatement, à rembourser en un montant de terme de 1.200 euros, après 18 mois, le même jour du mois que le jour de la mise à disposition du montant du crédit.
Soit, conformément à l'article 3, § 2, alinéa 3, du présent arrêté, l'écart entre les dates qui sont utilisées pour le calcul, s'exprime en 18 mois égaux.
Soit, un montant net à financer par le prêteur, à la période 0, de 1.000 - 50 = 950 euros.
L'équation est la suivante :
Exemple 2 - Exemple pour illustrer le paiement immédiat des frais.
Contrat de crédit d'un montant de 1.000 euros et frais de dossier de 50 euros à payer immédiatement, à rembourser en un montant de terme de 1.200 euros, après 18 mois, le même jour du mois que le jour de la mise à disposition du montant du crédit.
Soit, conformément à l'article 3, § 2, alinéa 3, du présent arrêté, l'écart entre les dates qui sont utilisées pour le calcul, s'exprime en 18 mois égaux.
Soit, un montant net à financer par le prêteur, à la période 0, de 1.000 - 50 = 950 euros.
L'équation est la suivante :
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 21-10-2016, p. 70984)
Voorbeeld 3 - Een voorbeeld ter verduidelijking van een terugbetaling in twee termijnbedragen.
Lening op afbetaling voor een bedrag van 1.000 euro terug te betalen in twee termijnbedragen van 600 euro, respectievelijk na 1 en 2 jaar telkens op dezelfde dag van het jaar als de dag van de terbeschikkingstelling van het kredietbedrag, bijvoorbeeld telkens op 5 januari.
De vergelijking is de volgende :
Voorbeeld 3 - Een voorbeeld ter verduidelijking van een terugbetaling in twee termijnbedragen.
Lening op afbetaling voor een bedrag van 1.000 euro terug te betalen in twee termijnbedragen van 600 euro, respectievelijk na 1 en 2 jaar telkens op dezelfde dag van het jaar als de dag van de terbeschikkingstelling van het kredietbedrag, bijvoorbeeld telkens op 5 januari.
De vergelijking is de volgende :
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 21-10-2016, p. 70984)
Exemple 3 - Exemple pour illustrer le remboursement en deux montants de terme.
Prêt à tempérament d'un montant de 1.000 euros à rembourser en deux montants de terme de 600 euros, respectivement après 1 an et 2 ans, chaque fois le même jour de l'année que le jour de la mise à disposition du montant du crédit, par exemple chaque fois le 5 janvier.
L'équation est la suivante :
Exemple 3 - Exemple pour illustrer le remboursement en deux montants de terme.
Prêt à tempérament d'un montant de 1.000 euros à rembourser en deux montants de terme de 600 euros, respectivement après 1 an et 2 ans, chaque fois le même jour de l'année que le jour de la mise à disposition du montant du crédit, par exemple chaque fois le 5 janvier.
L'équation est la suivante :
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 21-10-2016, p. 70984)
Voorbeeld 4 - Een voorbeeld ter verduidelijking van ongelijke betalingstermijnen.
Lening op afbetaling voor een bedrag van 1.000 euro terug te betalen in drie termijnbedragen van respectievelijk 272 euro na 3 maanden, 272 euro na 6 maanden en 544 euro na 12 maanden, telkens op dezelfde dag van de maand als de dag van de terbeschikkingstelling van het kredietbedrag.
Hetzij, overeenkomstig artikel 3, § 2, derde lid, van dit besluit, een verschil tussen data die bij de berekening worden gebruikt, uitgedrukt in respectievelijk 3, 6 en 12 gelijke maanden.
De vergelijking is de volgende :
Voorbeeld 4 - Een voorbeeld ter verduidelijking van ongelijke betalingstermijnen.
Lening op afbetaling voor een bedrag van 1.000 euro terug te betalen in drie termijnbedragen van respectievelijk 272 euro na 3 maanden, 272 euro na 6 maanden en 544 euro na 12 maanden, telkens op dezelfde dag van de maand als de dag van de terbeschikkingstelling van het kredietbedrag.
Hetzij, overeenkomstig artikel 3, § 2, derde lid, van dit besluit, een verschil tussen data die bij de berekening worden gebruikt, uitgedrukt in respectievelijk 3, 6 en 12 gelijke maanden.
De vergelijking is de volgende :
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 21-10-2016, p. 70984)
Exemple 4 - Exemple pour illustrer des termes de paiement inégaux.
Prêt à tempérament d'un montant de 1.000 euros à rembourser en trois montants de terme de respectivement 272 euros après 3 mois, 272 euros après 6 mois et 544 euros après 12 mois, chaque fois le même jour du mois que le jour de la mise à disposition du montant de crédit.
Soit, conformément à l'article 3, § 2, alinéa 3, du présent arrêté, l'écart entre les dates qui sont utilisées pour le calcul s'exprime respectivement en 3, 6 et 12 mois égaux.
L'équation est la suivante :
Exemple 4 - Exemple pour illustrer des termes de paiement inégaux.
Prêt à tempérament d'un montant de 1.000 euros à rembourser en trois montants de terme de respectivement 272 euros après 3 mois, 272 euros après 6 mois et 544 euros après 12 mois, chaque fois le même jour du mois que le jour de la mise à disposition du montant de crédit.
Soit, conformément à l'article 3, § 2, alinéa 3, du présent arrêté, l'écart entre les dates qui sont utilisées pour le calcul s'exprime respectivement en 3, 6 et 12 mois égaux.
L'équation est la suivante :
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 21-10-2016, p. 70985)
Voorbeeld 5 - Een voorbeeld ter verduidelijking van ongelijke termijnbedragen ingevolge vaste kapitaalaflossingen.
Lening op afbetaling voor een bedrag van 1.200 euro terug te betalen in twaalf maandelijkse termijnbedragen, telkens op dezelfde dag van de maand als de dag van de terbeschikkingstelling van het kredietbedrag. Elk termijnbedrag bestaat uit eenzelfde kapitaalgedeelte van 1/12de van het kredietbedrag, hetzij 100 euro.
Het contract bepaalt, overeenkomstig de artikelen VII.78, § 2, 7° en VII.134, § 1, derde lid van het WER, dat de debetrentevoet van 8 % op jaarbasis op nominale wijze wordt toegepast op het verschuldigd blijvend saldo en rekening houdt met het werkelijke aantal dagen van elke kalendermaand.
De bedragen in de aflossingstabel die, overeenkomstig de artikelen VII.78, § 1, tweede lid, en VII.134, § 1, derde lid, van het WER, bij de kredietovereenkomst wordt overhandigd, houden rekening met het werkelijke aantal dagen van elke kalendermaand.
Het contract wordt gesloten op 15 maart 2010 zodat elke vervaldag valt op de 15de dag van de volgende maand.
Hetzij, een contractuele aflossingstabel met 12 maandelijkse termijnbedragen Dl waarbij :
D1 = 108,15 of (1200/12) + ((0,08*31)/365 * 1200)
D2 = 107,23
D3 = 106,79
D4 = 105,92
D5 = 105,44
D6 = 104,76
D7 = 103,95
D8 = 103,40
D9 = 102,63
D10 = 102,04
D11 = 101,36
D12 = 100,6
Elk verschil tussen data kan uitgedrukt worden in een gelijke maand van 30,41666 dagen.
Hetzij, voor de berekening van het contractuele JKP, overeenkomstig artikel 3, § 2, derde lid, van dit besluit, een verschil tussen de data die bij de berekening worden gebruikt, uitgedrukt in 1 of meerdere gelijke maanden van elk 30,41666 dagen.
De 12 hypothetische maandelijkse termijnbedragen Dl kunnen verkregen worden op basis van een aflossingsschema waarbij :
D1 = 108,00 of (1200/12) + (0,08/12 * 1200);
D2 = 107,33;
D3 = 106,67;
D4 = 106,00;
D5 = 105,33;
D6 = 104,67;
D7 = 104,00;
D8 = 103,33;
D9 = 102,67;
D10 = 102,00;
D11 = 101,33;
D12 = 100,67.
De vergelijking is de volgende :
Voorbeeld 5 - Een voorbeeld ter verduidelijking van ongelijke termijnbedragen ingevolge vaste kapitaalaflossingen.
Lening op afbetaling voor een bedrag van 1.200 euro terug te betalen in twaalf maandelijkse termijnbedragen, telkens op dezelfde dag van de maand als de dag van de terbeschikkingstelling van het kredietbedrag. Elk termijnbedrag bestaat uit eenzelfde kapitaalgedeelte van 1/12de van het kredietbedrag, hetzij 100 euro.
Het contract bepaalt, overeenkomstig de artikelen VII.78, § 2, 7° en VII.134, § 1, derde lid van het WER, dat de debetrentevoet van 8 % op jaarbasis op nominale wijze wordt toegepast op het verschuldigd blijvend saldo en rekening houdt met het werkelijke aantal dagen van elke kalendermaand.
De bedragen in de aflossingstabel die, overeenkomstig de artikelen VII.78, § 1, tweede lid, en VII.134, § 1, derde lid, van het WER, bij de kredietovereenkomst wordt overhandigd, houden rekening met het werkelijke aantal dagen van elke kalendermaand.
Het contract wordt gesloten op 15 maart 2010 zodat elke vervaldag valt op de 15de dag van de volgende maand.
Hetzij, een contractuele aflossingstabel met 12 maandelijkse termijnbedragen Dl waarbij :
D1 = 108,15 of (1200/12) + ((0,08*31)/365 * 1200)
D2 = 107,23
D3 = 106,79
D4 = 105,92
D5 = 105,44
D6 = 104,76
D7 = 103,95
D8 = 103,40
D9 = 102,63
D10 = 102,04
D11 = 101,36
D12 = 100,6
Elk verschil tussen data kan uitgedrukt worden in een gelijke maand van 30,41666 dagen.
Hetzij, voor de berekening van het contractuele JKP, overeenkomstig artikel 3, § 2, derde lid, van dit besluit, een verschil tussen de data die bij de berekening worden gebruikt, uitgedrukt in 1 of meerdere gelijke maanden van elk 30,41666 dagen.
De 12 hypothetische maandelijkse termijnbedragen Dl kunnen verkregen worden op basis van een aflossingsschema waarbij :
D1 = 108,00 of (1200/12) + (0,08/12 * 1200);
D2 = 107,33;
D3 = 106,67;
D4 = 106,00;
D5 = 105,33;
D6 = 104,67;
D7 = 104,00;
D8 = 103,33;
D9 = 102,67;
D10 = 102,00;
D11 = 101,33;
D12 = 100,67.
De vergelijking is de volgende :
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 21-10-2016, p. 70985)
Exemple 5 - Exemple pour illustrer les termes de paiement inégaux suite à des remboursements fixes de capital.
Prêt à tempérament d'un montant de 1.200 euros à rembourser en douze montants de terme mensuels, chaque fois le même jour du mois que le jour de la mise à disposition du montant du crédit. Chaque montant de terme se compose d'une même part en capital de 1/12ème du montant du crédit, soit 100 euros.
Conformément aux articles VII.78, § 2, 7° et VII.134, § 1er, alinéa 3 du CDE, le contrat stipule que le taux débiteur de 8 % sur base annuelle est appliqué de manière nominale sur le solde restant dû et tient compte du nombre exact de jours de chaque mois calendrier.
Les montants du tableau d'amortissement qui, conformément aux articles VII.78, § 1er, alinéa 2, et VII.134, § 1er, alinéa 3 du CDE, est remis avec le contrat de crédit, tiennent compte du nombre exact de jours de chaque mois calendrier.
Le contrat est conclu le 15 mars 2010 de sorte que chaque échéance tombe le 15ème jour du mois suivant.
Soit, un tableau d'amortissement contractuel avec 12 montants de terme mensuels Dl où :
D1 = 108,15 ou (1200/12) + ((0,08*31)/365 * 1200)
D2 = 107,23
D3 = 106,79
D4 = 105,92
D5 = 105,44
D6 = 104,76
D7 = 103,95
D8 = 103,40
D9 = 102,63
D10 = 102,04
D11 = 101,36
D12 = 100,6
Chaque écart entre les dates peut être exprimé en un même mois de 30,41666 jours.
Soit, pour le calcul du TAEG contractuel, conformément à l'article 3, § 2, alinéa 3, du présent arrêté, un écart entre les dates qui sont utilisées pour le calcul, s'exprime en 1 ou plusieurs mois égaux, chacun de 30,41666 jours.
Les 12 montants de terme mensuels hypothétiques Dl peuvent être obtenus sur base d'un échéancier de remboursement où :
D1 = 108,00 ou (1200/12) + (0,08/12 * 1200);
D2 = 107,33;
D3 = 106,67;
D4 = 106,00;
D5 = 105,33;
D6 = 104,67;
D7 = 104,00;
D8 = 103,33;
D9 = 102,67;
D10 = 102,00;
D11 = 101,33;
D12 = 100,67.
L'équation est la suivante :
Exemple 5 - Exemple pour illustrer les termes de paiement inégaux suite à des remboursements fixes de capital.
Prêt à tempérament d'un montant de 1.200 euros à rembourser en douze montants de terme mensuels, chaque fois le même jour du mois que le jour de la mise à disposition du montant du crédit. Chaque montant de terme se compose d'une même part en capital de 1/12ème du montant du crédit, soit 100 euros.
Conformément aux articles VII.78, § 2, 7° et VII.134, § 1er, alinéa 3 du CDE, le contrat stipule que le taux débiteur de 8 % sur base annuelle est appliqué de manière nominale sur le solde restant dû et tient compte du nombre exact de jours de chaque mois calendrier.
Les montants du tableau d'amortissement qui, conformément aux articles VII.78, § 1er, alinéa 2, et VII.134, § 1er, alinéa 3 du CDE, est remis avec le contrat de crédit, tiennent compte du nombre exact de jours de chaque mois calendrier.
Le contrat est conclu le 15 mars 2010 de sorte que chaque échéance tombe le 15ème jour du mois suivant.
Soit, un tableau d'amortissement contractuel avec 12 montants de terme mensuels Dl où :
D1 = 108,15 ou (1200/12) + ((0,08*31)/365 * 1200)
D2 = 107,23
D3 = 106,79
D4 = 105,92
D5 = 105,44
D6 = 104,76
D7 = 103,95
D8 = 103,40
D9 = 102,63
D10 = 102,04
D11 = 101,36
D12 = 100,6
Chaque écart entre les dates peut être exprimé en un même mois de 30,41666 jours.
Soit, pour le calcul du TAEG contractuel, conformément à l'article 3, § 2, alinéa 3, du présent arrêté, un écart entre les dates qui sont utilisées pour le calcul, s'exprime en 1 ou plusieurs mois égaux, chacun de 30,41666 jours.
Les 12 montants de terme mensuels hypothétiques Dl peuvent être obtenus sur base d'un échéancier de remboursement où :
D1 = 108,00 ou (1200/12) + (0,08/12 * 1200);
D2 = 107,33;
D3 = 106,67;
D4 = 106,00;
D5 = 105,33;
D6 = 104,67;
D7 = 104,00;
D8 = 103,33;
D9 = 102,67;
D10 = 102,00;
D11 = 101,33;
D12 = 100,67.
L'équation est la suivante :
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 21-10-2016, p. 70986)
Voorbeeld 6 - Een voorbeeld ter verduidelijking van een procentuele schuldsaldoverzekering die in het JKP moet opgenomen worden.
Eenzelfde lening op afbetaling als in voorbeeld 5 met dat verschil dat de consument verplicht is om een schuldsaldoverzekering te sluiten waarvan de prijs gelijk is aan 0,2 % per maand op het verschuldigd blijvend saldo, maandelijks te betalen bovenop het kapitaalgedeelte en de debetinteresten.
Hetzij, 12 gelijke maanden van elk 30,41666 dagen.
De 12 maandelijkse termijnbedragen Dl kunnen verkregen worden op basis van een aflossingsschema waarbij :
D1 = 110,40 of (1200/12) + (0,08/12 * 1200) + (0,002 * 1200)
D2 = 109,53
D3 = 108,67
D4 = 107,80
D5 = 106,93
D6 = 106,07
D7 = 105,20
D8 = 104,33
D9 = 103,47
D10 = 102,60
D11 = 101,73
D12 = 100,87.
De vergelijking is de volgende :
Voorbeeld 6 - Een voorbeeld ter verduidelijking van een procentuele schuldsaldoverzekering die in het JKP moet opgenomen worden.
Eenzelfde lening op afbetaling als in voorbeeld 5 met dat verschil dat de consument verplicht is om een schuldsaldoverzekering te sluiten waarvan de prijs gelijk is aan 0,2 % per maand op het verschuldigd blijvend saldo, maandelijks te betalen bovenop het kapitaalgedeelte en de debetinteresten.
Hetzij, 12 gelijke maanden van elk 30,41666 dagen.
De 12 maandelijkse termijnbedragen Dl kunnen verkregen worden op basis van een aflossingsschema waarbij :
D1 = 110,40 of (1200/12) + (0,08/12 * 1200) + (0,002 * 1200)
D2 = 109,53
D3 = 108,67
D4 = 107,80
D5 = 106,93
D6 = 106,07
D7 = 105,20
D8 = 104,33
D9 = 103,47
D10 = 102,60
D11 = 101,73
D12 = 100,87.
De vergelijking is de volgende :
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 21-10-2016, p. 70986)
Exemple 6 - Exemple pour illustrer une assurance solde restant dû exprimée en pourcentage qui doit être reprise dans le TAEG.
Un même prêt à tempérament qu'à l'exemple 5 à la différence que le consommateur est obligé de conclure une assurance solde restant dû dont le prix est égal à 0,2 % par mois du solde restant dû, à payer mensuellement en plus de la part de capital et des intérêts débiteurs.
Soit, 12 mois égaux, chacun de 30,41666 jours.
Les 12 montants de terme mensuels Dl peuvent être obtenus sur base d'un échéancier de remboursement où :
D1 = 110,40 ou (1200/12) + (0,08/12 * 1200) + (0,002 * 1200)
D2 = 109,53
D3 = 108,67
D4 = 107,80
D5 = 106,93
D6 = 106,07
D7 = 105,20
D8 = 104,33
D9 = 103,47
D10 = 102,60
D11 = 101,73
D12 = 100,87.
L'équation est la suivante :
Exemple 6 - Exemple pour illustrer une assurance solde restant dû exprimée en pourcentage qui doit être reprise dans le TAEG.
Un même prêt à tempérament qu'à l'exemple 5 à la différence que le consommateur est obligé de conclure une assurance solde restant dû dont le prix est égal à 0,2 % par mois du solde restant dû, à payer mensuellement en plus de la part de capital et des intérêts débiteurs.
Soit, 12 mois égaux, chacun de 30,41666 jours.
Les 12 montants de terme mensuels Dl peuvent être obtenus sur base d'un échéancier de remboursement où :
D1 = 110,40 ou (1200/12) + (0,08/12 * 1200) + (0,002 * 1200)
D2 = 109,53
D3 = 108,67
D4 = 107,80
D5 = 106,93
D6 = 106,07
D7 = 105,20
D8 = 104,33
D9 = 103,47
D10 = 102,60
D11 = 101,73
D12 = 100,87.
L'équation est la suivante :
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 21-10-2016, p. 70986)
Voorbeeld 7 - Een voorbeeld ter verduidelijking van een onmiddellijk te betalen schuldsaldoverzekering die in het JKP moet opgenomen worden.
Eenzelfde lening op afbetaling als in voorbeeld 5 met dat verschil dat de consument verplicht is om een schuldsaldoverzekering te sluiten van 50 euro die hij onmiddellijk moet betalen.
a) De consument betaalt de verzekeringspremie contant.
De vergelijking is de volgende :
Voorbeeld 7 - Een voorbeeld ter verduidelijking van een onmiddellijk te betalen schuldsaldoverzekering die in het JKP moet opgenomen worden.
Eenzelfde lening op afbetaling als in voorbeeld 5 met dat verschil dat de consument verplicht is om een schuldsaldoverzekering te sluiten van 50 euro die hij onmiddellijk moet betalen.
a) De consument betaalt de verzekeringspremie contant.
De vergelijking is de volgende :
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 21-10-2016, p. 70986)
Exemple 7 - Exemple pour illustrer une assurance solde restant dû à payer immédiatement qui doit être reprise dans le TAEG.
Un même prêt à tempérament qu'à l'exemple 5 à la différence que le consommateur est obligé de conclure une assurance solde restant dû de 50 euros qu'il doit payer immédiatement.
a) Le consommateur paie la prime d'assurance au comptant.
L'équation est la suivante :
Exemple 7 - Exemple pour illustrer une assurance solde restant dû à payer immédiatement qui doit être reprise dans le TAEG.
Un même prêt à tempérament qu'à l'exemple 5 à la différence que le consommateur est obligé de conclure une assurance solde restant dû de 50 euros qu'il doit payer immédiatement.
a) Le consommateur paie la prime d'assurance au comptant.
L'équation est la suivante :
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 21-10-2016, p. 70987)
b) De consument vraagt uitdrukkelijk om de premie te laten financieren aan de hand van de kredietovereenkomst zonder het gevraagde kredietbedrag te verhogen.
Hetzij, de contractuele bepaling, bedoeld in de artikelen VII.78, § 2, 6° en VII.134, § 2, 6° van het WER, die stelt dat de betaling van de verzekeringspremie een voorwaarde voor kredietopneming is, waarbij de premie van het kredietbedrag wordt afgehouden.
Hetzij, een netto door de consument ontvangen bedrag in periode 0 van 1.200 - 50 = 1.150 euro.
De vergelijking is de volgende :
b) De consument vraagt uitdrukkelijk om de premie te laten financieren aan de hand van de kredietovereenkomst zonder het gevraagde kredietbedrag te verhogen.
Hetzij, de contractuele bepaling, bedoeld in de artikelen VII.78, § 2, 6° en VII.134, § 2, 6° van het WER, die stelt dat de betaling van de verzekeringspremie een voorwaarde voor kredietopneming is, waarbij de premie van het kredietbedrag wordt afgehouden.
Hetzij, een netto door de consument ontvangen bedrag in periode 0 van 1.200 - 50 = 1.150 euro.
De vergelijking is de volgende :
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 21-10-2016, p. 70987)
b) Le consommateur demande expressément de financer les primes à l'aide du contrat de crédit sans augmenter le montant du crédit demandé.
Soit, la disposition contractuelle, visée aux articles VII.78, § 2, 6° et VII.134, § 2, 6° du CDE selon laquelle le paiement des primes d'assurance est une condition de prélèvement du crédit, et où, la prime est déduite du montant du crédit.
Soit, un montant net, reçu par le consommateur à la période 0, de 1.200 - 50 = 1.150 euros.
L'équation est la suivante :
b) Le consommateur demande expressément de financer les primes à l'aide du contrat de crédit sans augmenter le montant du crédit demandé.
Soit, la disposition contractuelle, visée aux articles VII.78, § 2, 6° et VII.134, § 2, 6° du CDE selon laquelle le paiement des primes d'assurance est une condition de prélèvement du crédit, et où, la prime est déduite du montant du crédit.
Soit, un montant net, reçu par le consommateur à la période 0, de 1.200 - 50 = 1.150 euros.
L'équation est la suivante :
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 21-10-2016, p. 70987)
Hetzij, eenzelfde JKP als onder a) van 17,44 % = 17,4 %.
c) De consument vraagt uitdrukkelijk om de premie te laten financieren aan de hand van de kredietovereenkomst door het initieel gevraagde kredietbedrag te verhogen.
Hetzij, een verhoging van het initieel gevraagde kredietbedrag van 1.200 euro met 50 euro = 1.250 euro.
Hetzij, de contractuele bepaling, bedoeld in de artikelen VII.78, § 2, 6° en VII.134, § 2, 6° van het WER, die stelt dat de betaling van de verzekeringspremie een voorwaarde voor kredietopneming is, of, m.a.w., van het kredietbedrag wordt afgehouden.
Hetzij, een netto door de consument ontvangen bedrag in periode 0 van 1.250 - 50 = 1.200 euro.
De 12 maandelijkse termijnbedragen Dl kunnen verkregen worden op basis van een aflossingsschema waarbij :
D1 = 112,5 of (1250/12) + (0,08/12 * 1250);
D2 = 111,81;
D3 = 111,11;
D4 = 110,42;
D5 = 109,72;
D6 = 109,03;
D7 = 108,33;
D8 = 107,64;
D9 = 106,94;
D10 = 106,25;
D11 = 105,56;
D12 = 104,86.
De vergelijking is de volgende :
Hetzij, eenzelfde JKP als onder a) van 17,44 % = 17,4 %.
c) De consument vraagt uitdrukkelijk om de premie te laten financieren aan de hand van de kredietovereenkomst door het initieel gevraagde kredietbedrag te verhogen.
Hetzij, een verhoging van het initieel gevraagde kredietbedrag van 1.200 euro met 50 euro = 1.250 euro.
Hetzij, de contractuele bepaling, bedoeld in de artikelen VII.78, § 2, 6° en VII.134, § 2, 6° van het WER, die stelt dat de betaling van de verzekeringspremie een voorwaarde voor kredietopneming is, of, m.a.w., van het kredietbedrag wordt afgehouden.
Hetzij, een netto door de consument ontvangen bedrag in periode 0 van 1.250 - 50 = 1.200 euro.
De 12 maandelijkse termijnbedragen Dl kunnen verkregen worden op basis van een aflossingsschema waarbij :
D1 = 112,5 of (1250/12) + (0,08/12 * 1250);
D2 = 111,81;
D3 = 111,11;
D4 = 110,42;
D5 = 109,72;
D6 = 109,03;
D7 = 108,33;
D8 = 107,64;
D9 = 106,94;
D10 = 106,25;
D11 = 105,56;
D12 = 104,86.
De vergelijking is de volgende :
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 21-10-2016, p. 70987)
Soit, un même TAEG que sous a) de 17,44 % = 17,4 %.
c) Le consommateur demande expressément de financer les primes à l'aide du contrat de crédit en augmentant le montant de crédit initialement demandé.
Soit, une augmentation du montant du crédit initialement demandé de 1.200 euros + 50 euros = 1.250 euros.
Soit, la disposition contractuelle, visée aux articles VII.78, § 2, 6° et VII.134, § 2, 6° du CDE selon laquelle le paiement des primes d'assurance est une condition de prélèvement du crédit, ou, en d'autres termes, est déduit du montant du crédit.
Soit, un montant net, reçu par le consommateur à la période 0, de 1.250 - 50 = 1.200 euros.
Les 12 montants de terme mensuels Dl peuvent être obtenus sur base d'un échéancier de remboursement où :
D1 = 112,5 ou (1250/12) + (0,08/12 * 1250);
D2 = 111,81;
D3 = 111,11;
D4 = 110,42;
D5 = 109,72;
D6 = 109,03;
D7 = 108,33;
D8 = 107,64;
D9 = 106,94;
D10 = 106,25;
D11 = 105,56;
D12 = 104,86.
L'équation est la suivante :
Soit, un même TAEG que sous a) de 17,44 % = 17,4 %.
c) Le consommateur demande expressément de financer les primes à l'aide du contrat de crédit en augmentant le montant de crédit initialement demandé.
Soit, une augmentation du montant du crédit initialement demandé de 1.200 euros + 50 euros = 1.250 euros.
Soit, la disposition contractuelle, visée aux articles VII.78, § 2, 6° et VII.134, § 2, 6° du CDE selon laquelle le paiement des primes d'assurance est une condition de prélèvement du crédit, ou, en d'autres termes, est déduit du montant du crédit.
Soit, un montant net, reçu par le consommateur à la période 0, de 1.250 - 50 = 1.200 euros.
Les 12 montants de terme mensuels Dl peuvent être obtenus sur base d'un échéancier de remboursement où :
D1 = 112,5 ou (1250/12) + (0,08/12 * 1250);
D2 = 111,81;
D3 = 111,11;
D4 = 110,42;
D5 = 109,72;
D6 = 109,03;
D7 = 108,33;
D8 = 107,64;
D9 = 106,94;
D10 = 106,25;
D11 = 105,56;
D12 = 104,86.
L'équation est la suivante :
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 21-10-2016, p. 70988)
Voorbeeld 8 - Een voorbeeld ter verduidelijking van de financiering van een goed met voorschot (alhoewel de betaling van dit voorschot wettelijk niet meer verplicht is).
Verkoop op afbetaling van een goed met een waarde van 2.500 euro, de overeenkomst voorziet een voorschot van 500 euro, te betalen op de dag van de levering en verder 24 maandelijkse termijnbedragen van 90 euro, te betalen telkens op dezelfde dag van de maand als de dag van de levering, bijvoorbeeld telkens op de vijfde dag van elke maand.
Hetzij, 1 maand = 1/12.
Hetzij, een kredietbedrag van 2.500 - 500 = 2.000 euro.
De vergelijking is de volgende :
Voorbeeld 8 - Een voorbeeld ter verduidelijking van de financiering van een goed met voorschot (alhoewel de betaling van dit voorschot wettelijk niet meer verplicht is).
Verkoop op afbetaling van een goed met een waarde van 2.500 euro, de overeenkomst voorziet een voorschot van 500 euro, te betalen op de dag van de levering en verder 24 maandelijkse termijnbedragen van 90 euro, te betalen telkens op dezelfde dag van de maand als de dag van de levering, bijvoorbeeld telkens op de vijfde dag van elke maand.
Hetzij, 1 maand = 1/12.
Hetzij, een kredietbedrag van 2.500 - 500 = 2.000 euro.
De vergelijking is de volgende :
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 21-10-2016, p. 70988)
Exemple 8 - Exemple pour illustrer le financement d'un bien avec acompte (bien que le paiement de cet acompte ne soit plus légalement obligatoire).
Vente à tempérament d'un bien d'une valeur de 2.500 euros, le contrat prévoit un acompte de 500 euros à payer le jour de la livraison et ensuite 24 montants de terme mensuels de 90 euros à payer chaque fois le même jour du mois que le jour de la livraison, par exemple chaque fois le cinquième jour de chaque mois.
Soit, 1 mois = 1/12.
Soit, un montant de crédit de 2.500 - 500 = 2.000 euros.
L'équation est la suivante :
Exemple 8 - Exemple pour illustrer le financement d'un bien avec acompte (bien que le paiement de cet acompte ne soit plus légalement obligatoire).
Vente à tempérament d'un bien d'une valeur de 2.500 euros, le contrat prévoit un acompte de 500 euros à payer le jour de la livraison et ensuite 24 montants de terme mensuels de 90 euros à payer chaque fois le même jour du mois que le jour de la livraison, par exemple chaque fois le cinquième jour de chaque mois.
Soit, 1 mois = 1/12.
Soit, un montant de crédit de 2.500 - 500 = 2.000 euros.
L'équation est la suivante :
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 21-10-2016, p. 70988)
Voorbeeld 9 - Een voorbeeld ter verduidelijking van de financiering van een goed zonder voorschot, waarbij aan de contante betaler een korting wordt gegeven op de aankoopprijs van het goed.
Verkoop op afbetaling van een goed met een waarde van 2.000 euro, de overeenkomst voorziet geen voorschot, 24 maandelijkse termijnbedragen van 90 euro, te betalen telkens op dezelfde dag van de maand als de dag van de levering, bijvoorbeeld telkens op de vijfde dag van elke maand.
Bij contante betaling wordt er een korting gegeven van 80 euro op de aankoopprijs van het goed. M.a.w., de consument die op krediet koopt betaalt 80 euro meer voor het goed dan de contante betaler. Deze 80 euro is bijgevolg een kost van het krediet en moet, overeenkomstig artikel I.9, 41° van het WER, in de totale kosten van het krediet opgenomen worden.
Hetzij, 1 maand = 1/12.
Hetzij, een netto door de kredietgever te financieren bedrag in periode 0 van 2.000 - 80 = 1.920 euro.
De vergelijking is de volgende :
Voorbeeld 9 - Een voorbeeld ter verduidelijking van de financiering van een goed zonder voorschot, waarbij aan de contante betaler een korting wordt gegeven op de aankoopprijs van het goed.
Verkoop op afbetaling van een goed met een waarde van 2.000 euro, de overeenkomst voorziet geen voorschot, 24 maandelijkse termijnbedragen van 90 euro, te betalen telkens op dezelfde dag van de maand als de dag van de levering, bijvoorbeeld telkens op de vijfde dag van elke maand.
Bij contante betaling wordt er een korting gegeven van 80 euro op de aankoopprijs van het goed. M.a.w., de consument die op krediet koopt betaalt 80 euro meer voor het goed dan de contante betaler. Deze 80 euro is bijgevolg een kost van het krediet en moet, overeenkomstig artikel I.9, 41° van het WER, in de totale kosten van het krediet opgenomen worden.
Hetzij, 1 maand = 1/12.
Hetzij, een netto door de kredietgever te financieren bedrag in periode 0 van 2.000 - 80 = 1.920 euro.
De vergelijking is de volgende :
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 21-10-2016, p. 70988)
Exemple 9 - Exemple pour illustrer le financement d'un bien sans acompte où une remise sur le prix d'achat du bien est accordée au payeur au comptant.
Vente à tempérament d'un bien d'une valeur de 2.000 euros, le contrat ne prévoit pas d'acompte, 24 montants de terme mensuels de 90 euros à payer chaque fois le même jour du mois que le jour de la livraison, par exemple chaque fois le cinquième jour de chaque mois.
Lors du paiement au comptant, une remise de 80 euros est accordée sur le prix d'achat du bien. En d'autres termes, le consommateur qui achète à crédit paie 80 euros de plus pour le bien que le payeur au comptant. Ces 80 euros sont dès lors un coût du crédit et doivent, conformément à l'article I.9, 41° du CDE, être repris dans le coût total du crédit.
Soit, 1 mois = 1/12.
Soit, un montant net à financer par le prêteur, à la période 0, de 2.000 - 80 = 1.920 euros.
L'équation est la suivante :
Exemple 9 - Exemple pour illustrer le financement d'un bien sans acompte où une remise sur le prix d'achat du bien est accordée au payeur au comptant.
Vente à tempérament d'un bien d'une valeur de 2.000 euros, le contrat ne prévoit pas d'acompte, 24 montants de terme mensuels de 90 euros à payer chaque fois le même jour du mois que le jour de la livraison, par exemple chaque fois le cinquième jour de chaque mois.
Lors du paiement au comptant, une remise de 80 euros est accordée sur le prix d'achat du bien. En d'autres termes, le consommateur qui achète à crédit paie 80 euros de plus pour le bien que le payeur au comptant. Ces 80 euros sont dès lors un coût du crédit et doivent, conformément à l'article I.9, 41° du CDE, être repris dans le coût total du crédit.
Soit, 1 mois = 1/12.
Soit, un montant net à financer par le prêteur, à la période 0, de 2.000 - 80 = 1.920 euros.
L'équation est la suivante :
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 21-10-2016, p. 70989)
Voorbeeld 10 - Een voorbeeld ter verduidelijking van een financieringshuur.
Financieringshuur van een goed met een waarde van 15.000 euro, de overeenkomst voorziet 48 termijnbedragen van 350 euro, het eerste termijnbedrag wordt betaald op het moment van de terbeschikkingstelling van het goed, de overige 47 termijnbedragen van 350 euro zijn maandelijks te betalen telkens op dezelfde dag van de maand als de dag van de levering, bijvoorbeeld telkens op de vijfde dag van elke maand, na 48 maanden kan de koopoptie gelicht worden tegen de betaling van een residuele waarde van 1.250 euro.
Hetzij, 1 maand = 1/12.
Vermits het eerste termijnbedrag betaalbaar is op het moment van de terbeschikkingstelling van het goed in periode 0, blijft er om te financieren een bedrag over van 15.000 - 350 = 14.650 euro.
De vergelijking is de volgende :
Voorbeeld 10 - Een voorbeeld ter verduidelijking van een financieringshuur.
Financieringshuur van een goed met een waarde van 15.000 euro, de overeenkomst voorziet 48 termijnbedragen van 350 euro, het eerste termijnbedrag wordt betaald op het moment van de terbeschikkingstelling van het goed, de overige 47 termijnbedragen van 350 euro zijn maandelijks te betalen telkens op dezelfde dag van de maand als de dag van de levering, bijvoorbeeld telkens op de vijfde dag van elke maand, na 48 maanden kan de koopoptie gelicht worden tegen de betaling van een residuele waarde van 1.250 euro.
Hetzij, 1 maand = 1/12.
Vermits het eerste termijnbedrag betaalbaar is op het moment van de terbeschikkingstelling van het goed in periode 0, blijft er om te financieren een bedrag over van 15.000 - 350 = 14.650 euro.
De vergelijking is de volgende :
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 21-10-2016, p. 70989)
Exemple 10 - Exemple pour illustrer un crédit-bail.
Crédit-bail d'un bien d'une valeur de 15.000 euros, le contrat prévoit 48 montants de terme de 350 euros, le premier montant de terme est payé au moment de la mise à disposition du bien, les 47 autres montants de terme de 350 euros sont payés mensuellement chaque fois le même jour du mois que le jour de la livraison, par exemple chaque fois le cinquième jour de chaque mois, après 48 mois, l'option d'achat peut être levée moyennant le paiement d'une valeur résiduelle de 1.250 euros.
Soit, 1 mois = 1/12.
Comme le premier montant de terme est payable au moment de la mise à disposition du bien à la période 0, il reste à financer un montant de 15.000 - 350 = 14.650 euros.
L'équation est la suivante :
Exemple 10 - Exemple pour illustrer un crédit-bail.
Crédit-bail d'un bien d'une valeur de 15.000 euros, le contrat prévoit 48 montants de terme de 350 euros, le premier montant de terme est payé au moment de la mise à disposition du bien, les 47 autres montants de terme de 350 euros sont payés mensuellement chaque fois le même jour du mois que le jour de la livraison, par exemple chaque fois le cinquième jour de chaque mois, après 48 mois, l'option d'achat peut être levée moyennant le paiement d'une valeur résiduelle de 1.250 euros.
Soit, 1 mois = 1/12.
Comme le premier montant de terme est payable au moment de la mise à disposition du bien à la période 0, il reste à financer un montant de 15.000 - 350 = 14.650 euros.
L'équation est la suivante :
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 21-10-2016, p. 70989)
Voorbeeld 11 - Een voorbeeld ter verduidelijking van een eerste betalingstermijn die korter of langer is dan de overige betalingstermijnen van een maand.
Verkoop op afbetaling van een goed met een waarde van 2.500 euro; de overeenkomst voorziet een voorschot van 500 euro en 24 maandelijkse termijnbedragen van 95 euro die steeds op de eerste kalenderdag van de maand vallen.
De maandelijkse termijnbedragen wijzigen niet in functie van het werkelijke aantal dagen.
Op het moment van het sluiten van het contract is de leveringsdatum gekend : 12 januari 2009.
Hetzij, een eerste vervaldag op 1 februari 2009 of een eerste betalingstermijn van 20 dagen.
De overige vervaldagen vallen telkens op de eerste van elke volgende maand; een laatste vervaldag op 1 januari 2011, dit is 354 + 365 = 719 dagen na de levering van het goed op 12 januari 2009. Het verschil tussen de data van alle betalingstermijnen behalve de eerste kan telkens uitgedrukt worden in een gelijke maand van 30,41666 dagen.
Hetzij, een kredietbedrag van 2.500 - 500 = 2.000 euro.
Hetzij, voor de eerste betalingstermijn en het eerste termijnbedrag, overeenkomstig artikel 3, § 2, derde lid, van dit besluit, een verschil tussen de data die bij de berekening worden gebruikt van 20 kalenderdagen.
Die periode van 20 kalenderdagen maakt deel uit van een jaar gelegen tussen 1 februari 2009 en 1 februari 2008 en betreft dus een schrikkeljaar van 366 dagen, gelet op artikel 3, § 2, vierde lid, 3°, in fine, van dit besluit dat bepaalt dat er voor het jaar van de periode wordt teruggeteld van de laatste dag van de periode tot dezelfde dag van het voorgaande jaar.
Hetzij, overeenkomstig de veronderstelling in artikel 3, § 2, derde lid, van dit besluit, voor elk van de overige 23 termijnbedragen een verschil tussen de data die bij de berekening worden gebruikt, uitgedrukt in een combinatie van 20 dagen en het van toepassing zijnde aantal gelijke maanden van elk 30,41666 dagen.
Hetzij, voor de berekening van het JKP, een laatste vervaldag op 719,5832 dagen na de levering van het goed, of 20 dagen plus 23 maanden van elk 30,41666 dagen.
De vergelijking is de volgende :
Voorbeeld 11 - Een voorbeeld ter verduidelijking van een eerste betalingstermijn die korter of langer is dan de overige betalingstermijnen van een maand.
Verkoop op afbetaling van een goed met een waarde van 2.500 euro; de overeenkomst voorziet een voorschot van 500 euro en 24 maandelijkse termijnbedragen van 95 euro die steeds op de eerste kalenderdag van de maand vallen.
De maandelijkse termijnbedragen wijzigen niet in functie van het werkelijke aantal dagen.
Op het moment van het sluiten van het contract is de leveringsdatum gekend : 12 januari 2009.
Hetzij, een eerste vervaldag op 1 februari 2009 of een eerste betalingstermijn van 20 dagen.
De overige vervaldagen vallen telkens op de eerste van elke volgende maand; een laatste vervaldag op 1 januari 2011, dit is 354 + 365 = 719 dagen na de levering van het goed op 12 januari 2009. Het verschil tussen de data van alle betalingstermijnen behalve de eerste kan telkens uitgedrukt worden in een gelijke maand van 30,41666 dagen.
Hetzij, een kredietbedrag van 2.500 - 500 = 2.000 euro.
Hetzij, voor de eerste betalingstermijn en het eerste termijnbedrag, overeenkomstig artikel 3, § 2, derde lid, van dit besluit, een verschil tussen de data die bij de berekening worden gebruikt van 20 kalenderdagen.
Die periode van 20 kalenderdagen maakt deel uit van een jaar gelegen tussen 1 februari 2009 en 1 februari 2008 en betreft dus een schrikkeljaar van 366 dagen, gelet op artikel 3, § 2, vierde lid, 3°, in fine, van dit besluit dat bepaalt dat er voor het jaar van de periode wordt teruggeteld van de laatste dag van de periode tot dezelfde dag van het voorgaande jaar.
Hetzij, overeenkomstig de veronderstelling in artikel 3, § 2, derde lid, van dit besluit, voor elk van de overige 23 termijnbedragen een verschil tussen de data die bij de berekening worden gebruikt, uitgedrukt in een combinatie van 20 dagen en het van toepassing zijnde aantal gelijke maanden van elk 30,41666 dagen.
Hetzij, voor de berekening van het JKP, een laatste vervaldag op 719,5832 dagen na de levering van het goed, of 20 dagen plus 23 maanden van elk 30,41666 dagen.
De vergelijking is de volgende :
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 21-10-2016, p. 70989)
Exemple 11 - Exemple pour illustrer un premier terme de paiement plus court ou plus long que les autres termes de paiement d'un mois.
Vente à tempérament d'un bien d'une valeur de 2.500 euros; le contrat prévoit un acompte de 500 euros et 24 montants de terme mensuels de 95 euros qui tombent toujours le premier jour calendrier du mois.
Les montants de terme mensuels ne varient pas en fonction du nombre effectif de jours.
La date de livraison est connue au moment de la conclusion du contrat : 12 janvier 2009.
Soit, une première échéance le 1er février 2009 ou un premier terme de paiement de 20 jours.
Les autres échéances tombent chaque fois le premier de chaque mois suivant, une dernière échéance le 1er janvier 2011, cela fait 354 + 365 = 719 jours après la livraison du bien le 12 janvier 2009. L'écart entre les dates de tous les termes de paiement, à l'exception du premier, peut chaque fois être exprimé en un même mois de 30,41666 jours.
Soit, un montant de crédit de 2.500 - 500 = 2.000 euros.
Soit, pour le premier terme de paiement et le premier montant de terme, conformément à l'article 3, § 2, alinéa 3, du présent arrêté, un écart de 20 jours calendrier entre les dates qui sont utilisées pour le calcul.
Cette période de 20 jours calendriers fait partie d'une année située entre le 1er février 2009 et le 1er février 2008 et concerne donc une année bissextile de 366 jours, vu l'article 3, § 2, alinéa 4, 3°, in fine du présent arrêté qui détermine que pour la période de l'année on calcule du dernier jour de la période jusqu'au même jour de l'année précédente.
Soit, conformément à l'hypothèse de l'article 3, § 2, alinéa 3, du présent arrêté, pour chacun des 23 autres montants de terme, un écart entre les dates qui sont utilisées pour le calcul, exprimé en une combinaison de 20 jours et le nombre de mois égaux concerné, chacun de 30,41666 jours.
Soit, pour le calcul du TAEG, une dernière échéance de 719,5832 jours après la livraison du bien, soit 20 jours plus 23 mois de chacun 30,41666 jours.
L'équation est la suivante :
Exemple 11 - Exemple pour illustrer un premier terme de paiement plus court ou plus long que les autres termes de paiement d'un mois.
Vente à tempérament d'un bien d'une valeur de 2.500 euros; le contrat prévoit un acompte de 500 euros et 24 montants de terme mensuels de 95 euros qui tombent toujours le premier jour calendrier du mois.
Les montants de terme mensuels ne varient pas en fonction du nombre effectif de jours.
La date de livraison est connue au moment de la conclusion du contrat : 12 janvier 2009.
Soit, une première échéance le 1er février 2009 ou un premier terme de paiement de 20 jours.
Les autres échéances tombent chaque fois le premier de chaque mois suivant, une dernière échéance le 1er janvier 2011, cela fait 354 + 365 = 719 jours après la livraison du bien le 12 janvier 2009. L'écart entre les dates de tous les termes de paiement, à l'exception du premier, peut chaque fois être exprimé en un même mois de 30,41666 jours.
Soit, un montant de crédit de 2.500 - 500 = 2.000 euros.
Soit, pour le premier terme de paiement et le premier montant de terme, conformément à l'article 3, § 2, alinéa 3, du présent arrêté, un écart de 20 jours calendrier entre les dates qui sont utilisées pour le calcul.
Cette période de 20 jours calendriers fait partie d'une année située entre le 1er février 2009 et le 1er février 2008 et concerne donc une année bissextile de 366 jours, vu l'article 3, § 2, alinéa 4, 3°, in fine du présent arrêté qui détermine que pour la période de l'année on calcule du dernier jour de la période jusqu'au même jour de l'année précédente.
Soit, conformément à l'hypothèse de l'article 3, § 2, alinéa 3, du présent arrêté, pour chacun des 23 autres montants de terme, un écart entre les dates qui sont utilisées pour le calcul, exprimé en une combinaison de 20 jours et le nombre de mois égaux concerné, chacun de 30,41666 jours.
Soit, pour le calcul du TAEG, une dernière échéance de 719,5832 jours après la livraison du bien, soit 20 jours plus 23 mois de chacun 30,41666 jours.
L'équation est la suivante :
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 21-10-2016, p. 70990)
Voorbeeld 12 - Een voorbeeld ter verduidelijking van verschillende berekeningsmethodes voor debetinteresten en van een kredietopening van bepaalde duur zonder minimale kapitaalaflossing.
Kredietopening van bepaalde duur van 6 maanden van een bedrag van 2.500 euro; de overeenkomst voorziet een minimale maandelijkse betaling van enkel debetinteresten en een terugbetaling van het opgenomen kapitaal ten laatste op het einde van de kredietovereenkomst; de debetrentevoet bedraagt 8 % op jaarbasis.
Hetzij, 6 gelijke maanden van elk 30,41666 dagen.
Hetzij, de veronderstelling van een eenmalige volledige en onmiddellijke kredietopneming van 2.500 euro.
Hetzij, een aflossingsschema bestaande uit de terugbetaling van het kapitaal ten laatste na zes maanden, en termijnbedragen van aflossingen die kunnen verschillen.
Hetzij, de veronderstelling dat het termijnbedrag van elke aflossing het laagste is waarin de overeenkomst voorziet, met name, vijf maandelijkse termijnbedragen van debetinteresten en een zesde maandelijks termijnbedrag van debetinteresten verhoogd met het integraal opgenomen kapitaal of het kredietbedrag.
a) De overeenkomst voorziet een "actuariële" berekeningsmethode.
Hetzij, een actuariële toepassing van de debetrentevoet van 8 % op jaarbasis op het verschuldigd blijvend saldo.
Hetzij, een maandelijkse debetrentevoet van (1 + 8 %)1/12 - 1 = 0,006434 of 0,6434 %.
Hetzij, een maandelijks te betalen totale kost van het krediet van 2.500 * 0,006434 = 16,085 euro, afgerond op 16,09 euro.
Hetzij, 5 maandelijkse termijnbedragen van 16,09 euro en 1 laatste maandbedrag van 2.500 + 16,09 = 2.516,09 euro.
De vergelijking is de volgende :
Voorbeeld 12 - Een voorbeeld ter verduidelijking van verschillende berekeningsmethodes voor debetinteresten en van een kredietopening van bepaalde duur zonder minimale kapitaalaflossing.
Kredietopening van bepaalde duur van 6 maanden van een bedrag van 2.500 euro; de overeenkomst voorziet een minimale maandelijkse betaling van enkel debetinteresten en een terugbetaling van het opgenomen kapitaal ten laatste op het einde van de kredietovereenkomst; de debetrentevoet bedraagt 8 % op jaarbasis.
Hetzij, 6 gelijke maanden van elk 30,41666 dagen.
Hetzij, de veronderstelling van een eenmalige volledige en onmiddellijke kredietopneming van 2.500 euro.
Hetzij, een aflossingsschema bestaande uit de terugbetaling van het kapitaal ten laatste na zes maanden, en termijnbedragen van aflossingen die kunnen verschillen.
Hetzij, de veronderstelling dat het termijnbedrag van elke aflossing het laagste is waarin de overeenkomst voorziet, met name, vijf maandelijkse termijnbedragen van debetinteresten en een zesde maandelijks termijnbedrag van debetinteresten verhoogd met het integraal opgenomen kapitaal of het kredietbedrag.
a) De overeenkomst voorziet een "actuariële" berekeningsmethode.
Hetzij, een actuariële toepassing van de debetrentevoet van 8 % op jaarbasis op het verschuldigd blijvend saldo.
Hetzij, een maandelijkse debetrentevoet van (1 + 8 %)1/12 - 1 = 0,006434 of 0,6434 %.
Hetzij, een maandelijks te betalen totale kost van het krediet van 2.500 * 0,006434 = 16,085 euro, afgerond op 16,09 euro.
Hetzij, 5 maandelijkse termijnbedragen van 16,09 euro en 1 laatste maandbedrag van 2.500 + 16,09 = 2.516,09 euro.
De vergelijking is de volgende :
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 21-10-2016, p. 70990)
Exemple 12 - Exemple pour illustrer différentes méthodes de calcul des intérêts débiteurs et une ouverture de crédit à durée déterminée sans remboursement minimum de capital.
Ouverture de crédit à durée déterminée de 6 mois, d'un montant de 2.500 euros; le contrat prévoit un paiement mensuel minimum des seuls intérêts débiteurs et un remboursement du capital prélevé au plus tard à la fin du contrat; le taux débiteur s'élève, sur base annuelle, à 8 %.
Soit, 6 mois égaux, chacun de 30,41666 jours.
Soit, l'hypothèse d'un prélèvement de crédit unique, intégral et immédiat de 2.500 euros.
Soit, un échéancier de remboursement comprenant le remboursement du capital au plus tard après 6 mois et des montants de terme de remboursement qui peuvent varier.
Soit, l'hypothèse que le montant de terme de chaque remboursement est le montant le plus bas prévu par le contrat, à savoir, cinq montants de terme mensuels d'intérêts débiteurs et un sixième montant de terme mensuel d'intérêts débiteurs augmenté du capital intégralement prélevé ou du montant du crédit.
a) Le contrat prévoit une méthode de calcul " actuarielle ".
Soit, une application actuarielle du taux débiteur de 8 %, sur base annuelle, sur le solde restant dû.
Soit, un taux débiteur mensuel de (1+8 %)1/12 - 1 = 0,006434 ou 0,6434 %.
Soit, un coût total du crédit, à payer mensuellement, de 2.500 * 0,006434 = 16,085 euros, arrondi à 16,09 euros.
Soit, 5 montants de terme mensuels de 16,09 euros et un dernier montant mensuel de 2.500 + 16,09 = 2.516,09 euros.
L'équation est la suivante :
Exemple 12 - Exemple pour illustrer différentes méthodes de calcul des intérêts débiteurs et une ouverture de crédit à durée déterminée sans remboursement minimum de capital.
Ouverture de crédit à durée déterminée de 6 mois, d'un montant de 2.500 euros; le contrat prévoit un paiement mensuel minimum des seuls intérêts débiteurs et un remboursement du capital prélevé au plus tard à la fin du contrat; le taux débiteur s'élève, sur base annuelle, à 8 %.
Soit, 6 mois égaux, chacun de 30,41666 jours.
Soit, l'hypothèse d'un prélèvement de crédit unique, intégral et immédiat de 2.500 euros.
Soit, un échéancier de remboursement comprenant le remboursement du capital au plus tard après 6 mois et des montants de terme de remboursement qui peuvent varier.
Soit, l'hypothèse que le montant de terme de chaque remboursement est le montant le plus bas prévu par le contrat, à savoir, cinq montants de terme mensuels d'intérêts débiteurs et un sixième montant de terme mensuel d'intérêts débiteurs augmenté du capital intégralement prélevé ou du montant du crédit.
a) Le contrat prévoit une méthode de calcul " actuarielle ".
Soit, une application actuarielle du taux débiteur de 8 %, sur base annuelle, sur le solde restant dû.
Soit, un taux débiteur mensuel de (1+8 %)1/12 - 1 = 0,006434 ou 0,6434 %.
Soit, un coût total du crédit, à payer mensuellement, de 2.500 * 0,006434 = 16,085 euros, arrondi à 16,09 euros.
Soit, 5 montants de terme mensuels de 16,09 euros et un dernier montant mensuel de 2.500 + 16,09 = 2.516,09 euros.
L'équation est la suivante :
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 21-10-2016, p. 70991)
b) De overeenkomst voorziet een "nominale" berekeningsmethode.
Hetzij, een nominale toepassing van de debetrentevoet van 8 % op jaarbasis op het verschuldigd blijvend saldo.
Hetzij, een maandelijkse debetrentevoet van 0,08/12 = 0,08*(30,4167/365) = 0,006667 of 0,6667 %.
Hetzij, een maandelijks te betalen totale kost van het krediet van 2.500 * 0,006667 = 16,6675 euro, afgerond op 16,67 euro.
Hetzij, 5 maandelijkse termijnbedragen van 16,67 euro en 1 laatste maandbedrag van 2.500 + 16,67 = 2.516,67 euro.
De vergelijking is de volgende :
b) De overeenkomst voorziet een "nominale" berekeningsmethode.
Hetzij, een nominale toepassing van de debetrentevoet van 8 % op jaarbasis op het verschuldigd blijvend saldo.
Hetzij, een maandelijkse debetrentevoet van 0,08/12 = 0,08*(30,4167/365) = 0,006667 of 0,6667 %.
Hetzij, een maandelijks te betalen totale kost van het krediet van 2.500 * 0,006667 = 16,6675 euro, afgerond op 16,67 euro.
Hetzij, 5 maandelijkse termijnbedragen van 16,67 euro en 1 laatste maandbedrag van 2.500 + 16,67 = 2.516,67 euro.
De vergelijking is de volgende :
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 21-10-2016, p. 70991)
b) Le contrat prévoit une méthode de calcul " nominale ".
Soit, une application nominale du taux débiteur de 8 %, sur base annuelle, sur le solde restant dû.
Soit, un taux débiteur mensuel de 0,08/12 = 0,08*(30,4167/365) = 0,006667 ou 0,6667 %.
Soit, un coût total du crédit, à payer mensuellement, de 2.500 * 0,006667 = 16,6675 euros, arrondi à 16,67 euros.
Soit, 5 montants de terme mensuels de 16,67 euros + un dernier montant mensuel de 2.500 + 16,67 = 2.516,67 euros.
L'équation est la suivante :
b) Le contrat prévoit une méthode de calcul " nominale ".
Soit, une application nominale du taux débiteur de 8 %, sur base annuelle, sur le solde restant dû.
Soit, un taux débiteur mensuel de 0,08/12 = 0,08*(30,4167/365) = 0,006667 ou 0,6667 %.
Soit, un coût total du crédit, à payer mensuellement, de 2.500 * 0,006667 = 16,6675 euros, arrondi à 16,67 euros.
Soit, 5 montants de terme mensuels de 16,67 euros + un dernier montant mensuel de 2.500 + 16,67 = 2.516,67 euros.
L'équation est la suivante :
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 21-10-2016, p. 70991)
c) De overeenkomst voorziet een "nominale" berekeningsmethode op basis van een jaar van 360 dagen.
Hetzij, een jaar van 365 dagen voor wat betreft het verschil tussen de data die bij de berekeningsmethode worden gebruikt;
Hetzij, een nominale toepassing van de debetrentevoet van 8 % op jaarbasis, op het verschuldigd blijvend saldo, gedeeld door 360;
Hetzij, een maandelijkse debetrentevoet van 0,08x 30,4167/360 = 0,006759 of 0,6759 %;
Hetzij, een maandelijks te betalen totale kost van het krediet van 2.500 * 0,006759 = 16,90 euro.
Hetzij, 5 maandelijkse termijnbedragen van 16,90 euro en 1 laatste maandbedrag van 2.500 + 16,90 = 2.516,90 euro.
De vergelijking is de volgende :
c) De overeenkomst voorziet een "nominale" berekeningsmethode op basis van een jaar van 360 dagen.
Hetzij, een jaar van 365 dagen voor wat betreft het verschil tussen de data die bij de berekeningsmethode worden gebruikt;
Hetzij, een nominale toepassing van de debetrentevoet van 8 % op jaarbasis, op het verschuldigd blijvend saldo, gedeeld door 360;
Hetzij, een maandelijkse debetrentevoet van 0,08x 30,4167/360 = 0,006759 of 0,6759 %;
Hetzij, een maandelijks te betalen totale kost van het krediet van 2.500 * 0,006759 = 16,90 euro.
Hetzij, 5 maandelijkse termijnbedragen van 16,90 euro en 1 laatste maandbedrag van 2.500 + 16,90 = 2.516,90 euro.
De vergelijking is de volgende :
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 21-10-2016, p. 70991)
c) Le contrat prévoit une méthode de calcul "nominale" sur base d'une année de 360 jours.
Soit, une année de 365 jours en ce qui concerne la différence entre les données qui sont utilisées pour la méthode de calcul;
Soit, une application nominale du taux débiteur de 8 %, sur base annuelle, sur le solde restant dû, divisé par 360;
Soit, un taux débiteur mensuel de 0,08x 30,4167/360 = 0,006759 ou 0,6759 %;
Soit, un coût total du crédit, à payer mensuellement, de 2.500 * 0,006759 = 16,90 euros.
Soit, 5 montants de terme mensuels de 16,90 euros + un dernier montant mensuel de 2.500 + 16,90 = 2.516,90 euros.
L'équation est la suivante :
c) Le contrat prévoit une méthode de calcul "nominale" sur base d'une année de 360 jours.
Soit, une année de 365 jours en ce qui concerne la différence entre les données qui sont utilisées pour la méthode de calcul;
Soit, une application nominale du taux débiteur de 8 %, sur base annuelle, sur le solde restant dû, divisé par 360;
Soit, un taux débiteur mensuel de 0,08x 30,4167/360 = 0,006759 ou 0,6759 %;
Soit, un coût total du crédit, à payer mensuellement, de 2.500 * 0,006759 = 16,90 euros.
Soit, 5 montants de terme mensuels de 16,90 euros + un dernier montant mensuel de 2.500 + 16,90 = 2.516,90 euros.
L'équation est la suivante :
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 21-10-2016, p. 70992)
Voorbeeld 13 - Een voorbeeld ter verduidelijking van een kredietopening van bepaalde duur met minimale kapitaalaflossingen en jaarlijkse vaste kaartkosten op te nemen in het JKP.
Kredietopening van zes jaar met een kaart zoals bedoeld in bijlage 2 bij dit besluit; een kredietbedrag van 700 euro.
Jaarlijkse kaartkosten van 10 euro te betalen bij de eerste betalingstermijn van ieder jaar; de kredietovereenkomst bepaalt verder dat er geen jaarlijks terugkerende kaartkosten moeten betaald worden indien er gedurende een jaar geen krediet werd opgenomen.
De overeenkomst voorziet een maandelijkse minimale betaling van 8 % van het verschuldigde saldo in kapitaal en debetinteresten bedoeld in artikel 14, § 3, van dit besluit, desgevallend verhoogd met de kaartkosten, zonder dat het termijnbedrag, verminderd met de kaartkosten, lager mag zijn dan ofwel 25 euro ofwel het verschuldigd saldo.
De kredietovereenkomst bepaalt, overeenkomstig artikelen VII.78, § 2, 7° en VII.134, § 2, 7°, van het WER, dat de actuarieel toegepaste jaarlijkse debetrentevoet van 10 % op jaarbasis wordt berekend op het verschuldigd blijvend saldo rekening houdend met het werkelijke aantal dagen van kalendermaanden.
Elke vervaldag valt op dezelfde kalenderdag van de maand als de dag van het sluiten van de kredietovereenkomst.
Hetzij, overeenkomstig artikel 3, § 2, derde lid van dit besluit, een verschil tussen de data die bij de berekening worden gebruikt van 1 of meerdere "gelijke" maanden.
Hetzij, overeenkomstig de artikelen VII.78, § 2, 8° en VII.134, § 2, 8°, van het WER, een bepaling in de kredietovereenkomst dat voor de berekening van het JKP vertrokken werd van de veronderstelling dat het verschil tussen de data die bij de berekening worden gebruikt, uitgedrukt wordt in gelijke maanden van elk 30,41666 dagen.
Hetzij gelijke maanden van 1 maand = 30,41666 dagen of 365 * 1/12.
Hetzij, uitsluitend voor de berekening van het JKP, een maandelijkse debetrentevoet van ((1 + 10 %)1/12) - 1 = 0,007974 of 0,797 % in plaats van een debetrentevoet op basis van het geheel aantal kalenderdagen.
Hetzij, de veronderstelling van artikel 4, § 3, derde lid, 1° van dit besluit van een volledige en onmiddellijke kredietopneming van 700 euro.
Hetzij, de veronderstelling overeenkomstig artikel 4, § 2, 9° van dit besluit dat de kaartkosten van 10 euro, te betalen bij iedere eerste betalingstermijn van elk jaar, de jaarlijkse kaartkosten zijn voor de gehele duur van de kredietovereenkomst, ook indien deze kosten gedurende een beperkte termijn niet worden aangerekend.
Hetzij, de veronderstelling van artikel 4, § 2, 6°, a) van dit besluit van 24 minimale maandelijkse betalingen, of een hypothetische terugbetalingstermijn van 24 maanden die de wettelijk maximale terugbetalingstermijn bedoeld in artikel 14, § 1, van dit besluit niet overschrijdt.
De maximale terugbetalingstermijn bedraagt in casu 29 maanden en wordt verkregen op basis van een aflossingsschema waarbij het maandelijkse termijnbedrag gelijk is aan 1/18de van het verschuldigd blijvend saldo, zonder rekening te houden met de kosten :
D1 = 39,20 of (700+(700*0,007974))/18;
D2 = 37,32;
D3 = 35,52;
D4 = 33,82;
D5 = 32,19;
D6 = 30,65;
D7= 29,18;
D8 = 27,78;
D9 = 26,44;
D10 = 25,17;
D11 tot D28 = 25,00;
D29 = 11,94.
Hetzij een hypothetische terugbetalingstermijn van 24 maanden die evenmin de nulstellingstermijn bedoeld in artikel 14, § 2, eerste lid, 1°, van dit besluit overschrijdt.
De nulstellingstermijn bedraagt in casu 24 maanden en wordt verkregen op basis van een aflossingsschema waarbij het maandelijkse termijnbedrag gelijk is aan 1/12de van het verschuldigd blijvend saldo, zonder rekening te houden met de kosten :
D1 = 58,80 of (700+(700*0,007974))/12;
D2 = 54,33;
D3 = 50,20;
D4 = 46,38;
D5 = 42,86;
D6 = 39,60;
D7 = 36,59;
D8 = 33,81;
D9 = 31,24;
D10 = 28,86;
D11 = 26,67;
D12 tot D23 = 25;
D24 = 9,23.
De 24 hypothetische maandelijkse termijnbedragen Dl kunnen verkregen worden op basis van een aflossingsschema waarbij :
D1 = 66,45 of 0,08 * (700+(700*0,007974)) + 10;
D2 = 52,34 of 0,08 * 649,14 + (649,14*0,007974));
D3 = 48,54;
D4 = 45,01;
D5 = 41,74;
D6 = 38,71;
D7 = 35,90;
D8 = 33,29;
D9 = 30,87;
D10 = 28,63;
D11 = 26,55;
D12 = 25;
D13 = 35;
D14 tot D23 = 25,00;
D24 = 22,48.
De vergelijking is de volgende :
Voorbeeld 13 - Een voorbeeld ter verduidelijking van een kredietopening van bepaalde duur met minimale kapitaalaflossingen en jaarlijkse vaste kaartkosten op te nemen in het JKP.
Kredietopening van zes jaar met een kaart zoals bedoeld in bijlage 2 bij dit besluit; een kredietbedrag van 700 euro.
Jaarlijkse kaartkosten van 10 euro te betalen bij de eerste betalingstermijn van ieder jaar; de kredietovereenkomst bepaalt verder dat er geen jaarlijks terugkerende kaartkosten moeten betaald worden indien er gedurende een jaar geen krediet werd opgenomen.
De overeenkomst voorziet een maandelijkse minimale betaling van 8 % van het verschuldigde saldo in kapitaal en debetinteresten bedoeld in artikel 14, § 3, van dit besluit, desgevallend verhoogd met de kaartkosten, zonder dat het termijnbedrag, verminderd met de kaartkosten, lager mag zijn dan ofwel 25 euro ofwel het verschuldigd saldo.
De kredietovereenkomst bepaalt, overeenkomstig artikelen VII.78, § 2, 7° en VII.134, § 2, 7°, van het WER, dat de actuarieel toegepaste jaarlijkse debetrentevoet van 10 % op jaarbasis wordt berekend op het verschuldigd blijvend saldo rekening houdend met het werkelijke aantal dagen van kalendermaanden.
Elke vervaldag valt op dezelfde kalenderdag van de maand als de dag van het sluiten van de kredietovereenkomst.
Hetzij, overeenkomstig artikel 3, § 2, derde lid van dit besluit, een verschil tussen de data die bij de berekening worden gebruikt van 1 of meerdere "gelijke" maanden.
Hetzij, overeenkomstig de artikelen VII.78, § 2, 8° en VII.134, § 2, 8°, van het WER, een bepaling in de kredietovereenkomst dat voor de berekening van het JKP vertrokken werd van de veronderstelling dat het verschil tussen de data die bij de berekening worden gebruikt, uitgedrukt wordt in gelijke maanden van elk 30,41666 dagen.
Hetzij gelijke maanden van 1 maand = 30,41666 dagen of 365 * 1/12.
Hetzij, uitsluitend voor de berekening van het JKP, een maandelijkse debetrentevoet van ((1 + 10 %)1/12) - 1 = 0,007974 of 0,797 % in plaats van een debetrentevoet op basis van het geheel aantal kalenderdagen.
Hetzij, de veronderstelling van artikel 4, § 3, derde lid, 1° van dit besluit van een volledige en onmiddellijke kredietopneming van 700 euro.
Hetzij, de veronderstelling overeenkomstig artikel 4, § 2, 9° van dit besluit dat de kaartkosten van 10 euro, te betalen bij iedere eerste betalingstermijn van elk jaar, de jaarlijkse kaartkosten zijn voor de gehele duur van de kredietovereenkomst, ook indien deze kosten gedurende een beperkte termijn niet worden aangerekend.
Hetzij, de veronderstelling van artikel 4, § 2, 6°, a) van dit besluit van 24 minimale maandelijkse betalingen, of een hypothetische terugbetalingstermijn van 24 maanden die de wettelijk maximale terugbetalingstermijn bedoeld in artikel 14, § 1, van dit besluit niet overschrijdt.
De maximale terugbetalingstermijn bedraagt in casu 29 maanden en wordt verkregen op basis van een aflossingsschema waarbij het maandelijkse termijnbedrag gelijk is aan 1/18de van het verschuldigd blijvend saldo, zonder rekening te houden met de kosten :
D1 = 39,20 of (700+(700*0,007974))/18;
D2 = 37,32;
D3 = 35,52;
D4 = 33,82;
D5 = 32,19;
D6 = 30,65;
D7= 29,18;
D8 = 27,78;
D9 = 26,44;
D10 = 25,17;
D11 tot D28 = 25,00;
D29 = 11,94.
Hetzij een hypothetische terugbetalingstermijn van 24 maanden die evenmin de nulstellingstermijn bedoeld in artikel 14, § 2, eerste lid, 1°, van dit besluit overschrijdt.
De nulstellingstermijn bedraagt in casu 24 maanden en wordt verkregen op basis van een aflossingsschema waarbij het maandelijkse termijnbedrag gelijk is aan 1/12de van het verschuldigd blijvend saldo, zonder rekening te houden met de kosten :
D1 = 58,80 of (700+(700*0,007974))/12;
D2 = 54,33;
D3 = 50,20;
D4 = 46,38;
D5 = 42,86;
D6 = 39,60;
D7 = 36,59;
D8 = 33,81;
D9 = 31,24;
D10 = 28,86;
D11 = 26,67;
D12 tot D23 = 25;
D24 = 9,23.
De 24 hypothetische maandelijkse termijnbedragen Dl kunnen verkregen worden op basis van een aflossingsschema waarbij :
D1 = 66,45 of 0,08 * (700+(700*0,007974)) + 10;
D2 = 52,34 of 0,08 * 649,14 + (649,14*0,007974));
D3 = 48,54;
D4 = 45,01;
D5 = 41,74;
D6 = 38,71;
D7 = 35,90;
D8 = 33,29;
D9 = 30,87;
D10 = 28,63;
D11 = 26,55;
D12 = 25;
D13 = 35;
D14 tot D23 = 25,00;
D24 = 22,48.
De vergelijking is de volgende :
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 21-10-2016, p. 70992)
Exemple 13 - Exemple pour illustrer une ouverture de crédit à durée déterminée avec des remboursements de capital minimums et des frais de carte annuels fixes repris dans le TAEG.
Une ouverture de crédit de six ans, avec une carte telle que visée à l'annexe 2 du présent arrêté; un montant du crédit de 700 euros.
Frais de carte annuels de 10 euros à payer lors du premier terme de paiement de chaque année; le contrat de crédit prévoit ensuite qu'aucun frais de carte annuel récurrent ne doit être payé si, durant un an, aucun crédit n'a été prélevé.
Le contrat prévoit un paiement mensuel minimum de 8 % du solde restant dû en capital et intérêts débiteurs, visé à l'article 14, § 3, du présent arrêté, augmenté, le cas échéant, des frais de carte, sans que le montant de terme, diminué des frais de carte, ne puisse être inférieur à 25 euros ou au solde restant dû.
Conformément aux articles VII.78, § 2, 7° et VII.134, § 2, 7°, du CDE, le contrat de crédit stipule que le taux débiteur annuel, appliqué de manière actuarielle, de 10 % sur base annuelle est calculé sur le solde restant dû en tenant compte du nombre réel de jours des mois calendrier.
Chaque échéance tombe le même jour calendrier du mois que le jour de la conclusion du contrat de crédit.
Soit, conformément à l'article 3, § 2er, alinéa 3 du présent arrêté, un écart entre les dates qui sont utilisées pour le calcul, d'1 ou plusieurs mois " égaux ".
Soit, conformément aux articles VII.78, § 2, 8° et VII.134, § 2, 8°, du CDE, une disposition dans le contrat de crédit qui, pour le calcul du TAEG, est partie de l'hypothèse que l'écart entre les dates qui sont utilisées pour le calcul, est exprimé en mois égaux, chacun de 30,41666 jours.
Soit des mois égaux d'un mois = 30,41666 jours ou 365 * 1/12.
Soit, uniquement pour le calcul du TAEG, un taux débiteur mensuel de ((1 + 10 %)1/12) - 1 = 0,007974 ou 0,797 % au lieu d'un taux débiteur sur base du nombre entier de jours calendrier.
Soit, l'hypothèse de l'article 4, § 3, alinéa 3, 1°, du présent arrêté, d'un prélèvement de crédit intégral et immédiat de 700 euros.
Soit, l'hypothèse où, conformément à l'article 4, § 2, 9° du présent arrêté, les frais de carte de 10 euros, à payer lors du premier terme de paiement de chaque année, sont les frais de carte annuels pour toute la durée du contrat de crédit, même si ces frais ne sont pas imputés pendant une période limitée.
Soit, l'hypothèse de l'article 4, § 2, 6°, a) du présent arrêté, de 24 paiements mensuels minima ou d'un délai de remboursement hypothétique de 24 mois qui ne dépasse pas le délai de remboursement légal maximum visé à l'article 14, § 1er, du présent arrêté.
Le délai maximum de remboursement s'élève dans ce cas à 29 mois et est obtenu sur base d'un échéancier de remboursement où le montant de terme mensuel est égal à 1/18e du solde restant dû, sans tenir compte des frais :
D1 = 39,20 ou (700+(700*0,007974))/18;
D2 = 37,32;
D3 = 35,52;
D4 = 33,82;
D5 = 32,19;
D6 = 30,65;
D7= 29,18;
D8 = 27,78;
D9 = 26,44;
D10 = 25,17;
D11 à D28 = 25,00;
D29 = 11,94.
Soit, un délai de remboursement hypothétique de 24 mois qui ne dépasse pas davantage le délai de zérotage visé à l'article 14, § 2, alinéa 1er, 1°, du présent arrêté.
Le délai de zérotage s'élève dans ce cas à 24 mois et est obtenu sur base d'un échéancier de remboursement où le montant de terme mensuel est égal à 1/12ème du solde restant dû, sans tenir compte des frais :
D1 = 58,80 ou (700+(700*0,007974))/12;
D2 = 54,33;
D3 = 50,20;
D4 = 46,38;
D5 = 42,86;
D6 = 39,60;
D7 = 36,59;
D8 = 33,81;
D9 = 31,24;
D10 = 28,86;
D11 = 26,67;
D12 à D23 = 25;
D24 = 9,23.
Les 24 montants de terme mensuels Dl hypothétiques peuvent être obtenus sur base d'un échéancier de remboursement où :
D1 = 66,45 ou 0,08 * (700+(700*0,007974))+ 10;
D2 = 52,34 ou 0,08 * 649,14 + (649,14*0,007974));
D3 = 48,54;
D4 = 45,01;
D5 = 41,74;
D6 = 38,71;
D7 = 35,90;
D8 = 33,29;
D9 = 30,87;
D10 = 28,63;
D11 = 26,55;
D12 = 25;
D13 = 35;
D14 à D23 = 25,00;
D24 = 22,48.
L'équation est la suivante :
Exemple 13 - Exemple pour illustrer une ouverture de crédit à durée déterminée avec des remboursements de capital minimums et des frais de carte annuels fixes repris dans le TAEG.
Une ouverture de crédit de six ans, avec une carte telle que visée à l'annexe 2 du présent arrêté; un montant du crédit de 700 euros.
Frais de carte annuels de 10 euros à payer lors du premier terme de paiement de chaque année; le contrat de crédit prévoit ensuite qu'aucun frais de carte annuel récurrent ne doit être payé si, durant un an, aucun crédit n'a été prélevé.
Le contrat prévoit un paiement mensuel minimum de 8 % du solde restant dû en capital et intérêts débiteurs, visé à l'article 14, § 3, du présent arrêté, augmenté, le cas échéant, des frais de carte, sans que le montant de terme, diminué des frais de carte, ne puisse être inférieur à 25 euros ou au solde restant dû.
Conformément aux articles VII.78, § 2, 7° et VII.134, § 2, 7°, du CDE, le contrat de crédit stipule que le taux débiteur annuel, appliqué de manière actuarielle, de 10 % sur base annuelle est calculé sur le solde restant dû en tenant compte du nombre réel de jours des mois calendrier.
Chaque échéance tombe le même jour calendrier du mois que le jour de la conclusion du contrat de crédit.
Soit, conformément à l'article 3, § 2er, alinéa 3 du présent arrêté, un écart entre les dates qui sont utilisées pour le calcul, d'1 ou plusieurs mois " égaux ".
Soit, conformément aux articles VII.78, § 2, 8° et VII.134, § 2, 8°, du CDE, une disposition dans le contrat de crédit qui, pour le calcul du TAEG, est partie de l'hypothèse que l'écart entre les dates qui sont utilisées pour le calcul, est exprimé en mois égaux, chacun de 30,41666 jours.
Soit des mois égaux d'un mois = 30,41666 jours ou 365 * 1/12.
Soit, uniquement pour le calcul du TAEG, un taux débiteur mensuel de ((1 + 10 %)1/12) - 1 = 0,007974 ou 0,797 % au lieu d'un taux débiteur sur base du nombre entier de jours calendrier.
Soit, l'hypothèse de l'article 4, § 3, alinéa 3, 1°, du présent arrêté, d'un prélèvement de crédit intégral et immédiat de 700 euros.
Soit, l'hypothèse où, conformément à l'article 4, § 2, 9° du présent arrêté, les frais de carte de 10 euros, à payer lors du premier terme de paiement de chaque année, sont les frais de carte annuels pour toute la durée du contrat de crédit, même si ces frais ne sont pas imputés pendant une période limitée.
Soit, l'hypothèse de l'article 4, § 2, 6°, a) du présent arrêté, de 24 paiements mensuels minima ou d'un délai de remboursement hypothétique de 24 mois qui ne dépasse pas le délai de remboursement légal maximum visé à l'article 14, § 1er, du présent arrêté.
Le délai maximum de remboursement s'élève dans ce cas à 29 mois et est obtenu sur base d'un échéancier de remboursement où le montant de terme mensuel est égal à 1/18e du solde restant dû, sans tenir compte des frais :
D1 = 39,20 ou (700+(700*0,007974))/18;
D2 = 37,32;
D3 = 35,52;
D4 = 33,82;
D5 = 32,19;
D6 = 30,65;
D7= 29,18;
D8 = 27,78;
D9 = 26,44;
D10 = 25,17;
D11 à D28 = 25,00;
D29 = 11,94.
Soit, un délai de remboursement hypothétique de 24 mois qui ne dépasse pas davantage le délai de zérotage visé à l'article 14, § 2, alinéa 1er, 1°, du présent arrêté.
Le délai de zérotage s'élève dans ce cas à 24 mois et est obtenu sur base d'un échéancier de remboursement où le montant de terme mensuel est égal à 1/12ème du solde restant dû, sans tenir compte des frais :
D1 = 58,80 ou (700+(700*0,007974))/12;
D2 = 54,33;
D3 = 50,20;
D4 = 46,38;
D5 = 42,86;
D6 = 39,60;
D7 = 36,59;
D8 = 33,81;
D9 = 31,24;
D10 = 28,86;
D11 = 26,67;
D12 à D23 = 25;
D24 = 9,23.
Les 24 montants de terme mensuels Dl hypothétiques peuvent être obtenus sur base d'un échéancier de remboursement où :
D1 = 66,45 ou 0,08 * (700+(700*0,007974))+ 10;
D2 = 52,34 ou 0,08 * 649,14 + (649,14*0,007974));
D3 = 48,54;
D4 = 45,01;
D5 = 41,74;
D6 = 38,71;
D7 = 35,90;
D8 = 33,29;
D9 = 30,87;
D10 = 28,63;
D11 = 26,55;
D12 = 25;
D13 = 35;
D14 à D23 = 25,00;
D24 = 22,48.
L'équation est la suivante :
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 21-10-2016, p. 70993)
Voorbeeld 14 - Een voorbeeld ter verduidelijking van een kredietopening van bepaalde duur met een maandelijks te betalen collectieve verzekeringspremie.
Eenzelfde kredietopening als in voorbeeld 13 met dat verschil dat er geen kaart verbonden is aan het krediet maar de consument verplicht is om een schuldsaldoverzekering bij overlijden te sluiten bij een verzekeraar naar keuze. De consument kiest er voor om zich aan te sluiten bij een collectieve verzekering en vraagt dat de kredietgever de premie van het kredietbedrag afhoudt.
De verzekeringspremie bedraagt 0,2 % per maand van het verschuldigd blijvend saldo en wordt door de kredietgever van het krediet afgehouden.
Hetzij, de veronderstelling van artikel 4, § 2, 1°, van dit besluit, van een volledige en onmiddellijke kredietopneming van 700 euro.
Hetzij, een contractuele bepaling, bedoeld in de artikelen VII.78, § 2, 6° en VII.134, § 2, 6°, van het WER dat de betaling van de verzekeringspremie een voorwaarde voor kredietopneming is, of, m.a.w., van het kredietbedrag wordt ingehouden.
Hetzij, een verzekeringspremie die, overeenkomstig artikel I.9, 41°, eerste lid,, van het WER deel uitmaakt van de totale kosten van het krediet.
Hetzij, een wettelijk maximale terugbetalingstermijn van 29 maanden, berekend zoals in voorbeeld 13.
Hetzij, een nulstellingstermijn van 24 maanden, berekend zoals in voorbeeld 13.
Hetzij, de veronderstelling van artikel 4, § 2, 6°, a) van dit besluit van 25 maandelijkse betalingen, of een hypothetische terugbetalingstermijn die langer is dan de termijn van 24 maanden in voorbeeld 13 ingevolge de van het kredietbedrag ingehouden verzekeringspremie. De 25 hypothetische maandelijkse termijnbedragen Dl kunnen verkregen worden op basis van een aflossingsschema waarbij :
D1 = 56,45 of 0,08 * (700+(700*0,007974));
D2 = 52,46 of 0,08 * (650,54+(650,54*0,007974));
D3 = 48,75;
D4 = 45,31;
D5 = 42,10;
D6 = 39,13;
D7 = 36,36;
D8 = 33,79;
D9 = 31,41;
D10 = 29,19;
D11 = 27,12;
D12 = 25,21;
D13 tot D 24 = 25,00;
D25 = 10,35.
Hetzij, de veronderstelling bedoeld in artikel 4, § 2, 6°, a) van dit besluit dat voor de berekening van het JKP de aflossingen worden verricht op het meest nabije tijdstip voorzien in de kredietovereenkomst, met name, rekening houdend met de nulstellingstermijn van 24 maanden. De 24 hypothetische maandelijkse termijnbedragen Dl kunnen verkregen worden op basis van een aflossingsschema waarbij :
D1 = 56,45 of 0,08 * (700+(700*0,007974));
D2 = 52,46 of 0,08 * (650,54+(650,54*0,007974));
D3 = 48,75;
D4 = 45,31;
D5 = 42,10;
D6 = 39,13;
D7 = 36,36;
D8 = 33,79;
D9 = 31,41;
D10 = 29,19;
D11 = 27,12;
D12 = 25,21;
D13 tot D 23 = 25,00;
D24 = 35,24.
De vergelijking is de volgende :
Voorbeeld 14 - Een voorbeeld ter verduidelijking van een kredietopening van bepaalde duur met een maandelijks te betalen collectieve verzekeringspremie.
Eenzelfde kredietopening als in voorbeeld 13 met dat verschil dat er geen kaart verbonden is aan het krediet maar de consument verplicht is om een schuldsaldoverzekering bij overlijden te sluiten bij een verzekeraar naar keuze. De consument kiest er voor om zich aan te sluiten bij een collectieve verzekering en vraagt dat de kredietgever de premie van het kredietbedrag afhoudt.
De verzekeringspremie bedraagt 0,2 % per maand van het verschuldigd blijvend saldo en wordt door de kredietgever van het krediet afgehouden.
Hetzij, de veronderstelling van artikel 4, § 2, 1°, van dit besluit, van een volledige en onmiddellijke kredietopneming van 700 euro.
Hetzij, een contractuele bepaling, bedoeld in de artikelen VII.78, § 2, 6° en VII.134, § 2, 6°, van het WER dat de betaling van de verzekeringspremie een voorwaarde voor kredietopneming is, of, m.a.w., van het kredietbedrag wordt ingehouden.
Hetzij, een verzekeringspremie die, overeenkomstig artikel I.9, 41°, eerste lid,, van het WER deel uitmaakt van de totale kosten van het krediet.
Hetzij, een wettelijk maximale terugbetalingstermijn van 29 maanden, berekend zoals in voorbeeld 13.
Hetzij, een nulstellingstermijn van 24 maanden, berekend zoals in voorbeeld 13.
Hetzij, de veronderstelling van artikel 4, § 2, 6°, a) van dit besluit van 25 maandelijkse betalingen, of een hypothetische terugbetalingstermijn die langer is dan de termijn van 24 maanden in voorbeeld 13 ingevolge de van het kredietbedrag ingehouden verzekeringspremie. De 25 hypothetische maandelijkse termijnbedragen Dl kunnen verkregen worden op basis van een aflossingsschema waarbij :
D1 = 56,45 of 0,08 * (700+(700*0,007974));
D2 = 52,46 of 0,08 * (650,54+(650,54*0,007974));
D3 = 48,75;
D4 = 45,31;
D5 = 42,10;
D6 = 39,13;
D7 = 36,36;
D8 = 33,79;
D9 = 31,41;
D10 = 29,19;
D11 = 27,12;
D12 = 25,21;
D13 tot D 24 = 25,00;
D25 = 10,35.
Hetzij, de veronderstelling bedoeld in artikel 4, § 2, 6°, a) van dit besluit dat voor de berekening van het JKP de aflossingen worden verricht op het meest nabije tijdstip voorzien in de kredietovereenkomst, met name, rekening houdend met de nulstellingstermijn van 24 maanden. De 24 hypothetische maandelijkse termijnbedragen Dl kunnen verkregen worden op basis van een aflossingsschema waarbij :
D1 = 56,45 of 0,08 * (700+(700*0,007974));
D2 = 52,46 of 0,08 * (650,54+(650,54*0,007974));
D3 = 48,75;
D4 = 45,31;
D5 = 42,10;
D6 = 39,13;
D7 = 36,36;
D8 = 33,79;
D9 = 31,41;
D10 = 29,19;
D11 = 27,12;
D12 = 25,21;
D13 tot D 23 = 25,00;
D24 = 35,24.
De vergelijking is de volgende :
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 21-10-2016, p. 70993)
Exemple 14 - Exemple pour illustrer une ouverture de crédit à durée déterminée avec des primes d'assurance collectives à payer mensuellement.
Une même ouverture de crédit qu'à l'exemple 13 à la différence qu'aucune carte n'est attachée au crédit mais où le consommateur est obligé de conclure une assurance solde restant dû en cas de décès auprès d'un assureur de son choix. Le consommateur le choisit afin d'adhérer à une assurance collective et demande que le prêteur déduise la prime du montant du crédit.
La prime d'assurance s'élève à 0,2 % par mois du solde restant dû et est retenue par le prêteur du crédit.
Soit, l'hypothèse de l'article 4, § 2, 1°, du présent arrêté, d'un prélèvement de crédit intégral et immédiat de 700 euros.
Soit, une disposition contractuelle, visée aux articles VII.78, § 2, 6°, et VII.134, § 2, 6°, du CDE selon laquelle le paiement des primes d'assurance est une condition de prélèvement du crédit, ou, en d'autres termes, est déduit du montant du crédit.
Soit, une prime d'assurance qui, conformément à l'article I.9, 41°, alinéa 1er, de CDE, fait partie du coût total du crédit.
Soit, un délai de remboursement légal maximum de 29 mois calculé comme à l'exemple 13.
Soit, un délai de zérotage de 24 mois calculé comme à l'exemple 13.
Soit, l'hypothèse de l'article 4, § 2, 6°, a) du présent arrêté, de 25 paiements mensuels ou d'un délai de remboursement hypothétique qui est plus long que le délai de 24 mois de l'exemple 13 suite à la déduction de la prime d'assurance du montant du crédit. Les 25 montants de terme mensuels hypothétiques Dl peuvent être obtenus sur base d'un échéancier de remboursement où :
D1 = 56,45 ou 0,08 * (700+(700*0,007974));
D2 = 52,46 ou 0,08 * (650,54+(650,54*0,007974));
D3 = 48,75;
D4 = 45,31;
D5 = 42,10;
D6 = 39,13;
D7 = 36,36;
D8 = 33,79;
D9 = 31,41;
D10 = 29,19;
D11 = 27,12;
D12 = 25,21;
D13 à D 24 = 25,00;
D25 = 10,35.
Soit, l'hypothèse visée à l'article 4, § 2, 6°, a) du présent arrêté où, pour le calcul du TAEG, les remboursements sont effectués au moment le plus proche prévu dans le contrat de crédit, notamment en tenant compte du délai de zérotage de 24 mois. Les 24 montants de terme mensuels hypothétiques Dl peuvent être obtenus sur base d'un échéancier de remboursement où :
D1 = 56,45 ou 0,08 * (700+(700*0,007974));
D2 = 52,46 ou 0,08 * (650,54+(650,54*0,007974));
D3 = 48,75;
D4 = 45,31;
D5 = 42,10;
D6 = 39,13;
D7 = 36,36;
D8 = 33,79;
D9 = 31,41;
D10 = 29,19;
D11 = 27,12;
D12 = 25,21;
D13 à D 23 = 25,00;
D24 = 35,24.
L'équation est la suivante :
Exemple 14 - Exemple pour illustrer une ouverture de crédit à durée déterminée avec des primes d'assurance collectives à payer mensuellement.
Une même ouverture de crédit qu'à l'exemple 13 à la différence qu'aucune carte n'est attachée au crédit mais où le consommateur est obligé de conclure une assurance solde restant dû en cas de décès auprès d'un assureur de son choix. Le consommateur le choisit afin d'adhérer à une assurance collective et demande que le prêteur déduise la prime du montant du crédit.
La prime d'assurance s'élève à 0,2 % par mois du solde restant dû et est retenue par le prêteur du crédit.
Soit, l'hypothèse de l'article 4, § 2, 1°, du présent arrêté, d'un prélèvement de crédit intégral et immédiat de 700 euros.
Soit, une disposition contractuelle, visée aux articles VII.78, § 2, 6°, et VII.134, § 2, 6°, du CDE selon laquelle le paiement des primes d'assurance est une condition de prélèvement du crédit, ou, en d'autres termes, est déduit du montant du crédit.
Soit, une prime d'assurance qui, conformément à l'article I.9, 41°, alinéa 1er, de CDE, fait partie du coût total du crédit.
Soit, un délai de remboursement légal maximum de 29 mois calculé comme à l'exemple 13.
Soit, un délai de zérotage de 24 mois calculé comme à l'exemple 13.
Soit, l'hypothèse de l'article 4, § 2, 6°, a) du présent arrêté, de 25 paiements mensuels ou d'un délai de remboursement hypothétique qui est plus long que le délai de 24 mois de l'exemple 13 suite à la déduction de la prime d'assurance du montant du crédit. Les 25 montants de terme mensuels hypothétiques Dl peuvent être obtenus sur base d'un échéancier de remboursement où :
D1 = 56,45 ou 0,08 * (700+(700*0,007974));
D2 = 52,46 ou 0,08 * (650,54+(650,54*0,007974));
D3 = 48,75;
D4 = 45,31;
D5 = 42,10;
D6 = 39,13;
D7 = 36,36;
D8 = 33,79;
D9 = 31,41;
D10 = 29,19;
D11 = 27,12;
D12 = 25,21;
D13 à D 24 = 25,00;
D25 = 10,35.
Soit, l'hypothèse visée à l'article 4, § 2, 6°, a) du présent arrêté où, pour le calcul du TAEG, les remboursements sont effectués au moment le plus proche prévu dans le contrat de crédit, notamment en tenant compte du délai de zérotage de 24 mois. Les 24 montants de terme mensuels hypothétiques Dl peuvent être obtenus sur base d'un échéancier de remboursement où :
D1 = 56,45 ou 0,08 * (700+(700*0,007974));
D2 = 52,46 ou 0,08 * (650,54+(650,54*0,007974));
D3 = 48,75;
D4 = 45,31;
D5 = 42,10;
D6 = 39,13;
D7 = 36,36;
D8 = 33,79;
D9 = 31,41;
D10 = 29,19;
D11 = 27,12;
D12 = 25,21;
D13 à D 23 = 25,00;
D24 = 35,24.
L'équation est la suivante :
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 21-10-2016, p. 70995)
Voorbeeld 15 - Een voorbeeld ter verduidelijking van eenzelfde kredietopening van bepaalde duur als in voorbeeld 13 maar met een eerste terugbetalingstermijn korter dan de overige betalingstermijnen.
Dezelfde kredietopening als in voorbeeld 13, met dat verschil dat het kredietcontract bepaalt dat elke vervaldag valt op de eerste kalenderdag van elke maand en de eerste keer van, hetzij, de eerste maand volgend op die van de kredietopneming, hetzij, de tweede maand volgend op de kredietopneming indien deze opneming valt na de twintigste dag van de maand.
Hetzij, een kredietovereenkomst waarbij de eerste vervaldag niet bepaald maar slechts bepaalbaar is. Hetzij, overeenkomstig artikel 4, § 2, 6° b) van dit besluit, een kortst mogelijke eerste betalingstermijn van 9 dagen, met name, bij een kredietopneming op de 20ste van de kortst mogelijke maand (28 dagen), hetzij 20 februari van een niet schrikkeljaar, waarbij de eerste vervaldag dan 1 maart is van datzelfde jaar. Die kortst mogelijke betalingstermijn geldt ongeacht de datum waarop het contract gesloten wordt.
De sluitingsdatum van de kredietovereenkomst is 15 februari 2009.
Hetzij, de veronderstelling van artikel 4, § 2, 1° van dit besluit van een volledige en onmiddellijke kredietopneming van 700 euro.
Hetzij, de termijnbedragen die de consument betaalt bij een eenmalige volledige opname van het kredietbedrag op basis van een aflossingstabel die vertrekt van een eerste betalingstermijn van 14 dagen, en overige betalingstermijnen op basis van kalenderdagen, waarbij :
D1 = 66,21 of 0,08 * (700 + (700 * ((1+0,1)14/365 - 1))) + 10;
D2 = 52,13 of 0,08 * (646,36 + ( 646,36 * ((1+0,1)31/365 - 1)));
D3 = 48,34;
D4 = 44,83;
D5 = 41,57;
D6 = 38,55;
D7 = 35,76;
D8 = 33,16;
D9 = 30,75;
D10= 28,51;
D11 = 26,45;
D12 tot D23 = 25,00;
D24 = 20,96.
Hetzij, de veronderstelling van artikel 4, § 2, 6°, b) van dit besluit dat de kortst mogelijke eerste betalingstermijn van 9 dagen geacht wordt van toepassing te zijn, ongeacht de datum van het sluiten van de overeenkomst.
Hetzij, overeenkomstig de veronderstelling in artikel 4, § 2, van dit besluit, een verschil tussen de data, die bij de berekening worden gebruikt, voor de eerste betalingstermijn, uitgedrukt in 9 kalenderdagen.
Hetzij, overeenkomstig de veronderstelling in artikel 4, § 2, van dit besluit, een verschil tussen de data, die bij de berekening worden gebruikt, voor de overige termijnenbedragen, telkens uitgedrukt in een combinatie van 9 dagen en het van toepassing zijnde aantal gelijke maanden.
Hetzij, een eerste betalingstermijn van 9 dagen + 23 x 30,4167 dagen = 708,58 dagen.
De 24 hypothetische termijnbedragen Dl kunnen verkregen worden op basis van een aflossingsschema waarbij :
D1 = 66,13 of 0,08 * (700 + (700 * ((1+0,1)9/365 - 1))) + 10;
D2 = 52,05 of 0,08 * (645,52 + ( 645,52 * ((1+0,1)1/12 - 1)));
D3 = 48,27;
D4 = 44,76;
D5 = 41,51;
D6 = 38,49;
D7 = 35,70;
D8 = 33,10;
D9 = 30,70;
D10 = 28,47;
D11 = 26,40;
D12 = 25;
D13 = 35;
D14 tot D23 = 25,00;
D24 = 20,59.
De vergelijking is de volgende :
Voorbeeld 15 - Een voorbeeld ter verduidelijking van eenzelfde kredietopening van bepaalde duur als in voorbeeld 13 maar met een eerste terugbetalingstermijn korter dan de overige betalingstermijnen.
Dezelfde kredietopening als in voorbeeld 13, met dat verschil dat het kredietcontract bepaalt dat elke vervaldag valt op de eerste kalenderdag van elke maand en de eerste keer van, hetzij, de eerste maand volgend op die van de kredietopneming, hetzij, de tweede maand volgend op de kredietopneming indien deze opneming valt na de twintigste dag van de maand.
Hetzij, een kredietovereenkomst waarbij de eerste vervaldag niet bepaald maar slechts bepaalbaar is. Hetzij, overeenkomstig artikel 4, § 2, 6° b) van dit besluit, een kortst mogelijke eerste betalingstermijn van 9 dagen, met name, bij een kredietopneming op de 20ste van de kortst mogelijke maand (28 dagen), hetzij 20 februari van een niet schrikkeljaar, waarbij de eerste vervaldag dan 1 maart is van datzelfde jaar. Die kortst mogelijke betalingstermijn geldt ongeacht de datum waarop het contract gesloten wordt.
De sluitingsdatum van de kredietovereenkomst is 15 februari 2009.
Hetzij, de veronderstelling van artikel 4, § 2, 1° van dit besluit van een volledige en onmiddellijke kredietopneming van 700 euro.
Hetzij, de termijnbedragen die de consument betaalt bij een eenmalige volledige opname van het kredietbedrag op basis van een aflossingstabel die vertrekt van een eerste betalingstermijn van 14 dagen, en overige betalingstermijnen op basis van kalenderdagen, waarbij :
D1 = 66,21 of 0,08 * (700 + (700 * ((1+0,1)14/365 - 1))) + 10;
D2 = 52,13 of 0,08 * (646,36 + ( 646,36 * ((1+0,1)31/365 - 1)));
D3 = 48,34;
D4 = 44,83;
D5 = 41,57;
D6 = 38,55;
D7 = 35,76;
D8 = 33,16;
D9 = 30,75;
D10= 28,51;
D11 = 26,45;
D12 tot D23 = 25,00;
D24 = 20,96.
Hetzij, de veronderstelling van artikel 4, § 2, 6°, b) van dit besluit dat de kortst mogelijke eerste betalingstermijn van 9 dagen geacht wordt van toepassing te zijn, ongeacht de datum van het sluiten van de overeenkomst.
Hetzij, overeenkomstig de veronderstelling in artikel 4, § 2, van dit besluit, een verschil tussen de data, die bij de berekening worden gebruikt, voor de eerste betalingstermijn, uitgedrukt in 9 kalenderdagen.
Hetzij, overeenkomstig de veronderstelling in artikel 4, § 2, van dit besluit, een verschil tussen de data, die bij de berekening worden gebruikt, voor de overige termijnenbedragen, telkens uitgedrukt in een combinatie van 9 dagen en het van toepassing zijnde aantal gelijke maanden.
Hetzij, een eerste betalingstermijn van 9 dagen + 23 x 30,4167 dagen = 708,58 dagen.
De 24 hypothetische termijnbedragen Dl kunnen verkregen worden op basis van een aflossingsschema waarbij :
D1 = 66,13 of 0,08 * (700 + (700 * ((1+0,1)9/365 - 1))) + 10;
D2 = 52,05 of 0,08 * (645,52 + ( 645,52 * ((1+0,1)1/12 - 1)));
D3 = 48,27;
D4 = 44,76;
D5 = 41,51;
D6 = 38,49;
D7 = 35,70;
D8 = 33,10;
D9 = 30,70;
D10 = 28,47;
D11 = 26,40;
D12 = 25;
D13 = 35;
D14 tot D23 = 25,00;
D24 = 20,59.
De vergelijking is de volgende :
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 21-10-2016, p. 70995)
Exemple 15 - Exemple pour illustrer une même ouverture de crédit à durée déterminée qu'à l'exemple 13, mais avec un premier terme de remboursement plus court que les autres termes de paiement.
La même ouverture de crédit qu'à l'exemple 13, à la différence que le contrat de crédit prévoit que chaque échéance tombe le premier jour calendrier de chaque mois et, la première fois, soit du premier mois suivant celui du prélèvement de crédit, soit le deuxième mois suivant le prélèvement de crédit si ce prélèvement a lieu après le vingtième jour du mois.
Soit, un contrat de crédit où la première échéance n'est pas déterminée mais est seulement déterminable. Soit, conformément à l'article 4, § 2, 6° b) du même arrêté un premier terme de paiement, le plus court possible, de 9 jours, à savoir un prélèvement de crédit le 20 du mois le plus court possible (28 jours), soit le 20 février d'une année non bissextile, pour lequel la première échéance sera donc le 1er mars de la même année. Ce terme de paiement le plus court possible est d'application quelle que soit la date de conclusion du contrat.
La date de conclusion du contrat de crédit est le 15 février 2009.
Soit, l'hypothèse de l'article 4, § 2, 1° du présent arrêté, d'un prélèvement de crédit intégral et immédiat de 700 euros.
Soit, les montants de terme que le consommateur paie en cas de prélèvement unique et intégral du montant du crédit sur base d'un tableau d'amortissement qui part d'un premier terme de paiement de 14 jours et sur base des jours calendrier pour les autres termes de paiement, où :
D1 = 66,21 ou 0,08 * (700 + (700 * ((1+0,1)14/365 - 1))) + 10;
D2 = 52,13 ou 0,08 * (646,36 + ( 646,36 * ((1+0,1)31/365 - 1)));
D3 = 48,34;
D4 = 44,83;
D5 = 41,57;
D6 = 38,55;
D7 = 35,76;
D8 = 33,16;
D9 = 30,75;
D10= 28,51;
D11 = 26,45;
D12 à D23 = 25,00;
D24 = 20,96.
Soit, l'hypothèse de l'article 4, § 2, 6°, b) du présent arrêté, selon laquelle le premier délai de paiement le plus court possible de 9 jours est supposé être d'application, quelle que soit la date de conclusion du contrat.
Soit, conformément à l'hypothèse de l'article 4, § 2 du présent arrêté, un écart entre les dates, qui sont utilisées pour le calcul, pour le premier terme de paiement, exprimé en 9 jours calendrier.
Soit, conformément à l'hypothèse de l'article 4, § 2, du présent arrêté, un écart entre les dates, qui sont utilisées pour le calcul, pour les autres montants de terme s'exprime chaque fois en une combinaison de 9 jours et le nombre de mois égaux concerné.
Soit, un terme de paiement de 9 jours + 23 x 30,4167 jours = 708,58 jours.
Les 24 montants de terme Dl hypothétiques peuvent être obtenus sur base d'un échéancier de remboursement où :
D1 = 66,13 ou 0,08 * (700 + (700 * ((1+0,1)9/365 -1))) + 10;
D2 = 52,05 ou 0,08 * (645,52 + ( 645,52 * ((1+0,1)1/12 - 1)));
D3 = 48,27;
D4 = 44,76;
D5 = 41,51;
D6 = 38,49;
D7 = 35,70;
D8 = 33,10;
D9 = 30,70;
D10 = 28,47;
D11 = 26,40;
D12 = 25;
D13 = 35;
D14 à D23 = 25,00;
D24 = 20,59.
L'équation est la suivante :
Exemple 15 - Exemple pour illustrer une même ouverture de crédit à durée déterminée qu'à l'exemple 13, mais avec un premier terme de remboursement plus court que les autres termes de paiement.
La même ouverture de crédit qu'à l'exemple 13, à la différence que le contrat de crédit prévoit que chaque échéance tombe le premier jour calendrier de chaque mois et, la première fois, soit du premier mois suivant celui du prélèvement de crédit, soit le deuxième mois suivant le prélèvement de crédit si ce prélèvement a lieu après le vingtième jour du mois.
Soit, un contrat de crédit où la première échéance n'est pas déterminée mais est seulement déterminable. Soit, conformément à l'article 4, § 2, 6° b) du même arrêté un premier terme de paiement, le plus court possible, de 9 jours, à savoir un prélèvement de crédit le 20 du mois le plus court possible (28 jours), soit le 20 février d'une année non bissextile, pour lequel la première échéance sera donc le 1er mars de la même année. Ce terme de paiement le plus court possible est d'application quelle que soit la date de conclusion du contrat.
La date de conclusion du contrat de crédit est le 15 février 2009.
Soit, l'hypothèse de l'article 4, § 2, 1° du présent arrêté, d'un prélèvement de crédit intégral et immédiat de 700 euros.
Soit, les montants de terme que le consommateur paie en cas de prélèvement unique et intégral du montant du crédit sur base d'un tableau d'amortissement qui part d'un premier terme de paiement de 14 jours et sur base des jours calendrier pour les autres termes de paiement, où :
D1 = 66,21 ou 0,08 * (700 + (700 * ((1+0,1)14/365 - 1))) + 10;
D2 = 52,13 ou 0,08 * (646,36 + ( 646,36 * ((1+0,1)31/365 - 1)));
D3 = 48,34;
D4 = 44,83;
D5 = 41,57;
D6 = 38,55;
D7 = 35,76;
D8 = 33,16;
D9 = 30,75;
D10= 28,51;
D11 = 26,45;
D12 à D23 = 25,00;
D24 = 20,96.
Soit, l'hypothèse de l'article 4, § 2, 6°, b) du présent arrêté, selon laquelle le premier délai de paiement le plus court possible de 9 jours est supposé être d'application, quelle que soit la date de conclusion du contrat.
Soit, conformément à l'hypothèse de l'article 4, § 2 du présent arrêté, un écart entre les dates, qui sont utilisées pour le calcul, pour le premier terme de paiement, exprimé en 9 jours calendrier.
Soit, conformément à l'hypothèse de l'article 4, § 2, du présent arrêté, un écart entre les dates, qui sont utilisées pour le calcul, pour les autres montants de terme s'exprime chaque fois en une combinaison de 9 jours et le nombre de mois égaux concerné.
Soit, un terme de paiement de 9 jours + 23 x 30,4167 jours = 708,58 jours.
Les 24 montants de terme Dl hypothétiques peuvent être obtenus sur base d'un échéancier de remboursement où :
D1 = 66,13 ou 0,08 * (700 + (700 * ((1+0,1)9/365 -1))) + 10;
D2 = 52,05 ou 0,08 * (645,52 + ( 645,52 * ((1+0,1)1/12 - 1)));
D3 = 48,27;
D4 = 44,76;
D5 = 41,51;
D6 = 38,49;
D7 = 35,70;
D8 = 33,10;
D9 = 30,70;
D10 = 28,47;
D11 = 26,40;
D12 = 25;
D13 = 35;
D14 à D23 = 25,00;
D24 = 20,59.
L'équation est la suivante :
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 21-10-2016, p. 70996)
Voorbeeld 16 - Een voorbeeld ter verduidelijking van eenzelfde kredietopening van bepaalde duur als in voorbeeld 13 maar met verschillende actuariële debetrentevoeten in functie van het verschuldigd blijvend saldo.
Dezelfde kredietopening als in voorbeeld 13, met dat verschil dat de actuariële jaarlijkse debetrentevoet 8 % is wanneer het verschuldigd blijvend saldo in kapitaal hoger is dan 500 euro en 10 % wanneer dit saldo gelijk is aan 500 euro of minder.
Hetzij, overeenkomstig artikel 4, § 2, 9° van dit besluit, de veronderstelling dat 10 % geacht wordt de debetrentevoet te zijn voor de gehele duur van de kredietovereenkomst.
Het JKP bedraagt 13,55 % = 13,6 % zoals berekend in voorbeeld 13.
Voorbeeld 17 - Een voorbeeld ter verduidelijking van eenzelfde kredietopening van bepaalde duur als in voorbeeld 13 maar met een "renteloze" eerste betalingstermijn.
Dezelfde kredietopening als in voorbeeld 13, met dat verschil dat de actuariële jaarlijkse debetrentevoet 0 % is voor de eerste betalingstermijn en 10 % voor de overige betalingstermijnen.
Hetzij de veronderstelling overeenkomstig artikel 4, § 2, 9° van dit besluit dat 10 % wordt geacht de debetrentevoet te zijn voor de gehele duur van de kredietovereenkomst.
Het JKP bedraagt 13,55 % = 13,6 % zoals berekend in voorbeeld 13.
Voorbeeld 18 - Een voorbeeld ter verduidelijking van eenzelfde kredietopening van bepaalde duur als in voorbeeld 13 maar met verschillende debetrentevoeten en kosten in functie van bepaalde (promotionele) aankopen.
Dezelfde kredietopening als in voorbeeld 13, met dat verschil dat met de kaart enkel aankopen binnen het netwerk van de kredietgever kunnen worden gedaan en dat de kredietovereenkomst de mogelijkheid voorziet dat sommige aankopen tegen een uitzonderlijk actuariële debetrentevoet van 0 % of 7 % in plaats van 10 % en zonder kosten kunnen worden aangekocht.
Hetzij, overeenkomstig artikel 4, § 2, 9° van dit besluit, de veronderstelling dat 10 % wordt geacht de debetrentevoet, en 10 euro de jaarlijkse kost, te zijn voor de gehele duur van de kredietovereenkomst.
Het JKP bedraagt 13,55 % = 13,6 % zoals berekend in voorbeeld 13.
Voorbeeld 19 - Een voorbeeld ter verduidelijking van eenzelfde kredietopening van bepaalde duur als in voorbeeld 18 maar met verschillende debetrentevoeten en kosten in functie van het mechanisme voor kredietopneming.
Dezelfde kredietopening als in voorbeeld 18, met dat verschil dat met de kaart ook kredietopnemingen kunnen verricht worden voor aankopen en geldafhalingen aan geldautomaten via een ander netwerk dan dat van de kredietgever, bijv. Visa of MasterCard. Enkel voor de kredietopneming verbonden aan een geldafhaling bij een geldautomaat worden er extra kosten van 3 euro per geldafhaling aangerekend, te betalen op de eerstvolgende vervaldag.
Uit het nazicht door de kredietgever van het aantal verrichtingen doorgevoerd in het voorgaande kalenderjaar met behulp van deze "winkelkredietkaart" blijkt dat, van de drie verschillende kredietopnemingsmechanismen, het meest gebruikelijke dat voor de aankopen binnen het netwerk van de kredietgever is.
Hetzij de veronderstelling overeenkomstig artikel 4, § 2, 3° van dit besluit dat het JKP berekend wordt zoals in voorbeeld 18.
Het JKP bedraagt 13,55 % = 13,6 % zoals berekend in voorbeeld 18 (of 13).
Voorbeeld 20 - Een voorbeeld ter verduidelijking van eenzelfde kredietopening van bepaalde duur als in voorbeeld 19 maar bovendien, afhankelijk van het mechanisme voor kredietopneming, met beperkingen tot het bedrag en de termijn waarbinnen dit beperkte bedrag kan opgenomen worden.
Dezelfde kredietopening als in voorbeeld 19, met dat verschil dat uit het nazicht door de kredietgever van het aantal verrichtingen doorgevoerd in het voorgaande kalenderjaar met behulp van deze "winkelkredietkaart" blijkt dat, van de drie verschillende kredietopnemingsmechanismen, het meest gebruikelijke dat voor de geldafhalingen aan geldautomaten is.
Naast de extra kosten van 3 euro per geldafhaling aan geldautomaten, is er een beperking van het bedrag dat per dag kan worden afgehaald, met name, 500 euro.
De kredietovereenkomst bepaalt, overeenkomstig artikelen VII.78, § 2, 7° en VII.134, § 2, 7°, van het WER, dat de werkelijke maandelijks aan de consument aangerekende debetinteresten worden berekend op basis van het werkelijke aantal dagen van elke kalendermaand.
Hetzij, overeenkomstig artikel 4, § 2, 2°, van dit besluit, de veronderstelling van een onmiddellijke kredietopneming van 500 euro en een tweede opname van 200 euro op dag 2, waarvoor er telkens extra kosten van 3 euro betaald worden op de eerste vervaldag.
Hetzij, de veronderstelling overeenkomstig artikel 4, § 2, 3° van dit besluit dat 10 % wordt geacht de debetrentevoet, en 10 euro de jaarlijkse kost te zijn voor de gehele duur van de kredietovereenkomst.
Hetzij, een bedrag aan debetinteresten tegen 10 % op jaarbasis berekend op een verschuldigd blijvend saldo van respectievelijk 500 euro voor de eerste dag en 700 euro voor de overige dagen van de eerste betalingstermijn van een maand.
Hetzij, voor wat de tweede kredietopneming betreft, overeenkomstig artikel 3, § 2, derde lid, van dit besluit, een verschil tussen de data, die bij de berekening worden gebruikt, uitgedrukt in een dag.
De overeenkomst wordt gesloten op 1 januari 2014, de vervaldagen vallen telkens op de eerste kalenderdag van de volgende maand.
Hetzij de termijnbedragen die de consument betaalt bij een eenmalige volledige opname van het kredietbedrag op basis van een aflossingstabel die vertrekt van het werkelijke aantal kalenderdagen, waarbij :
D1 = 72,45 of 0,08 * [700+ 500*((1+0,1)1/365 - 1) + 700*((1+0,1)(31-1)/365 - 1)] + 10 + 6;
D2 = 52,32;
D3 = 48,52;
D4 = 44,99;
D5 = 41,73;
D6 = 38,69;
D7 = 35,89;
D8 = 33,28;
D9 = 30,86;
D10 = 28,62;
D11 = 26,54;
D12 = 25;
D13 = 35;
D14 tot D23 = 25;
D24 = 22,39.
De kredietovereenkomst vermeldt, overeenkomstig de artikelen VII.78, § 2, 8° en VII.134, § 2, 8°, van het WER, de veronderstelling dat voor de berekening van het JKP, overeenkomstig artikel 3, § 2, derde lid, van dit besluit, het verschil tussen de data die bij de berekening worden gebruikt, uitgedrukt wordt in een of meerdere gelijke maanden, zowel voor wat de bedragen betreft die in de basisvergelijking worden ingegeven als de exponenten van deze basisvergelijking.
Overeenkomstig artikel 3, § 2, derde lid, van dit besluit, wordt het verschil tussen de data die bij de berekening worden gebruikt, uitgedrukt in 1 dag voor wat het tijdsinterval tussen de twee kredietopnemingen betreft.
Hetzij, voor de berekening van het JKP, een eerste termijnbedrag van 72,44 euro, met name, een minimale betaling van 8 % van 700 euro kapitaal en 5,53 euro debetinteresten, verhoogd met 16 euro kosten.
De 24 hypothetische maandelijkse termijnbedragen Dl kunnen verkregen worden op basis van een aflossingsschema waarbij :
D1 = 72,44 of 0,08 * [700 + 500*((1+0,1)1/365 - 1) + 700 * ((1+0,1)(30,4167-1)/365 - 1)] + 10 + 6;
D2 = 52,34;
D3 = 48,54;
D4 = 45,01;
D5 = 41,74;
D6 = 38,71;
D7 = 35,89;
D8 = 33,29;
D9 = 30,87;
D10 = 28,62;
D11 = 26,54;
D12 = 25;
D13 = 35;
D14 tot D23 = 25,00;
D24 = 22,45.
De vergelijking is de volgende :
Voorbeeld 16 - Een voorbeeld ter verduidelijking van eenzelfde kredietopening van bepaalde duur als in voorbeeld 13 maar met verschillende actuariële debetrentevoeten in functie van het verschuldigd blijvend saldo.
Dezelfde kredietopening als in voorbeeld 13, met dat verschil dat de actuariële jaarlijkse debetrentevoet 8 % is wanneer het verschuldigd blijvend saldo in kapitaal hoger is dan 500 euro en 10 % wanneer dit saldo gelijk is aan 500 euro of minder.
Hetzij, overeenkomstig artikel 4, § 2, 9° van dit besluit, de veronderstelling dat 10 % geacht wordt de debetrentevoet te zijn voor de gehele duur van de kredietovereenkomst.
Het JKP bedraagt 13,55 % = 13,6 % zoals berekend in voorbeeld 13.
Voorbeeld 17 - Een voorbeeld ter verduidelijking van eenzelfde kredietopening van bepaalde duur als in voorbeeld 13 maar met een "renteloze" eerste betalingstermijn.
Dezelfde kredietopening als in voorbeeld 13, met dat verschil dat de actuariële jaarlijkse debetrentevoet 0 % is voor de eerste betalingstermijn en 10 % voor de overige betalingstermijnen.
Hetzij de veronderstelling overeenkomstig artikel 4, § 2, 9° van dit besluit dat 10 % wordt geacht de debetrentevoet te zijn voor de gehele duur van de kredietovereenkomst.
Het JKP bedraagt 13,55 % = 13,6 % zoals berekend in voorbeeld 13.
Voorbeeld 18 - Een voorbeeld ter verduidelijking van eenzelfde kredietopening van bepaalde duur als in voorbeeld 13 maar met verschillende debetrentevoeten en kosten in functie van bepaalde (promotionele) aankopen.
Dezelfde kredietopening als in voorbeeld 13, met dat verschil dat met de kaart enkel aankopen binnen het netwerk van de kredietgever kunnen worden gedaan en dat de kredietovereenkomst de mogelijkheid voorziet dat sommige aankopen tegen een uitzonderlijk actuariële debetrentevoet van 0 % of 7 % in plaats van 10 % en zonder kosten kunnen worden aangekocht.
Hetzij, overeenkomstig artikel 4, § 2, 9° van dit besluit, de veronderstelling dat 10 % wordt geacht de debetrentevoet, en 10 euro de jaarlijkse kost, te zijn voor de gehele duur van de kredietovereenkomst.
Het JKP bedraagt 13,55 % = 13,6 % zoals berekend in voorbeeld 13.
Voorbeeld 19 - Een voorbeeld ter verduidelijking van eenzelfde kredietopening van bepaalde duur als in voorbeeld 18 maar met verschillende debetrentevoeten en kosten in functie van het mechanisme voor kredietopneming.
Dezelfde kredietopening als in voorbeeld 18, met dat verschil dat met de kaart ook kredietopnemingen kunnen verricht worden voor aankopen en geldafhalingen aan geldautomaten via een ander netwerk dan dat van de kredietgever, bijv. Visa of MasterCard. Enkel voor de kredietopneming verbonden aan een geldafhaling bij een geldautomaat worden er extra kosten van 3 euro per geldafhaling aangerekend, te betalen op de eerstvolgende vervaldag.
Uit het nazicht door de kredietgever van het aantal verrichtingen doorgevoerd in het voorgaande kalenderjaar met behulp van deze "winkelkredietkaart" blijkt dat, van de drie verschillende kredietopnemingsmechanismen, het meest gebruikelijke dat voor de aankopen binnen het netwerk van de kredietgever is.
Hetzij de veronderstelling overeenkomstig artikel 4, § 2, 3° van dit besluit dat het JKP berekend wordt zoals in voorbeeld 18.
Het JKP bedraagt 13,55 % = 13,6 % zoals berekend in voorbeeld 18 (of 13).
Voorbeeld 20 - Een voorbeeld ter verduidelijking van eenzelfde kredietopening van bepaalde duur als in voorbeeld 19 maar bovendien, afhankelijk van het mechanisme voor kredietopneming, met beperkingen tot het bedrag en de termijn waarbinnen dit beperkte bedrag kan opgenomen worden.
Dezelfde kredietopening als in voorbeeld 19, met dat verschil dat uit het nazicht door de kredietgever van het aantal verrichtingen doorgevoerd in het voorgaande kalenderjaar met behulp van deze "winkelkredietkaart" blijkt dat, van de drie verschillende kredietopnemingsmechanismen, het meest gebruikelijke dat voor de geldafhalingen aan geldautomaten is.
Naast de extra kosten van 3 euro per geldafhaling aan geldautomaten, is er een beperking van het bedrag dat per dag kan worden afgehaald, met name, 500 euro.
De kredietovereenkomst bepaalt, overeenkomstig artikelen VII.78, § 2, 7° en VII.134, § 2, 7°, van het WER, dat de werkelijke maandelijks aan de consument aangerekende debetinteresten worden berekend op basis van het werkelijke aantal dagen van elke kalendermaand.
Hetzij, overeenkomstig artikel 4, § 2, 2°, van dit besluit, de veronderstelling van een onmiddellijke kredietopneming van 500 euro en een tweede opname van 200 euro op dag 2, waarvoor er telkens extra kosten van 3 euro betaald worden op de eerste vervaldag.
Hetzij, de veronderstelling overeenkomstig artikel 4, § 2, 3° van dit besluit dat 10 % wordt geacht de debetrentevoet, en 10 euro de jaarlijkse kost te zijn voor de gehele duur van de kredietovereenkomst.
Hetzij, een bedrag aan debetinteresten tegen 10 % op jaarbasis berekend op een verschuldigd blijvend saldo van respectievelijk 500 euro voor de eerste dag en 700 euro voor de overige dagen van de eerste betalingstermijn van een maand.
Hetzij, voor wat de tweede kredietopneming betreft, overeenkomstig artikel 3, § 2, derde lid, van dit besluit, een verschil tussen de data, die bij de berekening worden gebruikt, uitgedrukt in een dag.
De overeenkomst wordt gesloten op 1 januari 2014, de vervaldagen vallen telkens op de eerste kalenderdag van de volgende maand.
Hetzij de termijnbedragen die de consument betaalt bij een eenmalige volledige opname van het kredietbedrag op basis van een aflossingstabel die vertrekt van het werkelijke aantal kalenderdagen, waarbij :
D1 = 72,45 of 0,08 * [700+ 500*((1+0,1)1/365 - 1) + 700*((1+0,1)(31-1)/365 - 1)] + 10 + 6;
D2 = 52,32;
D3 = 48,52;
D4 = 44,99;
D5 = 41,73;
D6 = 38,69;
D7 = 35,89;
D8 = 33,28;
D9 = 30,86;
D10 = 28,62;
D11 = 26,54;
D12 = 25;
D13 = 35;
D14 tot D23 = 25;
D24 = 22,39.
De kredietovereenkomst vermeldt, overeenkomstig de artikelen VII.78, § 2, 8° en VII.134, § 2, 8°, van het WER, de veronderstelling dat voor de berekening van het JKP, overeenkomstig artikel 3, § 2, derde lid, van dit besluit, het verschil tussen de data die bij de berekening worden gebruikt, uitgedrukt wordt in een of meerdere gelijke maanden, zowel voor wat de bedragen betreft die in de basisvergelijking worden ingegeven als de exponenten van deze basisvergelijking.
Overeenkomstig artikel 3, § 2, derde lid, van dit besluit, wordt het verschil tussen de data die bij de berekening worden gebruikt, uitgedrukt in 1 dag voor wat het tijdsinterval tussen de twee kredietopnemingen betreft.
Hetzij, voor de berekening van het JKP, een eerste termijnbedrag van 72,44 euro, met name, een minimale betaling van 8 % van 700 euro kapitaal en 5,53 euro debetinteresten, verhoogd met 16 euro kosten.
De 24 hypothetische maandelijkse termijnbedragen Dl kunnen verkregen worden op basis van een aflossingsschema waarbij :
D1 = 72,44 of 0,08 * [700 + 500*((1+0,1)1/365 - 1) + 700 * ((1+0,1)(30,4167-1)/365 - 1)] + 10 + 6;
D2 = 52,34;
D3 = 48,54;
D4 = 45,01;
D5 = 41,74;
D6 = 38,71;
D7 = 35,89;
D8 = 33,29;
D9 = 30,87;
D10 = 28,62;
D11 = 26,54;
D12 = 25;
D13 = 35;
D14 tot D23 = 25,00;
D24 = 22,45.
De vergelijking is de volgende :
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 21-10-2016, p. 70996)
Exemple 16 - Exemple pour illustrer une même ouverture de crédit à durée déterminée qu'à l'exemple 13, mais avec différents taux débiteurs actuariels en fonction du solde restant dû.
La même ouverture de crédit qu'à l'exemple 13, à la différence que le taux débiteur actuariel annuel est de 8 % lorsque le solde restant dû en capital est supérieur à 500 euros et de 10 % lorsque le solde est égal ou inférieur à 500 euros.
Soit, conformément à l'article 4, § 2, 9° du présent arrêté, l'hypothèse où le taux débiteur est estimé être de 10 % pour toute la durée du contrat de crédit.
Le TAEG s'élève à 13,55 % = 13,6 % tel que calculé à l'exemple 13.
Exemple 17 - Exemple pour illustrer une même ouverture de crédit à durée déterminée qu'à l'exemple 13, mais avec un premier terme de paiement " sans intérêt ".
La même ouverture de crédit qu'à l'exemple 13, à la différence que le taux débiteur actuariel annuel est de 0 % pour le premier terme de paiement et de 10 % pour les autres termes de paiement.
Soit, conformément à l'article 4, § 2, 9° du présent arrêté, l'hypothèse où le taux débiteur est estimé être de 10 % pour toute la durée du contrat de crédit.
Le TAEG s'élève à 13,55 % = 13,6 % tel que calculé à l'exemple 13.
Exemple 18 - Exemple pour illustrer une même ouverture de crédit à durée déterminée qu'à l'exemple 13, mais avec différents taux débiteurs et frais en fonction d'achats (promotionnels) déterminés.
La même ouverture de crédit qu'à l'exemple 13, à la différence que seuls des achats au sein du réseau du prêteur peuvent être fait avec la carte et que le contrat de crédit prévoit la possibilité que certains achats peuvent être réalisés avec un taux débiteur actuariel exceptionnel de 0 % ou 7 % au lieu de 10 % et sans frais.
Soit, conformément à l'article 4, § 2, 9° du présent arrêté, l'hypothèse où le taux débiteur est estimé être de 10 % et 10 euros de frais annuels pour toute la durée du contrat de crédit.
Le TAEG s'élève à 13,55 % = 13,6 % tel que calculé à l'exemple 13.
Exemple 19 - Exemple pour illustrer une même ouverture de crédit à durée déterminée qu'à l'exemple 18, mais avec différents taux débiteurs et frais en fonction du mécanisme de prélèvement de crédit.
La même ouverture de crédit qu'à l'exemple 18, à la différence que des prélèvements de crédit peuvent également être effectués avec la carte pour des achats et des retraits aux distributeurs automatiques de billets via un autre réseau que celui du prêteur, par exemple Visa ou MasterCard. Uniquement en cas de prélèvement de crédit lié à un retrait d'argent à un distributeur automatique de billets, des frais supplémentaires de 3 euros par retrait sont calculés, à payer à la première échéance suivante.
Il ressort de l'examen du prêteur du nombre d'opérations effectuées à l'aide de ces " cartes de crédit magasin " au cours de l'année calendrier précédente que, des trois différents mécanismes de prélèvement de crédit, le plus utilisé est celui pour les achats au sein du réseau du prêteur.
Soit l'hypothèse selon laquelle, conformément à l'article 4, § 2, 3° du présent arrêté, le TAEG est calculé comme dans l'exemple 18.
Le TAEG s'élève à 13,55 % = 13,6 % tel que calculé à l'exemple 18 (ou 13).
Exemple 20 - Exemple pour illustrer une même ouverture de crédit à durée déterminée qu'à l'exemple 19, mais, en outre, en fonction du mécanisme de prélèvement de crédit, avec des limitations quant au montant et à la durée dans laquelle ce montant limité peut être prélevé.
La même ouverture de crédit qu'à l'exemple 19 à la différence que, de l'examen du prêteur du nombre d'opérations effectuées à l'aide de ces " cartes de crédit magasin " au cours de l'année calendrier qui précède, il ressort que des trois différents mécanismes de prélèvement de crédit, le plus utilisé est celui pour les retraits d'argent aux distributeurs automatiques de billets.
A côté des frais supplémentaires de 3 euros par retrait, il y a une limite au montant qui peut être retiré par jour, à savoir 500 euros.
Conformément aux articles VII.78, § 2, 7° et VII.134, § 2, 7°, du CDE, le contrat de crédit détermine que les intérêts débiteurs mensuels réellement imputés au consommateur sont calculés sur base du nombre effectif de jours de chaque mois calendrier.
Soit, conformément à l'article 4, § 2, 2°, du présent arrêté, l'hypothèse d'un prélèvement de crédit immédiat de 500 euros et un deuxième prélèvement de 200 euros le jour 2, dont les frais supplémentaires de 3 euros sont chaque fois payés à la première échéance.
Soit, conformément à l'article 4, § 2, 3° du présent arrêté, l'hypothèse où le taux débiteur est estimé être de 10 % et 10 euros de frais annuels pour toute la durée du contrat de crédit.
Soit un montant d'intérêts débiteurs de 10 % sur base annuelle, calculés sur un solde restant dû de, respectivement, 500 euros pour le premier jour et 700 euros pour les autres jours du premier terme de paiement d'un mois.
Soit, en ce qui concerne le second prélèvement de crédit, conformément à l'article 3, § 2r, alinéa 3, du présent arrêté, un écart entre les dates, qui sont utilisées pour le calcul, s'exprime en un jour.
Le contrat est conclu le 1er janvier 2014, les échéances tombent chaque fois le premier jour calendrier du mois suivant.
Soit les montants de terme que le consommateur paie en cas de prélèvement unique et intégral du montant du crédit sur base d'un tableau d'amortissement qui part du nombre exact de jours calendrier, où :
D1 = 72,45 ou 0,08 * [700+ 500*((1+0,1)1/365 - 1) + 700*((1+0,1)(31-1)/365 - 1)] + 10 + 6;
D2 = 52,32;
D3 = 48,52;
D4 = 44,99;
D5 = 41,73;
D6 = 38,69;
D7 = 35,89;
D8 = 33,28;
D9 = 30,86;
D10 = 28,62;
D11 = 26,54;
D12 = 25;
D13 = 35;
D14 à D23 = 25;
D24 = 22,39.
Conformément aux articles VII.78, § 2, 8° et VII.134, § 2, 8°, du CDE, le contrat de crédit mentionne l'hypothèse selon laquelle, pour le calcul du TAEG, conformément à l'article 3, § 2, alinéa 3, du présent arrêté, l'écart entre les dates qui sont utilisées pour le calcul est exprimé en un ou plusieurs mois égaux tant en ce qui concerne les montants qui sont introduits dans l'équation de base que les exposants de cette équation de base.
Conformément à l'article 3, § 2, alinéa 3, du présent arrêté, l'écart entre les dates utilisées pour le calcul est exprimé en 1 jour pour ce qui concerne l'intervalle de temps entre les deux prélèvements de crédit.
Soit, pour le calcul du TAEG, un premier montant de terme de 72,44 euros, notamment, un paiement minimum de 8 % de 700 euros en capital et 5,53 euros d'intérêts débiteurs, augmentés des frais de 16 euros.
Les 24 montants de terme mensuels Dl hypothétiques peuvent être obtenus sur base d'un échéancier de remboursement où :
D1 = 72,44 ou 0,08 * [700 + 500*((1+0,1)1/365 - 1) + 700 * ((1+0,1)(30,4167-1)/365 - 1)] + 10 + 6;
D2 = 52,34;
D3 = 48,54;
D4 = 45,01;
D5 = 41,74;
D6 = 38,71;
D7 = 35,89;
D8 = 33,29;
D9 = 30,87;
D10 = 28,62;
D11 = 26,54;
D12 = 25;
D13 = 35;
D14 à D23 = 25,00;
D24 = 22,45.
L'équation est la suivante :
Exemple 16 - Exemple pour illustrer une même ouverture de crédit à durée déterminée qu'à l'exemple 13, mais avec différents taux débiteurs actuariels en fonction du solde restant dû.
La même ouverture de crédit qu'à l'exemple 13, à la différence que le taux débiteur actuariel annuel est de 8 % lorsque le solde restant dû en capital est supérieur à 500 euros et de 10 % lorsque le solde est égal ou inférieur à 500 euros.
Soit, conformément à l'article 4, § 2, 9° du présent arrêté, l'hypothèse où le taux débiteur est estimé être de 10 % pour toute la durée du contrat de crédit.
Le TAEG s'élève à 13,55 % = 13,6 % tel que calculé à l'exemple 13.
Exemple 17 - Exemple pour illustrer une même ouverture de crédit à durée déterminée qu'à l'exemple 13, mais avec un premier terme de paiement " sans intérêt ".
La même ouverture de crédit qu'à l'exemple 13, à la différence que le taux débiteur actuariel annuel est de 0 % pour le premier terme de paiement et de 10 % pour les autres termes de paiement.
Soit, conformément à l'article 4, § 2, 9° du présent arrêté, l'hypothèse où le taux débiteur est estimé être de 10 % pour toute la durée du contrat de crédit.
Le TAEG s'élève à 13,55 % = 13,6 % tel que calculé à l'exemple 13.
Exemple 18 - Exemple pour illustrer une même ouverture de crédit à durée déterminée qu'à l'exemple 13, mais avec différents taux débiteurs et frais en fonction d'achats (promotionnels) déterminés.
La même ouverture de crédit qu'à l'exemple 13, à la différence que seuls des achats au sein du réseau du prêteur peuvent être fait avec la carte et que le contrat de crédit prévoit la possibilité que certains achats peuvent être réalisés avec un taux débiteur actuariel exceptionnel de 0 % ou 7 % au lieu de 10 % et sans frais.
Soit, conformément à l'article 4, § 2, 9° du présent arrêté, l'hypothèse où le taux débiteur est estimé être de 10 % et 10 euros de frais annuels pour toute la durée du contrat de crédit.
Le TAEG s'élève à 13,55 % = 13,6 % tel que calculé à l'exemple 13.
Exemple 19 - Exemple pour illustrer une même ouverture de crédit à durée déterminée qu'à l'exemple 18, mais avec différents taux débiteurs et frais en fonction du mécanisme de prélèvement de crédit.
La même ouverture de crédit qu'à l'exemple 18, à la différence que des prélèvements de crédit peuvent également être effectués avec la carte pour des achats et des retraits aux distributeurs automatiques de billets via un autre réseau que celui du prêteur, par exemple Visa ou MasterCard. Uniquement en cas de prélèvement de crédit lié à un retrait d'argent à un distributeur automatique de billets, des frais supplémentaires de 3 euros par retrait sont calculés, à payer à la première échéance suivante.
Il ressort de l'examen du prêteur du nombre d'opérations effectuées à l'aide de ces " cartes de crédit magasin " au cours de l'année calendrier précédente que, des trois différents mécanismes de prélèvement de crédit, le plus utilisé est celui pour les achats au sein du réseau du prêteur.
Soit l'hypothèse selon laquelle, conformément à l'article 4, § 2, 3° du présent arrêté, le TAEG est calculé comme dans l'exemple 18.
Le TAEG s'élève à 13,55 % = 13,6 % tel que calculé à l'exemple 18 (ou 13).
Exemple 20 - Exemple pour illustrer une même ouverture de crédit à durée déterminée qu'à l'exemple 19, mais, en outre, en fonction du mécanisme de prélèvement de crédit, avec des limitations quant au montant et à la durée dans laquelle ce montant limité peut être prélevé.
La même ouverture de crédit qu'à l'exemple 19 à la différence que, de l'examen du prêteur du nombre d'opérations effectuées à l'aide de ces " cartes de crédit magasin " au cours de l'année calendrier qui précède, il ressort que des trois différents mécanismes de prélèvement de crédit, le plus utilisé est celui pour les retraits d'argent aux distributeurs automatiques de billets.
A côté des frais supplémentaires de 3 euros par retrait, il y a une limite au montant qui peut être retiré par jour, à savoir 500 euros.
Conformément aux articles VII.78, § 2, 7° et VII.134, § 2, 7°, du CDE, le contrat de crédit détermine que les intérêts débiteurs mensuels réellement imputés au consommateur sont calculés sur base du nombre effectif de jours de chaque mois calendrier.
Soit, conformément à l'article 4, § 2, 2°, du présent arrêté, l'hypothèse d'un prélèvement de crédit immédiat de 500 euros et un deuxième prélèvement de 200 euros le jour 2, dont les frais supplémentaires de 3 euros sont chaque fois payés à la première échéance.
Soit, conformément à l'article 4, § 2, 3° du présent arrêté, l'hypothèse où le taux débiteur est estimé être de 10 % et 10 euros de frais annuels pour toute la durée du contrat de crédit.
Soit un montant d'intérêts débiteurs de 10 % sur base annuelle, calculés sur un solde restant dû de, respectivement, 500 euros pour le premier jour et 700 euros pour les autres jours du premier terme de paiement d'un mois.
Soit, en ce qui concerne le second prélèvement de crédit, conformément à l'article 3, § 2r, alinéa 3, du présent arrêté, un écart entre les dates, qui sont utilisées pour le calcul, s'exprime en un jour.
Le contrat est conclu le 1er janvier 2014, les échéances tombent chaque fois le premier jour calendrier du mois suivant.
Soit les montants de terme que le consommateur paie en cas de prélèvement unique et intégral du montant du crédit sur base d'un tableau d'amortissement qui part du nombre exact de jours calendrier, où :
D1 = 72,45 ou 0,08 * [700+ 500*((1+0,1)1/365 - 1) + 700*((1+0,1)(31-1)/365 - 1)] + 10 + 6;
D2 = 52,32;
D3 = 48,52;
D4 = 44,99;
D5 = 41,73;
D6 = 38,69;
D7 = 35,89;
D8 = 33,28;
D9 = 30,86;
D10 = 28,62;
D11 = 26,54;
D12 = 25;
D13 = 35;
D14 à D23 = 25;
D24 = 22,39.
Conformément aux articles VII.78, § 2, 8° et VII.134, § 2, 8°, du CDE, le contrat de crédit mentionne l'hypothèse selon laquelle, pour le calcul du TAEG, conformément à l'article 3, § 2, alinéa 3, du présent arrêté, l'écart entre les dates qui sont utilisées pour le calcul est exprimé en un ou plusieurs mois égaux tant en ce qui concerne les montants qui sont introduits dans l'équation de base que les exposants de cette équation de base.
Conformément à l'article 3, § 2, alinéa 3, du présent arrêté, l'écart entre les dates utilisées pour le calcul est exprimé en 1 jour pour ce qui concerne l'intervalle de temps entre les deux prélèvements de crédit.
Soit, pour le calcul du TAEG, un premier montant de terme de 72,44 euros, notamment, un paiement minimum de 8 % de 700 euros en capital et 5,53 euros d'intérêts débiteurs, augmentés des frais de 16 euros.
Les 24 montants de terme mensuels Dl hypothétiques peuvent être obtenus sur base d'un échéancier de remboursement où :
D1 = 72,44 ou 0,08 * [700 + 500*((1+0,1)1/365 - 1) + 700 * ((1+0,1)(30,4167-1)/365 - 1)] + 10 + 6;
D2 = 52,34;
D3 = 48,54;
D4 = 45,01;
D5 = 41,74;
D6 = 38,71;
D7 = 35,89;
D8 = 33,29;
D9 = 30,87;
D10 = 28,62;
D11 = 26,54;
D12 = 25;
D13 = 35;
D14 à D23 = 25,00;
D24 = 22,45.
L'équation est la suivante :
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 21-10-2016, p. 70998)
Voorbeeld 21 - Een voorbeeld ter verduidelijking van eenzelfde kredietopening van bepaalde duur als in voorbeeld 13 maar met de keuze voor een andere betalingsmodaliteit met andere rentevoeten en kosten voor een beperkt bedrag.
Dezelfde kredietopening als in voorbeeld 13, met dat verschil dat de consument kan kiezen tussen twee betalingsmodaliteiten met andere totale kosten van het krediet voor de consument :
a) ofwel een maandelijkse minimale betaling van 8 % van het verschuldigd saldo in kapitaal en debetinteresten, bedoeld in artikel 9, § 3, van dit besluit, desgevallend verhoogd met de kaartkosten, zonder dat het termijnbedrag, verminderd met de kaartkosten, lager mag zijn dan 25 euro; een actuariële debetrentevoet van 10 % en jaarlijkse kaartkosten van 10 euro; het JKP is 13,55 % = 13,6 % zoals berekend in voorbeeld 13,
b) ofwel een maandelijkse minimale betaling van 5 % van het kredietbedrag waarmee, naast een deel kapitaal, de maandelijks verschuldigde interesten en kosten worden betaald; een actuariële jaarlijkse debetrentevoet van 11 %, maandelijkse kaartkosten van 0,05 % van het aankoopbedrag; er zijn 22 maandelijkse termijnbedragen van 35 euro (5 % * 700) en een 23ste termijnbedrag van 11,59 euro; het JKP is 12,23 %.
Hetzij, overeenkomstig artikel 4, § 2, 9° van dit besluit, de veronderstelling dat de totale kosten van het krediet voor de consument van het betalingsschema onder a) - een debetrentevoet van 10 % en jaarlijkse kosten van 10 euro - geacht worden de totale kosten van het krediet te zijn voor de gehele duur van de kredietovereenkomst. Voor de berekening van het JKP worden dus zowel de kosten als de debetrentevoet verondersteld die te zijn van het betalingsschema onder a) ook al is de debetrentevoet onder betalingsschema b) hoger.
Het JKP bedraagt 13,6 %.
Voorbeeld 22 - Een voorbeeld ter verduidelijking van een kredietopening van onbepaalde duur zonder minimale kapitaalaflossing en met nulstellingsverplichting die niet korter is dan een jaar.
Kredietopening van onbepaalde duur voor een bedrag van 2.500 euro. De overeenkomst voorziet geen aflossingsschema voor het kapitaalgedeelte maar wel de maandelijkse betaling van nominaal berekende debetinteresten tegen een percentage van 8 % op jaarbasis berekend op het verschuldigd blijvend saldo en de onmiddellijke eenmalige betaling van dossierkosten van 20 euro.
De kredietovereenkomst voorziet een nullstellingstermijn van 12 maanden die de nulstellingstermijn bedoeld in artikel 14, § 2, tweede lid, 1°, van dit besluit niet overschrijdt.
Hetzij, 12 gelijke betalingstermijnen van een maand van 30,41667 dagen.
Hetzij, een eenmalige onmiddellijke betaling van 20 euro dossierkosten zoals contractueel bepaald.
Hetzij, de veronderstelling in artikel 4, § 2, 1°, van dit besluit van een volledige en onmiddellijke kredietopneming van 2.500 euro.
Hetzij, de veronderstelling in artikel 4, § 2, 5°, van dit besluit dat enkel het integraal en onmiddellijk opgenomen kredietbedrag over een termijn van een jaar wordt afgelost in gelijke maandelijkse bedragen, met name, 2.500/12 of 208,33 euro per maand.
Hetzij, een maandelijkse betaling van 208,33 euro kapitaal overeenkomstig artikel 4, § 2, b), in fine van dit besluit verhoogd met nominaal toegepaste debetinteresten tegen 8 % op jaarbasis berekend op het verschuldigd blijvend saldo.
De 12 hypothetische maandelijkse termijnbedragen Dl kunnen verkregen worden op basis van een aflossingsschema, waarbij :
D1 = 225,00;
D2 = 223,61;
D3 = 222,22;
D4 = 220,83;
D5 = 219,44;
D6 = 218,06;
D7 = 216,67;
D8 = 215,28;
D9 = 213,89;
D10 = 212,50;
D11 = 211,11;
D12 = 209,72.
De vergelijking is de volgende :
Voorbeeld 21 - Een voorbeeld ter verduidelijking van eenzelfde kredietopening van bepaalde duur als in voorbeeld 13 maar met de keuze voor een andere betalingsmodaliteit met andere rentevoeten en kosten voor een beperkt bedrag.
Dezelfde kredietopening als in voorbeeld 13, met dat verschil dat de consument kan kiezen tussen twee betalingsmodaliteiten met andere totale kosten van het krediet voor de consument :
a) ofwel een maandelijkse minimale betaling van 8 % van het verschuldigd saldo in kapitaal en debetinteresten, bedoeld in artikel 9, § 3, van dit besluit, desgevallend verhoogd met de kaartkosten, zonder dat het termijnbedrag, verminderd met de kaartkosten, lager mag zijn dan 25 euro; een actuariële debetrentevoet van 10 % en jaarlijkse kaartkosten van 10 euro; het JKP is 13,55 % = 13,6 % zoals berekend in voorbeeld 13,
b) ofwel een maandelijkse minimale betaling van 5 % van het kredietbedrag waarmee, naast een deel kapitaal, de maandelijks verschuldigde interesten en kosten worden betaald; een actuariële jaarlijkse debetrentevoet van 11 %, maandelijkse kaartkosten van 0,05 % van het aankoopbedrag; er zijn 22 maandelijkse termijnbedragen van 35 euro (5 % * 700) en een 23ste termijnbedrag van 11,59 euro; het JKP is 12,23 %.
Hetzij, overeenkomstig artikel 4, § 2, 9° van dit besluit, de veronderstelling dat de totale kosten van het krediet voor de consument van het betalingsschema onder a) - een debetrentevoet van 10 % en jaarlijkse kosten van 10 euro - geacht worden de totale kosten van het krediet te zijn voor de gehele duur van de kredietovereenkomst. Voor de berekening van het JKP worden dus zowel de kosten als de debetrentevoet verondersteld die te zijn van het betalingsschema onder a) ook al is de debetrentevoet onder betalingsschema b) hoger.
Het JKP bedraagt 13,6 %.
Voorbeeld 22 - Een voorbeeld ter verduidelijking van een kredietopening van onbepaalde duur zonder minimale kapitaalaflossing en met nulstellingsverplichting die niet korter is dan een jaar.
Kredietopening van onbepaalde duur voor een bedrag van 2.500 euro. De overeenkomst voorziet geen aflossingsschema voor het kapitaalgedeelte maar wel de maandelijkse betaling van nominaal berekende debetinteresten tegen een percentage van 8 % op jaarbasis berekend op het verschuldigd blijvend saldo en de onmiddellijke eenmalige betaling van dossierkosten van 20 euro.
De kredietovereenkomst voorziet een nullstellingstermijn van 12 maanden die de nulstellingstermijn bedoeld in artikel 14, § 2, tweede lid, 1°, van dit besluit niet overschrijdt.
Hetzij, 12 gelijke betalingstermijnen van een maand van 30,41667 dagen.
Hetzij, een eenmalige onmiddellijke betaling van 20 euro dossierkosten zoals contractueel bepaald.
Hetzij, de veronderstelling in artikel 4, § 2, 1°, van dit besluit van een volledige en onmiddellijke kredietopneming van 2.500 euro.
Hetzij, de veronderstelling in artikel 4, § 2, 5°, van dit besluit dat enkel het integraal en onmiddellijk opgenomen kredietbedrag over een termijn van een jaar wordt afgelost in gelijke maandelijkse bedragen, met name, 2.500/12 of 208,33 euro per maand.
Hetzij, een maandelijkse betaling van 208,33 euro kapitaal overeenkomstig artikel 4, § 2, b), in fine van dit besluit verhoogd met nominaal toegepaste debetinteresten tegen 8 % op jaarbasis berekend op het verschuldigd blijvend saldo.
De 12 hypothetische maandelijkse termijnbedragen Dl kunnen verkregen worden op basis van een aflossingsschema, waarbij :
D1 = 225,00;
D2 = 223,61;
D3 = 222,22;
D4 = 220,83;
D5 = 219,44;
D6 = 218,06;
D7 = 216,67;
D8 = 215,28;
D9 = 213,89;
D10 = 212,50;
D11 = 211,11;
D12 = 209,72.
De vergelijking is de volgende :
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 21-10-2016, p. 70998)
Exemple 21 - Exemple pour illustrer une même ouverture de crédit à durée déterminée qu'à l'exemple 13, mais avec le choix d'une autre modalité de paiement avec d'autres taux d'intérêts et frais pour un montant limité.
La même ouverture de crédit qu'à l'exemple 13, à la différence que le consommateur peut choisir entre deux modalités de paiement avec d'autres coûts totaux du crédit pour le consommateur :
a) ou bien un paiement mensuel minimum de 8 % du solde restant dû en capital et intérêts débiteurs, visé à l'article 9, § 3, du présent arrêté, augmenté, le cas échéant, des frais de carte sans que le montant d'un terme, diminué des frais de carte, ne puisse être inférieur à 25 euros; un taux débiteur actuariel de 10 % et des frais de carte annuels de 10 euros; le TAEG est de 13,55 % = 13,6 % tel que calculé à l'exemple 13,
b) ou bien un paiement mensuel minimum de 5 % du montant du crédit avec lequel sont payés, outre une partie du capital, les intérêts mensuels et les frais dus; un taux débiteur actuariel annuel de 11 %, des frais de carte mensuels de 0,05 % du montant de l'achat; il y a 22 montants de terme mensuels de 35 euros (5 % * 700) et un 23ème montant de terme de 11,59 euros, le TAEG est de 12,23 %.
Soit, conformément à l'article 4, § 2, du présent arrêté, l'hypothèse selon laquelle les coûts totaux du crédit pour le consommateur de l'échéancier de paiement sous a) - un taux débiteur de 10 % et 10 euros de frais annuels - sont présumés être les frais totaux du crédit pour toute la durée du contrat de crédit. Pour le calcul du TAEG, tant les frais que le taux débiteur sont présumés être ceux de l'échéancier de paiement sous a) même si le taux débiteur de l'échéancier de paiement sous b) est plus élevé.
Le TAEG s'élève à 13,6 %.
Exemple 22 - Exemple pour illustrer une ouverture de crédit à durée indéterminée sans remboursement de capital minimum et avec une obligation de zérotage qui n'est pas inférieure à un an.
Ouverture de crédit à durée indéterminée pour un montant de 2.500 euros. Le contrat ne prévoit aucun échéancier pour le remboursement de la part de capital et des intérêts mais bien le paiement mensuel des intérêts débiteurs calculés de manière nominale à un taux de 8 % sur base annuelle, calculé sur le solde restant dû et le paiement unique et immédiat des frais de dossier de 20 euros.
Le contrat de crédit prévoit un délai de zérotage de 12 mois qui ne dépasse pas le délai de zérotage visé à l'article 14, § 2, alinéa 2, 1°, du présent arrêté.
Soit, 12 termes de paiement égaux d'un mois de 30,41667 jours.
Soit, un paiement unique et immédiat des frais de dossier de 20 euros tel que prévu contractuellement.
Soit, l'hypothèse de l'article 4, § 2, du présent arrêté d'un prélèvement de crédit intégral et immédiat de 2.500 euros.
Soit, l'hypothèse de l'article 4, § 2, alinéa du présent arrêté où seul le montant du crédit intégralement et immédiatement prélevé, est remboursé pendant un délai d'un an en montants mensuels égaux, à savoir, 2.500/12 ou 208,33 euros par mois.
Soit, un paiement mensuel de 208,33 euros en capital, conformément à l'article 4, § 2, 5°, b), in fine, du présent arrêté augmenté des intérêts débiteurs appliqués nominalement à un taux de 8 % sur base annuelle, calculés sur le solde restant dû.
Les 12 montants de terme mensuels Dl hypothétiques peuvent être obtenus sur base d'un échéancier de remboursement où :
D1 = 225,00;
D2 = 223,61;
D3 = 222,22;
D4 = 220,83;
D5 = 219,44;
D6 = 218,06;
D7 = 216,67;
D8 = 215,28;
D9 = 213,89;
D10 = 212,50;
D11 = 211,11;
D12 = 209,72.
L'équation est la suivante :
Exemple 21 - Exemple pour illustrer une même ouverture de crédit à durée déterminée qu'à l'exemple 13, mais avec le choix d'une autre modalité de paiement avec d'autres taux d'intérêts et frais pour un montant limité.
La même ouverture de crédit qu'à l'exemple 13, à la différence que le consommateur peut choisir entre deux modalités de paiement avec d'autres coûts totaux du crédit pour le consommateur :
a) ou bien un paiement mensuel minimum de 8 % du solde restant dû en capital et intérêts débiteurs, visé à l'article 9, § 3, du présent arrêté, augmenté, le cas échéant, des frais de carte sans que le montant d'un terme, diminué des frais de carte, ne puisse être inférieur à 25 euros; un taux débiteur actuariel de 10 % et des frais de carte annuels de 10 euros; le TAEG est de 13,55 % = 13,6 % tel que calculé à l'exemple 13,
b) ou bien un paiement mensuel minimum de 5 % du montant du crédit avec lequel sont payés, outre une partie du capital, les intérêts mensuels et les frais dus; un taux débiteur actuariel annuel de 11 %, des frais de carte mensuels de 0,05 % du montant de l'achat; il y a 22 montants de terme mensuels de 35 euros (5 % * 700) et un 23ème montant de terme de 11,59 euros, le TAEG est de 12,23 %.
Soit, conformément à l'article 4, § 2, du présent arrêté, l'hypothèse selon laquelle les coûts totaux du crédit pour le consommateur de l'échéancier de paiement sous a) - un taux débiteur de 10 % et 10 euros de frais annuels - sont présumés être les frais totaux du crédit pour toute la durée du contrat de crédit. Pour le calcul du TAEG, tant les frais que le taux débiteur sont présumés être ceux de l'échéancier de paiement sous a) même si le taux débiteur de l'échéancier de paiement sous b) est plus élevé.
Le TAEG s'élève à 13,6 %.
Exemple 22 - Exemple pour illustrer une ouverture de crédit à durée indéterminée sans remboursement de capital minimum et avec une obligation de zérotage qui n'est pas inférieure à un an.
Ouverture de crédit à durée indéterminée pour un montant de 2.500 euros. Le contrat ne prévoit aucun échéancier pour le remboursement de la part de capital et des intérêts mais bien le paiement mensuel des intérêts débiteurs calculés de manière nominale à un taux de 8 % sur base annuelle, calculé sur le solde restant dû et le paiement unique et immédiat des frais de dossier de 20 euros.
Le contrat de crédit prévoit un délai de zérotage de 12 mois qui ne dépasse pas le délai de zérotage visé à l'article 14, § 2, alinéa 2, 1°, du présent arrêté.
Soit, 12 termes de paiement égaux d'un mois de 30,41667 jours.
Soit, un paiement unique et immédiat des frais de dossier de 20 euros tel que prévu contractuellement.
Soit, l'hypothèse de l'article 4, § 2, du présent arrêté d'un prélèvement de crédit intégral et immédiat de 2.500 euros.
Soit, l'hypothèse de l'article 4, § 2, alinéa du présent arrêté où seul le montant du crédit intégralement et immédiatement prélevé, est remboursé pendant un délai d'un an en montants mensuels égaux, à savoir, 2.500/12 ou 208,33 euros par mois.
Soit, un paiement mensuel de 208,33 euros en capital, conformément à l'article 4, § 2, 5°, b), in fine, du présent arrêté augmenté des intérêts débiteurs appliqués nominalement à un taux de 8 % sur base annuelle, calculés sur le solde restant dû.
Les 12 montants de terme mensuels Dl hypothétiques peuvent être obtenus sur base d'un échéancier de remboursement où :
D1 = 225,00;
D2 = 223,61;
D3 = 222,22;
D4 = 220,83;
D5 = 219,44;
D6 = 218,06;
D7 = 216,67;
D8 = 215,28;
D9 = 213,89;
D10 = 212,50;
D11 = 211,11;
D12 = 209,72.
L'équation est la suivante :
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 21-10-2016, p. 70999)
Voorbeeld 23 - Een voorbeeld ter verduidelijking van een kredietopening van onbepaalde duur zonder enige betalingsverplichting en met nulstellingsverplichting niet korter dan een jaar.
Dezelfde kredietopening als in voorbeeld 22 maar met dat verschil dat de overeenkomst niets bepaalt m.b.t. de betaling van de vaste kosten van 20 euro en de nominaal berekende debetinteresten van 8 % op jaarbasis.
De kredietovereenkomst voorziet een nullstellingstermijn van 12 maanden die de wettelijke nulstellingstermijn bedoeld in artikel 14, § 2, tweede lid, 1°, van dit besluit niet overschrijdt, maar deze heeft geen invloed op de berekening van het JKP, gelet op de veronderstelling in artikel 4, § 3, derde lid, 5°, van dit besluit.
Hetzij, de veronderstelling in artikel 4, § 2, 1°, van dit besluit van een volledige en onmiddellijke kredietopneming van 2.500 euro.
Hetzij, de veronderstelling in artikel 4, § 2, 5°, van dit besluit dat het integraal en onmiddellijk opgenomen kredietbedrag binnen een termijn van een jaar in gelijke maandelijkse bedragen van 208,33 euro (2.500/12) wordt afgelost.
Hetzij, de veronderstelling in artikel 4, § 2, 7°, a) van dit besluit dat, als de overeenkomst niets bepaalt inzake de betaling van de rente, de rente samen met de terugbetalingen van kapitaal wordt betaald.
Hetzij, de veronderstelling in artikel 4, § 2 7°, b) van dit besluit dat, als de overeenkomst niets bepaalt inzake de betaling van de kosten, de in één bedrag uitgedrukte niet-rentekosten van 20 euro betaald worden op de datum waarop de kredietovereenkomst wordt gesloten.
Hetzij, een zelfde maandelijkse betaling als in het voorbeeld 22 van 208,33 euro kapitaal verhoogd met de debetinteresten van 8 % op jaarbasis, op nominale wijze berekend op het verschuldigd blijvend saldo.
Hetzij, een zelfde JKP als in voorbeeld 22 van 9,96 %, of 10 %.
Voorbeeld 24 - Een voorbeeld ter verduidelijking van een kredietopening van bepaalde duur met een terugbetalingstermijn die langer is dan de nulstellingstermijn.
Dezelfde kredietopening van bepaalde duur als in voorbeeld 13 met dat verschil dat de overeenkomst een nulstellingstermijn voorziet van 24 maanden en een maandelijkse minimale betaling van 6 % van het verschuldigde saldo in kapitaal en debetinteresten bedoeld in artikel 14, § 3, van dit besluit, desgevallend verhoogd met de kaartkosten, zonder dat het termijnbedrag, verminderd met de kaartkosten, lager mag zijn dan ofwel 25 euro ofwel het verschuldigd saldo.
Hetzij een maximale terugbetalingstermijn van 29 maanden en een nulstellingstermijn van 24 maanden, beide berekend zoals in voorbeeld 13.
De hypothetische terugbetalingstermijn op basis van een onmiddellijke en integrale opneming van het kredietbedrag en minimale betalingen van 6 % van het verschuldigd saldo bedraagt 28 maanden, waarbij :
D1 = 52,33 of 0,06 * (700 + (700 * 0,007974)) + 10;
D2 = 40,11;
D3 = 38,01;
D4 = 36,01;
D5 = 34,12;
D6 = 32,33;
D7 = 30,63;
D8 = 29,02;
D9 = 27,50;
D10 = 26,06;
D11 en D12 = 25,00;
D13 = 35,00;
D14 tot D24 = 25,00;
D25 = 35;
D26 en D27 = 25;
D28 = 14,10.
Maar met deze hypothetische terugbetalingstermijn van 28 maanden kan geen rekening gehouden worden voor de berekening van het JKP, omdat volgens de veronderstelling in artikel 4, § 2, 6°, a) van dit besluit de aflossingen worden verricht op het meest nabije tijdstip voorzien in de kredietovereenkomst, in casu op het einde van de nulstellingstermijn van 24 maanden.
Hetzij, 23 minimale betalingen van 6 % van het verschuldigd saldo, zonder dat het termijnbedrag, verminderd met de kaartkosten van 10 euro per jaar, lager mag zijn dan ofwel 25 euro, en een 24ste betaling van het verschuldigd saldo.
De 24 hypothetische maandelijkse termijnbedragen Dl kunnen verkregen worden op basis van een aflossingsschema waarbij :
D1 = 52,33 of 0,06 * (700+(700*0,007974))+10;
D2 = 40,11;
D3 = 38,01;
D4 = 36,01;
D5 = 34,12;
D6 = 32,33;
D7 = 30,63;
D8 = 29,02;
D9 = 27,50;
D10 = 26,06;
D11 en D12 = 25,00;
D13 = 35,00;
D14 tot D23 = 25,00;
D24 = 112,47.
De vergelijking is de volgende :
Voorbeeld 23 - Een voorbeeld ter verduidelijking van een kredietopening van onbepaalde duur zonder enige betalingsverplichting en met nulstellingsverplichting niet korter dan een jaar.
Dezelfde kredietopening als in voorbeeld 22 maar met dat verschil dat de overeenkomst niets bepaalt m.b.t. de betaling van de vaste kosten van 20 euro en de nominaal berekende debetinteresten van 8 % op jaarbasis.
De kredietovereenkomst voorziet een nullstellingstermijn van 12 maanden die de wettelijke nulstellingstermijn bedoeld in artikel 14, § 2, tweede lid, 1°, van dit besluit niet overschrijdt, maar deze heeft geen invloed op de berekening van het JKP, gelet op de veronderstelling in artikel 4, § 3, derde lid, 5°, van dit besluit.
Hetzij, de veronderstelling in artikel 4, § 2, 1°, van dit besluit van een volledige en onmiddellijke kredietopneming van 2.500 euro.
Hetzij, de veronderstelling in artikel 4, § 2, 5°, van dit besluit dat het integraal en onmiddellijk opgenomen kredietbedrag binnen een termijn van een jaar in gelijke maandelijkse bedragen van 208,33 euro (2.500/12) wordt afgelost.
Hetzij, de veronderstelling in artikel 4, § 2, 7°, a) van dit besluit dat, als de overeenkomst niets bepaalt inzake de betaling van de rente, de rente samen met de terugbetalingen van kapitaal wordt betaald.
Hetzij, de veronderstelling in artikel 4, § 2 7°, b) van dit besluit dat, als de overeenkomst niets bepaalt inzake de betaling van de kosten, de in één bedrag uitgedrukte niet-rentekosten van 20 euro betaald worden op de datum waarop de kredietovereenkomst wordt gesloten.
Hetzij, een zelfde maandelijkse betaling als in het voorbeeld 22 van 208,33 euro kapitaal verhoogd met de debetinteresten van 8 % op jaarbasis, op nominale wijze berekend op het verschuldigd blijvend saldo.
Hetzij, een zelfde JKP als in voorbeeld 22 van 9,96 %, of 10 %.
Voorbeeld 24 - Een voorbeeld ter verduidelijking van een kredietopening van bepaalde duur met een terugbetalingstermijn die langer is dan de nulstellingstermijn.
Dezelfde kredietopening van bepaalde duur als in voorbeeld 13 met dat verschil dat de overeenkomst een nulstellingstermijn voorziet van 24 maanden en een maandelijkse minimale betaling van 6 % van het verschuldigde saldo in kapitaal en debetinteresten bedoeld in artikel 14, § 3, van dit besluit, desgevallend verhoogd met de kaartkosten, zonder dat het termijnbedrag, verminderd met de kaartkosten, lager mag zijn dan ofwel 25 euro ofwel het verschuldigd saldo.
Hetzij een maximale terugbetalingstermijn van 29 maanden en een nulstellingstermijn van 24 maanden, beide berekend zoals in voorbeeld 13.
De hypothetische terugbetalingstermijn op basis van een onmiddellijke en integrale opneming van het kredietbedrag en minimale betalingen van 6 % van het verschuldigd saldo bedraagt 28 maanden, waarbij :
D1 = 52,33 of 0,06 * (700 + (700 * 0,007974)) + 10;
D2 = 40,11;
D3 = 38,01;
D4 = 36,01;
D5 = 34,12;
D6 = 32,33;
D7 = 30,63;
D8 = 29,02;
D9 = 27,50;
D10 = 26,06;
D11 en D12 = 25,00;
D13 = 35,00;
D14 tot D24 = 25,00;
D25 = 35;
D26 en D27 = 25;
D28 = 14,10.
Maar met deze hypothetische terugbetalingstermijn van 28 maanden kan geen rekening gehouden worden voor de berekening van het JKP, omdat volgens de veronderstelling in artikel 4, § 2, 6°, a) van dit besluit de aflossingen worden verricht op het meest nabije tijdstip voorzien in de kredietovereenkomst, in casu op het einde van de nulstellingstermijn van 24 maanden.
Hetzij, 23 minimale betalingen van 6 % van het verschuldigd saldo, zonder dat het termijnbedrag, verminderd met de kaartkosten van 10 euro per jaar, lager mag zijn dan ofwel 25 euro, en een 24ste betaling van het verschuldigd saldo.
De 24 hypothetische maandelijkse termijnbedragen Dl kunnen verkregen worden op basis van een aflossingsschema waarbij :
D1 = 52,33 of 0,06 * (700+(700*0,007974))+10;
D2 = 40,11;
D3 = 38,01;
D4 = 36,01;
D5 = 34,12;
D6 = 32,33;
D7 = 30,63;
D8 = 29,02;
D9 = 27,50;
D10 = 26,06;
D11 en D12 = 25,00;
D13 = 35,00;
D14 tot D23 = 25,00;
D24 = 112,47.
De vergelijking is de volgende :
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 21-10-2016, p. 70999)
Exemple 23 - Exemple pour illustrer une ouverture de crédit à durée indéterminée sans la moindre obligation de paiement et avec obligation de zérotage non inférieure à un an.
La même ouverture de crédit qu'à l'exemple 22 mais à la différence que le contrat ne prévoit rien concernant le paiement des frais fixes de 20 euros ni des intérêts débiteurs de 8 % sur base annuelle, calculés de manière nominale.
Le contrat de crédit prévoit un délai de zérotage de 12 mois qui ne dépasse pas le délai de zérotage légal visé à l'article 14, § 2, alinéa 2, 1°, du présent arrêté, mais cela n'a aucune influence sur le calcul du TAEG en raison de l'hypothèse de l'article 4, § 3, alinéa 3, 5°, du présent arrêté.
Soit, l'hypothèse dans l'article 4, § 2, du présent arrêté d'un prélèvement de crédit intégral et immédiat de 2.500 euros.
Soit, l'hypothèse de l'article 4, § 2, 5°, du présent arrêté où le montant du crédit prélevé intégralement et immédiatement est remboursé endéans un délai d'un an en montants mensuels égaux de 208,33 euros (2.500/12).
Soit, l'hypothèse de l'article 4, § 2, 7°, a) du présent arrêté selon laquelle, lorsque le contrat ne prévoit rien en matière de paiement des intérêts, les intérêts sont payés conjointement avec les remboursements de capital.
Soit, l'hypothèse de l'article 4, § 2, 7°, b) du présent arrêté selon laquelle, lorsque le contrat ne prévoit rien en matière de paiement des frais, des frais autres que des intérêts, exprimés sous la forme d'une somme unique de 20 euros, sont payés à la date de conclusion du contrat de crédit.
Soit, un même paiement mensuel qu'à l'exemple 22, de 208,33 euros en capital, augmenté des intérêts débiteurs de 8 % sur base annuelle, calculés de manière nominale sur le solde restant dû.
Soit, un même TAEG qu'à l'exemple 22, de 9,96 % ou 10 %.
Exemple 24 - Exemple pour illustrer une ouverture de crédit à durée déterminée avec un délai de remboursement plus long que le délai de zérotage.
La même ouverture de crédit à durée déterminée qu'à l'exemple 13 à la différence que le contrat prévoit un délai de zérotage de 24 mois et un paiement mensuel minimum de 6 % du solde restant dû en capital et intérêts débiteurs, visé à l'article 14, § 3, du présent arrêté, augmenté, le cas échéant, des frais de carte, sans que le montant de terme, diminué des frais de carte, ne puisse être inférieur à 25 euros ou au solde restant dû.
Soit, un délai de remboursement maximum de 29 mois et un délai de zérotage de 24 mois, les deux calculés comme à l'exemple 13.
Le délai de remboursement hypothétique sur base d'un prélèvement immédiat et intégral du montant de crédit et des paiements minimums de 6 % du solde restant dû s'élève à 28 mois, où :
D1 = 52,33 ou 0,06 * (700 + (700*0,007974)) + 10;
D2 = 40,11;
D3 = 38,01;
D4 = 36,01;
D5 = 34,12;
D6 = 32,33;
D7 = 30,63;
D8 = 29,02;
D9 = 27,50;
D10 = 26,06;
D11 et D12 = 25,00;
D13 = 35,00;
D14 à D24 = 25,00;
D25 = 35;
D26 et D27 = 25;
D28 = 14,10.
Mais, pour le calcul du TAEG, on ne peut pas tenir compte de ce terme de remboursement hypothétique de 28 mois, parce que, selon l'hypothèse de l'article 4, § 2, 6°, a) du présent arrêté, les remboursements sont effectués au moment le plus proche prévu dans le contrat de crédit, dans ce cas à la fin du délai de zérotage de 24 mois.
Soit, 23 paiements minimums de 6 % du solde restant dû sans que le montant de terme, diminué des frais de carte de 10 euros par an, ne puisse être inférieur à 25 euros et un 24ème paiement du solde restant dû.
Les 24 montants de terme mensuels Dl hypothétiques peuvent être obtenus sur base d'un échéancier de remboursement où :
D1 = 52,33 ou 0,06 * (700+(700*0,007974))+10;
D2 = 40,11;
D3 = 38,01;
D4 = 36,01;
D5 = 34,12;
D6 = 32,33;
D7 = 30,63;
D8 = 29,02;
D9 = 27,50;
D10 = 26,06;
D11 et D12 = 25,00;
D13 = 35,00;
D14 à D23 = 25,00;
D24 = 112,47.
L'équation est la suivante :
Exemple 23 - Exemple pour illustrer une ouverture de crédit à durée indéterminée sans la moindre obligation de paiement et avec obligation de zérotage non inférieure à un an.
La même ouverture de crédit qu'à l'exemple 22 mais à la différence que le contrat ne prévoit rien concernant le paiement des frais fixes de 20 euros ni des intérêts débiteurs de 8 % sur base annuelle, calculés de manière nominale.
Le contrat de crédit prévoit un délai de zérotage de 12 mois qui ne dépasse pas le délai de zérotage légal visé à l'article 14, § 2, alinéa 2, 1°, du présent arrêté, mais cela n'a aucune influence sur le calcul du TAEG en raison de l'hypothèse de l'article 4, § 3, alinéa 3, 5°, du présent arrêté.
Soit, l'hypothèse dans l'article 4, § 2, du présent arrêté d'un prélèvement de crédit intégral et immédiat de 2.500 euros.
Soit, l'hypothèse de l'article 4, § 2, 5°, du présent arrêté où le montant du crédit prélevé intégralement et immédiatement est remboursé endéans un délai d'un an en montants mensuels égaux de 208,33 euros (2.500/12).
Soit, l'hypothèse de l'article 4, § 2, 7°, a) du présent arrêté selon laquelle, lorsque le contrat ne prévoit rien en matière de paiement des intérêts, les intérêts sont payés conjointement avec les remboursements de capital.
Soit, l'hypothèse de l'article 4, § 2, 7°, b) du présent arrêté selon laquelle, lorsque le contrat ne prévoit rien en matière de paiement des frais, des frais autres que des intérêts, exprimés sous la forme d'une somme unique de 20 euros, sont payés à la date de conclusion du contrat de crédit.
Soit, un même paiement mensuel qu'à l'exemple 22, de 208,33 euros en capital, augmenté des intérêts débiteurs de 8 % sur base annuelle, calculés de manière nominale sur le solde restant dû.
Soit, un même TAEG qu'à l'exemple 22, de 9,96 % ou 10 %.
Exemple 24 - Exemple pour illustrer une ouverture de crédit à durée déterminée avec un délai de remboursement plus long que le délai de zérotage.
La même ouverture de crédit à durée déterminée qu'à l'exemple 13 à la différence que le contrat prévoit un délai de zérotage de 24 mois et un paiement mensuel minimum de 6 % du solde restant dû en capital et intérêts débiteurs, visé à l'article 14, § 3, du présent arrêté, augmenté, le cas échéant, des frais de carte, sans que le montant de terme, diminué des frais de carte, ne puisse être inférieur à 25 euros ou au solde restant dû.
Soit, un délai de remboursement maximum de 29 mois et un délai de zérotage de 24 mois, les deux calculés comme à l'exemple 13.
Le délai de remboursement hypothétique sur base d'un prélèvement immédiat et intégral du montant de crédit et des paiements minimums de 6 % du solde restant dû s'élève à 28 mois, où :
D1 = 52,33 ou 0,06 * (700 + (700*0,007974)) + 10;
D2 = 40,11;
D3 = 38,01;
D4 = 36,01;
D5 = 34,12;
D6 = 32,33;
D7 = 30,63;
D8 = 29,02;
D9 = 27,50;
D10 = 26,06;
D11 et D12 = 25,00;
D13 = 35,00;
D14 à D24 = 25,00;
D25 = 35;
D26 et D27 = 25;
D28 = 14,10.
Mais, pour le calcul du TAEG, on ne peut pas tenir compte de ce terme de remboursement hypothétique de 28 mois, parce que, selon l'hypothèse de l'article 4, § 2, 6°, a) du présent arrêté, les remboursements sont effectués au moment le plus proche prévu dans le contrat de crédit, dans ce cas à la fin du délai de zérotage de 24 mois.
Soit, 23 paiements minimums de 6 % du solde restant dû sans que le montant de terme, diminué des frais de carte de 10 euros par an, ne puisse être inférieur à 25 euros et un 24ème paiement du solde restant dû.
Les 24 montants de terme mensuels Dl hypothétiques peuvent être obtenus sur base d'un échéancier de remboursement où :
D1 = 52,33 ou 0,06 * (700+(700*0,007974))+10;
D2 = 40,11;
D3 = 38,01;
D4 = 36,01;
D5 = 34,12;
D6 = 32,33;
D7 = 30,63;
D8 = 29,02;
D9 = 27,50;
D10 = 26,06;
D11 et D12 = 25,00;
D13 = 35,00;
D14 à D23 = 25,00;
D24 = 112,47.
L'équation est la suivante :
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 21-10-2016, p. 71001)
Het JKP bedraagt 13 %.
Voorbeeld 25 - Een voorbeeld ter illustratie van een kredietopening van bepaalde duur zonder minimale kapitaalaflossing die geen geoorloofde debetstand op een rekening is en met een nulstellingstermijn korter dan de duur van de kredietovereenkomst.
Eenzelfde kredietovereenkomst als in voorbeeld 22 maar met een bepaalde duur van 6 jaar in plaats van een onbepaalde duur.
Hetzij, een eenmalige onmiddellijke betaling van 20 euro dossierkosten.
Hetzij, de veronderstelling in artikel 4, § 2, 1°, van dit besluit, van een volledige en onmiddellijke kredietopneming van 2.500 euro.
Hetzij, de veronderstelling in artikel 4, § 2, 6°, a) van dit besluit, van een aflossing in een keer van het volledig opgenomen kapitaal bij het verstrijken van de contractuele nulstellingstermijn van 12 maanden.
Hetzij, een maandelijkse betaling van de debetinteresten van 8 % op jaarbasis op nominale wijze berekend op het verschuldigd blijvend saldo.
De 12 hypothetische maandelijkse termijnbedragen Dl kunnen verkregen worden op basis van een aflossingsschema, waarbij :
D1 = 16,67;
D2 = 16,67;
D3 = 16,67;
D4 = 16,67;
D5 = 16,67;
D6 = 16,67;
D7 = 16,67;
D8 = 16,67;
D9 = 16,67;
D10 = 16,67;
D11 = 16,67;
D12 = 2516;67.
De vergelijking is de volgende :
Het JKP bedraagt 13 %.
Voorbeeld 25 - Een voorbeeld ter illustratie van een kredietopening van bepaalde duur zonder minimale kapitaalaflossing die geen geoorloofde debetstand op een rekening is en met een nulstellingstermijn korter dan de duur van de kredietovereenkomst.
Eenzelfde kredietovereenkomst als in voorbeeld 22 maar met een bepaalde duur van 6 jaar in plaats van een onbepaalde duur.
Hetzij, een eenmalige onmiddellijke betaling van 20 euro dossierkosten.
Hetzij, de veronderstelling in artikel 4, § 2, 1°, van dit besluit, van een volledige en onmiddellijke kredietopneming van 2.500 euro.
Hetzij, de veronderstelling in artikel 4, § 2, 6°, a) van dit besluit, van een aflossing in een keer van het volledig opgenomen kapitaal bij het verstrijken van de contractuele nulstellingstermijn van 12 maanden.
Hetzij, een maandelijkse betaling van de debetinteresten van 8 % op jaarbasis op nominale wijze berekend op het verschuldigd blijvend saldo.
De 12 hypothetische maandelijkse termijnbedragen Dl kunnen verkregen worden op basis van een aflossingsschema, waarbij :
D1 = 16,67;
D2 = 16,67;
D3 = 16,67;
D4 = 16,67;
D5 = 16,67;
D6 = 16,67;
D7 = 16,67;
D8 = 16,67;
D9 = 16,67;
D10 = 16,67;
D11 = 16,67;
D12 = 2516;67.
De vergelijking is de volgende :
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 21-10-2016, p. 71001)
Le TAEG s'élève à 13 %.
Exemple 25 - Exemple pour illustrer une ouverture de crédit à durée déterminée sans remboursements minima de capital, qui n'est pas une facilité de découvert et avec un délai de zérotage inférieur à la durée du contrat de crédit.
Un même contrat de crédit qu'à l'exemple 22 mais d'une durée déterminée de 6 ans au lieu d'une durée indéterminée.
Soit, un paiement unique et immédiat de 20 euros de frais de dossier.
Soit, l'hypothèse de l'article 4, § 2, 1° du présent arrêté, d'un prélèvement de crédit intégral et immédiat de 2.500 euros.
Soit, l'hypothèse de l'article 4, § 2, 6°, a) du présent arrêté, d'un amortissement en une fois du capital entièrement prélevé à l'expiration du délai de zérotage contractuel de 12 mois.
Soit, un paiement mensuel des intérêts débiteurs de 8 % sur base annuelle, calculés de manière nominale sur le solde restant dû.
Les 12 montants de terme mensuels Dl hypothétiques peuvent être obtenus sur base d'un échéancier de remboursement où :
D1 = 16,67;
D2 = 16,67;
D3 = 16,67;
D4 = 16,67;
D5 = 16,67;
D6 = 16,67;
D7 = 16,67;
D8 = 16,67;
D9 = 16,67;
D10 = 16,67;
D11 = 16,67;
D12 = 2516;67.
S'équation est la suivante :
Le TAEG s'élève à 13 %.
Exemple 25 - Exemple pour illustrer une ouverture de crédit à durée déterminée sans remboursements minima de capital, qui n'est pas une facilité de découvert et avec un délai de zérotage inférieur à la durée du contrat de crédit.
Un même contrat de crédit qu'à l'exemple 22 mais d'une durée déterminée de 6 ans au lieu d'une durée indéterminée.
Soit, un paiement unique et immédiat de 20 euros de frais de dossier.
Soit, l'hypothèse de l'article 4, § 2, 1° du présent arrêté, d'un prélèvement de crédit intégral et immédiat de 2.500 euros.
Soit, l'hypothèse de l'article 4, § 2, 6°, a) du présent arrêté, d'un amortissement en une fois du capital entièrement prélevé à l'expiration du délai de zérotage contractuel de 12 mois.
Soit, un paiement mensuel des intérêts débiteurs de 8 % sur base annuelle, calculés de manière nominale sur le solde restant dû.
Les 12 montants de terme mensuels Dl hypothétiques peuvent être obtenus sur base d'un échéancier de remboursement où :
D1 = 16,67;
D2 = 16,67;
D3 = 16,67;
D4 = 16,67;
D5 = 16,67;
D6 = 16,67;
D7 = 16,67;
D8 = 16,67;
D9 = 16,67;
D10 = 16,67;
D11 = 16,67;
D12 = 2516;67.
S'équation est la suivante :
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 21-10-2016, p. 71002)
Voorbeeld 26 - Een voorbeeld ter verduidelijking van een geoorloofde debetstand op een rekening van onbepaalde duur waarbij de eerste betalingstermijn onbepaald is, enkel bepaalbaar
Een geoorloofde debetstand op een rekening voor een bedrag van 2.500 euro; de overeenkomst van onbepaalde duur voorziet geen aflossingsschema voor het kapitaalgedeelte maar wel de maandelijkse betaling van nominaal berekende debetinteresten tegen een percentage van 8 % op jaarbasis en jaarlijkse kaartkosten van 20 euro te betalen bij aanvang van elk nieuw jaar.
De interesten en kaartkosten worden enkel aangerekend in het raam van de geoorloofde debetstand op rekening. M.a.w. worden deze niet aangerekend indien er geen overeenkomst van geoorloofde debetstand op de betreffende rekening zou bestaan.
De kredietovereenkomst voorziet een nulstellingsverplichting van 12 maanden, overeenkomstig artikel 14, § 2, tweede lid, 1°, van dit besluit.
De kredietovereenkomst bepaalt dat elke vervaldag valt op de eerste kalenderdag van elke maand. De eerste vervaldag valt op de eerste kalenderdag van de maand volgend op die van de kredietopneming, behalve als daardoor de eerste betalingstermijn korter is dan 5 dagen. In dat geval valt de eerste vervaldag op de eerste dag van de tweede maand volgend op de kredietopname. De kortst mogelijke eerste betalingstermijn is dus 5 dagen.
Hetzij, een onmiddellijke betaling van 20 euro kaartkosten overeenkomstig artikel 4, § 27°, b) van dit besluit.
Hetzij, de veronderstelling in artikel 4, § 2, 4°, van dit besluit dat het totale kredietbedrag van 2.500 euro volledig wordt opgenomen en dat de duur van de kredietovereenkomst drie maanden is.
Hetzij, de veronderstelling overeenkomstig de artikelen 4, § 2, 7°, a) en d) dat de laatste vervaldag van de interesten valt op de vervaldag van het kapitaal drie maanden na de volledige kredietopneming, zodat de eerste en de tweede vervaldag van de interesten vallen op respectievelijk een en twee maanden na de kredietopneming. De volledige kredietopneming wordt daardoor verondersteld plaats te vinden op de eerste kalenderdag van een maand.
Hetzij, de veronderstelling dat het integraal en onmiddellijk opgenomen kredietbedrag van 2.500 euro wordt afgelost na een periode van 3 maanden.
Hetzij, een maandelijkse betaling van debetinteresten van 8 % op jaarbasis, nominaal berekend op het verschuldigd blijvend saldo, met name, 0,08/12 x 2.500 = 16,67 euro per maand.
De vergelijking is de volgende :
Voorbeeld 26 - Een voorbeeld ter verduidelijking van een geoorloofde debetstand op een rekening van onbepaalde duur waarbij de eerste betalingstermijn onbepaald is, enkel bepaalbaar
Een geoorloofde debetstand op een rekening voor een bedrag van 2.500 euro; de overeenkomst van onbepaalde duur voorziet geen aflossingsschema voor het kapitaalgedeelte maar wel de maandelijkse betaling van nominaal berekende debetinteresten tegen een percentage van 8 % op jaarbasis en jaarlijkse kaartkosten van 20 euro te betalen bij aanvang van elk nieuw jaar.
De interesten en kaartkosten worden enkel aangerekend in het raam van de geoorloofde debetstand op rekening. M.a.w. worden deze niet aangerekend indien er geen overeenkomst van geoorloofde debetstand op de betreffende rekening zou bestaan.
De kredietovereenkomst voorziet een nulstellingsverplichting van 12 maanden, overeenkomstig artikel 14, § 2, tweede lid, 1°, van dit besluit.
De kredietovereenkomst bepaalt dat elke vervaldag valt op de eerste kalenderdag van elke maand. De eerste vervaldag valt op de eerste kalenderdag van de maand volgend op die van de kredietopneming, behalve als daardoor de eerste betalingstermijn korter is dan 5 dagen. In dat geval valt de eerste vervaldag op de eerste dag van de tweede maand volgend op de kredietopname. De kortst mogelijke eerste betalingstermijn is dus 5 dagen.
Hetzij, een onmiddellijke betaling van 20 euro kaartkosten overeenkomstig artikel 4, § 27°, b) van dit besluit.
Hetzij, de veronderstelling in artikel 4, § 2, 4°, van dit besluit dat het totale kredietbedrag van 2.500 euro volledig wordt opgenomen en dat de duur van de kredietovereenkomst drie maanden is.
Hetzij, de veronderstelling overeenkomstig de artikelen 4, § 2, 7°, a) en d) dat de laatste vervaldag van de interesten valt op de vervaldag van het kapitaal drie maanden na de volledige kredietopneming, zodat de eerste en de tweede vervaldag van de interesten vallen op respectievelijk een en twee maanden na de kredietopneming. De volledige kredietopneming wordt daardoor verondersteld plaats te vinden op de eerste kalenderdag van een maand.
Hetzij, de veronderstelling dat het integraal en onmiddellijk opgenomen kredietbedrag van 2.500 euro wordt afgelost na een periode van 3 maanden.
Hetzij, een maandelijkse betaling van debetinteresten van 8 % op jaarbasis, nominaal berekend op het verschuldigd blijvend saldo, met name, 0,08/12 x 2.500 = 16,67 euro per maand.
De vergelijking is de volgende :
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 21-10-2016, p. 71002)
Exemple 26 - Exemple pour illustrer une facilité de découvert à durée indéterminée où le premier terme de paiement est indéterminé, seulement déterminable
Une facilité de découvert d'un montant de 2.500 euros; le contrat à durée indéterminée ne prévoit aucun échéancier de remboursement pour la partie en capital mais bien le paiement mensuel des intérêts débiteurs, calculés de manière nominale, à un taux de 8 % sur base annuelle et des frais de carte annuels de 20 euros à payer au début de chaque nouvelle année.
Les intérêts et les frais de carte sont uniquement imputés dans le cadre de la facilité de découvert. En d'autres termes, ils ne sont pas imputés si aucun contrat de facilité de découvert n'existe.
Le contrat de crédit prévoit une obligation de zérotage de 12 mois, conformément à l'article 14, § 2, alinéa 2, 1°, du présent arrêté.
Le contrat de crédit prévoit que chaque échéance tombe le premier jour calendrier de chaque mois. La première échéance tombe le premier jour calendrier du mois suivant celui du prélèvement de crédit, sauf que de ce fait le premier terme de paiement est plus court que 5 jours. Dans ce cas, la première échéance tombe le premier jour du deuxième mois suivant le prélèvement de crédit. Le plus court possible premier terme de paiement est donc de 5 jours.
Soit, un paiement immédiat de 20 euros de frais de carte tel que prévu contractuellement conforme à l'article 4, § 2, 7°, b) du présent arrêté.
Soit, l'hypothèse de l'article 4, § 2, 4°, du présent arrêté selon laquelle le montant total du crédit de 2.500 euros est intégralement prélevé et la durée du contrat de crédit est de trois mois.
Soit, l'hypothèse conforme à l'article 4, § 2, 7°, a) et d) selon laquelle la dernière échéance des intérêts tombe à l'échéance du capital, 3 mois après le prélèvement intégral du crédit, de sorte que la première et la seconde échéance des intérêts tombent respectivement un et deux mois après le prélèvement du crédit. Le prélèvement intégral du crédit est donc supposé avoir lieu le premier jour calendrier d'un mois.
Soit, l'hypothèse selon laquelle le prélèvement intégral et immédiat du montant de crédit de 2.500 euros est remboursé après une période de 3 mois.
Soit, un paiement mensuel des intérêts débiteurs de 8 % sur base annuelle, calculés de manière nominale sur le solde restant dû, à savoir, 0,08/12 x 2.500 = 16,67 euros par mois.
L'équation est la suivante :
Exemple 26 - Exemple pour illustrer une facilité de découvert à durée indéterminée où le premier terme de paiement est indéterminé, seulement déterminable
Une facilité de découvert d'un montant de 2.500 euros; le contrat à durée indéterminée ne prévoit aucun échéancier de remboursement pour la partie en capital mais bien le paiement mensuel des intérêts débiteurs, calculés de manière nominale, à un taux de 8 % sur base annuelle et des frais de carte annuels de 20 euros à payer au début de chaque nouvelle année.
Les intérêts et les frais de carte sont uniquement imputés dans le cadre de la facilité de découvert. En d'autres termes, ils ne sont pas imputés si aucun contrat de facilité de découvert n'existe.
Le contrat de crédit prévoit une obligation de zérotage de 12 mois, conformément à l'article 14, § 2, alinéa 2, 1°, du présent arrêté.
Le contrat de crédit prévoit que chaque échéance tombe le premier jour calendrier de chaque mois. La première échéance tombe le premier jour calendrier du mois suivant celui du prélèvement de crédit, sauf que de ce fait le premier terme de paiement est plus court que 5 jours. Dans ce cas, la première échéance tombe le premier jour du deuxième mois suivant le prélèvement de crédit. Le plus court possible premier terme de paiement est donc de 5 jours.
Soit, un paiement immédiat de 20 euros de frais de carte tel que prévu contractuellement conforme à l'article 4, § 2, 7°, b) du présent arrêté.
Soit, l'hypothèse de l'article 4, § 2, 4°, du présent arrêté selon laquelle le montant total du crédit de 2.500 euros est intégralement prélevé et la durée du contrat de crédit est de trois mois.
Soit, l'hypothèse conforme à l'article 4, § 2, 7°, a) et d) selon laquelle la dernière échéance des intérêts tombe à l'échéance du capital, 3 mois après le prélèvement intégral du crédit, de sorte que la première et la seconde échéance des intérêts tombent respectivement un et deux mois après le prélèvement du crédit. Le prélèvement intégral du crédit est donc supposé avoir lieu le premier jour calendrier d'un mois.
Soit, l'hypothèse selon laquelle le prélèvement intégral et immédiat du montant de crédit de 2.500 euros est remboursé après une période de 3 mois.
Soit, un paiement mensuel des intérêts débiteurs de 8 % sur base annuelle, calculés de manière nominale sur le solde restant dû, à savoir, 0,08/12 x 2.500 = 16,67 euros par mois.
L'équation est la suivante :
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 21-10-2016, p. 71003)
Voorbeeld 27 - Een voorbeeld ter verduidelijking van een kredietopening van onbepaalde duur met minimale kapitaalaflossingen en jaarlijkse vaste kaartkosten op te nemen in het JKP.
Eenzelfde kredietopening als in voorbeeld 13 maar van onbepaalde duur in plaats van zes jaar.
De overeenkomst voorziet een maandelijkse minimale betaling van 8 % van het verschuldigde saldo in kapitaal en debetinteresten bedoeld in artikel 14, § 3, van dit besluit, desgevallend verhoogd met de kaartkosten, zonder dat het termijnbedrag, verminderd met de kaartkosten, lager mag zijn dan ofwel 25 euro ofwel het verschuldigd saldo.
Hetzij, de veronderstelling van artikel 4, § 2, 5°, a) van dit besluit dat de overeenkomst maar een jaar duurt.
Hetzij, de veronderstelling van artikel 4, § 2, 5°, b) van dit besluit dat het kapitaal in maandelijkse gelijke bedragen wordt terugbetaald vanaf een maand na de eerste kredietopneming.
Hetzij de veronderstelling van artikel 4, § 2, 5°, b), in fine van dit besluit dat de interesten en kosten aangerekend en betaald worden zoals in de kredietovereenkomst is voorzien, maar dat voor de duur van de overeenkomst en het verschuldigd blijvend saldo rekening gehouden wordt met het door dit artikel veronderstelde opnemings- en terugbetalingsschema van 12 maandelijkse gelijke kapitaalaflossingen.
Hetzij, overeenkomstig artikel 3, § 2, derde lid, van dit besluit, een verschil tussen de data die bij de berekening worden gebruikt van 1 of meerdere "gelijke" maanden.
Hetzij, overeenkomstig de artikelen VII.78, § 2, 8° en VII.134, § 2, 8°, van het WER, een bepaling in de kredietovereenkomst dat voor de berekening van het JKP vertrokken wordt van de veronderstelling dat het verschil tussen de data die bij de berekening worden gebruikt, uitgedrukt wordt in gelijke maanden van elk 30,41666 dagen.
Hetzij, gelijke maanden van 1 maand = 30,41666 dagen of 365 * 1/12.
Hetzij, uitsluitend voor de berekening van het JKP, een maandelijkse debetrentevoet van ((1 + 10 %)1/12) - 1 = 0,007974 in plaats van een debetrentevoet op basis van het geheel aantal kalenderdagen.
Hetzij, de veronderstelling van artikel 4, § 2, 1° van dit besluit van een volledige en onmiddellijke kredietopneming van 700 euro.
Hetzij, de veronderstelling overeenkomstig artikel 4, § 2, 9° van dit besluit dat de kaartkosten van 10 euro, te betalen bij iedere eerste betalingstermijn van elk jaar, de jaarlijkse kaartkosten zijn voor de gehele duur van de kredietovereenkomst, ook indien deze kosten gedurende een beperkte termijn niet worden aangerekend.
Hetzij, 12 hypothetische maandelijkse termijnbedragen Dl van 700/12 = 58,33 euro, verhoogd met de interesten en kaartkosten, in volgend aflossingsschema waarbij :
D1 = 73,92 of 700/12 + 700 * 0,007974 + 10;
D2 = 63,45 of 700/12 + 641,67 * 0,007974;
D3 = 62,98
D4 = 62,52
D5 = 62,05
D6 = 61,59
D7 = 61,12
D8 = 60,66
D9 = 60,19
D10 = 59,73
D11 = 59,26
D12 = 58,80.
De vergelijking is de volgende :
Voorbeeld 27 - Een voorbeeld ter verduidelijking van een kredietopening van onbepaalde duur met minimale kapitaalaflossingen en jaarlijkse vaste kaartkosten op te nemen in het JKP.
Eenzelfde kredietopening als in voorbeeld 13 maar van onbepaalde duur in plaats van zes jaar.
De overeenkomst voorziet een maandelijkse minimale betaling van 8 % van het verschuldigde saldo in kapitaal en debetinteresten bedoeld in artikel 14, § 3, van dit besluit, desgevallend verhoogd met de kaartkosten, zonder dat het termijnbedrag, verminderd met de kaartkosten, lager mag zijn dan ofwel 25 euro ofwel het verschuldigd saldo.
Hetzij, de veronderstelling van artikel 4, § 2, 5°, a) van dit besluit dat de overeenkomst maar een jaar duurt.
Hetzij, de veronderstelling van artikel 4, § 2, 5°, b) van dit besluit dat het kapitaal in maandelijkse gelijke bedragen wordt terugbetaald vanaf een maand na de eerste kredietopneming.
Hetzij de veronderstelling van artikel 4, § 2, 5°, b), in fine van dit besluit dat de interesten en kosten aangerekend en betaald worden zoals in de kredietovereenkomst is voorzien, maar dat voor de duur van de overeenkomst en het verschuldigd blijvend saldo rekening gehouden wordt met het door dit artikel veronderstelde opnemings- en terugbetalingsschema van 12 maandelijkse gelijke kapitaalaflossingen.
Hetzij, overeenkomstig artikel 3, § 2, derde lid, van dit besluit, een verschil tussen de data die bij de berekening worden gebruikt van 1 of meerdere "gelijke" maanden.
Hetzij, overeenkomstig de artikelen VII.78, § 2, 8° en VII.134, § 2, 8°, van het WER, een bepaling in de kredietovereenkomst dat voor de berekening van het JKP vertrokken wordt van de veronderstelling dat het verschil tussen de data die bij de berekening worden gebruikt, uitgedrukt wordt in gelijke maanden van elk 30,41666 dagen.
Hetzij, gelijke maanden van 1 maand = 30,41666 dagen of 365 * 1/12.
Hetzij, uitsluitend voor de berekening van het JKP, een maandelijkse debetrentevoet van ((1 + 10 %)1/12) - 1 = 0,007974 in plaats van een debetrentevoet op basis van het geheel aantal kalenderdagen.
Hetzij, de veronderstelling van artikel 4, § 2, 1° van dit besluit van een volledige en onmiddellijke kredietopneming van 700 euro.
Hetzij, de veronderstelling overeenkomstig artikel 4, § 2, 9° van dit besluit dat de kaartkosten van 10 euro, te betalen bij iedere eerste betalingstermijn van elk jaar, de jaarlijkse kaartkosten zijn voor de gehele duur van de kredietovereenkomst, ook indien deze kosten gedurende een beperkte termijn niet worden aangerekend.
Hetzij, 12 hypothetische maandelijkse termijnbedragen Dl van 700/12 = 58,33 euro, verhoogd met de interesten en kaartkosten, in volgend aflossingsschema waarbij :
D1 = 73,92 of 700/12 + 700 * 0,007974 + 10;
D2 = 63,45 of 700/12 + 641,67 * 0,007974;
D3 = 62,98
D4 = 62,52
D5 = 62,05
D6 = 61,59
D7 = 61,12
D8 = 60,66
D9 = 60,19
D10 = 59,73
D11 = 59,26
D12 = 58,80.
De vergelijking is de volgende :
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 21-10-2016, p. 71003)
Exemple 27 - Exemple pour illustrer une ouverture de crédit à durée indéterminée avec des remboursements de capital minimum et des frais de carte annuels fixes repris dans le TAEG.
Une même ouverture de crédit qu'à l'exemple 13 mais à durée indéterminée au lieu de 6 ans.
Le contrat prévoit un paiement mensuel minimum de 8 % du solde dû en capital et intérêts débiteurs, visé à l'article 14, § 3, du présent arrêté, le cas échéant augmenté des frais de carte, sans que le montant d'un terme, diminué des frais de carte, ne puisse être inférieur à soit 25 euros soit au solde dû.
Soit, l'hypothèse de l'article 4, § 2, 5°, a) du présent arrêté selon laquelle le contrat ne dure qu'un an.
Soit, l'hypothèse de l'article 4, § 2, 5°, b) du présent arrêté selon laquelle le capital est remboursé en montants mensuels égaux, le remboursement débutant un mois après la date du premier prélèvement de crédit
Soit l'hypothèse de l'article 4, § 2, 5°, b), in fine du présent arrêté selon laquelle les intérêts et les frais sont imputés et payés comme prévu dans le contrat mais, pour la durée du contrat et pour le solde restant dû, il est tenu compte de l'échéancier de prélèvement et de remboursement de 12 amortissements de capital mensuels et égaux supposé par cet article.
Soit, conformément à l'article 3, § 2, alinéa 3 du présent arrêté, un écart entre les dates qui sont utilisées pour le calcul, d'un ou plusieurs mois " égaux ".
Soit, conformément aux articles VII.78, § 2, 8° et VII.134, § 2, 8°, du CDE, une disposition dans le contrat de crédit qui, pour le calcul du TAEG, est partie de l'hypothèse que l'écart entre les dates qui sont utilisées pour le calcul, est exprimé en mois égaux, chacun de 30,41666 jours.
Soit, des mois égaux d'un mois = 30,41666 jours ou 365 * 1/12.
Soit, uniquement pour le calcul du TAEG, un taux débiteur mensuel de ((1 + 10 %)1/12) - 1 = 0,007974 au lieu d'un taux débiteur sur base du nombre entier de jours calendrier.
Soit, l'hypothèse de l'article 4, § 2, 1° du présent arrêté, d'un prélèvement de crédit intégral et immédiat de 700 euros.
Soit, l'hypothèse où, conformément à l'article 4, § 2, du présent arrêté, les frais de carte de 10 euros, à payer lors du premier terme de paiement de chaque année, sont les frais de carte annuels pour toute la durée du contrat de crédit, même si ces frais ne sont pas imputés pendant une période limitée.
Soit, 12 montants de terme mensuels Dl hypothétiques de 700/12 = 58,33 euros, augmentés des intérêts et frais de carte, dans l'échéancier de remboursement suivant où :
D1 = 73,92 ou 700/12 + 700 * 0,007974 + 10;
D2 = 63,45 ou 700/12 + 641,67 * 0,007974;
D3 = 62,98
D4 = 62,52
D5 = 62,05
D6 = 61,59
D7 = 61,12
D8 = 60,66
D9 = 60,19
D10 = 59,73
D11 = 59,26
D12 = 58,80.
L'équation est la suivante :
Exemple 27 - Exemple pour illustrer une ouverture de crédit à durée indéterminée avec des remboursements de capital minimum et des frais de carte annuels fixes repris dans le TAEG.
Une même ouverture de crédit qu'à l'exemple 13 mais à durée indéterminée au lieu de 6 ans.
Le contrat prévoit un paiement mensuel minimum de 8 % du solde dû en capital et intérêts débiteurs, visé à l'article 14, § 3, du présent arrêté, le cas échéant augmenté des frais de carte, sans que le montant d'un terme, diminué des frais de carte, ne puisse être inférieur à soit 25 euros soit au solde dû.
Soit, l'hypothèse de l'article 4, § 2, 5°, a) du présent arrêté selon laquelle le contrat ne dure qu'un an.
Soit, l'hypothèse de l'article 4, § 2, 5°, b) du présent arrêté selon laquelle le capital est remboursé en montants mensuels égaux, le remboursement débutant un mois après la date du premier prélèvement de crédit
Soit l'hypothèse de l'article 4, § 2, 5°, b), in fine du présent arrêté selon laquelle les intérêts et les frais sont imputés et payés comme prévu dans le contrat mais, pour la durée du contrat et pour le solde restant dû, il est tenu compte de l'échéancier de prélèvement et de remboursement de 12 amortissements de capital mensuels et égaux supposé par cet article.
Soit, conformément à l'article 3, § 2, alinéa 3 du présent arrêté, un écart entre les dates qui sont utilisées pour le calcul, d'un ou plusieurs mois " égaux ".
Soit, conformément aux articles VII.78, § 2, 8° et VII.134, § 2, 8°, du CDE, une disposition dans le contrat de crédit qui, pour le calcul du TAEG, est partie de l'hypothèse que l'écart entre les dates qui sont utilisées pour le calcul, est exprimé en mois égaux, chacun de 30,41666 jours.
Soit, des mois égaux d'un mois = 30,41666 jours ou 365 * 1/12.
Soit, uniquement pour le calcul du TAEG, un taux débiteur mensuel de ((1 + 10 %)1/12) - 1 = 0,007974 au lieu d'un taux débiteur sur base du nombre entier de jours calendrier.
Soit, l'hypothèse de l'article 4, § 2, 1° du présent arrêté, d'un prélèvement de crédit intégral et immédiat de 700 euros.
Soit, l'hypothèse où, conformément à l'article 4, § 2, du présent arrêté, les frais de carte de 10 euros, à payer lors du premier terme de paiement de chaque année, sont les frais de carte annuels pour toute la durée du contrat de crédit, même si ces frais ne sont pas imputés pendant une période limitée.
Soit, 12 montants de terme mensuels Dl hypothétiques de 700/12 = 58,33 euros, augmentés des intérêts et frais de carte, dans l'échéancier de remboursement suivant où :
D1 = 73,92 ou 700/12 + 700 * 0,007974 + 10;
D2 = 63,45 ou 700/12 + 641,67 * 0,007974;
D3 = 62,98
D4 = 62,52
D5 = 62,05
D6 = 61,59
D7 = 61,12
D8 = 60,66
D9 = 60,19
D10 = 59,73
D11 = 59,26
D12 = 58,80.
L'équation est la suivante :
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 21-10-2016, p. 71004)
Voorbeeld 28 - Een voorbeeld ter verduidelijking van een kredietopening van onbepaalde duur met, afhankelijk van het mechanisme voor kredietopneming, beperkingen tot het bedrag en de termijn waarbinnen dit beperkte bedrag kan opgenomen worden.
Eenzelfde kredietopening als in voorbeeld 20 maar van onbepaalde duur in plaats van zes jaar.
Het meest gebruikelijke kredietopnemingsmechanisme is dat voor de geldafhalingen aan geldautomaten. Naast de extra kosten van 3 euro per geldafhaling aan geldautomaten, is er een beperking van het bedrag dat per dag kan worden afgehaald van 500 euro.
Hetzij, de veronderstelling van artikel 4, § 2, 2° van dit besluit van een onmiddellijke kredietopneming van 500 euro en een tweede opname van 200 euro op dag 2, waarvoor er telkens extra kosten van 3 euro betaald worden op de eerste vervaldag.
Hetzij, de veronderstelling overeenkomstig artikel 4, § 2, 3° van dit besluit dat 10 % wordt geacht de debetrentevoet, en 10 euro de jaarlijkse kost te zijn voor de gehele duur van de kredietovereenkomst.
Hetzij, een bedrag aan debetinteresten tegen 10 % op jaarbasis berekend op een verschuldigd blijvend saldo van respectievelijk 500 euro voor 1 dag en 700 euro voor de overige dagen van de eerste betalingstermijn van een maand.
De kredietovereenkomst vermeldt, overeenkomstig de artikelen VII.78, § 2, 8° en VII.134, § 2, 8°, van het WER, de veronderstelling dat voor de berekening van het JKP, overeenkomstig artikel 3, § 2, derde lid, van dit besluit, het verschil tussen de data die bij de berekening worden gebruikt, uitgedrukt wordt in 1 of meerdere gelijke maanden, zowel voor wat de bedragen betreft die in de basisvergelijking worden ingegeven als de exponenten van deze basisvergelijking.
Overeenkomstig artikel 3, § 2, derde lid, van dit besluit, wordt het verschil tussen de data die bij de berekening worden gebruikt, uitgedrukt in 1 dag voor wat het tijdsinterval tussen de twee kredietopnemingen betreft.
Hetzij, uitsluitend voor de berekening van het JKP, een eerste termijnbedrag van 79,86 euro, met name, een hypothetische minimale betaling van 1/12de van 700 euro kapitaal en 5,53 euro debetinteresten, verhoogd met 16 euro kosten.
De 12 hypothetische maandelijkse termijnbedragen Dl kunnen verkregen worden op basis van een aflossingsschema waarbij :
D1 = 79,86 of 700/12 + 500 * ((1+0,1)1/365 - 1) + 700 * ((1+0,1)(30,4167-1)/365 - 1) + 10 + 6;
D2 = 63,45 of 700/12 + (641,67*0,007974));
D3 = 62,98
D4 = 62,52
D5 = 62,05
D6 = 61,59
D7 = 61,12
D8 = 60,66
D9 = 60,19
D10 = 59,73
D11 = 59,26
D12 = 58,80.
De vergelijking is de volgende :
Voorbeeld 28 - Een voorbeeld ter verduidelijking van een kredietopening van onbepaalde duur met, afhankelijk van het mechanisme voor kredietopneming, beperkingen tot het bedrag en de termijn waarbinnen dit beperkte bedrag kan opgenomen worden.
Eenzelfde kredietopening als in voorbeeld 20 maar van onbepaalde duur in plaats van zes jaar.
Het meest gebruikelijke kredietopnemingsmechanisme is dat voor de geldafhalingen aan geldautomaten. Naast de extra kosten van 3 euro per geldafhaling aan geldautomaten, is er een beperking van het bedrag dat per dag kan worden afgehaald van 500 euro.
Hetzij, de veronderstelling van artikel 4, § 2, 2° van dit besluit van een onmiddellijke kredietopneming van 500 euro en een tweede opname van 200 euro op dag 2, waarvoor er telkens extra kosten van 3 euro betaald worden op de eerste vervaldag.
Hetzij, de veronderstelling overeenkomstig artikel 4, § 2, 3° van dit besluit dat 10 % wordt geacht de debetrentevoet, en 10 euro de jaarlijkse kost te zijn voor de gehele duur van de kredietovereenkomst.
Hetzij, een bedrag aan debetinteresten tegen 10 % op jaarbasis berekend op een verschuldigd blijvend saldo van respectievelijk 500 euro voor 1 dag en 700 euro voor de overige dagen van de eerste betalingstermijn van een maand.
De kredietovereenkomst vermeldt, overeenkomstig de artikelen VII.78, § 2, 8° en VII.134, § 2, 8°, van het WER, de veronderstelling dat voor de berekening van het JKP, overeenkomstig artikel 3, § 2, derde lid, van dit besluit, het verschil tussen de data die bij de berekening worden gebruikt, uitgedrukt wordt in 1 of meerdere gelijke maanden, zowel voor wat de bedragen betreft die in de basisvergelijking worden ingegeven als de exponenten van deze basisvergelijking.
Overeenkomstig artikel 3, § 2, derde lid, van dit besluit, wordt het verschil tussen de data die bij de berekening worden gebruikt, uitgedrukt in 1 dag voor wat het tijdsinterval tussen de twee kredietopnemingen betreft.
Hetzij, uitsluitend voor de berekening van het JKP, een eerste termijnbedrag van 79,86 euro, met name, een hypothetische minimale betaling van 1/12de van 700 euro kapitaal en 5,53 euro debetinteresten, verhoogd met 16 euro kosten.
De 12 hypothetische maandelijkse termijnbedragen Dl kunnen verkregen worden op basis van een aflossingsschema waarbij :
D1 = 79,86 of 700/12 + 500 * ((1+0,1)1/365 - 1) + 700 * ((1+0,1)(30,4167-1)/365 - 1) + 10 + 6;
D2 = 63,45 of 700/12 + (641,67*0,007974));
D3 = 62,98
D4 = 62,52
D5 = 62,05
D6 = 61,59
D7 = 61,12
D8 = 60,66
D9 = 60,19
D10 = 59,73
D11 = 59,26
D12 = 58,80.
De vergelijking is de volgende :
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 21-10-2016, p. 71004)
Exemple 28 - Exemple pour illustrer une ouverture de crédit à durée indéterminée avec, en fonction du mécanisme de prélèvement de crédit, des limitations quant au montant et à la durée dans laquelle ce montant limité peut être prélevé.
Une même ouverture de crédit qu'à l'exemple 20 mais à durée indéterminée au lieu de 6 ans.
Le mécanisme de prélèvement de crédit le plus utilisé est celui pour les retraits d'argent aux distributeurs automatiques de billets. A côté des frais supplémentaires de 3 euros par retrait, il y a une limite au montant qui peut être retiré par jour de 500 euros.
Soit, l'hypothèse de l'article 4, § 2, 2°, du présent arrêté, d'un prélèvement de crédit immédiat de 500 euros et un deuxième prélèvement de 200 euros le jour 2, dont les frais supplémentaires de 3 euros sont chaque fois payés à la première échéance.
Soit, conformément à l'article 4, § 2, 3° du présent arrêté, l'hypothèse où le taux débiteur est estimé être de 10 % et 10 euros de frais annuels pour toute la durée du contrat de crédit.
Soit, un montant d'intérêts débiteurs de 10 % sur base annuelle, calculés sur un solde restant dû de, respectivement, 500 euros pour le jour 1 et 700 euros pour les autres jours du premier terme de paiement d'un mois.
Conformément aux articles VII.78, § 2, 8° et VII.134, § 2, 8°, du CDE, le contrat de crédit mentionne l'hypothèse selon laquelle, pour le calcul du TAEG, conformément à l'article 3, § 2, alinéa 3, du présent arrêté, l'écart entre les dates qui sont utilisées pour le calcul est exprimé en un ou plusieurs mois égaux tant en ce qui concerne les montants qui sont introduits dans l'équation de base que les exposants de cette équation de base.
Conformément à l'article 3, § 2, alinéa 3, du présent arrêté, l'écart entre les dates utilisées pour le calcul est exprimé en un jour pour ce qui concerne l'intervalle de temps entre les deux prélèvements de crédit.
Soit, uniquement pour le calcul du TAEG, un premier montant de terme de 79,86 euros, notamment, un paiement hypothétique minimum de 1/12ème de 700 euros en capital et 5,53 euros d'intérêts débiteurs, augmentés des frais de 16 euros.
Les 12 montants de terme mensuels Dl hypothétiques peuvent être obtenus sur base d'un échéancier de remboursement où :
D1 = 79,86 ou 700/12 + 500 * ((1+0,1)1/365 - 1) + 700 * ((1+0,1)(30,4167-1)/365 - 1) + 10 + 6;
D2 = 63,45 ou 700/12 + (641,67*0,007974));
D3 = 62,98
D4 = 62,52
D5 = 62,05
D6 = 61,59
D7 = 61,12
D8 = 60,66
D9 = 60,19
D10 = 59,73
D11 = 59,26
D12 = 58,80.
L'équation est la suivante :
Exemple 28 - Exemple pour illustrer une ouverture de crédit à durée indéterminée avec, en fonction du mécanisme de prélèvement de crédit, des limitations quant au montant et à la durée dans laquelle ce montant limité peut être prélevé.
Une même ouverture de crédit qu'à l'exemple 20 mais à durée indéterminée au lieu de 6 ans.
Le mécanisme de prélèvement de crédit le plus utilisé est celui pour les retraits d'argent aux distributeurs automatiques de billets. A côté des frais supplémentaires de 3 euros par retrait, il y a une limite au montant qui peut être retiré par jour de 500 euros.
Soit, l'hypothèse de l'article 4, § 2, 2°, du présent arrêté, d'un prélèvement de crédit immédiat de 500 euros et un deuxième prélèvement de 200 euros le jour 2, dont les frais supplémentaires de 3 euros sont chaque fois payés à la première échéance.
Soit, conformément à l'article 4, § 2, 3° du présent arrêté, l'hypothèse où le taux débiteur est estimé être de 10 % et 10 euros de frais annuels pour toute la durée du contrat de crédit.
Soit, un montant d'intérêts débiteurs de 10 % sur base annuelle, calculés sur un solde restant dû de, respectivement, 500 euros pour le jour 1 et 700 euros pour les autres jours du premier terme de paiement d'un mois.
Conformément aux articles VII.78, § 2, 8° et VII.134, § 2, 8°, du CDE, le contrat de crédit mentionne l'hypothèse selon laquelle, pour le calcul du TAEG, conformément à l'article 3, § 2, alinéa 3, du présent arrêté, l'écart entre les dates qui sont utilisées pour le calcul est exprimé en un ou plusieurs mois égaux tant en ce qui concerne les montants qui sont introduits dans l'équation de base que les exposants de cette équation de base.
Conformément à l'article 3, § 2, alinéa 3, du présent arrêté, l'écart entre les dates utilisées pour le calcul est exprimé en un jour pour ce qui concerne l'intervalle de temps entre les deux prélèvements de crédit.
Soit, uniquement pour le calcul du TAEG, un premier montant de terme de 79,86 euros, notamment, un paiement hypothétique minimum de 1/12ème de 700 euros en capital et 5,53 euros d'intérêts débiteurs, augmentés des frais de 16 euros.
Les 12 montants de terme mensuels Dl hypothétiques peuvent être obtenus sur base d'un échéancier de remboursement où :
D1 = 79,86 ou 700/12 + 500 * ((1+0,1)1/365 - 1) + 700 * ((1+0,1)(30,4167-1)/365 - 1) + 10 + 6;
D2 = 63,45 ou 700/12 + (641,67*0,007974));
D3 = 62,98
D4 = 62,52
D5 = 62,05
D6 = 61,59
D7 = 61,12
D8 = 60,66
D9 = 60,19
D10 = 59,73
D11 = 59,26
D12 = 58,80.
L'équation est la suivante :
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 21-10-2016, p. 71005)
Voorbeeld 29 - Een voorbeeld ter verduidelijking van een kredietopening van onbepaalde duur met verschillende betalingsmodaliteiten met andere rentevoeten en kosten voor een beperkt bedrag.
Dezelfde kredietopening als in voorbeeld 21 maar van onbepaalde duur in plaats van zes jaar. De consument kan kiezen tussen twee betalingsmodaliteiten met andere totale kosten van het krediet voor de consument :
a) ofwel een maandelijkse minimale betaling van 8 % van het verschuldigd saldo in kapitaal en debetinteresten, bedoeld in artikel 14, § 3, van dit besluit, desgevallend verhoogd met de kaartkosten, zonder dat het termijnbedrag, verminderd met de kaartkosten, lager mag zijn dan 25 euro; een actuariële debetrentevoet van 10 % en jaarlijkse kaartkosten van 10 euro; het JKP is 13,02 % = 13 % zoals berekend in voorbeeld 27,
b) ofwel een maandelijkse minimale betaling van 5 % van het kredietbedrag waarmee, naast een deel kapitaal, de maandelijks verschuldigde interesten en kosten worden betaald; een actuariële jaarlijkse debetrentevoet van 11 %, maandelijkse kaartkosten van 0,05 % van het aankoopbedrag. Overeenkomstig de veronderstelling onder artikel 4, § 2, 5°, van dit besluit, zijn er 12 maandelijkse termijnbedragen van 58,33 euro kapitaal (700/12) verhoogd met de interesten en kosten van 0,35 euro per maand (0,0005*700), hetzij de 12 hypothetische termijnbedragen in de aflossingstabel hierna. Het JKP is 12,21 % = 12,2 %.
D1 = 64,80 of 700/12 + ((1+0,11)1/12 - 1) * 641,67 + 0,0005 * 700;
D2 = 64,29;
D3 = 63,78;
D4 = 63,27;
D5 = 62,76;
D6 = 62,25;
D7 = 61,74;
D8 = 61,23;
D9 = 60,72;
D10 = 60,21;
D11 = 59,70;
D12 = 59,19.
Hetzij, de veronderstelling overeenkomstig artikel 4, § 2, 9° van dit besluit dat de totale kosten van het krediet van het betalingsschema onder a) - een debetrentevoet van 10 % en jaarlijkse kosten van 10 euro - geacht worden de totale kosten van het krediet te zijn voor de gehele duur van de kredietovereenkomst. Voor de berekening van het JKP worden dus zowel de kosten als de debetrentevoet verondersteld die te zijn van het betalingsschema onder a) ook al is de debetrentevoet onder betalingsschema b) hoger.
Het JKP bedraagt 13 %.
Voorbeeld 30 - Een voorbeeld ter verduidelijking van een kredietopening van onbepaalde duur met terugbetaling in een enkele betaling van het opgenomen kapitaal alvorens het terug mag opgenomen worden (de zogenaamde akkreditiefkaart).
Een kredietopening van onbepaalde duur met terugbetaling na een maand van het opgenomen kapitaal. Het kredietbedrag is 6.000 euro. Het krediet wordt opgenomen met een betaalkaart zoals bedoeld in bijlage 2 bij dit besluit. Er zijn geen debetinteresten.
Jaarlijkse kosten van 60 euro te betalen telkens bij het begin van een nieuw jaar, een eerste keer onmiddellijk bij het sluiten van de kredietovereenkomst.
Hetzij, de veronderstelling van artikel 4, § 2, 5°, a) van dit besluit, dat de duur van de overeenkomst 1 jaar is.
Hetzij, de veronderstelling van artikel 4, § 2, eerste lid, 5°, b) in fine van dit besluit, dat de consument het kredietbedrag van 6.000 euro elke maand van het jaar volledig opneemt en terugbetaalt.
Hetzij, 12 hypothetische maandelijkse kredietopnemingen CL van 6.000 euro, 1 onmiddellijke betaling D1 van 60 euro en 12 termijnbedragen Dl van 6.000 euro, zoals in volgend aflossingsschema :
Voorbeeld 29 - Een voorbeeld ter verduidelijking van een kredietopening van onbepaalde duur met verschillende betalingsmodaliteiten met andere rentevoeten en kosten voor een beperkt bedrag.
Dezelfde kredietopening als in voorbeeld 21 maar van onbepaalde duur in plaats van zes jaar. De consument kan kiezen tussen twee betalingsmodaliteiten met andere totale kosten van het krediet voor de consument :
a) ofwel een maandelijkse minimale betaling van 8 % van het verschuldigd saldo in kapitaal en debetinteresten, bedoeld in artikel 14, § 3, van dit besluit, desgevallend verhoogd met de kaartkosten, zonder dat het termijnbedrag, verminderd met de kaartkosten, lager mag zijn dan 25 euro; een actuariële debetrentevoet van 10 % en jaarlijkse kaartkosten van 10 euro; het JKP is 13,02 % = 13 % zoals berekend in voorbeeld 27,
b) ofwel een maandelijkse minimale betaling van 5 % van het kredietbedrag waarmee, naast een deel kapitaal, de maandelijks verschuldigde interesten en kosten worden betaald; een actuariële jaarlijkse debetrentevoet van 11 %, maandelijkse kaartkosten van 0,05 % van het aankoopbedrag. Overeenkomstig de veronderstelling onder artikel 4, § 2, 5°, van dit besluit, zijn er 12 maandelijkse termijnbedragen van 58,33 euro kapitaal (700/12) verhoogd met de interesten en kosten van 0,35 euro per maand (0,0005*700), hetzij de 12 hypothetische termijnbedragen in de aflossingstabel hierna. Het JKP is 12,21 % = 12,2 %.
D1 = 64,80 of 700/12 + ((1+0,11)1/12 - 1) * 641,67 + 0,0005 * 700;
D2 = 64,29;
D3 = 63,78;
D4 = 63,27;
D5 = 62,76;
D6 = 62,25;
D7 = 61,74;
D8 = 61,23;
D9 = 60,72;
D10 = 60,21;
D11 = 59,70;
D12 = 59,19.
Hetzij, de veronderstelling overeenkomstig artikel 4, § 2, 9° van dit besluit dat de totale kosten van het krediet van het betalingsschema onder a) - een debetrentevoet van 10 % en jaarlijkse kosten van 10 euro - geacht worden de totale kosten van het krediet te zijn voor de gehele duur van de kredietovereenkomst. Voor de berekening van het JKP worden dus zowel de kosten als de debetrentevoet verondersteld die te zijn van het betalingsschema onder a) ook al is de debetrentevoet onder betalingsschema b) hoger.
Het JKP bedraagt 13 %.
Voorbeeld 30 - Een voorbeeld ter verduidelijking van een kredietopening van onbepaalde duur met terugbetaling in een enkele betaling van het opgenomen kapitaal alvorens het terug mag opgenomen worden (de zogenaamde akkreditiefkaart).
Een kredietopening van onbepaalde duur met terugbetaling na een maand van het opgenomen kapitaal. Het kredietbedrag is 6.000 euro. Het krediet wordt opgenomen met een betaalkaart zoals bedoeld in bijlage 2 bij dit besluit. Er zijn geen debetinteresten.
Jaarlijkse kosten van 60 euro te betalen telkens bij het begin van een nieuw jaar, een eerste keer onmiddellijk bij het sluiten van de kredietovereenkomst.
Hetzij, de veronderstelling van artikel 4, § 2, 5°, a) van dit besluit, dat de duur van de overeenkomst 1 jaar is.
Hetzij, de veronderstelling van artikel 4, § 2, eerste lid, 5°, b) in fine van dit besluit, dat de consument het kredietbedrag van 6.000 euro elke maand van het jaar volledig opneemt en terugbetaalt.
Hetzij, 12 hypothetische maandelijkse kredietopnemingen CL van 6.000 euro, 1 onmiddellijke betaling D1 van 60 euro en 12 termijnbedragen Dl van 6.000 euro, zoals in volgend aflossingsschema :
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 21-10-2016, p. 71005)
Exemple 29 - Exemple pour illustrer une ouverture de crédit à durée indéterminée avec diverses modalités de paiement avec d'autres taux d'intérêt et frais pour un montant limité.
La même ouverture de crédit qu'à l'exemple 21 mais à durée indéterminée au lieu de six ans. Le consommateur peut choisir entre deux modalités de paiement avec d'autres coûts totaux du crédit pour le consommateur :
a) ou bien un paiement mensuel minimum de 8 % du solde restant dû en capital et intérêts débiteurs, visé à l'article 14, § 3, du présent arrêté, augmenté, le cas échéant, des frais de carte sans que le montant d'un terme, diminué des frais de carte, ne puisse être inférieur à 25 euros; un taux débiteur actuariel de 10 % et des frais de carte annuels de 10 euros; le TAEG est de 13,02 % = 13 % tel que calculé à l'exemple 27,
b) ou bien un paiement mensuel minimum de 5 % du montant du crédit avec lequel sont payés, outre une partie du capital, les intérêts mensuels et les frais dus; un taux débiteur actuariel annuel de 11 %, des frais de carte mensuels de 0,05 % du montant de l'achat. Conformément à l'hypothèse de l'article 4, § 2, 5°, du présent arrêté, il y a 12 montants de terme mensuels de 58,33 euros en capital (700/12) augmentés des intérêts et des frais de 0,35 euro par mois (0,0005*700), soit les 12 montants de terme hypothétiques dans le tableau de remboursement ci-après. Le TAEG est de 12,21 % = 12,2 %.
D1 = 64,80 ou 700/12 + ((1+0,11)1/12 - 1)*641,67 + 0,0005 * 700;
D2 = 64,29;
D3 = 63,78;
D4 = 63,27;
D5 = 62,76;
D6 = 62,25;
D7 = 61,74;
D8 = 61,23;
D9 = 60,72;
D10 = 60,21;
D11 = 59,70;
D12 = 59,19.
Soit, conformément à l'article 4, § 2, 9° du présent arrêté, l'hypothèse selon laquelle les frais totaux du crédit de l'échéancier de paiement sous a) - un taux débiteur de 10 % et 10 euros de frais annuels - sont présumés être les frais totaux du crédit pour toute la durée du contrat de crédit. Pour le calcul du TAEG, tant les frais que le taux débiteur sont présumés être ceux de l'échéancier de paiement sous a) même si le taux débiteur de l'échéancier de paiement sous b) est plus élevé.
Le TAEG s'élève à 13 %.
Exemple 30 - Exemple pour illustrer une ouverture de crédit à durée indéterminée avec un remboursement en un seul paiement du capital prélevé avant de pouvoir le prélever à nouveau (ce qu'on appelle carte accréditive).
Une ouverture de crédit à durée indéterminée avec un remboursement du capital prélevé après un mois. Le montant du crédit est de 6.000 euros. Le crédit est prélevé avec une carte de paiement telle que visée à l'annexe 2 du présent arrêté. Il n'y a pas d'intérêts débiteur.
Frais annuels de 60 euros à payer chaque fois au début d'une nouvelle année, et une première fois immédiatement lors de la conclusion du contrat de crédit.
Soit, l'hypothèse de l'article 4, § 2, 5°, a) du présent arrêté, selon laquelle la durée du contrat est d'un an.
Soit, l'hypothèse de l'article 4, § 2, alinéa 1er, 5°, b) in fine du présent arrêté, selon laquelle le consommateur prélève et rembourse entièrement le montant du crédit de 6.000 euros chaque mois de l'année.
Soit, 12 prélèvements de crédit mensuels CL hypothétiques de 6.000 euros, 1 paiement immédiat D1 de 60 euros et 12 montants de terme Dl de 6.000 euros, comme dans l'échéancier de remboursement suivant :
Exemple 29 - Exemple pour illustrer une ouverture de crédit à durée indéterminée avec diverses modalités de paiement avec d'autres taux d'intérêt et frais pour un montant limité.
La même ouverture de crédit qu'à l'exemple 21 mais à durée indéterminée au lieu de six ans. Le consommateur peut choisir entre deux modalités de paiement avec d'autres coûts totaux du crédit pour le consommateur :
a) ou bien un paiement mensuel minimum de 8 % du solde restant dû en capital et intérêts débiteurs, visé à l'article 14, § 3, du présent arrêté, augmenté, le cas échéant, des frais de carte sans que le montant d'un terme, diminué des frais de carte, ne puisse être inférieur à 25 euros; un taux débiteur actuariel de 10 % et des frais de carte annuels de 10 euros; le TAEG est de 13,02 % = 13 % tel que calculé à l'exemple 27,
b) ou bien un paiement mensuel minimum de 5 % du montant du crédit avec lequel sont payés, outre une partie du capital, les intérêts mensuels et les frais dus; un taux débiteur actuariel annuel de 11 %, des frais de carte mensuels de 0,05 % du montant de l'achat. Conformément à l'hypothèse de l'article 4, § 2, 5°, du présent arrêté, il y a 12 montants de terme mensuels de 58,33 euros en capital (700/12) augmentés des intérêts et des frais de 0,35 euro par mois (0,0005*700), soit les 12 montants de terme hypothétiques dans le tableau de remboursement ci-après. Le TAEG est de 12,21 % = 12,2 %.
D1 = 64,80 ou 700/12 + ((1+0,11)1/12 - 1)*641,67 + 0,0005 * 700;
D2 = 64,29;
D3 = 63,78;
D4 = 63,27;
D5 = 62,76;
D6 = 62,25;
D7 = 61,74;
D8 = 61,23;
D9 = 60,72;
D10 = 60,21;
D11 = 59,70;
D12 = 59,19.
Soit, conformément à l'article 4, § 2, 9° du présent arrêté, l'hypothèse selon laquelle les frais totaux du crédit de l'échéancier de paiement sous a) - un taux débiteur de 10 % et 10 euros de frais annuels - sont présumés être les frais totaux du crédit pour toute la durée du contrat de crédit. Pour le calcul du TAEG, tant les frais que le taux débiteur sont présumés être ceux de l'échéancier de paiement sous a) même si le taux débiteur de l'échéancier de paiement sous b) est plus élevé.
Le TAEG s'élève à 13 %.
Exemple 30 - Exemple pour illustrer une ouverture de crédit à durée indéterminée avec un remboursement en un seul paiement du capital prélevé avant de pouvoir le prélever à nouveau (ce qu'on appelle carte accréditive).
Une ouverture de crédit à durée indéterminée avec un remboursement du capital prélevé après un mois. Le montant du crédit est de 6.000 euros. Le crédit est prélevé avec une carte de paiement telle que visée à l'annexe 2 du présent arrêté. Il n'y a pas d'intérêts débiteur.
Frais annuels de 60 euros à payer chaque fois au début d'une nouvelle année, et une première fois immédiatement lors de la conclusion du contrat de crédit.
Soit, l'hypothèse de l'article 4, § 2, 5°, a) du présent arrêté, selon laquelle la durée du contrat est d'un an.
Soit, l'hypothèse de l'article 4, § 2, alinéa 1er, 5°, b) in fine du présent arrêté, selon laquelle le consommateur prélève et rembourse entièrement le montant du crédit de 6.000 euros chaque mois de l'année.
Soit, 12 prélèvements de crédit mensuels CL hypothétiques de 6.000 euros, 1 paiement immédiat D1 de 60 euros et 12 montants de terme Dl de 6.000 euros, comme dans l'échéancier de remboursement suivant :
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 21-10-2016, p. 71006)
De vergelijking is de volgende :
De vergelijking is de volgende :
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 21-10-2016, p. 71006)
L'équation est la suivante :
L'équation est la suivante :
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 21-10-2016, p. 71007)
Voorbeeld 31 - Een voorbeeld ter verduidelijking van een kredietopening van onbepaalde duur waarvoor een vaste debetrentevoet voor de eerste periode is overeengekomen en, aan het einde van deze periode, een nieuwe debetrentevoet wordt vastgesteld die vervolgens periodiek wordt aangepast volgens een overeengekomen indicator.
Eenzelfde kredietopening van onbepaalde duur als in voorbeeld 27 met dat verschil dat voor de eerste twee jaren de debetrentevoet gelijk is aan 1 % en daarna jaarlijks aanpasbaar en gelijk aan de Euribor op 3 maanden plus 1 %.
De Euribor op 3 maanden op het moment van het sluiten van de overeenkomst is 1,5 %.
Hetzij, dezelfde veronderstellingen als in voorbeeld 27.
Hetzij, de bijkomende veronderstelling van artikel 4, § 2, 10° van dit besluit dat de debetrentevoet na 2 jaar gelijk is aan de Euribor op het moment van het sluiten van de overeenkomst verhoogd met 1 %, dus 2,5 % (1 % + 1,5 %).
Hetzij, de bijkomende veronderstelling van artikel 4, § 2, 9° van dit besluit dat de debetrentevoet voor de volledige duur van de overeenkomst gelijk is aan 2,5 %.
Hetzij, 12 hypothetische maandelijkse termijnbedragen Dl van 700/12 = 58,33 euro, verhoogd met de debetinteresten en kaartkosten, zoals in volgend aflossingsschema waarbij :
D1 = 69,78 of 700/12 + 700 * ((1+ 0,025)1/12 - 1) + 10;
D2 = 59,66 of 700/12 + 641,67 * ((1+ 0,025)1/12 - 1);
D3 = 59,53;
D4 = 59,41;
D5 = 59,29;
D6 = 59,17;
D7 = 59,05;
D8 = 58,93;
D9 = 58,81;
D10 = 58,69;
D11 = 58,57;
D12 = 58,45.
De vergelijking is de volgende :
Voorbeeld 31 - Een voorbeeld ter verduidelijking van een kredietopening van onbepaalde duur waarvoor een vaste debetrentevoet voor de eerste periode is overeengekomen en, aan het einde van deze periode, een nieuwe debetrentevoet wordt vastgesteld die vervolgens periodiek wordt aangepast volgens een overeengekomen indicator.
Eenzelfde kredietopening van onbepaalde duur als in voorbeeld 27 met dat verschil dat voor de eerste twee jaren de debetrentevoet gelijk is aan 1 % en daarna jaarlijks aanpasbaar en gelijk aan de Euribor op 3 maanden plus 1 %.
De Euribor op 3 maanden op het moment van het sluiten van de overeenkomst is 1,5 %.
Hetzij, dezelfde veronderstellingen als in voorbeeld 27.
Hetzij, de bijkomende veronderstelling van artikel 4, § 2, 10° van dit besluit dat de debetrentevoet na 2 jaar gelijk is aan de Euribor op het moment van het sluiten van de overeenkomst verhoogd met 1 %, dus 2,5 % (1 % + 1,5 %).
Hetzij, de bijkomende veronderstelling van artikel 4, § 2, 9° van dit besluit dat de debetrentevoet voor de volledige duur van de overeenkomst gelijk is aan 2,5 %.
Hetzij, 12 hypothetische maandelijkse termijnbedragen Dl van 700/12 = 58,33 euro, verhoogd met de debetinteresten en kaartkosten, zoals in volgend aflossingsschema waarbij :
D1 = 69,78 of 700/12 + 700 * ((1+ 0,025)1/12 - 1) + 10;
D2 = 59,66 of 700/12 + 641,67 * ((1+ 0,025)1/12 - 1);
D3 = 59,53;
D4 = 59,41;
D5 = 59,29;
D6 = 59,17;
D7 = 59,05;
D8 = 58,93;
D9 = 58,81;
D10 = 58,69;
D11 = 58,57;
D12 = 58,45.
De vergelijking is de volgende :
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 21-10-2016, p. 71007)
Exemple 31 - Un exemple pour illustrer une ouverture de crédit à durée indéterminée pour laquelle un taux débiteur fixe est convenu pour la première période et, à la fin de cette période, un nouveau taux débiteur est déterminé et ensuite périodiquement ajusté en fonction d'un indicateur convenu.
Une même ouverture de crédit à durée indéterminée qu'à l'exemple 27 à la différence que, pour les deux premières années, le taux débiteur est égal à 1 % et ensuite annuellement ajustable et égal à l'Euribor à 3 mois plus 1 %.
L'Euribor à 3 mois est de 1,5 % au moment de la conclusion du contrat.
Soit, les mêmes hypothèses qu'à l'exemple 27.
Soit, l'hypothèse supplémentaire de l'article 4, § 2, 10° du présent arrêté selon laquelle le taux débiteur est, après 2 ans, égal à l'Euribor au moment de la conclusion du contrat augmenté d'1 % donc 2,5 % (1 %+1,5 %).
Soit, l'hypothèse supplémentaire de l'article 4, § 2, 9° du présent arrêté selon laquelle le taux débiteur est égal à 2,5 % pour toute la durée du contrat.
Soit, 12 montants de terme mensuels Dl hypothétiques de 700/12 = 58,33 euros, augmentés des intérêts débiteurs et des frais de carte, comme dans l'échéancier de remboursement suivant où :
D1 = 69,78 ou 700/12 + 700 * ((1+ 0,025)1/12 - 1) + 10;
D2 = 59,66 ou 700/12 + 641,67 * ((1+ 0,025)1/12 - 1);
D3 = 59,53;
D4 = 59,41;
D5 = 59,29;
D6 = 59,17;
D7 = 59,05;
D8 = 58,93;
D9 = 58,81;
D10 = 58,69;
D11 = 58,57;
D12 = 58,45.
L'équation est la suivante :
Exemple 31 - Un exemple pour illustrer une ouverture de crédit à durée indéterminée pour laquelle un taux débiteur fixe est convenu pour la première période et, à la fin de cette période, un nouveau taux débiteur est déterminé et ensuite périodiquement ajusté en fonction d'un indicateur convenu.
Une même ouverture de crédit à durée indéterminée qu'à l'exemple 27 à la différence que, pour les deux premières années, le taux débiteur est égal à 1 % et ensuite annuellement ajustable et égal à l'Euribor à 3 mois plus 1 %.
L'Euribor à 3 mois est de 1,5 % au moment de la conclusion du contrat.
Soit, les mêmes hypothèses qu'à l'exemple 27.
Soit, l'hypothèse supplémentaire de l'article 4, § 2, 10° du présent arrêté selon laquelle le taux débiteur est, après 2 ans, égal à l'Euribor au moment de la conclusion du contrat augmenté d'1 % donc 2,5 % (1 %+1,5 %).
Soit, l'hypothèse supplémentaire de l'article 4, § 2, 9° du présent arrêté selon laquelle le taux débiteur est égal à 2,5 % pour toute la durée du contrat.
Soit, 12 montants de terme mensuels Dl hypothétiques de 700/12 = 58,33 euros, augmentés des intérêts débiteurs et des frais de carte, comme dans l'échéancier de remboursement suivant où :
D1 = 69,78 ou 700/12 + 700 * ((1+ 0,025)1/12 - 1) + 10;
D2 = 59,66 ou 700/12 + 641,67 * ((1+ 0,025)1/12 - 1);
D3 = 59,53;
D4 = 59,41;
D5 = 59,29;
D6 = 59,17;
D7 = 59,05;
D8 = 58,93;
D9 = 58,81;
D10 = 58,69;
D11 = 58,57;
D12 = 58,45.
L'équation est la suivante :
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 21-10-2016, p. 71008)
Voorbeeld 32 - Een voorbeeld ter verduidelijking van een kredietopening van onbepaalde duur, met een nulstellingsverplichting die niet korter is dan een jaar, met een driemaandelijkse betaling van interesten en een driemaandelijkse minimale kapitaalaflossing.
Eenzelfde kredietopening als in voorbeeld 22 met dat verschil dat de kredietovereenkomst bepaalt dat het kapitaal wordt terugbetaald in driemaandelijkse aflossingen van 20 % van het verschuldigd blijvend saldo en dat ook de interesten driemaandelijks betaald worden.
Hetzij, een eenmalige onmiddellijke betaling van 20 euro dossierkosten zoals contractueel voorzien.
Hetzij, de veronderstelling in artikel 4, § 2, 1°, van dit besluit van een volledige en onmiddellijke kredietopneming van 2.500 euro.
Hetzij, de veronderstelling in artikel 4, § 2, 5°, van dit besluit dat enkel het integraal en onmiddellijk opgenomen kredietbedrag over een termijn van een jaar wordt afgelost in gelijke maandelijkse bedragen, met name, 2.500/12 of 208,33 euro per maand.
Hetzij, 12 gelijke betalingstermijnen van een maand van 30,41667 dagen.
Hetzij, een driemaandelijkse betaling van interesten overeenkomstig artikel 4, § 2, 5°, b), in fine van dit besluit, tegen 8 % op jaarbasis berekend op het verschuldigd blijvend saldo dat maandelijks met 208,33 euro afneemt.
Hetzij, een netto door de kredietgever ter beschikking gesteld bedrag in periode 0 van 2.500 - 20 = 2.480 euro.
De 12 hypothetische maandelijkse termijnbedragen Dl kunnen verkregen worden op basis van een aflossingsschema, waarbij :
D1 = 208,33 of 2500/12;
D2 = 208,33;
D3 = 254,17 of 2500/12 + [(0,08/12)*(2500 + (2500-208,33) + (2500-208,33-208,33)];
D4 = 208,33;
D5 = 208,33;
D6 = 241,67;
D7 = 208,33;
D8 = 208,33;
D9 = 229,17;
D10 = 208,33;
D11 = 208,33;
D12 = 216,67.
De vergelijking is de volgende :
Voorbeeld 32 - Een voorbeeld ter verduidelijking van een kredietopening van onbepaalde duur, met een nulstellingsverplichting die niet korter is dan een jaar, met een driemaandelijkse betaling van interesten en een driemaandelijkse minimale kapitaalaflossing.
Eenzelfde kredietopening als in voorbeeld 22 met dat verschil dat de kredietovereenkomst bepaalt dat het kapitaal wordt terugbetaald in driemaandelijkse aflossingen van 20 % van het verschuldigd blijvend saldo en dat ook de interesten driemaandelijks betaald worden.
Hetzij, een eenmalige onmiddellijke betaling van 20 euro dossierkosten zoals contractueel voorzien.
Hetzij, de veronderstelling in artikel 4, § 2, 1°, van dit besluit van een volledige en onmiddellijke kredietopneming van 2.500 euro.
Hetzij, de veronderstelling in artikel 4, § 2, 5°, van dit besluit dat enkel het integraal en onmiddellijk opgenomen kredietbedrag over een termijn van een jaar wordt afgelost in gelijke maandelijkse bedragen, met name, 2.500/12 of 208,33 euro per maand.
Hetzij, 12 gelijke betalingstermijnen van een maand van 30,41667 dagen.
Hetzij, een driemaandelijkse betaling van interesten overeenkomstig artikel 4, § 2, 5°, b), in fine van dit besluit, tegen 8 % op jaarbasis berekend op het verschuldigd blijvend saldo dat maandelijks met 208,33 euro afneemt.
Hetzij, een netto door de kredietgever ter beschikking gesteld bedrag in periode 0 van 2.500 - 20 = 2.480 euro.
De 12 hypothetische maandelijkse termijnbedragen Dl kunnen verkregen worden op basis van een aflossingsschema, waarbij :
D1 = 208,33 of 2500/12;
D2 = 208,33;
D3 = 254,17 of 2500/12 + [(0,08/12)*(2500 + (2500-208,33) + (2500-208,33-208,33)];
D4 = 208,33;
D5 = 208,33;
D6 = 241,67;
D7 = 208,33;
D8 = 208,33;
D9 = 229,17;
D10 = 208,33;
D11 = 208,33;
D12 = 216,67.
De vergelijking is de volgende :
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 21-10-2016, p. 71008)
Exemple 32 - Un exemple pour illustrer une ouverture de crédit à durée indéterminée avec une obligation de zérotage qui n'est pas inférieure à un an, avec un paiement trimestriel des intérêts et un remboursement trimestriel minimum en capital.
Une même ouverture de crédit qu'à l'exemple 22 à la différence que le contrat de crédit prévoit que le capital est remboursé en paiements trimestriels de 20 % du solde restant dû et que les intérêts sont également payés trimestriellement.
Soit, un paiement unique et immédiat de 20 euros de frais de dossier comme prévu contractuellement.
Soit, l'hypothèse de l'article 4, § 2, 5° du présent arrêté, d'un prélèvement intégral et immédiat du crédit de 2 500 euros.
Soit, l'hypothèse de l'article 4, § 2, 5° du présent arrêté selon laquelle seul le prélèvement intégral et immédiat du montant du crédit est remboursé, endéans un délai d'un an, en montants mensuels égaux à savoir 2 500/12 ou 208,33 euros par mois.
Soit, 12 termes de paiement d'un mois de 30,41667 jours.
Soit, un paiement trimestriel des intérêts conformément à l'article 4, § 2, 5°, b), in fine du présent arrêté, à 8 % sur base annuelle, calculés sur le solde restant dû qui diminue mensuellement de 208,33 euros.
Soit, un montant net 2 500 - 20 = 2 480 euros mis à la disposition par le prêteur à la période 0.
Les 12 montants de terme mensuels Dl hypothétiques peuvent être obtenus sur base d'un échéancier de remboursement où :
D1 = 208,33 ou 2500/12;
D2 = 208,33;
D3 = 254,17 ou 2500/12 + [(0,08/12)*(2500 + (2500-208,33) + (2500-208,33-208,33)];
D4 = 208,33;
D5 = 208,33;
D6 = 241,67;
D7 = 208,33;
D8 = 208,33;
D9 = 229,17;
D10 = 208,33;
D11 = 208,33;
D12 = 216,67.
L'équation est la suivante :
Exemple 32 - Un exemple pour illustrer une ouverture de crédit à durée indéterminée avec une obligation de zérotage qui n'est pas inférieure à un an, avec un paiement trimestriel des intérêts et un remboursement trimestriel minimum en capital.
Une même ouverture de crédit qu'à l'exemple 22 à la différence que le contrat de crédit prévoit que le capital est remboursé en paiements trimestriels de 20 % du solde restant dû et que les intérêts sont également payés trimestriellement.
Soit, un paiement unique et immédiat de 20 euros de frais de dossier comme prévu contractuellement.
Soit, l'hypothèse de l'article 4, § 2, 5° du présent arrêté, d'un prélèvement intégral et immédiat du crédit de 2 500 euros.
Soit, l'hypothèse de l'article 4, § 2, 5° du présent arrêté selon laquelle seul le prélèvement intégral et immédiat du montant du crédit est remboursé, endéans un délai d'un an, en montants mensuels égaux à savoir 2 500/12 ou 208,33 euros par mois.
Soit, 12 termes de paiement d'un mois de 30,41667 jours.
Soit, un paiement trimestriel des intérêts conformément à l'article 4, § 2, 5°, b), in fine du présent arrêté, à 8 % sur base annuelle, calculés sur le solde restant dû qui diminue mensuellement de 208,33 euros.
Soit, un montant net 2 500 - 20 = 2 480 euros mis à la disposition par le prêteur à la période 0.
Les 12 montants de terme mensuels Dl hypothétiques peuvent être obtenus sur base d'un échéancier de remboursement où :
D1 = 208,33 ou 2500/12;
D2 = 208,33;
D3 = 254,17 ou 2500/12 + [(0,08/12)*(2500 + (2500-208,33) + (2500-208,33-208,33)];
D4 = 208,33;
D5 = 208,33;
D6 = 241,67;
D7 = 208,33;
D8 = 208,33;
D9 = 229,17;
D10 = 208,33;
D11 = 208,33;
D12 = 216,67.
L'équation est la suivante :
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 21-10-2016, p. 71009)
Voorbeeld 33 - Een voorbeeld ter verduidelijking van een hypothecair krediet met onroerende bestemming en met veranderlijke debetrentevoet.
Een krediet van 150.000 euro voor de aankoop van een woning, met hypothecaire inschrijving, terug te betalen op 20 jaar in maandelijkse gelijke termijnbedragen tegen een jaarlijks veranderlijke debetrentevoet (1/1/1) op maandbasis van 0,1774 % (2,1497 % op jaarbasis (1)). De eerste vervaldag is een maand na het verlijden van de akte tot vestiging van de kredietovereenkomst (de datum van de kredietopneming) op dezelfde dag van de maand, desgevallend de laatste dag van elke maand.
De datum van het verlijden van de akte tot vestiging van de kredietovereenkomst is ongekend.
De kredietgever vraagt maandelijkse termijnbedragen van 768,01 euro en vermenigvuldigt het verschuldigd blijvend saldo met een niet afgerond percentage op maandbasis van 0,17740146 % (2) om tot een verschuldigd blijvend saldo van nul te komen (3).
De overeenkomst bepaalt dat de periodieke rentevoet - die jaarlijks verandert in functie van de referte-index (index A) (4) - maximaal mag stijgen met 0,1774 % op maandbasis, met name de waarde van de overeengekomen rentevoet, en tevens de wettelijk maximale stijging omdat de kredietgever niet toelaat dat de rente negatief wordt (5).
Daarnaast mag een jaarlijks veranderlijke periodieke rentevoet tijdens het tweede jaar niet met meer dan 1 % op jaarbasis (= met 0,08295 % op maandbasis (6)) stijgen en tijdens het derde jaar niet met meer dan 2 % op jaarbasis (= met 0,165 % op maandbasis (7)) (8).
Een schatting van de woning, een brandverzekering (exclusief dekking diefstal en inboedel (9)) en een schuldsaldoverzekering zijn verplicht om het krediet te krijgen, zij het bij een aanbieder naar keuze, en de kosten ervan zijn gekend door de kredietgever op het moment van de berekening van het JKP van het kredietaanbod.
De zichtrekening bij de kredietgever (bank) is een voorwaarde om het krediet te krijgen tegen een lagere periodieke rentevoet (10), die de consument aanvaard heeft.
De dossierkosten bedragen 350 euro, de schattingskosten 180 euro, te betalen op de datum van het verlijden van de akte tot vestiging van de kredietovereenkomst, die samen valt met de dag waarop het krediet wordt opgenomen.
De kosten te betalen bij de notaris bij het verlijden van de akte tot vestiging van de kredietovereenkomst bedragen 1.650 euro voor de registratierechten (11), die uitsluitend betrekking hebben op de hypotheekvestiging (de hypothecaire inschrijving) en dus niet op de overdracht van een onroerend goed, 690,55 euro voor het hypotheekkantoor (12), 765,72 euro ereloon van de notaris + 21 % btw en 1.331 euro voor de diverse aktekosten inclusief btw (13).
De brandverzekering (14) kost 350 euro per jaar (15) (indexeerbaar) en de schuldsaldoverzekering (16) kost jaarlijks 273 euro gedurende 2/3de van de terugbetalingstermijn (13 jaar van de 20 jaar), te betalen bij het verlijden van de akte tot vestiging van de kredietovereenkomst en daarna telkens een jaar later op dezelfde dag van de maand, desgevallend de laatste dag van de maand.
De zichtrekening kost maandelijks 2,5 euro, te betalen aan het begin van de maand.
1. Voor de berekening van het JKP wordt vertrokken van de volgende veronderstellingen :
- de kredietovereenkomst geldt voor de overeengekomen tijdsduur en de kredietgever en de consument komen hun verplichtingen na overeenkomstig de voorwaarden en op de data die in de kredietovereenkomst zijn bepaald (artikel 4, § 1, eerste lid, van dit besluit);
- elke maand telt 30,41667 dagen (artikel 3, § 2, tweede lid, van dit besluit);
- de debetrentevoet, en dus ook de periodieke rentevoet, en de kosten zijn onveranderlijk voor wat de wijzigingen betreft die bij het berekenen van het JKP niet kwantificeerbaar zijn (artikel 4, § 1, tweede lid, van dit besluit);
- de kortst mogelijke periode tussen de opname van het krediet (het verlijden van de akte tot vestiging van de kredietovereenkomst) en de eerste vervaldag van de kosten van de zichtrekening (artikel 4, § 2, 6°, b), van dit besluit) (17) is 0 dagen, met name als de akte verleden wordt op de vervaldag van die kosten, in casu op de eerste dag van de maand. Voor het voorbeeld wordt er dus vertrokken van een kredietopname op de eerste dag van de maand.
2. De berekening van het JKP gebeurt op basis van de volgende bedragen en tijdstippen van betaling :
Een kredietbedrag van 150.000 euro.
Een onmiddellijk te betalen bedrag van 4.827,05 euro, met name, 350 euro dossierkosten, 180 euro schattingskosten, 690,55 euro kosten voor het hypotheekkantoor, 1.650 euro registratierechten, 1.331 euro diverse aktekosten inclusief btw (18), 350 euro voor de brandverzekering, 273 euro voor de schuldsaldoverzekering en 2,5 euro kosten voor de zichtrekening.
Hetzij een netto door de consument ontvangen bedrag in periode 0 van 145.172,95 euro (150.000 - 4.827,05).
Een maandelijks te betalen bedrag van 768,01 euro om het kredietbedrag af te lossen en de debetrente te betalen, waarbij een maand 30,4167 dagen telt.
Maandelijks vooraf te betalen kosten van de zichtrekening van 2,5 euro, een eerste keer op de zelfde dag als het verlijden van de akte tot vestiging van de kredietovereenkomst, en vervolgens telkens een maand later, waarbij een maand 30,4167 dagen telt. Het laatste termijnbedrag bevat geen kosten van de zichtrekening omdat ze vooraf betaald worden.
Hetzij 239 termijnbedragen van 770,51 euro die het kredietbedrag, de debetrente en de kosten van de zichtrekening terugbetalen, en een laatste 240ste termijnbedrag van 768,01 euro dat enkel kapitaal en debetrente terugbetaalt.
Het eerste maandbedrag bestaat, naast de kosten van 2,5 euro, uit 266,10 euro debetrente en 501,91 euro kapitaal, waarbij de debetrente werd berekend door 0,0017740146, of 1,021497(1/12) - 1, te vermenigvuldigen met 150.000 euro.
Een jaarlijks bedrag van 350 euro voor de brandverzekering, te betalen op de zelfde dag van de maand als de dag van het verlijden van de akte tot vestiging van de kredietovereenkomst.
Gedurende de eerste 13 jaren, een jaarlijks bedrag van 273 euro voor de schuldsaldoverzekering, te betalen op de zelfde dag van de maand als de dag van het verlijden van de akte tot vestiging van de kredietovereenkomst.
De 240 hypothetische maandelijkse termijnbedragen (19) Dl kunnen verkregen worden op basis van een aflossingsschema, waarbij :
D1 = 770,51
D2 = 770,51
...
D12 = 1.393,51 (770,51 + 350 + 273)
D13 = 770,51
...
D24 = 1.393,51 (770,51 + 350 + 273)
D25 = 770,51
...
D156 = 1.120,51 (770,51 + 350)
...
D240 = 768,01
De vergelijking is de volgende :
Voorbeeld 33 - Een voorbeeld ter verduidelijking van een hypothecair krediet met onroerende bestemming en met veranderlijke debetrentevoet.
Een krediet van 150.000 euro voor de aankoop van een woning, met hypothecaire inschrijving, terug te betalen op 20 jaar in maandelijkse gelijke termijnbedragen tegen een jaarlijks veranderlijke debetrentevoet (1/1/1) op maandbasis van 0,1774 % (2,1497 % op jaarbasis (1)). De eerste vervaldag is een maand na het verlijden van de akte tot vestiging van de kredietovereenkomst (de datum van de kredietopneming) op dezelfde dag van de maand, desgevallend de laatste dag van elke maand.
De datum van het verlijden van de akte tot vestiging van de kredietovereenkomst is ongekend.
De kredietgever vraagt maandelijkse termijnbedragen van 768,01 euro en vermenigvuldigt het verschuldigd blijvend saldo met een niet afgerond percentage op maandbasis van 0,17740146 % (2) om tot een verschuldigd blijvend saldo van nul te komen (3).
De overeenkomst bepaalt dat de periodieke rentevoet - die jaarlijks verandert in functie van de referte-index (index A) (4) - maximaal mag stijgen met 0,1774 % op maandbasis, met name de waarde van de overeengekomen rentevoet, en tevens de wettelijk maximale stijging omdat de kredietgever niet toelaat dat de rente negatief wordt (5).
Daarnaast mag een jaarlijks veranderlijke periodieke rentevoet tijdens het tweede jaar niet met meer dan 1 % op jaarbasis (= met 0,08295 % op maandbasis (6)) stijgen en tijdens het derde jaar niet met meer dan 2 % op jaarbasis (= met 0,165 % op maandbasis (7)) (8).
Een schatting van de woning, een brandverzekering (exclusief dekking diefstal en inboedel (9)) en een schuldsaldoverzekering zijn verplicht om het krediet te krijgen, zij het bij een aanbieder naar keuze, en de kosten ervan zijn gekend door de kredietgever op het moment van de berekening van het JKP van het kredietaanbod.
De zichtrekening bij de kredietgever (bank) is een voorwaarde om het krediet te krijgen tegen een lagere periodieke rentevoet (10), die de consument aanvaard heeft.
De dossierkosten bedragen 350 euro, de schattingskosten 180 euro, te betalen op de datum van het verlijden van de akte tot vestiging van de kredietovereenkomst, die samen valt met de dag waarop het krediet wordt opgenomen.
De kosten te betalen bij de notaris bij het verlijden van de akte tot vestiging van de kredietovereenkomst bedragen 1.650 euro voor de registratierechten (11), die uitsluitend betrekking hebben op de hypotheekvestiging (de hypothecaire inschrijving) en dus niet op de overdracht van een onroerend goed, 690,55 euro voor het hypotheekkantoor (12), 765,72 euro ereloon van de notaris + 21 % btw en 1.331 euro voor de diverse aktekosten inclusief btw (13).
De brandverzekering (14) kost 350 euro per jaar (15) (indexeerbaar) en de schuldsaldoverzekering (16) kost jaarlijks 273 euro gedurende 2/3de van de terugbetalingstermijn (13 jaar van de 20 jaar), te betalen bij het verlijden van de akte tot vestiging van de kredietovereenkomst en daarna telkens een jaar later op dezelfde dag van de maand, desgevallend de laatste dag van de maand.
De zichtrekening kost maandelijks 2,5 euro, te betalen aan het begin van de maand.
1. Voor de berekening van het JKP wordt vertrokken van de volgende veronderstellingen :
- de kredietovereenkomst geldt voor de overeengekomen tijdsduur en de kredietgever en de consument komen hun verplichtingen na overeenkomstig de voorwaarden en op de data die in de kredietovereenkomst zijn bepaald (artikel 4, § 1, eerste lid, van dit besluit);
- elke maand telt 30,41667 dagen (artikel 3, § 2, tweede lid, van dit besluit);
- de debetrentevoet, en dus ook de periodieke rentevoet, en de kosten zijn onveranderlijk voor wat de wijzigingen betreft die bij het berekenen van het JKP niet kwantificeerbaar zijn (artikel 4, § 1, tweede lid, van dit besluit);
- de kortst mogelijke periode tussen de opname van het krediet (het verlijden van de akte tot vestiging van de kredietovereenkomst) en de eerste vervaldag van de kosten van de zichtrekening (artikel 4, § 2, 6°, b), van dit besluit) (17) is 0 dagen, met name als de akte verleden wordt op de vervaldag van die kosten, in casu op de eerste dag van de maand. Voor het voorbeeld wordt er dus vertrokken van een kredietopname op de eerste dag van de maand.
2. De berekening van het JKP gebeurt op basis van de volgende bedragen en tijdstippen van betaling :
Een kredietbedrag van 150.000 euro.
Een onmiddellijk te betalen bedrag van 4.827,05 euro, met name, 350 euro dossierkosten, 180 euro schattingskosten, 690,55 euro kosten voor het hypotheekkantoor, 1.650 euro registratierechten, 1.331 euro diverse aktekosten inclusief btw (18), 350 euro voor de brandverzekering, 273 euro voor de schuldsaldoverzekering en 2,5 euro kosten voor de zichtrekening.
Hetzij een netto door de consument ontvangen bedrag in periode 0 van 145.172,95 euro (150.000 - 4.827,05).
Een maandelijks te betalen bedrag van 768,01 euro om het kredietbedrag af te lossen en de debetrente te betalen, waarbij een maand 30,4167 dagen telt.
Maandelijks vooraf te betalen kosten van de zichtrekening van 2,5 euro, een eerste keer op de zelfde dag als het verlijden van de akte tot vestiging van de kredietovereenkomst, en vervolgens telkens een maand later, waarbij een maand 30,4167 dagen telt. Het laatste termijnbedrag bevat geen kosten van de zichtrekening omdat ze vooraf betaald worden.
Hetzij 239 termijnbedragen van 770,51 euro die het kredietbedrag, de debetrente en de kosten van de zichtrekening terugbetalen, en een laatste 240ste termijnbedrag van 768,01 euro dat enkel kapitaal en debetrente terugbetaalt.
Het eerste maandbedrag bestaat, naast de kosten van 2,5 euro, uit 266,10 euro debetrente en 501,91 euro kapitaal, waarbij de debetrente werd berekend door 0,0017740146, of 1,021497(1/12) - 1, te vermenigvuldigen met 150.000 euro.
Een jaarlijks bedrag van 350 euro voor de brandverzekering, te betalen op de zelfde dag van de maand als de dag van het verlijden van de akte tot vestiging van de kredietovereenkomst.
Gedurende de eerste 13 jaren, een jaarlijks bedrag van 273 euro voor de schuldsaldoverzekering, te betalen op de zelfde dag van de maand als de dag van het verlijden van de akte tot vestiging van de kredietovereenkomst.
De 240 hypothetische maandelijkse termijnbedragen (19) Dl kunnen verkregen worden op basis van een aflossingsschema, waarbij :
D1 = 770,51
D2 = 770,51
...
D12 = 1.393,51 (770,51 + 350 + 273)
D13 = 770,51
...
D24 = 1.393,51 (770,51 + 350 + 273)
D25 = 770,51
...
D156 = 1.120,51 (770,51 + 350)
...
D240 = 768,01
De vergelijking is de volgende :
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 21-10-2016, p. 71009)
Exemple 33 - Un exemple pour illustrer un crédit hypothécaire avec une destination immobilière et un taux d'intérêt débiteur variable.
Un crédit de 150.000 euros pour l'achat d'une habitation, avec une inscription hypothécaire remboursable sur 20 ans dans des montants de terme mensuel identiques avec un taux débiteur variable (1/1/1) sur base mensuelle de 0,1774 % (sur base annuelle de 2,1497 % (1)). La première échéance est un mois après la passation de l'acte d'établissement du contrat de crédit (la date du prélèvement de crédit) le même jour du mois, le cas échéant le dernier jour de chaque mois.
La date de la passation de l'acte d'établissement du contrat de crédit est inconnue.
Le prêteur demande des montants de terme mensuels de 768,01 euros et multiplie le solde restant dû avec un pourcentage non arrondi de 0,17740146 % (2) pour aboutir à un solde restant dû de zéro (3).
Le contrat détermine que le taux périodique -qui varie annuellement en fonction de l'indice de référence (index A) (4) - peut augmenter de 0,1774 % maximum sur base mensuelle, à savoir la valeur du taux convenu, qui constitue également l'augmentation maximale légale parce que le prêteur ne permet pas que l'intérêt devienne négatif (5).
En outre, un taux périodique variable annuellement ne peut pendant la deuxième année augmenter de plus de 1 % sur base annuelle (= de 0,08295 % sur base mensuelle (6)) et pendant la troisième année de plus de 2 % sur base annuelle (= 0,165 % sur base mensuelle (7)) (8).
Une taxation de l'habitation, une assurance incendie (à l'exclusion de la couverture vol et contenu (9)) et une assurance solde restant dû sont obligatoires pour obtenir le crédit chez un prestataire au choix et dont les coûts sont connus du prêteur au moment du calcul du TAEG de l'offre de crédit.
Le compte à vue chez le prêteur (banque) est également une condition pour recevoir le crédit à un taux d'intérêt périodique inférieur (10), que le consommateur a accepté.
Les frais de dossier s'élèvent à 350 euros, les frais d'expertise à 180 euros, payable à la date de passation de l'acte d'établissement du contrat de crédit qui coïncide avec le jour où le crédit est prélevé.
Les coûts payables auprès du notaire lors de la passation de l'acte d'établissement du contrat de crédit s'élèvent à 1.650 euros pour les droits d'enregistrement (11) qui ont uniquement trait à l'établissement de l'hypothèque (l'inscription hypothécaire) et donc pas au transfert du bien immobilier, 690,55 euros pour le bureau des hypothèques (12), 765,72 euros pour les honoraires du notaire + 21 % T.V.A., 1.331 euros pour des frais d'acte divers, T.V.A. incluse (13).
L'assurance incendie (14) s'élève à 350 euros par an (15) (à indexer) et l'assurance solde restant dû (16) coûte chaque année 273 euros pendant 2/3 du terme de paiement (13 ans sur 20 ans), payable lors de la passation de l'acte d'établissement du contrat de crédit et ensuite chaque année suivante au même jour du mois, le cas échéant le dernier jour du mois.
Le compte à vue coûte 2,5 euros mensuel à payer au début du mois.
1. Le calcul du TAEG a comme point de départ les hypothèses suivantes :
- le contrat de crédit reste valable pendant la durée convenue et le prêteur et le consommateur remplissent leurs obligations selon les conditions et aux dates déterminées dans le contrat de crédit (l'article 4, § 1er, alinéa 1er du présent arrêté);
- chaque mois compte 30,41667 jours (article 3, § 2, alinéa 2, du présent arrêté);
- le taux débiteur, et donc ainsi que le taux périodique, et les coûts sont invariables pour ce qui concerne les modifications qui ne sont pas quantifiables lors du calcul du TAEG (article 4, § 1er, alinéa 2, du présent arrêté);
- la période la plus courte entre le prélèvement du crédit (la passation de l'acte d'établissement du contrat de crédit) et la première date d'échéance des coûts du compte à vue (article 4, § 2, 6°, b), du présent arrêté) (17) est de zéro jours, à savoir quand l'acte est passé à la date d'échéance de ces coûts, in casu le premier jour du mois. Pour l'exemple, on part donc d'un prélèvement de crédit le premier jour du mois.
2. Le calcul du TAEG se fait sur base des montants et moments de paiement suivants :
Un montant du crédit de 150.000 euros.
Un montant de 4.827,05 euros, payable immédiatement, à savoir 350 euros de frais de dossier, 180 euros de frais d'expertise, 690,55 euros pour le bureau des hypothèques, 1.650 euros de droits d'enregistrement 1.331 euros de frais d'acte divers T.V.A. comprise (18), 350 euros pour l'assurance d'incendie, 273 euros pour l'assurance solde restant dû et 2,5 euros de frais pour le compte à vue.
Soit un montant net de 145.172,95 euros (150.000 - 4.827,05) reçu par le consommateur dans la période 0.
Un montant mensuel de 768,01 euros à payer pour amortir le crédit et pour payer les intérêts débiteurs, et pour lequel un mois compte 30,4167 jours.
Les frais du compte à vue de 2,5 euros à payer mensuellement, une première fois le même jour que la passation de l'acte d'établissement du contrat de crédit, et ensuite chaque fois un mois plus tard, un mois comptant 30,4167 jours. Le dernier montant de terme ne contient aucun frais de compte à vue parce que les coûts du compte à vue sont payés au préalable.
Soit 239 montants de terme de 770,51 euros qui remboursent le montant du crédit, les intérêts débiteurs et les frais du compte à vue et un dernier 240e montant de terme de 768,01 euros qui rembourse uniquement le capital et les intérêts débiteurs.
Le premier montant mensuel se compose, à part des frais de 2,5 euros, de 266,10 euros d'intérêts débiteurs et de 501,91 euros de capital, dont les intérêts débiteurs ont été calculés en multipliant 0,0017740146, ou 1,021497(1/12) - 1, par 150.000 euros.
Un montant de 350 euros pour l'assurance incendie payable annuellement au même jour du mois que le jour de la passation de l'acte d'établissement du contrat de crédit.
Durant les 13 premières années, un montant de 273 euros pour l'assurance solde restant dû payable annuellement le même jour du mois que le jour de la passation de l'acte d'établissement du contrat de crédit.
Les 240 montants de terme mensuels (19) Dl hypothétiques peuvent être obtenus sur base d'un échéancier de remboursement où :
D1 = 770,51
D2 = 770,51
...
D12 = 1.393,51 (770,51 + 350 + 273)
D13 = 770,51
...
D24 = 1.393,51 (770,51 + 350 + 273)
D25 = 770,51
...
D156 = 1.120,51 (770,51 + 350)
...
D240 = 768,01
L'équation est la suivante :
Exemple 33 - Un exemple pour illustrer un crédit hypothécaire avec une destination immobilière et un taux d'intérêt débiteur variable.
Un crédit de 150.000 euros pour l'achat d'une habitation, avec une inscription hypothécaire remboursable sur 20 ans dans des montants de terme mensuel identiques avec un taux débiteur variable (1/1/1) sur base mensuelle de 0,1774 % (sur base annuelle de 2,1497 % (1)). La première échéance est un mois après la passation de l'acte d'établissement du contrat de crédit (la date du prélèvement de crédit) le même jour du mois, le cas échéant le dernier jour de chaque mois.
La date de la passation de l'acte d'établissement du contrat de crédit est inconnue.
Le prêteur demande des montants de terme mensuels de 768,01 euros et multiplie le solde restant dû avec un pourcentage non arrondi de 0,17740146 % (2) pour aboutir à un solde restant dû de zéro (3).
Le contrat détermine que le taux périodique -qui varie annuellement en fonction de l'indice de référence (index A) (4) - peut augmenter de 0,1774 % maximum sur base mensuelle, à savoir la valeur du taux convenu, qui constitue également l'augmentation maximale légale parce que le prêteur ne permet pas que l'intérêt devienne négatif (5).
En outre, un taux périodique variable annuellement ne peut pendant la deuxième année augmenter de plus de 1 % sur base annuelle (= de 0,08295 % sur base mensuelle (6)) et pendant la troisième année de plus de 2 % sur base annuelle (= 0,165 % sur base mensuelle (7)) (8).
Une taxation de l'habitation, une assurance incendie (à l'exclusion de la couverture vol et contenu (9)) et une assurance solde restant dû sont obligatoires pour obtenir le crédit chez un prestataire au choix et dont les coûts sont connus du prêteur au moment du calcul du TAEG de l'offre de crédit.
Le compte à vue chez le prêteur (banque) est également une condition pour recevoir le crédit à un taux d'intérêt périodique inférieur (10), que le consommateur a accepté.
Les frais de dossier s'élèvent à 350 euros, les frais d'expertise à 180 euros, payable à la date de passation de l'acte d'établissement du contrat de crédit qui coïncide avec le jour où le crédit est prélevé.
Les coûts payables auprès du notaire lors de la passation de l'acte d'établissement du contrat de crédit s'élèvent à 1.650 euros pour les droits d'enregistrement (11) qui ont uniquement trait à l'établissement de l'hypothèque (l'inscription hypothécaire) et donc pas au transfert du bien immobilier, 690,55 euros pour le bureau des hypothèques (12), 765,72 euros pour les honoraires du notaire + 21 % T.V.A., 1.331 euros pour des frais d'acte divers, T.V.A. incluse (13).
L'assurance incendie (14) s'élève à 350 euros par an (15) (à indexer) et l'assurance solde restant dû (16) coûte chaque année 273 euros pendant 2/3 du terme de paiement (13 ans sur 20 ans), payable lors de la passation de l'acte d'établissement du contrat de crédit et ensuite chaque année suivante au même jour du mois, le cas échéant le dernier jour du mois.
Le compte à vue coûte 2,5 euros mensuel à payer au début du mois.
1. Le calcul du TAEG a comme point de départ les hypothèses suivantes :
- le contrat de crédit reste valable pendant la durée convenue et le prêteur et le consommateur remplissent leurs obligations selon les conditions et aux dates déterminées dans le contrat de crédit (l'article 4, § 1er, alinéa 1er du présent arrêté);
- chaque mois compte 30,41667 jours (article 3, § 2, alinéa 2, du présent arrêté);
- le taux débiteur, et donc ainsi que le taux périodique, et les coûts sont invariables pour ce qui concerne les modifications qui ne sont pas quantifiables lors du calcul du TAEG (article 4, § 1er, alinéa 2, du présent arrêté);
- la période la plus courte entre le prélèvement du crédit (la passation de l'acte d'établissement du contrat de crédit) et la première date d'échéance des coûts du compte à vue (article 4, § 2, 6°, b), du présent arrêté) (17) est de zéro jours, à savoir quand l'acte est passé à la date d'échéance de ces coûts, in casu le premier jour du mois. Pour l'exemple, on part donc d'un prélèvement de crédit le premier jour du mois.
2. Le calcul du TAEG se fait sur base des montants et moments de paiement suivants :
Un montant du crédit de 150.000 euros.
Un montant de 4.827,05 euros, payable immédiatement, à savoir 350 euros de frais de dossier, 180 euros de frais d'expertise, 690,55 euros pour le bureau des hypothèques, 1.650 euros de droits d'enregistrement 1.331 euros de frais d'acte divers T.V.A. comprise (18), 350 euros pour l'assurance d'incendie, 273 euros pour l'assurance solde restant dû et 2,5 euros de frais pour le compte à vue.
Soit un montant net de 145.172,95 euros (150.000 - 4.827,05) reçu par le consommateur dans la période 0.
Un montant mensuel de 768,01 euros à payer pour amortir le crédit et pour payer les intérêts débiteurs, et pour lequel un mois compte 30,4167 jours.
Les frais du compte à vue de 2,5 euros à payer mensuellement, une première fois le même jour que la passation de l'acte d'établissement du contrat de crédit, et ensuite chaque fois un mois plus tard, un mois comptant 30,4167 jours. Le dernier montant de terme ne contient aucun frais de compte à vue parce que les coûts du compte à vue sont payés au préalable.
Soit 239 montants de terme de 770,51 euros qui remboursent le montant du crédit, les intérêts débiteurs et les frais du compte à vue et un dernier 240e montant de terme de 768,01 euros qui rembourse uniquement le capital et les intérêts débiteurs.
Le premier montant mensuel se compose, à part des frais de 2,5 euros, de 266,10 euros d'intérêts débiteurs et de 501,91 euros de capital, dont les intérêts débiteurs ont été calculés en multipliant 0,0017740146, ou 1,021497(1/12) - 1, par 150.000 euros.
Un montant de 350 euros pour l'assurance incendie payable annuellement au même jour du mois que le jour de la passation de l'acte d'établissement du contrat de crédit.
Durant les 13 premières années, un montant de 273 euros pour l'assurance solde restant dû payable annuellement le même jour du mois que le jour de la passation de l'acte d'établissement du contrat de crédit.
Les 240 montants de terme mensuels (19) Dl hypothétiques peuvent être obtenus sur base d'un échéancier de remboursement où :
D1 = 770,51
D2 = 770,51
...
D12 = 1.393,51 (770,51 + 350 + 273)
D13 = 770,51
...
D24 = 1.393,51 (770,51 + 350 + 273)
D25 = 770,51
...
D156 = 1.120,51 (770,51 + 350)
...
D240 = 768,01
L'équation est la suivante :
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 21-10-2016, p. 71011)
3. Voor de berekening van het illustratieve JKP in de ESIS wordt vertrokken van de volgende veronderstellingen :
- de kredietovereenkomst geldt voor de overeengekomen tijdsduur en de kredietgever en de consument komen hun verplichtingen na overeenkomstig de voorwaarden en op de data die in de kredietovereenkomst zijn bepaald (artikel 4, § 1, eerste lid van dit besluit);
- elke maand telt 30,41667 dagen (artikel 3, § 2, tweede lid, van dit besluit);
- de kortst mogelijke periode tussen de opname van het krediet (het verlijden van de akte) en de 1ste vervaldag van de kosten van de zichtrekening is 0 dagen, met name als de akte verleden wordt op de vervaldag van die kosten (artikel 4, § 2, 6°, b), van dit besluit;
- omdat de periodieke rentevoet - en dus ook de debetrentevoet - onderworpen is aan contractuele en wettelijke maximale wijzigingen wordt er van uitgegaan dat de periodieke rentevoet - en dus ook de debetrentevoet - bij de eerste gelegenheid stijgt tot het hoogste niveau waarin de kredietovereenkomst voorziet (zie bijlage 3 bij boek VII van het WER, deel B, rubriek 4, punt 2).
Bijgevolge is de periodieke rentevoet voor de berekening van het illustratieve JKP gelijk aan :
- 0,17740146 % (afgerond 2,15 % op jaarbasis), gedurende het eerste jaar, met name de contractuele periodieke rentevoet
- 0,26035526 % (afgerond 3,17 % op jaarbasis (20), en dus niet 2,15 % + 1 % = 3,15 %), gedurende het tweede jaar, met name, de contractuele periodieke rentevoet plus 1 % op jaarbasis (actuarieel omgezet naar een percentage op maandbasis van 0,0829538 % (21))
- 0,34255946 % (afgerond 4,19 % op jaarbasis (22), en dus niet 2,15 % + 2 % = 4,15 %), gedurende het derde jaar, met name, de contractuele periodieke rentevoet plus 2 % op jaarbasis (actuarieel omgezet naar een percentage op maandbasis van 0,165158 % (23))
- 0,35480292 % (afgerond 4,34 % op jaarbasis (24), en dus niet 2,15 % + 2,15 % = 4,30 %), gedurende de rest van het contract, met name, de contractuele periodieke rentevoet plus de contractueel maximale verhoging ( = de contractuele periodieke rentevoet x 2).
4. Voor de berekening van het illustratieve JKP in de ESIS wordt vertrokken van de volgende bedragen :
- een zelfde netto door de consument ontvangen bedrag in periode 0 van 145.172,95 euro (150.000 - 4.827,05) als in het geval van het niet illustratieve JKP;
- maandelijks vooraf te betalen kosten van 2,5 euro voor de zichtrekening;
- jaarlijkse kosten van 350 euro voor de brandverzekering, te betalen op dezelfde dag van de maand als de dag van het verlijden van de akte;
- gedurende de eerste 13 jaren, een jaarlijks bedrag van 273 euro voor de schuldsaldoverzekering, te betalen op dezelfde dag van de maand als de dag van het verlijden van de akte;
- maandelijks te betalen bedragen die het kapitaal en de debetrente aflossen en die na elke stijging van de periodieke rentevoet tot het maximale percentage herberekend worden, zonder de terugbetalingstermijn aan te passen, gelet op de veronderstelling dat de kredietovereenkomst geldt voor de overeengekomen tijdsduur.
Hetzij een maandelijks bedrag (zonder kosten) van 768,01 euro gedurende de eerste 12 maanden.
Het afgeronde verschuldigd blijvend saldo na het eerste jaar is 143.917,99 euro. Om dat bedrag af te lossen over de resterende 228 maanden, tegen een percentage dat het dichtst ligt bij de maximale periodieke rentevoet van 0,26035526 %, zonder dat percentage evenwel te overschrijden, en waarbij het verschuldigd blijvend saldo nul is, moet er maandelijks 837,79 euro betaald worden. Om tot een saldo van nul te komen is de toegepaste periodieke rentevoet in dat geval 0,26035132 % (afgerond 3,17 % op jaarbasis).
Hetzij een maandbedrag (zonder kosten) van 837,79 euro gedurende het tweede jaar.
Het afgeronde verschuldigd blijvend saldo na het 2de jaar is 138.280,55 euro. Om dat bedrag af te lossen over de resterende 216 maanden, tegen een percentage dat het dichtst ligt bij de maximale periodieke rentevoet van 0,34255946 %, zonder dat percentage evenwel te overschrijden, en waarbij het verschuldigd blijvend saldo nul is, moet er maandelijks 907,02 euro betaald worden. Om tot een saldo van nul te komen is de toegepaste periodieke rentevoet in dat geval 0,34255163 % (afgerond 4,19 % op jaarbasis).
Hetzij een maandbedrag (zonder kosten) van 907,02 euro gedurende het 3de jaar.
Het afgeronde verschuldigd blijvend saldo na het derde jaar is 132.981,40 euro. Om dat bedrag af te lossen over de resterende 204 maanden, tegen een percentage dat het dichtst ligt bij de maximale periodieke rentevoet van 0,35480292 %, zonder dat percentage evenwel te overschrijden, en waarbij het verschuldigd blijvend saldo nul is, moet er maandelijks 917,10 euro betaald worden. Om tot een saldo van nul te komen is de toegepaste periodieke rentevoet in dat geval evenwel 0,35480239 % (afgerond 4,34 % op jaarbasis).
Hetzij een maandbedrag (zonder kosten) van 917,10 euro gedurende de laatste 204 maanden.
De 240 hypothetische maandelijkse termijnbedragen Dl kunnen verkregen worden op basis van een aflossingsschema, waarbij :
D1 tot D11 = 770,51 (768,01 + 2,5)
D12 = 1.393,51 (768,01 + 2,5 + 350 + 273)
D13 tot D23 = 840,29 (837,79 + 2,5)
D24 = 1.463,29 (837,79 + 2,5 + 350 + 273)
D25 tot D35 = 909,52 (907,02 + 2,5)
D36 = 1.532,52 (907,02 + 2,5 + 350 + 273)
D37 tot D47 = 919,60 (917,10 + 2,5)
D48 = 1.542,60 (917,10 + 2,5 + 350 + 273)
D49 tot D59 = 919,60
D60 = 1.542,60 (917,10 + 2,5 + 350 + 273)
...
D156 = 1.269,60 (917,10 + 2,5 + 350)
...
D240 = 917,10
De vergelijking is de volgende :
3. Voor de berekening van het illustratieve JKP in de ESIS wordt vertrokken van de volgende veronderstellingen :
- de kredietovereenkomst geldt voor de overeengekomen tijdsduur en de kredietgever en de consument komen hun verplichtingen na overeenkomstig de voorwaarden en op de data die in de kredietovereenkomst zijn bepaald (artikel 4, § 1, eerste lid van dit besluit);
- elke maand telt 30,41667 dagen (artikel 3, § 2, tweede lid, van dit besluit);
- de kortst mogelijke periode tussen de opname van het krediet (het verlijden van de akte) en de 1ste vervaldag van de kosten van de zichtrekening is 0 dagen, met name als de akte verleden wordt op de vervaldag van die kosten (artikel 4, § 2, 6°, b), van dit besluit;
- omdat de periodieke rentevoet - en dus ook de debetrentevoet - onderworpen is aan contractuele en wettelijke maximale wijzigingen wordt er van uitgegaan dat de periodieke rentevoet - en dus ook de debetrentevoet - bij de eerste gelegenheid stijgt tot het hoogste niveau waarin de kredietovereenkomst voorziet (zie bijlage 3 bij boek VII van het WER, deel B, rubriek 4, punt 2).
Bijgevolge is de periodieke rentevoet voor de berekening van het illustratieve JKP gelijk aan :
- 0,17740146 % (afgerond 2,15 % op jaarbasis), gedurende het eerste jaar, met name de contractuele periodieke rentevoet
- 0,26035526 % (afgerond 3,17 % op jaarbasis (20), en dus niet 2,15 % + 1 % = 3,15 %), gedurende het tweede jaar, met name, de contractuele periodieke rentevoet plus 1 % op jaarbasis (actuarieel omgezet naar een percentage op maandbasis van 0,0829538 % (21))
- 0,34255946 % (afgerond 4,19 % op jaarbasis (22), en dus niet 2,15 % + 2 % = 4,15 %), gedurende het derde jaar, met name, de contractuele periodieke rentevoet plus 2 % op jaarbasis (actuarieel omgezet naar een percentage op maandbasis van 0,165158 % (23))
- 0,35480292 % (afgerond 4,34 % op jaarbasis (24), en dus niet 2,15 % + 2,15 % = 4,30 %), gedurende de rest van het contract, met name, de contractuele periodieke rentevoet plus de contractueel maximale verhoging ( = de contractuele periodieke rentevoet x 2).
4. Voor de berekening van het illustratieve JKP in de ESIS wordt vertrokken van de volgende bedragen :
- een zelfde netto door de consument ontvangen bedrag in periode 0 van 145.172,95 euro (150.000 - 4.827,05) als in het geval van het niet illustratieve JKP;
- maandelijks vooraf te betalen kosten van 2,5 euro voor de zichtrekening;
- jaarlijkse kosten van 350 euro voor de brandverzekering, te betalen op dezelfde dag van de maand als de dag van het verlijden van de akte;
- gedurende de eerste 13 jaren, een jaarlijks bedrag van 273 euro voor de schuldsaldoverzekering, te betalen op dezelfde dag van de maand als de dag van het verlijden van de akte;
- maandelijks te betalen bedragen die het kapitaal en de debetrente aflossen en die na elke stijging van de periodieke rentevoet tot het maximale percentage herberekend worden, zonder de terugbetalingstermijn aan te passen, gelet op de veronderstelling dat de kredietovereenkomst geldt voor de overeengekomen tijdsduur.
Hetzij een maandelijks bedrag (zonder kosten) van 768,01 euro gedurende de eerste 12 maanden.
Het afgeronde verschuldigd blijvend saldo na het eerste jaar is 143.917,99 euro. Om dat bedrag af te lossen over de resterende 228 maanden, tegen een percentage dat het dichtst ligt bij de maximale periodieke rentevoet van 0,26035526 %, zonder dat percentage evenwel te overschrijden, en waarbij het verschuldigd blijvend saldo nul is, moet er maandelijks 837,79 euro betaald worden. Om tot een saldo van nul te komen is de toegepaste periodieke rentevoet in dat geval 0,26035132 % (afgerond 3,17 % op jaarbasis).
Hetzij een maandbedrag (zonder kosten) van 837,79 euro gedurende het tweede jaar.
Het afgeronde verschuldigd blijvend saldo na het 2de jaar is 138.280,55 euro. Om dat bedrag af te lossen over de resterende 216 maanden, tegen een percentage dat het dichtst ligt bij de maximale periodieke rentevoet van 0,34255946 %, zonder dat percentage evenwel te overschrijden, en waarbij het verschuldigd blijvend saldo nul is, moet er maandelijks 907,02 euro betaald worden. Om tot een saldo van nul te komen is de toegepaste periodieke rentevoet in dat geval 0,34255163 % (afgerond 4,19 % op jaarbasis).
Hetzij een maandbedrag (zonder kosten) van 907,02 euro gedurende het 3de jaar.
Het afgeronde verschuldigd blijvend saldo na het derde jaar is 132.981,40 euro. Om dat bedrag af te lossen over de resterende 204 maanden, tegen een percentage dat het dichtst ligt bij de maximale periodieke rentevoet van 0,35480292 %, zonder dat percentage evenwel te overschrijden, en waarbij het verschuldigd blijvend saldo nul is, moet er maandelijks 917,10 euro betaald worden. Om tot een saldo van nul te komen is de toegepaste periodieke rentevoet in dat geval evenwel 0,35480239 % (afgerond 4,34 % op jaarbasis).
Hetzij een maandbedrag (zonder kosten) van 917,10 euro gedurende de laatste 204 maanden.
De 240 hypothetische maandelijkse termijnbedragen Dl kunnen verkregen worden op basis van een aflossingsschema, waarbij :
D1 tot D11 = 770,51 (768,01 + 2,5)
D12 = 1.393,51 (768,01 + 2,5 + 350 + 273)
D13 tot D23 = 840,29 (837,79 + 2,5)
D24 = 1.463,29 (837,79 + 2,5 + 350 + 273)
D25 tot D35 = 909,52 (907,02 + 2,5)
D36 = 1.532,52 (907,02 + 2,5 + 350 + 273)
D37 tot D47 = 919,60 (917,10 + 2,5)
D48 = 1.542,60 (917,10 + 2,5 + 350 + 273)
D49 tot D59 = 919,60
D60 = 1.542,60 (917,10 + 2,5 + 350 + 273)
...
D156 = 1.269,60 (917,10 + 2,5 + 350)
...
D240 = 917,10
De vergelijking is de volgende :
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 21-10-2016, p. 71011)
3. Le calcul du TAEG illustratif dans l'ESIS se fait sur la base des hypothèses suivantes :
- le contrat de crédit reste valable pendant la durée convenue et le prêteur et le consommateur remplissent leurs obligations selon les conditions et aux dates déterminées dans le contrat de crédit (l'article 4, § 1er, alinéa 1er du présent arrêté);
- chaque mois compte 30,41667 jours (article 3, § 2, alinéa 2, du présent arrêté);
- la période la plus courte entre le prélèvement du crédit (la passation de l'acte) et la première date d'échéance des coûts du compte à vue est de zéro jours, à savoir quand l'acte est passé à la date d'échéance de ces coûts (article 4, § 2, 6°, b), du présent arrêté);
- puisque le taux périodique - et donc également le taux débiteur- est soumis des modifications contractuelles et légales maximales, il est supposé que le taux périodique - et donc également le taux débiteur- augmente à la première occasion au plus haut niveau que le contrat de crédit prévoit (voir l'annexe 3 du livre VII du CDE, partie B, rubrique 4, point 2, du présent arrêté).
Par conséquent le taux périodique pour le calcul du TAEG illustratif est égal à :
- 0,17740146 % (arrondi à 2,15 % sur base annuelle) pendant la première année, à savoir le taux périodique contractuel
- 0,26035526 % (arrondi à 3,17 % sur base annuelle (20), et non pas 2,15 % + 1 % = 3,15 %) pendant la deuxième année, à savoir le taux périodique contractuel plus 1 % sur base annuelle (transformé de manière actuarielle vers un pourcentage mensuel de 0,0829538 % (21))
- 0,34255946 % (arrondi à 4,19 % sur base annuelle (22), et non pas 2,15 % + 2 % = 4,15 %) pendant la troisième année, à savoir le taux périodique contractuel plus 2 % sur base annuelle (transformé de manière actuarielle vers un pourcentage mensuel de 0,165158 % (23))
- 0,35480292 % (arrondi à 4,34 % sur base annuelle (24), et non pas 2,15 % + 2,15 % = 4,30 %) la durée restante du contrat, à savoir le taux périodique contractuel plus l'augmentation contractuelle maximale ( = le taux périodique contractuel x 2).
4. Le calcul du TAEG illustratif dans l'ESIS se fait sur base des montants suivants :
- un même montant net de 145.172,95 euros (150.000 - 4.827,05) reçu par le consommateur dans la période 0 comme dans le cas du TAEG non-illustratif;
- les coûts mensuels à payer préalablement de 2,5 euros pour le compte à vue;
- les coûts annuels de 350 euros pour l'assurance incendie à payer le même jour du mois que le jour de la passation de l'acte;
- durant les 13 premières années, un montant de 273 euros pour l'assurance solde restant dû payable annuellement le même jour du mois que le jour de la passation de l'acte;
- les montants mensuels à payer qui amortissent le capital et les intérêts débiteurs et qui, après chaque augmentation du taux périodique jusqu'au pourcentage maximal, sont recalculés sans que le délai de remboursement ne soit adapté, vu l'hypothèse que le contrat de crédit reste valable pour la durée convenue.
Soit le montant mensuel (sans coûts) de 768,01 euros pendant les 12 premiers mois.
Le solde restant dû arrondi après la première année est de 143.917,99 euros. Pour amortir ce montant sur les 228 mois restants, au pourcentage qui est le plus proche du taux périodique maximal de 0,26035526 %, sans toutefois dépasser ce pourcentage, et dont le solde restant dû est zéro, il faudra payer 837,79 euros mensuellement. Pour atteindre un solde de zéro, le taux périodique appliqué est dans ce cas de 0,26035132 % (arrondi à 3,17 % sur base annuelle).
Soit un montant mensuel (sans frais) de 837,79 euros pendant la deuxième année.
Le solde restant dû arrondi après la deuxième année est de 138.280,55 euros. Pour amortir ce montant sur les 216 mois restants, au pourcentage qui est le plus proche du taux périodique maximal de 0,34255946 %, sans toutefois dépasser ce pourcentage, et dont le solde restant dû est zéro, il faudra payer 907,02 euros mensuellement. Pour atteindre un solde de zéro, le taux périodique appliqué est dans ce cas de 0,34255163 % (arrondi à 4,19 % sur base annuelle).
Soit un montant mensuel (sans coûts) de 907,02 euros pendant la troisième année.
Le solde restant dû arrondi après la troisième année est de 132.981,40 euros. Pour amortir ce montant sur les 204 mois restants, au pourcentage qui est le plus proche du taux périodique maximal de 0,35480292 %, sans toutefois dépasser ce pourcentage, et dont le solde restant dû est zéro, il faudra payer 917,10 euros mensuellement. Pour atteindre un solde de zéro, le taux périodique appliqué est cependant dans ce cas de 0,35480239 % (arrondi à 4,34 % sur base annuelle).
Soit un montant mensuel (sans frais) de 917,10 euros pendant les 204 derniers mois.
Les 12 montants de terme mensuels Dl hypothétiques peuvent être obtenus sur base d'un échéancier de remboursement où :
D1 à D11 = 770,51 (768,01 + 2,5)
D12 = 1.393,51 (768,01 + 2,5 + 350 + 273)
D13 à D23 = 840,29 (837,79 + 2,5)
D24 = 1.463,29 (837,79 + 2,5 + 350 + 273)
D25 à D35 = 909,52 (907,02 + 2,5)
D36 = 1.532,52 (907,02 + 2,5 + 350 + 273)
D37 à D47 = 919,60 (917,10 + 2,5)
D48 = 1.542,60 (917,10 + 2,5 + 350 + 273)
D49 à D59 = 919,60
D60 = 1.542,60 (917,10 + 2,5 + 350 + 273)
...
D156 = 1.269,60 (917,10 + 2,5 + 350)
...
D240 = 917,10
L'équation est la suivante :
3. Le calcul du TAEG illustratif dans l'ESIS se fait sur la base des hypothèses suivantes :
- le contrat de crédit reste valable pendant la durée convenue et le prêteur et le consommateur remplissent leurs obligations selon les conditions et aux dates déterminées dans le contrat de crédit (l'article 4, § 1er, alinéa 1er du présent arrêté);
- chaque mois compte 30,41667 jours (article 3, § 2, alinéa 2, du présent arrêté);
- la période la plus courte entre le prélèvement du crédit (la passation de l'acte) et la première date d'échéance des coûts du compte à vue est de zéro jours, à savoir quand l'acte est passé à la date d'échéance de ces coûts (article 4, § 2, 6°, b), du présent arrêté);
- puisque le taux périodique - et donc également le taux débiteur- est soumis des modifications contractuelles et légales maximales, il est supposé que le taux périodique - et donc également le taux débiteur- augmente à la première occasion au plus haut niveau que le contrat de crédit prévoit (voir l'annexe 3 du livre VII du CDE, partie B, rubrique 4, point 2, du présent arrêté).
Par conséquent le taux périodique pour le calcul du TAEG illustratif est égal à :
- 0,17740146 % (arrondi à 2,15 % sur base annuelle) pendant la première année, à savoir le taux périodique contractuel
- 0,26035526 % (arrondi à 3,17 % sur base annuelle (20), et non pas 2,15 % + 1 % = 3,15 %) pendant la deuxième année, à savoir le taux périodique contractuel plus 1 % sur base annuelle (transformé de manière actuarielle vers un pourcentage mensuel de 0,0829538 % (21))
- 0,34255946 % (arrondi à 4,19 % sur base annuelle (22), et non pas 2,15 % + 2 % = 4,15 %) pendant la troisième année, à savoir le taux périodique contractuel plus 2 % sur base annuelle (transformé de manière actuarielle vers un pourcentage mensuel de 0,165158 % (23))
- 0,35480292 % (arrondi à 4,34 % sur base annuelle (24), et non pas 2,15 % + 2,15 % = 4,30 %) la durée restante du contrat, à savoir le taux périodique contractuel plus l'augmentation contractuelle maximale ( = le taux périodique contractuel x 2).
4. Le calcul du TAEG illustratif dans l'ESIS se fait sur base des montants suivants :
- un même montant net de 145.172,95 euros (150.000 - 4.827,05) reçu par le consommateur dans la période 0 comme dans le cas du TAEG non-illustratif;
- les coûts mensuels à payer préalablement de 2,5 euros pour le compte à vue;
- les coûts annuels de 350 euros pour l'assurance incendie à payer le même jour du mois que le jour de la passation de l'acte;
- durant les 13 premières années, un montant de 273 euros pour l'assurance solde restant dû payable annuellement le même jour du mois que le jour de la passation de l'acte;
- les montants mensuels à payer qui amortissent le capital et les intérêts débiteurs et qui, après chaque augmentation du taux périodique jusqu'au pourcentage maximal, sont recalculés sans que le délai de remboursement ne soit adapté, vu l'hypothèse que le contrat de crédit reste valable pour la durée convenue.
Soit le montant mensuel (sans coûts) de 768,01 euros pendant les 12 premiers mois.
Le solde restant dû arrondi après la première année est de 143.917,99 euros. Pour amortir ce montant sur les 228 mois restants, au pourcentage qui est le plus proche du taux périodique maximal de 0,26035526 %, sans toutefois dépasser ce pourcentage, et dont le solde restant dû est zéro, il faudra payer 837,79 euros mensuellement. Pour atteindre un solde de zéro, le taux périodique appliqué est dans ce cas de 0,26035132 % (arrondi à 3,17 % sur base annuelle).
Soit un montant mensuel (sans frais) de 837,79 euros pendant la deuxième année.
Le solde restant dû arrondi après la deuxième année est de 138.280,55 euros. Pour amortir ce montant sur les 216 mois restants, au pourcentage qui est le plus proche du taux périodique maximal de 0,34255946 %, sans toutefois dépasser ce pourcentage, et dont le solde restant dû est zéro, il faudra payer 907,02 euros mensuellement. Pour atteindre un solde de zéro, le taux périodique appliqué est dans ce cas de 0,34255163 % (arrondi à 4,19 % sur base annuelle).
Soit un montant mensuel (sans coûts) de 907,02 euros pendant la troisième année.
Le solde restant dû arrondi après la troisième année est de 132.981,40 euros. Pour amortir ce montant sur les 204 mois restants, au pourcentage qui est le plus proche du taux périodique maximal de 0,35480292 %, sans toutefois dépasser ce pourcentage, et dont le solde restant dû est zéro, il faudra payer 917,10 euros mensuellement. Pour atteindre un solde de zéro, le taux périodique appliqué est cependant dans ce cas de 0,35480239 % (arrondi à 4,34 % sur base annuelle).
Soit un montant mensuel (sans frais) de 917,10 euros pendant les 204 derniers mois.
Les 12 montants de terme mensuels Dl hypothétiques peuvent être obtenus sur base d'un échéancier de remboursement où :
D1 à D11 = 770,51 (768,01 + 2,5)
D12 = 1.393,51 (768,01 + 2,5 + 350 + 273)
D13 à D23 = 840,29 (837,79 + 2,5)
D24 = 1.463,29 (837,79 + 2,5 + 350 + 273)
D25 à D35 = 909,52 (907,02 + 2,5)
D36 = 1.532,52 (907,02 + 2,5 + 350 + 273)
D37 à D47 = 919,60 (917,10 + 2,5)
D48 = 1.542,60 (917,10 + 2,5 + 350 + 273)
D49 à D59 = 919,60
D60 = 1.542,60 (917,10 + 2,5 + 350 + 273)
...
D156 = 1.269,60 (917,10 + 2,5 + 350)
...
D240 = 917,10
L'équation est la suivante :
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 21-10-2016, p. 71013)
Voorbeeld 34 - Een voorbeeld ter verduidelijking van een hypothecaire kredietovereenkomst die binnen 18 maanden moet worden afgelost en die door de consument als tijdelijke financieringsoplossing wordt gebruikt terwijl hij de overstap maakt naar een andere financiële regeling voor het onroerend goed.
Een kredietbedrag van 80.000 euro voor de aankoop van een woning, terug te betalen in een enkele betaling na 18 maanden, en maandelijks te betalen interesten tegen een vaste maandelijkse rentevoet van 0,2871 % (3,5001 % op jaarbasis), zonder hypotheek. De consument moet het kredietbedrag opnemen ten laatste een maand na het sluiten van de kredietovereenkomst.
De dossierkosten bedragen 200 euro, onmiddellijk te betalen.
Er is geen brandverzekering of schuldsaldoverzekering verplicht.
1. Voor de berekening van het JKP wordt vertrokken van de volgende veronderstellingen :
- de kredietovereenkomst geldt voor de overeengekomen tijdsduur en de kredietgever en de consument komen hun verplichtingen na overeenkomstig de voorwaarden en op de data die in de kredietovereenkomst zijn bepaald (artikel 4, § 1,eerste lid, van dit besluit);
- elke maand telt 30,41667 dagen (artikel 3, § 2, tweede lid, van dit besluit);
- het kredietbedrag wordt volledig en voor de volledige duur van de kredietovereenkomst opgenomen (de artikelen 4, §§ 1, 1ste lid en 2, 1° van dit besluit (25));
2. De berekening van het JKP gebeurt op basis van de volgende bedragen en tijdstippen van betaling :
- Een kredietbedrag van 80.000 euro;
- Een onmiddellijk te betalen bedrag van 200 euro dossierkosten.
Hetzij een netto door de consument ontvangen bedrag in periode 0 van 79.800 euro (80.000 - 200).
- 17 maandelijkse termijnbedragen van 229,68 euro, enkel debetrente, berekend door exact 0,002871 (26) te vermenigvuldigen met 80.000 euro;
- een laatste termijnbedrag van 80.229,68 euro (80.000 + 229,68 euro).
De 18 hypothetische maandelijkse termijnbedragen Dl kunnen verkregen worden op basis van een aflossingsschema, waarbij :
D1 = 229,68
D2 = 229,68
...
D17 = 229,68
D18 = 80.229,68
De vergelijking is de volgende :
Voorbeeld 34 - Een voorbeeld ter verduidelijking van een hypothecaire kredietovereenkomst die binnen 18 maanden moet worden afgelost en die door de consument als tijdelijke financieringsoplossing wordt gebruikt terwijl hij de overstap maakt naar een andere financiële regeling voor het onroerend goed.
Een kredietbedrag van 80.000 euro voor de aankoop van een woning, terug te betalen in een enkele betaling na 18 maanden, en maandelijks te betalen interesten tegen een vaste maandelijkse rentevoet van 0,2871 % (3,5001 % op jaarbasis), zonder hypotheek. De consument moet het kredietbedrag opnemen ten laatste een maand na het sluiten van de kredietovereenkomst.
De dossierkosten bedragen 200 euro, onmiddellijk te betalen.
Er is geen brandverzekering of schuldsaldoverzekering verplicht.
1. Voor de berekening van het JKP wordt vertrokken van de volgende veronderstellingen :
- de kredietovereenkomst geldt voor de overeengekomen tijdsduur en de kredietgever en de consument komen hun verplichtingen na overeenkomstig de voorwaarden en op de data die in de kredietovereenkomst zijn bepaald (artikel 4, § 1,eerste lid, van dit besluit);
- elke maand telt 30,41667 dagen (artikel 3, § 2, tweede lid, van dit besluit);
- het kredietbedrag wordt volledig en voor de volledige duur van de kredietovereenkomst opgenomen (de artikelen 4, §§ 1, 1ste lid en 2, 1° van dit besluit (25));
2. De berekening van het JKP gebeurt op basis van de volgende bedragen en tijdstippen van betaling :
- Een kredietbedrag van 80.000 euro;
- Een onmiddellijk te betalen bedrag van 200 euro dossierkosten.
Hetzij een netto door de consument ontvangen bedrag in periode 0 van 79.800 euro (80.000 - 200).
- 17 maandelijkse termijnbedragen van 229,68 euro, enkel debetrente, berekend door exact 0,002871 (26) te vermenigvuldigen met 80.000 euro;
- een laatste termijnbedrag van 80.229,68 euro (80.000 + 229,68 euro).
De 18 hypothetische maandelijkse termijnbedragen Dl kunnen verkregen worden op basis van een aflossingsschema, waarbij :
D1 = 229,68
D2 = 229,68
...
D17 = 229,68
D18 = 80.229,68
De vergelijking is de volgende :
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 21-10-2016, p. 71013)
Exemple 34 - Un exemple pour illustrer un contrat de crédit hypothécaire qui doit être remboursé dans les 18 mois et qui est utilisé par le consommateur comme une solution de financement provisoire alors qu'il fait la transition vers un autre régime financier pour le bien immeuble.
Un montant de crédit de 80.000 euros pour l'achat d'une habitation, à rembourser en un seul paiement après 18 mois, et des intérêts à payer mensuellement à un taux d'intérêt mensuel fixe de 0,2871 % (3,5001 % sur base annuelle), sans hypothèque. Le consommateur doit prélever le montant du crédit au plus tard un mois après la conclusion du contrat de crédit.
Les frais de dossier s'élèvent à 200 euros, à payer immédiatement.
Il n'y a pas d'assurance incendie ou d'assurance solde restant dû obligatoire.
1. Le calcul du TAEG a comme point de départ les hypothèses suivantes :
- le contrat de crédit reste valable pendant la durée convenue et le prêteur et le consommateur remplissent leurs obligations selon les conditions et aux dates déterminées dans le contrat de crédit (article 4, § 1er, alinéa 1er, du présent arrêté);
- chaque mois compte 30,41667 jours (article 3, § 2, alinéa 2, du présent arrêté);
- le montant du crédit est prélevé entièrement et pour la durée totale du contrat de crédit (les articles 4, §§ 1, alinéa 1er et 2, 1° du présent arrêté (25));
Le calcul du TAEG se fait sur la base des montants et moments de paiement suivants :
- Un montant du crédit de 80.000 euros;
- Un montant de 200 euros de frais de dossier, payable immédiatement.
Soit un montant net de 79.800 euros (80.000 - 200) reçu par le consommateur dans la période 0.
- 17 montants de terme mensuels de 229,68 euros, uniquement des intérêts débiteurs, calculés en multipliant précisément 0,002871 (26) par 80.000 euros;
- un dernier montant de terme de 80.229,68 euros (80.000 + 229,68 euros).
Les 18 montants de terme mensuels Dl hypothétiques peuvent être obtenus sur base d'un échéancier de remboursement où :
D1 = 229,68
D2 = 229,68
...
D17 = 229,68
D18 = 80.229,68
L'équation est la suivante :
Exemple 34 - Un exemple pour illustrer un contrat de crédit hypothécaire qui doit être remboursé dans les 18 mois et qui est utilisé par le consommateur comme une solution de financement provisoire alors qu'il fait la transition vers un autre régime financier pour le bien immeuble.
Un montant de crédit de 80.000 euros pour l'achat d'une habitation, à rembourser en un seul paiement après 18 mois, et des intérêts à payer mensuellement à un taux d'intérêt mensuel fixe de 0,2871 % (3,5001 % sur base annuelle), sans hypothèque. Le consommateur doit prélever le montant du crédit au plus tard un mois après la conclusion du contrat de crédit.
Les frais de dossier s'élèvent à 200 euros, à payer immédiatement.
Il n'y a pas d'assurance incendie ou d'assurance solde restant dû obligatoire.
1. Le calcul du TAEG a comme point de départ les hypothèses suivantes :
- le contrat de crédit reste valable pendant la durée convenue et le prêteur et le consommateur remplissent leurs obligations selon les conditions et aux dates déterminées dans le contrat de crédit (article 4, § 1er, alinéa 1er, du présent arrêté);
- chaque mois compte 30,41667 jours (article 3, § 2, alinéa 2, du présent arrêté);
- le montant du crédit est prélevé entièrement et pour la durée totale du contrat de crédit (les articles 4, §§ 1, alinéa 1er et 2, 1° du présent arrêté (25));
Le calcul du TAEG se fait sur la base des montants et moments de paiement suivants :
- Un montant du crédit de 80.000 euros;
- Un montant de 200 euros de frais de dossier, payable immédiatement.
Soit un montant net de 79.800 euros (80.000 - 200) reçu par le consommateur dans la période 0.
- 17 montants de terme mensuels de 229,68 euros, uniquement des intérêts débiteurs, calculés en multipliant précisément 0,002871 (26) par 80.000 euros;
- un dernier montant de terme de 80.229,68 euros (80.000 + 229,68 euros).
Les 18 montants de terme mensuels Dl hypothétiques peuvent être obtenus sur base d'un échéancier de remboursement où :
D1 = 229,68
D2 = 229,68
...
D17 = 229,68
D18 = 80.229,68
L'équation est la suivante :
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 21-10-2016, p. 71014)
Voorbeeld 35 - Een voorbeeld ter verduidelijking van een hypothecaire kredietovereenkomst van onbepaalde duur die door de consument als tijdelijke financieringsoplossing wordt gebruikt terwijl hij de overstap maakt naar een andere financiële regeling voor het onroerend goed.
Een overbruggingskrediet van 80.000 euro van onbepaalde duur voor de aankoop van een woning. Aflossing van het kapitaal op het moment dat de woning verkocht wordt. Maandelijks te betalen interesten tegen een vaste maandelijkse rentevoet van 0,2871 % (3,5001 % op jaarbasis). Er wordt geen hypotheek gevraagd.
De dossierkosten bedragen 200 euro, onmiddellijk te betalen.
Er is geen brandverzekering of schuldsaldoverzekering verplicht.
1. Voor de berekening van het JKP wordt vertrokken van de volgende veronderstellingen :
- de kredietovereenkomst geldt voor de overeengekomen tijdsduur en de kredietgever en de consument komen hun verplichtingen na overeenkomstig de voorwaarden en op de data die in de kredietovereenkomst zijn bepaald (artikel 4, § 1,eerste lid, van dit besluit);
- elke maand telt 30,41667 dagen (artikel 3, § 2, tweede lid, van dit besluit);.
- het kredietbedrag wordt volledig en voor de volledige duur van de kredietovereenkomst opgenomen (artikel 4, § 2, 4° van dit besluit);
- de duur bedraagt twaalf maanden (artikel 4, § 2, 4°, in fine van dit besluit);
2. De berekening van het JKP gebeurt op basis van de volgende bedragen en tijdstippen van betaling :
- Een kredietbedrag van 80.000 euro;
- Een onmiddellijk te betalen bedrag van 200 euro dossierkosten;
Hetzij een netto door de consument ontvangen bedrag in periode 0 van 79.800 euro (80.000 - 200).
- 11 maandelijkse termijnbedragen van 229,68 euro, enkel debetrente, berekend door exact 0,002871 te vermenigvuldigen met 80.000 euro;
- Een laatste termijnbedrag van 80.229,68 euro (80.000 + 229,68 euro).
De 12 hypothetische maandelijkse termijnbedragen Dl kunnen verkregen worden op basis van een aflossingsschema, waarbij :
D1 = 229,68
D2 = 229,68
...
D11 = 229,68
D12 = 80.229,68
De vergelijking is de volgende :
Voorbeeld 35 - Een voorbeeld ter verduidelijking van een hypothecaire kredietovereenkomst van onbepaalde duur die door de consument als tijdelijke financieringsoplossing wordt gebruikt terwijl hij de overstap maakt naar een andere financiële regeling voor het onroerend goed.
Een overbruggingskrediet van 80.000 euro van onbepaalde duur voor de aankoop van een woning. Aflossing van het kapitaal op het moment dat de woning verkocht wordt. Maandelijks te betalen interesten tegen een vaste maandelijkse rentevoet van 0,2871 % (3,5001 % op jaarbasis). Er wordt geen hypotheek gevraagd.
De dossierkosten bedragen 200 euro, onmiddellijk te betalen.
Er is geen brandverzekering of schuldsaldoverzekering verplicht.
1. Voor de berekening van het JKP wordt vertrokken van de volgende veronderstellingen :
- de kredietovereenkomst geldt voor de overeengekomen tijdsduur en de kredietgever en de consument komen hun verplichtingen na overeenkomstig de voorwaarden en op de data die in de kredietovereenkomst zijn bepaald (artikel 4, § 1,eerste lid, van dit besluit);
- elke maand telt 30,41667 dagen (artikel 3, § 2, tweede lid, van dit besluit);.
- het kredietbedrag wordt volledig en voor de volledige duur van de kredietovereenkomst opgenomen (artikel 4, § 2, 4° van dit besluit);
- de duur bedraagt twaalf maanden (artikel 4, § 2, 4°, in fine van dit besluit);
2. De berekening van het JKP gebeurt op basis van de volgende bedragen en tijdstippen van betaling :
- Een kredietbedrag van 80.000 euro;
- Een onmiddellijk te betalen bedrag van 200 euro dossierkosten;
Hetzij een netto door de consument ontvangen bedrag in periode 0 van 79.800 euro (80.000 - 200).
- 11 maandelijkse termijnbedragen van 229,68 euro, enkel debetrente, berekend door exact 0,002871 te vermenigvuldigen met 80.000 euro;
- Een laatste termijnbedrag van 80.229,68 euro (80.000 + 229,68 euro).
De 12 hypothetische maandelijkse termijnbedragen Dl kunnen verkregen worden op basis van een aflossingsschema, waarbij :
D1 = 229,68
D2 = 229,68
...
D11 = 229,68
D12 = 80.229,68
De vergelijking is de volgende :
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 21-10-2016, p. 71014)
Exemple 35 - Un exemple pour illustrer un contrat de crédit hypothécaire à durée indéterminée qui est utilisé par le consommateur comme une solution de financement provisoire alors qu'il fait la transition vers un autre régime financier pour le bien immobilier.
Un crédit pont de 80.000 euros à durée indéterminée pour l'achat d'une habitation. Remboursement du capital au moment où l'habitation est vendue. Intérêts à payer mensuellement à un taux d'intérêt mensuel fixe de 0,2871 % (3,5001 % sur base annuelle). Une hypothèque n'est pas demandée.
Les frais de dossier s'élèvent à 200 euros, à payer immédiatement.
Il n'y a pas d'assurance incendie ou d'assurance solde restant dû obligatoire.
1. Le calcul du TAEG a comme point de départ les hypothèses suivantes :
- le contrat de crédit reste valable pendant la durée convenue et le prêteur et le consommateur remplissent leurs obligations selon les conditions et aux dates déterminées dans le contrat de crédit (article 4, § 1er, alinéa 1er, du présent arrêté);
- chaque mois compte 30,41667 jours (article 3, § 2, alinéa 2, du présent arrêté);
- le montant du crédit est prélevé entièrement et pour la durée totale du contrat de crédit (article 4, § 2, 4° du présent arrêté);
- la durée s'élève à douze mois ( article 4, § 2, 4°, in fine du présent arrêté);
Le calcul du TAEG se fait sur base des montants et moments de paiement suivants :
- Un montant de crédit de 80.000 euros;
- Un montant de 200 euros de frais de dossier, payable immédiatement;
Soit un montant net de 79.800 euros (80.000 - 200) reçu par le consommateur dans la période 0.
- 11 montants de terme mensuels de 229,68 euros, uniquement des intérêts débiteurs, calculés en multipliant précisément 0,002871 par 80.000 euros;
- Un dernier montant de terme de 80.229,68 euros (80.000 + 229,68 euros).
Les 12 montants de terme mensuels Dl hypothétiques peuvent être obtenus sur base d'un échéancier de remboursement où :
D1 = 229,68
D2 = 229,68
...
D11 = 229,68
D12 = 80.229,68
L'équation est la suivante :
Exemple 35 - Un exemple pour illustrer un contrat de crédit hypothécaire à durée indéterminée qui est utilisé par le consommateur comme une solution de financement provisoire alors qu'il fait la transition vers un autre régime financier pour le bien immobilier.
Un crédit pont de 80.000 euros à durée indéterminée pour l'achat d'une habitation. Remboursement du capital au moment où l'habitation est vendue. Intérêts à payer mensuellement à un taux d'intérêt mensuel fixe de 0,2871 % (3,5001 % sur base annuelle). Une hypothèque n'est pas demandée.
Les frais de dossier s'élèvent à 200 euros, à payer immédiatement.
Il n'y a pas d'assurance incendie ou d'assurance solde restant dû obligatoire.
1. Le calcul du TAEG a comme point de départ les hypothèses suivantes :
- le contrat de crédit reste valable pendant la durée convenue et le prêteur et le consommateur remplissent leurs obligations selon les conditions et aux dates déterminées dans le contrat de crédit (article 4, § 1er, alinéa 1er, du présent arrêté);
- chaque mois compte 30,41667 jours (article 3, § 2, alinéa 2, du présent arrêté);
- le montant du crédit est prélevé entièrement et pour la durée totale du contrat de crédit (article 4, § 2, 4° du présent arrêté);
- la durée s'élève à douze mois ( article 4, § 2, 4°, in fine du présent arrêté);
Le calcul du TAEG se fait sur base des montants et moments de paiement suivants :
- Un montant de crédit de 80.000 euros;
- Un montant de 200 euros de frais de dossier, payable immédiatement;
Soit un montant net de 79.800 euros (80.000 - 200) reçu par le consommateur dans la période 0.
- 11 montants de terme mensuels de 229,68 euros, uniquement des intérêts débiteurs, calculés en multipliant précisément 0,002871 par 80.000 euros;
- Un dernier montant de terme de 80.229,68 euros (80.000 + 229,68 euros).
Les 12 montants de terme mensuels Dl hypothétiques peuvent être obtenus sur base d'un échéancier de remboursement où :
D1 = 229,68
D2 = 229,68
...
D11 = 229,68
D12 = 80.229,68
L'équation est la suivante :
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 21-10-2016, p. 71015)
Voorbeeld 36 - Een voorbeeld ter verduidelijking van een "gecombineerd" hypothecair krediet met een onroerende bestemming.
De kredietgever sluit met de kredietnemers een kaderovereenkomst voor een kredietbedrag opneembaar in de vorm van meerdere voorschotten van bepaalde duur, "woningkredieten" genoemd, die niet wederopneembaar zijn en waarvoor er geen bijkomende goedkeuring per afzonderlijk voorschot nodig is. De limiet van de kaderovereenkomst is gelijk aan de som van de woningkredieten (voorschotten) en bedraagt 310.000 euro.
Het eerste woningkrediet bedraagt 150.000 euro voor de aankoop van de woning, terug te betalen overeenkomstig de voorwaarden in voorbeeld 33 van deze bijlage (supra).
Het tweede woningkrediet bedraagt 80.000 euro voor verbouwingen aan de woning, terug te betalen over een periode van 180 maanden in 6 maandelijkse rentebetalingen en 174 maandelijkse kapitaalaflossingen van 173 keer 459,77 euro en een laatste kapitaalaflossing van 459,79 euro.
De rentevoet is vast en bedraagt 0,2450 % per maand of 2,9799 % per jaar.
Op het bedrag dat niet opgenomen is binnen de 5 maanden na de aanvang van het woningkrediet wordt een vergoeding voor de terbeschikkingstelling van het kapitaal ("een reserveringscommissie") aangerekend van 0,1652 % per maand.
Het krediet moet opgenomen worden in schijven van minimaal 2.500 euro en moet volledig opgenomen zijn in een periode van 12 maanden, die verlengd kan worden tot maximaal 24 maanden. Als het woningkrediet na die periode niet volledig opgenomen is, dan wordt het bedrag van het woningkrediet herleid tot het opgenomen bedrag en worden de betalingsverplichtingen van de kredietnemers herberekend met behoud van de duur van het woningkrediet.
Het derde woningkrediet bedraagt 80.000 euro voor de aankoop van de woning in de vorm van een overbruggingskrediet terug te betalen na 12 maanden tegen een maandelijkse vaste rentevoet van 0,1570 % (1,9004 % op jaarbasis).
De kredietgever vraagt een hypothecaire inschrijving voor een bedrag van 150.000 euro in hoofdsom te vermeerderen met interest en bijhorigheden voor het woningkrediet van 150.000 euro en een hypothecaire volmacht voor een bedrag van 80.000 euro in hoofdsom te vermeerderen met interest en bijhorigheden voor het verbouwingskrediet.
De dossierkosten bedragen 350 euro, de schattingskosten 180 euro per geschatte woonst (27), te betalen bij het verlijden van de akte tot vestiging van de kredietovereenkomst, hetzij de datum van de kredietopname (terbeschikkingstelling van het kredietbedrag).
Een brandverzekering (exclusief dekking diefstal en inboedel) is verplicht voor het woningkrediet van 150.000 euro voor de aankoop van de woning en voor het verbouwingskrediet maar niet voor het overbruggingskrediet (ingevolge de hypothecaire inschrijving en de hypothecaire volmacht). De kredietgever kent de kosten (350,00 euro, inclusief taksen, jaarlijks vooraf te betalen).
De schuldsaldoverzekering is enkel verplicht voor het woningkrediet van 150.000 euro. De kredietgever kent de kosten (273 euro gedurende 13 jaar, jaarlijks vooraf te betalen).
De zichtrekening (2,5 euro maandelijks vooraf te betalen) is verplicht om het volledige krediet te krijgen tegen een lagere periodieke rentevoet voor elk van de woningkredieten, wat de consument aanvaard heeft.
Het JKP wordt berekend voor elk woningkrediet (voorschot) afzonderlijk. De kosten die voor meerdere woonkredieten samen betaald worden, in casu de dossierkosten, de zichtrekeningkosten en de brandverzekeringkosten, worden pro rata verdeeld over de betreffende woonkredieten.
1. Het JKP van het eerste woningkrediet is niet gelijk aan dat van voorbeeld 33 in deze bijlage (zie supra) omdat de dossierkosten en de kosten van de zichtrekening pro rata verdeeld worden over de drie woonkredieten. De brandverzekering wordt pro rata verdeeld over 2 woonkredieten.
De in rekening te brengen eenmalige dossierkosten bedragen 350 x (150.000/310.000) = 169,36 euro (28).
De in rekening te brengen maandelijkse zichtrekeningkosten bedragen 2,5 euro x (150.000/310.000) = 1,20 euro per maand (29).
De in rekening te brengen jaarlijkse kosten van de brandverzekering bedragen 350 x (150.000/230.000) = 228,26 euro.
De overige kosten zijn dezelfde als die in voorbeeld 33.
1. Voor de berekening van het JKP wordt vertrokken van dezelfde veronderstellingen als die in vb. 33.
2. De berekening van het JKP gebeurt op basis van de volgende bedragen en tijdstippen van betaling :
Een kredietbedrag van 150.000 euro.
Een onmiddellijk te betalen bedrag van 4.523,37 euro, met name, 169,36 euro dossierkosten, 180 euro schattingskosten, 690,55 euro kosten voor het hypotheekkantoor, 1.650 euro registratierechten, 1.331 euro diverse aktekosten inclusief btw, 228,26 euro voor de brandverzekering, 273 euro voor de schuldsaldoverzekering en 1,20 euro kosten voor de zichtrekening.
Hetzij een netto door de consument ontvangen bedrag in periode 0 van 145.476,63 euro (150.000 - 4.523,37).
Een maandelijks te betalen bedrag van 768,01 euro om het kredietbedrag af te lossen en de debetrente te betalen, waarbij een maand 30,4167 dagen telt.
Maandelijks vooraf te betalen kosten van de zichtrekening van 1,20 euro, een eerste keer op dezelfde dag als het verlijden van de akte tot vestiging van de kredietovereenkomst, en vervolgens telkens een maand later, waarbij een maand 30,4167 dagen telt. Het laatste termijnbedrag bevat geen kosten van de zichtrekening omdat ze vooraf betaald worden.
Hetzij 239 termijnbedragen van 769,21 euro die het kredietbedrag, de debetrente en de kosten van de zichtrekening terugbetalen, en een laatste 240ste termijnbedrag van 768,01 euro dat enkel kapitaal en debetrente terugbetaalt.
Het eerste maandbedrag bestaat, naast de kosten van 1,20 euro, uit 266,10 euro debetrente en 501,91 euro kapitaal, waarbij de debetrente werd berekend door 0,0017740146, of 1,021497(1/12) - 1, te vermenigvuldigen met 150.000 euro.
Een jaarlijks bedrag van 228,26 euro voor de brandverzekering, te betalen op dezelfde dag van de maand als de dag van het verlijden van de akte tot vestiging van de kredietovereenkomst.
Gedurende de eerste 13 jaren, een jaarlijks bedrag van 273 euro voor de schuldsaldoverzekering, te betalen op dezelfde dag van de maand als de dag van het verlijden van de akte tot vestiging van de kredietovereenkomst.
De 240 hypothetische maandelijkse termijnbedragen Dl kunnen verkregen worden op basis van een aflossingsschema, waarbij :
D1 = 769,21
D2 = 769,21
...
D12 = 1270,47 (769,21 + 228,26 + 273)
D13 = 769,21
...
D24 = 1270,47 (769,21 + 228,26 + 273)
D25 = 769,21
...
D156 = 997,47 (769,21 + 228,26)
...
D240 = 768,01
De vergelijking is de volgende :
Voorbeeld 36 - Een voorbeeld ter verduidelijking van een "gecombineerd" hypothecair krediet met een onroerende bestemming.
De kredietgever sluit met de kredietnemers een kaderovereenkomst voor een kredietbedrag opneembaar in de vorm van meerdere voorschotten van bepaalde duur, "woningkredieten" genoemd, die niet wederopneembaar zijn en waarvoor er geen bijkomende goedkeuring per afzonderlijk voorschot nodig is. De limiet van de kaderovereenkomst is gelijk aan de som van de woningkredieten (voorschotten) en bedraagt 310.000 euro.
Het eerste woningkrediet bedraagt 150.000 euro voor de aankoop van de woning, terug te betalen overeenkomstig de voorwaarden in voorbeeld 33 van deze bijlage (supra).
Het tweede woningkrediet bedraagt 80.000 euro voor verbouwingen aan de woning, terug te betalen over een periode van 180 maanden in 6 maandelijkse rentebetalingen en 174 maandelijkse kapitaalaflossingen van 173 keer 459,77 euro en een laatste kapitaalaflossing van 459,79 euro.
De rentevoet is vast en bedraagt 0,2450 % per maand of 2,9799 % per jaar.
Op het bedrag dat niet opgenomen is binnen de 5 maanden na de aanvang van het woningkrediet wordt een vergoeding voor de terbeschikkingstelling van het kapitaal ("een reserveringscommissie") aangerekend van 0,1652 % per maand.
Het krediet moet opgenomen worden in schijven van minimaal 2.500 euro en moet volledig opgenomen zijn in een periode van 12 maanden, die verlengd kan worden tot maximaal 24 maanden. Als het woningkrediet na die periode niet volledig opgenomen is, dan wordt het bedrag van het woningkrediet herleid tot het opgenomen bedrag en worden de betalingsverplichtingen van de kredietnemers herberekend met behoud van de duur van het woningkrediet.
Het derde woningkrediet bedraagt 80.000 euro voor de aankoop van de woning in de vorm van een overbruggingskrediet terug te betalen na 12 maanden tegen een maandelijkse vaste rentevoet van 0,1570 % (1,9004 % op jaarbasis).
De kredietgever vraagt een hypothecaire inschrijving voor een bedrag van 150.000 euro in hoofdsom te vermeerderen met interest en bijhorigheden voor het woningkrediet van 150.000 euro en een hypothecaire volmacht voor een bedrag van 80.000 euro in hoofdsom te vermeerderen met interest en bijhorigheden voor het verbouwingskrediet.
De dossierkosten bedragen 350 euro, de schattingskosten 180 euro per geschatte woonst (27), te betalen bij het verlijden van de akte tot vestiging van de kredietovereenkomst, hetzij de datum van de kredietopname (terbeschikkingstelling van het kredietbedrag).
Een brandverzekering (exclusief dekking diefstal en inboedel) is verplicht voor het woningkrediet van 150.000 euro voor de aankoop van de woning en voor het verbouwingskrediet maar niet voor het overbruggingskrediet (ingevolge de hypothecaire inschrijving en de hypothecaire volmacht). De kredietgever kent de kosten (350,00 euro, inclusief taksen, jaarlijks vooraf te betalen).
De schuldsaldoverzekering is enkel verplicht voor het woningkrediet van 150.000 euro. De kredietgever kent de kosten (273 euro gedurende 13 jaar, jaarlijks vooraf te betalen).
De zichtrekening (2,5 euro maandelijks vooraf te betalen) is verplicht om het volledige krediet te krijgen tegen een lagere periodieke rentevoet voor elk van de woningkredieten, wat de consument aanvaard heeft.
Het JKP wordt berekend voor elk woningkrediet (voorschot) afzonderlijk. De kosten die voor meerdere woonkredieten samen betaald worden, in casu de dossierkosten, de zichtrekeningkosten en de brandverzekeringkosten, worden pro rata verdeeld over de betreffende woonkredieten.
1. Het JKP van het eerste woningkrediet is niet gelijk aan dat van voorbeeld 33 in deze bijlage (zie supra) omdat de dossierkosten en de kosten van de zichtrekening pro rata verdeeld worden over de drie woonkredieten. De brandverzekering wordt pro rata verdeeld over 2 woonkredieten.
De in rekening te brengen eenmalige dossierkosten bedragen 350 x (150.000/310.000) = 169,36 euro (28).
De in rekening te brengen maandelijkse zichtrekeningkosten bedragen 2,5 euro x (150.000/310.000) = 1,20 euro per maand (29).
De in rekening te brengen jaarlijkse kosten van de brandverzekering bedragen 350 x (150.000/230.000) = 228,26 euro.
De overige kosten zijn dezelfde als die in voorbeeld 33.
1. Voor de berekening van het JKP wordt vertrokken van dezelfde veronderstellingen als die in vb. 33.
2. De berekening van het JKP gebeurt op basis van de volgende bedragen en tijdstippen van betaling :
Een kredietbedrag van 150.000 euro.
Een onmiddellijk te betalen bedrag van 4.523,37 euro, met name, 169,36 euro dossierkosten, 180 euro schattingskosten, 690,55 euro kosten voor het hypotheekkantoor, 1.650 euro registratierechten, 1.331 euro diverse aktekosten inclusief btw, 228,26 euro voor de brandverzekering, 273 euro voor de schuldsaldoverzekering en 1,20 euro kosten voor de zichtrekening.
Hetzij een netto door de consument ontvangen bedrag in periode 0 van 145.476,63 euro (150.000 - 4.523,37).
Een maandelijks te betalen bedrag van 768,01 euro om het kredietbedrag af te lossen en de debetrente te betalen, waarbij een maand 30,4167 dagen telt.
Maandelijks vooraf te betalen kosten van de zichtrekening van 1,20 euro, een eerste keer op dezelfde dag als het verlijden van de akte tot vestiging van de kredietovereenkomst, en vervolgens telkens een maand later, waarbij een maand 30,4167 dagen telt. Het laatste termijnbedrag bevat geen kosten van de zichtrekening omdat ze vooraf betaald worden.
Hetzij 239 termijnbedragen van 769,21 euro die het kredietbedrag, de debetrente en de kosten van de zichtrekening terugbetalen, en een laatste 240ste termijnbedrag van 768,01 euro dat enkel kapitaal en debetrente terugbetaalt.
Het eerste maandbedrag bestaat, naast de kosten van 1,20 euro, uit 266,10 euro debetrente en 501,91 euro kapitaal, waarbij de debetrente werd berekend door 0,0017740146, of 1,021497(1/12) - 1, te vermenigvuldigen met 150.000 euro.
Een jaarlijks bedrag van 228,26 euro voor de brandverzekering, te betalen op dezelfde dag van de maand als de dag van het verlijden van de akte tot vestiging van de kredietovereenkomst.
Gedurende de eerste 13 jaren, een jaarlijks bedrag van 273 euro voor de schuldsaldoverzekering, te betalen op dezelfde dag van de maand als de dag van het verlijden van de akte tot vestiging van de kredietovereenkomst.
De 240 hypothetische maandelijkse termijnbedragen Dl kunnen verkregen worden op basis van een aflossingsschema, waarbij :
D1 = 769,21
D2 = 769,21
...
D12 = 1270,47 (769,21 + 228,26 + 273)
D13 = 769,21
...
D24 = 1270,47 (769,21 + 228,26 + 273)
D25 = 769,21
...
D156 = 997,47 (769,21 + 228,26)
...
D240 = 768,01
De vergelijking is de volgende :
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 21-10-2016, p. 71015)
Exemple 36 - Un exemple pour illustrer un crédit hypothécaire " combiné " avec une destination immobilière.
Le prêteur conclut avec les emprunteurs un contrat-cadre pour un montant de crédit prélevable sous la forme de plusieurs avances à durée déterminée, appelées "crédits logements" qui ne sont pas réutilisables et pour lesquelles une approbation supplémentaire par avance distincte n'est pas nécessaire. La limite du contrat-cadre est égale à la somme des crédits logements (avances) et s'élève à 310.000 euros.
Le premier crédit logement s'élève à 150.000 euros pour l'achat de l'habitation, à rembourser conformément aux conditions de l'exemple 33 de cette annexe (ci-dessus).
Le deuxième crédit logement s'élève à 80.000 euros pour des travaux d'aménagement à l'habitation, à rembourser sur une période de 180 mois en 6 paiements d'intérêts mensuels et 174 remboursements de capital mensuels de 459,77 euros et un dernier remboursement de capital de 459,79 euros.
Le taux d'intérêt est fixe et s'élève à 0,2450 % par mois ou 2,9799 % par an.
Une indemnité pour la mise à disposition du capital (" une commission de réservation ") de 0,1652 % par mois est imputée sur le montant qui n'est pas prélevé dans les 5 mois du début du crédit logement.
Le crédit doit être prélevé en tranches de 2.500 euros minimum et doit être entièrement prélevé dans une période de 12 mois, qui peut être prolongée jusqu'à 24 mois. Si le crédit logement n'est pas entièrement prélevé après cette période, le montant du crédit logement est ramené au montant prélevé et les obligations de paiement des emprunteurs sont recalculées en maintenant la durée du crédit logement.
Le troisième crédit logement s'élève à 80.000 euros pour l'achat de l'habitation sous la forme d'un crédit pont à rembourser après 12 mois à un taux d'intérêt fixe de 0,1570 % (1,9004 % sur base annuelle).
Le prêteur demande une hypothèque pour un montant de 150.000 euros en principal à majorer des intérêts et accessoires pour le crédit logement de 150.000 euros et un mandat hypothécaire pour un montant de 80.000 euros en principal à majorer des intérêts et accessoires pour le crédit pour travaux.
Les frais de dossier s'élèvent à 350 euros, les frais d'expertise à 180 euros par habitation expertisée (27), à payer lors de la passation de l'acte d'établissement du contrat de crédit, soit la date du prélèvement de crédit (mise à disposition du montant du crédit).
Une assurance incendie (à l'exclusion de la couverture vol et mobilier ) est obligatoire pour le crédit logement de 150.000 euros pour l'achat de l'habitation et pour le crédit pour travaux mais pas pour le crédit pont (à la suite de hypothèque et du mandat hypothécaire). Le prêteur connaît les frais (350,00 euros, y compris les taxes, à payer préalablement chaque année).
L'assurance solde restant dû est uniquement obligatoire pour le crédit logement de 150.000 euros. Le prêteur connaît les frais (273 euros pendant 13 ans, à payer préalablement chaque année).
Le compte à vue (2,5 euros à payer préalablement chaque mois) est obligatoire pour obtenir le crédit total à un taux d'intérêt périodique inférieur pour chacun des crédits logement, ce que le consommateur a accepté.
Le TAEG est calculé pour chaque crédit logement (avance) séparément. Les frais qui sont payés ensemble pour plusieurs crédits logement, in casu les frais de dossier, les frais du compte à vue et les frais d'assurance incendie, sont répartis au pro rata sur les crédits logement concernés.
1. Le TAEG du premier crédit logement n'est pas égal à celui de l'exemple 33 dans cette annexe (voir ci-dessus) parce que les frais de dossier et les frais du compte à vue sont répartis au pro rata sur les trois crédits logement. L'assurance incendie est répartie au pro rata sur 2 crédits logement.
Les frais de dossier uniques à porter en compte s'élèvent à 350 x (150.000/310.000) = 169,36 euros (28).
Les frais mensuels du compte à vue à porter en compte s'élèvent à 2,5 euros x (150.000/310.000) = 1,20 euros par mois (29).
Les frais annuels de l'assurance incendie à porter en compte s'élèvent à 350 x (150.000/230.000) = 228,26 euros.
Les autres frais sont les mêmes que ceux de l'exemple 33.
1. Le calcul du TAEG a comme point de départ les mêmes hypothèses que celles dans l'exemple 33.
2. Le calcul du TAEG se fait sur base des montants et moments de paiement suivants :
Un montant du crédit de 150.000 euros.
Un montant de 4.523,37 euros, payable immédiatement, à savoir 169,36 euros de frais de dossier, 180 euros de frais d'expertise, 690,55 euros pour le bureau des hypothèques, 1.650 euros de droits d'enregistrement 1.331 euros de frais d'acte divers T.V.A. comprise, 228,26 euros pour l'assurance d'incendie, 273 euros pour l'assurance solde restant dû et 1,20 euros de frais pour le compte à vue.
Soit un montant net de 145.476,63 euros (150.000 - 4.523,37) reçu par le consommateur dans la période 0.
Un montant mensuel de 768,01 euros à payer pour amortir le crédit et pour payer les intérêts débiteurs, et pour lequel un mois compte 30,4167 jours.
Les frais du compte à vue de 1,20 euros à payer mensuellement, une première fois le même jour que la passation de l'acte d'établissement du contrat de crédit, et ensuite chaque fois un mois plus tard, un mois comptant 30,4167 jours. Le dernier montant de terme ne contient aucun frais de compte à vue parce que les coûts du compte à vue sont payés au préalable.
Soit 239 montants de terme de 769,21 euros qui remboursent le montant du crédit, les intérêts débiteurs et les frais du compte à vue et un dernier 240e montant de terme de 768,01 euros qui rembourse uniquement le capital et les intérêts débiteurs.
Le premier montant mensuel se compose, à part des frais de 1,20 euros, de 266,10 euros d'intérêts débiteurs et de 501,91 euros de capital, dont les intérêts débiteurs ont été calculés en multipliant 0,0017740146, ou 1,021497(1/12) - 1, par 150.000 euros.
Un montant de 228,26 euros pour l'assurance incendie payable annuellement au même jour du mois que le jour de la passation de l'acte d'établissement du contrat de crédit.
Durant les 13 premières années, un montant de 273 euros pour l'assurance solde restant dû payable annuellement le même jour du mois que le jour de la passation de l'acte d'établissement du contrat de crédit.
Les 240 montants de terme mensuels Dl hypothétiques peuvent être obtenus sur base d'un échéancier de remboursement où :
D1 = 769,21
D2 = 769,21
...
D12 = 1270,47 (769,21 + 228,26 + 273)
D13 = 769,21
...
D24 = 1270,47 (769,21 + 228,26 + 273)
D25 = 769,21
...
D156 = 997,47 (769,21 + 228,26)
...
D240 = 768,01
L'équation est la suivante :
Exemple 36 - Un exemple pour illustrer un crédit hypothécaire " combiné " avec une destination immobilière.
Le prêteur conclut avec les emprunteurs un contrat-cadre pour un montant de crédit prélevable sous la forme de plusieurs avances à durée déterminée, appelées "crédits logements" qui ne sont pas réutilisables et pour lesquelles une approbation supplémentaire par avance distincte n'est pas nécessaire. La limite du contrat-cadre est égale à la somme des crédits logements (avances) et s'élève à 310.000 euros.
Le premier crédit logement s'élève à 150.000 euros pour l'achat de l'habitation, à rembourser conformément aux conditions de l'exemple 33 de cette annexe (ci-dessus).
Le deuxième crédit logement s'élève à 80.000 euros pour des travaux d'aménagement à l'habitation, à rembourser sur une période de 180 mois en 6 paiements d'intérêts mensuels et 174 remboursements de capital mensuels de 459,77 euros et un dernier remboursement de capital de 459,79 euros.
Le taux d'intérêt est fixe et s'élève à 0,2450 % par mois ou 2,9799 % par an.
Une indemnité pour la mise à disposition du capital (" une commission de réservation ") de 0,1652 % par mois est imputée sur le montant qui n'est pas prélevé dans les 5 mois du début du crédit logement.
Le crédit doit être prélevé en tranches de 2.500 euros minimum et doit être entièrement prélevé dans une période de 12 mois, qui peut être prolongée jusqu'à 24 mois. Si le crédit logement n'est pas entièrement prélevé après cette période, le montant du crédit logement est ramené au montant prélevé et les obligations de paiement des emprunteurs sont recalculées en maintenant la durée du crédit logement.
Le troisième crédit logement s'élève à 80.000 euros pour l'achat de l'habitation sous la forme d'un crédit pont à rembourser après 12 mois à un taux d'intérêt fixe de 0,1570 % (1,9004 % sur base annuelle).
Le prêteur demande une hypothèque pour un montant de 150.000 euros en principal à majorer des intérêts et accessoires pour le crédit logement de 150.000 euros et un mandat hypothécaire pour un montant de 80.000 euros en principal à majorer des intérêts et accessoires pour le crédit pour travaux.
Les frais de dossier s'élèvent à 350 euros, les frais d'expertise à 180 euros par habitation expertisée (27), à payer lors de la passation de l'acte d'établissement du contrat de crédit, soit la date du prélèvement de crédit (mise à disposition du montant du crédit).
Une assurance incendie (à l'exclusion de la couverture vol et mobilier ) est obligatoire pour le crédit logement de 150.000 euros pour l'achat de l'habitation et pour le crédit pour travaux mais pas pour le crédit pont (à la suite de hypothèque et du mandat hypothécaire). Le prêteur connaît les frais (350,00 euros, y compris les taxes, à payer préalablement chaque année).
L'assurance solde restant dû est uniquement obligatoire pour le crédit logement de 150.000 euros. Le prêteur connaît les frais (273 euros pendant 13 ans, à payer préalablement chaque année).
Le compte à vue (2,5 euros à payer préalablement chaque mois) est obligatoire pour obtenir le crédit total à un taux d'intérêt périodique inférieur pour chacun des crédits logement, ce que le consommateur a accepté.
Le TAEG est calculé pour chaque crédit logement (avance) séparément. Les frais qui sont payés ensemble pour plusieurs crédits logement, in casu les frais de dossier, les frais du compte à vue et les frais d'assurance incendie, sont répartis au pro rata sur les crédits logement concernés.
1. Le TAEG du premier crédit logement n'est pas égal à celui de l'exemple 33 dans cette annexe (voir ci-dessus) parce que les frais de dossier et les frais du compte à vue sont répartis au pro rata sur les trois crédits logement. L'assurance incendie est répartie au pro rata sur 2 crédits logement.
Les frais de dossier uniques à porter en compte s'élèvent à 350 x (150.000/310.000) = 169,36 euros (28).
Les frais mensuels du compte à vue à porter en compte s'élèvent à 2,5 euros x (150.000/310.000) = 1,20 euros par mois (29).
Les frais annuels de l'assurance incendie à porter en compte s'élèvent à 350 x (150.000/230.000) = 228,26 euros.
Les autres frais sont les mêmes que ceux de l'exemple 33.
1. Le calcul du TAEG a comme point de départ les mêmes hypothèses que celles dans l'exemple 33.
2. Le calcul du TAEG se fait sur base des montants et moments de paiement suivants :
Un montant du crédit de 150.000 euros.
Un montant de 4.523,37 euros, payable immédiatement, à savoir 169,36 euros de frais de dossier, 180 euros de frais d'expertise, 690,55 euros pour le bureau des hypothèques, 1.650 euros de droits d'enregistrement 1.331 euros de frais d'acte divers T.V.A. comprise, 228,26 euros pour l'assurance d'incendie, 273 euros pour l'assurance solde restant dû et 1,20 euros de frais pour le compte à vue.
Soit un montant net de 145.476,63 euros (150.000 - 4.523,37) reçu par le consommateur dans la période 0.
Un montant mensuel de 768,01 euros à payer pour amortir le crédit et pour payer les intérêts débiteurs, et pour lequel un mois compte 30,4167 jours.
Les frais du compte à vue de 1,20 euros à payer mensuellement, une première fois le même jour que la passation de l'acte d'établissement du contrat de crédit, et ensuite chaque fois un mois plus tard, un mois comptant 30,4167 jours. Le dernier montant de terme ne contient aucun frais de compte à vue parce que les coûts du compte à vue sont payés au préalable.
Soit 239 montants de terme de 769,21 euros qui remboursent le montant du crédit, les intérêts débiteurs et les frais du compte à vue et un dernier 240e montant de terme de 768,01 euros qui rembourse uniquement le capital et les intérêts débiteurs.
Le premier montant mensuel se compose, à part des frais de 1,20 euros, de 266,10 euros d'intérêts débiteurs et de 501,91 euros de capital, dont les intérêts débiteurs ont été calculés en multipliant 0,0017740146, ou 1,021497(1/12) - 1, par 150.000 euros.
Un montant de 228,26 euros pour l'assurance incendie payable annuellement au même jour du mois que le jour de la passation de l'acte d'établissement du contrat de crédit.
Durant les 13 premières années, un montant de 273 euros pour l'assurance solde restant dû payable annuellement le même jour du mois que le jour de la passation de l'acte d'établissement du contrat de crédit.
Les 240 montants de terme mensuels Dl hypothétiques peuvent être obtenus sur base d'un échéancier de remboursement où :
D1 = 769,21
D2 = 769,21
...
D12 = 1270,47 (769,21 + 228,26 + 273)
D13 = 769,21
...
D24 = 1270,47 (769,21 + 228,26 + 273)
D25 = 769,21
...
D156 = 997,47 (769,21 + 228,26)
...
D240 = 768,01
L'équation est la suivante :
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 21-10-2016, p. 71017)
2a. Voor de berekening van het JKP van het verbouwingskrediet van 80.000 euro wordt vertrokken van de volgende veronderstellingen :
- De kredietovereenkomst geldt voor de overeengekomen tijdsduur en de kredietgever en de consument komen hun verplichtingen na overeenkomstig de voorwaarden en op de data die in de kredietovereenkomst zijn bepaald (artikel 4, § 1, eerste lid, van dit besluit).
- Het kredietbedrag wordt onmiddellijk en volledig opgenomen omdat de consument op grond van de kredietovereenkomst vrij kan kiezen hoeveel krediet hij opneemt (artikel 4 § 2, 1° van dit besluit).
- Elke maand telt 30,41667 dagen (artikel 3, § 2, tweede lid, van dit besluit).
- De kosten zijn onveranderlijk voor wat de wijzigingen betreft die bij het berekenen van het JKP niet kwantificeerbaar zijn (artikel 4, § 1, tweede lid van dit besluit).
- De kortst mogelijke periode tussen de opname van het krediet (het verlijden van de akte tot vestiging van de kredietovereenkomst) en de 1ste vervaldag van de kosten van de zichtrekening is 0 dagen, met name als de akte verleden wordt op de vervaldag van die kosten (artikel 4, § 2, 7°, b) van dit besluit).
2b. De berekening van het JKP van het verbouwingskrediet gebeurt op basis van de volgende bedragen en tijdstippen van betaling :
- Een kredietbedrag van 80.000 euro;
- Een onmiddellijk te betalen bedrag van 987,71 euro, met name, 90,32 euro dossierkosten (30), 180 euro schattingskosten, 595 euro kosten te betalen bij de notaris (50 euro registratierechten en 545 euro diverse aktekosten inclusief btw (31)), 121,74 euro voor de brandverzekering (32) en 0,65 euro kosten van de zichtrekening (33);
Hetzij een netto door de consument ontvangen bedrag in periode 0 van 79.012,29 euro (80.000 - 987,71).
- Voor de eerste 6 maanden, 6 maandelijks te betalen termijnbedragen van enkel rente en kosten van de zichtrekening, hetzij 196,65 euro (0,002450 x 80.000 euro + 0,65 euro = 196 euro + 0,65 euro);
- Na de eerste 6 maanden, 173 maandelijkse kapitaalaflossingen van elk 459,77 euro (het op 2 cijfers na de komma afgeronde resultaat van 80.000/174), elk verhoogd met de interesten berekend op het verschuldigd blijvend saldo na elke kapitaalaflossing en de kosten van de zichtrekening. Hetzij een 7de termijnbedrag van 656,42 euro (196,00 euro debetrente, 459,77 euro kapitaal en 0,65 euro kosten zichtrekening), een 8ste termijnbedrag van 655,29 euro (194,87 euro debetrente, 459,77 euro kapitaal en 0,65 euro kosten zichtrekening), enz.
- Een laatste 174ste kapitaalaflossing (180ste termijnbedrag) van 459,79 euro (80.000/174 + 0,02 (wat rest na afronding x 174)), verhoogd met de debetrente (geen kosten van de zichtrekening die vooraf betaald worden). Hetzij een laatste termijnbedrag van 460,92 euro (1,13 euro debetrente en 459,79 euro kapitaal).
- Een jaarlijks bedrag van 121,74 euro, inclusief taksen, voor de brandverzekering (34), te betalen op de zelfde dag van de maand als het verlijden van de akte.
Noot : er wordt geen reserveringscommissie in rekening gebracht omdat het kredietbedrag verondersteld wordt onmiddellijk en volledig opgenomen te zijn.
De 180 hypothetische maandelijkse termijnbedragen Dl kunnen verkregen worden op basis van een aflossingsschema, waarbij :
D1 tot D6 = 196,65 (196,00 + 0,65)
D7 = 656,42
D8 = 655,29
...
D12 = 772,53 (650,14 + 0,65 + 121,74)
...
D180 = 460,92
De vergelijking is de volgende :
2a. Voor de berekening van het JKP van het verbouwingskrediet van 80.000 euro wordt vertrokken van de volgende veronderstellingen :
- De kredietovereenkomst geldt voor de overeengekomen tijdsduur en de kredietgever en de consument komen hun verplichtingen na overeenkomstig de voorwaarden en op de data die in de kredietovereenkomst zijn bepaald (artikel 4, § 1, eerste lid, van dit besluit).
- Het kredietbedrag wordt onmiddellijk en volledig opgenomen omdat de consument op grond van de kredietovereenkomst vrij kan kiezen hoeveel krediet hij opneemt (artikel 4 § 2, 1° van dit besluit).
- Elke maand telt 30,41667 dagen (artikel 3, § 2, tweede lid, van dit besluit).
- De kosten zijn onveranderlijk voor wat de wijzigingen betreft die bij het berekenen van het JKP niet kwantificeerbaar zijn (artikel 4, § 1, tweede lid van dit besluit).
- De kortst mogelijke periode tussen de opname van het krediet (het verlijden van de akte tot vestiging van de kredietovereenkomst) en de 1ste vervaldag van de kosten van de zichtrekening is 0 dagen, met name als de akte verleden wordt op de vervaldag van die kosten (artikel 4, § 2, 7°, b) van dit besluit).
2b. De berekening van het JKP van het verbouwingskrediet gebeurt op basis van de volgende bedragen en tijdstippen van betaling :
- Een kredietbedrag van 80.000 euro;
- Een onmiddellijk te betalen bedrag van 987,71 euro, met name, 90,32 euro dossierkosten (30), 180 euro schattingskosten, 595 euro kosten te betalen bij de notaris (50 euro registratierechten en 545 euro diverse aktekosten inclusief btw (31)), 121,74 euro voor de brandverzekering (32) en 0,65 euro kosten van de zichtrekening (33);
Hetzij een netto door de consument ontvangen bedrag in periode 0 van 79.012,29 euro (80.000 - 987,71).
- Voor de eerste 6 maanden, 6 maandelijks te betalen termijnbedragen van enkel rente en kosten van de zichtrekening, hetzij 196,65 euro (0,002450 x 80.000 euro + 0,65 euro = 196 euro + 0,65 euro);
- Na de eerste 6 maanden, 173 maandelijkse kapitaalaflossingen van elk 459,77 euro (het op 2 cijfers na de komma afgeronde resultaat van 80.000/174), elk verhoogd met de interesten berekend op het verschuldigd blijvend saldo na elke kapitaalaflossing en de kosten van de zichtrekening. Hetzij een 7de termijnbedrag van 656,42 euro (196,00 euro debetrente, 459,77 euro kapitaal en 0,65 euro kosten zichtrekening), een 8ste termijnbedrag van 655,29 euro (194,87 euro debetrente, 459,77 euro kapitaal en 0,65 euro kosten zichtrekening), enz.
- Een laatste 174ste kapitaalaflossing (180ste termijnbedrag) van 459,79 euro (80.000/174 + 0,02 (wat rest na afronding x 174)), verhoogd met de debetrente (geen kosten van de zichtrekening die vooraf betaald worden). Hetzij een laatste termijnbedrag van 460,92 euro (1,13 euro debetrente en 459,79 euro kapitaal).
- Een jaarlijks bedrag van 121,74 euro, inclusief taksen, voor de brandverzekering (34), te betalen op de zelfde dag van de maand als het verlijden van de akte.
Noot : er wordt geen reserveringscommissie in rekening gebracht omdat het kredietbedrag verondersteld wordt onmiddellijk en volledig opgenomen te zijn.
De 180 hypothetische maandelijkse termijnbedragen Dl kunnen verkregen worden op basis van een aflossingsschema, waarbij :
D1 tot D6 = 196,65 (196,00 + 0,65)
D7 = 656,42
D8 = 655,29
...
D12 = 772,53 (650,14 + 0,65 + 121,74)
...
D180 = 460,92
De vergelijking is de volgende :
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 21-10-2016, p. 71017)
2a. Le calcul du TAEG du crédit pour travaux de 80.000 euros a comme point de départ les hypothèses suivantes :
- Le contrat de crédit reste valable pendant la durée convenue et le prêteur et le consommateur remplissent leurs obligations selon les conditions et aux dates déterminées dans le contrat de crédit (l'article 4, § 1er, alinéa 1er du présent arrêté).
- Le montant du crédit est prélevé immédiatement et intégralement parce que le consommateur, conformément au contrat de crédit, peut choisir librement combien de crédit il prélève (article 4 § 2, 1° du présent arrêté).
- Chaque mois compte 30,41667 jours (article 3, § 2, alinéa 2, du présent arrêté).
- Les frais sont invariables pour ce qui concerne les modifications qui ne sont pas quantifiables lors du calcul du TAEG (article 4, § 1er, alinéa 2 du présent arrêté).
- La période la plus courte possible entre le prélèvement du crédit (la passation de l'acte d'établissement du contrat de crédit) et la première échéance des frais du compte à vue est 0 jours, à savoir lorsque l'acte est passé à l'échéance de ces frais (article 4, § 2, 7°, b) du présent arrêté).
2b. Le calcul du TAEG du crédit pour travaux se fait sur la base des montants et moments de paiement suivants :
- Un montant du crédit de 80.000 euros;
- Un montant de 987,71 euros, payable immédiatement, à savoir 90,32 euros de frais de dossier (30), 180 euros de frais d'expertise, 595 euros de frais payables auprès du notaire (50 euros de droits d'enregistrement et 545 euros de frais d'acte divers T.V.A. comprise (31)), 121,74 euros pour l'assurance d'incendie (32) et 0,65 euros de frais pour le compte à vue (33);
Soit, un montant net, reçu par le consommateur à la période 0, de 79.012,29 euros (80.000 -987,71).
- Pour les 6 premiers mois, 6 montants de terme mensuels à payer constitués uniquement d'intérêts et frais du compte à vue, soit 196,65 euros (0,002450 x 80.000 euros + 2,50,65 euros = 196 euros + 0,65 euros);
- Après les 6 premiers mois, 173 remboursements de capital mensuels de chacun 459,77 euros (le résultat de 80.000/174 arrondi à 2 chiffres après la virgule ), chacun augmenté des intérêts calculés sur le solde restant dû après chaque remboursement de capital et les frais du compte à vue. Soit un 7ème montant de terme de 656,42 euros (196,00 euros d'intérêts débiteurs, 459,77 euros de capital et 0,65 euros de frais de compte à vue), un 8ème montant de terme de 655,29 euros (194,87 euros d'intérêts débiteurs, 459,77 euros de capital et 0,65 euros frais de compte à vue), etc.
- Un dernier 174ème remboursement de capital (180ème terme de paiement) de 459,79 euros (80.000/174 + 0,02 (ce qui reste après arrondissement x 174)), majoré des intérêts débiteurs (aucun frais du compte à vue payé préalablement). Soit un dernier montant de terme de 460,92 euros (1,13 euros d'intérêts débiteurs et 459,79 euros de capital).
- Un montant de 121,74 euros, y compris les taxes, pour l'assurance incendie (34), à payer annuellement le même jour du mois que celui de la passation de l'acte.
Note : une commission de réservation n'est pas imputée parce que le montant du crédit est présumé être prélevé immédiatement et intégralement.
Les 180 montants de terme mensuels Dl hypothétiques peuvent être obtenus sur base d'un échéancier de remboursement où :
D1 à D6 = 196,65 (196,00 + 0,65)
D7 = 656,42
D8 = 655,29
...
D12 = 772,53 (650,14 + 0,65 + 121,74)
...
D180 = 460,92
L'équation est la suivante :
2a. Le calcul du TAEG du crédit pour travaux de 80.000 euros a comme point de départ les hypothèses suivantes :
- Le contrat de crédit reste valable pendant la durée convenue et le prêteur et le consommateur remplissent leurs obligations selon les conditions et aux dates déterminées dans le contrat de crédit (l'article 4, § 1er, alinéa 1er du présent arrêté).
- Le montant du crédit est prélevé immédiatement et intégralement parce que le consommateur, conformément au contrat de crédit, peut choisir librement combien de crédit il prélève (article 4 § 2, 1° du présent arrêté).
- Chaque mois compte 30,41667 jours (article 3, § 2, alinéa 2, du présent arrêté).
- Les frais sont invariables pour ce qui concerne les modifications qui ne sont pas quantifiables lors du calcul du TAEG (article 4, § 1er, alinéa 2 du présent arrêté).
- La période la plus courte possible entre le prélèvement du crédit (la passation de l'acte d'établissement du contrat de crédit) et la première échéance des frais du compte à vue est 0 jours, à savoir lorsque l'acte est passé à l'échéance de ces frais (article 4, § 2, 7°, b) du présent arrêté).
2b. Le calcul du TAEG du crédit pour travaux se fait sur la base des montants et moments de paiement suivants :
- Un montant du crédit de 80.000 euros;
- Un montant de 987,71 euros, payable immédiatement, à savoir 90,32 euros de frais de dossier (30), 180 euros de frais d'expertise, 595 euros de frais payables auprès du notaire (50 euros de droits d'enregistrement et 545 euros de frais d'acte divers T.V.A. comprise (31)), 121,74 euros pour l'assurance d'incendie (32) et 0,65 euros de frais pour le compte à vue (33);
Soit, un montant net, reçu par le consommateur à la période 0, de 79.012,29 euros (80.000 -987,71).
- Pour les 6 premiers mois, 6 montants de terme mensuels à payer constitués uniquement d'intérêts et frais du compte à vue, soit 196,65 euros (0,002450 x 80.000 euros + 2,50,65 euros = 196 euros + 0,65 euros);
- Après les 6 premiers mois, 173 remboursements de capital mensuels de chacun 459,77 euros (le résultat de 80.000/174 arrondi à 2 chiffres après la virgule ), chacun augmenté des intérêts calculés sur le solde restant dû après chaque remboursement de capital et les frais du compte à vue. Soit un 7ème montant de terme de 656,42 euros (196,00 euros d'intérêts débiteurs, 459,77 euros de capital et 0,65 euros de frais de compte à vue), un 8ème montant de terme de 655,29 euros (194,87 euros d'intérêts débiteurs, 459,77 euros de capital et 0,65 euros frais de compte à vue), etc.
- Un dernier 174ème remboursement de capital (180ème terme de paiement) de 459,79 euros (80.000/174 + 0,02 (ce qui reste après arrondissement x 174)), majoré des intérêts débiteurs (aucun frais du compte à vue payé préalablement). Soit un dernier montant de terme de 460,92 euros (1,13 euros d'intérêts débiteurs et 459,79 euros de capital).
- Un montant de 121,74 euros, y compris les taxes, pour l'assurance incendie (34), à payer annuellement le même jour du mois que celui de la passation de l'acte.
Note : une commission de réservation n'est pas imputée parce que le montant du crédit est présumé être prélevé immédiatement et intégralement.
Les 180 montants de terme mensuels Dl hypothétiques peuvent être obtenus sur base d'un échéancier de remboursement où :
D1 à D6 = 196,65 (196,00 + 0,65)
D7 = 656,42
D8 = 655,29
...
D12 = 772,53 (650,14 + 0,65 + 121,74)
...
D180 = 460,92
L'équation est la suivante :
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 21-10-2016, p. 71018)
3a. Voor de berekening van het JKP van het overbruggingskrediet van 80.000 euro wordt vertrokken van de volgende veronderstellingen :
- De kredietovereenkomst geldt voor de overeengekomen tijdsduur en de kredietgever en de consument komen hun verplichtingen na overeenkomstig de voorwaarden en op de data die in de kredietovereenkomst zijn bepaald(artikel 4, § 1, eerste lid, van dit besluit).
- Het kredietbedrag wordt voor de volledige duur van de kredietovereenkomst opgenomen (artikel 4, § 2, 4°, van dit besluit), in casu 12 maanden.
- Elke maand telt 30,41667 dagen(artikel 3, § 2, tweede lid, van dit besluit).
- De kortst mogelijke periode tussen de opname van het krediet (het verlijden van de akte tot vestiging van de kredietovereenkomst) en de 1ste vervaldag van de kosten van de zichtrekening is 0 dagen, met name als de akte verleden wordt op de vervaldag van die kosten (artikel 4, § 2, 7°, b) van dit besluit).
3b. De berekening van het JKP van het overbruggingskrediet gebeurt op basis van de volgende bedragen en tijdstippen van betaling :
- Een kredietbedrag van 80.000 euro.
- Een onmiddellijk te betalen bedrag van 270,97 euro, met name, 90,32 euro dossierkosten, 180 euro schattingskosten en 0,65 euro kosten van de zichtrekening.
Hetzij een netto door de consument ontvangen bedrag in periode 0 van 79.729,03 euro (80.000 -270,97).
- 11 maandelijkse termijnbedragen van 126,25 euro (125,60 debetrente + 0,65 euro kosten zichtrekening, waarbij de debetrente = 0,001570 x 80.000).
- Een 12de en laatste termijnbedrag van 80.125,60 euro (80.000 euro kapitaal + 125,60 debetrente).
De 12 hypothetische maandelijkse termijnbedragen Dl kunnen verkregen worden op basis van een aflossingsschema, waarbij :
D1 tot D11= 128,10 (125,60 + 2,50)
D12 = 80.125,60
De vergelijking is de volgende :
3a. Voor de berekening van het JKP van het overbruggingskrediet van 80.000 euro wordt vertrokken van de volgende veronderstellingen :
- De kredietovereenkomst geldt voor de overeengekomen tijdsduur en de kredietgever en de consument komen hun verplichtingen na overeenkomstig de voorwaarden en op de data die in de kredietovereenkomst zijn bepaald(artikel 4, § 1, eerste lid, van dit besluit).
- Het kredietbedrag wordt voor de volledige duur van de kredietovereenkomst opgenomen (artikel 4, § 2, 4°, van dit besluit), in casu 12 maanden.
- Elke maand telt 30,41667 dagen(artikel 3, § 2, tweede lid, van dit besluit).
- De kortst mogelijke periode tussen de opname van het krediet (het verlijden van de akte tot vestiging van de kredietovereenkomst) en de 1ste vervaldag van de kosten van de zichtrekening is 0 dagen, met name als de akte verleden wordt op de vervaldag van die kosten (artikel 4, § 2, 7°, b) van dit besluit).
3b. De berekening van het JKP van het overbruggingskrediet gebeurt op basis van de volgende bedragen en tijdstippen van betaling :
- Een kredietbedrag van 80.000 euro.
- Een onmiddellijk te betalen bedrag van 270,97 euro, met name, 90,32 euro dossierkosten, 180 euro schattingskosten en 0,65 euro kosten van de zichtrekening.
Hetzij een netto door de consument ontvangen bedrag in periode 0 van 79.729,03 euro (80.000 -270,97).
- 11 maandelijkse termijnbedragen van 126,25 euro (125,60 debetrente + 0,65 euro kosten zichtrekening, waarbij de debetrente = 0,001570 x 80.000).
- Een 12de en laatste termijnbedrag van 80.125,60 euro (80.000 euro kapitaal + 125,60 debetrente).
De 12 hypothetische maandelijkse termijnbedragen Dl kunnen verkregen worden op basis van een aflossingsschema, waarbij :
D1 tot D11= 128,10 (125,60 + 2,50)
D12 = 80.125,60
De vergelijking is de volgende :
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 21-10-2016, p. 71018)
3a. Le calcul du TAEG du crédit pont de 80.000 euros a comme point de départ les hypothèses suivantes :
- Le contrat de crédit reste valable pendant la durée convenue et le prêteur et le consommateur remplissent leurs obligations selon les conditions et aux dates déterminées dans le contrat de crédit (l'article 4, § 1er, alinéa 1er du présent arrêté).
- Le montant du crédit est prélevé pour la durée totale du contrat de crédit (article 4, § 2, 4°, du présent arrêté), in casu 12 mois.
- Chaque mois compte 30,41667 jours (article 3, § 2, alinéa 2, du présent arrêté).
- La période la plus courte possible entre le prélèvement du crédit (la passation de l'acte d'établissement du contrat de crédit) et la première échéance des frais du compte à vue est 0 jours, à savoir lorsque l'acte est passé à l'échéance de ces frais (article 4, § 2, 7°, b) du présent arrêté).
3b. Le calcul du TAEG du crédit pont se fait sur base des montants et moments de paiement suivants :
- Un montant du crédit de 80.000 euros.
- Un montant de 270,97 euros, payable immédiatement, à savoir 90,32 euros de frais de dossier, 180 euros de frais d'expertise et 0,65 euros de frais pour le compte à vue.
Soit, un montant net, reçu par le consommateur à la période 0, de 79.729,03 euros (80.000 -270,97).
- 11 montants de terme mensuels de 126,25 euros (125,60 euros d'intérêts débiteurs + 0,65 euros de frais de compte à vue, l'intérêt débiteur étant = 0,001570 x 80.000).
- un 12ème et dernier montant de terme de 80.125,60 euros (80.000 euros de capital + 125,60 euros d'intérêts débiteurs).
Les 12 montants de terme mensuels Dl hypothétiques peuvent être obtenus sur base d'un échéancier de remboursement où :
D1 à D11= 128,10 (125,60 + 2,50)
D12 = 80.125,60
L'équation est la suivante :
3a. Le calcul du TAEG du crédit pont de 80.000 euros a comme point de départ les hypothèses suivantes :
- Le contrat de crédit reste valable pendant la durée convenue et le prêteur et le consommateur remplissent leurs obligations selon les conditions et aux dates déterminées dans le contrat de crédit (l'article 4, § 1er, alinéa 1er du présent arrêté).
- Le montant du crédit est prélevé pour la durée totale du contrat de crédit (article 4, § 2, 4°, du présent arrêté), in casu 12 mois.
- Chaque mois compte 30,41667 jours (article 3, § 2, alinéa 2, du présent arrêté).
- La période la plus courte possible entre le prélèvement du crédit (la passation de l'acte d'établissement du contrat de crédit) et la première échéance des frais du compte à vue est 0 jours, à savoir lorsque l'acte est passé à l'échéance de ces frais (article 4, § 2, 7°, b) du présent arrêté).
3b. Le calcul du TAEG du crédit pont se fait sur base des montants et moments de paiement suivants :
- Un montant du crédit de 80.000 euros.
- Un montant de 270,97 euros, payable immédiatement, à savoir 90,32 euros de frais de dossier, 180 euros de frais d'expertise et 0,65 euros de frais pour le compte à vue.
Soit, un montant net, reçu par le consommateur à la période 0, de 79.729,03 euros (80.000 -270,97).
- 11 montants de terme mensuels de 126,25 euros (125,60 euros d'intérêts débiteurs + 0,65 euros de frais de compte à vue, l'intérêt débiteur étant = 0,001570 x 80.000).
- un 12ème et dernier montant de terme de 80.125,60 euros (80.000 euros de capital + 125,60 euros d'intérêts débiteurs).
Les 12 montants de terme mensuels Dl hypothétiques peuvent être obtenus sur base d'un échéancier de remboursement où :
D1 à D11= 128,10 (125,60 + 2,50)
D12 = 80.125,60
L'équation est la suivante :
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 21-10-2016, p. 71019)
Voorbeeld 37 - Een voorbeeld ter verduidelijking van een "gecombineerd" hypothecair krediet met een onroerende bestemming en met een hypothecaire inschrijving voor alle sommen.
De kredietgever sluit met de kredietnemers een kaderovereenkomst voor een kredietbedrag opneembaar in de vorm van meerdere voorschotten van bepaalde duur, "woningkredieten" genoemd, waarvoor er geen bijkomende goedkeuring per afzonderlijk voorschot nodig is en die wederopneembaar zijn. De limiet van de kaderovereenkomst is gelijk aan de som van de woningkredieten (voorschotten) en bedraagt 230.000 euro.
Het eerste woningkrediet bedraagt 150.000 euro voor de aankoop van de woning, terug te betalen overeenkomstig de terugbetalingsvoorwaarden in voorbeeld 33 en 36 van deze bijlage (supra).
Het tweede woningkrediet bedraagt 80.000 euro voor verbouwingen aan de woning, terug te betalen overeenkomstig de terugbetalingsvoorwaarden in voorbeeld 36 van deze bijlage (supra) maar met de kosten van een hypothecaire inschrijving in plaats van een hypothecair mandaat.
De kredietgever vraagt een hypothecaire inschrijving voor een bedrag van 230.000 euro in hoofdsom te vermeerderen met interest en bijhorigheden.
De dossierkosten bedragen 350 euro, de schattingskosten 180 euro, te betalen bij het verlijden van de akte tot vestiging van de kredietovereenkomst, hetzij de datum van de kredietopname (terbeschikkingstelling van het kredietbedrag).
Een brandverzekering (exclusief dekking diefstal en inboedel) is verplicht voor beide woningkredieten. De kredietgever kent de kosten (350 euro, inclusief taksen, jaarlijks vooraf te betalen).
De schuldsaldoverzekering is verplicht voor het woningkrediet van 150.000 euro voor de aankoop van de woning. De kredietgever kent de kosten (273 euro gedurende 13 jaar, jaarlijks vooraf te betalen).
De zichtrekening (2,5 euro maandelijks vooraf te betalen) is verplicht om het volledige krediet te krijgen tegen een lagere periodieke rentevoet voor elk van de woningkredieten, die de consument aanvaard heeft.
Het JKP wordt berekend voor elk voorschot afzonderlijk. De kosten die voor meerdere woonkredieten samen betaald worden, in casu de dossierkosten, de zichtrekeningkosten, de brandverzekeringkosten en de notariskosten, worden pro rata verdeeld over de betreffende woonkredieten.
1. Het JKP van het eerste woningkrediet is niet gelijk aan dat van voorbeeld 33 in deze bijlage (zie supra) omdat de dossierkosten, de kosten van de zichtrekening, de schattingskosten en de brandverzekering pro rata verdeeld worden over de twee woonkredieten. De notariskosten worden berekend voor het volledige kredietbedrag van de kaderovereenkomst en pro rata verdeeld over beide woonkredieten, met inbegrip van de diverse aktekosten.
De in rekening te brengen eenmalige dossierkosten bedragen 350 x (150.000/230.000) = 228,26 euro.
De in rekening te brengen maandelijkse zichtrekeningkosten bedragen 2,5 euro x (150.000/230.000) = 1,63 euro per maand.
De eenmalige in rekening te brengen schattingskosten bedragen 180 x (150.000/230.000) = 117,39 euro.
De in rekening te brengen jaarlijkse kosten van de brandverzekering bedragen 350 x (150.000/230.000) = 228,26 euro.
De notariskosten voor een kredietbedrag van 230.000 euro bedragen 4.903,88 euro (2.530,00 euro registratierechten, 1.042,88 euro voor het hypotheekkantoor, en 1.331,00 euro voor de diverse aktekosten, inclusief btw). Daarvan wordt 3.198,18 euro in rekening gebracht (35).
1. Voor de berekening van het JKP wordt vertrokken van dezelfde veronderstellingen als die in vb. 33.
2. De berekening van het JKP gebeurt op basis van de volgende bedragen en tijdstippen van betaling :
Een kredietbedrag van 150.000 euro.
Een onmiddellijk te betalen bedrag van 4.046,72 euro, met name, 228,26 euro dossierkosten, 117,39 euro schattingskosten, 3.198,18 euro notariskosten, 228,26 euro voor de brandverzekering, 273 euro voor de schuldsaldoverzekering en 1,63 euro kosten voor de zichtrekening.
Hetzij een netto door de consument ontvangen bedrag in periode 0 van 145.953,28 euro (150.000 - 4.046,72).
Een maandelijks te betalen bedrag van 768,01 euro om het kredietbedrag af te lossen en de debetrente te betalen, waarbij een maand 30,4167 dagen telt.
Maandelijks vooraf te betalen kosten van de zichtrekening van 1,63 euro, een eerste keer op dezelfde dag als het verlijden van de akte tot vestiging van de kredietovereenkomst, en vervolgens telkens een maand later, waarbij een maand 30,4167 dagen telt. Het laatste termijnbedrag bevat geen kosten van de zichtrekening omdat ze vooraf betaald worden.
Hetzij 239 termijnbedragen van 769,64 euro die het kredietbedrag, de debetrente en de kosten van de zichtrekening terugbetalen, en een laatste 240ste termijnbedrag van 768,01 euro dat enkel kapitaal en debetrente terugbetaalt.
Het eerste maandbedrag bestaat, naast de kosten van 1,63 euro, uit 266,10 euro debetrente en 501,91 euro kapitaal, waarbij de debetrente werd berekend door 0,0017740146, of 1,021497(1/12) - 1, te vermenigvuldigen met 150.000 euro.
Een jaarlijks bedrag van 228,26 euro voor de brandverzekering, te betalen op dezelfde dag van de maand als de dag van het verlijden van de akte tot vestiging van de kredietovereenkomst.
Gedurende de eerste 13 jaren, een jaarlijks bedrag van 273 euro voor de schuldsaldoverzekering, te betalen op dezelfde dag van de maand als de dag van het verlijden van de akte tot vestiging van de kredietovereenkomst.
De 240 hypothetische maandelijkse termijnbedragen Dl kunnen verkregen worden op basis van een aflossingsschema, waarbij :
D1 = 769,64
D2 = 769,64
...
D12 = 1.270,90 (769,64 + 228,26 + 273)
D13 = 769,64
...
D24 = 1.270,90 (769,64 + 228,26 + 273)
D25 = 769,64
...
D156 = 997,90 (769,64 + 228,26)
...
D240 = 768,01
De vergelijking is de volgende :
Voorbeeld 37 - Een voorbeeld ter verduidelijking van een "gecombineerd" hypothecair krediet met een onroerende bestemming en met een hypothecaire inschrijving voor alle sommen.
De kredietgever sluit met de kredietnemers een kaderovereenkomst voor een kredietbedrag opneembaar in de vorm van meerdere voorschotten van bepaalde duur, "woningkredieten" genoemd, waarvoor er geen bijkomende goedkeuring per afzonderlijk voorschot nodig is en die wederopneembaar zijn. De limiet van de kaderovereenkomst is gelijk aan de som van de woningkredieten (voorschotten) en bedraagt 230.000 euro.
Het eerste woningkrediet bedraagt 150.000 euro voor de aankoop van de woning, terug te betalen overeenkomstig de terugbetalingsvoorwaarden in voorbeeld 33 en 36 van deze bijlage (supra).
Het tweede woningkrediet bedraagt 80.000 euro voor verbouwingen aan de woning, terug te betalen overeenkomstig de terugbetalingsvoorwaarden in voorbeeld 36 van deze bijlage (supra) maar met de kosten van een hypothecaire inschrijving in plaats van een hypothecair mandaat.
De kredietgever vraagt een hypothecaire inschrijving voor een bedrag van 230.000 euro in hoofdsom te vermeerderen met interest en bijhorigheden.
De dossierkosten bedragen 350 euro, de schattingskosten 180 euro, te betalen bij het verlijden van de akte tot vestiging van de kredietovereenkomst, hetzij de datum van de kredietopname (terbeschikkingstelling van het kredietbedrag).
Een brandverzekering (exclusief dekking diefstal en inboedel) is verplicht voor beide woningkredieten. De kredietgever kent de kosten (350 euro, inclusief taksen, jaarlijks vooraf te betalen).
De schuldsaldoverzekering is verplicht voor het woningkrediet van 150.000 euro voor de aankoop van de woning. De kredietgever kent de kosten (273 euro gedurende 13 jaar, jaarlijks vooraf te betalen).
De zichtrekening (2,5 euro maandelijks vooraf te betalen) is verplicht om het volledige krediet te krijgen tegen een lagere periodieke rentevoet voor elk van de woningkredieten, die de consument aanvaard heeft.
Het JKP wordt berekend voor elk voorschot afzonderlijk. De kosten die voor meerdere woonkredieten samen betaald worden, in casu de dossierkosten, de zichtrekeningkosten, de brandverzekeringkosten en de notariskosten, worden pro rata verdeeld over de betreffende woonkredieten.
1. Het JKP van het eerste woningkrediet is niet gelijk aan dat van voorbeeld 33 in deze bijlage (zie supra) omdat de dossierkosten, de kosten van de zichtrekening, de schattingskosten en de brandverzekering pro rata verdeeld worden over de twee woonkredieten. De notariskosten worden berekend voor het volledige kredietbedrag van de kaderovereenkomst en pro rata verdeeld over beide woonkredieten, met inbegrip van de diverse aktekosten.
De in rekening te brengen eenmalige dossierkosten bedragen 350 x (150.000/230.000) = 228,26 euro.
De in rekening te brengen maandelijkse zichtrekeningkosten bedragen 2,5 euro x (150.000/230.000) = 1,63 euro per maand.
De eenmalige in rekening te brengen schattingskosten bedragen 180 x (150.000/230.000) = 117,39 euro.
De in rekening te brengen jaarlijkse kosten van de brandverzekering bedragen 350 x (150.000/230.000) = 228,26 euro.
De notariskosten voor een kredietbedrag van 230.000 euro bedragen 4.903,88 euro (2.530,00 euro registratierechten, 1.042,88 euro voor het hypotheekkantoor, en 1.331,00 euro voor de diverse aktekosten, inclusief btw). Daarvan wordt 3.198,18 euro in rekening gebracht (35).
1. Voor de berekening van het JKP wordt vertrokken van dezelfde veronderstellingen als die in vb. 33.
2. De berekening van het JKP gebeurt op basis van de volgende bedragen en tijdstippen van betaling :
Een kredietbedrag van 150.000 euro.
Een onmiddellijk te betalen bedrag van 4.046,72 euro, met name, 228,26 euro dossierkosten, 117,39 euro schattingskosten, 3.198,18 euro notariskosten, 228,26 euro voor de brandverzekering, 273 euro voor de schuldsaldoverzekering en 1,63 euro kosten voor de zichtrekening.
Hetzij een netto door de consument ontvangen bedrag in periode 0 van 145.953,28 euro (150.000 - 4.046,72).
Een maandelijks te betalen bedrag van 768,01 euro om het kredietbedrag af te lossen en de debetrente te betalen, waarbij een maand 30,4167 dagen telt.
Maandelijks vooraf te betalen kosten van de zichtrekening van 1,63 euro, een eerste keer op dezelfde dag als het verlijden van de akte tot vestiging van de kredietovereenkomst, en vervolgens telkens een maand later, waarbij een maand 30,4167 dagen telt. Het laatste termijnbedrag bevat geen kosten van de zichtrekening omdat ze vooraf betaald worden.
Hetzij 239 termijnbedragen van 769,64 euro die het kredietbedrag, de debetrente en de kosten van de zichtrekening terugbetalen, en een laatste 240ste termijnbedrag van 768,01 euro dat enkel kapitaal en debetrente terugbetaalt.
Het eerste maandbedrag bestaat, naast de kosten van 1,63 euro, uit 266,10 euro debetrente en 501,91 euro kapitaal, waarbij de debetrente werd berekend door 0,0017740146, of 1,021497(1/12) - 1, te vermenigvuldigen met 150.000 euro.
Een jaarlijks bedrag van 228,26 euro voor de brandverzekering, te betalen op dezelfde dag van de maand als de dag van het verlijden van de akte tot vestiging van de kredietovereenkomst.
Gedurende de eerste 13 jaren, een jaarlijks bedrag van 273 euro voor de schuldsaldoverzekering, te betalen op dezelfde dag van de maand als de dag van het verlijden van de akte tot vestiging van de kredietovereenkomst.
De 240 hypothetische maandelijkse termijnbedragen Dl kunnen verkregen worden op basis van een aflossingsschema, waarbij :
D1 = 769,64
D2 = 769,64
...
D12 = 1.270,90 (769,64 + 228,26 + 273)
D13 = 769,64
...
D24 = 1.270,90 (769,64 + 228,26 + 273)
D25 = 769,64
...
D156 = 997,90 (769,64 + 228,26)
...
D240 = 768,01
De vergelijking is de volgende :
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 21-10-2016, p. 71019)
Exemple 37 - Un exemple pour illustrer un crédit hypothécaire "combiné" avec une destination immobilière et avec une inscription hypothécaire pour toutes les sommes.
Le prêteur conclut avec les emprunteurs un contrat-cadre pour un montant de crédit prélevable sous la forme de plusieurs avances à durée déterminée, appelées "crédits logements", pour lesquelles une approbation supplémentaire par avance distincte n'est pas nécessaire, et qui sont réutilisables. La limite du contrat-cadre est égale à la somme des crédits logements (avances) et s'élève à 230.000 euros.
Le premier crédit logement s'élève à 150.000 euros pour l'achat de l'habitation, à rembourser conformément aux conditions de remboursement de l'exemple 33 et 36 de cette annexe (ci-dessus).
Le deuxième crédit logement s'élève à 80.000 euros pour des travaux d'aménagement à l'habitation, à rembourser conformément aux conditions de remboursement de l'exemple 36 de cette annexe (ci-dessus) mais avec les coûts d'une inscription hypothécaire au lieu d'un mandat hypothécaire.
Le prêteur demande une hypothèque pour un montant de 230.000 euros en principal à majorer des intérêts et accessoires.
Les frais de dossier s'élèvent à 350 euros, les frais d'expertise à 180 euros, à payer lors de la passation de l'acte d'établissement du contrat de crédit, soit la date du prélèvement de crédit (mise à disposition du montant du crédit).
Une assurance incendie (à l'exclusion de la couverture vol et mobilier) est obligatoire pour les deux crédits logement. Le prêteur connaît les frais (350 euros, y compris les taxes, à payer préalablement chaque année).
L'assurance solde restant dû est uniquement obligatoire pour le crédit logement de 150.000 euros pour l'achat de l'habitation. Le prêteur connaît les frais (273 euros pendant 13 ans, à payer préalablement chaque année).
Le compte à vue (2,5 euros à payer préalablement chaque mois) est obligatoire pour obtenir le crédit total à un taux d'intérêt périodique inférieur de chacun des crédits logement, ce que le consommateur a accepté.
Le TAEG est calculé pour chaque avance séparément. Les frais qui sont payés ensemble pour plusieurs crédits logement, in casu les frais de dossier, les frais du compte à vue, les frais d'assurance incendie, sont répartis au pro rata sur les crédits logement concernés.
1. Le TAEG du premier crédit logement n'est pas égal à celui de l'exemple 33 dans cette annexe (voir ci-dessus) parce que les frais de dossier, les frais du compte à vue, les frais d'expertise et l'assurance incendie sont répartis au pro rata sur les deux crédits logement. Les frais de notaires sont calculés pour le montant du crédit intégral du contrat-cadre et sont répartis au pro rata sur les deux crédits logement, les frais d'actes divers inclus.
Les frais de dossiers uniques à porter en compte s'élèvent à 350 x (150.000/230.000) = 228,26 euros.
Les frais mensuels du compte à vue à porter en compte s'élèvent à 2,5 euros x (150.000/230.000) = 1,63 euros par mois.
Les frais d'expertise uniques à porter en compte s'élèvent à 180 x (150.000/230.000) = 117,39 euros.
Les frais annuels de l'assurance incendie à porter en compte s'élèvent à 350 x (150.000/230.000) = 228,26 euros.
Les frais de notaire pour un montant de crédit de 230.000 euros s'élèvent à 4.903,88 euros (2.530,00 euros de droits d'enregistrement, 1.042,88 euros pour le bureau des hypothèques, et 1.331,00 euros pour des frais d'acte divers, T.V.A. incluse). La partie à porter en compte s'élèvent à 3.198,18 euros (35).
1. Le calcul du TAEG a comme point de départ les mêmes hypothèses que celles dans l'exemple 33.
2. Le calcul du TAEG se fait sur base des montants et moments de paiement suivants :
Un montant du crédit de 150.000 euros.
Un montant de 4.046,72 euros, payable immédiatement, à savoir 228,26 euros de frais de dossier, 117,39 euros de frais d'expertise, 3.198,18 euros de frais de notaire, 228,26 euros pour l'assurance d'incendie, 273 euros pour l'assurance solde restant dû et 1,63 euros de frais pour le compte à vue.
Soit un montant net de 145.953,28 euros (150.000 - 4.046,72) reçu par le consommateur dans la période 0.
Un montant mensuel de 768,01 euros à payer pour amortir le crédit et pour payer les intérêts débiteurs, et pour lequel un mois compte 30,4167 jours.
Les frais du compte à vue de 1,63 euros à payer mensuellement, une première fois le même jour que la passation de l'acte d'établissement du contrat de crédit, et ensuite chaque fois un mois plus tard, un mois comptant 30,4167 jours. Le dernier montant de terme ne contient aucun frais de compte à vue parce que les coûts du compte à vue sont payés au préalable.
Soit 239 montants de terme de 769,64 euros qui remboursent le montant du crédit, les intérêts débiteurs et les frais du compte à vue et un dernier 240e montant de terme de 768,01 euros qui rembourse uniquement le capital et les intérêts débiteurs.
Le premier montant mensuel se compose, à part des frais de 1,63 euros, de 266,10 euros d'intérêts débiteurs et de 501,91 euros de capital, dont les intérêts débiteurs ont été calculés en multipliant 0,0017740146, ou 1,021497(1/12) - 1, par 150.000 euros.
Un montant de 228,26 euros pour l'assurance incendie payable annuellement au même jour du mois que le jour de la passation de l'acte d'établissement du contrat de crédit.
Durant les 13 premières années, un montant de 273 euros pour l'assurance solde restant dû payable annuellement le même jour du mois que le jour de la passation de l'acte d'établissement du contrat de crédit.
Les 240 montants de terme mensuels Dl hypothétiques peuvent être obtenus sur base d'un échéancier de remboursement où :
D1 = 769,64
D2 = 769,64
...
D12 = 1.270,90 (769,64 + 228,26 + 273)
D13 = 769,64
...
D24 = 1.270,90 (769,64 + 228,26 + 273)
D25 = 769,64
...
D156 = 997,90 (769,64 + 228,26)
...
D240 = 768,01
L'équation est la suivante :
Exemple 37 - Un exemple pour illustrer un crédit hypothécaire "combiné" avec une destination immobilière et avec une inscription hypothécaire pour toutes les sommes.
Le prêteur conclut avec les emprunteurs un contrat-cadre pour un montant de crédit prélevable sous la forme de plusieurs avances à durée déterminée, appelées "crédits logements", pour lesquelles une approbation supplémentaire par avance distincte n'est pas nécessaire, et qui sont réutilisables. La limite du contrat-cadre est égale à la somme des crédits logements (avances) et s'élève à 230.000 euros.
Le premier crédit logement s'élève à 150.000 euros pour l'achat de l'habitation, à rembourser conformément aux conditions de remboursement de l'exemple 33 et 36 de cette annexe (ci-dessus).
Le deuxième crédit logement s'élève à 80.000 euros pour des travaux d'aménagement à l'habitation, à rembourser conformément aux conditions de remboursement de l'exemple 36 de cette annexe (ci-dessus) mais avec les coûts d'une inscription hypothécaire au lieu d'un mandat hypothécaire.
Le prêteur demande une hypothèque pour un montant de 230.000 euros en principal à majorer des intérêts et accessoires.
Les frais de dossier s'élèvent à 350 euros, les frais d'expertise à 180 euros, à payer lors de la passation de l'acte d'établissement du contrat de crédit, soit la date du prélèvement de crédit (mise à disposition du montant du crédit).
Une assurance incendie (à l'exclusion de la couverture vol et mobilier) est obligatoire pour les deux crédits logement. Le prêteur connaît les frais (350 euros, y compris les taxes, à payer préalablement chaque année).
L'assurance solde restant dû est uniquement obligatoire pour le crédit logement de 150.000 euros pour l'achat de l'habitation. Le prêteur connaît les frais (273 euros pendant 13 ans, à payer préalablement chaque année).
Le compte à vue (2,5 euros à payer préalablement chaque mois) est obligatoire pour obtenir le crédit total à un taux d'intérêt périodique inférieur de chacun des crédits logement, ce que le consommateur a accepté.
Le TAEG est calculé pour chaque avance séparément. Les frais qui sont payés ensemble pour plusieurs crédits logement, in casu les frais de dossier, les frais du compte à vue, les frais d'assurance incendie, sont répartis au pro rata sur les crédits logement concernés.
1. Le TAEG du premier crédit logement n'est pas égal à celui de l'exemple 33 dans cette annexe (voir ci-dessus) parce que les frais de dossier, les frais du compte à vue, les frais d'expertise et l'assurance incendie sont répartis au pro rata sur les deux crédits logement. Les frais de notaires sont calculés pour le montant du crédit intégral du contrat-cadre et sont répartis au pro rata sur les deux crédits logement, les frais d'actes divers inclus.
Les frais de dossiers uniques à porter en compte s'élèvent à 350 x (150.000/230.000) = 228,26 euros.
Les frais mensuels du compte à vue à porter en compte s'élèvent à 2,5 euros x (150.000/230.000) = 1,63 euros par mois.
Les frais d'expertise uniques à porter en compte s'élèvent à 180 x (150.000/230.000) = 117,39 euros.
Les frais annuels de l'assurance incendie à porter en compte s'élèvent à 350 x (150.000/230.000) = 228,26 euros.
Les frais de notaire pour un montant de crédit de 230.000 euros s'élèvent à 4.903,88 euros (2.530,00 euros de droits d'enregistrement, 1.042,88 euros pour le bureau des hypothèques, et 1.331,00 euros pour des frais d'acte divers, T.V.A. incluse). La partie à porter en compte s'élèvent à 3.198,18 euros (35).
1. Le calcul du TAEG a comme point de départ les mêmes hypothèses que celles dans l'exemple 33.
2. Le calcul du TAEG se fait sur base des montants et moments de paiement suivants :
Un montant du crédit de 150.000 euros.
Un montant de 4.046,72 euros, payable immédiatement, à savoir 228,26 euros de frais de dossier, 117,39 euros de frais d'expertise, 3.198,18 euros de frais de notaire, 228,26 euros pour l'assurance d'incendie, 273 euros pour l'assurance solde restant dû et 1,63 euros de frais pour le compte à vue.
Soit un montant net de 145.953,28 euros (150.000 - 4.046,72) reçu par le consommateur dans la période 0.
Un montant mensuel de 768,01 euros à payer pour amortir le crédit et pour payer les intérêts débiteurs, et pour lequel un mois compte 30,4167 jours.
Les frais du compte à vue de 1,63 euros à payer mensuellement, une première fois le même jour que la passation de l'acte d'établissement du contrat de crédit, et ensuite chaque fois un mois plus tard, un mois comptant 30,4167 jours. Le dernier montant de terme ne contient aucun frais de compte à vue parce que les coûts du compte à vue sont payés au préalable.
Soit 239 montants de terme de 769,64 euros qui remboursent le montant du crédit, les intérêts débiteurs et les frais du compte à vue et un dernier 240e montant de terme de 768,01 euros qui rembourse uniquement le capital et les intérêts débiteurs.
Le premier montant mensuel se compose, à part des frais de 1,63 euros, de 266,10 euros d'intérêts débiteurs et de 501,91 euros de capital, dont les intérêts débiteurs ont été calculés en multipliant 0,0017740146, ou 1,021497(1/12) - 1, par 150.000 euros.
Un montant de 228,26 euros pour l'assurance incendie payable annuellement au même jour du mois que le jour de la passation de l'acte d'établissement du contrat de crédit.
Durant les 13 premières années, un montant de 273 euros pour l'assurance solde restant dû payable annuellement le même jour du mois que le jour de la passation de l'acte d'établissement du contrat de crédit.
Les 240 montants de terme mensuels Dl hypothétiques peuvent être obtenus sur base d'un échéancier de remboursement où :
D1 = 769,64
D2 = 769,64
...
D12 = 1.270,90 (769,64 + 228,26 + 273)
D13 = 769,64
...
D24 = 1.270,90 (769,64 + 228,26 + 273)
D25 = 769,64
...
D156 = 997,90 (769,64 + 228,26)
...
D240 = 768,01
L'équation est la suivante :
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 21-10-2016, p. 71021)
2a. Voor de berekening van het JKP van het verbouwingskrediet van 80.000 euro wordt vertrokken van dezelfde veronderstellingen als die in voorbeeld 36 in deze bijlage (zie supra).
2b. De berekening van het JKP gebeurt op basis van de volgende bedragen en tijdstippen van betaling :
- Een kredietbedrag van 80.000 euro.
- Een onmiddellijk te betalen bedrag van 2.012,66 euro, met name, 121,74 euro dossierkosten (36), 62,61 euro schattingskosten, 1.705,70 euro kosten te betalen bij de notaris (37), 121,74 euro voor de brandverzekering (38) en 0,87 euro kosten van de zichtrekening.
Hetzij een netto door de consument ontvangen bedrag in periode 0 van 77.987,34 euro (80.000 - 2.012,66).
- Voor de eerste 6 maanden, 6 maandelijks te betalen termijnbedragen van enkel rente en kosten van de zichtrekening, hetzij 196,87 euro (0,002450 x 80.000 euro + 0,87 euro = 196 euro + 0,87 euro).
- Na de eerste 6 maanden, 173 maandelijkse kapitaalaflossingen van elk 459,77 euro (het op 2 decimalen afgeronde resultaat van 80.000/174), elk verhoogd met de interesten berekend op het verschuldigd blijvend saldo na elke kapitaalaflossing en de kosten van de zichtrekening. Hetzij een 7de termijnbedrag van 656,64 euro (196,00 euro debetrente, 459,77 euro kapitaal en 0,87 euro kosten zichtrekening), een 8ste termijnbedrag van 655,51 euro (194,87 euro debetrente, 459,77 euro kapitaal en 0,87 euro kosten zichtrekening), enz.
- Een laatste 174ste kapitaalaflossing (180ste termijnbedrag) van 459,79 euro (80.000/174 + 0,02 (wat rest na afronding x 174)), verhoogd met de debetrente (geen kosten van de zichtrekening die vooraf betaald worden). Hetzij een laatste termijnbedrag van 460,92 euro (1,13 euro debetrente en 459,79 euro kapitaal).
Hetzij een jaarlijks, op dezelfde dag van de maand als het verlijden van de akte, te betalen bedrag van 121,74 euro, inclusief taksen, voor de brandverzekering.
De 180 hypothetische maandelijkse termijnbedragen Dl kunnen verkregen worden op basis van een aflossingsschema, waarbij :
D1 tot D6 = 196,87 (196,00 + 0,87)
D7 = 656,64
D8 = 655,51
...
D12 = 772,75
...
D180 = 460,92
De vergelijking is de volgende :
2a. Voor de berekening van het JKP van het verbouwingskrediet van 80.000 euro wordt vertrokken van dezelfde veronderstellingen als die in voorbeeld 36 in deze bijlage (zie supra).
2b. De berekening van het JKP gebeurt op basis van de volgende bedragen en tijdstippen van betaling :
- Een kredietbedrag van 80.000 euro.
- Een onmiddellijk te betalen bedrag van 2.012,66 euro, met name, 121,74 euro dossierkosten (36), 62,61 euro schattingskosten, 1.705,70 euro kosten te betalen bij de notaris (37), 121,74 euro voor de brandverzekering (38) en 0,87 euro kosten van de zichtrekening.
Hetzij een netto door de consument ontvangen bedrag in periode 0 van 77.987,34 euro (80.000 - 2.012,66).
- Voor de eerste 6 maanden, 6 maandelijks te betalen termijnbedragen van enkel rente en kosten van de zichtrekening, hetzij 196,87 euro (0,002450 x 80.000 euro + 0,87 euro = 196 euro + 0,87 euro).
- Na de eerste 6 maanden, 173 maandelijkse kapitaalaflossingen van elk 459,77 euro (het op 2 decimalen afgeronde resultaat van 80.000/174), elk verhoogd met de interesten berekend op het verschuldigd blijvend saldo na elke kapitaalaflossing en de kosten van de zichtrekening. Hetzij een 7de termijnbedrag van 656,64 euro (196,00 euro debetrente, 459,77 euro kapitaal en 0,87 euro kosten zichtrekening), een 8ste termijnbedrag van 655,51 euro (194,87 euro debetrente, 459,77 euro kapitaal en 0,87 euro kosten zichtrekening), enz.
- Een laatste 174ste kapitaalaflossing (180ste termijnbedrag) van 459,79 euro (80.000/174 + 0,02 (wat rest na afronding x 174)), verhoogd met de debetrente (geen kosten van de zichtrekening die vooraf betaald worden). Hetzij een laatste termijnbedrag van 460,92 euro (1,13 euro debetrente en 459,79 euro kapitaal).
Hetzij een jaarlijks, op dezelfde dag van de maand als het verlijden van de akte, te betalen bedrag van 121,74 euro, inclusief taksen, voor de brandverzekering.
De 180 hypothetische maandelijkse termijnbedragen Dl kunnen verkregen worden op basis van een aflossingsschema, waarbij :
D1 tot D6 = 196,87 (196,00 + 0,87)
D7 = 656,64
D8 = 655,51
...
D12 = 772,75
...
D180 = 460,92
De vergelijking is de volgende :
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 21-10-2016, p. 71021)
2a. Le calcul du TAEG du crédit pour travaux de 80.000 euros a comme point de départ les mêmes hypothèses que celles de l'exemple 36 dans cette annexe (voir supra).
2b. Le calcul du TAEG se fait sur base des montants et moments de paiement suivants :
- Un montant du crédit de 80.000 euros;
- Un montant de 2.012,66 euros, payable immédiatement, à savoir 121,74 euros de frais de dossier (36), 62,61 euros de frais d'expertise, 1.705,70 euros de frais payables auprès du notaire (37), 121,74 euros pour l'assurance incendie (38) et 0,87 euros de frais pour le compte à vue.
Soit, un montant net, reçu par le consommateur à la période 0, de 77.987,34 euros (80.000 - 2.012,66).
- Pour les 6 premiers mois, 6 montants de terme mensuels à payer constitués uniquement d'intérêts et frais du compte à vue, soit 196,87 euros (0,002450 x 80.000 euros + 0,87 euros = 196 euros + 0,87 euros).
- Après les 6 premiers mois, 173 remboursements de capital mensuels de chacun 459,77 euros (le résultat de 80.000/174 arrondi à 2 décimales), chacun augmenté des intérêts calculés sur le solde restant dû après chaque remboursement de capital et les frais du compte à vue. Soit un 7ème montant de terme de 656,64 euros (196,00 euros d'intérêts débiteurs, 459,77 euros de capital et 0,87 euros de frais de compte à vue), un 8e montant de terme de 655,51 euros (194,87 euros d'intérêts débiteurs, 459,77 euros de capital et 0,87 euros frais de compte à vue), etc.
- Un dernier 174ème remboursement de capital (180e terme de paiement) de 459,79 euros (80.000/174 + 0,02 (ce qui reste après arrondissement x 174)), majoré des intérêts débiteurs (aucun frais du compte à vue payé préalablement). Soit un dernier montant de terme de 460,92 euros (1,13 euros d'intérêts débiteurs et 459,79 euros de capital).
Soit un montant de 121,74 euros, y compris les taxes, pour l'assurance incendie, à payer annuellement le même jour du mois que celui de la passation de l'acte.
Les 180 montants de terme mensuels Dl hypothétiques peuvent être obtenus sur base d'un échéancier de remboursement où :
D1 à D6 = 196,87 (196,00 + 0,87)
D7 = 656,64
D8 = 655,51
...
D12 = 772,75
...
D180 = 460,92
L'équation est la suivante :
2a. Le calcul du TAEG du crédit pour travaux de 80.000 euros a comme point de départ les mêmes hypothèses que celles de l'exemple 36 dans cette annexe (voir supra).
2b. Le calcul du TAEG se fait sur base des montants et moments de paiement suivants :
- Un montant du crédit de 80.000 euros;
- Un montant de 2.012,66 euros, payable immédiatement, à savoir 121,74 euros de frais de dossier (36), 62,61 euros de frais d'expertise, 1.705,70 euros de frais payables auprès du notaire (37), 121,74 euros pour l'assurance incendie (38) et 0,87 euros de frais pour le compte à vue.
Soit, un montant net, reçu par le consommateur à la période 0, de 77.987,34 euros (80.000 - 2.012,66).
- Pour les 6 premiers mois, 6 montants de terme mensuels à payer constitués uniquement d'intérêts et frais du compte à vue, soit 196,87 euros (0,002450 x 80.000 euros + 0,87 euros = 196 euros + 0,87 euros).
- Après les 6 premiers mois, 173 remboursements de capital mensuels de chacun 459,77 euros (le résultat de 80.000/174 arrondi à 2 décimales), chacun augmenté des intérêts calculés sur le solde restant dû après chaque remboursement de capital et les frais du compte à vue. Soit un 7ème montant de terme de 656,64 euros (196,00 euros d'intérêts débiteurs, 459,77 euros de capital et 0,87 euros de frais de compte à vue), un 8e montant de terme de 655,51 euros (194,87 euros d'intérêts débiteurs, 459,77 euros de capital et 0,87 euros frais de compte à vue), etc.
- Un dernier 174ème remboursement de capital (180e terme de paiement) de 459,79 euros (80.000/174 + 0,02 (ce qui reste après arrondissement x 174)), majoré des intérêts débiteurs (aucun frais du compte à vue payé préalablement). Soit un dernier montant de terme de 460,92 euros (1,13 euros d'intérêts débiteurs et 459,79 euros de capital).
Soit un montant de 121,74 euros, y compris les taxes, pour l'assurance incendie, à payer annuellement le même jour du mois que celui de la passation de l'acte.
Les 180 montants de terme mensuels Dl hypothétiques peuvent être obtenus sur base d'un échéancier de remboursement où :
D1 à D6 = 196,87 (196,00 + 0,87)
D7 = 656,64
D8 = 655,51
...
D12 = 772,75
...
D180 = 460,92
L'équation est la suivante :
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 21-10-2016, p. 71022)
Voorbeeld 38 - Een voorbeeld ter verduidelijking van een hypothecair krediet met een onroerende bestemming, terug te betalen volgens 2 verschillende terugbetalingsmodaliteiten.
Een kredietovereenkomst van 200.000 euro voor de aankoop van een woning terug te betalen in 180 gelijke maandelijkse betalingen (15 jaar). Het volledige kredietbedrag wordt onmiddellijk opgenomen bij het ondertekenen van de akte tot vestiging van de kredietovereenkomst. Verdere kredietopnames zijn niet toegestaan.
Hypotheekvestiging (hypothecaire inschrijving) voor 100 % van het kredietbedrag.
De helft van het kredietbedrag, dus 100.000 euro, wordt toegestaan tegen een vaste maandelijkse rentevoet van 0,5000 % (6,1678 % op jaarbasis), en is terug te betalen in 180 maandelijkse betalingen van 843,86 euro.
De andere helft van het kredietbedrag, dus ook 100.000 euro, wordt toegestaan tegen een vaste maandelijkse rentevoet van 0,4583 % (5,6407 % op jaarbasis) (39), terug te betalen in 180 maandelijkse betalingen van 817,08 euro.
De dossierkost bedraagt 500 euro, de verplichte schattingskosten 200 euro en de notariskosten 4.430,72 euro (2.200 euro registratierechten, 899,72 euro voor het hypotheekkantoor en 1.331 euro diverse aktekosten incl. btw), allen onmiddellijk te betalen bij het verlijden van de akte tot vestiging van de kredietovereenkomst.
Het maandelijkse termijnbedrag dat het kredietbedrag van 200.000 euro aflost tegen de aangerekende debetrente bedraagt in het totaal 1.660,94 euro (843,86 + 817,08) (40).
1. Voor de berekening van het JKP wordt vertrokken van de volgende veronderstellingen :
- De kredietovereenkomst geldt voor de overeengekomen tijdsduur en de kredietgever en de consument komen hun verplichtingen na overeenkomstig de voorwaarden en op de data die in de kredietovereenkomst zijn bepaald (artikel 4, § 1,eerste lid, van dit besluit).
- Elke maand telt 30,41667 dagen (artikel 3, § 2, tweede lid, van dit besluit).
2. De berekening van het JKP gebeurt op basis van de volgende bedragen en tijdstippen van betaling :
- Een kredietbedrag van 200.000 euro.
- Een onmiddellijk te betalen bedrag van 5.130,72 euro (dossierkosten van 500 euro, schattingskosten van 200 euro en notariskosten van 4.430,72 euro).
Hetzij een netto door de consument ontvangen bedrag in periode 0 van 194.869,28 euro (200.000 - 5.130,72).
- Een maandelijks te betalen bedrag van 1.660,94 euro om het kapitaal af te lossen en de debetrente te betalen, waarbij een maand 30,4167 dagen telt.
De 180 hypothetische maandelijkse termijnbedragen Dl kunnen verkregen worden op basis van een aflossingsschema, waarbij :
D1 tot D180 = 1.660,94
De vergelijking is de volgende :
Voorbeeld 38 - Een voorbeeld ter verduidelijking van een hypothecair krediet met een onroerende bestemming, terug te betalen volgens 2 verschillende terugbetalingsmodaliteiten.
Een kredietovereenkomst van 200.000 euro voor de aankoop van een woning terug te betalen in 180 gelijke maandelijkse betalingen (15 jaar). Het volledige kredietbedrag wordt onmiddellijk opgenomen bij het ondertekenen van de akte tot vestiging van de kredietovereenkomst. Verdere kredietopnames zijn niet toegestaan.
Hypotheekvestiging (hypothecaire inschrijving) voor 100 % van het kredietbedrag.
De helft van het kredietbedrag, dus 100.000 euro, wordt toegestaan tegen een vaste maandelijkse rentevoet van 0,5000 % (6,1678 % op jaarbasis), en is terug te betalen in 180 maandelijkse betalingen van 843,86 euro.
De andere helft van het kredietbedrag, dus ook 100.000 euro, wordt toegestaan tegen een vaste maandelijkse rentevoet van 0,4583 % (5,6407 % op jaarbasis) (39), terug te betalen in 180 maandelijkse betalingen van 817,08 euro.
De dossierkost bedraagt 500 euro, de verplichte schattingskosten 200 euro en de notariskosten 4.430,72 euro (2.200 euro registratierechten, 899,72 euro voor het hypotheekkantoor en 1.331 euro diverse aktekosten incl. btw), allen onmiddellijk te betalen bij het verlijden van de akte tot vestiging van de kredietovereenkomst.
Het maandelijkse termijnbedrag dat het kredietbedrag van 200.000 euro aflost tegen de aangerekende debetrente bedraagt in het totaal 1.660,94 euro (843,86 + 817,08) (40).
1. Voor de berekening van het JKP wordt vertrokken van de volgende veronderstellingen :
- De kredietovereenkomst geldt voor de overeengekomen tijdsduur en de kredietgever en de consument komen hun verplichtingen na overeenkomstig de voorwaarden en op de data die in de kredietovereenkomst zijn bepaald (artikel 4, § 1,eerste lid, van dit besluit).
- Elke maand telt 30,41667 dagen (artikel 3, § 2, tweede lid, van dit besluit).
2. De berekening van het JKP gebeurt op basis van de volgende bedragen en tijdstippen van betaling :
- Een kredietbedrag van 200.000 euro.
- Een onmiddellijk te betalen bedrag van 5.130,72 euro (dossierkosten van 500 euro, schattingskosten van 200 euro en notariskosten van 4.430,72 euro).
Hetzij een netto door de consument ontvangen bedrag in periode 0 van 194.869,28 euro (200.000 - 5.130,72).
- Een maandelijks te betalen bedrag van 1.660,94 euro om het kapitaal af te lossen en de debetrente te betalen, waarbij een maand 30,4167 dagen telt.
De 180 hypothetische maandelijkse termijnbedragen Dl kunnen verkregen worden op basis van een aflossingsschema, waarbij :
D1 tot D180 = 1.660,94
De vergelijking is de volgende :
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 21-10-2016, p. 71022)
Exemple 38 - Un exemple pour illustrer un crédit hypothécaire avec une destination immobilière, à rembourser selon 2 modalités de remboursement différentes.
Un contrat de crédit de 200.000 euros pour l'achat d'une habitation à rembourser en 180 paiements mensuels légaux (15 ans). Le montant total du crédit est immédiatement prélevé lors de la signature de l'acte d'établissement du contrat de crédit. D'autres prélèvements de crédit ne sont pas autorisés.
Etablissement de l'hypothèque (inscription hypothécaire) pour 100 % du montant du crédit.
La moitié du montant du crédit, donc 100.000 euros, est octroyée à un taux d'intérêt mensuel fixe de 0,5000 % (6,1678 % sur base annuelle) et est remboursable en 180 paiements mensuels de 843,86 euros.
L'autre moitié du montant du crédit, donc également 100.000 euros, est octroyée à un taux d'intérêt mensuel fixe de 0,4583 % (5,6407 % sur base annuelle) (39), à rembourser en 180 paiements mensuels de 817,08 euros.
Les frais de dossier s'élèvent à 500 euros, les frais d'expertise obligatoires à 200 euros et les frais de notaire à 4.430,72 euros (2.200 euros de droits d'enregistrement, 899,72 euros pour le bureau des hypothèques et 1.331 euros de frais d'actes divers T.V.A. comprise), payables immédiatement lors la passation de l'acte d'établissement du contrat de crédit.
Le montant de terme mensuel qui rembourse le montant du crédit de 200.000 euros au taux d'intérêt débiteur facturé s'élève au total à 1.660,94 euros (843,86 + 817,08) (40).
1. Pour le calcul du TAEG, on part des hypothèses suivantes :
- Le contrat de crédit vaut pour la durée convenue et le prêteur et le consommateur respectent leurs obligations conformément aux conditions et aux données fixées dans le contrat de crédit (l'article 4, § 1er, alinéa 1er du présent arrêté).
- Chaque mois compte 30,41667 jours (article 3, § 2, alinéa 2, de cet arrêté).
2. Le calcul du TAEG se fait sur la base des montants et moments de paiement suivants :
- Un montant de crédit de 200.000 euros.
- Un montant à payer immédiatement de 5.130,72 euros (frais de dossier de 500 euros, frais d'expertise de 200 euros et frais de notaire de 4.430,72 euros).
Soit, un montant net, reçu par le consommateur à la période 0, de 194.869,28 euros (200.000 - 5.130,72).
- Un montant mensuel à payer de 1.660,94 euros pour rembourser le capital et payer les intérêts débiteurs, où un mois compte 30,4167 jours.
Les 180 montants de terme mensuels Dl hypothétiques peuvent être obtenus sur base d'un échéancier de remboursement où :
D1 à D180 = 1.660,94
L'équation est la suivante :
Exemple 38 - Un exemple pour illustrer un crédit hypothécaire avec une destination immobilière, à rembourser selon 2 modalités de remboursement différentes.
Un contrat de crédit de 200.000 euros pour l'achat d'une habitation à rembourser en 180 paiements mensuels légaux (15 ans). Le montant total du crédit est immédiatement prélevé lors de la signature de l'acte d'établissement du contrat de crédit. D'autres prélèvements de crédit ne sont pas autorisés.
Etablissement de l'hypothèque (inscription hypothécaire) pour 100 % du montant du crédit.
La moitié du montant du crédit, donc 100.000 euros, est octroyée à un taux d'intérêt mensuel fixe de 0,5000 % (6,1678 % sur base annuelle) et est remboursable en 180 paiements mensuels de 843,86 euros.
L'autre moitié du montant du crédit, donc également 100.000 euros, est octroyée à un taux d'intérêt mensuel fixe de 0,4583 % (5,6407 % sur base annuelle) (39), à rembourser en 180 paiements mensuels de 817,08 euros.
Les frais de dossier s'élèvent à 500 euros, les frais d'expertise obligatoires à 200 euros et les frais de notaire à 4.430,72 euros (2.200 euros de droits d'enregistrement, 899,72 euros pour le bureau des hypothèques et 1.331 euros de frais d'actes divers T.V.A. comprise), payables immédiatement lors la passation de l'acte d'établissement du contrat de crédit.
Le montant de terme mensuel qui rembourse le montant du crédit de 200.000 euros au taux d'intérêt débiteur facturé s'élève au total à 1.660,94 euros (843,86 + 817,08) (40).
1. Pour le calcul du TAEG, on part des hypothèses suivantes :
- Le contrat de crédit vaut pour la durée convenue et le prêteur et le consommateur respectent leurs obligations conformément aux conditions et aux données fixées dans le contrat de crédit (l'article 4, § 1er, alinéa 1er du présent arrêté).
- Chaque mois compte 30,41667 jours (article 3, § 2, alinéa 2, de cet arrêté).
2. Le calcul du TAEG se fait sur la base des montants et moments de paiement suivants :
- Un montant de crédit de 200.000 euros.
- Un montant à payer immédiatement de 5.130,72 euros (frais de dossier de 500 euros, frais d'expertise de 200 euros et frais de notaire de 4.430,72 euros).
Soit, un montant net, reçu par le consommateur à la période 0, de 194.869,28 euros (200.000 - 5.130,72).
- Un montant mensuel à payer de 1.660,94 euros pour rembourser le capital et payer les intérêts débiteurs, où un mois compte 30,4167 jours.
Les 180 montants de terme mensuels Dl hypothétiques peuvent être obtenus sur base d'un échéancier de remboursement où :
D1 à D180 = 1.660,94
L'équation est la suivante :
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 21-10-2016, p. 71023)
Voorbeeld 39 - Een voorbeeld ter verduidelijking van een hypothecair krediet met een onroerende bestemming en met een verzekeringspremie waarop het eerste jaar een korting gegeven wordt.
Een kredietbedrag voor het bouwen van een huis van 150.000 euro. De contractvoorwaarden zijn dezelfde als die voor het krediet voor de aankoop van een huis onder voorbeeld 33, met dat verschil dat de debetrente vast is en dat er het eerste jaar een korting van 100 euro gegeven wordt op de brandverzekering.
1. Voor de berekening van het JKP wordt er vertrokken van dezelfde veronderstellingen als die onder voorbeeld 33 (41), behalve dat er geen veronderstelling nodig is voor de onveranderlijkheid van de debetrentevoet.
Omdat het krediet slechts geleidelijk opgenomen wordt op vooraf ongekende tijdstippen, in functie van het bouwen van de woning, wanneer de consument er om vraagt, wordt er bijkomend verondersteld dat het krediet onmiddellijk en volledig wordt opgenomen (42).
2. De berekening van het JKP gebeurt op basis van dezelfde bedragen en tijdstippen van betaling als die in voorbeeld 33, met dat verschil dat het onmiddellijk te betalen bedrag 100 euro lager ligt (43), met name 4.727,05 euro, en bijgevolg het netto door de consument ontvangen bedrag in periode 0 100 euro hoger ligt, met name 145.272,95 euro (150.000 - 4.727,05).
De 240 hypothetische maandelijkse termijnbedragen zijn dezelfde als die van voorbeeld 33.
De vergelijking is de volgende :
Voorbeeld 39 - Een voorbeeld ter verduidelijking van een hypothecair krediet met een onroerende bestemming en met een verzekeringspremie waarop het eerste jaar een korting gegeven wordt.
Een kredietbedrag voor het bouwen van een huis van 150.000 euro. De contractvoorwaarden zijn dezelfde als die voor het krediet voor de aankoop van een huis onder voorbeeld 33, met dat verschil dat de debetrente vast is en dat er het eerste jaar een korting van 100 euro gegeven wordt op de brandverzekering.
1. Voor de berekening van het JKP wordt er vertrokken van dezelfde veronderstellingen als die onder voorbeeld 33 (41), behalve dat er geen veronderstelling nodig is voor de onveranderlijkheid van de debetrentevoet.
Omdat het krediet slechts geleidelijk opgenomen wordt op vooraf ongekende tijdstippen, in functie van het bouwen van de woning, wanneer de consument er om vraagt, wordt er bijkomend verondersteld dat het krediet onmiddellijk en volledig wordt opgenomen (42).
2. De berekening van het JKP gebeurt op basis van dezelfde bedragen en tijdstippen van betaling als die in voorbeeld 33, met dat verschil dat het onmiddellijk te betalen bedrag 100 euro lager ligt (43), met name 4.727,05 euro, en bijgevolg het netto door de consument ontvangen bedrag in periode 0 100 euro hoger ligt, met name 145.272,95 euro (150.000 - 4.727,05).
De 240 hypothetische maandelijkse termijnbedragen zijn dezelfde als die van voorbeeld 33.
De vergelijking is de volgende :
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 21-10-2016, p. 71023)
Exemple 39 - Exemple pour illustrer un crédit hypothécaire avec une destination immobilière et avec une prime d'assurance sur laquelle une réduction est accordée la première année.
Un montant de crédit pour la construction d'une maison de 150.000 euros. Les conditions contractuelles sont les mêmes que celles pour le crédit pour l'achat d'une maison à l'exemple 33, à cette différence près que l'intérêt débiteur est fixe et qu'une réduction de 100 euros est accordée la première année sur l'assurance incendie.
1. Pour le calcul du TAEG, on part des mêmes hypothèses que celles de l'exemple 33 (41), sauf qu'une hypothèse n'est pas nécessaire pour l'invariabilité du taux débiteur.
Comme le crédit n'est prélevé que progressivement à des moments qui ne sont pas connus à l'avance, en fonction de la construction de la maison, lorsque le consommateur le demande, on présume de manière additionnelle que le crédit est prélevé immédiatement et entièrement (42).
2. Le calcul du TAEG se fait sur la base des mêmes montants et moments de paiement que ceux de l'exemple 33, à cette différence près que le montant à payer immédiatement est de 100 euros inférieur (43), à savoir 4.727,05 euros, et que, par conséquent, le montant net reçu par le consommateur au cours de la période 0 est de 100 euros supérieur, à savoir 145.272,95 euros (150.000 - 4.727,05).
Les 240 montants de terme mensuels hypothétiques qui sont les mêmes que ceux de l'exemple 33.
L'équation est la suivante :
Exemple 39 - Exemple pour illustrer un crédit hypothécaire avec une destination immobilière et avec une prime d'assurance sur laquelle une réduction est accordée la première année.
Un montant de crédit pour la construction d'une maison de 150.000 euros. Les conditions contractuelles sont les mêmes que celles pour le crédit pour l'achat d'une maison à l'exemple 33, à cette différence près que l'intérêt débiteur est fixe et qu'une réduction de 100 euros est accordée la première année sur l'assurance incendie.
1. Pour le calcul du TAEG, on part des mêmes hypothèses que celles de l'exemple 33 (41), sauf qu'une hypothèse n'est pas nécessaire pour l'invariabilité du taux débiteur.
Comme le crédit n'est prélevé que progressivement à des moments qui ne sont pas connus à l'avance, en fonction de la construction de la maison, lorsque le consommateur le demande, on présume de manière additionnelle que le crédit est prélevé immédiatement et entièrement (42).
2. Le calcul du TAEG se fait sur la base des mêmes montants et moments de paiement que ceux de l'exemple 33, à cette différence près que le montant à payer immédiatement est de 100 euros inférieur (43), à savoir 4.727,05 euros, et que, par conséquent, le montant net reçu par le consommateur au cours de la période 0 est de 100 euros supérieur, à savoir 145.272,95 euros (150.000 - 4.727,05).
Les 240 montants de terme mensuels hypothétiques qui sont les mêmes que ceux de l'exemple 33.
L'équation est la suivante :
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 21-10-2016, p. 71023)
Voorbeeld 40 - Een voorbeeld ter verduidelijking van een hypothecair krediet met een onroerende bestemming en met een verzekeringspremie waarop een korting van onbepaalde duur gegeven wordt.
Een kredietbedrag voor het bouwen van een huis van 150.000 euro. De contractvoorwaarden zijn de zelfde als die voor het krediet voor de aankoop van een huis onder voorbeeld 33, met dat verschil dat de debetrente vast is en dat er een korting van 100 euro gegeven wordt op de brandverzekering zolang de woning niet winddicht is.
1. Voor de berekening van het JKP wordt er vertrokken van dezelfde veronderstellingen als die onder voorbeeld 33 (44), behalve dat er geen veronderstelling nodig is voor de onveranderlijkheid van de debetrentevoet.
Omdat het krediet slechts geleidelijk opgenomen wordt op vooraf ongekende tijdstippen, in functie van het bouwen van de woning, wanneer de consument er om vraagt, wordt er bijkomend verondersteld dat het krediet onmiddellijk en volledig wordt opgenomen (45).
2. De berekening van het JKP gebeurt op basis van dezelfde bedragen en tijdstippen van betaling als die in voorbeeld 33.
Er wordt geen rekening gehouden met de ongekende tijdelijke korting (46).
X = 3,156705 % = 3,2 %
Voorbeeld 40 - Een voorbeeld ter verduidelijking van een hypothecair krediet met een onroerende bestemming en met een verzekeringspremie waarop een korting van onbepaalde duur gegeven wordt.
Een kredietbedrag voor het bouwen van een huis van 150.000 euro. De contractvoorwaarden zijn de zelfde als die voor het krediet voor de aankoop van een huis onder voorbeeld 33, met dat verschil dat de debetrente vast is en dat er een korting van 100 euro gegeven wordt op de brandverzekering zolang de woning niet winddicht is.
1. Voor de berekening van het JKP wordt er vertrokken van dezelfde veronderstellingen als die onder voorbeeld 33 (44), behalve dat er geen veronderstelling nodig is voor de onveranderlijkheid van de debetrentevoet.
Omdat het krediet slechts geleidelijk opgenomen wordt op vooraf ongekende tijdstippen, in functie van het bouwen van de woning, wanneer de consument er om vraagt, wordt er bijkomend verondersteld dat het krediet onmiddellijk en volledig wordt opgenomen (45).
2. De berekening van het JKP gebeurt op basis van dezelfde bedragen en tijdstippen van betaling als die in voorbeeld 33.
Er wordt geen rekening gehouden met de ongekende tijdelijke korting (46).
X = 3,156705 % = 3,2 %
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 21-10-2016, p. 71023)
Exemple 40 - Exemple pour illustrer un crédit hypothécaire avec une destination immobilière et avec une prime d'assurance sur laquelle une réduction d'une durée indéterminée est accordée.
Un montant de crédit pour la construction d'une maison de 150.000 euros. Les conditions contractuelles sont les mêmes que celles pour le crédit pour l'achat d'une maison à l'exemple 33, à cette différence près que l'intérêt débiteur est fixe et qu'une réduction de 100 euros est accordée sur l'assurance-incendie aussi longtemps que l'habitation n'est pas étanche aux intempéries.
1. Pour le calcul du TAEG, on part des mêmes hypothèses que celles de l'exemple 33 (44), sauf qu'une hypothèse n'est pas nécessaire pour l'invariabilité du taux débiteur.
Comme le crédit n'est prélevé que progressivement à des moments qui ne sont pas connus à l'avance, en fonction de la construction de la maison, lorsque le consommateur le demande, on présume de manière additionnelle que le crédit est prélevé immédiatement et entièrement (45).
2. Le calcul du TAEG se fait sur la base des mêmes montants et moments de paiement que ceux de l'exemple 33.
Il n'est pas tenu compte de la réduction temporaire inconnue (46).
X = 3,156705 % = 3,2 %
Exemple 40 - Exemple pour illustrer un crédit hypothécaire avec une destination immobilière et avec une prime d'assurance sur laquelle une réduction d'une durée indéterminée est accordée.
Un montant de crédit pour la construction d'une maison de 150.000 euros. Les conditions contractuelles sont les mêmes que celles pour le crédit pour l'achat d'une maison à l'exemple 33, à cette différence près que l'intérêt débiteur est fixe et qu'une réduction de 100 euros est accordée sur l'assurance-incendie aussi longtemps que l'habitation n'est pas étanche aux intempéries.
1. Pour le calcul du TAEG, on part des mêmes hypothèses que celles de l'exemple 33 (44), sauf qu'une hypothèse n'est pas nécessaire pour l'invariabilité du taux débiteur.
Comme le crédit n'est prélevé que progressivement à des moments qui ne sont pas connus à l'avance, en fonction de la construction de la maison, lorsque le consommateur le demande, on présume de manière additionnelle que le crédit est prélevé immédiatement et entièrement (45).
2. Le calcul du TAEG se fait sur la base des mêmes montants et moments de paiement que ceux de l'exemple 33.
Il n'est pas tenu compte de la réduction temporaire inconnue (46).
X = 3,156705 % = 3,2 %
Art. 1N1. Nota
Art. 1N1. Note
(1) (1+0,001774)12 -1 = 0,021497 (afgerond)
(2) Noot : De kredietgever kan in dit voorbeeld niet rekenen met een percentage van bijv. 0,177425 % (dat afgerond ook 0,1774 % is) omdat het overeenkomstige percentage op jaarbasis dan 2,1500 % is, terwijl er 2,1497 % werd overeengekomen, en de maandelijkse bedragen die het kapitaal en de debetrente over een zelfde periode aflossen dan hoger liggen (768,03 euro).
(3) De kredietgever kan ook vermenigvuldigen met het exacte cijfer van de meegedeelde periodieke rentevoet (0,1774 %) en op het einde van de rit interesten bij tellen om tot een verschuldigd blijvend saldo van nul euro te komen. In dat geval worden de interesten op basis van de (hogere) werkelijk toegepaste debetrentevoet "uitgesteld" aangerekend.
(4) De rentevoet voor de nieuwe periode is gelijk aan de oorspronkelijke rentevoet vermeerderd met het verschil tussen de waarde van de referte-index (index A bij een jaarlijkse wijziging, artikel 8, 1° van dit besluit) verschenen in de kalendermaand die voorafgaat aan de datum van de verandering, en de oorspronkelijke waarde van die index (artikel VII. 143, § 3, 6° WER). De oorspronkelijke waarde van de referte-index is de waarde van de referte-index die voorkomt op de tarieflijst van de rentevoeten voor het desbetreffende soort krediet en betreft de waarde van de kalendermaand die voorafgaat aan de datum van dat tarief (Artikel VII. 143, § 3, 5° WER).
(5) De periodieke rentevoet mag niet meer stijgen dan dalen (artikel VII. 143, § 3, 7° WER).
(6) (1+0,01)(1/12) -1 = 0,08295381 %
(7) (1+0,02)(1/12) -1 = 0,16515813 %
(8) Het artikel VII. 143, § 3, 8° WER
(9) In het voorbeeld is de dekking van diefstal en inboedel niet verplicht om het krediet te krijgen. Dat betekent dat, als de consument die dekking toch zou nemen, hij die dekking kan opzeggen zonder dat dit een invloed heeft op de kredietovereenkomst.
(10) Dat betekent dat de consument de rentekorting verliest als hij de zichtrekening opzegt, behalve als dat het gevolg is van een eenzijdige stijging van de prijs van de zichtrekening of aanpassing van de voorwaarden in het nadeel van de consument, opdat het recht om in dat geval op te zeggen niet beperkt mag worden. Overeenkomstig het artikel VI. 83, 3° is het verboden, in overeenkomsten van bepaalde duur, zoals een hypothecair krediet is, voor de onderneming om eenzijdig de prijs te verhogen of de voorwaarden ten nadele van de consument te wijzigen op basis van elementen die enkel afhangen van haar wil, zelfs indien op dat ogenblik de consument de mogelijkheid wordt geboden om de overeenkomst te beëindigen.
(11) De registratierechten bedragen 1 % van het kredietbedrag en de "aanhorigheden" bij de hypotheek die op 10 % van het kredietbedrag geschat worden. Het gaat dus om 1 % van (150.000 + 0,1 x 150.000 ) = 0,01 x (150.000 + 1.500) = 0,01 x 165.000 = 1.650 euro.
(12) Inbegrepen 0,3 % hypotheekrechten op de hoofdsom van het krediet en de aanhorigheden (10 % van de hoofdsom) bij de hypotheek (= 495 euro) en het honorarium van de hypotheekbewaarder.
(13) 1.331 euro diverse aktekosten, inclusief de btw van 21 % op het merendeel van deze kosten, de registratierechten voor de aflossingstabel, het "recht op geschriften" en de kosten van de hypotheekbewaarder voor het afleveren van de hypothecaire getuigschriften.
(14) Exclusief dekking diefstal en inboedel
(15) Voor een gebouw geschat op 200.000 euro, inclusief taks
(16) Voor een 34 jarige zonder verhoogd gezondheidsrisico
(17) De eerste betalingstermijn van de zichtrekeningkosten is niet vooraf gekend omdat het tijdstip van kredietopname niet gekend is en de betaling van de zichtrekeningkosten op de 1ste dag van de maand valt.
(18) Het ereloon van de notaris is uitgesloten van de totale kosten van het krediet op grond van artikel I.9, 41°, 1ste lid WER. De registratierechten zijn geen registratiekosten voor de eigendomsoverdracht van het onroerend goed en zijn bijgevolg niet uitgesloten van de totale kosten van het krediet op grond van artikel I.9,41°, 2de lid, c) WER.
(19) Noot : het gaat om de "afbetalingstermijnen" die, naast de onmiddellijk te betalen kosten, in de illustratieve aflossingstabel van de ESIS opgenomen worden (zie bijlage 3 bij boek VII van het WER, deel A, punt 7).
(20) (1 + 0,0026035526)12 -1 = 3,169391 %
(21) (1+0,01)1/12 - 1 = 0,0829538 %
(22) (1 + 0,0034255946)12 - 1 = 4,18905 %
(23) (1+0,02)1/12 - 1 = 0,165158 %
(24) (1 + 0,0035480292)12 - 1 = 4,34171 %, waarbij 0,17740146 % x 2 = 0,0035480292
(25) Ingevolge de hypothese van de onmiddellijke integrale opname van het kredietbedrag en de contractuele bepaling dat het krediet in 1 keer afgelost wordt na 18 maanden.
(26) Een andere periodieke rentevoet van bijv. 0,287149 %, die afgerond ook 0,2871 % is, komt overeen met een jaarpercentage van 3,5007 % en 18 maandelijkse bedragen van 229,72 euro, maar er werd een jaarpercentage (debetrentevoet) van 3,5001 % overeengekomen.
(27) Er zijn 2 woningen te schatten, dat van het aan te kopen huis en dat van het te verkopen huis.
(28) In feite is de uitkomst 169,35 euro, maar opdat de som van alle pro rata verdeelde kosten gelijk is aan 350 euro, wordt er naar boven afgerond tot 169,36 euro.
(29) In feite is de uitkomst = 1,21 euro, maar opdat de som van alle pro rata verdeelde kosten gelijk is aan 2,5 euro, wordt er naar beneden afgerond tot 1,20 euro.
(30) 350 x (80.000/310.000) = 90,32
(31) Geen kosten voor het hypotheekkantoor, enkel diverse aktekosten + 21 % btw.
(32) 350 x (150.000/230000) = 121,74
(33) 2,5 x (80.000/310.000) = 0,65
(34) 350 x (80.000/230.000) = 121,74
(35) 4.903,88 x (150.000/230.000) = 3198,18 euro
(36) 350 x (80.000/230.000)
(37) 4.903,88 x (80.000/230.000)
(38) 350 x (80.000/230.000)
(39) Het exacte percentage van 0,4583 %, dus zonder afrondingen, komt in feite overeen met een percentage op jaarbasis van 5,6404 % ((1 + 0,004583)12 - 1). Maar voor een maandbedrag van 817,08 moet er gerekend worden met een iets hoger niet afgerond maandpercentage van 0,4583279 % dat overeenkomt met een jaarpercentage van 5,6407 %. Dat is ook het maanbedrag dat aangerekend wordt als de (buitenlandse) kredietgever een "nominaal" toegepaste debetrentevoet van 5,5 % op jaarbasis meedeelt. Om tot een saldo van 0 te komen is het overigens niet mogelijk om met het exacte maandpercentage van 0,4583 % te rekenen. Om tot een saldo van 0 te komen kan er evenwel ook met een iets lager niet afgerond maandpercentage gerekend worden, dat afgerond ook 0,4583 % bedraagt, maar waarbij de maanbedragen 817,06 euro bedragen, en het overeenkomstige percentage op jaarbasis dan 5,6403 % bedraagt.
(40) Noot : Indien 1 van beide debetrentevoeten variabel zou zijn, dan zou er een bijkomend illustratief JKP berekend moeten worden naar analogie met de methode in vb. 33 van deze bijlage, waarbij het totale maandbedrag wijzigt ingevolge de wijziging van het gedeelte met de variabele debetrentevoet.
(41) Die voor de berekening van het niet illustratieve JKP van vb. 33, er is hier geen illustratief JKP nodig omdat de debetrentevoet vast is.
(42) Zie ook artikel 4, § 2, 1° van dit koninklijk besluit.
(43) De korting en de duur ervan zijn vooraf gekend en moeten dus op die manier in het JKP opgenomen worden, zie ook artikel 4, § 1, 1ste lid van dit besluit.
(44) Die voor de berekening van het niet illustratieve JKP van voorbeeld 33, er is hier geen illustratief JKP nodig omdat de debetrentevoet vast is.
(45) Zie ook artikel 4, § 2, 1° van dit koninklijk besluit.
(46) De duur van de korting is niet gekend want afhankelijk van het moment waarop de woning winddicht is. Maar omdat er vertrokken wordt van de veronderstelling dat het kredietbedrag onmiddellijk en volledig opgenomen is, kan er ook verondersteld worden dat op dat moment de woning winddicht is en de premie aldus integraal betaald wordt vanaf het sluiten van de kredietovereenkomst.
(2) Noot : De kredietgever kan in dit voorbeeld niet rekenen met een percentage van bijv. 0,177425 % (dat afgerond ook 0,1774 % is) omdat het overeenkomstige percentage op jaarbasis dan 2,1500 % is, terwijl er 2,1497 % werd overeengekomen, en de maandelijkse bedragen die het kapitaal en de debetrente over een zelfde periode aflossen dan hoger liggen (768,03 euro).
(3) De kredietgever kan ook vermenigvuldigen met het exacte cijfer van de meegedeelde periodieke rentevoet (0,1774 %) en op het einde van de rit interesten bij tellen om tot een verschuldigd blijvend saldo van nul euro te komen. In dat geval worden de interesten op basis van de (hogere) werkelijk toegepaste debetrentevoet "uitgesteld" aangerekend.
(4) De rentevoet voor de nieuwe periode is gelijk aan de oorspronkelijke rentevoet vermeerderd met het verschil tussen de waarde van de referte-index (index A bij een jaarlijkse wijziging, artikel 8, 1° van dit besluit) verschenen in de kalendermaand die voorafgaat aan de datum van de verandering, en de oorspronkelijke waarde van die index (artikel VII. 143, § 3, 6° WER). De oorspronkelijke waarde van de referte-index is de waarde van de referte-index die voorkomt op de tarieflijst van de rentevoeten voor het desbetreffende soort krediet en betreft de waarde van de kalendermaand die voorafgaat aan de datum van dat tarief (Artikel VII. 143, § 3, 5° WER).
(5) De periodieke rentevoet mag niet meer stijgen dan dalen (artikel VII. 143, § 3, 7° WER).
(6) (1+0,01)(1/12) -1 = 0,08295381 %
(7) (1+0,02)(1/12) -1 = 0,16515813 %
(8) Het artikel VII. 143, § 3, 8° WER
(9) In het voorbeeld is de dekking van diefstal en inboedel niet verplicht om het krediet te krijgen. Dat betekent dat, als de consument die dekking toch zou nemen, hij die dekking kan opzeggen zonder dat dit een invloed heeft op de kredietovereenkomst.
(10) Dat betekent dat de consument de rentekorting verliest als hij de zichtrekening opzegt, behalve als dat het gevolg is van een eenzijdige stijging van de prijs van de zichtrekening of aanpassing van de voorwaarden in het nadeel van de consument, opdat het recht om in dat geval op te zeggen niet beperkt mag worden. Overeenkomstig het artikel VI. 83, 3° is het verboden, in overeenkomsten van bepaalde duur, zoals een hypothecair krediet is, voor de onderneming om eenzijdig de prijs te verhogen of de voorwaarden ten nadele van de consument te wijzigen op basis van elementen die enkel afhangen van haar wil, zelfs indien op dat ogenblik de consument de mogelijkheid wordt geboden om de overeenkomst te beëindigen.
(11) De registratierechten bedragen 1 % van het kredietbedrag en de "aanhorigheden" bij de hypotheek die op 10 % van het kredietbedrag geschat worden. Het gaat dus om 1 % van (150.000 + 0,1 x 150.000 ) = 0,01 x (150.000 + 1.500) = 0,01 x 165.000 = 1.650 euro.
(12) Inbegrepen 0,3 % hypotheekrechten op de hoofdsom van het krediet en de aanhorigheden (10 % van de hoofdsom) bij de hypotheek (= 495 euro) en het honorarium van de hypotheekbewaarder.
(13) 1.331 euro diverse aktekosten, inclusief de btw van 21 % op het merendeel van deze kosten, de registratierechten voor de aflossingstabel, het "recht op geschriften" en de kosten van de hypotheekbewaarder voor het afleveren van de hypothecaire getuigschriften.
(14) Exclusief dekking diefstal en inboedel
(15) Voor een gebouw geschat op 200.000 euro, inclusief taks
(16) Voor een 34 jarige zonder verhoogd gezondheidsrisico
(17) De eerste betalingstermijn van de zichtrekeningkosten is niet vooraf gekend omdat het tijdstip van kredietopname niet gekend is en de betaling van de zichtrekeningkosten op de 1ste dag van de maand valt.
(18) Het ereloon van de notaris is uitgesloten van de totale kosten van het krediet op grond van artikel I.9, 41°, 1ste lid WER. De registratierechten zijn geen registratiekosten voor de eigendomsoverdracht van het onroerend goed en zijn bijgevolg niet uitgesloten van de totale kosten van het krediet op grond van artikel I.9,41°, 2de lid, c) WER.
(19) Noot : het gaat om de "afbetalingstermijnen" die, naast de onmiddellijk te betalen kosten, in de illustratieve aflossingstabel van de ESIS opgenomen worden (zie bijlage 3 bij boek VII van het WER, deel A, punt 7).
(20) (1 + 0,0026035526)12 -1 = 3,169391 %
(21) (1+0,01)1/12 - 1 = 0,0829538 %
(22) (1 + 0,0034255946)12 - 1 = 4,18905 %
(23) (1+0,02)1/12 - 1 = 0,165158 %
(24) (1 + 0,0035480292)12 - 1 = 4,34171 %, waarbij 0,17740146 % x 2 = 0,0035480292
(25) Ingevolge de hypothese van de onmiddellijke integrale opname van het kredietbedrag en de contractuele bepaling dat het krediet in 1 keer afgelost wordt na 18 maanden.
(26) Een andere periodieke rentevoet van bijv. 0,287149 %, die afgerond ook 0,2871 % is, komt overeen met een jaarpercentage van 3,5007 % en 18 maandelijkse bedragen van 229,72 euro, maar er werd een jaarpercentage (debetrentevoet) van 3,5001 % overeengekomen.
(27) Er zijn 2 woningen te schatten, dat van het aan te kopen huis en dat van het te verkopen huis.
(28) In feite is de uitkomst 169,35 euro, maar opdat de som van alle pro rata verdeelde kosten gelijk is aan 350 euro, wordt er naar boven afgerond tot 169,36 euro.
(29) In feite is de uitkomst = 1,21 euro, maar opdat de som van alle pro rata verdeelde kosten gelijk is aan 2,5 euro, wordt er naar beneden afgerond tot 1,20 euro.
(30) 350 x (80.000/310.000) = 90,32
(31) Geen kosten voor het hypotheekkantoor, enkel diverse aktekosten + 21 % btw.
(32) 350 x (150.000/230000) = 121,74
(33) 2,5 x (80.000/310.000) = 0,65
(34) 350 x (80.000/230.000) = 121,74
(35) 4.903,88 x (150.000/230.000) = 3198,18 euro
(36) 350 x (80.000/230.000)
(37) 4.903,88 x (80.000/230.000)
(38) 350 x (80.000/230.000)
(39) Het exacte percentage van 0,4583 %, dus zonder afrondingen, komt in feite overeen met een percentage op jaarbasis van 5,6404 % ((1 + 0,004583)12 - 1). Maar voor een maandbedrag van 817,08 moet er gerekend worden met een iets hoger niet afgerond maandpercentage van 0,4583279 % dat overeenkomt met een jaarpercentage van 5,6407 %. Dat is ook het maanbedrag dat aangerekend wordt als de (buitenlandse) kredietgever een "nominaal" toegepaste debetrentevoet van 5,5 % op jaarbasis meedeelt. Om tot een saldo van 0 te komen is het overigens niet mogelijk om met het exacte maandpercentage van 0,4583 % te rekenen. Om tot een saldo van 0 te komen kan er evenwel ook met een iets lager niet afgerond maandpercentage gerekend worden, dat afgerond ook 0,4583 % bedraagt, maar waarbij de maanbedragen 817,06 euro bedragen, en het overeenkomstige percentage op jaarbasis dan 5,6403 % bedraagt.
(40) Noot : Indien 1 van beide debetrentevoeten variabel zou zijn, dan zou er een bijkomend illustratief JKP berekend moeten worden naar analogie met de methode in vb. 33 van deze bijlage, waarbij het totale maandbedrag wijzigt ingevolge de wijziging van het gedeelte met de variabele debetrentevoet.
(41) Die voor de berekening van het niet illustratieve JKP van vb. 33, er is hier geen illustratief JKP nodig omdat de debetrentevoet vast is.
(42) Zie ook artikel 4, § 2, 1° van dit koninklijk besluit.
(43) De korting en de duur ervan zijn vooraf gekend en moeten dus op die manier in het JKP opgenomen worden, zie ook artikel 4, § 1, 1ste lid van dit besluit.
(44) Die voor de berekening van het niet illustratieve JKP van voorbeeld 33, er is hier geen illustratief JKP nodig omdat de debetrentevoet vast is.
(45) Zie ook artikel 4, § 2, 1° van dit koninklijk besluit.
(46) De duur van de korting is niet gekend want afhankelijk van het moment waarop de woning winddicht is. Maar omdat er vertrokken wordt van de veronderstelling dat het kredietbedrag onmiddellijk en volledig opgenomen is, kan er ook verondersteld worden dat op dat moment de woning winddicht is en de premie aldus integraal betaald wordt vanaf het sluiten van de kredietovereenkomst.
(1) (1+0,001774)12 -1 = 0,021497 (arrondi)
(2) Note : Dans cet exemple, le prêteur ne peut pas calculer avec un pourcentage de, par exemple, 0,177425 % (qui arrondi est également 0,1774 %) parce que le pourcentage sur base annuelle serait alors de 2,1500 %, alors qu'un pourcentage annuel (intérêt débiteur) de 2,1497 % a été convenu, et les montants mensuels qui remboursent le capital et les intérêts débiteurs sur la même période seraient alors supérieurs (768,03 euros).
(3) Le prêteur peut également multiplier par le chiffre exact du taux d'intérêt périodique communiqué (0,1774 %) et en fin de compte ajouter des intérêts pour obtenir un solde restant dû de zéro euros. Dans ce cas, les intérêts sur la base du taux d'intérêt débiteur réellement appliqué (plus élevé) sont calculés de manière "différée".
(4) Le taux d'intérêt pour la nouvelle période est égal au taux d'intérêt initial augmenté de la différence entre la valeur de l'indice de référence (indice A pour une modification annuelle, voir l'article 8, 1° du présent arrêté) comparé dans le mois calendrier qui précède la date de la modification et de la valeur initiale de cet indice (l'article VII. 143, § 3, 6° CDE). La valeur initiale de l'indice de référence est la valeur de l'indice de référence qui figure sur la liste des tarifs des taux d'intérêts pour le type de crédit concerné et a trait à la valeur du mois calendrier qui précède la date de ce tarif (l'article VII. 143, § 3, 5° CDE ).
(5) Le taux périodique ne peut pas augmenter plus que descendre (article VII.143, § 3, 7° CDE).
(6) (1+0,01)(1/12) -1 = 0,08295381 %
(7) (1+0,02)(1/12) -1 = 0,16515813 %
(8) L'article VII. 143, § 3, 8° CDE
(9) Dans l'exemple, la couverture vol et mobilier n'est pas obligatoire pour obtenir le crédit. Cela signifie que, si le consommateur prend malgré tout cette couverture, il peut résilier cette couverture sans que cela n'ait d'influence sur le contrat de crédit.
(10) Cela signifie que le consommateur perd la réduction d'intérêts s'il résilie le compte à vue, sauf si c'est la conséquence d'une augmentation unilatérale du prix du compte à vue ou d'une adaptation des conditions au détriment du consommateur, afin que le droit de résilier ne soit pas limité dans ce cas. Aux termes de l'article VI. 83, 3°, il est interdit, dans les contrats à durée déterminée, comme l'est un contrat de crédit hypothécaire, pour l'entreprise d'augmenter unilatéralement le prix ou de modifier les conditions au détriment du consommateur sur la base d'éléments qui dépendent de sa seule volonté, même si la possibilité de mettre fin au contrat est offerte au consommateur.
(11) Les droits d'enregistrement s'élèvent à 1 % du montant du crédit majorés de 1 % des "accessoires" à l'hypothèque estimés à 10 % du montant du crédit. Il s'agit donc de 1 % de (150.000 + 0,1 x 150.000 ) = 0, 01 x (150.000 + 1.500) = 0, 01 x 165.000 = 1.650 euros.
(12) Y compris 0,3 % de droits d'hypothèque sur la somme principale du crédit et les accessoires (10 % de la somme principale) lors de l'hypothèque (= 495 euros) et les honoraires du conservateur des hypothèques.
(13) 1.331 euros de frais d'acte divers, y compris la T.V.A. de 21 % sur la plupart de ces frais, les droits d'enregistrement pour le tableau d'amortissement, les "droits d'écriture" et les frais payés au conservateur des hypothèques pour les certificats hypothécaires.
(14) A l'exclusion de la couverture vol et contenu
(15) Pour un bâtiment estimé à 200.000 euros, taxes incluses.
(16) Pour une personne de 34 ans sans risque de santé accru
(17) Le premier délai du paiement des frais du compte à vue n'est pas connu à l'avance parce que le moment du prélèvement du crédit n'est pas connu et le paiement des frais du compte à vue tombe le 1er jour du mois.
(18) Les honoraires du notaire sont exclus du coût total du crédit conformément à l'article I.9, 41°, 1er alinéa CDE. Les droits d'enregistrement ne sont pas des frais d'enregistrement pour le transfert de propriété du bien immeuble et ne sont donc pas exclus du coût total du crédit conformément à l'article I.9,41°, alinéa 2, c) CDE.
(19) Note : il s'agit des " versements " qui, en plus des frais à payer immédiatement, sont repris dans le tableau d'amortissement illustratif du FEIS (voir annexe 3 du livre VII du CDE, partie A, point 7).
(20)(1 + 0,0026035526)12 -1 = 3,169391 %
(21) (1+0,01)1/12 - 1 = 0,0829538 %
(22) (1 + 0,0034255946)12 - 1 = 4,18905 %
(23) (1+0,02)1/12 - 1 = 0,165158 %
(24) (1 + 0,0035480292)12 - 1 = 4,34171 %, où 0,17740146 % x 2 = 0,0035480292
(25) A la suite de l'hypothèse du prélèvement intégral immédiat du montant du crédit et de la disposition contractuelle selon laquelle le crédit est remboursé en 1 fois après 18 mois.
(26) Un taux d'intérêt périodique différent de, par exemple, 0,287149 %, qui arrondi est également 0,2871 %, correspond à un pourcentage annuel de 3,5007 % et 18 montants mensuels de 229,72 euros, alors qu'un pourcentage annuel (intérêt débiteur) de 3,5001 % a été convenu.
(27) Il y a 2 habitations à évaluer, celle de la maison à acheter et celle de la maison à vendre.
(28) En réalité, le résultat est 169,35 euros, mais afin que la somme de tous les frais répartis au pro rata soit égale à 350 euros, on arrondit à la hausse jusqu'à 169,36 euros.
(29) En réalité, le résultat est = 1,21 euros, mais afin que la somme de tous les frais répartis au pro rata soit égale à 2,5 euros, on arrondit à la baisse jusqu'à 1,20 euros.
(30) 350 x (80.000/310.000) = 90,32
(31) Pas de frais pour le bureau des hypothèques, uniquement des frais d'acte divers + 21 % T.V.A.
(32) 350 x (150.000/230000) = 121,74
(33) 2,5 x (80.000/310.000) = 0,65
(34) 350 x (80.000/230.000) = 121,74
(35) 4.903,88 x (150.000/230.000) = 3198,18 euros
(36) 350 x (80.000/230.000)
(37) 4.903,88 x (80.000/230.000)
(38) 350 x (80.000/230.000)
(39) Le pourcentage exact de 0,4583 %, donc sans être arrondi, correspond en réalité à un pourcentage sur base annuelle de 5,6404 % ((1 + 0,004583)12 - 1). Mais pour un montant mensuel de 817,08, il faut calculer avec un pourcentage mensuel non arrondi un peu plus élevé de 0,4583279 % qui correspond à un pourcentage annuel de 5,6407 %. C'est également le montant mensuel qui est facturé lorsque le prêteur (étranger) communique un taux d'intérêt débiteur " nominal " appliqué de 5,5 % sur base annuelle. Pour en arriver à un solde de 0, il n'est d'ailleurs pas possible de calculer avec le pourcentage mensuel exact de 0,4583 %. Pour en arriver à un solde de 0, on peut cependant calculer avec un pourcentage mensuel non arrondi un peu plus faible qui, arrondi, s'élève également à 0,4583 %, mais où les montants mensuels s'élèvent à 817,06 euros et le pourcentage correspondant sur base annuelle s'élève alors à 5,6403 %.
(40) Note : Si un des taux débiteur était variable, un TAEG illustratif supplémentaire devrait être calculé par analogie à la méthode de l'exemple 33 de cette annexe, où le montant mensuel total change à la suite de la modification de la partie avec le taux d'intérêt débiteur variable.
(41) Celles pour le calcul du TAEG non illustratif de l'exemple 33, un TAEG illustratif n'est pas nécessaire ici parce que le taux débiteur est fixe.
(42) Voir également l'article 4, § 2, 1° du présent arrêté royal.
(43) La réduction et sa durée sont connues à l'avance et doivent donc être reprises dans le TAEG de cette manière, voir également article 4, § 1, alinéa 1er du présent arrêté.
(44) Celles pour le calcul du TAEG non illustratif de l'exemple 33, un TAEG illustratif n'est pas nécessaire ici parce que le taux débiteur est fixe.
(45) Voir également l'article 4, § 2, 1° du présent arrêté royal.
(46) La durée de la réduction n'est pas connue car elle dépend du moment où l'habitation est étanche aux intempéries. Mais comme l'on part de l'hypothèse selon laquelle le montant du crédit est prélevé immédiatement et entièrement, on peut également supposer qu'à ce moment l'habitation est étanche aux intempéries et que la prime est donc intégralement payée à partir de la conclusion du contrat de crédit.
(2) Note : Dans cet exemple, le prêteur ne peut pas calculer avec un pourcentage de, par exemple, 0,177425 % (qui arrondi est également 0,1774 %) parce que le pourcentage sur base annuelle serait alors de 2,1500 %, alors qu'un pourcentage annuel (intérêt débiteur) de 2,1497 % a été convenu, et les montants mensuels qui remboursent le capital et les intérêts débiteurs sur la même période seraient alors supérieurs (768,03 euros).
(3) Le prêteur peut également multiplier par le chiffre exact du taux d'intérêt périodique communiqué (0,1774 %) et en fin de compte ajouter des intérêts pour obtenir un solde restant dû de zéro euros. Dans ce cas, les intérêts sur la base du taux d'intérêt débiteur réellement appliqué (plus élevé) sont calculés de manière "différée".
(4) Le taux d'intérêt pour la nouvelle période est égal au taux d'intérêt initial augmenté de la différence entre la valeur de l'indice de référence (indice A pour une modification annuelle, voir l'article 8, 1° du présent arrêté) comparé dans le mois calendrier qui précède la date de la modification et de la valeur initiale de cet indice (l'article VII. 143, § 3, 6° CDE). La valeur initiale de l'indice de référence est la valeur de l'indice de référence qui figure sur la liste des tarifs des taux d'intérêts pour le type de crédit concerné et a trait à la valeur du mois calendrier qui précède la date de ce tarif (l'article VII. 143, § 3, 5° CDE ).
(5) Le taux périodique ne peut pas augmenter plus que descendre (article VII.143, § 3, 7° CDE).
(6) (1+0,01)(1/12) -1 = 0,08295381 %
(7) (1+0,02)(1/12) -1 = 0,16515813 %
(8) L'article VII. 143, § 3, 8° CDE
(9) Dans l'exemple, la couverture vol et mobilier n'est pas obligatoire pour obtenir le crédit. Cela signifie que, si le consommateur prend malgré tout cette couverture, il peut résilier cette couverture sans que cela n'ait d'influence sur le contrat de crédit.
(10) Cela signifie que le consommateur perd la réduction d'intérêts s'il résilie le compte à vue, sauf si c'est la conséquence d'une augmentation unilatérale du prix du compte à vue ou d'une adaptation des conditions au détriment du consommateur, afin que le droit de résilier ne soit pas limité dans ce cas. Aux termes de l'article VI. 83, 3°, il est interdit, dans les contrats à durée déterminée, comme l'est un contrat de crédit hypothécaire, pour l'entreprise d'augmenter unilatéralement le prix ou de modifier les conditions au détriment du consommateur sur la base d'éléments qui dépendent de sa seule volonté, même si la possibilité de mettre fin au contrat est offerte au consommateur.
(11) Les droits d'enregistrement s'élèvent à 1 % du montant du crédit majorés de 1 % des "accessoires" à l'hypothèque estimés à 10 % du montant du crédit. Il s'agit donc de 1 % de (150.000 + 0,1 x 150.000 ) = 0, 01 x (150.000 + 1.500) = 0, 01 x 165.000 = 1.650 euros.
(12) Y compris 0,3 % de droits d'hypothèque sur la somme principale du crédit et les accessoires (10 % de la somme principale) lors de l'hypothèque (= 495 euros) et les honoraires du conservateur des hypothèques.
(13) 1.331 euros de frais d'acte divers, y compris la T.V.A. de 21 % sur la plupart de ces frais, les droits d'enregistrement pour le tableau d'amortissement, les "droits d'écriture" et les frais payés au conservateur des hypothèques pour les certificats hypothécaires.
(14) A l'exclusion de la couverture vol et contenu
(15) Pour un bâtiment estimé à 200.000 euros, taxes incluses.
(16) Pour une personne de 34 ans sans risque de santé accru
(17) Le premier délai du paiement des frais du compte à vue n'est pas connu à l'avance parce que le moment du prélèvement du crédit n'est pas connu et le paiement des frais du compte à vue tombe le 1er jour du mois.
(18) Les honoraires du notaire sont exclus du coût total du crédit conformément à l'article I.9, 41°, 1er alinéa CDE. Les droits d'enregistrement ne sont pas des frais d'enregistrement pour le transfert de propriété du bien immeuble et ne sont donc pas exclus du coût total du crédit conformément à l'article I.9,41°, alinéa 2, c) CDE.
(19) Note : il s'agit des " versements " qui, en plus des frais à payer immédiatement, sont repris dans le tableau d'amortissement illustratif du FEIS (voir annexe 3 du livre VII du CDE, partie A, point 7).
(20)(1 + 0,0026035526)12 -1 = 3,169391 %
(21) (1+0,01)1/12 - 1 = 0,0829538 %
(22) (1 + 0,0034255946)12 - 1 = 4,18905 %
(23) (1+0,02)1/12 - 1 = 0,165158 %
(24) (1 + 0,0035480292)12 - 1 = 4,34171 %, où 0,17740146 % x 2 = 0,0035480292
(25) A la suite de l'hypothèse du prélèvement intégral immédiat du montant du crédit et de la disposition contractuelle selon laquelle le crédit est remboursé en 1 fois après 18 mois.
(26) Un taux d'intérêt périodique différent de, par exemple, 0,287149 %, qui arrondi est également 0,2871 %, correspond à un pourcentage annuel de 3,5007 % et 18 montants mensuels de 229,72 euros, alors qu'un pourcentage annuel (intérêt débiteur) de 3,5001 % a été convenu.
(27) Il y a 2 habitations à évaluer, celle de la maison à acheter et celle de la maison à vendre.
(28) En réalité, le résultat est 169,35 euros, mais afin que la somme de tous les frais répartis au pro rata soit égale à 350 euros, on arrondit à la hausse jusqu'à 169,36 euros.
(29) En réalité, le résultat est = 1,21 euros, mais afin que la somme de tous les frais répartis au pro rata soit égale à 2,5 euros, on arrondit à la baisse jusqu'à 1,20 euros.
(30) 350 x (80.000/310.000) = 90,32
(31) Pas de frais pour le bureau des hypothèques, uniquement des frais d'acte divers + 21 % T.V.A.
(32) 350 x (150.000/230000) = 121,74
(33) 2,5 x (80.000/310.000) = 0,65
(34) 350 x (80.000/230.000) = 121,74
(35) 4.903,88 x (150.000/230.000) = 3198,18 euros
(36) 350 x (80.000/230.000)
(37) 4.903,88 x (80.000/230.000)
(38) 350 x (80.000/230.000)
(39) Le pourcentage exact de 0,4583 %, donc sans être arrondi, correspond en réalité à un pourcentage sur base annuelle de 5,6404 % ((1 + 0,004583)12 - 1). Mais pour un montant mensuel de 817,08, il faut calculer avec un pourcentage mensuel non arrondi un peu plus élevé de 0,4583279 % qui correspond à un pourcentage annuel de 5,6407 %. C'est également le montant mensuel qui est facturé lorsque le prêteur (étranger) communique un taux d'intérêt débiteur " nominal " appliqué de 5,5 % sur base annuelle. Pour en arriver à un solde de 0, il n'est d'ailleurs pas possible de calculer avec le pourcentage mensuel exact de 0,4583 %. Pour en arriver à un solde de 0, on peut cependant calculer avec un pourcentage mensuel non arrondi un peu plus faible qui, arrondi, s'élève également à 0,4583 %, mais où les montants mensuels s'élèvent à 817,06 euros et le pourcentage correspondant sur base annuelle s'élève alors à 5,6403 %.
(40) Note : Si un des taux débiteur était variable, un TAEG illustratif supplémentaire devrait être calculé par analogie à la méthode de l'exemple 33 de cette annexe, où le montant mensuel total change à la suite de la modification de la partie avec le taux d'intérêt débiteur variable.
(41) Celles pour le calcul du TAEG non illustratif de l'exemple 33, un TAEG illustratif n'est pas nécessaire ici parce que le taux débiteur est fixe.
(42) Voir également l'article 4, § 2, 1° du présent arrêté royal.
(43) La réduction et sa durée sont connues à l'avance et doivent donc être reprises dans le TAEG de cette manière, voir également article 4, § 1, alinéa 1er du présent arrêté.
(44) Celles pour le calcul du TAEG non illustratif de l'exemple 33, un TAEG illustratif n'est pas nécessaire ici parce que le taux débiteur est fixe.
(45) Voir également l'article 4, § 2, 1° du présent arrêté royal.
(46) La durée de la réduction n'est pas connue car elle dépend du moment où l'habitation est étanche aux intempéries. Mais comme l'on part de l'hypothèse selon laquelle le montant du crédit est prélevé immédiatement et entièrement, on peut également supposer qu'à ce moment l'habitation est étanche aux intempéries et que la prime est donc intégralement payée à partir de la conclusion du contrat de crédit.
Art. N2. Bijlage 2. - Vaststelling van de maximale jaarlijkse kostenpercentages overeenkomstig de artikelen VII.94 en VII.147/9 van het Wetboek van economisch recht en artikel 12 van het koninklijk besluit
De onderstaande referentie-index, referentievoeten en maximale jaarlijkse kostenpercentages gelden vanaf de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.
De onderstaande referentie-index, referentievoeten en maximale jaarlijkse kostenpercentages gelden vanaf de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.
Art. N2. Annexe 2. - Fixation des taux annuels effectifs globaux maxima conformément aux articles VII.94 et VII.147/9 du Code de droit économique et l'article 12 de l'arrêté royal.
Les indices de référence, taux de référence et taux annuels effectifs globaux maxima ci-dessous s'appliquent à partir de leur publication au Moniteur belge.
Les indices de référence, taux de référence et taux annuels effectifs globaux maxima ci-dessous s'appliquent à partir de leur publication au Moniteur belge.
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 21-10-2016, p. 71027-71029)
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 21-10-2016, p. 71027-71029)