Aller au contenu principal

Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
21 MEI 2015. - Wet tot oprichting van een Nationaal Pensioencomité, een Kenniscentrum en een Academische Raad(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 22-05-2015 en tekstbijwerking tot 30-03-2016)
Titre
21 MAI 2015. - Loi portant création d'un Comité national des Pensions, d'un Centre d'Expertise et d'un Conseil académique(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 22-05-2015 et mise à jour au 30-03-2016)
Informations sur le document
Numac: 2015022177
Datum: 2015-05-21
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2015022177
Date: 2015-05-21
Moniteur: Voir
Tekst (24)
Texte (24)
Hoofdstuk 1. - Algemene bepaling
Chapitre 1er. - Disposition générale
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.
Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l'article 74 de la Constitution.
Hoofdstuk 2. - Nationaal Pensioencomité
Chapitre 2. - Comité national des Pensions
Art. 2. Er wordt onder de naam Nationaal Pensioencomité, hierna "Comité", een raadgevend orgaan ingesteld dat als opdracht heeft advies uit te brengen over alle voorstellen inzake pensioenen die eraan worden voorgelegd door de voor pensioenen bevoegde minister of ministers. Die adviezen worden uitgebracht in de vorm van verslagen die de verschillende in het Comité uiteengezette standpunten weergeven.
Art. 2. Il est institué sous le nom de Comité national des Pensions, ci-après "Comité", un organe consultatif qui a pour mission de rendre des avis sur toutes propositions en matière de pensions qui lui sont soumises par le ministre ou les ministres ayant les pensions dans leurs attributions. Ces avis sont rendus sous forme de rapports exprimant les différents points de vue exposés en son sein.
Art. 3. § 1. Het Comité bestaat uit een voorzitter, een ondervoorzitter en vierentwintig vaste leden.
§ 2. De vaste leden, die stemgerechtigd zijn, worden als volgt ingedeeld :
acht leden worden gekozen om de belangen van de werknemers te vertegenwoordigen. Vijf leden vertegenwoordigen de belangen van de werknemers uit de privésector en drie leden vertegenwoordigen de belangen van de personeelsleden van de publieke sector.
De leden die de belangen van de werknemers uit de privésector vertegenwoordigen, worden voorgedragen op een dubbele lijst door de organisaties die de werknemers vertegenwoordigen in het beheerscomité [1 van de Federale Pensioendienst]1 bedoeld in artikel 42 van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers. De mandaten worden onder deze organisaties verdeeld bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
De leden die de belangen van de personeelsleden van de publieke sector vertegenwoordigen, worden voorgedragen op een dubbele lijst door de vakbondsorganisaties die zitting hebben in het gemeenschappelijk comité voor alle overheidsdiensten bedoeld in artikel 3, § 1, 3°, van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. De mandaten worden onder deze organisaties verdeeld bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad;
acht leden worden gekozen om de belangen van de werkgevers en de zelfstandigen te vertegenwoordigen.
De leden worden voorgedragen op een dubbele lijst door de organisaties die de werkgevers vertegenwoordigen in het beheerscomité [1 van de Federale Pensioendienst]1 bedoeld in artikel 42 van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers en door de organisaties die de zelfstandigen vertegenwoordigen in het beheerscomité voor het sociaal statuut der zelfstandigen bedoeld in hoofdstuk III van titel III van de wet van 30 december 1992 houdende sociale en diverse bepalingen. De mandaten worden verdeeld onder de organisaties bepaald bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
acht leden worden gekozen om de federale overheid te vertegenwoordigen, van wie drie leden de voor pensioenen bevoegde minister of ministers vertegenwoordigen.
§ 3. De Koning regelt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de wijze waarop de vaste leden worden voorgedragen en benoemd.
§ 4. De voorzitter en de ondervoorzitter, die niet stemgerechtigd zijn, worden benoemd op voorstel van de voor pensioenen bevoegde minister of ministers bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
§ 5. Er worden evenveel plaatsvervangende leden benoemd als het Comité vaste leden telt. Hun voordracht en aanstelling gebeuren op dezelfde manier als die van de vaste leden. De plaatsvervangende leden zijn, wanneer zij een vast lid vervangen, stemgerechtigd.
§ 6. De duur van het mandaat van de voorzitter, de ondervoorzitter, de vaste leden en de plaatsvervangende leden bedraagt 5 jaar.
De mandaten zijn hernieuwbaar.
Art. 3. § 1. Le Comité se compose d'un président, d'un vice-président et de vingt-quatre membres effectifs.
§ 2. Les membres effectifs, qui ont voix délibérative, se répartissent comme suit :
huit membres sont choisis pour représenter les intérêts des travailleurs. Cinq membres représentent les intérêts des travailleurs du secteur privé et trois membres représentent les intérêts des membres du personnel du secteur public.
Les membres qui représentent les intérêts des travailleurs du secteur privé sont présentés sur une liste double par les organisations qui représentent les travailleurs au sein du comité de gestion [1 du Service fédéral des Pensions]1 visé à l'article 42 de l'arrêté royal n° 50 du 24 octobre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs salariés. Les mandats sont répartis entre ces organisations par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres.
Les membres qui représentent les intérêts des membres du personnel du secteur public sont présentés sur une liste double par les organisations syndicales qui siègent dans le comité commun à l'ensemble des services publics visés à l'article 3, § 1er, 3°, de la loi du 19 décembre 1974 organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicats des agents relevant de ces autorités. Les mandats sont répartis entre ces organisations par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres;
huit membres sont choisis pour représenter les intérêts des employeurs et des travailleurs indépendants.
Les membres sont présentés sur une liste double par les organisations représentant les employeurs au sein du comité de gestion [1 du Service fédéral des Pensions]1 visé à l'article 42 de l'arrêté royal n° 50 du 24 octobre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs salariés et par les organisations qui représentent les travailleurs indépendants au sein du Comité général de gestion pour le statut social des travailleurs indépendants visé au chapitre III du Titre III de la loi du 30 décembre 1992 portant des dispositions sociales et diverses. Les mandats sont répartis entre les organisations déterminées par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres.
huit membres sont choisis pour représenter l'autorité fédérale, dont trois représentent le ministre ou les ministres ayant les pensions dans leurs attributions.
§ 3. Le Roi règle, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, les modalités de présentation et de désignation des membres effectifs.
§ 4. Le président et le vice-président, qui n'ont pas voix délibérative, sont désignés sur la proposition du ministre ou des ministres ayant les pensions dans leurs attributions par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres.
§ 5. Autant de membres suppléants que le Comité comprend de membres effectifs sont désignés. Leur présentation et leur désignation s'effectuent de la même manière que celles des membres effectifs. Les membres suppléants ont voix délibérative lorsqu'ils remplacent un membre effectif.
§ 6. La durée du mandat du président, du vice-président, des membres effectifs et des membres suppléants est de 5 ans.
Les mandats sont renouvelables.
Art. 4. Het secretariaat van de Nationale Arbeidsraad, ingesteld bij de organieke wet van 29 mei 1952, en dat van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven, opgericht bij de wet van 15 december 2013 houdende invoeging van het boek XIII "Overleg", in het Wetboek van economisch recht, staan in voor het secretariaat van het Comité. Deze secretariaten verzekeren de diensten van de griffie en het economaat, verzamelen de documentatie, stellen de studies en de verslagen over de werkzaamheden van het Comité op en bieden ondersteuning voor de werkzaamheden van de commissies. Voor die opdracht wordt een subsidie toegekend, waarvan het bedrag goedgekeurd wordt door de voor pensioenen bevoegde minister of ministers en die wordt ingeschreven bij de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid.
Art. 4. Le secrétariat du Conseil national du Travail, institué par la loi organique du 29 mai 1952, et celui du Conseil central de l'économie, institué par la loi du 15 décembre 2013 portant insertion du Livre XIII "Concertation", dans le Code de droit économique, assument le secrétariat du Comité. Ces secrétariats assurent les services de greffe et d'économat, réunissent la documentation, rédigent les études et les rapports relatifs aux travaux du Comité et soutiennent les travaux des commissions. Cette mission fait l'objet d'un subside dont le montant est approuvé par le ministre ou les ministres ayant les pensions dans leurs attributions et qui est inscrit au budget du Service public fédéral Sécurité sociale.
Art. 5. Het Comité stelt zijn huishoudelijk reglement op. Dit wordt aan de Koning ter goedkeuring voorgelegd.
Het reglement bepaalt onder andere de wijze van aanstelling en de werkwijze van een uitvoerend dagelijks bestuur, dat inzonderheid als opdracht heeft :
de agenda van de vergaderingen van het Comité vast te stellen;
de werkzaamheden van het Comité te coördineren, alsook die van de commissies;
te zorgen voor de overzending van de verslagen aangenomen door het Comité;
wijzigingen aan het huishoudelijk reglement ter goedkeuring voor te leggen aan de Koning.
Art. 5. Le Comité établit son règlement d'ordre intérieur. Celui-ci est soumis à l'approbation du Roi.
Le règlement prévoit entre autres le mode de désignation et les modalités de fonctionnement d'un bureau exécutif, ayant notamment pour mission :
d'arrêter l'ordre du jour des réunions du Comité;
de coordonner les travaux du Comité, en ce compris ceux des commissions;
de veiller à la transmission des rapports adoptés par le Comité;
de soumettre à l'approbation du Roi des modifications au règlement d'ordre intérieur.
Art. 6. Het Comité kan vertegenwoordigers van de besturen, openbare instellingen en instellingen van openbaar nut oproepen om hun advies te vernemen, onder de voorwaarden welke het huishoudelijk reglement zal bepalen.
Het kan voor het onderzoek van bijzondere vraagstukken eveneens een beroep doen op personen met specifieke competenties, onder de voorwaarden welke het huishoudelijk reglement zal bepalen.
Art. 6. Le Comité peut appeler en consultation des représentants des administrations, des établissements publics et des établissements d'utilité publique, dans les conditions que déterminera le règlement d'ordre intérieur.
Il peut également faire appel à des personnes ayant des compétences spécifiques pour l'examen de questions particulières, dans les conditions que déterminera le règlement d'ordre intérieur.
Art. 7. Het Kenniscentrum bedoeld in artikel 9 verstrekt aan het Comité alle technische ondersteuning die vereist is om zijn werkzaamheden uit te voeren.
Art. 7. Le Centre d'Expertise visé à l'article 9 fournit au Comité toute assistance technique requise pour lui permettre de mener ses travaux.
Art. 8. § 1. Het Comité kan alle voorbereidende studies toevertrouwen aan één of meerdere commissies.
Het Comité beslist over de oprichting en de samenstelling van de commissie met een meerderheid van twee derde van de vaste leden en de plaatsvervangende leden die een vast lid vervangen. Het Comité kan enkel geldig beraadslagen over de oprichting en de samenstelling van de commissie als ten minste de helft van de vaste leden of de plaatsvervangers die een vast lid vervangen, aanwezig is.
De commissie brengt over haar werkzaamheden verslag uit aan het Comité.
§ 2. Personen die in het Comité geen zitting hebben, kunnen uitgenodigd worden om zitting te hebben in een commissie om er gehoord te worden.
De vertegenwoordigers van de werkgevers, de zelfstandigen, de personeelsleden van de publieke sector of de werknemers van de privésector die geen zitting hebben in het Comité kunnen uitgenodigd worden om zitting te hebben in een commissie om er gehoord te worden.
§ 3. Het Comité vertrouwt de voorbereidende analyse van alle vraagstukken die betrekking hebben op de pensioenen van de publieke sector toe aan een speciale commissie.
Voor de vertegenwoordiging van de lokale en provinciale besturen wordt binnen die commissie ingestaan door de voorzitter van het beheerscomité van de Dienst voor de Bijzondere Socialezekerheidsstelsels.
Voor de vertegenwoordiging van de Gewesten en Gemeenschappen binnen deze commissie kan worden ingestaan door twee vertegenwoordigers van de Vlaamse overheid, één vertegenwoordiger van de Franse Gemeenschap, één vertegenwoordiger van het Waals Gewest, één vertegenwoordiger van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en één vertegenwoordiger van de Duitstalige Gemeenschap.
Art. 8. § 1er. Le Comité peut confier toutes études préparatoires à une ou plusieurs commissions.
Le Comité décide de la mise en place de la commission et de sa composition à la majorité des deux tiers des membres effectifs et suppléants qui remplacent un membre effectif. Le Comité ne délibère valablement sur la mise en place de la commission et sur sa composition que si la moitié au moins des membres effectifs ou suppléants qui remplacent un membre effectif sont présents.
La commission fait rapport de ses travaux au Comité.
§ 2. Des personnes qui ne siègent pas au Comité peuvent être invitées à siéger dans une commission pour y être entendues.
Les représentants d'employeurs, d'indépendants, de membres du personnel du secteur public ou de travailleurs du secteur privé qui ne disposent pas d'un siège au sein du Comité peuvent être invités à siéger dans une commission pour y être entendus.
§ 3. Le Comité confie l'analyse préparatoire de toutes les questions qui concernent les pensions du secteur public à une commission spéciale.
La représentation des autorités locales et provinciales est assurée au sein de cette commission par le président du Comité de gestion de l'Office des régimes particuliers de sécurité sociale.
La représentation des Régions et des Communautés au sein de cette commission peut être assurée par deux représentants de l'autorité flamande, un représentant de la Communauté française, un représentant de la Région wallonne, un représentant de la Région de Bruxelles-Capitale et un représentant de la Communauté germanophone.
Hoofdstuk 3. - Kenniscentrum
Chapitre 3. - Centre d'Expertise
Art. 9. Het geheel aan kennis inzake pensioenen dat beschikbaar is bij de verschillende besturen, openbare instellingen en instellingen van openbaar nut wordt gegroepeerd onder de benaming "Kenniscentrum".
Art. 9. L'ensemble des connaissances en matière de pensions disponibles auprès des différentes administrations, établissements publics et établissements d'utilité publique est regroupé sous la dénomination "Centre d'Expertise".
Art. 10. Om voor het bundelen van deze diverse kennis en de coördinatie ervan in te staan, wordt een begeleidingscomité voor het Kenniscentrum ingesteld.
Art. 10. Afin d'assurer la mise en commun de ces différentes connaissances et la coordination entre celles-ci, il est institué un comité d'accompagnement du Centre d'Expertise.
Art. 11. Het begeleidingscomité is als volgt samengesteld :
een vertegenwoordiger van de voor pensioenen bevoegde minister of ministers;
de administrateur-generaal [1 van de Federale Pensioendienst]1;
[1 de administrateur-generaal van de Pensioendienst voor de Overheidssector, die de adjunct-administrateur-generaal is geworden van de Federale Pensioendienst;]1
de administrateur-generaal van het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen;
de administrateur-generaal van de Dienst voor de Bijzondere Socialezekerheidsstelsels;
een vertegenwoordiger van het Federaal Planbureau.
Art. 11. Le comité d'accompagnement est composé comme suit :
un représentant du ministre ou des ministres ayant les pensions dans leurs attributions;
l'administrateur général [1 du Service fédéral des Pensions]1;
[1 l'administrateur général du Service des Pensions du Secteur Public, devenu l'administrateur général adjoint du Service fédéral des Pensions;]1
l'administrateur général de l'Institut National d'Assurances Sociales pour Travailleurs Indépendants;
l'administrateur général de l'Office des régimes particuliers de sécurité sociale;
un représentant du Bureau fédéral du Plan.
Art. 12. Het Federaal Planbureau, ingesteld bij hoofdstuk IV van Titel VIII van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen, is belast met het secretariaat van het begeleidingscomité.
Art. 12. Le Bureau fédéral du Plan, institué par le chapitre IV du Titre VIII de la loi du 21 décembre 1994 portant des dispositions sociales et diverses, est chargé du secrétariat du comité d'accompagnement.
Art. 13. Alle kennis waarover de besturen, openbare instellingen en instellingen van openbaar nut beschikken en die nodig is voor de uitvoering door het begeleidingscomité van zijn opdrachten, wordt op zijn verzoek te zijner beschikking gesteld door deze besturen en instellingen.
Art. 13. Toutes les connaissances dont les administrations, établissements publics et établissements d'utilité publique disposent et qui sont nécessaires pour l'exécution par le comité d'accompagnement de ses missions sont mises à la disposition de celui-ci par ces administrations et établissements à sa demande.
Art. 14. Het Kenniscentrum verleent aan de voor pensioenen bevoegde minister of ministers alle nodige technische ondersteuning voor de evaluatie en de concrete uitvoering van voorstellen inzake pensioenen.
Art. 14. Le Centre d'Expertise fournit au ministre ou aux ministres ayant les pensions dans leurs attributions toute l'assistance technique requise pour l'évaluation et la mise en oeuvre concrète de propositions en matière de pension.
Hoofdstuk 4. - Academische Raad
Chapitre 4. - Conseil académique
Art. 15. Er wordt, onder de naam Academische Raad, hierna "Raad", een orgaan ingesteld dat als opdracht heeft een onderbouwd wetenschappelijk advies uit te brengen over alle voorstellen inzake pensioenen, hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek van de voor pensioenen bevoegde minister of ministers.
Art. 15. Il est institué sous le nom de Conseil académique, ci-après "Conseil", un organe qui a pour mission d'adresser au ministre ou aux ministres ayant les pensions dans leurs attributions, soit d'initiative, soit à la demande de ceux-ci, un avis scientifique étayé sur toutes les propositions en matière de pension.
Art. 16. De Raad bestaat uit maximaal twaalf leden aangesteld bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en gekozen omwille van hun wetenschappelijke expertise inzake pensioenen.
Art. 16. Le Conseil est composé au maximum de douze membres désignés par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres choisis pour leur expertise scientifique en matière de pension.
Art. 17. De Koning benoemt de voorzitter van de Raad onder de leden waaruit hij bestaat.
Art. 17. Le Roi désigne le président du Conseil parmi les membres qui le composent.
Art. 18. De Koning bepaalt de vergoedingen die de leden genieten.
Art. 18. Le Roi détermine les indemnités dont bénéficient les membres.
Art. 19. De duur van het mandaat van de leden van de Raad bedraagt 5 jaar.
Het mandaat is hernieuwbaar.
Art. 19. La durée du mandat des membres du Conseil est de 5 ans.
Le mandat est renouvelable.
Art. 20. Het Kenniscentrum bedoeld in artikel 9 verschaft aan de Raad alle noodzakelijke technische ondersteuning die vereist is opdat deze zijn werkzaamheden kan uitvoeren.
Art. 20. Le Centre d'Expertise visé à l'article 9 fournit au Conseil toute l'assistance technique requise pour lui permettre de mener ses travaux.