Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
29 OKTOBER 2015. - Koninklijk besluit tot uitvoering van Titel 4, Hoofdstuk 4 van Boek VII van het Wetboek van economisch recht(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 05-11-2015 en tekstbijwerking tot 29-06-2022)
Titre
29 OCTOBRE 2015. - Arrêté royal portant exécution du Titre 4, Chapitre 4, du Livre VII du Code de droit économique(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 05-11-2015 et mise à jour au 29-06-2022)
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
HOOFDSTUK I. - Definities
HOOFDSTUK II. - Aanvraag tot en behoud van de v...
HOOFDSTUK III. - Aanvraag tot en behoud van de ...
HOOFDSTUK IV. - Burgerlijke beroeps-aansprakeli...
HOOFDSTUK V. - Vereiste beroepskennis voor bemi...
HOOFDSTUK VI. - Vereiste beroepskennis voor bem...
HOOFDSTUK VII. - Aantal aan te duiden verantwoo...
HOOFDSTUK VIII. - Overgangsbepalingen
Afdeling 1. - Overgangsbepalingen voor bemiddel...
Onderafdeling 1. - Algemene bepaling
Onderafdeling 2. - Personen actief in de sector...
Onderafdeling 3. - Personen actief in de verzek...
Onderafdeling 4. - Andere personen
Afdeling 2. - Overgangsbepalingen voor personen...
Onderafdeling 1. - Personen actief in de sector...
Onderafdeling 2. - Andere personen
Afdeling 3. - Overige bepalingen
HOOFDSTUK IX. - Inwerkingtreding
Table des matières
CHAPITRE Ier. - Définitions
CHAPITRE II. - Demande et maintien de l'agrémen...
CHAPITRE III. - Demande et maintien de l'inscri...
CHAPITRE IV. - Assurance de la responsabilité c...
CHAPITRE V. - Connaissances professionnelles re...
CHAPITRE VI. - Connaissances professionnelles r...
CHAPITRE VII. - Nombre de responsables de la di...
CHAPITRE VIII. - Dispositions transitoires
Section 1re. - Dispositions transitoires applic...
Sous-section 1re. - Disposition générale
Sous-section 2. - Personnes actives dans le sec...
Sous-section 3. - Personnes actives dans le sec...
Sous-section 4. - Autres personnes
Section 2. - Dispositions transitoires applicab...
Sous-section 1re. - Personnes actives dans le s...
Sous-section 2. - Autres personnes
Section 3. - Autres dispositions
CHAPITRE IX. - Entrée en vigueur
Tekst (49)
Texte (49)
HOOFDSTUK I. - Definities
CHAPITRE Ier. - Définitions
Artikel 1. Dit koninklijk besluit voorziet in de gedeeltelijke omzetting van de Richtlijn 2014/17/EU van het Europees Parlement en de Raad van 4 februari 2014 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen en tot wijziging van de Richtlijnen 2008/48/EG en 2013/36/EU en Verordening (EU) nr.1093/2010.
Article 1er. Le présent arrêté royal transpose partiellement la Directive 2014/17/EU du Parlement européen et du Conseil du 4 février 2014 sur les contrats de crédit aux consommateurs relatifs aux biens immobiliers à usage résidentiel et modifiant les Directives 2008/48/CE et 2013/36/EU et le Règlement (EU) n° 1093/2010.
Art. 2. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
1° "het WER" : boek VII "Betalings- en kredietdiensten" van het Wetboek van economisch recht;
2° "identificatiegegevens" :
a) voor natuurlijke personen die zijn ingeschreven in het Belgische rijksregister : naam, voornamen, adres van de woonplaats, rijksregisternummer;
b) voor natuurlijke personen die niet zijn ingeschreven in het Belgische rijksregister : naam, voornaam, geboorteplaats en -datum, adres van de woonplaats;
c) voor rechtspersonen : het ondernemingsnummer (voor de ondernemingen naar Belgisch recht), de rechtsvorm, de maatschappelijke benaming, het nationaal recht van de rechtspersoon, het adres van de statutaire zetel of, indien deze rechtspersoon volgens zijn nationaal recht geen statutaire zetel heeft, het adres waar zijn hoofdkantoor gevestigd is;
3° "wet van 22 maart 2006" : wet van 22 maart 2006 betreffende de bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten en de distributie van financiële instrumenten.
4° "tussenpersoon in bank- en beleggingsdiensten" : tussenpersoon bedoeld in artikel 4, 2° van de wet van 22 maart 2006.
1° "het WER" : boek VII "Betalings- en kredietdiensten" van het Wetboek van economisch recht;
2° "identificatiegegevens" :
a) voor natuurlijke personen die zijn ingeschreven in het Belgische rijksregister : naam, voornamen, adres van de woonplaats, rijksregisternummer;
b) voor natuurlijke personen die niet zijn ingeschreven in het Belgische rijksregister : naam, voornaam, geboorteplaats en -datum, adres van de woonplaats;
c) voor rechtspersonen : het ondernemingsnummer (voor de ondernemingen naar Belgisch recht), de rechtsvorm, de maatschappelijke benaming, het nationaal recht van de rechtspersoon, het adres van de statutaire zetel of, indien deze rechtspersoon volgens zijn nationaal recht geen statutaire zetel heeft, het adres waar zijn hoofdkantoor gevestigd is;
3° "wet van 22 maart 2006" : wet van 22 maart 2006 betreffende de bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten en de distributie van financiële instrumenten.
4° "tussenpersoon in bank- en beleggingsdiensten" : tussenpersoon bedoeld in artikel 4, 2° van de wet van 22 maart 2006.
Art. 2. Pour l'application du présent arrêté, il y a lieu d'entendre par :
1° "le CDE" : le livre VII "Services de paiement et de crédit" du Code de droit économique;
2° "les données d'identification" :
a) pour les personnes physiques inscrites au registre national belge : le nom, les prénoms, l'adresse du domicile, le numéro de registre national;
b) pour les personnes physiques non inscrites au registre national belge : le nom, le prénom, le lieu et la date de naissance, l'adresse du domicile;
c) pour les personnes morales : le numéro d'entreprise (pour les entreprises de droit belge), la forme juridique, la dénomination sociale, le droit national dont la personne morale relève, l'adresse du siège statutaire ou, si cette personne morale n'a pas de siège statutaire selon le droit national dont elle relève, l'adresse à laquelle son siège principal est établi;
3° "la loi du 22 mars 2006" : la loi du 22 mars 2006 relative à l'intermédiation en services bancaires et en services d'investissement et à la distribution d'instruments financiers;
4° "intermédiaire en services bancaires et en services d'investissement " : l'intermédiaire visé à l'article 4, 2°, de la loi du 22 mars 2006.
1° "le CDE" : le livre VII "Services de paiement et de crédit" du Code de droit économique;
2° "les données d'identification" :
a) pour les personnes physiques inscrites au registre national belge : le nom, les prénoms, l'adresse du domicile, le numéro de registre national;
b) pour les personnes physiques non inscrites au registre national belge : le nom, le prénom, le lieu et la date de naissance, l'adresse du domicile;
c) pour les personnes morales : le numéro d'entreprise (pour les entreprises de droit belge), la forme juridique, la dénomination sociale, le droit national dont la personne morale relève, l'adresse du siège statutaire ou, si cette personne morale n'a pas de siège statutaire selon le droit national dont elle relève, l'adresse à laquelle son siège principal est établi;
3° "la loi du 22 mars 2006" : la loi du 22 mars 2006 relative à l'intermédiation en services bancaires et en services d'investissement et à la distribution d'instruments financiers;
4° "intermédiaire en services bancaires et en services d'investissement " : l'intermédiaire visé à l'article 4, 2°, de la loi du 22 mars 2006.
HOOFDSTUK II. - Aanvraag tot en behoud van de vergunning als kredietgever
CHAPITRE II. - Demande et maintien de l'agrément en qualité de prêteur
Art. 3. Elke vergunningsaanvraag voor de uitoefening van de activiteit van kredietgever als bedoeld in artikel VII.160, § 1 van het WER, moet aan de FSMA worden gericht in de vorm en volgens de modaliteiten door haar bepaald en op haar website bekendgemaakt.
De aanvraag wordt samen met een dossier ingediend, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 4. [2 De vergunningsaanvraag en het vergunningsdossier worden langs elektronische weg bij de FSMA ingediend.]2
In zijn aanvraag geeft de kandidaat-kredietgever aan of hij een vergunning als kredietgever in hypothecair krediet, in consumentenkrediet of in beide wenst te krijgen, zoals bedoeld in artikel VII.160, § 2 van het WER.
[1 In zijn aanvraag geeft de kandidaat-kredietgever desgevallend ook aan dat hij een vergunning als overnemer van schuldvorderingen uit een hypothecair krediet met een onroerende bestemming, zoals bedoeld in de artikelen 4, 5, 6 en 7 van het koninklijk besluit van 13 mei 2017 tot vaststelling van afwijkingen op de vergunnings- en bedrijfsuitoefeningsvoorwaarden voor overnemers van schuldvorderingen uit een hypothecair krediet met een onroerende bestemming en voor kredietgevers die geen kredieten meer toestaan maar enkel bestaande kredieten beheren en afwikkelen, en tot wijziging van de artikelen 3 en 4 van het koninklijk besluit van 29 oktober 2015 tot uitvoering van Titel 4, Hoofdstuk 4, van Boek VII van het Wetboek van economisch recht, wat betreft de aanvraag tot en behoud van de vergunning als kredietgever, of een vergunning als kredietgever die geen kredieten meer toestaat maar enkel bestaande kredieten beheert en afwikkelt, zoals bedoeld in artikel 8 van hetzelfde koninklijk besluit, wenst te krijgen.]1
Wanneer de aanvraag een vergunning als kredietgever in consumentenkrediet betreft, verduidelijkt de kandidaat de aard van de door hem voorgenomen activiteiten, zoals bedoeld in artikel VII.160, § 3 van het WER.
De aanvraag wordt ingediend door het wettelijk bestuursorgaan of door één of meerdere personen die daartoe gemachtigd zijn en daarbij handelen onder de verantwoordelijkheid van het wettelijk bestuursorgaan.
[2 Elke wijziging van de vergunningsaanvraag of van de in het artikel 4 bedoelde gegevens of documenten, of elke verdere actualisering van deze gegevens of documenten moet aan de FSMA worden meegedeeld in de vorm en volgens de modaliteiten als bedoeld in het eerste lid.]2
De aanvraag wordt samen met een dossier ingediend, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 4. [2 De vergunningsaanvraag en het vergunningsdossier worden langs elektronische weg bij de FSMA ingediend.]2
In zijn aanvraag geeft de kandidaat-kredietgever aan of hij een vergunning als kredietgever in hypothecair krediet, in consumentenkrediet of in beide wenst te krijgen, zoals bedoeld in artikel VII.160, § 2 van het WER.
[1 In zijn aanvraag geeft de kandidaat-kredietgever desgevallend ook aan dat hij een vergunning als overnemer van schuldvorderingen uit een hypothecair krediet met een onroerende bestemming, zoals bedoeld in de artikelen 4, 5, 6 en 7 van het koninklijk besluit van 13 mei 2017 tot vaststelling van afwijkingen op de vergunnings- en bedrijfsuitoefeningsvoorwaarden voor overnemers van schuldvorderingen uit een hypothecair krediet met een onroerende bestemming en voor kredietgevers die geen kredieten meer toestaan maar enkel bestaande kredieten beheren en afwikkelen, en tot wijziging van de artikelen 3 en 4 van het koninklijk besluit van 29 oktober 2015 tot uitvoering van Titel 4, Hoofdstuk 4, van Boek VII van het Wetboek van economisch recht, wat betreft de aanvraag tot en behoud van de vergunning als kredietgever, of een vergunning als kredietgever die geen kredieten meer toestaat maar enkel bestaande kredieten beheert en afwikkelt, zoals bedoeld in artikel 8 van hetzelfde koninklijk besluit, wenst te krijgen.]1
Wanneer de aanvraag een vergunning als kredietgever in consumentenkrediet betreft, verduidelijkt de kandidaat de aard van de door hem voorgenomen activiteiten, zoals bedoeld in artikel VII.160, § 3 van het WER.
De aanvraag wordt ingediend door het wettelijk bestuursorgaan of door één of meerdere personen die daartoe gemachtigd zijn en daarbij handelen onder de verantwoordelijkheid van het wettelijk bestuursorgaan.
[2 Elke wijziging van de vergunningsaanvraag of van de in het artikel 4 bedoelde gegevens of documenten, of elke verdere actualisering van deze gegevens of documenten moet aan de FSMA worden meegedeeld in de vorm en volgens de modaliteiten als bedoeld in het eerste lid.]2
Art. 3. Toute demande d'agrément pour l'exercice de l'activité de prêteur, telle que visée à l'article VII.160, § 1er, du CDE, doit être adressée à la FSMA, dans la forme et selon les modalités que celle-ci détermine et rend publiques sur son site web.
La demande est introduite accompagnée d'un dossier, conformément aux dispositions prévues à l'article 4. [2 La demande et le dossier d'agrément sont transmis à la FSMA par voie électronique.]2
Dans sa demande, le candidat prêteur indique s'il souhaite obtenir un agrément comme prêteur en crédit hypothécaire, en crédit à la consommation ou les deux, conformément à l'article VII.160, § 2, du CDE.
[1 Dans sa demande, le candidat prêteur précise, le cas échéant, qu'il souhaite obtenir un agrément comme cessionnaire de créances résultant d'un crédit hypothécaire avec une destination immobilière, tel que visé aux articles 4, 5, 6 et 7 de l'arrêté royal du 13 mai 2017 fixant des dérogations aux conditions d'agrément et d'exercice pour les cessionnaires de créances résultant d'un crédit hypothécaire avec une destination immobilière et pour les prêteurs qui n'octroient plus de crédits mais se bornent à gérer et liquider des crédits existants, et modifiant les articles 3 et 4 de l'arrêté royal du 29 octobre 2015 portant exécution du Titre 4, Chapitre 4, du Livre VII du Code de droit économique, en ce qui concerne la demande et le maintien de l'agrément en qualité de prêteur, ou qu'il souhaite obtenir un agrément comme prêteur qui n'octroie plus de crédits mais se borne à gérer et liquider des crédits existants, tel que visé à l'article 8 de l'arrêté royal précité.]1
S'il s'agit d'une demande d'agrément comme prêteur en crédit à la consommation, le candidat précise la nature des activités qu'il envisage d'exercer, conformément à l'article VII.160, § 3, du CDE.
La demande est introduite par l'organe légal d'administration ou par une ou plusieurs personnes qui ont été mandatées à cet effet et qui agissent sous la responsabilité de l'organe légal d'administration.
[2 Toute modification de la demande d'agrément ou des données ou documents visées à l'article 4, ou mise à jour ultérieure de ces données ou documents doit être communiquée à la FSMA dans la forme et selon les modalités visées à l'alinéa 1er.]2
La demande est introduite accompagnée d'un dossier, conformément aux dispositions prévues à l'article 4. [2 La demande et le dossier d'agrément sont transmis à la FSMA par voie électronique.]2
Dans sa demande, le candidat prêteur indique s'il souhaite obtenir un agrément comme prêteur en crédit hypothécaire, en crédit à la consommation ou les deux, conformément à l'article VII.160, § 2, du CDE.
[1 Dans sa demande, le candidat prêteur précise, le cas échéant, qu'il souhaite obtenir un agrément comme cessionnaire de créances résultant d'un crédit hypothécaire avec une destination immobilière, tel que visé aux articles 4, 5, 6 et 7 de l'arrêté royal du 13 mai 2017 fixant des dérogations aux conditions d'agrément et d'exercice pour les cessionnaires de créances résultant d'un crédit hypothécaire avec une destination immobilière et pour les prêteurs qui n'octroient plus de crédits mais se bornent à gérer et liquider des crédits existants, et modifiant les articles 3 et 4 de l'arrêté royal du 29 octobre 2015 portant exécution du Titre 4, Chapitre 4, du Livre VII du Code de droit économique, en ce qui concerne la demande et le maintien de l'agrément en qualité de prêteur, ou qu'il souhaite obtenir un agrément comme prêteur qui n'octroie plus de crédits mais se borne à gérer et liquider des crédits existants, tel que visé à l'article 8 de l'arrêté royal précité.]1
S'il s'agit d'une demande d'agrément comme prêteur en crédit à la consommation, le candidat précise la nature des activités qu'il envisage d'exercer, conformément à l'article VII.160, § 3, du CDE.
La demande est introduite par l'organe légal d'administration ou par une ou plusieurs personnes qui ont été mandatées à cet effet et qui agissent sous la responsabilité de l'organe légal d'administration.
[2 Toute modification de la demande d'agrément ou des données ou documents visées à l'article 4, ou mise à jour ultérieure de ces données ou documents doit être communiquée à la FSMA dans la forme et selon les modalités visées à l'alinéa 1er.]2
Art. 4. Zonder afbreuk te doen aan het recht van de FSMA om de bijkomende inlichtingen te vragen die zij nodig acht voor de beoordeling van het dossier, verstrekt de kandidaat om een rechtsgeldige aanvraag in te dienen, in de vergunningsaanvraag als kredietgever de volgende gegevens en voegt hij daarbij de volgende documenten :
1° zijn identificatiegegevens;
2° de identificatiegegevens van de leden van het wettelijk bestuursorgaan, van de personen belast met de effectieve leiding en in voorkomend geval, van de leden van het directiecomité van de kredietgever, als bedoeld in artikel VII.164, § 1, eerste lid van het WER;
3° voor elk van de personen bedoeld in 2°, een uittreksel uit het strafregister bestemd voor gereglementeerde activiteiten dat niet ouder is dan drie maanden;
4° voor elk van de personen bedoeld in 2°, een toelichting die hun professionele betrouwbaarheid en passende deskundigheid aantoont zoals bedoeld in artikel VII.164, § 1, tweede lid van het WER, volgens de modaliteiten bepaald door de FSMA;
5° de identificatiegegevens van de natuurlijke personen of rechtspersonen die, alleen of in onderling overleg, rechtstreeks of onrechtstreeks, de controle uitoefenen over de kredietgever, zoals bedoeld in artikel VII.163, § 1, eerste lid van het WER;
6° voor elk van de personen bedoeld in 5°, hun aandeel in het kapitaal van de kredietgever, het aantal stemrechten waarover zij beschikken en een toelichting omtrent hun geschiktheid, zoals bedoeld in artikel VII.163, § 1, tweede lid van het WER, volgens de modaliteiten bepaald door de FSMA;
7° de aanduiding of de kandidaat-kredietgever een onderneming is als bedoeld in artikel VII.163, § 2 van het WER;
8° het bewijs dat de modelkredietovereenkomsten, met inbegrip van de aflossingstabellen die de kredietgever zal gebruiken, [1 ter goedkeuring aan de FOD Economie zijn voorgelegd, dan wel door de FOD Economie zijn goedgekeurd]1;
9° een dossier waarin de aard en de omvang van de voorgenomen verrichtingen, de organisatiestructuur van de kredietgever, zijn nauwe banden met andere personen en de taakverdeling tussen de leden van het wettelijk bestuursorgaan en de personen belast met de effectieve leiding worden toegelicht, volgens de voorwaarden bepaald door de FSMA;
10° [3 de identificatiegegevens van de verantwoordelijke persoon of personen als bedoeld in artikel 9, § 2, van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten, alsook van de op het hoogste niveau verantwoordelijke persoon om te waken over de toepassing en de naleving van de bepalingen van voornoemde wet als bedoeld in artikel 9, § 1, van die wet.]3
11° de mededeling of de kredietgever al dan niet het bedrijf van kredietbemiddelaar zal uitoefenen en, in voorkomend geval, een attest afgeleverd door de verzekeringsonderneming bij wie de verzekering tot dekking van de burgerlijke beroepsaansprakelijkheid is gesloten overeenkomstig artikel VII.180, § 2, eerste lid, 4°, en/of artikel VII.184, § 1, tweede lid, 4° van het WER en waaruit blijkt dat die verzekering voldoet aan het bepaalde in hoofdstuk IV;
12° indien de kredietgever het bedrijf van kredietbemiddelaar zal uitoefenen, de identificatiegegevens van de verantwoordelijken voor de distributie als bedoeld in artikel VII.180, § 2, eerste lid, 1°, en in artikel VII.184, § 1, tweede lid, 1° van het WER en de verantwoording dat hun aantal overeenstemt met het bepaalde in hoofdstuk VII;
13° voor elk van de personen bedoeld in 12°, een uittreksel uit het strafregister bestemd voor gereglementeerde activiteiten dat niet ouder is dan drie maanden;
14° voor elk van de personen bedoeld in 12°, een toelichting die [2 hun passende deskundigheid en vereiste professionele betrouwbaarheid]2 aantoont zoals bedoeld in de artikelen VII.180, § 2, eerste lid, 2°, en VII.184, § 1, tweede lid, 2° van het WER, volgens de modaliteiten bepaald door de FSMA;
15° voor elk van de personen bedoeld in 12°, het bewijs dat zij de vereiste beroepskennis bezitten zoals bepaald in de hoofdstukken V en VI;
16° het aantal personen in contact met het publiek dat door de kredietgever voor de activiteit van bemiddeling in hypothecair krediet of consumentenkrediet wordt tewerkgesteld;
17° een becijferde verantwoording dat voldaan is aan de mimumkapitaalvereisten bedoeld in artikel VII.162 van het WER;
18° het bewijs van toetreding tot de buitengerechtelijke regeling van consumentengeschillen bedoeld in artikel VII.166, § 4 van het WER;
19° indien de aanvraag ingediend wordt door een persoon die daartoe een bijzondere machtiging heeft gekregen, zoals bedoeld in artikel 3, vijfde lid, het bewijs van deze machtiging.
De kandidaat-kredietgevers die kredietinstellingen, beleggingsondernemingen, verzekeringsondernemingen, instellingen voor elektronisch geld of betalingsinstellingen zijn zoals bedoeld in artikel VII.173 van het WER, moeten de gegevens en documenten bedoeld in het eerste lid, 2°, 3°, 4°, 5°, 6°, 7°, 10° en 17°, niet bij hun vergunningsaanvraag voegen.
[1 Zonder afbreuk te doen aan het tweede lid, moeten de kandidaat-kredietgevers die een vergunning wensen te krijgen als overnemer van schuldvorderingen uit een hypothecair krediet met een onroerende bestemming, zoals bedoeld in de artikelen 4, 5, 6 en 7 van het koninklijk besluit van 13 mei 2017 tot vaststelling van afwijkingen op de vergunnings- en bedrijfsuitoefeningsvoorwaarden voor overnemers van schuldvorderingen uit een hypothecair krediet met een onroerende bestemming en voor kredietgevers die geen kredieten meer toestaan maar enkel bestaande kredieten beheren en afwikkelen, en tot wijziging van de artikelen 3 en 4 van het koninklijk besluit van 29 oktober 2015 tot uitvoering van Titel 4, Hoofdstuk 4, van Boek VII van het Wetboek van economisch recht, wat betreft de aanvraag tot en behoud van de vergunning als kredietgever, de gegevens en documenten bedoeld in het eerste lid, 8°, 11°, 12°, 13°, 14°, 15°, 16°, 17° en 18°, niet bij hun vergunningsaanvraag voegen. De kandidaat-kredietgevers die een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening zijn zoals bedoeld in artikel 7, e), van hetzelfde koninklijk besluit van 13 mei 2017, moeten bovendien de gegevens en documenten bedoeld in het eerste lid, 2°, 3°, 4°, 5°, 6° en 7°, niet bij hun vergunningsaanvraag voegen. In aanvulling op de andere gegevens en documenten opgesomd in het eerste lid, moeten de kandidaat-kredietgevers zoals bedoeld in de artikelen 4, 5, 6 en 7 van hetzelfde koninklijk besluit van 13 mei 2017 volgende gegevens en documenten bij hun vergunningsaanvraag voegen :
1° de bevestiging van de kandidaat-kredietgever dat hij voornemens is om enkel schuldvorderingen uit een hypothecair krediet met een onroerende bestemming over te nemen en geen kredieten toe te staan en dat de vergunning als overnemer van schuldvorderingen uit een hypothecair krediet met een onroerende bestemming hem niet toelaat om kredieten toe te staan;
2° voor de overnemer als bedoeld in artikelen 5 en 6 van hetzelfde koninklijk besluit van 13 mei 2017, de statuten, het beheerreglement of gelijkwaardige documenten, waaruit de kwalificatie als mobiliseringsinstelling dan wel AICB blijkt;
3° de bevestiging van de kandidaat-kredietgever dat hij niet het bedrijf van bemiddelaar inzake hypothecair krediet zal uitoefenen zonder te zijn ingeschreven in het register van kredietbemiddelaars;
4° het bewijs dat de overdrager is toegetreden tot de buitengerechtelijke regeling van consumentengeschillen bedoeld in artikel VII.166, § 4, van het WER en de bevestiging van de kandidaat-kredietgever dat hij zal toetreden tot de buitengerechtelijke regeling van consumentengeschillen van zodra de overdracht aan de consument werd ter kennis gebracht of door hem werd erkend.
Zonder afbreuk te doen aan het tweede lid, moeten de kandidaat-kredietgevers die een vergunning wensen te krijgen als kredietgever die geen kredieten meer toestaat maar enkel bestaande kredieten beheert en afwikkelt, zoals bedoeld in artikel 8 van hetzelfde koninklijk besluit van 13 mei 2017, de gegevens en documenten bedoeld in het eerste lid, 8° en 17°, niet bij hun vergunningsaanvraag voegen. In aanvulling op de andere gegevens en documenten opgesomd in het eerste lid, moeten deze kandidaat-kredietgevers bij hun vergunningsaanvraag de bevestiging voegen dat de kandidaat-kredietgever voornemens is om enkel bestaande kredieten te beheren en af te wikkelen en geen kredieten toe te staan en dat de vergunning als kredietgever die geen kredieten meer toestaat maar enkel bestaande kredieten beheert en afwikkelt hem niet toelaat om kredieten toe te staan.]1
1° zijn identificatiegegevens;
2° de identificatiegegevens van de leden van het wettelijk bestuursorgaan, van de personen belast met de effectieve leiding en in voorkomend geval, van de leden van het directiecomité van de kredietgever, als bedoeld in artikel VII.164, § 1, eerste lid van het WER;
3° voor elk van de personen bedoeld in 2°, een uittreksel uit het strafregister bestemd voor gereglementeerde activiteiten dat niet ouder is dan drie maanden;
4° voor elk van de personen bedoeld in 2°, een toelichting die hun professionele betrouwbaarheid en passende deskundigheid aantoont zoals bedoeld in artikel VII.164, § 1, tweede lid van het WER, volgens de modaliteiten bepaald door de FSMA;
5° de identificatiegegevens van de natuurlijke personen of rechtspersonen die, alleen of in onderling overleg, rechtstreeks of onrechtstreeks, de controle uitoefenen over de kredietgever, zoals bedoeld in artikel VII.163, § 1, eerste lid van het WER;
6° voor elk van de personen bedoeld in 5°, hun aandeel in het kapitaal van de kredietgever, het aantal stemrechten waarover zij beschikken en een toelichting omtrent hun geschiktheid, zoals bedoeld in artikel VII.163, § 1, tweede lid van het WER, volgens de modaliteiten bepaald door de FSMA;
7° de aanduiding of de kandidaat-kredietgever een onderneming is als bedoeld in artikel VII.163, § 2 van het WER;
8° het bewijs dat de modelkredietovereenkomsten, met inbegrip van de aflossingstabellen die de kredietgever zal gebruiken, [1 ter goedkeuring aan de FOD Economie zijn voorgelegd, dan wel door de FOD Economie zijn goedgekeurd]1;
9° een dossier waarin de aard en de omvang van de voorgenomen verrichtingen, de organisatiestructuur van de kredietgever, zijn nauwe banden met andere personen en de taakverdeling tussen de leden van het wettelijk bestuursorgaan en de personen belast met de effectieve leiding worden toegelicht, volgens de voorwaarden bepaald door de FSMA;
10° [3 de identificatiegegevens van de verantwoordelijke persoon of personen als bedoeld in artikel 9, § 2, van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten, alsook van de op het hoogste niveau verantwoordelijke persoon om te waken over de toepassing en de naleving van de bepalingen van voornoemde wet als bedoeld in artikel 9, § 1, van die wet.]3
11° de mededeling of de kredietgever al dan niet het bedrijf van kredietbemiddelaar zal uitoefenen en, in voorkomend geval, een attest afgeleverd door de verzekeringsonderneming bij wie de verzekering tot dekking van de burgerlijke beroepsaansprakelijkheid is gesloten overeenkomstig artikel VII.180, § 2, eerste lid, 4°, en/of artikel VII.184, § 1, tweede lid, 4° van het WER en waaruit blijkt dat die verzekering voldoet aan het bepaalde in hoofdstuk IV;
12° indien de kredietgever het bedrijf van kredietbemiddelaar zal uitoefenen, de identificatiegegevens van de verantwoordelijken voor de distributie als bedoeld in artikel VII.180, § 2, eerste lid, 1°, en in artikel VII.184, § 1, tweede lid, 1° van het WER en de verantwoording dat hun aantal overeenstemt met het bepaalde in hoofdstuk VII;
13° voor elk van de personen bedoeld in 12°, een uittreksel uit het strafregister bestemd voor gereglementeerde activiteiten dat niet ouder is dan drie maanden;
14° voor elk van de personen bedoeld in 12°, een toelichting die [2 hun passende deskundigheid en vereiste professionele betrouwbaarheid]2 aantoont zoals bedoeld in de artikelen VII.180, § 2, eerste lid, 2°, en VII.184, § 1, tweede lid, 2° van het WER, volgens de modaliteiten bepaald door de FSMA;
15° voor elk van de personen bedoeld in 12°, het bewijs dat zij de vereiste beroepskennis bezitten zoals bepaald in de hoofdstukken V en VI;
16° het aantal personen in contact met het publiek dat door de kredietgever voor de activiteit van bemiddeling in hypothecair krediet of consumentenkrediet wordt tewerkgesteld;
17° een becijferde verantwoording dat voldaan is aan de mimumkapitaalvereisten bedoeld in artikel VII.162 van het WER;
18° het bewijs van toetreding tot de buitengerechtelijke regeling van consumentengeschillen bedoeld in artikel VII.166, § 4 van het WER;
19° indien de aanvraag ingediend wordt door een persoon die daartoe een bijzondere machtiging heeft gekregen, zoals bedoeld in artikel 3, vijfde lid, het bewijs van deze machtiging.
De kandidaat-kredietgevers die kredietinstellingen, beleggingsondernemingen, verzekeringsondernemingen, instellingen voor elektronisch geld of betalingsinstellingen zijn zoals bedoeld in artikel VII.173 van het WER, moeten de gegevens en documenten bedoeld in het eerste lid, 2°, 3°, 4°, 5°, 6°, 7°, 10° en 17°, niet bij hun vergunningsaanvraag voegen.
[1 Zonder afbreuk te doen aan het tweede lid, moeten de kandidaat-kredietgevers die een vergunning wensen te krijgen als overnemer van schuldvorderingen uit een hypothecair krediet met een onroerende bestemming, zoals bedoeld in de artikelen 4, 5, 6 en 7 van het koninklijk besluit van 13 mei 2017 tot vaststelling van afwijkingen op de vergunnings- en bedrijfsuitoefeningsvoorwaarden voor overnemers van schuldvorderingen uit een hypothecair krediet met een onroerende bestemming en voor kredietgevers die geen kredieten meer toestaan maar enkel bestaande kredieten beheren en afwikkelen, en tot wijziging van de artikelen 3 en 4 van het koninklijk besluit van 29 oktober 2015 tot uitvoering van Titel 4, Hoofdstuk 4, van Boek VII van het Wetboek van economisch recht, wat betreft de aanvraag tot en behoud van de vergunning als kredietgever, de gegevens en documenten bedoeld in het eerste lid, 8°, 11°, 12°, 13°, 14°, 15°, 16°, 17° en 18°, niet bij hun vergunningsaanvraag voegen. De kandidaat-kredietgevers die een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening zijn zoals bedoeld in artikel 7, e), van hetzelfde koninklijk besluit van 13 mei 2017, moeten bovendien de gegevens en documenten bedoeld in het eerste lid, 2°, 3°, 4°, 5°, 6° en 7°, niet bij hun vergunningsaanvraag voegen. In aanvulling op de andere gegevens en documenten opgesomd in het eerste lid, moeten de kandidaat-kredietgevers zoals bedoeld in de artikelen 4, 5, 6 en 7 van hetzelfde koninklijk besluit van 13 mei 2017 volgende gegevens en documenten bij hun vergunningsaanvraag voegen :
1° de bevestiging van de kandidaat-kredietgever dat hij voornemens is om enkel schuldvorderingen uit een hypothecair krediet met een onroerende bestemming over te nemen en geen kredieten toe te staan en dat de vergunning als overnemer van schuldvorderingen uit een hypothecair krediet met een onroerende bestemming hem niet toelaat om kredieten toe te staan;
2° voor de overnemer als bedoeld in artikelen 5 en 6 van hetzelfde koninklijk besluit van 13 mei 2017, de statuten, het beheerreglement of gelijkwaardige documenten, waaruit de kwalificatie als mobiliseringsinstelling dan wel AICB blijkt;
3° de bevestiging van de kandidaat-kredietgever dat hij niet het bedrijf van bemiddelaar inzake hypothecair krediet zal uitoefenen zonder te zijn ingeschreven in het register van kredietbemiddelaars;
4° het bewijs dat de overdrager is toegetreden tot de buitengerechtelijke regeling van consumentengeschillen bedoeld in artikel VII.166, § 4, van het WER en de bevestiging van de kandidaat-kredietgever dat hij zal toetreden tot de buitengerechtelijke regeling van consumentengeschillen van zodra de overdracht aan de consument werd ter kennis gebracht of door hem werd erkend.
Zonder afbreuk te doen aan het tweede lid, moeten de kandidaat-kredietgevers die een vergunning wensen te krijgen als kredietgever die geen kredieten meer toestaat maar enkel bestaande kredieten beheert en afwikkelt, zoals bedoeld in artikel 8 van hetzelfde koninklijk besluit van 13 mei 2017, de gegevens en documenten bedoeld in het eerste lid, 8° en 17°, niet bij hun vergunningsaanvraag voegen. In aanvulling op de andere gegevens en documenten opgesomd in het eerste lid, moeten deze kandidaat-kredietgevers bij hun vergunningsaanvraag de bevestiging voegen dat de kandidaat-kredietgever voornemens is om enkel bestaande kredieten te beheren en af te wikkelen en geen kredieten toe te staan en dat de vergunning als kredietgever die geen kredieten meer toestaat maar enkel bestaande kredieten beheert en afwikkelt hem niet toelaat om kredieten toe te staan.]1
Art. 4. Sans préjudice du droit de la FSMA de demander les informations complémentaires qu'elle juge nécessaires pour apprécier le dossier, le candidat, pour introduire valablement sa demande d'agrément comme prêteur, fournit dans celle-ci les données suivantes et y joint les documents suivants :
1° ses données d'identification;
2° les données d'identification des membres de l'organe légal d'administration, des personnes chargées de la direction effective et, le cas échéant, des membres du comité de direction du prêteur, tels que visés à l'article VII.164, § 1er, alinéa 1er, du CDE;
3° pour chacune des personnes visées au 2°, un extrait de casier judiciaire destiné à des activités réglementées, qui ne remonte pas à plus de trois mois;
4° pour chacune des personnes visées au 2°, une note explicative démontrant, selon les modalités définies par la FSMA, leur honorabilité professionnelle et leur expertise adéquate, telles que visées à l'article VII.164, § 1er, alinéa 2, du CDE;
5° les données d'identification des personnes physiques ou morales qui, directement ou indirectement, agissant seules ou de concert avec d'autres, exercent le contrôle du prêteur, tel que visé à l'article VII.163, § 1er, alinéa 1er, du CDE;
6° pour chacune des personnes visées au 5°, leur participation dans le capital du prêteur, le nombre de droits de vote qu'elles détiennent et une note explicative démontrant, selon les modalités définies par la FSMA, leurs qualités nécessaires à cet effet, telles que visées à l'article VII.163, § 1er, alinéa 2, du CDE;
7° une indication précisant si le candidat prêteur est une entreprise telle que visée à l'article VII.163, § 2, du CDE;
8° la preuve que les modèles de contrats de crédit, en ce compris les tableaux d'amortissement, que le prêteur envisage d'utiliser, [1 ont été soumis à l'approbation du SPF Economie ou ont été approuvés par ce dernier]1;
9° un dossier présentant, selon les modalités définies par la FSMA, le genre et le volume des opérations envisagées, la structure de l'organisation du prêteur, ses liens étroits avec d'autres personnes, ainsi que la répartition des tâches entre les membres de l'organe légal d'administration et les personnes chargées de la direction effective;
10° [3 les données d'identification de la ou des personnes responsables visées à l'article 9, § 2, de la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces, ainsi que de la personne responsable, au plus haut niveau, pour veiller à la mise en oeuvre et au respect des dispositions de la loi précitée, conformément à son article 9, § 1er.]3
11° une indication précisant si le prêteur exercera ou non l'activité d'intermédiaire de crédit et, le cas échéant, une attestation délivrée par l'entreprise d'assurances auprès de laquelle l'assurance de la responsabilité civile professionnelle a été souscrite conformément à l'article VII.180, § 2, alinéa 1er, 4°, et/ou à l'article VII.184, § 1er, alinéa 2, 4°, du CDE, et dont il ressort que cette assurance satisfait aux conditions fixées au chapitre IV;
12° s'il est prévu que le prêteur exerce l'activité d'intermédiaire de crédit, les données d'identification des responsables de la distribution, tels que visés aux articles VII.180, § 2, alinéa 1er, 1°, et VII.184, § 1er, alinéa 2, 1°, du CDE, et la justification de ce que leur nombre est conforme aux règles prévues au chapitre VII;
13° pour chacune des personnes visées au 12°, un extrait de casier judiciaire destiné à des activités réglementées, qui ne remonte pas à plus de trois mois;
14° pour chacune des personnes visées au 12°, une note explicative démontrant, selon les modalités définies par la FSMA, [2 leur expertise adéquate et leur honorabilité professionnelle]2, telles que visées aux articles VII.180, § 2, alinéa 1er, 2°, et VII.184, § 1er, alinéa 2, 2°, du CDE;
15° pour chacune des personnes visées au 12°, la preuve qu'elles possèdent les connaissances professionnelles requises, telles que déterminées dans les chapitres V et VI;
16° le nombre de personnes en contact avec le public qui sont employées par le prêteur pour l'activité d'intermédiation en crédit hypothécaire ou en crédit à la consommation;
17° une justification chiffrée attestant que le prêteur satisfait aux exigences de capital minimum, telles que visées à l'article VII.162 du CDE;
18° la preuve de l'adhésion au règlement extrajudiciaire des litiges de consommation, tel que visé à l'article VII.166, § 4, du CDE;
19° si la demande est introduite par une personne qui a reçu un mandat spécifique à cet effet, tel que visé à l'article 3, alinéa 5, la preuve de ce mandat.
Les candidats prêteurs qui sont des établissements de crédit, des entreprises d'investissement, des entreprises d'assurances, des établissements de monnaie électronique ou des établissements de paiement tels que visés à l'article VII.173 du CDE, ne doivent pas joindre à leur demande d'agrément les données et les documents visés à l'alinéa 1er, 2°, 3°, 4°, 5°, 6°, 7°, 10° et 17°.
[1 Sans préjudice de l'alinéa 2, les candidats prêteurs qui souhaitent obtenir un agrément comme cessionnaire de créances résultant d'un crédit hypothécaire avec une destination immobilière, tel que visé aux articles 4, 5, 6 et 7 de l'arrêté royal du 13 mai 2017 fixant des dérogations aux conditions d'agrément et d'exercice pour les cessionnaires de créances résultant d'un crédit hypothécaire avec une destination immobilière et pour les prêteurs qui n'octroient plus de crédits mais se bornent à gérer et liquider des crédits existants, et modifiant les articles 3 et 4 de l'arrêté royal du 29 octobre 2015 portant exécution du Titre 4, Chapitre 4, du Livre VII du Code de droit économique, en ce qui concerne la demande et le maintien de l'agrément en qualité de prêteur, ne doivent pas joindre à leur demande d'agrément les données et les documents visés à l'alinéa 1er, 8°, 11°, 12°, 13°, 14°, 15°, 16°, 17° et 18°. Les candidats prêteurs qui sont des institutions de retraite professionnelle telles que visées à l'article 7, e), de l'arrêté royal du 13 mai 2017 précité, sont en outre dispensés de joindre à leur demande d'agrément les données et les documents visés à l'alinéa 1er, 2°, 3°, 4°, 5°, 6° et 7°. En sus des autres données et documents énumérés à l'alinéa 1er, les candidats prêteurs visés aux articles 4, 5, 6 et 7 de l'arrêté royal du 13 mai 2017 précité doivent joindre à leur demande d'agrément les données et les documents suivants :
1° la confirmation par le candidat prêteur qu'il a l'intention de se limiter à reprendre des créances résultant d'un crédit hypothécaire avec une destination immobilière et de ne pas octroyer de crédits et que l'agrément comme cessionnaire de créances résultant d'un crédit hypothécaire avec une destination immobilière ne l'autorise pas à octroyer des crédits;
2° s'agissant d'un cessionnaire visé aux articles 5 et 6 de l'arrêté royal du 13 mai 2017 précité, les statuts, le règlement de gestion ou des documents équivalents attestant sa qualité d'organisme de mobilisation ou d'OPCA;
3° la confirmation par le candidat prêteur qu'il n'exercera pas l'activité d'intermédiation en crédit hypothécaire sans être inscrit au registre des intermédiaires de crédit;
4° la preuve que le cédant a adhéré au règlement extrajudiciaire des litiges de consommation visé à l'article VII.166, § 4, du CDE et la confirmation par le candidat prêteur qu'il adhérera au règlement extrajudiciaire des litiges de consommation dès que la cession aura été notifiée au consommateur ou été reconnue par celui-ci.
Sans préjudice de l'alinéa 2, les candidats prêteurs souhaitant obtenir un agrément comme prêteur qui n'octroie plus de crédits mais se borne à gérer et liquider des crédits existants, tel que visé à l'article 8 de l'arrêté royal du 13 mai 2017 précité, ne doivent pas joindre à leur demande d'agrément les données et les documents visés à l'alinéa 1er, 8° et 17°. En sus des autres données et documents énumérés à l'alinéa 1er, ces candidats prêteurs doivent joindre à leur demande d'agrément la confirmation que le candidat prêteur a l'intention de se limiter à gérer et liquider des crédits existants et de ne pas octroyer de crédits et que l'agrément comme prêteur qui n'octroie plus de crédits mais se borne à gérer et liquider des crédits existants ne l'autorise pas à octroyer des crédits.]1
1° ses données d'identification;
2° les données d'identification des membres de l'organe légal d'administration, des personnes chargées de la direction effective et, le cas échéant, des membres du comité de direction du prêteur, tels que visés à l'article VII.164, § 1er, alinéa 1er, du CDE;
3° pour chacune des personnes visées au 2°, un extrait de casier judiciaire destiné à des activités réglementées, qui ne remonte pas à plus de trois mois;
4° pour chacune des personnes visées au 2°, une note explicative démontrant, selon les modalités définies par la FSMA, leur honorabilité professionnelle et leur expertise adéquate, telles que visées à l'article VII.164, § 1er, alinéa 2, du CDE;
5° les données d'identification des personnes physiques ou morales qui, directement ou indirectement, agissant seules ou de concert avec d'autres, exercent le contrôle du prêteur, tel que visé à l'article VII.163, § 1er, alinéa 1er, du CDE;
6° pour chacune des personnes visées au 5°, leur participation dans le capital du prêteur, le nombre de droits de vote qu'elles détiennent et une note explicative démontrant, selon les modalités définies par la FSMA, leurs qualités nécessaires à cet effet, telles que visées à l'article VII.163, § 1er, alinéa 2, du CDE;
7° une indication précisant si le candidat prêteur est une entreprise telle que visée à l'article VII.163, § 2, du CDE;
8° la preuve que les modèles de contrats de crédit, en ce compris les tableaux d'amortissement, que le prêteur envisage d'utiliser, [1 ont été soumis à l'approbation du SPF Economie ou ont été approuvés par ce dernier]1;
9° un dossier présentant, selon les modalités définies par la FSMA, le genre et le volume des opérations envisagées, la structure de l'organisation du prêteur, ses liens étroits avec d'autres personnes, ainsi que la répartition des tâches entre les membres de l'organe légal d'administration et les personnes chargées de la direction effective;
10° [3 les données d'identification de la ou des personnes responsables visées à l'article 9, § 2, de la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces, ainsi que de la personne responsable, au plus haut niveau, pour veiller à la mise en oeuvre et au respect des dispositions de la loi précitée, conformément à son article 9, § 1er.]3
11° une indication précisant si le prêteur exercera ou non l'activité d'intermédiaire de crédit et, le cas échéant, une attestation délivrée par l'entreprise d'assurances auprès de laquelle l'assurance de la responsabilité civile professionnelle a été souscrite conformément à l'article VII.180, § 2, alinéa 1er, 4°, et/ou à l'article VII.184, § 1er, alinéa 2, 4°, du CDE, et dont il ressort que cette assurance satisfait aux conditions fixées au chapitre IV;
12° s'il est prévu que le prêteur exerce l'activité d'intermédiaire de crédit, les données d'identification des responsables de la distribution, tels que visés aux articles VII.180, § 2, alinéa 1er, 1°, et VII.184, § 1er, alinéa 2, 1°, du CDE, et la justification de ce que leur nombre est conforme aux règles prévues au chapitre VII;
13° pour chacune des personnes visées au 12°, un extrait de casier judiciaire destiné à des activités réglementées, qui ne remonte pas à plus de trois mois;
14° pour chacune des personnes visées au 12°, une note explicative démontrant, selon les modalités définies par la FSMA, [2 leur expertise adéquate et leur honorabilité professionnelle]2, telles que visées aux articles VII.180, § 2, alinéa 1er, 2°, et VII.184, § 1er, alinéa 2, 2°, du CDE;
15° pour chacune des personnes visées au 12°, la preuve qu'elles possèdent les connaissances professionnelles requises, telles que déterminées dans les chapitres V et VI;
16° le nombre de personnes en contact avec le public qui sont employées par le prêteur pour l'activité d'intermédiation en crédit hypothécaire ou en crédit à la consommation;
17° une justification chiffrée attestant que le prêteur satisfait aux exigences de capital minimum, telles que visées à l'article VII.162 du CDE;
18° la preuve de l'adhésion au règlement extrajudiciaire des litiges de consommation, tel que visé à l'article VII.166, § 4, du CDE;
19° si la demande est introduite par une personne qui a reçu un mandat spécifique à cet effet, tel que visé à l'article 3, alinéa 5, la preuve de ce mandat.
Les candidats prêteurs qui sont des établissements de crédit, des entreprises d'investissement, des entreprises d'assurances, des établissements de monnaie électronique ou des établissements de paiement tels que visés à l'article VII.173 du CDE, ne doivent pas joindre à leur demande d'agrément les données et les documents visés à l'alinéa 1er, 2°, 3°, 4°, 5°, 6°, 7°, 10° et 17°.
[1 Sans préjudice de l'alinéa 2, les candidats prêteurs qui souhaitent obtenir un agrément comme cessionnaire de créances résultant d'un crédit hypothécaire avec une destination immobilière, tel que visé aux articles 4, 5, 6 et 7 de l'arrêté royal du 13 mai 2017 fixant des dérogations aux conditions d'agrément et d'exercice pour les cessionnaires de créances résultant d'un crédit hypothécaire avec une destination immobilière et pour les prêteurs qui n'octroient plus de crédits mais se bornent à gérer et liquider des crédits existants, et modifiant les articles 3 et 4 de l'arrêté royal du 29 octobre 2015 portant exécution du Titre 4, Chapitre 4, du Livre VII du Code de droit économique, en ce qui concerne la demande et le maintien de l'agrément en qualité de prêteur, ne doivent pas joindre à leur demande d'agrément les données et les documents visés à l'alinéa 1er, 8°, 11°, 12°, 13°, 14°, 15°, 16°, 17° et 18°. Les candidats prêteurs qui sont des institutions de retraite professionnelle telles que visées à l'article 7, e), de l'arrêté royal du 13 mai 2017 précité, sont en outre dispensés de joindre à leur demande d'agrément les données et les documents visés à l'alinéa 1er, 2°, 3°, 4°, 5°, 6° et 7°. En sus des autres données et documents énumérés à l'alinéa 1er, les candidats prêteurs visés aux articles 4, 5, 6 et 7 de l'arrêté royal du 13 mai 2017 précité doivent joindre à leur demande d'agrément les données et les documents suivants :
1° la confirmation par le candidat prêteur qu'il a l'intention de se limiter à reprendre des créances résultant d'un crédit hypothécaire avec une destination immobilière et de ne pas octroyer de crédits et que l'agrément comme cessionnaire de créances résultant d'un crédit hypothécaire avec une destination immobilière ne l'autorise pas à octroyer des crédits;
2° s'agissant d'un cessionnaire visé aux articles 5 et 6 de l'arrêté royal du 13 mai 2017 précité, les statuts, le règlement de gestion ou des documents équivalents attestant sa qualité d'organisme de mobilisation ou d'OPCA;
3° la confirmation par le candidat prêteur qu'il n'exercera pas l'activité d'intermédiation en crédit hypothécaire sans être inscrit au registre des intermédiaires de crédit;
4° la preuve que le cédant a adhéré au règlement extrajudiciaire des litiges de consommation visé à l'article VII.166, § 4, du CDE et la confirmation par le candidat prêteur qu'il adhérera au règlement extrajudiciaire des litiges de consommation dès que la cession aura été notifiée au consommateur ou été reconnue par celui-ci.
Sans préjudice de l'alinéa 2, les candidats prêteurs souhaitant obtenir un agrément comme prêteur qui n'octroie plus de crédits mais se borne à gérer et liquider des crédits existants, tel que visé à l'article 8 de l'arrêté royal du 13 mai 2017 précité, ne doivent pas joindre à leur demande d'agrément les données et les documents visés à l'alinéa 1er, 8° et 17°. En sus des autres données et documents énumérés à l'alinéa 1er, ces candidats prêteurs doivent joindre à leur demande d'agrément la confirmation que le candidat prêteur a l'intention de se limiter à gérer et liquider des crédits existants et de ne pas octroyer de crédits et que l'agrément comme prêteur qui n'octroie plus de crédits mais se borne à gérer et liquider des crédits existants ne l'autorise pas à octroyer des crédits.]1
HOOFDSTUK III. - Aanvraag tot en behoud van de inschrijving als kredietbemiddelaar
CHAPITRE III. - Demande et maintien de l'inscription en qualité d'intermédiaire de crédit
Art. 5. Elke aanvraag tot inschrijving als kredietbemiddelaar, als bedoeld in artikel VII.180, § 1, eerste en derde lid, en VII.184, § 1, eerste lid van het WER, moet aan de FSMA worden gericht, in de vorm en volgens de modaliteiten door haar bepaald en op haar website bekendgemaakt.
De aanvraag wordt samen met een dossier ingediend, overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 6 tot 9. [1 De inschrijvingsaanvraag en het inschrijvingsdossier worden langs elektronische weg bij de FSMA ingediend.]1
De aanvraag wordt ingediend door de persoon die om de inschrijving vraagt [1 of door de persoon die daartoe door hem gemachtigd is en daarbij onder zijn verantwoordelijkheid handelt]1 of, wanneer de aanvrager een rechtspersoon is, door het wettelijk bestuursorgaan of door één of meerdere personen die daartoe gemachtigd zijn en daarbij handelen onder de verantwoordelijkheid van het wettelijk bestuursorgaan.
[1 Elke wijziging van de inschrijvingsaanvraag of van de in de artikelen 6 tot 9 bedoelde gegevens of documenten, of elke verdere actualisering van deze gegevens of documenten moet aan de FSMA worden meegedeeld in de vorm en volgens de modaliteiten als bedoeld in het eerste lid.]1
De aanvraag wordt samen met een dossier ingediend, overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 6 tot 9. [1 De inschrijvingsaanvraag en het inschrijvingsdossier worden langs elektronische weg bij de FSMA ingediend.]1
De aanvraag wordt ingediend door de persoon die om de inschrijving vraagt [1 of door de persoon die daartoe door hem gemachtigd is en daarbij onder zijn verantwoordelijkheid handelt]1 of, wanneer de aanvrager een rechtspersoon is, door het wettelijk bestuursorgaan of door één of meerdere personen die daartoe gemachtigd zijn en daarbij handelen onder de verantwoordelijkheid van het wettelijk bestuursorgaan.
[1 Elke wijziging van de inschrijvingsaanvraag of van de in de artikelen 6 tot 9 bedoelde gegevens of documenten, of elke verdere actualisering van deze gegevens of documenten moet aan de FSMA worden meegedeeld in de vorm en volgens de modaliteiten als bedoeld in het eerste lid.]1
Modifications
Art. 5. Toute demande d'inscription comme intermédiaire de crédit, telle que visée à l'article VII.180, § 1er, alinéas 1er et 3, et à l'article VII.184, § 1er, alinéa 1er, du CDE, doit être adressée à la FSMA, dans la forme et selon les modalités que celle-ci détermine et rend publiques sur son site web.
La demande est introduite accompagnée d'un dossier, conformément aux dispositions prévues aux articles 6 à 9. [1 La demande et le dossier d'inscription sont transmis à la FSMA par voie électronique.]1
La demande est introduite par la personne qui sollicite l'inscription [1 ou par la personne qu'elle a mandatée à cet effet et qui agit sous sa responsabilité]1 ou, lorsque le demandeur est une personne morale, par l'organe légal d'administration ou par une ou plusieurs personnes qui ont été mandatées à cet effet et qui agissent sous la responsabilité de l'organe légal d'administration.
[1 Toute modification de la demande d'inscription ou des données ou documents visés aux articles 6 à 9, ou mises à jour ultérieures de ces données ou documents doit être communiquée à la FSMA dans la forme et selon les modalités visées à l'alinéa 1er.]1
La demande est introduite accompagnée d'un dossier, conformément aux dispositions prévues aux articles 6 à 9. [1 La demande et le dossier d'inscription sont transmis à la FSMA par voie électronique.]1
La demande est introduite par la personne qui sollicite l'inscription [1 ou par la personne qu'elle a mandatée à cet effet et qui agit sous sa responsabilité]1 ou, lorsque le demandeur est une personne morale, par l'organe légal d'administration ou par une ou plusieurs personnes qui ont été mandatées à cet effet et qui agissent sous la responsabilité de l'organe légal d'administration.
[1 Toute modification de la demande d'inscription ou des données ou documents visés aux articles 6 à 9, ou mises à jour ultérieures de ces données ou documents doit être communiquée à la FSMA dans la forme et selon les modalités visées à l'alinéa 1er.]1
Modifications
Art. 6. In zijn aanvraag geeft de kandidaat-bemiddelaar aan of hij een inschrijving als bemiddelaar inzake hypothecair krediet, inzake consumentenkrediet of beide wenst te verkrijgen, overeenkomstig artikel VII.177 van het WER.
De kandidaat-bemiddelaar inzake hypothecair krediet geeft in zijn aanvraag aan in welke categorie bemiddelaars, zoals bedoeld in artikel VII.180, § 4 van het WER, hij in het register wenst ingeschreven te worden.
De kandidaat-bemiddelaar inzake consumentenkrediet geeft in zijn aanvraag aan in welke categorie bemiddelaars, zoals bedoeld in artikel VII.185, § 1 van het WER, hij in het register wenst ingeschreven te worden.
De kandidaat-bemiddelaar inzake hypothecair krediet geeft in zijn aanvraag aan in welke categorie bemiddelaars, zoals bedoeld in artikel VII.180, § 4 van het WER, hij in het register wenst ingeschreven te worden.
De kandidaat-bemiddelaar inzake consumentenkrediet geeft in zijn aanvraag aan in welke categorie bemiddelaars, zoals bedoeld in artikel VII.185, § 1 van het WER, hij in het register wenst ingeschreven te worden.
Art. 6. Dans sa demande, le candidat intermédiaire indique s'il souhaite obtenir une inscription comme intermédiaire en crédit hypothécaire, en crédit à la consommation ou les deux, conformément à l'article VII.177 du CDE.
Le candidat intermédiaire en crédit hypothécaire précise dans sa demande dans quelle catégorie d'intermédiaires, telle que visée à l`article VII.180, § 4, du CDE, il souhaite être inscrit au registre.
Le candidat intermédiaire en crédit à la consommation précise dans sa demande dans quelle catégorie d'intermédiaires, telle que visée à l`article VII.185, § 1er, du CDE, il souhaite être inscrit au registre.
Le candidat intermédiaire en crédit hypothécaire précise dans sa demande dans quelle catégorie d'intermédiaires, telle que visée à l`article VII.180, § 4, du CDE, il souhaite être inscrit au registre.
Le candidat intermédiaire en crédit à la consommation précise dans sa demande dans quelle catégorie d'intermédiaires, telle que visée à l`article VII.185, § 1er, du CDE, il souhaite être inscrit au registre.
Art. 7. Zonder afbreuk te doen aan het recht van de FSMA om de bijkomende inlichtingen te vragen die zij nodig acht voor de beoordeling van het dossier, moet de kandidaat die een natuurlijke persoon is, om een rechtsgeldige aanvraag in te dienen, bij zijn aanvraag tot inschrijving als kredietbemiddelaar in de categorie kredietmakelaars, verbonden agenten of subagenten, volgende gegevens verstrekken en documenten voegen :
1° zijn identificatiegegevens en zijn ondernemingsnummer;
2° een uittreksel uit het strafregister bestemd voor gereglementeerde activiteiten dat niet ouder is dan drie maanden;
3° een toelichting die [2 hun passende deskundigheid en vereiste professionele betrouwbaarheid]2 aantoont zoals bedoeld in de artikelen VII.181, § 1, eerste lid, 2°, en VII.186, § 1, eerste lid, 2° van het WER, volgens de modaliteiten bepaald door de FSMA;
4° het bewijs dat hij de vereiste beroepskennis bezit als bepaald in de hoofdstukken V en VI;
5° de identificatiegegevens van de aangeduide verantwoordelijken voor de distributie als bedoeld in de artikelen VII.180, § 5, eerste lid, en VII.185, § 2, eerste lid van het WER, en de verantwoording dat hun aantal overeenstemt met het bepaalde in hoofdstuk VII;
6° voor elk van de personen bedoeld in 5°, een uittreksel uit het strafregister bestemd voor gereglementeerde activiteiten dat niet ouder is dan drie maanden;
7° voor elk van de personen bedoeld in 5°, een toelichting die [1 hun passende deskundigheid en vereiste professionele betrouwbaarheid]1 aantoont zoals bedoeld in de artikelen VII.181, § 1, eerste lid, 2°, en VII.186, § 1, eerste lid, 2° van het WER, volgens de modaliteiten bepaald door de FSMA;
8° voor elk van de personen bedoeld in 5°, het bewijs dat zij de vereiste beroepskennis bezitten als bepaald in de hoofdstukken V en VI;
9° het aantal personen in contact met het publiek dat door de kredietbemiddelaar voor de bemiddeling in hypothecair krediet of voor de bemiddeling in consumentenkrediet wordt tewerkgesteld;
10° onder voorbehoud van het bepaalde in 11°, een attest afgeleverd door de verzekeringsonderneming bij wie de verzekering tot dekking van de burgerlijke beroepsaansprakelijkheid is gesloten overeenkomstig artikel VII.181, § 1, eerste lid, 3°, en/of artikel VII.186, § 1, eerste lid, 3° van het WER en waaruit blijkt dat die verzekering voldoet aan het bepaalde in hoofdstuk IV;
11° voor de verbonden agenten en voor de subagenten die met toepassing van de artikelen VII.181, § 1, eerste lid, 3°, en VII.186, § 1, eerste lid, 3° van het WER vrijgesteld zijn van de verplichting om een burgerlijke beroepsaansprakelijkheidsverzekering te sluiten, een attest afgeleverd door de kredietgever of de kredietbemiddelaar voor wie zij optreden, waarin deze bevestigt die aansprakelijkheid onvoorwaardelijk op zich te nemen;
12° het bewijs van toetreding tot de buitengerechtelijke regeling van consumentengeschillen bedoeld in de artikelen VII.181, § 1, eerste lid, 5° en VII.186, § 1, eerste lid, 5° van het WER;
13° een professioneel e-mailadres waarnaar de FSMA op rechtsgeldige wijze mededelingen kan versturen in uitvoering van Titel 4, hoofdstuk 4 van het WER;
14° voor de kredietbemiddelaars die ingeschreven willen worden in de categorie kredietmakelaars, een verklaring op erewoord als bedoeld in de artikelen VII.181, § 3, eerste lid en VII.186, § 3, eerste lid van het WER;
15° voor de kredietbemiddelaars die ingeschreven willen worden in de categorie verbonden agenten een verklaring van de kredietgever, waarin deze bevestigt dat de aanvrager zijn activiteit voor rekening en onder de volledige en onvoorwaardelijke verantwoordelijkheid van die kredietgever uitoefent;
16° voor de kredietbemiddelaars inzake hypothecair krediet die ingeschreven willen worden in de categorie subagent, een verklaring van de kredietbemiddelaar of van de kredietgever indien zij optreden voor een verbonden agent, waarin deze bevestigt dat de aanvrager zijn activiteit voor rekening en onder de volledige en onvoorwaardelijke verantwoordelijkheid van die kredietbemiddelaar of kredietgever uitoefent.
1° zijn identificatiegegevens en zijn ondernemingsnummer;
2° een uittreksel uit het strafregister bestemd voor gereglementeerde activiteiten dat niet ouder is dan drie maanden;
3° een toelichting die [2 hun passende deskundigheid en vereiste professionele betrouwbaarheid]2 aantoont zoals bedoeld in de artikelen VII.181, § 1, eerste lid, 2°, en VII.186, § 1, eerste lid, 2° van het WER, volgens de modaliteiten bepaald door de FSMA;
4° het bewijs dat hij de vereiste beroepskennis bezit als bepaald in de hoofdstukken V en VI;
5° de identificatiegegevens van de aangeduide verantwoordelijken voor de distributie als bedoeld in de artikelen VII.180, § 5, eerste lid, en VII.185, § 2, eerste lid van het WER, en de verantwoording dat hun aantal overeenstemt met het bepaalde in hoofdstuk VII;
6° voor elk van de personen bedoeld in 5°, een uittreksel uit het strafregister bestemd voor gereglementeerde activiteiten dat niet ouder is dan drie maanden;
7° voor elk van de personen bedoeld in 5°, een toelichting die [1 hun passende deskundigheid en vereiste professionele betrouwbaarheid]1 aantoont zoals bedoeld in de artikelen VII.181, § 1, eerste lid, 2°, en VII.186, § 1, eerste lid, 2° van het WER, volgens de modaliteiten bepaald door de FSMA;
8° voor elk van de personen bedoeld in 5°, het bewijs dat zij de vereiste beroepskennis bezitten als bepaald in de hoofdstukken V en VI;
9° het aantal personen in contact met het publiek dat door de kredietbemiddelaar voor de bemiddeling in hypothecair krediet of voor de bemiddeling in consumentenkrediet wordt tewerkgesteld;
10° onder voorbehoud van het bepaalde in 11°, een attest afgeleverd door de verzekeringsonderneming bij wie de verzekering tot dekking van de burgerlijke beroepsaansprakelijkheid is gesloten overeenkomstig artikel VII.181, § 1, eerste lid, 3°, en/of artikel VII.186, § 1, eerste lid, 3° van het WER en waaruit blijkt dat die verzekering voldoet aan het bepaalde in hoofdstuk IV;
11° voor de verbonden agenten en voor de subagenten die met toepassing van de artikelen VII.181, § 1, eerste lid, 3°, en VII.186, § 1, eerste lid, 3° van het WER vrijgesteld zijn van de verplichting om een burgerlijke beroepsaansprakelijkheidsverzekering te sluiten, een attest afgeleverd door de kredietgever of de kredietbemiddelaar voor wie zij optreden, waarin deze bevestigt die aansprakelijkheid onvoorwaardelijk op zich te nemen;
12° het bewijs van toetreding tot de buitengerechtelijke regeling van consumentengeschillen bedoeld in de artikelen VII.181, § 1, eerste lid, 5° en VII.186, § 1, eerste lid, 5° van het WER;
13° een professioneel e-mailadres waarnaar de FSMA op rechtsgeldige wijze mededelingen kan versturen in uitvoering van Titel 4, hoofdstuk 4 van het WER;
14° voor de kredietbemiddelaars die ingeschreven willen worden in de categorie kredietmakelaars, een verklaring op erewoord als bedoeld in de artikelen VII.181, § 3, eerste lid en VII.186, § 3, eerste lid van het WER;
15° voor de kredietbemiddelaars die ingeschreven willen worden in de categorie verbonden agenten een verklaring van de kredietgever, waarin deze bevestigt dat de aanvrager zijn activiteit voor rekening en onder de volledige en onvoorwaardelijke verantwoordelijkheid van die kredietgever uitoefent;
16° voor de kredietbemiddelaars inzake hypothecair krediet die ingeschreven willen worden in de categorie subagent, een verklaring van de kredietbemiddelaar of van de kredietgever indien zij optreden voor een verbonden agent, waarin deze bevestigt dat de aanvrager zijn activiteit voor rekening en onder de volledige en onvoorwaardelijke verantwoordelijkheid van die kredietbemiddelaar of kredietgever uitoefent.
Art. 7. Sans préjudice du droit de la FSMA de demander les informations complémentaires qu'elle juge nécessaires pour apprécier le dossier, le candidat, s'il s'agit d'une personne physique, doit, pour introduire valablement sa demande d'inscription comme intermédiaire de crédit dans la catégorie courtiers de crédit, agents liés ou sous-agents, fournir dans cette demande les données suivantes et y joindre les documents suivants :
1° ses données d'identification et son numéro d'entreprise;
2° un extrait de casier judiciaire destiné à des activités réglementées, qui ne remonte pas à plus de trois mois;
3° une note explicative démontrant, selon les modalités définies par la FSMA, [2 son expertise adéquate et son honorabilité professionnelle]2, telles que visées aux articles VII.181, § 1er, alinéa 1er, 2°, et VII.186, § 1er, alinéa 1er, 2°, du CDE;
4° la preuve qu'il possède les connaissances professionnelles requises, telles que déterminées dans les chapitres V et VI;
5° les données d'identification des responsables de la distribution désignés, tels que visés aux articles VII.180, § 5, alinéa 1er, et VII.185, § 2, alinéa 1er, du CDE, et la justification de ce que leur nombre est conforme aux règles prévues au chapitre VII;
6° pour chacune des personnes visées au 5°, un extrait de casier judiciaire destiné à des activités réglementées, qui ne remonte pas à plus de trois mois;
7° pour chacune des personnes visées au 5°, une note explicative démontrant, selon les modalités définies par la FSMA, [1 leur expertise adéquate et leur honorabilité professionnelle]1, telles que visées aux articles VII.181, § 1er, alinéa 1er, 2°, et VII.186, § 1er, alinéa 1er, 2°, du CDE;
8° pour chacune des personnes visées au 5°, la preuve qu'elles possèdent les connaissances professionnelles requises, telles que déterminées dans les chapitres V et VI;
9° le nombre de personnes en contact avec le public qui sont employées par l'intermédiaire de crédit pour l'activité d'intermédiation en crédit hypothécaire ou celle d'intermédiation en crédit à la consommation;
10° sous réserve de la disposition prévue au 11°, une attestation délivrée par l'entreprise d'assurances auprès de laquelle l'assurance de la responsabilité civile professionnelle a été souscrite conformément à l'article VII.181, § 1er, alinéa 1er, 3°, et/ou à l'article VII.186, § 1er, alinéa 1er, 3°, du CDE, et dont il ressort que cette assurance satisfait aux conditions fixées au chapitre IV;
11° pour les agents liés et pour les sous-agents qui, en application des articles VII.181, § 1er, alinéa 1er, 3°, et VII.186, § 1er, alinéa 1er, 3°, du CDE, sont dispensés de l'obligation d'assurer leur responsabilité civile professionnelle, une attestation délivrée par le prêteur ou l'intermédiaire de crédit pour le compte duquel ils agissent, et dans laquelle celui-ci déclare assumer inconditionnellement cette responsabilité;
12° la preuve de l'adhésion au règlement extrajudiciaire des litiges de consommation, tel que visé aux articles VII.181, § 1er, alinéa 1er, 5°, et VII.186, § 1er, alinéa 1er, 5°, du CDE;
13° une adresse de courrier électronique professionnelle à laquelle la FSMA aura la faculté d'adresser valablement toutes les communications opérées en exécution du titre 4, chapitre 4, du CDE;
14° pour les intermédiaires de crédit qui souhaitent être inscrits dans la catégorie courtiers de crédit, une déclaration sur l'honneur, telle que visée aux articles VII.181, § 3, alinéa 1er, et VII.186, § 3, alinéa 1er, du CDE;
15° pour les intermédiaires de crédit qui souhaitent être inscrits dans la catégorie agents liés, une déclaration du prêteur, dans laquelle celui-ci confirme que le demandeur exerce son activité pour le compte et sous la responsabilité entière et inconditionnelle de ce prêteur;
16° pour les intermédiaires en crédit hypothécaire qui souhaitent être inscrits dans la catégorie sous-agents, une déclaration de l'intermédiaire de crédit ou du prêteur, s'ils agissent pour le compte d'un agent lié, dans laquelle celui-ci confirme que le demandeur exerce son activité pour le compte et sous la responsabilité entière et inconditionnelle de cet intermédiaire de crédit ou de ce prêteur.
1° ses données d'identification et son numéro d'entreprise;
2° un extrait de casier judiciaire destiné à des activités réglementées, qui ne remonte pas à plus de trois mois;
3° une note explicative démontrant, selon les modalités définies par la FSMA, [2 son expertise adéquate et son honorabilité professionnelle]2, telles que visées aux articles VII.181, § 1er, alinéa 1er, 2°, et VII.186, § 1er, alinéa 1er, 2°, du CDE;
4° la preuve qu'il possède les connaissances professionnelles requises, telles que déterminées dans les chapitres V et VI;
5° les données d'identification des responsables de la distribution désignés, tels que visés aux articles VII.180, § 5, alinéa 1er, et VII.185, § 2, alinéa 1er, du CDE, et la justification de ce que leur nombre est conforme aux règles prévues au chapitre VII;
6° pour chacune des personnes visées au 5°, un extrait de casier judiciaire destiné à des activités réglementées, qui ne remonte pas à plus de trois mois;
7° pour chacune des personnes visées au 5°, une note explicative démontrant, selon les modalités définies par la FSMA, [1 leur expertise adéquate et leur honorabilité professionnelle]1, telles que visées aux articles VII.181, § 1er, alinéa 1er, 2°, et VII.186, § 1er, alinéa 1er, 2°, du CDE;
8° pour chacune des personnes visées au 5°, la preuve qu'elles possèdent les connaissances professionnelles requises, telles que déterminées dans les chapitres V et VI;
9° le nombre de personnes en contact avec le public qui sont employées par l'intermédiaire de crédit pour l'activité d'intermédiation en crédit hypothécaire ou celle d'intermédiation en crédit à la consommation;
10° sous réserve de la disposition prévue au 11°, une attestation délivrée par l'entreprise d'assurances auprès de laquelle l'assurance de la responsabilité civile professionnelle a été souscrite conformément à l'article VII.181, § 1er, alinéa 1er, 3°, et/ou à l'article VII.186, § 1er, alinéa 1er, 3°, du CDE, et dont il ressort que cette assurance satisfait aux conditions fixées au chapitre IV;
11° pour les agents liés et pour les sous-agents qui, en application des articles VII.181, § 1er, alinéa 1er, 3°, et VII.186, § 1er, alinéa 1er, 3°, du CDE, sont dispensés de l'obligation d'assurer leur responsabilité civile professionnelle, une attestation délivrée par le prêteur ou l'intermédiaire de crédit pour le compte duquel ils agissent, et dans laquelle celui-ci déclare assumer inconditionnellement cette responsabilité;
12° la preuve de l'adhésion au règlement extrajudiciaire des litiges de consommation, tel que visé aux articles VII.181, § 1er, alinéa 1er, 5°, et VII.186, § 1er, alinéa 1er, 5°, du CDE;
13° une adresse de courrier électronique professionnelle à laquelle la FSMA aura la faculté d'adresser valablement toutes les communications opérées en exécution du titre 4, chapitre 4, du CDE;
14° pour les intermédiaires de crédit qui souhaitent être inscrits dans la catégorie courtiers de crédit, une déclaration sur l'honneur, telle que visée aux articles VII.181, § 3, alinéa 1er, et VII.186, § 3, alinéa 1er, du CDE;
15° pour les intermédiaires de crédit qui souhaitent être inscrits dans la catégorie agents liés, une déclaration du prêteur, dans laquelle celui-ci confirme que le demandeur exerce son activité pour le compte et sous la responsabilité entière et inconditionnelle de ce prêteur;
16° pour les intermédiaires en crédit hypothécaire qui souhaitent être inscrits dans la catégorie sous-agents, une déclaration de l'intermédiaire de crédit ou du prêteur, s'ils agissent pour le compte d'un agent lié, dans laquelle celui-ci confirme que le demandeur exerce son activité pour le compte et sous la responsabilité entière et inconditionnelle de cet intermédiaire de crédit ou de ce prêteur.
Art. 8. Om een rechtsgeldige aanvraag in te dienen moet de kandidaat-kredietbemiddelaar bedoeld in artikel 7 die een rechtspersoon is, naast de gegevens en documenten bedoeld in artikel 7, 5° tot en met 16°, ook volgende gegevens verstrekken en documenten bij zijn aanvraag voegen :
1° zijn identificatiegegevens;
2° voor de kandidaat-bemiddelaar inzake hypothecair krediet, de identificatiegegevens van de leden van het wettelijk bestuursorgaan van de aanvrager en desgevallend van de personen belast met de effectieve leiding, als bedoeld in artikel VII.181, § 2, 1° van het WER;
3° voor de kandidaat-bemiddelaar inzake consumentenkrediet, de identificatie-gegevens van de personen die belast zijn met de effectieve leiding, als bedoeld in artikel VII.186, § 2, 1° van het WER;
4° voor elk van de personen bedoeld in 2° of 3°, een uittreksel uit het strafregister bedoeld voor gereglementeerde activiteiten dat niet ouder is dan drie maanden;
5° voor elk van de personen bedoeld in 2° of 3°, het bewijs dat zij de vereiste beroepskennis bezitten als bepaald in de hoofdstukken V en VI;
6° voor elk van de personen bedoeld in 2° of 3°, een toelichting die [1 hun passende deskundigheid en vereiste professionele betrouwbaarheid]1 aantoont zoals bedoeld in artikel VII.181, § 2, 1° en VII.186, § 2, 1° van het WER, volgens de modaliteiten bepaald door de FSMA;
7° de identificatiegegevens van de aandeelhouders die de bemiddelaar controleren, zoals bedoeld in artikel VII.181, § 2, 2°, en VII.186, § 2, 2° van het WER;
8° voor elk van de personen bedoeld in 7°, een toelichting die hun geschiktheid aantoont zoals bedoeld in artikel VII.181, § 2, 2°, en VII.186, § 2, 2° van het WER, volgens de modaliteiten bepaald door de FSMA;
9° indien de aanvraag ingediend wordt door een persoon die daartoe een bijzondere machtiging heeft gekregen, zoals bedoeld in artikel 3, vijfde lid, het bewijs van deze machtiging.
1° zijn identificatiegegevens;
2° voor de kandidaat-bemiddelaar inzake hypothecair krediet, de identificatiegegevens van de leden van het wettelijk bestuursorgaan van de aanvrager en desgevallend van de personen belast met de effectieve leiding, als bedoeld in artikel VII.181, § 2, 1° van het WER;
3° voor de kandidaat-bemiddelaar inzake consumentenkrediet, de identificatie-gegevens van de personen die belast zijn met de effectieve leiding, als bedoeld in artikel VII.186, § 2, 1° van het WER;
4° voor elk van de personen bedoeld in 2° of 3°, een uittreksel uit het strafregister bedoeld voor gereglementeerde activiteiten dat niet ouder is dan drie maanden;
5° voor elk van de personen bedoeld in 2° of 3°, het bewijs dat zij de vereiste beroepskennis bezitten als bepaald in de hoofdstukken V en VI;
6° voor elk van de personen bedoeld in 2° of 3°, een toelichting die [1 hun passende deskundigheid en vereiste professionele betrouwbaarheid]1 aantoont zoals bedoeld in artikel VII.181, § 2, 1° en VII.186, § 2, 1° van het WER, volgens de modaliteiten bepaald door de FSMA;
7° de identificatiegegevens van de aandeelhouders die de bemiddelaar controleren, zoals bedoeld in artikel VII.181, § 2, 2°, en VII.186, § 2, 2° van het WER;
8° voor elk van de personen bedoeld in 7°, een toelichting die hun geschiktheid aantoont zoals bedoeld in artikel VII.181, § 2, 2°, en VII.186, § 2, 2° van het WER, volgens de modaliteiten bepaald door de FSMA;
9° indien de aanvraag ingediend wordt door een persoon die daartoe een bijzondere machtiging heeft gekregen, zoals bedoeld in artikel 3, vijfde lid, het bewijs van deze machtiging.
Modifications
Art. 8. Pour introduire valablement sa demande, le candidat intermédiaire de crédit visé à l'article 7, s'il s'agit d'une personne morale, doit, en sus des données et documents visés à l'article 7, 5° à 16°, fournir dans cette demande les données suivantes et y joindre les documents suivants :
1° ses données d'identification;
2° s'agissant d'un candidat intermédiaire en crédit hypothécaire, les données d'identification des membres de l'organe légal d'administration et, le cas échéant, des personnes chargées de la direction effective, tels que visés à l'article VII.181, § 2, 1°, du CDE;
3° s'agissant d'un candidat intermédiaire en crédit à la consommation, les données d'identification des personnes chargées de la direction effective, telles que visées à l'article VII.186, § 2, 1°, du CDE;
4° pour chacune des personnes visées au 2° ou 3°, un extrait de casier judiciaire destiné à des activités réglementées, qui ne remonte pas à plus de trois mois;
5° pour chacune des personnes visées au 2° ou 3°, la preuve qu'elles possèdent les connaissances professionnelles requises, telles que déterminées dans les chapitres V et VI;
6° pour chacune des personnes visées au 2° ou 3°, une note explicative démontrant, selon les modalités définies par la FSMA, [1 leur expertise adéquate et leur honorabilité professionnelle]1, telles que visées aux articles VII.181, § 2, 1°, et VII.186, § 2, 1°, du CDE;
7° les données d'identification des actionnaires détenant le contrôle de l'intermédiaire, tels que visés aux articles VII.181, § 2, 2°, et VII.186, § 2, 2°, du CDE;
8° pour chacune des personnes visées au 7°, une note explicative démontrant, selon les modalités définies par la FSMA, leurs qualités nécessaires, telles que visées aux articles VII.181, § 2, 2°, et VII.186, § 2, 2°, du CDE;
9° si la demande est introduite par une personne qui a reçu un mandat spécifique à cet effet, tel que visé à l'article 3, alinéa 5, la preuve de ce mandat.
1° ses données d'identification;
2° s'agissant d'un candidat intermédiaire en crédit hypothécaire, les données d'identification des membres de l'organe légal d'administration et, le cas échéant, des personnes chargées de la direction effective, tels que visés à l'article VII.181, § 2, 1°, du CDE;
3° s'agissant d'un candidat intermédiaire en crédit à la consommation, les données d'identification des personnes chargées de la direction effective, telles que visées à l'article VII.186, § 2, 1°, du CDE;
4° pour chacune des personnes visées au 2° ou 3°, un extrait de casier judiciaire destiné à des activités réglementées, qui ne remonte pas à plus de trois mois;
5° pour chacune des personnes visées au 2° ou 3°, la preuve qu'elles possèdent les connaissances professionnelles requises, telles que déterminées dans les chapitres V et VI;
6° pour chacune des personnes visées au 2° ou 3°, une note explicative démontrant, selon les modalités définies par la FSMA, [1 leur expertise adéquate et leur honorabilité professionnelle]1, telles que visées aux articles VII.181, § 2, 1°, et VII.186, § 2, 1°, du CDE;
7° les données d'identification des actionnaires détenant le contrôle de l'intermédiaire, tels que visés aux articles VII.181, § 2, 2°, et VII.186, § 2, 2°, du CDE;
8° pour chacune des personnes visées au 7°, une note explicative démontrant, selon les modalités définies par la FSMA, leurs qualités nécessaires, telles que visées aux articles VII.181, § 2, 2°, et VII.186, § 2, 2°, du CDE;
9° si la demande est introduite par une personne qui a reçu un mandat spécifique à cet effet, tel que visé à l'article 3, alinéa 5, la preuve de ce mandat.
Modifications
Art. 9. Zonder afbreuk te doen aan het recht van de FSMA om de bijkomende inlichtingen te vragen die zij nodig acht voor de beoordeling van het dossier, verstrekt de kandidaat, om een rechtsgeldige aanvraag in te dienen, in zijn aanvraag tot inschrijving als bemiddelaar inzake consumentenkrediet in de categorie agent in nevenfunctie volgende gegevens en voegt hij daarbij volgende documenten :
1° zijn identificatiegegevens en zijn ondernemingsnummer;
2° de identificatiegegevens van de aangeduide verantwoordelijken voor de distributie als bedoeld in artikel VII.185, § 2, eerste lid van het WER, en de verantwoording dat hun aantal beantwoordt aan de vereisten van hoofdstuk VII;
3° voor elk van de personen bedoeld in 2°, een uittreksel uit het strafregister bedoeld voor gereglementeerde activiteiten dat niet ouder is dan drie maanden;
4° voor elk van de personen bedoeld in 2°, een toelichting die [1 hun passende deskundigheid en vereiste professionele betrouwbaarheid]1 aantoont zoals bedoeld in artikel VII.187, § 1, 2° van het WER, volgens de modaliteiten bepaald door de FSMA;
5° voor elk van de personen bedoeld in 2°, het bewijs dat zij de vereiste beroepskennis bezitten als bepaald in hoofdstuk VI;
6° het aantal personen in contact met het publiek dat door de kredietbemiddelaar voor de bemiddeling in consumentenkrediet wordt tewerkgesteld;
7° een attest afgeleverd door de verzekeringsonderneming bij wie de verzekering tot dekking van de burgerlijke beroepsaansprakelijkheid is gesloten overeenkomstig artikel VII.187, § 1, 3° van het WER en waaruit blijkt dat die verzekering voldoet aan het bepaalde in hoofdstuk IV;
8° het bewijs van toetreding tot de buitengerechtelijke regeling van consumentengeschillen bedoeld in artikel VII.187, § 1, 5° van het WER;
9° een professioneel e-mailadres waarnaar de FSMA op rechtsgeldige wijze mededelingen kan versturen in uitvoering van titel 4, hoofdstuk 4 van het WER .
1° zijn identificatiegegevens en zijn ondernemingsnummer;
2° de identificatiegegevens van de aangeduide verantwoordelijken voor de distributie als bedoeld in artikel VII.185, § 2, eerste lid van het WER, en de verantwoording dat hun aantal beantwoordt aan de vereisten van hoofdstuk VII;
3° voor elk van de personen bedoeld in 2°, een uittreksel uit het strafregister bedoeld voor gereglementeerde activiteiten dat niet ouder is dan drie maanden;
4° voor elk van de personen bedoeld in 2°, een toelichting die [1 hun passende deskundigheid en vereiste professionele betrouwbaarheid]1 aantoont zoals bedoeld in artikel VII.187, § 1, 2° van het WER, volgens de modaliteiten bepaald door de FSMA;
5° voor elk van de personen bedoeld in 2°, het bewijs dat zij de vereiste beroepskennis bezitten als bepaald in hoofdstuk VI;
6° het aantal personen in contact met het publiek dat door de kredietbemiddelaar voor de bemiddeling in consumentenkrediet wordt tewerkgesteld;
7° een attest afgeleverd door de verzekeringsonderneming bij wie de verzekering tot dekking van de burgerlijke beroepsaansprakelijkheid is gesloten overeenkomstig artikel VII.187, § 1, 3° van het WER en waaruit blijkt dat die verzekering voldoet aan het bepaalde in hoofdstuk IV;
8° het bewijs van toetreding tot de buitengerechtelijke regeling van consumentengeschillen bedoeld in artikel VII.187, § 1, 5° van het WER;
9° een professioneel e-mailadres waarnaar de FSMA op rechtsgeldige wijze mededelingen kan versturen in uitvoering van titel 4, hoofdstuk 4 van het WER .
Modifications
Art. 9. Sans préjudice du droit de la FSMA de demander les informations complémentaires qu'elle juge nécessaires pour apprécier le dossier, le candidat, pour introduire valablement sa demande d'inscription comme intermédiaire en crédit à la consommation dans la catégorie agents à titre accessoire, fournit dans cette demande les données suivantes et y joint les documents suivants :
1° ses données d'identification et son numéro d'entreprise;
2° les données d'identification des responsables de la distribution désignés, tels que visés à l'article VII.185, § 2, alinéa 1er, du CDE, et la justification de ce que leur nombre est conforme aux règles prévues au chapitre VII;
3° pour chacune des personnes visées au 2°, un extrait de casier judiciaire destiné à des activités réglementées, qui ne remonte pas à plus de trois mois;
4° pour chacune des personnes visées au 2°, une note explicative démontrant, selon les modalités définies par la FSMA, [1 leur expertise adéquate et leur honorabilité professionnelle]1, telles que visées à l'article VII.187, § 1er, 2°, du CDE;
5° pour chacune des personnes visées au 2°, la preuve qu'elles possèdent les connaissances professionnelles requises, telles que déterminées dans le chapitre VI;
6° le nombre de personnes en contact avec le public qui sont employées par l'intermédiaire de crédit pour l'activité d'intermédiation en crédit à la consommation;
7° une attestation délivrée par l'entreprise d'assurances auprès de laquelle l'assurance de la responsabilité civile professionnelle a été souscrite conformément à l'article VII.187, § 1er, 3°, du CDE, et dont il ressort que cette assurance satisfait aux conditions fixées au chapitre IV;
8° la preuve de l'adhésion au règlement extrajudiciaire des litiges de consommation, tel que visé à l'article VII.187, § 1er, 5°, du CDE;
9° une adresse de courrier électronique professionnelle à laquelle la FSMA aura la faculté d'adresser valablement toutes les communications opérées en exécution du titre 4, chapitre 4, du CDE.
1° ses données d'identification et son numéro d'entreprise;
2° les données d'identification des responsables de la distribution désignés, tels que visés à l'article VII.185, § 2, alinéa 1er, du CDE, et la justification de ce que leur nombre est conforme aux règles prévues au chapitre VII;
3° pour chacune des personnes visées au 2°, un extrait de casier judiciaire destiné à des activités réglementées, qui ne remonte pas à plus de trois mois;
4° pour chacune des personnes visées au 2°, une note explicative démontrant, selon les modalités définies par la FSMA, [1 leur expertise adéquate et leur honorabilité professionnelle]1, telles que visées à l'article VII.187, § 1er, 2°, du CDE;
5° pour chacune des personnes visées au 2°, la preuve qu'elles possèdent les connaissances professionnelles requises, telles que déterminées dans le chapitre VI;
6° le nombre de personnes en contact avec le public qui sont employées par l'intermédiaire de crédit pour l'activité d'intermédiation en crédit à la consommation;
7° une attestation délivrée par l'entreprise d'assurances auprès de laquelle l'assurance de la responsabilité civile professionnelle a été souscrite conformément à l'article VII.187, § 1er, 3°, du CDE, et dont il ressort que cette assurance satisfait aux conditions fixées au chapitre IV;
8° la preuve de l'adhésion au règlement extrajudiciaire des litiges de consommation, tel que visé à l'article VII.187, § 1er, 5°, du CDE;
9° une adresse de courrier électronique professionnelle à laquelle la FSMA aura la faculté d'adresser valablement toutes les communications opérées en exécution du titre 4, chapitre 4, du CDE.
Modifications
Art. 10.
Art. 10.
HOOFDSTUK IV. - Burgerlijke beroeps-aansprakelijkheidsverzekering
CHAPITRE IV. - Assurance de la responsabilité civile professionnelle
Art. 11. De burgerlijke beroepsaansprakelijkheidsverzekering als bedoeld in de artikelen VII.180, § 2, eerste lid, 4°, VII.181, § 1, eerste lid, 3°, VII.184, § 1, tweede lid, 4°, VII.186, § 1, eerste lid, 3°, en VII.187, § 1, 3° van het WER wordt aangegaan bij een voor de verzekering van dat risico gemachtigde verzekeringsonderneming.
Deze burgerlijke beroepsaansprakelijkheidsverzekering moet aan de volgende voorwaarden voldoen :
1° zij dekt de beroepsaansprakelijkheid uit hoofde van de activiteit van bemiddeling in hypothecair krediet of van bemiddeling in consumentenkrediet van de kredietgever of kredietbemiddelaar, van zijn aangestelden en, wanneer het een rechtspersoon betreft, van zijn wettelijk bestuursorgaan en van de personen belast met de effectieve leiding;
2° de dekking waarin zij voorziet, moet minimaal de volgende zijn :
a) voor bemiddeling in hypothecair krediet 460.000 euro per schadegeval en 750.000 euro per kalenderjaar voor alle schadegevallen;
b) onder voorbehoud van het bepaalde in c), voor bemiddeling in consumentenkrediet 50.000 euro per schadegeval en 100.000 euro per kalenderjaar voor alle schadegevallen;
c) voor de agenten in nevenfunctie bedoeld in artikel VII.72, eerste lid, van het WER 25.000 euro per schadegeval en 50.000 euro per kalenderjaar voor alle schadegevallen;
3° zij kan in een vrijstelling voorzien die zowel voor de activiteit van bemiddeling in hypothecair krediet als voor de activiteit van bemiddeling in consumentenkrediet niet meer mag bedragen dan 750 euro.
[1 Het maximumbedrag van 750 euro bedoeld in het eerste lid geldt niet voor de burgerlijke beroepsaansprakelijkheidsverzekeringen bedoeld in de artikelen VII.180, § 2, eerste lid, 4° en VII.184, § 1, eerste lid, 4° van Boek VII;]1
4° haar duurtijd mag niet korter zijn dan één jaar, met dien verstande dat, wanneer de overeenkomst in de loop van een kalenderjaar werd onderschreven, de eerste vervaldag ervan mag worden vastgesteld op 31 december van dat jaar, op voorwaarde dat de overeenkomst een clausule van jaarlijkse stilzwijgende verlenging bevat en de opzegtermijn van de overeenkomst minimum drie maanden bedraagt;
5° zij moet het gehele grondgebied van de Europese Economische Ruimte dekken;
6° de verzekeringsovereenkomst bevat een bepaling die de verzekeringsonderneming de verplichting oplegt om de FSMA in kennis te stellen van de beëindiging van de overeenkomst.
Wanneer het indexcijfer van de consumptieprijzen met 10 % is gestegen ten opzichte van het basisindexcijfer van de maand juli 2015 (basis 2013=100) en vervolgens telkens wanneer het indexcijfer met 10 % is gestegen ten opzichte van het indexcijfer gehanteerd bij de laatste herziening, worden de bedragen vermeld in het tweede lid op de volgende jaarlijkse vervaldag verhoogd met 10%.
[2 Wanneer zijn beroepsaansprakelijkheid niet langer verzekerd is, moet de kredietgever of de tussenpersoon de FSMA daarvan onmiddellijk op de hoogte stellen.]2
Deze burgerlijke beroepsaansprakelijkheidsverzekering moet aan de volgende voorwaarden voldoen :
1° zij dekt de beroepsaansprakelijkheid uit hoofde van de activiteit van bemiddeling in hypothecair krediet of van bemiddeling in consumentenkrediet van de kredietgever of kredietbemiddelaar, van zijn aangestelden en, wanneer het een rechtspersoon betreft, van zijn wettelijk bestuursorgaan en van de personen belast met de effectieve leiding;
2° de dekking waarin zij voorziet, moet minimaal de volgende zijn :
a) voor bemiddeling in hypothecair krediet 460.000 euro per schadegeval en 750.000 euro per kalenderjaar voor alle schadegevallen;
b) onder voorbehoud van het bepaalde in c), voor bemiddeling in consumentenkrediet 50.000 euro per schadegeval en 100.000 euro per kalenderjaar voor alle schadegevallen;
c) voor de agenten in nevenfunctie bedoeld in artikel VII.72, eerste lid, van het WER 25.000 euro per schadegeval en 50.000 euro per kalenderjaar voor alle schadegevallen;
3° zij kan in een vrijstelling voorzien die zowel voor de activiteit van bemiddeling in hypothecair krediet als voor de activiteit van bemiddeling in consumentenkrediet niet meer mag bedragen dan 750 euro.
[1 Het maximumbedrag van 750 euro bedoeld in het eerste lid geldt niet voor de burgerlijke beroepsaansprakelijkheidsverzekeringen bedoeld in de artikelen VII.180, § 2, eerste lid, 4° en VII.184, § 1, eerste lid, 4° van Boek VII;]1
4° haar duurtijd mag niet korter zijn dan één jaar, met dien verstande dat, wanneer de overeenkomst in de loop van een kalenderjaar werd onderschreven, de eerste vervaldag ervan mag worden vastgesteld op 31 december van dat jaar, op voorwaarde dat de overeenkomst een clausule van jaarlijkse stilzwijgende verlenging bevat en de opzegtermijn van de overeenkomst minimum drie maanden bedraagt;
5° zij moet het gehele grondgebied van de Europese Economische Ruimte dekken;
6° de verzekeringsovereenkomst bevat een bepaling die de verzekeringsonderneming de verplichting oplegt om de FSMA in kennis te stellen van de beëindiging van de overeenkomst.
Wanneer het indexcijfer van de consumptieprijzen met 10 % is gestegen ten opzichte van het basisindexcijfer van de maand juli 2015 (basis 2013=100) en vervolgens telkens wanneer het indexcijfer met 10 % is gestegen ten opzichte van het indexcijfer gehanteerd bij de laatste herziening, worden de bedragen vermeld in het tweede lid op de volgende jaarlijkse vervaldag verhoogd met 10%.
[2 Wanneer zijn beroepsaansprakelijkheid niet langer verzekerd is, moet de kredietgever of de tussenpersoon de FSMA daarvan onmiddellijk op de hoogte stellen.]2
Art. 11. L'assurance de la responsabilité civile professionnelle, telle que visée aux articles VII.180, § 2, alinéa 1er, 4°, VII.181, § 1er, alinéa 1er, 3°, VII.184, § 1er, alinéa 2, 4°, VII.186, § 1er, alinéa 1er, 3°, et VII.187, § 1er, 3°, du CDE, est souscrite auprès d'une entreprise d'assurances qui est autorisée à assurer ce risque.
Cette assurance de la responsabilité civile professionnelle doit satisfaire aux conditions suivantes :
1° elle couvre la responsabilité professionnelle résultant de l'activité d'intermédiation en crédit hypothécaire ou d'intermédiation en crédit à la consommation du prêteur ou de l'intermédiaire de crédit, de ses proposés et, s'il s'agit d'une personne morale, de son organe légal d'administration et des personnes chargées de la direction effective;
2° la couverture qu'elle prévoit doit atteindre au moins les montants suivants :
a) pour l'intermédiation en crédit hypothécaire, 460.000 euros par sinistre et 750.000 euros par année civile pour l'ensemble des sinistres;
b) sous réserve de la disposition prévue au c), pour l'intermédiation en crédit à la consommation, 50.000 euros par sinistre et 100.000 euros par année civile pour l'ensemble des sinistres;
c) pour les agents à titre accessoire visés à l'article VII .72, alinéa 1er, du CDE, 25.000 euros par sinistre et 50.000 euros par année civile pour l'ensemble des sinistres;
3° elle peut prévoir une franchise qui, tant pour l'activité d'intermédiation en crédit hypothécaire que pour l'activité d'intermédiation en crédit à la consommation, ne peut excéder 750 euros.
[1 Le montant maximum de 750 euros visé à l'alinéa 1er n'est pas applicable aux assurances de la responsabilité civile professionnelle visées aux articles VII.180, § 2, alinéa 1er, 4° et VII. 184, § 1er, alinéa 1er, 4° du Livre VII;]1
4° sa durée ne peut être inférieure à un an, étant entendu que, lorsque le contrat est souscrit en cours d'année civile, sa première échéance peut être fixée au 31 décembre de la même année, à la condition que le contrat contienne une clause de reconduction tacite annuelle et que le délai de préavis du contrat soit d'un minimum de trois mois.
5° elle doit couvrir l'ensemble du territoire de l'Espace économique européen;
6° le contrat d'assurance contient une disposition qui oblige l'entreprise d'assurances, lorsqu'il est mis fin au contrat, à en aviser la FSMA.
Lorsque l'indice des prix à la consommation a augmenté de 10 % par rapport à l'indice de base du mois de juillet 2015 (base 2013 = 100) et, par la suite, chaque fois que l'indice augmente de 10 % par rapport à l'indice utilisé lors de la dernière révision, les montants mentionnés à l'alinéa 2 sont majorés de 10 % à l'échéance annuelle suivante.
[2 Lorsque sa responsabilité professionnelle n'est plus assurée, le prêteur ou l'intermédiaire en avise directement la FSMA.]2
Cette assurance de la responsabilité civile professionnelle doit satisfaire aux conditions suivantes :
1° elle couvre la responsabilité professionnelle résultant de l'activité d'intermédiation en crédit hypothécaire ou d'intermédiation en crédit à la consommation du prêteur ou de l'intermédiaire de crédit, de ses proposés et, s'il s'agit d'une personne morale, de son organe légal d'administration et des personnes chargées de la direction effective;
2° la couverture qu'elle prévoit doit atteindre au moins les montants suivants :
a) pour l'intermédiation en crédit hypothécaire, 460.000 euros par sinistre et 750.000 euros par année civile pour l'ensemble des sinistres;
b) sous réserve de la disposition prévue au c), pour l'intermédiation en crédit à la consommation, 50.000 euros par sinistre et 100.000 euros par année civile pour l'ensemble des sinistres;
c) pour les agents à titre accessoire visés à l'article VII .72, alinéa 1er, du CDE, 25.000 euros par sinistre et 50.000 euros par année civile pour l'ensemble des sinistres;
3° elle peut prévoir une franchise qui, tant pour l'activité d'intermédiation en crédit hypothécaire que pour l'activité d'intermédiation en crédit à la consommation, ne peut excéder 750 euros.
[1 Le montant maximum de 750 euros visé à l'alinéa 1er n'est pas applicable aux assurances de la responsabilité civile professionnelle visées aux articles VII.180, § 2, alinéa 1er, 4° et VII. 184, § 1er, alinéa 1er, 4° du Livre VII;]1
4° sa durée ne peut être inférieure à un an, étant entendu que, lorsque le contrat est souscrit en cours d'année civile, sa première échéance peut être fixée au 31 décembre de la même année, à la condition que le contrat contienne une clause de reconduction tacite annuelle et que le délai de préavis du contrat soit d'un minimum de trois mois.
5° elle doit couvrir l'ensemble du territoire de l'Espace économique européen;
6° le contrat d'assurance contient une disposition qui oblige l'entreprise d'assurances, lorsqu'il est mis fin au contrat, à en aviser la FSMA.
Lorsque l'indice des prix à la consommation a augmenté de 10 % par rapport à l'indice de base du mois de juillet 2015 (base 2013 = 100) et, par la suite, chaque fois que l'indice augmente de 10 % par rapport à l'indice utilisé lors de la dernière révision, les montants mentionnés à l'alinéa 2 sont majorés de 10 % à l'échéance annuelle suivante.
[2 Lorsque sa responsabilité professionnelle n'est plus assurée, le prêteur ou l'intermédiaire en avise directement la FSMA.]2
HOOFDSTUK V. - Vereiste beroepskennis voor bemiddelaars inzake hypothecair krediet
CHAPITRE V. - Connaissances professionnelles requises pour les intermédiaires en crédit hypothécaire
Art. 12. § 1. De bemiddelaar en de verantwoordelijken voor de distributie bedoeld in artikel VII. 181, § 1, eerste lid, 1° van het WER, alsook [1 de personen belast met de effectieve leiding die de facto de verantwoordelijkheid hebben over de werkzaamheid van bemiddeling in hypothecair krediet of hierop toezicht uitoefenen]1 moeten inzake beroepskennis voldoen aan volgende voorwaarden :
1° minstens houder zijn van een overeenkomstig een decreet van de Vlaamse, de Franse of de Duitstalige Gemeenschap toegekend getuigschrift van hoger middelbaar onderwijs of minstens houder zijn van een buitenlands diploma dat krachtens de toepasselijke wetgeving of door de bevoegde autoriteit als gelijkwaardig wordt beschouwd;
2° een voldoende theoretische kennis bezitten van de volgende materies :
a) het Belgische financiële en economische landschap;
b) de Belgische markt inzake hypothecair krediet;
c) de wetgeving met betrekking tot het hypothecair krediet, de marktpraktijken en de consumenten-bescherming;
d) de basisprincipes van de huwelijksvermogensstelsels;
e) de hypothecaire kredietproducten en de nevendiensten die daarmee doorgaans samen worden aangeboden;
f) het sluiten en de uitvoering van de overeenkomst van hypothecair krediet;
g) de procedures voor het aankopen van een onroerend goed;
h) de organisatie en de werking van de kadastrale registers;
i) de zekerheden en hun waardebepaling;
j) de beoordeling van de kredietwaardigheid van de consument;
k) de bedrijfsethiek, interne procedures en gedragscode van de sector;
l) de witwaswetgeving;
3° voor de makelaar en zijn verantwoordelijken voor de distributie, een praktische ervaring van één jaar, volledig verworven binnen de periode van zes jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag bij de FSMA. [2 De duur van de vereiste praktische ervaring bedraagt echter 2 jaar voor de makelaars en de verantwoordelijken voor de distributie op wie paragraaf 3, 1°, van toepassing is, en die houder zijn van een masterdiploma dat niet minstens 5 studiepunten theoretische kennis als bedoeld in de bepaling onder 2° omvat, of een equivalent percentage van studiebelasting]2;
4° Voor de verbonden agent en zijn verantwoordelijken voor de distributie een praktische ervaring van zes maanden, volledig verworven binnen de periode van zes jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag bij de FSMA. [2 De duur van de vereiste praktische ervaring bedraagt één jaar voor de verbonden agenten en de verantwoordelijken voor de distributie op wie paragraaf 3, 1°, van toepassing is, en die houder zijn van een masterdiploma dat niet minstens 5 studiepunten theoretische kennis als bedoeld in de bepaling onder 2° omvat, of een equivalent percentage van studiebelasting.]2
[2 De FSMA kan de structuur en de inhoud van de praktische ervaring bedoeld in het eerste lid, 3° en 4° van deze paragraaf, nader bepalen, alsook welke handelingen onder toezicht en verantwoordelijkheid van een ingeschreven tussenpersoon of van een kredietgever kunnen verricht worden tijdens de periode waarin de praktische ervaring wordt opgedaan. De duur van de praktische ervaring wordt op voltijdbasis berekend. De FSMA kan echter specifieke modaliteiten bepalen voor de berekening van de duur van de praktische ervaring wanneer die wordt opgedaan door een kandidaat voor verschillende statuten van tussenpersoon of voor een functie bij een tussenpersoon of een kredietgever die zijn activiteiten cumuleert met activiteiten in verband met bank- of beleggingsdiensten, en/of de verzekerings- of herverzekeringsdistributie, en/of wanneer die wordt opgedaan bij een tussenpersoon of een kredietgever die verschillende van voornoemde activiteiten cumuleert tijdens de periode waarin de praktische ervaring wordt opgedaan. Die specifieke modaliteiten zullen onder meer rekening houden met de relevantie van de opgedane praktische ervaring.]2
[2 De leden van het wettelijk bestuursorgaan die geen functie als effectieve leider uitoefenen, en de personen die met de effectieve leiding zijn belast, maar die de facto noch verantwoordelijk zijn voor de werkzaamheid van bemiddeling in hypothecair krediet, noch hierop toezicht uitoefenen, moeten, inzake beroepskennis, over een basiskennis van de in paragraaf 1, eerste lid, 2°, bedoelde materies beschikken. Die basiskennis vereist geen bijscholing als bedoeld in artikel 12/2.]2
§ 2. [2 Onder voorbehoud van de bepalingen van paragraaf 3, wordt het bewijs van de vereiste theoretische kennis als bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 2°, geleverd door het slagen voor een of meer examens die door de FSMA zijn erkend, die door of krachtens een decreet, door een beroepsvereniging of door een kredietgever worden georganiseerd, en die betrekking hebben op de in paragraaf 1, eerste lid, 2°, bedoelde materies.
De examenorganisatoren delen aan de FSMA de inhoud en de regels mee voor het examen dat zij conform het vorige lid organiseren. De FSMA gaat na of de examens die zij organiseren, naar de kennis van de in paragraaf 1, eerste lid, 2°, bedoelde materies peilen.
De FSMA kan, bij reglement, de regels preciseren waaraan dit examen moet voldoen.
De FSMA kan de erkenning intrekken als een examen niet langer naar de kennis van de in paragraaf 1, eerste lid, 2°, bedoelde materies peilt, of niet aan de in het vorige lid bedoelde regels voldoet.
De in paragraaf 1, derde lid, bedoelde personen kunnen bewijzen dat zij over de basiskennis beschikken, aan de hand van een getuigschrift van hoger middelbaar onderwijs dat hun overeenkomstig een decreet van de Vlaamse, de Franse of de Duitstalige Gemeenschap is toegekend, of aan de hand van een buitenlands diploma dat, krachtens de toepasselijke wetgeving of door de bevoegde autoriteit, als gelijkwaardig wordt beschouwd, of door het slagen voor het in het eerste lid bedoelde examen.]2
§ 3. [2 De houders van een van de volgende getuigschriften worden geacht de vereiste theoretische kennis als bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 2°, te bezitten:
1° een overeenkomstig een decreet van de Vlaamse, de Franse of de Duitstalige Gemeenschap door een universiteit of een hogeschool toegekend masterdiploma of een daarmee gelijkgesteld diploma toegekend vóór het academiejaar 2004-2005;
2° een overeenkomstig een decreet van de Vlaamse, de Franse of de Duitstalige Gemeenschap door een universiteit of een hogeschool toegekend diploma van academisch bachelor, een door een instelling van hoger onderwijs toegekend diploma van professioneel bachelor of een daarmee gelijkgesteld diploma toegekend vóór het schooljaar 2004-2005, dat een lessenprogramma omvat van minstens 11 studiepunten theoretische kennis als bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 2°, of een equivalent percentage van studiebelasting;
3° een buitenlands diploma dat, krachtens de toepasselijke wetgeving of door de bevoegde autoriteit, als gelijkwaardig wordt beschouwd met één van de diploma's als bedoeld in de bepalingen onder 1° of 2°.]2
§ 4. [2 In afwijking van paragrafen 2 en 3 moeten de personen die al in het register van de bemiddelaars inzake hypothecair krediet ingeschreven zijn geweest, maar daar vervolgens uit weggelaten zijn geweest, wanneer zij binnen vijf jaar na hun weglating uit het register verzoeken om opnieuw in dat register te worden ingeschreven, en ongeacht de categorie van het register waarop dat nieuwe verzoek betrekking heeft, niet bewijzen dat zij voldoen aan de vereisten inzake beroepskennis waaraan zij bij hun vorige inschrijving al geacht werden te voldoen.
Bovendien moeten voornoemde personen, wanneer zij verzoeken om opnieuw in het register te worden ingeschreven en ongeacht de termijn die sinds hun weglating uit dat register is verstreken, de in paragraaf 1, eerste lid, 1°, en in paragraaf 3 bedoelde getuigschriften, die zij bij hun vorige inschrijving al aan de FSMA hebben bezorgd, niet opnieuw voorleggen.
De bepalingen van deze paragraaf zijn op overeenkomstige wijze van toepassing op de personen die als verantwoordelijken voor de distributie zijn aangewezen, en op de personen in contact met het publiek die kunnen aantonen dat zij onder dezelfde voorwaarden actief zijn geweest, alsook op de effectieve leiders van de bemiddelaars inzake hypothecair krediet die de facto verantwoordelijk zijn voor de werkzaamheid van bemiddeling, en op de in paragraaf 1, derde lid, bedoelde personen.
De in deze paragraaf bepaalde afwijkingen zijn niet van toepassing als de weglating uit het register voortvloeit uit een schrappingsmaatregel die op grond van een inbreuk op de vereisten inzake beroepskennis is genomen.]2
[2 § 5. De volgende personen, die over de vereiste beroepskennis beschikken op de datum van inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 12 december 2021 tot harmonisatie van verschillende koninklijke besluiten over de bemiddeling in de financiële en verzekeringssector, worden geacht om, voor de uitoefening van hun werkzaamheid en/of functie, de vereiste beroepskennis te bezitten als bedoeld in Hoofdstuk V van dit besluit, als gewijzigd bij voornoemd koninklijk besluit van 12 december 2021:
- de bemiddelaars inzake hypothecair krediet die, op de datum van inwerkingtreding van voornoemd koninklijk besluit van 12 december 2021, in het register van de bemiddelaars inzake hypothecair krediet zijn ingeschreven,
- de verantwoordelijken voor de distributie en effectieve leiders die de facto verantwoordelijk zijn voor de werkzaamheid van bemiddeling, en die in functie zijn op de datum van inwerkingtreding van voornoemd koninklijk besluit van 12 december 2021, en,
- de personen in contact met het publiek die, op de datum van inwerkingtreding van voornoemd koninklijk besluit van 12 december 2021, rechtstreeks deelnemen aan de werkzaamheid van bemiddeling inzake hypothecair krediet bij een kredietbemiddelaar die in het register van de bemiddelaars inzake hypothecair krediet is ingeschreven, of bij een kredietgever zijn tewerkgesteld.]2
1° minstens houder zijn van een overeenkomstig een decreet van de Vlaamse, de Franse of de Duitstalige Gemeenschap toegekend getuigschrift van hoger middelbaar onderwijs of minstens houder zijn van een buitenlands diploma dat krachtens de toepasselijke wetgeving of door de bevoegde autoriteit als gelijkwaardig wordt beschouwd;
2° een voldoende theoretische kennis bezitten van de volgende materies :
a) het Belgische financiële en economische landschap;
b) de Belgische markt inzake hypothecair krediet;
c) de wetgeving met betrekking tot het hypothecair krediet, de marktpraktijken en de consumenten-bescherming;
d) de basisprincipes van de huwelijksvermogensstelsels;
e) de hypothecaire kredietproducten en de nevendiensten die daarmee doorgaans samen worden aangeboden;
f) het sluiten en de uitvoering van de overeenkomst van hypothecair krediet;
g) de procedures voor het aankopen van een onroerend goed;
h) de organisatie en de werking van de kadastrale registers;
i) de zekerheden en hun waardebepaling;
j) de beoordeling van de kredietwaardigheid van de consument;
k) de bedrijfsethiek, interne procedures en gedragscode van de sector;
l) de witwaswetgeving;
3° voor de makelaar en zijn verantwoordelijken voor de distributie, een praktische ervaring van één jaar, volledig verworven binnen de periode van zes jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag bij de FSMA. [2 De duur van de vereiste praktische ervaring bedraagt echter 2 jaar voor de makelaars en de verantwoordelijken voor de distributie op wie paragraaf 3, 1°, van toepassing is, en die houder zijn van een masterdiploma dat niet minstens 5 studiepunten theoretische kennis als bedoeld in de bepaling onder 2° omvat, of een equivalent percentage van studiebelasting]2;
4° Voor de verbonden agent en zijn verantwoordelijken voor de distributie een praktische ervaring van zes maanden, volledig verworven binnen de periode van zes jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag bij de FSMA. [2 De duur van de vereiste praktische ervaring bedraagt één jaar voor de verbonden agenten en de verantwoordelijken voor de distributie op wie paragraaf 3, 1°, van toepassing is, en die houder zijn van een masterdiploma dat niet minstens 5 studiepunten theoretische kennis als bedoeld in de bepaling onder 2° omvat, of een equivalent percentage van studiebelasting.]2
[2 De FSMA kan de structuur en de inhoud van de praktische ervaring bedoeld in het eerste lid, 3° en 4° van deze paragraaf, nader bepalen, alsook welke handelingen onder toezicht en verantwoordelijkheid van een ingeschreven tussenpersoon of van een kredietgever kunnen verricht worden tijdens de periode waarin de praktische ervaring wordt opgedaan. De duur van de praktische ervaring wordt op voltijdbasis berekend. De FSMA kan echter specifieke modaliteiten bepalen voor de berekening van de duur van de praktische ervaring wanneer die wordt opgedaan door een kandidaat voor verschillende statuten van tussenpersoon of voor een functie bij een tussenpersoon of een kredietgever die zijn activiteiten cumuleert met activiteiten in verband met bank- of beleggingsdiensten, en/of de verzekerings- of herverzekeringsdistributie, en/of wanneer die wordt opgedaan bij een tussenpersoon of een kredietgever die verschillende van voornoemde activiteiten cumuleert tijdens de periode waarin de praktische ervaring wordt opgedaan. Die specifieke modaliteiten zullen onder meer rekening houden met de relevantie van de opgedane praktische ervaring.]2
[2 De leden van het wettelijk bestuursorgaan die geen functie als effectieve leider uitoefenen, en de personen die met de effectieve leiding zijn belast, maar die de facto noch verantwoordelijk zijn voor de werkzaamheid van bemiddeling in hypothecair krediet, noch hierop toezicht uitoefenen, moeten, inzake beroepskennis, over een basiskennis van de in paragraaf 1, eerste lid, 2°, bedoelde materies beschikken. Die basiskennis vereist geen bijscholing als bedoeld in artikel 12/2.]2
§ 2. [2 Onder voorbehoud van de bepalingen van paragraaf 3, wordt het bewijs van de vereiste theoretische kennis als bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 2°, geleverd door het slagen voor een of meer examens die door de FSMA zijn erkend, die door of krachtens een decreet, door een beroepsvereniging of door een kredietgever worden georganiseerd, en die betrekking hebben op de in paragraaf 1, eerste lid, 2°, bedoelde materies.
De examenorganisatoren delen aan de FSMA de inhoud en de regels mee voor het examen dat zij conform het vorige lid organiseren. De FSMA gaat na of de examens die zij organiseren, naar de kennis van de in paragraaf 1, eerste lid, 2°, bedoelde materies peilen.
De FSMA kan, bij reglement, de regels preciseren waaraan dit examen moet voldoen.
De FSMA kan de erkenning intrekken als een examen niet langer naar de kennis van de in paragraaf 1, eerste lid, 2°, bedoelde materies peilt, of niet aan de in het vorige lid bedoelde regels voldoet.
De in paragraaf 1, derde lid, bedoelde personen kunnen bewijzen dat zij over de basiskennis beschikken, aan de hand van een getuigschrift van hoger middelbaar onderwijs dat hun overeenkomstig een decreet van de Vlaamse, de Franse of de Duitstalige Gemeenschap is toegekend, of aan de hand van een buitenlands diploma dat, krachtens de toepasselijke wetgeving of door de bevoegde autoriteit, als gelijkwaardig wordt beschouwd, of door het slagen voor het in het eerste lid bedoelde examen.]2
§ 3. [2 De houders van een van de volgende getuigschriften worden geacht de vereiste theoretische kennis als bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 2°, te bezitten:
1° een overeenkomstig een decreet van de Vlaamse, de Franse of de Duitstalige Gemeenschap door een universiteit of een hogeschool toegekend masterdiploma of een daarmee gelijkgesteld diploma toegekend vóór het academiejaar 2004-2005;
2° een overeenkomstig een decreet van de Vlaamse, de Franse of de Duitstalige Gemeenschap door een universiteit of een hogeschool toegekend diploma van academisch bachelor, een door een instelling van hoger onderwijs toegekend diploma van professioneel bachelor of een daarmee gelijkgesteld diploma toegekend vóór het schooljaar 2004-2005, dat een lessenprogramma omvat van minstens 11 studiepunten theoretische kennis als bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 2°, of een equivalent percentage van studiebelasting;
3° een buitenlands diploma dat, krachtens de toepasselijke wetgeving of door de bevoegde autoriteit, als gelijkwaardig wordt beschouwd met één van de diploma's als bedoeld in de bepalingen onder 1° of 2°.]2
§ 4. [2 In afwijking van paragrafen 2 en 3 moeten de personen die al in het register van de bemiddelaars inzake hypothecair krediet ingeschreven zijn geweest, maar daar vervolgens uit weggelaten zijn geweest, wanneer zij binnen vijf jaar na hun weglating uit het register verzoeken om opnieuw in dat register te worden ingeschreven, en ongeacht de categorie van het register waarop dat nieuwe verzoek betrekking heeft, niet bewijzen dat zij voldoen aan de vereisten inzake beroepskennis waaraan zij bij hun vorige inschrijving al geacht werden te voldoen.
Bovendien moeten voornoemde personen, wanneer zij verzoeken om opnieuw in het register te worden ingeschreven en ongeacht de termijn die sinds hun weglating uit dat register is verstreken, de in paragraaf 1, eerste lid, 1°, en in paragraaf 3 bedoelde getuigschriften, die zij bij hun vorige inschrijving al aan de FSMA hebben bezorgd, niet opnieuw voorleggen.
De bepalingen van deze paragraaf zijn op overeenkomstige wijze van toepassing op de personen die als verantwoordelijken voor de distributie zijn aangewezen, en op de personen in contact met het publiek die kunnen aantonen dat zij onder dezelfde voorwaarden actief zijn geweest, alsook op de effectieve leiders van de bemiddelaars inzake hypothecair krediet die de facto verantwoordelijk zijn voor de werkzaamheid van bemiddeling, en op de in paragraaf 1, derde lid, bedoelde personen.
De in deze paragraaf bepaalde afwijkingen zijn niet van toepassing als de weglating uit het register voortvloeit uit een schrappingsmaatregel die op grond van een inbreuk op de vereisten inzake beroepskennis is genomen.]2
[2 § 5. De volgende personen, die over de vereiste beroepskennis beschikken op de datum van inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 12 december 2021 tot harmonisatie van verschillende koninklijke besluiten over de bemiddeling in de financiële en verzekeringssector, worden geacht om, voor de uitoefening van hun werkzaamheid en/of functie, de vereiste beroepskennis te bezitten als bedoeld in Hoofdstuk V van dit besluit, als gewijzigd bij voornoemd koninklijk besluit van 12 december 2021:
- de bemiddelaars inzake hypothecair krediet die, op de datum van inwerkingtreding van voornoemd koninklijk besluit van 12 december 2021, in het register van de bemiddelaars inzake hypothecair krediet zijn ingeschreven,
- de verantwoordelijken voor de distributie en effectieve leiders die de facto verantwoordelijk zijn voor de werkzaamheid van bemiddeling, en die in functie zijn op de datum van inwerkingtreding van voornoemd koninklijk besluit van 12 december 2021, en,
- de personen in contact met het publiek die, op de datum van inwerkingtreding van voornoemd koninklijk besluit van 12 december 2021, rechtstreeks deelnemen aan de werkzaamheid van bemiddeling inzake hypothecair krediet bij een kredietbemiddelaar die in het register van de bemiddelaars inzake hypothecair krediet is ingeschreven, of bij een kredietgever zijn tewerkgesteld.]2
Art. 12. § 1er. L'intermédiaire et les responsables de la distribution, tels que visés à l'article VII.181, § 1er, alinéa 1er, 1°, du CDE, ainsi que [1 les personnes chargées de la direction effective qui de facto assument la responsabilité de l'activité d'intermédiation en crédit hypothécaire ou en exercent le contrôle]1, doivent, en matière de connaissances professionnelles, satisfaire aux conditions suivantes :
1° être au moins titulaire d'un certificat de l'enseignement secondaire supérieur, délivré conformément à un décret de la Communauté française, de la Communauté flamande ou de la Communauté germanophone ou être au moins titulaire d'un diplôme étranger considéré, en vertu de la législation applicable ou par l'autorité compétente comme équivalent;
2° posséder une connaissance théorique suffisante des matières suivantes :
a) le paysage financier et économique belge;
b) le marché belge du crédit hypothécaire;
c) la législation relative au crédit hypothécaire, aux pratiques du marché et à la protection des consommateurs;
d) les principes de base des régimes matrimoniaux;
e) les produits de crédit hypothécaire et les services auxiliaires généralement proposés avec ces produits;
f) la conclusion et l'exécution du contrat de crédit hypothécaire;
g) les procédures d'achat de biens immobiliers;
h) l'organisation et le fonctionnement des cadastres;
i) les sûretés et leur évaluation;
j) le processus d'évaluation de la solvabilité du consommateur;
k) les normes déontologiques, les procédures internes et le code de conduite du secteur;
l) la législation anti-blanchiment;
3° pour le courtier et ses responsables de la distribution, une expérience pratique d'un an, acquise dans sa totalité au cours de la période de six ans précédant la date d'introduction de la demande auprès de la FSMA. [2 Toutefois, la durée de l'expérience pratique requise est de 2 ans pour les courtiers et les responsables de la distribution qui bénéficient de l'application du paragraphe 3, 1° et qui sont titulaires d'un diplôme de master qui ne compte pas au moins 5 crédits se rapportant aux connaissances théoriques visées au 2° ou un pourcentage équivalent de la charge d'études]2;
4° pour l'agent lié et ses responsables de la distribution, une expérience pratique de six mois, acquise dans sa totalité au cours de la période de six ans précédant la date d'introduction de la demande auprès de la FSMA. [2 Toutefois, la durée de l'expérience pratique requise est d'un an pour les agents liés et les responsables de la distribution qui bénéficient de l'application du paragraphe 3, 1° et qui sont titulaires d'un diplôme de master qui ne compte pas au moins 5 crédits se rapportant aux connaissances théoriques visées au 2° ou un pourcentage équivalent de la charge d'études]2.
[2 La FSMA peut préciser la structure et le contenu de l'expérience pratique visée à l'alinéa 1er, 3° et 4°, du présent paragraphe, ainsi que les actes pouvant être accomplis, sous la supervision et la responsabilité d'un intermédiaire inscrit ou d'un prêteur, au cours de la période d'acquisition de l'expérience pratique. La durée de l'expérience pratique est calculée sur une base d'équivalent temps plein. La FSMA peut toutefois préciser des modalités spécifiques de calcul de la durée de l'expérience pratique lorsque celle-ci est acquise par un candidat à plusieurs statuts d'intermédiaire ou à une fonction auprès d'un intermédiaire ou d'un prêteur, cumulant ses activités avec des activités en matière de services bancaires ou de services d'investissement et/ou de distribution d'assurances ou de réassurances, et/ou lorsque cette expérience pratique est acquise auprès d'un intermédiaire ou d'un prêteur, cumulant plusieurs des activités précitées durant la période d'acquisition de l'expérience pratique. Ces modalités spécifiques tiendront notamment compte de la pertinence de l'expérience pratique acquise.]2
[2 Les membres de l'organe légal d'administration qui n'exercent pas la fonction de dirigeant effectif et les personnes chargées de la direction effective qui de facto n'assument pas la responsabilité de l'activité d'intermédiation en crédit hypothécaire ni n'en exercent le contrôle, doivent, en matière de connaissances professionnelles, posséder une connaissance de base des matières visées au paragraphe 1er, alinéa 1er, 2°. Cette connaissance de base ne doit pas faire l'objet d'un recyclage visé à l'article 12/2.]2
§ 2. [2 Sous réserve des dispositions du paragraphe 3, la preuve des connaissances théoriques requises visées au paragraphe 1er, alinéa 1er, 2°, est fournie par la réussite d'un ou plusieurs examens agréés par la FSMA, et qui sont organisés par ou en vertu d'un décret, par une association professionnelle, ou par un prêteur et couvrant les matières visées au paragraphe 1er, alinéa 1er, 2°.
Les organisateurs d'examens communiquent à la FSMA le contenu et les modalités de l'examen qu'ils organisent conformément à l'alinéa précédent. La FSMA vérifie si les examens qu'ils organisent couvrent les matières visées au paragraphe 1er, alinéa 1er, 2°.
La FSMA peut, par voie de règlement, préciser les règles auxquelles cet examen doit satisfaire.
La FSMA peut retirer son agrément si un examen ne couvre plus les matières visées au paragraphe 1er, alinéa 1er, 2° ou ne satisfait pas aux règles visées à l'alinéa précédent.
Pour les personnes visées au paragraphe 1er, alinéa 3, la preuve de la connaissance de base peut être fournie par un certificat de l'enseignement secondaire supérieur délivré conformément à un décret de la Communauté française, de la Communauté flamande ou de la Communauté germanophone ou par un diplôme étranger considéré, en vertu de la législation applicable ou par l'autorité compétente, comme équivalent ou par la réussite d'un examen tel que prévu à l'alinéa 1er.]2
§ 3. [2 Sont supposés posséder la connaissance théorique visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, 2°, les titulaires de l'un des certificats suivants :
1° un diplôme de master délivré par une université ou par une école supérieure conformément à un décret de la Communauté française, de la Communauté flamande ou de la Communauté germanophone, ou un diplôme équivalent délivré avant l'année académique 2004-2005 ;
2° un diplôme de bachelier académique délivré par une université ou par une école supérieure conformément à un décret de la Communauté française, de la Communauté flamande ou de la Communauté germanophone, un diplôme de bachelier professionnel délivré par un établissement d'enseignement supérieur, ou un diplôme équivalent délivré avant l'année scolaire 2004- 2005, diplôme dont le programme de cours compte au moins 11 crédits se rapportant aux connaissances théoriques visées au paragraphe 1er, alinéa 1er, 2°, ou un pourcentage équivalent de la charge d'études ;
3° un diplôme étranger reconnu, en vertu de la législation applicable ou par l'autorité compétente, comme équivalent à l'un des diplômes visés au 1° ou 2°.]2
§ 4. [2 Par dérogation aux paragraphes 2 et 3, les personnes qui ont déjà été inscrites au registre des intermédiaires en crédit hypothécaire mais qui en ont été omises, ne doivent pas, en cas de demande de réinscription dans les cinq ans de leur omission du registre et quelle que soit la catégorie du registre sur laquelle porte la nouvelle demande, prouver qu'elles satisfont aux exigences en matière de connaissances professionnelles auxquelles elles étaient déjà réputées satisfaire lors de leur précédente inscription.
En outre, en cas de demande de réinscription et quel que soit le délai écoulé depuis leur omission du registre, les personnes précitées ne doivent pas produire une nouvelle fois les certificats visés au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1° et au paragraphe 3, qu'elles ont déjà transmis à la FSMA lors de leur précédente inscription.
Les dispositions du présent paragraphe sont applicables par analogie aux personnes qui ont été désignées comme responsables de la distribution et aux personnes en contact avec le public qui peuvent démontrer qu'elles ont été actives aux mêmes conditions, ainsi qu'aux dirigeants effectifs des intermédiaires en crédit hypothécaire qui assument de facto la responsabilité de l'activité d'intermédiation et aux personnes visées au paragraphe 1er, alinéa 3.
Les dérogations prévues au présent paragraphe ne sont pas applicables si l'omission du registre résulte d'une mesure de radiation pour cause de manquement aux exigences en matière de connaissances professionnelles.]2
[2 § 5. Les personnes suivantes, qui possèdent les connaissances professionnelles requises jusqu'à l'entrée en vigueur de l'arrêté royal du 12 décembre 2021 visant à l'harmonisation de différents arrêtés royaux relatifs à l'intermédiation dans le secteur financier et des assurances, sont supposés, pour l'exercice de leurs activités et/ou fonctions, remplir les exigences de connaissances professionnelles visées au Chapitre V du présent arrêté, telles que modifiées par l'arrêté royal du 12 décembre 2021 précité :
- les intermédiaires en crédit hypothécaire, qui, à la date d'entrée en vigueur de l'arrêté royal du 12 décembre 2021 précité, sont inscrits au registre des intermédiaires en crédit hypothécaire,
- les responsables de la distribution et dirigeants effectifs qui assument de facto la responsabilité de l'activité d'intermédiation et qui sont en fonction à la date d'entrée en vigueur de l'arrêté royal du 12 décembre 2021 précité, et,
- les personnes en contact avec le public qui, à la date d'entrée en vigueur de l'arrêté royal du 12 décembre 2021 précité, s'occupent directement d'intermédiation en crédit hypothécaire auprès d'un intermédiaire de crédit inscrit dans le registre des intermédiaires en crédit hypothécaire, ou sont employés auprès d'un prêteur.]2
1° être au moins titulaire d'un certificat de l'enseignement secondaire supérieur, délivré conformément à un décret de la Communauté française, de la Communauté flamande ou de la Communauté germanophone ou être au moins titulaire d'un diplôme étranger considéré, en vertu de la législation applicable ou par l'autorité compétente comme équivalent;
2° posséder une connaissance théorique suffisante des matières suivantes :
a) le paysage financier et économique belge;
b) le marché belge du crédit hypothécaire;
c) la législation relative au crédit hypothécaire, aux pratiques du marché et à la protection des consommateurs;
d) les principes de base des régimes matrimoniaux;
e) les produits de crédit hypothécaire et les services auxiliaires généralement proposés avec ces produits;
f) la conclusion et l'exécution du contrat de crédit hypothécaire;
g) les procédures d'achat de biens immobiliers;
h) l'organisation et le fonctionnement des cadastres;
i) les sûretés et leur évaluation;
j) le processus d'évaluation de la solvabilité du consommateur;
k) les normes déontologiques, les procédures internes et le code de conduite du secteur;
l) la législation anti-blanchiment;
3° pour le courtier et ses responsables de la distribution, une expérience pratique d'un an, acquise dans sa totalité au cours de la période de six ans précédant la date d'introduction de la demande auprès de la FSMA. [2 Toutefois, la durée de l'expérience pratique requise est de 2 ans pour les courtiers et les responsables de la distribution qui bénéficient de l'application du paragraphe 3, 1° et qui sont titulaires d'un diplôme de master qui ne compte pas au moins 5 crédits se rapportant aux connaissances théoriques visées au 2° ou un pourcentage équivalent de la charge d'études]2;
4° pour l'agent lié et ses responsables de la distribution, une expérience pratique de six mois, acquise dans sa totalité au cours de la période de six ans précédant la date d'introduction de la demande auprès de la FSMA. [2 Toutefois, la durée de l'expérience pratique requise est d'un an pour les agents liés et les responsables de la distribution qui bénéficient de l'application du paragraphe 3, 1° et qui sont titulaires d'un diplôme de master qui ne compte pas au moins 5 crédits se rapportant aux connaissances théoriques visées au 2° ou un pourcentage équivalent de la charge d'études]2.
[2 La FSMA peut préciser la structure et le contenu de l'expérience pratique visée à l'alinéa 1er, 3° et 4°, du présent paragraphe, ainsi que les actes pouvant être accomplis, sous la supervision et la responsabilité d'un intermédiaire inscrit ou d'un prêteur, au cours de la période d'acquisition de l'expérience pratique. La durée de l'expérience pratique est calculée sur une base d'équivalent temps plein. La FSMA peut toutefois préciser des modalités spécifiques de calcul de la durée de l'expérience pratique lorsque celle-ci est acquise par un candidat à plusieurs statuts d'intermédiaire ou à une fonction auprès d'un intermédiaire ou d'un prêteur, cumulant ses activités avec des activités en matière de services bancaires ou de services d'investissement et/ou de distribution d'assurances ou de réassurances, et/ou lorsque cette expérience pratique est acquise auprès d'un intermédiaire ou d'un prêteur, cumulant plusieurs des activités précitées durant la période d'acquisition de l'expérience pratique. Ces modalités spécifiques tiendront notamment compte de la pertinence de l'expérience pratique acquise.]2
[2 Les membres de l'organe légal d'administration qui n'exercent pas la fonction de dirigeant effectif et les personnes chargées de la direction effective qui de facto n'assument pas la responsabilité de l'activité d'intermédiation en crédit hypothécaire ni n'en exercent le contrôle, doivent, en matière de connaissances professionnelles, posséder une connaissance de base des matières visées au paragraphe 1er, alinéa 1er, 2°. Cette connaissance de base ne doit pas faire l'objet d'un recyclage visé à l'article 12/2.]2
§ 2. [2 Sous réserve des dispositions du paragraphe 3, la preuve des connaissances théoriques requises visées au paragraphe 1er, alinéa 1er, 2°, est fournie par la réussite d'un ou plusieurs examens agréés par la FSMA, et qui sont organisés par ou en vertu d'un décret, par une association professionnelle, ou par un prêteur et couvrant les matières visées au paragraphe 1er, alinéa 1er, 2°.
Les organisateurs d'examens communiquent à la FSMA le contenu et les modalités de l'examen qu'ils organisent conformément à l'alinéa précédent. La FSMA vérifie si les examens qu'ils organisent couvrent les matières visées au paragraphe 1er, alinéa 1er, 2°.
La FSMA peut, par voie de règlement, préciser les règles auxquelles cet examen doit satisfaire.
La FSMA peut retirer son agrément si un examen ne couvre plus les matières visées au paragraphe 1er, alinéa 1er, 2° ou ne satisfait pas aux règles visées à l'alinéa précédent.
Pour les personnes visées au paragraphe 1er, alinéa 3, la preuve de la connaissance de base peut être fournie par un certificat de l'enseignement secondaire supérieur délivré conformément à un décret de la Communauté française, de la Communauté flamande ou de la Communauté germanophone ou par un diplôme étranger considéré, en vertu de la législation applicable ou par l'autorité compétente, comme équivalent ou par la réussite d'un examen tel que prévu à l'alinéa 1er.]2
§ 3. [2 Sont supposés posséder la connaissance théorique visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, 2°, les titulaires de l'un des certificats suivants :
1° un diplôme de master délivré par une université ou par une école supérieure conformément à un décret de la Communauté française, de la Communauté flamande ou de la Communauté germanophone, ou un diplôme équivalent délivré avant l'année académique 2004-2005 ;
2° un diplôme de bachelier académique délivré par une université ou par une école supérieure conformément à un décret de la Communauté française, de la Communauté flamande ou de la Communauté germanophone, un diplôme de bachelier professionnel délivré par un établissement d'enseignement supérieur, ou un diplôme équivalent délivré avant l'année scolaire 2004- 2005, diplôme dont le programme de cours compte au moins 11 crédits se rapportant aux connaissances théoriques visées au paragraphe 1er, alinéa 1er, 2°, ou un pourcentage équivalent de la charge d'études ;
3° un diplôme étranger reconnu, en vertu de la législation applicable ou par l'autorité compétente, comme équivalent à l'un des diplômes visés au 1° ou 2°.]2
§ 4. [2 Par dérogation aux paragraphes 2 et 3, les personnes qui ont déjà été inscrites au registre des intermédiaires en crédit hypothécaire mais qui en ont été omises, ne doivent pas, en cas de demande de réinscription dans les cinq ans de leur omission du registre et quelle que soit la catégorie du registre sur laquelle porte la nouvelle demande, prouver qu'elles satisfont aux exigences en matière de connaissances professionnelles auxquelles elles étaient déjà réputées satisfaire lors de leur précédente inscription.
En outre, en cas de demande de réinscription et quel que soit le délai écoulé depuis leur omission du registre, les personnes précitées ne doivent pas produire une nouvelle fois les certificats visés au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1° et au paragraphe 3, qu'elles ont déjà transmis à la FSMA lors de leur précédente inscription.
Les dispositions du présent paragraphe sont applicables par analogie aux personnes qui ont été désignées comme responsables de la distribution et aux personnes en contact avec le public qui peuvent démontrer qu'elles ont été actives aux mêmes conditions, ainsi qu'aux dirigeants effectifs des intermédiaires en crédit hypothécaire qui assument de facto la responsabilité de l'activité d'intermédiation et aux personnes visées au paragraphe 1er, alinéa 3.
Les dérogations prévues au présent paragraphe ne sont pas applicables si l'omission du registre résulte d'une mesure de radiation pour cause de manquement aux exigences en matière de connaissances professionnelles.]2
[2 § 5. Les personnes suivantes, qui possèdent les connaissances professionnelles requises jusqu'à l'entrée en vigueur de l'arrêté royal du 12 décembre 2021 visant à l'harmonisation de différents arrêtés royaux relatifs à l'intermédiation dans le secteur financier et des assurances, sont supposés, pour l'exercice de leurs activités et/ou fonctions, remplir les exigences de connaissances professionnelles visées au Chapitre V du présent arrêté, telles que modifiées par l'arrêté royal du 12 décembre 2021 précité :
- les intermédiaires en crédit hypothécaire, qui, à la date d'entrée en vigueur de l'arrêté royal du 12 décembre 2021 précité, sont inscrits au registre des intermédiaires en crédit hypothécaire,
- les responsables de la distribution et dirigeants effectifs qui assument de facto la responsabilité de l'activité d'intermédiation et qui sont en fonction à la date d'entrée en vigueur de l'arrêté royal du 12 décembre 2021 précité, et,
- les personnes en contact avec le public qui, à la date d'entrée en vigueur de l'arrêté royal du 12 décembre 2021 précité, s'occupent directement d'intermédiation en crédit hypothécaire auprès d'un intermédiaire de crédit inscrit dans le registre des intermédiaires en crédit hypothécaire, ou sont employés auprès d'un prêteur.]2
Art.12/1. [1 § 1. De in artikel VII. 181, § 1, eerste lid, 1°, van het WER bedoelde personen in contact met het publiek moeten, inzake beroepskennis, voldoen aan het bepaalde bij artikel 12, § 1, eerste lid, 2°.
In afwijking van het vorige lid mag een persoon in contact met het publiek die de vereiste theoretische kennis nog niet bezit, als persoon in contact met het publiek in opleiding worden aangesteld.
Binnen het jaar na zijn eerste aanstelling als persoon in contact met het publiek in opleiding moet de in het tweede lid bedoelde persoon de vereiste theoretische kennis bezitten.
Zolang de persoon in contact met het publiek in opleiding is, handelt hij onder het toezicht en binnen de omkadering van de bemiddelaar inzake hypothecair krediet, van een daartoe bij de bemiddelaar aangewezen verantwoordelijke voor de distributie, of van een daartoe door de bemiddelaar aangewezen persoon in contact met het publiek die de in het eerste lid bedoelde theoretische kennis bezit, en die de overeenkomstig paragraaf 2 vereiste ervaring heeft verworven.
De persoon in contact met het publiek in opleiding die niet aan de in het derde lid gestelde voorwaarde beantwoordt, kan niet langer als persoon in contact met het publiek worden aangesteld.
§ 2. De personen in contact met het publiek moeten aantonen dat zij over zes maanden nuttige praktische ervaring beschikken die zij volledig hebben opgedaan in de loop van de periode van zes jaar voorafgaand aan de datum van hun aanstelling door de bemiddelaar. De duur van de praktische ervaring wordt overeenkomstig het artikel 12, § 1, tweede lid, berekend.
Indien de personen in contact met het publiek niet kunnen aantonen dat zij over zes maanden nuttige praktische ervaring beschikken, wordt hun, in afwijking van het vorige lid, toegestaan om deze ervaring op te doen onder het toezicht en binnen de omkadering van een bemiddelaar inzake hypothecair krediet, van een daartoe bij de bemiddelaar aangewezen verantwoordelijke voor de distributie, of van een persoon in contact met het publiek die daartoe door de bemiddelaar is aangesteld, die over de in paragraaf 1, eerste lid, bedoelde theoretische kennis beschikt, en die de in het vorige lid vereiste praktische ervaring heeft verworven.
Het uitgeoefende toezicht is afgestemd op de diensten die de persoon in contact met het publiek verleent, en op zijn relevante kwalificaties en ervaring.
De in tweede lid bedoelde ervaring verworven als persoon in contact met het publiek in opleiding wordt als relevante praktische ervaring in aanmerking genomen.
§ 3. De bemiddelaars inzake hypothecair krediet en de kredietgevers die de werkzaamheid van bemiddelaar inzake hypothecair krediet uitoefenen, zien erop toe dat dat de personen in contact met het publiek over voldoende beroepskennis beschikken.]1
In afwijking van het vorige lid mag een persoon in contact met het publiek die de vereiste theoretische kennis nog niet bezit, als persoon in contact met het publiek in opleiding worden aangesteld.
Binnen het jaar na zijn eerste aanstelling als persoon in contact met het publiek in opleiding moet de in het tweede lid bedoelde persoon de vereiste theoretische kennis bezitten.
Zolang de persoon in contact met het publiek in opleiding is, handelt hij onder het toezicht en binnen de omkadering van de bemiddelaar inzake hypothecair krediet, van een daartoe bij de bemiddelaar aangewezen verantwoordelijke voor de distributie, of van een daartoe door de bemiddelaar aangewezen persoon in contact met het publiek die de in het eerste lid bedoelde theoretische kennis bezit, en die de overeenkomstig paragraaf 2 vereiste ervaring heeft verworven.
De persoon in contact met het publiek in opleiding die niet aan de in het derde lid gestelde voorwaarde beantwoordt, kan niet langer als persoon in contact met het publiek worden aangesteld.
§ 2. De personen in contact met het publiek moeten aantonen dat zij over zes maanden nuttige praktische ervaring beschikken die zij volledig hebben opgedaan in de loop van de periode van zes jaar voorafgaand aan de datum van hun aanstelling door de bemiddelaar. De duur van de praktische ervaring wordt overeenkomstig het artikel 12, § 1, tweede lid, berekend.
Indien de personen in contact met het publiek niet kunnen aantonen dat zij over zes maanden nuttige praktische ervaring beschikken, wordt hun, in afwijking van het vorige lid, toegestaan om deze ervaring op te doen onder het toezicht en binnen de omkadering van een bemiddelaar inzake hypothecair krediet, van een daartoe bij de bemiddelaar aangewezen verantwoordelijke voor de distributie, of van een persoon in contact met het publiek die daartoe door de bemiddelaar is aangesteld, die over de in paragraaf 1, eerste lid, bedoelde theoretische kennis beschikt, en die de in het vorige lid vereiste praktische ervaring heeft verworven.
Het uitgeoefende toezicht is afgestemd op de diensten die de persoon in contact met het publiek verleent, en op zijn relevante kwalificaties en ervaring.
De in tweede lid bedoelde ervaring verworven als persoon in contact met het publiek in opleiding wordt als relevante praktische ervaring in aanmerking genomen.
§ 3. De bemiddelaars inzake hypothecair krediet en de kredietgevers die de werkzaamheid van bemiddelaar inzake hypothecair krediet uitoefenen, zien erop toe dat dat de personen in contact met het publiek over voldoende beroepskennis beschikken.]1
Art.12/1. [1 § 1er. Les personnes en contact avec le public, telles que visées à l'article VII. 181, § 1er, alinéa 1er, 1°, du CDE doivent, en matière de connaissances professionnelles, répondre aux exigences prévues à l'article 12, § 1er, alinéa 1er, 2°.
Par dérogation à l'alinéa précédent, une personne en contact avec le public qui ne possède pas encore la connaissance théorique requise peut être désignée comme personne en contact avec le public en formation.
Dans l'année qui suit sa première désignation comme personne en contact avec le public en formation, la personne visée à l'alinéa 2 doit posséder la connaissance théorique requise.
Aussi longtemps que la personne en contact avec le public est en formation, elle agit sous la supervision et bénéficie de l'encadrement de l'intermédiaire en crédit hypothécaire, d'un responsable de la distribution désigné à cet effet auprès de l'intermédiaire, ou d'une personne en contact avec le public désignée à cet effet par l'intermédiaire, qui possède la connaissance théorique requise visée à l'alinéa 1er et qui a acquis l'expérience pratique exigée au paragraphe 2.
La personne en contact avec le public en formation qui ne répond pas à la condition prévue à l'alinéa 3 ne peut plus être désignée comme personne en contact avec le public.
§ 2. Les personnes en contact avec le public doivent justifier d'une expérience pratique utile de six mois et obtenue dans sa totalité au cours de la période de six ans précédant la date de leur désignation par l'intermédiaire. La durée de l'expérience pratique est calculée conformément à l'article 12, § 1er, alinéa 2.
Par dérogation à l'alinéa précédent, si les personnes en contact avec le public ne peuvent pas justifier d'une expérience pratique utile de six mois, elles sont autorisées à l'acquérir, sous la supervision et en bénéficiant de l'encadrement d'un intermédiaire en crédit hypothécaire, d'un responsable de la distribution désigné à cet effet auprès de l'intermédiaire ou d'une personne en contact avec le public désignée à cet effet auprès de l'intermédiaire, qui possède la connaissance théorique visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, et qui a acquis l'expérience pratique visée à l'alinéa précédent.
La supervision exercée est modulée en fonction des services fournis par la personne en contact avec le public et en fonction des qualifications et de l'expérience pertinentes de la personne en question.
L'expérience acquise en tant que personne en contact avec le public en formation, telle que visée à l'alinéa 2, est prise en compte comme expérience pratique utile.
§ 3. Les intermédiaires en crédit hypothécaire et les prêteurs qui exercent l'activité d'intermédiaire en crédit hypothécaire veillent à ce que les personnes en contact avec le public possèdent les connaissances professionnelles requises.]1
Par dérogation à l'alinéa précédent, une personne en contact avec le public qui ne possède pas encore la connaissance théorique requise peut être désignée comme personne en contact avec le public en formation.
Dans l'année qui suit sa première désignation comme personne en contact avec le public en formation, la personne visée à l'alinéa 2 doit posséder la connaissance théorique requise.
Aussi longtemps que la personne en contact avec le public est en formation, elle agit sous la supervision et bénéficie de l'encadrement de l'intermédiaire en crédit hypothécaire, d'un responsable de la distribution désigné à cet effet auprès de l'intermédiaire, ou d'une personne en contact avec le public désignée à cet effet par l'intermédiaire, qui possède la connaissance théorique requise visée à l'alinéa 1er et qui a acquis l'expérience pratique exigée au paragraphe 2.
La personne en contact avec le public en formation qui ne répond pas à la condition prévue à l'alinéa 3 ne peut plus être désignée comme personne en contact avec le public.
§ 2. Les personnes en contact avec le public doivent justifier d'une expérience pratique utile de six mois et obtenue dans sa totalité au cours de la période de six ans précédant la date de leur désignation par l'intermédiaire. La durée de l'expérience pratique est calculée conformément à l'article 12, § 1er, alinéa 2.
Par dérogation à l'alinéa précédent, si les personnes en contact avec le public ne peuvent pas justifier d'une expérience pratique utile de six mois, elles sont autorisées à l'acquérir, sous la supervision et en bénéficiant de l'encadrement d'un intermédiaire en crédit hypothécaire, d'un responsable de la distribution désigné à cet effet auprès de l'intermédiaire ou d'une personne en contact avec le public désignée à cet effet auprès de l'intermédiaire, qui possède la connaissance théorique visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, et qui a acquis l'expérience pratique visée à l'alinéa précédent.
La supervision exercée est modulée en fonction des services fournis par la personne en contact avec le public et en fonction des qualifications et de l'expérience pertinentes de la personne en question.
L'expérience acquise en tant que personne en contact avec le public en formation, telle que visée à l'alinéa 2, est prise en compte comme expérience pratique utile.
§ 3. Les intermédiaires en crédit hypothécaire et les prêteurs qui exercent l'activité d'intermédiaire en crédit hypothécaire veillent à ce que les personnes en contact avec le public possèdent les connaissances professionnelles requises.]1
Modifications
Art.12/2.[1 § 1. De in artikel 12 bedoelde theoretische kennis maakt het voorwerp uit van een geregelde bijscholing, volgens de nader in dit artikel bepaalde modaliteiten.
§ 2. De in artikel 12, paragraaf 1, eerste lid, bedoelde personen moeten jaarlijks minimum 3 uur bijscholing volgen om hun beroepskennis actueel en op peil te houden.
§ 3. De in paragraaf 2 bedoelde bijscholing moet worden gegeven door opleidingsverstrekkers die door de FSMA zijn erkend, volgens de door haar bepaalde modaliteiten. De FSMA kan, bij reglement, nader bepalen aan welke organisatorische, inhoudelijke en kwalitatieve vereisten de opleidingsverstrekkers en de door hen verstrekte bijscholing moeten voldoen, alsook de modaliteiten van de erkenningsprocedure. De FSMA publiceert een lijst van de door haar erkende opleidingsverstrekkers op haar website.
Als de FSMA daarom verzoekt, moeten de opleidingsverstrekkers haar alle inlichtingen en documenten bezorgen die zij nodig acht om te beoordelen of de opleidingsverstrekker en de door hem aangeboden bijscholingen aan het bepaalde bij het eerste lid voldoen. De FSMA kan bij de opleidingsverstrekkers ook inspecties verrichten, en ter plaatse kennisnemen of een kopie maken van alle gegevens in hun bezit.
Wanneer de FSMA vaststelt dat een opleidingsvertrekker niet aan de in het eerste lid bedoelde vereisten voldoet, stelt zij de termijn vast waarbinnen deze toestand moet worden verholpen.
De FSMA kan beslissen dat de opleidingen die de betrokken opleidingsverstrekker in die termijn verstrekt, niet in aanmerking komen voor de in dit artikel bedoelde verplichting tot bijscholing. In dat geval brengt de opleidingsverstrekker de deelnemers daarvan op de hoogte.
Indien de FSMA, na afloop van de termijn die zij conform het vorige lid heeft opgelegd, vaststelt dat de tekortkomingen niet zijn verholpen, schrapt zij de erkenning van de betrokken opleidingsverstrekker.
§ 4. De bemiddelaars inzake hypothecair krediet en de kredietgevers die de werkzaamheid van bemiddelaar inzake hypothecair krediet uitoefenen, zien erop toe dat de personen in contact met het publiek die zij tewerkstellen, jaarlijks minimum 3 uur bijscholing volgen om hun beroepskennis actueel en op peil te houden.
§ 5. De in paragrafen 2 en 4 bedoelde verplichting tot bijscholing vangt aan op 1 januari van het kalenderjaar dat volgt op de inschrijving van de bemiddelaar of de aanstelling van de betrokken persoon in een van de in paragrafen 2 en 4 bedoelde functies.]1
[2 § 6. De deelname aan door de FSMA georganiseerde vormingen over met name de in artikel 12, § 1, 2°, van dit besluit bedoelde materies, kan in aanmerking worden genomen bij de berekening van de minimumduur van de bijscholing. De FSMA verduidelijkt de modaliteiten voor deze inaanmerkingneming.]2
§ 2. De in artikel 12, paragraaf 1, eerste lid, bedoelde personen moeten jaarlijks minimum 3 uur bijscholing volgen om hun beroepskennis actueel en op peil te houden.
§ 3. De in paragraaf 2 bedoelde bijscholing moet worden gegeven door opleidingsverstrekkers die door de FSMA zijn erkend, volgens de door haar bepaalde modaliteiten. De FSMA kan, bij reglement, nader bepalen aan welke organisatorische, inhoudelijke en kwalitatieve vereisten de opleidingsverstrekkers en de door hen verstrekte bijscholing moeten voldoen, alsook de modaliteiten van de erkenningsprocedure. De FSMA publiceert een lijst van de door haar erkende opleidingsverstrekkers op haar website.
Als de FSMA daarom verzoekt, moeten de opleidingsverstrekkers haar alle inlichtingen en documenten bezorgen die zij nodig acht om te beoordelen of de opleidingsverstrekker en de door hem aangeboden bijscholingen aan het bepaalde bij het eerste lid voldoen. De FSMA kan bij de opleidingsverstrekkers ook inspecties verrichten, en ter plaatse kennisnemen of een kopie maken van alle gegevens in hun bezit.
Wanneer de FSMA vaststelt dat een opleidingsvertrekker niet aan de in het eerste lid bedoelde vereisten voldoet, stelt zij de termijn vast waarbinnen deze toestand moet worden verholpen.
De FSMA kan beslissen dat de opleidingen die de betrokken opleidingsverstrekker in die termijn verstrekt, niet in aanmerking komen voor de in dit artikel bedoelde verplichting tot bijscholing. In dat geval brengt de opleidingsverstrekker de deelnemers daarvan op de hoogte.
Indien de FSMA, na afloop van de termijn die zij conform het vorige lid heeft opgelegd, vaststelt dat de tekortkomingen niet zijn verholpen, schrapt zij de erkenning van de betrokken opleidingsverstrekker.
§ 4. De bemiddelaars inzake hypothecair krediet en de kredietgevers die de werkzaamheid van bemiddelaar inzake hypothecair krediet uitoefenen, zien erop toe dat de personen in contact met het publiek die zij tewerkstellen, jaarlijks minimum 3 uur bijscholing volgen om hun beroepskennis actueel en op peil te houden.
§ 5. De in paragrafen 2 en 4 bedoelde verplichting tot bijscholing vangt aan op 1 januari van het kalenderjaar dat volgt op de inschrijving van de bemiddelaar of de aanstelling van de betrokken persoon in een van de in paragrafen 2 en 4 bedoelde functies.]1
[2 § 6. De deelname aan door de FSMA georganiseerde vormingen over met name de in artikel 12, § 1, 2°, van dit besluit bedoelde materies, kan in aanmerking worden genomen bij de berekening van de minimumduur van de bijscholing. De FSMA verduidelijkt de modaliteiten voor deze inaanmerkingneming.]2
Art.12/2.[1 § 1er. La connaissance théorique visée à l'article 12 font l'objet d'un recyclage régulier, selon les modalités précisées dans le présent article.
§ 2. Les personnes visées à l'article 12, paragraphe 1er, alinéa 1er, doivent suivre au moins 3 heures de recyclage par an afin de maintenir leurs connaissances professionnelles à jour et à niveau.
§ 3. Le recyclage visé au paragraphe 2 doit être dispensé par des organisateurs de formations qui sont agréés par la FSMA, selon les modalités qu'elle détermine. La FSMA peut préciser, par voie de règlement, les exigences en termes d'organisation, de contenu et de qualité auxquelles les organisateurs de formations et le recyclage dispensé par leurs soins doivent satisfaire, ainsi que les modalités de la procédure d'agrément. La FSMA publie une liste des organisateurs de formations agréés par la FSMA sur son site internet.
Sur simple demande de la FSMA, les organisateurs de formations sont tenus de lui fournir tous renseignements et de lui délivrer tous documents qu'elle estime nécessaires pour juger si l'organisateur de formations et les recyclages qu'il propose satisfont au prescrit de l'alinéa 1er. La FSMA peut également procéder à des inspections auprès des organisateurs de formations et prendre connaissance ou copie sur place de toutes les informations en leur possession.
Lorsque la FSMA constate qu'un organisateur de formations ne satisfait pas aux exigences visées à l'alinéa 1er, elle fixe le délai dans lequel il doit être remédié à la situation constatée.
La FSMA peut décider que, durant ce délai, les formations dispensées par l'organisateur de formations concerné n'entrent pas en considération pour l'obligation de recyclage visée au présent article. Dans ce cas, l'organisateur de formations concerné en informe les participants.
Si, au terme du délai qu'elle a imposé conformément à l'alinéa précédent, la FSMA constate qu'il n'a pas été remédié aux manquements, la FSMA radie l'agrément de l'organisateur de formations concerné.
§ 4. Les intermédiaires en crédit hypothécaire et les prêteurs qui exercent l'activité d'intermédiaire en crédit hypothécaire veillent à ce que les personnes en contact avec le public qu'ils emploient suivent au moins trois heures de recyclage par an afin de maintenir leurs connaissances professionnelles à jour et à niveau.
§ 5. L'obligation de recyclage visée aux paragraphes 2 et 4 prend cours le 1er janvier de l'année civile qui suit l'inscription de l'intermédiaire ou la désignation de la personne concernée dans une des fonctions visées aux paragraphes 2 et 4.]1
[2 § 6. La participation à des formations organisées par la FSMA qui portent notamment sur les matières visées à l'article 12, § 1er, 2° du présent arrêté peut être prise en compte dans le calcul de la durée minimale de recyclage. La FSMA précise les modalités de cette prise en compte.]2
§ 2. Les personnes visées à l'article 12, paragraphe 1er, alinéa 1er, doivent suivre au moins 3 heures de recyclage par an afin de maintenir leurs connaissances professionnelles à jour et à niveau.
§ 3. Le recyclage visé au paragraphe 2 doit être dispensé par des organisateurs de formations qui sont agréés par la FSMA, selon les modalités qu'elle détermine. La FSMA peut préciser, par voie de règlement, les exigences en termes d'organisation, de contenu et de qualité auxquelles les organisateurs de formations et le recyclage dispensé par leurs soins doivent satisfaire, ainsi que les modalités de la procédure d'agrément. La FSMA publie une liste des organisateurs de formations agréés par la FSMA sur son site internet.
Sur simple demande de la FSMA, les organisateurs de formations sont tenus de lui fournir tous renseignements et de lui délivrer tous documents qu'elle estime nécessaires pour juger si l'organisateur de formations et les recyclages qu'il propose satisfont au prescrit de l'alinéa 1er. La FSMA peut également procéder à des inspections auprès des organisateurs de formations et prendre connaissance ou copie sur place de toutes les informations en leur possession.
Lorsque la FSMA constate qu'un organisateur de formations ne satisfait pas aux exigences visées à l'alinéa 1er, elle fixe le délai dans lequel il doit être remédié à la situation constatée.
La FSMA peut décider que, durant ce délai, les formations dispensées par l'organisateur de formations concerné n'entrent pas en considération pour l'obligation de recyclage visée au présent article. Dans ce cas, l'organisateur de formations concerné en informe les participants.
Si, au terme du délai qu'elle a imposé conformément à l'alinéa précédent, la FSMA constate qu'il n'a pas été remédié aux manquements, la FSMA radie l'agrément de l'organisateur de formations concerné.
§ 4. Les intermédiaires en crédit hypothécaire et les prêteurs qui exercent l'activité d'intermédiaire en crédit hypothécaire veillent à ce que les personnes en contact avec le public qu'ils emploient suivent au moins trois heures de recyclage par an afin de maintenir leurs connaissances professionnelles à jour et à niveau.
§ 5. L'obligation de recyclage visée aux paragraphes 2 et 4 prend cours le 1er janvier de l'année civile qui suit l'inscription de l'intermédiaire ou la désignation de la personne concernée dans une des fonctions visées aux paragraphes 2 et 4.]1
[2 § 6. La participation à des formations organisées par la FSMA qui portent notamment sur les matières visées à l'article 12, § 1er, 2° du présent arrêté peut être prise en compte dans le calcul de la durée minimale de recyclage. La FSMA précise les modalités de cette prise en compte.]2
Art. 13. [1 Het bepaalde bij artikel 12, § 1, eerste lid, 1° en 2°, §§ 2 tot 4, en bij artikel 12/2]1 is van toepassing op de verantwoordelijken voor de distributie bedoeld in artikel VII.180, § 2, eerste lid, 1° [1 van het WER en het bepaalde bij artikelen 12/1 en 12/2]1 is van toepassing op de personen in contact met het publiek bedoeld in artikel VII.180, § 2, eerste lid, 3° van het WER.
De verantwoordelijken voor de distributie bedoeld in artikel VII.180, § 2, eerste lid, 1° van het WER, moeten een praktische ervaring van zes maanden hebben opgedaan, volledig verworven binnen de periode van zes jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag bij de FSMA.
De verantwoordelijken voor de distributie bedoeld in artikel VII.180, § 2, eerste lid, 1° van het WER, moeten een praktische ervaring van zes maanden hebben opgedaan, volledig verworven binnen de periode van zes jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag bij de FSMA.
Modifications
Art. 13. [1 Les dispositions de l'article 12, § 1er, alinéa 1er, 1° et 2°, §§ 2 à 4 et de l'article 12/2]1, s'appliquent aux responsables de la distribution visés à l'article VII.180, § 2, alinéa 1er, 1°, [1 du CDE, et les dispositions des articles 12/1 et 12/2]1, s'appliquent aux personnes en contact avec le public visées à l'article VII.180, § 2, alinéa 1er, 3°, du CDE.
Les responsables de la distribution visés à l'article VII.180, § 2, alinéa 1er, 1°, du CDE doivent justifier d'une expérience pratique de six mois, acquise dans sa totalité au cours de la période de six ans précédant la date d'introduction de la demande auprès de la FSMA.
Les responsables de la distribution visés à l'article VII.180, § 2, alinéa 1er, 1°, du CDE doivent justifier d'une expérience pratique de six mois, acquise dans sa totalité au cours de la période de six ans précédant la date d'introduction de la demande auprès de la FSMA.
Modifications
Art. 14. [1 Het bepaalde bij artikel 12, § 1, eerste lid, 2°, en §§ 2 tot 4, is ook van toepassing]1 op de verantwoordelijken voor de distributie bedoeld in artikel VII.183, § 5, 1° van het WER [1 . Artikel 12/1, §§ 1 en 3, is ook van toepassing op de personen in contact met het publiek]1 bedoeld in artikel VII.183, § 5, 3° van het WER.
Het bepaalde bij artikel 12, § 1, eerste lid, 2°, b, c, g en h is ook van toepassing op de verantwoordelijken voor de distributie bedoeld in artikel VII.183, § 5bis, 1° van het WER en op de personen in contact met het publiek bedoeld in artikel VII.183, § 5bis, 3° van het WER.
Het bepaalde bij artikel 12, § 1, eerste lid, 2°, b, c, g en h is ook van toepassing op de verantwoordelijken voor de distributie bedoeld in artikel VII.183, § 5bis, 1° van het WER en op de personen in contact met het publiek bedoeld in artikel VII.183, § 5bis, 3° van het WER.
Modifications
Art. 14. [1 Les dispositions prévues à l'article 12, § 1er, alinéa 1er, 2°, et §§ 2 à 4 s'appliquent]1 également aux responsables de la distribution visés à l'article VII.183, § 5, 1°, du CDE [1 . L'article 12/1, §§ 1er et 3 s'applique également aux personnes en contact avec le public]1 visées à l'article VII.183, § 5, 3°, du CDE.
Les dispositions prévues à l'article 12, § 1er, alinéa 1er, 2°, b, c, g et h, s'appliquent également aux responsables de la distribution visés à l'article VII.183, § 5bis, 1°, du CDE, ainsi qu'aux personnes en contact avec le public visées à l'article VII.183, § 5bis, 3°, du CDE.
Les dispositions prévues à l'article 12, § 1er, alinéa 1er, 2°, b, c, g et h, s'appliquent également aux responsables de la distribution visés à l'article VII.183, § 5bis, 1°, du CDE, ainsi qu'aux personnes en contact avec le public visées à l'article VII.183, § 5bis, 3°, du CDE.
Modifications
HOOFDSTUK VI. - Vereiste beroepskennis voor bemiddelaars inzake consumentenkrediet
CHAPITRE VI. - Connaissances professionnelles requises pour les intermédiaires en crédit à la consommation
Art. 15. § 1. Volgende personen moeten aan de vereiste beroepskennis bepaald in de tweede paragraaf voldoen :
1° de bemiddelaar en de verantwoordelijken voor de distributie bedoeld in artikel VII.186, § 1, eerste lid, 1° van het WER;
2° de personen belast met de effectieve leiding b[1 die de facto de verantwoordelijkheid hebben over de werkzaamheid van bemiddeling in consumentenkrediet of hierop toezicht uitoefenen ]1;
3° de verantwoordelijken voor de distributie bedoeld in artikel VII.187, § 1, 1°, bij een agent in nevenfunctie, bedoeld in artikel VII.72, tweede lid, van het WER.
§ 2. De personen opgesomd in paragraaf 1, moeten inzake beroepskennis voldoen aan volgende voorwaarden :
1° minstens houder zijn van een overeenkomstig een decreet van de Vlaamse, de Franse of de Duitstalige Gemeenschap toegekend getuigschrift van hoger middelbaar onderwijs of minstens houder zijn van een buitenlands diploma dat krachtens de toepasselijke wetgeving of door de bevoegde autoriteit als gelijkwaardig wordt beschouwd;
2° een voldoende theoretische kennis bezitten van de volgende materies :
a) de Belgische markt inzake consumentenkrediet;
b) de wetgeving met betrekking tot het consumentenkrediet, de marktpraktijken en de consumentenbescherming;
c) de basisprincipes van de huwelijks-vermogensstelsels;
d) de verschillende soorten van consumentenkrediet;
e) de beoordeling van de kredietwaardigheid van de consument;
f) het sluiten en de uitvoering van de overeenkomst inzake consumentenkrediet;
g) de bedrijfsethiek, interne procedures en gedragscode van de sector;
h) de witwaswetgeving.
3° voor de makelaar en zijn verantwoordelijken voor de distributie, een praktische ervaring van één jaar, volledig verworven binnen de periode van zes jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag bij de FSMA. [2 De duur van de vereiste praktische ervaring bedraagt echter 2 jaar voor de makelaars en de verantwoordelijken voor de distributie op wie paragraaf 6, 1°, van toepassing is, en die houder zijn van een masterdiploma dat niet minstens 5 studiepunten theoretische kennis als bedoeld in de bepaling onder 2° omvat, of een equivalent percentage van studiebelasting]2;
4° Voor de verbonden agent en zijn verantwoordelijken voor de distributie een praktische ervaring van zes maanden, volledig verworven binnen de periode van zes jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag bij de FSMA. [2 De duur van de vereiste praktische ervaring bedraagt één jaar voor de verbonden agenten en de verantwoordelijken voor de distributie op wie paragraaf 6, 1°, van toepassing is, en die houder zijn van een masterdiploma dat niet minstens 5 studiepunten theoretische kennis als bedoeld in de bepaling onder 2° omvat, of een equivalent percentage van studiebelasting]2;
5° voor de verantwoordelijken voor de distributie bedoeld in artikel VII.187, § 1, 1° van een agent in nevenfunctie, bedoeld in artikel VII.72, tweede lid van het WER, een praktische ervaring van zes maanden, volledig verworven binnen de periode van zes jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag bij de FSMA.
[2 De FSMA kan de structuur en de inhoud van de praktische ervaring bedoeld in het eerste lid, 3°, 4° en 5° nader bepalen, alsook welke handelingen onder toezicht en verantwoordelijkheid van een ingeschreven tussenpersoon of van een kredietgever kunnen worden verricht tijdens de periode waarin de praktische ervaring wordt opgedaan. De duur van de praktische ervaring wordt op voltijdbasis berekend. De FSMA kan echter specifieke modaliteiten bepalen voor de berekening van de duur van de praktische ervaring wanneer die wordt opgedaan door een kandidaat voor verschillende statuten van tussenpersoon of voor een functie bij een tussenpersoon of een kredietgever die zijn activiteiten cumuleert met activiteiten in verband met bank- of beleggingsdiensten, en/of de verzekerings- of herverzekeringsdistributie, en/of wanneer die wordt opgedaan bij een tussenpersoon of een kredietgever die verschillende van voornoemde activiteiten cumuleert tijdens de periode waarin de praktische ervaring wordt opgedaan. Die specifieke modaliteiten zullen onder meer rekening houden met de relevantie van de opgedane praktische ervaring.]2
§ 3. [2 ...]2
[1 De personen die belast zijn met de effectieve leiding maar die de facto noch de verantwoordelijkheid hebben over de werkzaamheid van bemiddeling in consumentenkrediet, noch hierop toezicht uitoefenen, moeten inzake beroepskennis beschikken over een basiskennis van de materies als bedoeld in paragraaf 2, eerste lid, 2°.]1 [2 Die basiskennis vereist geen bijscholing als bedoeld in artikel 15/2.]2
§ 4. De verantwoordelijken voor de distributie bedoeld in artikel VII.187, § 1, 1° bij een agent in nevenfunctie, bedoeld in artikel VII.72, eerste lid van het WER, moeten inzake beroepskennis voldoen aan het bepaalde in § 2, eerste lid, 1°, en een basiskennis bezitten van de materies bedoeld in § 2, eerste lid, 2°.
§ 5. [2 Onder voorbehoud van de bepalingen van paragrafen 6 en 7, wordt het bewijs van de vereiste theoretische kennis als bedoeld in paragraaf 2, eerste lid, 2°, geleverd door het slagen voor een of meer examens die door de FSMA zijn erkend, die door of krachtens een decreet, door een beroepsvereniging of door een kredietgever worden georganiseerd, en die betrekking hebben op de in paragraaf 2, eerste lid, 2°, bedoelde materies.
De examenorganisatoren delen aan de FSMA de inhoud en de regels mee voor het examen dat zij conform het vorige lid organiseren. De FSMA gaat na of de examens die zij organiseren, naar de kennis van de in paragraaf 2, eerste lid, 2°, bedoelde materies peilen.
De FSMA kan, bij reglement, de regels preciseren waaraan dit examen moet voldoen.
De FSMA kan de erkenning intrekken als een examen niet langer naar de kennis van de in paragraaf 2, eerste lid, 2°, bedoelde materies peilt, of niet aan de in het vorige lid bedoelde regels voldoet.]2
§ 6. [2 De in paragrafen 3 en 4 en in artikel 15/1, § 2, bedoelde personen kunnen bewijzen dat zij over de basiskennis beschikken, aan de hand van een getuigschrift van hoger middelbaar onderwijs dat hun overeenkomstig een decreet van de Vlaamse, de Franse of de Duitstalige Gemeenschap is toegekend, of aan de hand van een buitenlands diploma dat, krachtens de toepasselijke wetgeving of door de bevoegde autoriteit, als gelijkwaardig wordt beschouwd, of door het slagen voor het in het eerste lid bedoelde examen.]2
§ 7. [2 Voor de in paragraaf 1 en in artikel 15/1, §§ 1 en 3, bedoelde personen kan het bewijs van de theoretische kennis worden geleverd aan de hand van:
1° een overeenkomstig een decreet van de Vlaamse, de Franse of de Duitstalige Gemeenschap door een universiteit of een hogeschool toegekend masterdiploma of een daarmee gelijkgesteld diploma toegekend vóór het academiejaar 2004-2005;
2° een overeenkomstig een decreet van de Vlaamse, de Franse of de Duitstalige Gemeenschap door een universiteit of een hogeschool toegekend diploma van academisch bachelor, een door een instelling van hoger onderwijs toegekend diploma van professioneel bachelor of een daarmee gelijkgesteld diploma toegekend vóór het schooljaar 2004-2005, dat een lessenprogramma omvat van minstens 11 studiepunten theoretische kennis als bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 2°, of een equivalent percentage van studiebelasting;
3° een buitenlands diploma dat, krachtens de toepasselijke wetgeving of door de bevoegde autoriteit, als gelijkwaardig beschouwd wordt beschouwd met één van de diploma's als bedoeld in de bepalingen onder 1° of 2°.]2
§ 8. [2 In afwijking van paragraaf 5 moeten de personen die al in het register van de bemiddelaars inzake consumentenkrediet ingeschreven zijn geweest, maar daar vervolgens uit weggelaten zijn geweest, wanneer zij binnen vijf jaar na hun weglating uit het register verzoeken om opnieuw in dat register te worden ingeschreven, en ongeacht de categorie van het register waarop dat nieuwe verzoek betrekking heeft, niet bewijzen dat zij voldoen aan de vereisten inzake beroepskennis waaraan zij bij hun vorige inschrijving al geacht werden te voldoen.
Bovendien moeten voornoemde personen, wanneer zij verzoeken om opnieuw in het register te worden ingeschreven en ongeacht de termijn die sinds hun weglating uit dat register is verstreken, de in paragraaf 2, eerste lid, 1°, en in paragrafen 6 en 7 bedoelde getuigschriften, die zij bij hun vorige inschrijving al aan de FSMA hebben bezorgd, niet opnieuw voorleggen.
De bepalingen van deze paragraaf zijn op overeenkomstige wijze van toepassing op de personen die als verantwoordelijken voor de distributie zijn aangewezen, en op de personen in contact met het publiek die kunnen aantonen dat zij onder dezelfde voorwaarden actief zijn geweest, alsook op de effectieve leiders van de bemiddelaars inzake consumentenkrediet die de facto verantwoordelijk zijn voor de werkzaamheid van bemiddeling.
De in deze paragraaf bepaalde afwijkingen zijn niet van toepassing als de weglating uit het register voortvloeit uit een schrappingsmaatregel die op grond van een inbreuk op de vereisten inzake beroepskennis is genomen.]2
[2 § 9. De volgende personen, die over de vereiste beroepskennis beschikken op de datum van inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 12 december 2021 tot harmonisatie van verschillende koninklijke besluiten over de bemiddeling in de financiële en verzekeringssector, worden geacht om, voor de uitoefening van hun werkzaamheid en/of functie, de vereiste beroepskennis te bezitten als bedoeld in Hoofdstuk VI van dit besluit, als gewijzigd bij voornoemd koninklijk besluit van 12 december 2021:
- de bemiddelaars inzake consumentenkrediet die, op de datum van inwerkingtreding van voornoemd koninklijk besluit van 12 december 2021, in het register van de bemiddelaars inzake consumentenkrediet zijn ingeschreven,
- de verantwoordelijken voor de distributie en effectieve leiders die de facto verantwoordelijk zijn voor de werkzaamheid van bemiddeling, en die in functie zijn op de datum van inwerkingtreding van voornoemd koninklijk besluit van 12 december 2021, en,
- de personen in contact met het publiek die, op de datum van inwerkingtreding van voornoemd koninklijk besluit van 12 december 2021, rechtstreeks deelnemen aan de werkzaamheid van bemiddeling inzake consumentenkrediet bij een kredietbemiddelaar die in het register van de bemiddelaars inzake consumentenkrediet is ingeschreven, of bij een kredietgever zijn tewerkgesteld.]2
1° de bemiddelaar en de verantwoordelijken voor de distributie bedoeld in artikel VII.186, § 1, eerste lid, 1° van het WER;
2° de personen belast met de effectieve leiding b[1 die de facto de verantwoordelijkheid hebben over de werkzaamheid van bemiddeling in consumentenkrediet of hierop toezicht uitoefenen ]1;
3° de verantwoordelijken voor de distributie bedoeld in artikel VII.187, § 1, 1°, bij een agent in nevenfunctie, bedoeld in artikel VII.72, tweede lid, van het WER.
§ 2. De personen opgesomd in paragraaf 1, moeten inzake beroepskennis voldoen aan volgende voorwaarden :
1° minstens houder zijn van een overeenkomstig een decreet van de Vlaamse, de Franse of de Duitstalige Gemeenschap toegekend getuigschrift van hoger middelbaar onderwijs of minstens houder zijn van een buitenlands diploma dat krachtens de toepasselijke wetgeving of door de bevoegde autoriteit als gelijkwaardig wordt beschouwd;
2° een voldoende theoretische kennis bezitten van de volgende materies :
a) de Belgische markt inzake consumentenkrediet;
b) de wetgeving met betrekking tot het consumentenkrediet, de marktpraktijken en de consumentenbescherming;
c) de basisprincipes van de huwelijks-vermogensstelsels;
d) de verschillende soorten van consumentenkrediet;
e) de beoordeling van de kredietwaardigheid van de consument;
f) het sluiten en de uitvoering van de overeenkomst inzake consumentenkrediet;
g) de bedrijfsethiek, interne procedures en gedragscode van de sector;
h) de witwaswetgeving.
3° voor de makelaar en zijn verantwoordelijken voor de distributie, een praktische ervaring van één jaar, volledig verworven binnen de periode van zes jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag bij de FSMA. [2 De duur van de vereiste praktische ervaring bedraagt echter 2 jaar voor de makelaars en de verantwoordelijken voor de distributie op wie paragraaf 6, 1°, van toepassing is, en die houder zijn van een masterdiploma dat niet minstens 5 studiepunten theoretische kennis als bedoeld in de bepaling onder 2° omvat, of een equivalent percentage van studiebelasting]2;
4° Voor de verbonden agent en zijn verantwoordelijken voor de distributie een praktische ervaring van zes maanden, volledig verworven binnen de periode van zes jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag bij de FSMA. [2 De duur van de vereiste praktische ervaring bedraagt één jaar voor de verbonden agenten en de verantwoordelijken voor de distributie op wie paragraaf 6, 1°, van toepassing is, en die houder zijn van een masterdiploma dat niet minstens 5 studiepunten theoretische kennis als bedoeld in de bepaling onder 2° omvat, of een equivalent percentage van studiebelasting]2;
5° voor de verantwoordelijken voor de distributie bedoeld in artikel VII.187, § 1, 1° van een agent in nevenfunctie, bedoeld in artikel VII.72, tweede lid van het WER, een praktische ervaring van zes maanden, volledig verworven binnen de periode van zes jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag bij de FSMA.
[2 De FSMA kan de structuur en de inhoud van de praktische ervaring bedoeld in het eerste lid, 3°, 4° en 5° nader bepalen, alsook welke handelingen onder toezicht en verantwoordelijkheid van een ingeschreven tussenpersoon of van een kredietgever kunnen worden verricht tijdens de periode waarin de praktische ervaring wordt opgedaan. De duur van de praktische ervaring wordt op voltijdbasis berekend. De FSMA kan echter specifieke modaliteiten bepalen voor de berekening van de duur van de praktische ervaring wanneer die wordt opgedaan door een kandidaat voor verschillende statuten van tussenpersoon of voor een functie bij een tussenpersoon of een kredietgever die zijn activiteiten cumuleert met activiteiten in verband met bank- of beleggingsdiensten, en/of de verzekerings- of herverzekeringsdistributie, en/of wanneer die wordt opgedaan bij een tussenpersoon of een kredietgever die verschillende van voornoemde activiteiten cumuleert tijdens de periode waarin de praktische ervaring wordt opgedaan. Die specifieke modaliteiten zullen onder meer rekening houden met de relevantie van de opgedane praktische ervaring.]2
§ 3. [2 ...]2
[1 De personen die belast zijn met de effectieve leiding maar die de facto noch de verantwoordelijkheid hebben over de werkzaamheid van bemiddeling in consumentenkrediet, noch hierop toezicht uitoefenen, moeten inzake beroepskennis beschikken over een basiskennis van de materies als bedoeld in paragraaf 2, eerste lid, 2°.]1 [2 Die basiskennis vereist geen bijscholing als bedoeld in artikel 15/2.]2
§ 4. De verantwoordelijken voor de distributie bedoeld in artikel VII.187, § 1, 1° bij een agent in nevenfunctie, bedoeld in artikel VII.72, eerste lid van het WER, moeten inzake beroepskennis voldoen aan het bepaalde in § 2, eerste lid, 1°, en een basiskennis bezitten van de materies bedoeld in § 2, eerste lid, 2°.
§ 5. [2 Onder voorbehoud van de bepalingen van paragrafen 6 en 7, wordt het bewijs van de vereiste theoretische kennis als bedoeld in paragraaf 2, eerste lid, 2°, geleverd door het slagen voor een of meer examens die door de FSMA zijn erkend, die door of krachtens een decreet, door een beroepsvereniging of door een kredietgever worden georganiseerd, en die betrekking hebben op de in paragraaf 2, eerste lid, 2°, bedoelde materies.
De examenorganisatoren delen aan de FSMA de inhoud en de regels mee voor het examen dat zij conform het vorige lid organiseren. De FSMA gaat na of de examens die zij organiseren, naar de kennis van de in paragraaf 2, eerste lid, 2°, bedoelde materies peilen.
De FSMA kan, bij reglement, de regels preciseren waaraan dit examen moet voldoen.
De FSMA kan de erkenning intrekken als een examen niet langer naar de kennis van de in paragraaf 2, eerste lid, 2°, bedoelde materies peilt, of niet aan de in het vorige lid bedoelde regels voldoet.]2
§ 6. [2 De in paragrafen 3 en 4 en in artikel 15/1, § 2, bedoelde personen kunnen bewijzen dat zij over de basiskennis beschikken, aan de hand van een getuigschrift van hoger middelbaar onderwijs dat hun overeenkomstig een decreet van de Vlaamse, de Franse of de Duitstalige Gemeenschap is toegekend, of aan de hand van een buitenlands diploma dat, krachtens de toepasselijke wetgeving of door de bevoegde autoriteit, als gelijkwaardig wordt beschouwd, of door het slagen voor het in het eerste lid bedoelde examen.]2
§ 7. [2 Voor de in paragraaf 1 en in artikel 15/1, §§ 1 en 3, bedoelde personen kan het bewijs van de theoretische kennis worden geleverd aan de hand van:
1° een overeenkomstig een decreet van de Vlaamse, de Franse of de Duitstalige Gemeenschap door een universiteit of een hogeschool toegekend masterdiploma of een daarmee gelijkgesteld diploma toegekend vóór het academiejaar 2004-2005;
2° een overeenkomstig een decreet van de Vlaamse, de Franse of de Duitstalige Gemeenschap door een universiteit of een hogeschool toegekend diploma van academisch bachelor, een door een instelling van hoger onderwijs toegekend diploma van professioneel bachelor of een daarmee gelijkgesteld diploma toegekend vóór het schooljaar 2004-2005, dat een lessenprogramma omvat van minstens 11 studiepunten theoretische kennis als bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 2°, of een equivalent percentage van studiebelasting;
3° een buitenlands diploma dat, krachtens de toepasselijke wetgeving of door de bevoegde autoriteit, als gelijkwaardig beschouwd wordt beschouwd met één van de diploma's als bedoeld in de bepalingen onder 1° of 2°.]2
§ 8. [2 In afwijking van paragraaf 5 moeten de personen die al in het register van de bemiddelaars inzake consumentenkrediet ingeschreven zijn geweest, maar daar vervolgens uit weggelaten zijn geweest, wanneer zij binnen vijf jaar na hun weglating uit het register verzoeken om opnieuw in dat register te worden ingeschreven, en ongeacht de categorie van het register waarop dat nieuwe verzoek betrekking heeft, niet bewijzen dat zij voldoen aan de vereisten inzake beroepskennis waaraan zij bij hun vorige inschrijving al geacht werden te voldoen.
Bovendien moeten voornoemde personen, wanneer zij verzoeken om opnieuw in het register te worden ingeschreven en ongeacht de termijn die sinds hun weglating uit dat register is verstreken, de in paragraaf 2, eerste lid, 1°, en in paragrafen 6 en 7 bedoelde getuigschriften, die zij bij hun vorige inschrijving al aan de FSMA hebben bezorgd, niet opnieuw voorleggen.
De bepalingen van deze paragraaf zijn op overeenkomstige wijze van toepassing op de personen die als verantwoordelijken voor de distributie zijn aangewezen, en op de personen in contact met het publiek die kunnen aantonen dat zij onder dezelfde voorwaarden actief zijn geweest, alsook op de effectieve leiders van de bemiddelaars inzake consumentenkrediet die de facto verantwoordelijk zijn voor de werkzaamheid van bemiddeling.
De in deze paragraaf bepaalde afwijkingen zijn niet van toepassing als de weglating uit het register voortvloeit uit een schrappingsmaatregel die op grond van een inbreuk op de vereisten inzake beroepskennis is genomen.]2
[2 § 9. De volgende personen, die over de vereiste beroepskennis beschikken op de datum van inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 12 december 2021 tot harmonisatie van verschillende koninklijke besluiten over de bemiddeling in de financiële en verzekeringssector, worden geacht om, voor de uitoefening van hun werkzaamheid en/of functie, de vereiste beroepskennis te bezitten als bedoeld in Hoofdstuk VI van dit besluit, als gewijzigd bij voornoemd koninklijk besluit van 12 december 2021:
- de bemiddelaars inzake consumentenkrediet die, op de datum van inwerkingtreding van voornoemd koninklijk besluit van 12 december 2021, in het register van de bemiddelaars inzake consumentenkrediet zijn ingeschreven,
- de verantwoordelijken voor de distributie en effectieve leiders die de facto verantwoordelijk zijn voor de werkzaamheid van bemiddeling, en die in functie zijn op de datum van inwerkingtreding van voornoemd koninklijk besluit van 12 december 2021, en,
- de personen in contact met het publiek die, op de datum van inwerkingtreding van voornoemd koninklijk besluit van 12 december 2021, rechtstreeks deelnemen aan de werkzaamheid van bemiddeling inzake consumentenkrediet bij een kredietbemiddelaar die in het register van de bemiddelaars inzake consumentenkrediet is ingeschreven, of bij een kredietgever zijn tewerkgesteld.]2
Art. 15. § 1er. Les personnes suivantes doivent répondre aux exigences de connaissances professionnelles fixées au paragraphe 2 :
1° l'intermédiaire et les responsables de la distribution visés à l'article VII.186, § 1er, alinéa 1er, 1°, du CDE;
2° les personnes chargées de la direction effective [1 qui de facto assument la responsabilité de l'activité d'intermédiation en crédit à la consommation ou en exercent le contrôle]1;
3° les responsables de la distribution visés à l'article VII.187, § 1er, 1°, auprès d'un agent à titre accessoire, tel que visé à l'article VII.72, alinéa 2, du CDE.
§ 2. Les personnes énumérées au paragraphe 1er doivent, en matière de connaissances professionnelles, satisfaire aux conditions suivantes :
1° être au moins titulaire d'un certificat de l'enseignement secondaire supérieur, délivré conformément à un décret de la Communauté française, de la Communauté flamande ou de la Communauté germanophone ou être au moins titulaire d'un diplôme étranger considéré, en vertu de la législation applicable ou par l'autorité compétente comme équivalent;
2° posséder une connaissance théorique suffisante des matières suivantes :
a) le marché belge du crédit à la consommation;
b) la législation relative au crédit à la consommation, aux pratiques du marché et à la protection des consommateurs;
c) les principes de base des régimes matrimoniaux;
d) les différents types de crédit à la consommation;
e) le processus d'évaluation de la solvabilité du consommateur;
f) la conclusion et l'exécution du contrat de crédit à la consommation;
g) les normes déontologiques, les procédures internes et le code de conduite du secteur;
h) la législation anti-blanchiment.
3° pour le courtier et ses responsables de la distribution, une expérience pratique d'un an, acquise dans sa totalité au cours de la période de six ans précédant la date d'introduction de la demande auprès de la FSMA. [2 Toutefois, la durée de l'expérience pratique requise est de 2 ans pour les courtiers et les responsables de la distribution qui bénéficient de l'application du paragraphe 6, 1° et qui sont titulaires d'un diplôme de master qui ne compte pas au moins 5 crédits se rapportant aux connaissances théoriques visées au 2°, ou un pourcentage équivalent de la charge d'études]2;
4° pour l'agent lié et ses responsables de la distribution, une expérience pratique de six mois, acquise dans sa totalité au cours de la période de six ans précédant la date d'introduction de la demande auprès de la FSMA. [2 Toutefois, la durée de l'expérience pratique requise est d'un an pour les agents liés et les responsables de la distribution qui bénéficient de l'application du paragraphe 6, 1° et qui sont titulaires d'un diplôme de master qui ne compte pas au moins 5 crédits se rapportant aux connaissances théoriques visées au 2° ou un pourcentage équivalent de la charge d'études]2;
5° pour les responsables de la distribution visés à l'article VII.187, § 1er, 1°, auprès d'un agent à titre accessoire, tel que visé à l'article VII.72, alinéa 2, du CDE, une expérience pratique de six mois, acquise dans sa totalité au cours de la période de six ans précédant la date d'introduction de la demande auprès de la FSMA.
[2 La FSMA peut préciser la structure et le contenu de l'expérience pratique visée à l'alinéa 1er, 3°, 4° et 5°, ainsi que les actes pouvant être accomplis, sous la supervision et la responsabilité d'un intermédiaire inscrit ou d'un prêteur, au cours de la période d'acquisition de l'expérience pratique. La durée de l'expérience pratique est calculée sur une base d'équivalent temps plein. La FSMA peut toutefois préciser des modalités spécifiques de calcul de la durée de l'expérience pratique lorsque celle-ci est acquise par un candidat à plusieurs statuts d'intermédiaire ou à une fonction auprès d'un intermédiaire ou d'un prêteur, cumulant ses activités avec des activités en matière de services bancaires ou de services d'investissement et/ou de distribution d'assurances ou de réassurances, et/ou lorsque cette expérience pratique est acquise auprès d'un intermédiaire ou d'un prêteur, cumulant plusieurs des activités précitées durant la période d'acquisition de l'expérience pratique. Ces modalités spécifiques tiendront notamment compte de la pertinence de l'expérience pratique acquise.]2
§ 3. [2 ...]2
[1 Les personnes chargées de la direction effective qui de facto n'assument pas la responsabilité de l'activité d'intermédiation en crédit à la consommation ni n'en exercent le contrôle, doivent, en matière de connaissances professionnelles, posséder une connaissance de base des matières visées au paragraphe 2, alinéa 1er, 2°.]1 [2 Cette connaissance de base ne doit pas faire l'objet d'un recyclage visé à l'article 15/2.]2
§ 4. Les responsables de la distribution visés à l'article VII.187, § 1er, 1°, auprès d'un agent à titre accessoire, tel que visé à l'article VII. 72, alinéa 1er, du CDE, doivent, en matière de connaissances professionnelles, répondre aux exigences prévues au paragraphe 2, alinéa 1er, 1°, et posséder une connaissance de base des matières visées au paragraphe 2, alinéa 1er, 2°.
§ 5. [2 Sous réserve des dispositions des paragraphes 6 et 7, la preuve des connaissances théoriques requises visées au paragraphe 2, alinéa 1er, 2° est fournie par la réussite d'un ou plusieurs examens agréés par la FSMA, et qui sont organisés par ou en vertu d'un décret, par une association professionnelle, ou par un prêteur et couvrant les matières visées au paragraphe 2, alinéa 1er, 2°.
Les organisateurs d'examens communiquent à la FSMA le contenu et les modalités de l'examen qu'ils organisent conformément à l'alinéa précédent. La FSMA vérifie si les examens qu'ils organisent couvrent les matières visées au paragraphe 2, alinéa 1er, 2°.
La FSMA peut, par voie de règlement, préciser les règles auxquelles cet examen doit satisfaire.
La FSMA peut retirer son agrément si un examen ne couvre plus les matières visées au paragraphe 2, alinéa 1er, 2°, ou ne satisfait pas aux règles visées à l'alinéa précédent.]2
§ 6. [2 Pour les personnes visées aux paragraphes 3 et 4 et à l'article 15/1, § 2, la preuve de la connaissance de base peut être fournie par un certificat de l'enseignement secondaire supérieur délivré conformément à un décret de la Communauté française, de la Communauté flamande ou de la Communauté germanophone ou par un diplôme étranger considéré, en vertu de la législation applicable ou par l'autorité compétente, comme équivalent ou par la réussite d'un examen tel que prévu à l'alinéa 1er.]2
§ 7. [2 Pour les personnes visées au paragraphe 1er et à l'article 15/1, §§ 1er et 3, la preuve de la connaissance théorique peut être fournie par :
1° un diplôme de master délivré par une université ou par une école supérieure conformément à un décret de la Communauté française, de la Communauté flamande ou de la Communauté germanophone, ou un diplôme équivalent délivré avant l'année académique 2004-2005 ;
2° un diplôme de bachelier académique délivré par une université ou par une école supérieure conformément à un décret de la Communauté française, de la Communauté flamande ou de la Communauté germanophone, un diplôme de bachelier professionnel délivré par un établissement d'enseignement supérieur, ou un diplôme équivalent délivré avant l'année scolaire 2004- 2005, diplôme dont le programme de cours compte au moins 11 crédits se rapportant aux connaissances théoriques visées au paragraphe 1er, alinéa 1er, 2°, ou un pourcentage équivalent de la charge d'études ;
3° un diplôme étranger reconnu, en vertu de la législation applicable ou par l'autorité compétente, comme équivalent à l'un des diplômes visés au 1° ou 2°.]2
§ 8. [2 Par dérogation au paragraphe 5, les personnes qui ont déjà été inscrites au registre des intermédiaires en crédit à la consommation mais qui en ont été omises, ne doivent pas, en cas de demande de réinscription dans les cinq ans de leur omission du registre et quelle que soit la catégorie du registre sur laquelle porte la nouvelle demande, prouver qu'elles satisfont aux exigences en matière de connaissances professionnelles auxquelles elles étaient déjà réputées satisfaire lors de leur précédente inscription.
En outre, en cas de demande de réinscription et quel que soit le délai écoulé depuis leur omission du registre, les personnes précitées ne doivent pas produire une nouvelle fois les certificats visés au paragraphe 2, alinéa 1er, 1°, et aux paragraphes 6 et 7, qu'elles ont déjà transmis à la FSMA lors de leur précédente inscription.
Les dispositions du présent paragraphe sont applicables par analogie aux personnes qui ont été désignées comme responsables de la distribution et aux personnes en contact avec le public qui peuvent démontrer qu'elles ont été actives aux mêmes conditions, ainsi qu'aux dirigeants effectifs des intermédiaires en crédit à la consommation qui assument de facto la responsabilité de l'activité d'intermédiation.
Les dérogations prévues au présent paragraphe ne sont pas applicables si l'omission du registre résulte d'une mesure de radiation pour cause de manquement aux exigences en matière de connaissances professionnelles.]2
[2 § 9. Les personnes suivantes, qui possèdent les connaissances professionnelles requises jusqu'à l'entrée en vigueur de l'arrêté royal du 12 décembre 2021 visant à l'harmonisation de différents arrêtés royaux relatifs à l'intermédiation dans le secteur financier et des assurances, sont supposés, pour l'exercice de leurs activités et/ou fonctions, remplir les exigences de connaissances professionnelles visées au Chapitre VI du présent arrêté, telles que modifiées par l'arrêté royal du 12 décembre 2021 précité :
- les intermédiaires en crédit à la consommation qui, à la date d'entrée en vigueur de l'arrêté royal du 12 décembre 2021 précité, sont inscrits au registre des intermédiaires en crédit à la consommation,
- les responsables de la distribution et dirigeants effectifs qui assument de facto la responsabilité de l'activité d'intermédiation et qui sont en fonction à la date d'entrée en vigueur de l'arrêté royal du 12 décembre 2021 précité, et,
- les personnes en contact avec le public qui, à la date d'entrée en vigueur de l'arrêté royal du 12 décembre 2021 précité, s'occupent directement d'intermédiation en crédit à la consommation auprès d'un intermédiaire de crédit inscrit dans le registre des intermédiaires en crédit à la consommation, ou sont employés auprès d'un prêteur.]2
1° l'intermédiaire et les responsables de la distribution visés à l'article VII.186, § 1er, alinéa 1er, 1°, du CDE;
2° les personnes chargées de la direction effective [1 qui de facto assument la responsabilité de l'activité d'intermédiation en crédit à la consommation ou en exercent le contrôle]1;
3° les responsables de la distribution visés à l'article VII.187, § 1er, 1°, auprès d'un agent à titre accessoire, tel que visé à l'article VII.72, alinéa 2, du CDE.
§ 2. Les personnes énumérées au paragraphe 1er doivent, en matière de connaissances professionnelles, satisfaire aux conditions suivantes :
1° être au moins titulaire d'un certificat de l'enseignement secondaire supérieur, délivré conformément à un décret de la Communauté française, de la Communauté flamande ou de la Communauté germanophone ou être au moins titulaire d'un diplôme étranger considéré, en vertu de la législation applicable ou par l'autorité compétente comme équivalent;
2° posséder une connaissance théorique suffisante des matières suivantes :
a) le marché belge du crédit à la consommation;
b) la législation relative au crédit à la consommation, aux pratiques du marché et à la protection des consommateurs;
c) les principes de base des régimes matrimoniaux;
d) les différents types de crédit à la consommation;
e) le processus d'évaluation de la solvabilité du consommateur;
f) la conclusion et l'exécution du contrat de crédit à la consommation;
g) les normes déontologiques, les procédures internes et le code de conduite du secteur;
h) la législation anti-blanchiment.
3° pour le courtier et ses responsables de la distribution, une expérience pratique d'un an, acquise dans sa totalité au cours de la période de six ans précédant la date d'introduction de la demande auprès de la FSMA. [2 Toutefois, la durée de l'expérience pratique requise est de 2 ans pour les courtiers et les responsables de la distribution qui bénéficient de l'application du paragraphe 6, 1° et qui sont titulaires d'un diplôme de master qui ne compte pas au moins 5 crédits se rapportant aux connaissances théoriques visées au 2°, ou un pourcentage équivalent de la charge d'études]2;
4° pour l'agent lié et ses responsables de la distribution, une expérience pratique de six mois, acquise dans sa totalité au cours de la période de six ans précédant la date d'introduction de la demande auprès de la FSMA. [2 Toutefois, la durée de l'expérience pratique requise est d'un an pour les agents liés et les responsables de la distribution qui bénéficient de l'application du paragraphe 6, 1° et qui sont titulaires d'un diplôme de master qui ne compte pas au moins 5 crédits se rapportant aux connaissances théoriques visées au 2° ou un pourcentage équivalent de la charge d'études]2;
5° pour les responsables de la distribution visés à l'article VII.187, § 1er, 1°, auprès d'un agent à titre accessoire, tel que visé à l'article VII.72, alinéa 2, du CDE, une expérience pratique de six mois, acquise dans sa totalité au cours de la période de six ans précédant la date d'introduction de la demande auprès de la FSMA.
[2 La FSMA peut préciser la structure et le contenu de l'expérience pratique visée à l'alinéa 1er, 3°, 4° et 5°, ainsi que les actes pouvant être accomplis, sous la supervision et la responsabilité d'un intermédiaire inscrit ou d'un prêteur, au cours de la période d'acquisition de l'expérience pratique. La durée de l'expérience pratique est calculée sur une base d'équivalent temps plein. La FSMA peut toutefois préciser des modalités spécifiques de calcul de la durée de l'expérience pratique lorsque celle-ci est acquise par un candidat à plusieurs statuts d'intermédiaire ou à une fonction auprès d'un intermédiaire ou d'un prêteur, cumulant ses activités avec des activités en matière de services bancaires ou de services d'investissement et/ou de distribution d'assurances ou de réassurances, et/ou lorsque cette expérience pratique est acquise auprès d'un intermédiaire ou d'un prêteur, cumulant plusieurs des activités précitées durant la période d'acquisition de l'expérience pratique. Ces modalités spécifiques tiendront notamment compte de la pertinence de l'expérience pratique acquise.]2
§ 3. [2 ...]2
[1 Les personnes chargées de la direction effective qui de facto n'assument pas la responsabilité de l'activité d'intermédiation en crédit à la consommation ni n'en exercent le contrôle, doivent, en matière de connaissances professionnelles, posséder une connaissance de base des matières visées au paragraphe 2, alinéa 1er, 2°.]1 [2 Cette connaissance de base ne doit pas faire l'objet d'un recyclage visé à l'article 15/2.]2
§ 4. Les responsables de la distribution visés à l'article VII.187, § 1er, 1°, auprès d'un agent à titre accessoire, tel que visé à l'article VII. 72, alinéa 1er, du CDE, doivent, en matière de connaissances professionnelles, répondre aux exigences prévues au paragraphe 2, alinéa 1er, 1°, et posséder une connaissance de base des matières visées au paragraphe 2, alinéa 1er, 2°.
§ 5. [2 Sous réserve des dispositions des paragraphes 6 et 7, la preuve des connaissances théoriques requises visées au paragraphe 2, alinéa 1er, 2° est fournie par la réussite d'un ou plusieurs examens agréés par la FSMA, et qui sont organisés par ou en vertu d'un décret, par une association professionnelle, ou par un prêteur et couvrant les matières visées au paragraphe 2, alinéa 1er, 2°.
Les organisateurs d'examens communiquent à la FSMA le contenu et les modalités de l'examen qu'ils organisent conformément à l'alinéa précédent. La FSMA vérifie si les examens qu'ils organisent couvrent les matières visées au paragraphe 2, alinéa 1er, 2°.
La FSMA peut, par voie de règlement, préciser les règles auxquelles cet examen doit satisfaire.
La FSMA peut retirer son agrément si un examen ne couvre plus les matières visées au paragraphe 2, alinéa 1er, 2°, ou ne satisfait pas aux règles visées à l'alinéa précédent.]2
§ 6. [2 Pour les personnes visées aux paragraphes 3 et 4 et à l'article 15/1, § 2, la preuve de la connaissance de base peut être fournie par un certificat de l'enseignement secondaire supérieur délivré conformément à un décret de la Communauté française, de la Communauté flamande ou de la Communauté germanophone ou par un diplôme étranger considéré, en vertu de la législation applicable ou par l'autorité compétente, comme équivalent ou par la réussite d'un examen tel que prévu à l'alinéa 1er.]2
§ 7. [2 Pour les personnes visées au paragraphe 1er et à l'article 15/1, §§ 1er et 3, la preuve de la connaissance théorique peut être fournie par :
1° un diplôme de master délivré par une université ou par une école supérieure conformément à un décret de la Communauté française, de la Communauté flamande ou de la Communauté germanophone, ou un diplôme équivalent délivré avant l'année académique 2004-2005 ;
2° un diplôme de bachelier académique délivré par une université ou par une école supérieure conformément à un décret de la Communauté française, de la Communauté flamande ou de la Communauté germanophone, un diplôme de bachelier professionnel délivré par un établissement d'enseignement supérieur, ou un diplôme équivalent délivré avant l'année scolaire 2004- 2005, diplôme dont le programme de cours compte au moins 11 crédits se rapportant aux connaissances théoriques visées au paragraphe 1er, alinéa 1er, 2°, ou un pourcentage équivalent de la charge d'études ;
3° un diplôme étranger reconnu, en vertu de la législation applicable ou par l'autorité compétente, comme équivalent à l'un des diplômes visés au 1° ou 2°.]2
§ 8. [2 Par dérogation au paragraphe 5, les personnes qui ont déjà été inscrites au registre des intermédiaires en crédit à la consommation mais qui en ont été omises, ne doivent pas, en cas de demande de réinscription dans les cinq ans de leur omission du registre et quelle que soit la catégorie du registre sur laquelle porte la nouvelle demande, prouver qu'elles satisfont aux exigences en matière de connaissances professionnelles auxquelles elles étaient déjà réputées satisfaire lors de leur précédente inscription.
En outre, en cas de demande de réinscription et quel que soit le délai écoulé depuis leur omission du registre, les personnes précitées ne doivent pas produire une nouvelle fois les certificats visés au paragraphe 2, alinéa 1er, 1°, et aux paragraphes 6 et 7, qu'elles ont déjà transmis à la FSMA lors de leur précédente inscription.
Les dispositions du présent paragraphe sont applicables par analogie aux personnes qui ont été désignées comme responsables de la distribution et aux personnes en contact avec le public qui peuvent démontrer qu'elles ont été actives aux mêmes conditions, ainsi qu'aux dirigeants effectifs des intermédiaires en crédit à la consommation qui assument de facto la responsabilité de l'activité d'intermédiation.
Les dérogations prévues au présent paragraphe ne sont pas applicables si l'omission du registre résulte d'une mesure de radiation pour cause de manquement aux exigences en matière de connaissances professionnelles.]2
[2 § 9. Les personnes suivantes, qui possèdent les connaissances professionnelles requises jusqu'à l'entrée en vigueur de l'arrêté royal du 12 décembre 2021 visant à l'harmonisation de différents arrêtés royaux relatifs à l'intermédiation dans le secteur financier et des assurances, sont supposés, pour l'exercice de leurs activités et/ou fonctions, remplir les exigences de connaissances professionnelles visées au Chapitre VI du présent arrêté, telles que modifiées par l'arrêté royal du 12 décembre 2021 précité :
- les intermédiaires en crédit à la consommation qui, à la date d'entrée en vigueur de l'arrêté royal du 12 décembre 2021 précité, sont inscrits au registre des intermédiaires en crédit à la consommation,
- les responsables de la distribution et dirigeants effectifs qui assument de facto la responsabilité de l'activité d'intermédiation et qui sont en fonction à la date d'entrée en vigueur de l'arrêté royal du 12 décembre 2021 précité, et,
- les personnes en contact avec le public qui, à la date d'entrée en vigueur de l'arrêté royal du 12 décembre 2021 précité, s'occupent directement d'intermédiation en crédit à la consommation auprès d'un intermédiaire de crédit inscrit dans le registre des intermédiaires en crédit à la consommation, ou sont employés auprès d'un prêteur.]2
Art.15/1. [1 § 1. De in artikel VII.186, § 1, eerste lid, 1°, van het WER bedoelde personen in contact met het publiek moeten, inzake beroepskennis, voldoen aan het bepaalde bij artikel 15, § 2, eerste lid, 2°.
§ 2. De in artikel VII.187, § 1, 1°, bedoelde personen in contact met het publiek bij een agent in een nevenfunctie als bedoeld in artikel VII.72, eerste lid, van het WER moeten een basiskennis bezitten van de in artikel 15, § 2, eerste lid, 2°, bedoelde materies.
§ 3. De in artikel VII.187, § 1, 1°, bedoelde personen in contact met het publiek bij een agent in een nevenfunctie als bedoeld in artikel VII.72, tweede lid, van het WER moeten de theoretische kennis als bedoeld in artikel 15, § 2, eerste lid, 2°, bezitten.
§ 4. In afwijking van de vorige paragrafen mag een persoon in contact met het publiek die de vereiste theoretische kennis nog niet bezit, als persoon in contact met het publiek in opleiding worden aangesteld.
Binnen het jaar na zijn eerste aanstelling als persoon in contact met het publiek in opleiding moet de in het eerste lid bedoelde persoon de vereiste theoretische kennis bezitten.
Zolang de persoon in contact met het publiek in opleiding is, handelt hij onder het toezicht en binnen de omkadering van de bemiddelaar inzake consumentenkrediet, van een daartoe bij de bemiddelaar aangewezen verantwoordelijke voor de distributie, of van een daartoe door de bemiddelaar aangewezen persoon in contact met het publiek die de in artikel 15, § 2, eerste lid, 2°, bedoelde theoretische kennis bezit en die de overeenkomstig paragraaf 5 vereiste ervaring heeft verworven.
De persoon in contact met het publiek in opleiding die niet aan de in het tweede lid gestelde voorwaarde beantwoordt, kan niet langer als persoon in contact met het publiek worden aangesteld.
§ 5. De in paragrafen 1 en 3 bedoelde personen in contact met het publiek moeten aantonen dat zij over zes maanden nuttige praktische ervaring beschikken die zij volledig hebben opgedaan in de loop van de periode van zes jaar voorafgaand aan de datum van hun aanstelling door de bemiddelaar. De duur van de praktische ervaring wordt overeenkomstig het artikel 15, § 2, tweede lid, berekend.
Indien de personen in contact met het publiek niet kunnen aantonen dat zij over zes maanden nuttige praktische ervaring beschikken, wordt hun, in afwijking van het vorige lid, toegestaan om deze ervaring op te doen onder het toezicht en binnen de omkadering van een bemiddelaar inzake consumentenkrediet, van een daartoe bij de bemiddelaar aangewezen verantwoordelijke voor de distributie, of van een persoon in contact met het publiek die daartoe door de bemiddelaar is aangesteld, die over de in artikel 15, § 2, eerste lid, 2°, bedoelde theoretische kennis beschikt, en die de in het vorige lid vereiste praktische ervaring heeft verworven.
Het uitgeoefende toezicht is afgestemd op de diensten die de persoon in contact met het publiek verleent, en op zijn relevante kwalificaties en ervaring.
De in het tweede lid bedoelde ervaring verworven als persoon in contact met het publiek in opleiding wordt als relevante praktische ervaring in aanmerking genomen.
§ 6. De bemiddelaars inzake consumentenkrediet en de kredietgevers zien erop toe dat de personen in contact met het publiek over voldoende beroepskennis beschikken.]1
§ 2. De in artikel VII.187, § 1, 1°, bedoelde personen in contact met het publiek bij een agent in een nevenfunctie als bedoeld in artikel VII.72, eerste lid, van het WER moeten een basiskennis bezitten van de in artikel 15, § 2, eerste lid, 2°, bedoelde materies.
§ 3. De in artikel VII.187, § 1, 1°, bedoelde personen in contact met het publiek bij een agent in een nevenfunctie als bedoeld in artikel VII.72, tweede lid, van het WER moeten de theoretische kennis als bedoeld in artikel 15, § 2, eerste lid, 2°, bezitten.
§ 4. In afwijking van de vorige paragrafen mag een persoon in contact met het publiek die de vereiste theoretische kennis nog niet bezit, als persoon in contact met het publiek in opleiding worden aangesteld.
Binnen het jaar na zijn eerste aanstelling als persoon in contact met het publiek in opleiding moet de in het eerste lid bedoelde persoon de vereiste theoretische kennis bezitten.
Zolang de persoon in contact met het publiek in opleiding is, handelt hij onder het toezicht en binnen de omkadering van de bemiddelaar inzake consumentenkrediet, van een daartoe bij de bemiddelaar aangewezen verantwoordelijke voor de distributie, of van een daartoe door de bemiddelaar aangewezen persoon in contact met het publiek die de in artikel 15, § 2, eerste lid, 2°, bedoelde theoretische kennis bezit en die de overeenkomstig paragraaf 5 vereiste ervaring heeft verworven.
De persoon in contact met het publiek in opleiding die niet aan de in het tweede lid gestelde voorwaarde beantwoordt, kan niet langer als persoon in contact met het publiek worden aangesteld.
§ 5. De in paragrafen 1 en 3 bedoelde personen in contact met het publiek moeten aantonen dat zij over zes maanden nuttige praktische ervaring beschikken die zij volledig hebben opgedaan in de loop van de periode van zes jaar voorafgaand aan de datum van hun aanstelling door de bemiddelaar. De duur van de praktische ervaring wordt overeenkomstig het artikel 15, § 2, tweede lid, berekend.
Indien de personen in contact met het publiek niet kunnen aantonen dat zij over zes maanden nuttige praktische ervaring beschikken, wordt hun, in afwijking van het vorige lid, toegestaan om deze ervaring op te doen onder het toezicht en binnen de omkadering van een bemiddelaar inzake consumentenkrediet, van een daartoe bij de bemiddelaar aangewezen verantwoordelijke voor de distributie, of van een persoon in contact met het publiek die daartoe door de bemiddelaar is aangesteld, die over de in artikel 15, § 2, eerste lid, 2°, bedoelde theoretische kennis beschikt, en die de in het vorige lid vereiste praktische ervaring heeft verworven.
Het uitgeoefende toezicht is afgestemd op de diensten die de persoon in contact met het publiek verleent, en op zijn relevante kwalificaties en ervaring.
De in het tweede lid bedoelde ervaring verworven als persoon in contact met het publiek in opleiding wordt als relevante praktische ervaring in aanmerking genomen.
§ 6. De bemiddelaars inzake consumentenkrediet en de kredietgevers zien erop toe dat de personen in contact met het publiek over voldoende beroepskennis beschikken.]1
Art.15/1. [1 § 1er. Les personnes en contact avec le public, telles que visées à l'article VII.186, § 1er, alinéa 1er, 1°, du CDE, doivent, en matière de connaissances professionnelles, répondre aux exigences prévues à l'article 15, paragraphe 2, alinéa 1er, 2°.
§ 2. Les personnes en contact avec le public visées à l'article VII.187, § 1er, 1°, auprès d'un agent à titre accessoire, tel que visé à l'article VII.72, alinéa 1er, du CDE, doivent posséder une connaissance de base des matières visées à l'article 15, § 2, alinéa 1er, 2°.
§ 3. Les personnes en contact avec le public visées à l'article VII.187, § 1er, 1°, auprès d'un agent à titre accessoire, tel que visé à l'article VII.72, alinéa 2, du CDE, doivent posséder la connaissance théorique visée à l'article 15, § 2, alinéa 1er, 2°.
§ 4. Par dérogation aux paragraphes précédents, une personne en contact avec le public qui ne possède pas encore la connaissance théorique requise peut être désignée comme personne en contact avec le public en formation.
Dans l'année qui suit sa première désignation comme personne en contact avec le public en formation, la personne visée à l'alinéa 1er doit posséder la connaissance théorique requise.
Aussi longtemps que la personne en contact avec le public est en formation, elle agit sous la supervision et bénéficie de l'encadrement de l'intermédiaire en crédit à la consommation, d'un responsable de la distribution désigné à cet effet auprès de l'intermédiaire, ou d'une personne en contact avec le public désignée à cet effet par l'intermédiaire qui possède la connaissance théorique requise visée à l'article 15, § 2, alinéa 1er, 2°, et qui a acquis l'expérience pratique exigée au paragraphe 5.
La personne en contact avec le public en formation qui ne répond pas à la condition prévue à l'alinéa 2 ne peut plus être désignée comme personne en contact avec le public.
§ 5. Les personnes en contact avec le public visées aux paragraphes 1er et 3 doivent justifier d'une expérience pratique utile de six mois et obtenue dans sa totalité au cours de la période de six ans précédant la date de leur désignation par l'intermédiaire. La durée de l'expérience pratique est calculée conformément à l'article 15, § 2, alinéa 2 .
Par dérogation à l'alinéa précédent, si les personnes en contact avec le public ne peuvent pas justifier d'une expérience pratique utile de six mois, elles sont autorisées à l'acquérir, sous la supervision et en bénéficiant de l'encadrement d'un intermédiaire en crédit à la consommation, d'un responsable de la distribution désigné à cet effet auprès de l'intermédiaire ou d'une personne en contact avec le public désignée à cet effet auprès de l'intermédiaire, qui possède la connaissance théorique prévue à l'article 15, § 2, alinéa 1er, 2°, et qui a acquis l'expérience pratique visée à l'alinéa précédent.
La supervision exercée est modulée en fonction des services fournis par la personne en contact avec le public et en fonction des qualifications et de l'expérience pertinentes de la personne en question.
L'expérience acquise en tant que personne en contact avec le public en formation, telle que visée à l'alinéa 2, est prise en compte comme expérience pratique utile.
§ 6. Les intermédiaires en crédit à la consommation et les prêteurs veillent à ce que les personnes en contact avec le public possèdent les connaissances professionnelles requises.]1
§ 2. Les personnes en contact avec le public visées à l'article VII.187, § 1er, 1°, auprès d'un agent à titre accessoire, tel que visé à l'article VII.72, alinéa 1er, du CDE, doivent posséder une connaissance de base des matières visées à l'article 15, § 2, alinéa 1er, 2°.
§ 3. Les personnes en contact avec le public visées à l'article VII.187, § 1er, 1°, auprès d'un agent à titre accessoire, tel que visé à l'article VII.72, alinéa 2, du CDE, doivent posséder la connaissance théorique visée à l'article 15, § 2, alinéa 1er, 2°.
§ 4. Par dérogation aux paragraphes précédents, une personne en contact avec le public qui ne possède pas encore la connaissance théorique requise peut être désignée comme personne en contact avec le public en formation.
Dans l'année qui suit sa première désignation comme personne en contact avec le public en formation, la personne visée à l'alinéa 1er doit posséder la connaissance théorique requise.
Aussi longtemps que la personne en contact avec le public est en formation, elle agit sous la supervision et bénéficie de l'encadrement de l'intermédiaire en crédit à la consommation, d'un responsable de la distribution désigné à cet effet auprès de l'intermédiaire, ou d'une personne en contact avec le public désignée à cet effet par l'intermédiaire qui possède la connaissance théorique requise visée à l'article 15, § 2, alinéa 1er, 2°, et qui a acquis l'expérience pratique exigée au paragraphe 5.
La personne en contact avec le public en formation qui ne répond pas à la condition prévue à l'alinéa 2 ne peut plus être désignée comme personne en contact avec le public.
§ 5. Les personnes en contact avec le public visées aux paragraphes 1er et 3 doivent justifier d'une expérience pratique utile de six mois et obtenue dans sa totalité au cours de la période de six ans précédant la date de leur désignation par l'intermédiaire. La durée de l'expérience pratique est calculée conformément à l'article 15, § 2, alinéa 2 .
Par dérogation à l'alinéa précédent, si les personnes en contact avec le public ne peuvent pas justifier d'une expérience pratique utile de six mois, elles sont autorisées à l'acquérir, sous la supervision et en bénéficiant de l'encadrement d'un intermédiaire en crédit à la consommation, d'un responsable de la distribution désigné à cet effet auprès de l'intermédiaire ou d'une personne en contact avec le public désignée à cet effet auprès de l'intermédiaire, qui possède la connaissance théorique prévue à l'article 15, § 2, alinéa 1er, 2°, et qui a acquis l'expérience pratique visée à l'alinéa précédent.
La supervision exercée est modulée en fonction des services fournis par la personne en contact avec le public et en fonction des qualifications et de l'expérience pertinentes de la personne en question.
L'expérience acquise en tant que personne en contact avec le public en formation, telle que visée à l'alinéa 2, est prise en compte comme expérience pratique utile.
§ 6. Les intermédiaires en crédit à la consommation et les prêteurs veillent à ce que les personnes en contact avec le public possèdent les connaissances professionnelles requises.]1
Modifications
Art.15/2.[1 § 1. De in artikel 15 bedoelde theoretische kennis en basiskennis maken het voorwerp uit van een geregelde bijscholing, volgens de nader in dit artikel bepaalde modaliteiten.
§ 2. De in artikel 15, § 1, bedoelde personen moeten jaarlijks minimum 3 uur bijscholing volgen om hun beroepskennis actueel en op peil te houden.
§ 3. De in paragraaf 2 bedoelde bijscholing moet worden gegeven door opleidingsverstrekkers die door de FSMA zijn erkend, volgens de door haar bepaalde modaliteiten. De FSMA kan, bij reglement, nader bepalen aan welke organisatorische, inhoudelijke en kwalitatieve vereisten de opleidingsverstrekkers en de door hen verstrekte bijscholing moeten voldoen, alsook de modaliteiten van de erkenningsprocedure. De FSMA publiceert een lijst van de door haar erkende opleidingsverstrekkers op haar website.
Als de FSMA daarom verzoekt, moeten de opleidingsverstrekkers haar alle inlichtingen en documenten bezorgen die zij nodig acht om te beoordelen of de opleidingsverstrekker en de door hem aangeboden bijscholingen aan het bepaalde bij het eerste lid voldoen. De FSMA kan bij de opleidingsverstrekkers ook inspecties verrichten, en ter plaatse kennisnemen of een kopie maken van alle gegevens in hun bezit.
Wanneer de FSMA vaststelt dat een opleidingsvertrekker niet aan de in het eerste lid bedoelde vereisten voldoet, stelt zij de termijn vast waarbinnen deze toestand moet worden verholpen.
De FSMA kan beslissen dat de opleidingen die de betrokken opleidingsverstrekker in die termijn verstrekt, niet in aanmerking komen voor de in dit artikel bedoelde verplichting tot bijscholing. In dat geval brengt de opleidingsverstrekker de deelnemers daarvan op de hoogte.
Indien de FSMA, na afloop van de termijn die zij overeenkomstig het vorige lid heeft opgelegd, vaststelt dat de tekortkomingen niet zijn verholpen, schrapt zij de erkenning van de betrokken opleidingsverstrekker.
§ 4. De bemiddelaars inzake consumentenkrediet en de kredietgevers die de werkzaamheid van bemiddelaar inzake consumentenkrediet uitoefenen, zien erop toe dat de in artikel 15/1, §§ 1 en 3, bedoelde personen in contact met het publiek die zij tewerkstellen, jaarlijks minimum 3 uur bijscholing volgen om hun beroepskennis actueel en op peil te houden.
§ 5. De in paragrafen 2 en 4 bedoelde verplichting tot bijscholing vangt aan op 1 januari van het kalenderjaar dat volgt op de inschrijving van de bemiddelaar of de aanstelling van de betrokken persoon in één van de in paragrafen 2 en 4 bedoelde functies.]1
[2 § 6. De deelname aan door de FSMA georganiseerde vormingen over met name de in artikel 15, § 2, 2°, van dit besluit bedoelde materies, kan in aanmerking worden genomen bij de berekening van de minimumduur van de bijscholing. De FSMA verduidelijkt de modaliteiten voor deze inaanmerkingneming.]2
§ 2. De in artikel 15, § 1, bedoelde personen moeten jaarlijks minimum 3 uur bijscholing volgen om hun beroepskennis actueel en op peil te houden.
§ 3. De in paragraaf 2 bedoelde bijscholing moet worden gegeven door opleidingsverstrekkers die door de FSMA zijn erkend, volgens de door haar bepaalde modaliteiten. De FSMA kan, bij reglement, nader bepalen aan welke organisatorische, inhoudelijke en kwalitatieve vereisten de opleidingsverstrekkers en de door hen verstrekte bijscholing moeten voldoen, alsook de modaliteiten van de erkenningsprocedure. De FSMA publiceert een lijst van de door haar erkende opleidingsverstrekkers op haar website.
Als de FSMA daarom verzoekt, moeten de opleidingsverstrekkers haar alle inlichtingen en documenten bezorgen die zij nodig acht om te beoordelen of de opleidingsverstrekker en de door hem aangeboden bijscholingen aan het bepaalde bij het eerste lid voldoen. De FSMA kan bij de opleidingsverstrekkers ook inspecties verrichten, en ter plaatse kennisnemen of een kopie maken van alle gegevens in hun bezit.
Wanneer de FSMA vaststelt dat een opleidingsvertrekker niet aan de in het eerste lid bedoelde vereisten voldoet, stelt zij de termijn vast waarbinnen deze toestand moet worden verholpen.
De FSMA kan beslissen dat de opleidingen die de betrokken opleidingsverstrekker in die termijn verstrekt, niet in aanmerking komen voor de in dit artikel bedoelde verplichting tot bijscholing. In dat geval brengt de opleidingsverstrekker de deelnemers daarvan op de hoogte.
Indien de FSMA, na afloop van de termijn die zij overeenkomstig het vorige lid heeft opgelegd, vaststelt dat de tekortkomingen niet zijn verholpen, schrapt zij de erkenning van de betrokken opleidingsverstrekker.
§ 4. De bemiddelaars inzake consumentenkrediet en de kredietgevers die de werkzaamheid van bemiddelaar inzake consumentenkrediet uitoefenen, zien erop toe dat de in artikel 15/1, §§ 1 en 3, bedoelde personen in contact met het publiek die zij tewerkstellen, jaarlijks minimum 3 uur bijscholing volgen om hun beroepskennis actueel en op peil te houden.
§ 5. De in paragrafen 2 en 4 bedoelde verplichting tot bijscholing vangt aan op 1 januari van het kalenderjaar dat volgt op de inschrijving van de bemiddelaar of de aanstelling van de betrokken persoon in één van de in paragrafen 2 en 4 bedoelde functies.]1
[2 § 6. De deelname aan door de FSMA georganiseerde vormingen over met name de in artikel 15, § 2, 2°, van dit besluit bedoelde materies, kan in aanmerking worden genomen bij de berekening van de minimumduur van de bijscholing. De FSMA verduidelijkt de modaliteiten voor deze inaanmerkingneming.]2
Art.15/2.[1 § 1er. La connaissance théorique et la connaissance de base visées à l'article 15 font l'objet d'un recyclage régulier, selon les modalités précisées dans le présent article.
§ 2. Les personnes visées à l'article 15, § 1er, doivent suivre au moins 3 heures de recyclage par an afin de maintenir leurs connaissances professionnelles à jour et à niveau.
§ 3. Le recyclage visé au paragraphe 2 doit être dispensé par des organisateurs de formations qui sont agréés par la FSMA, selon les modalités qu'elle détermine. La FSMA peut préciser, par voie de règlement, les exigences en termes d'organisation, de contenu et de qualité auxquelles les organisateurs de formations et le recyclage dispensé par leurs soins doivent satisfaire, ainsi que les modalités de la procédure d'agrément. La FSMA publie une liste des organisateurs de formations agréés par la FSMA sur son site internet.
Sur simple demande de la FSMA, les organisateurs de formations sont tenus de lui fournir tous renseignements et de lui délivrer tous documents qu'elle estime nécessaires pour juger si l'organisateur de formations et les recyclages qu'il propose satisfont au prescrit de l'alinéa 1er. La FSMA peut également procéder à des inspections auprès des organisateurs de formations et prendre connaissance ou copie sur place de toutes les informations en leur possession.
Lorsque la FSMA constate qu'un organisateur de formations ne satisfait pas aux exigences visées à l'alinéa 1er, elle fixe le délai dans lequel il doit être remédié à la situation constatée.
La FSMA peut décider que, durant ce délai, les formations dispensées par l'organisateur de formations concerné n'entrent pas en considération pour l'obligation de recyclage visée au présent article. Dans ce cas, l'organisateur de formations concerné en informe les participants.
Si, au terme du délai qu'elle a imposé conformément à l'alinéa précédent, la FSMA constate qu'il n'a pas été remédié aux manquements, la FSMA radie l'agrément de l'organisateur de formations concerné.
§ 4. Les intermédiaires en crédit à la consommation et les prêteurs qui exercent l'activité d'intermédiaire en crédit à la consommation veillent à ce que les personnes en contact avec le public qu'ils emploient visées à l'article 15/1, §§ 1er et 3 suivent au moins trois heures de recyclage par an afin de maintenir leurs connaissances professionnelles à jour et à niveau.
§ 5. L'obligation de recyclage visée aux paragraphes 2 et 4 prend cours le 1er janvier de l'année civile qui suit l'inscription de l'intermédiaire ou la désignation de la personne concernée dans une des fonctions visées aux paragraphes 2 et 4.]1
[2 § 6. La participation à des formations organisées par la FSMA qui portent notamment sur les matières visées à l'article 15, § 2, 2° du présent arrêté, peut être prise en compte dans le calcul de la durée minimale de recyclage. La FSMA précise les modalités de cette prise en compte.]2
§ 2. Les personnes visées à l'article 15, § 1er, doivent suivre au moins 3 heures de recyclage par an afin de maintenir leurs connaissances professionnelles à jour et à niveau.
§ 3. Le recyclage visé au paragraphe 2 doit être dispensé par des organisateurs de formations qui sont agréés par la FSMA, selon les modalités qu'elle détermine. La FSMA peut préciser, par voie de règlement, les exigences en termes d'organisation, de contenu et de qualité auxquelles les organisateurs de formations et le recyclage dispensé par leurs soins doivent satisfaire, ainsi que les modalités de la procédure d'agrément. La FSMA publie une liste des organisateurs de formations agréés par la FSMA sur son site internet.
Sur simple demande de la FSMA, les organisateurs de formations sont tenus de lui fournir tous renseignements et de lui délivrer tous documents qu'elle estime nécessaires pour juger si l'organisateur de formations et les recyclages qu'il propose satisfont au prescrit de l'alinéa 1er. La FSMA peut également procéder à des inspections auprès des organisateurs de formations et prendre connaissance ou copie sur place de toutes les informations en leur possession.
Lorsque la FSMA constate qu'un organisateur de formations ne satisfait pas aux exigences visées à l'alinéa 1er, elle fixe le délai dans lequel il doit être remédié à la situation constatée.
La FSMA peut décider que, durant ce délai, les formations dispensées par l'organisateur de formations concerné n'entrent pas en considération pour l'obligation de recyclage visée au présent article. Dans ce cas, l'organisateur de formations concerné en informe les participants.
Si, au terme du délai qu'elle a imposé conformément à l'alinéa précédent, la FSMA constate qu'il n'a pas été remédié aux manquements, la FSMA radie l'agrément de l'organisateur de formations concerné.
§ 4. Les intermédiaires en crédit à la consommation et les prêteurs qui exercent l'activité d'intermédiaire en crédit à la consommation veillent à ce que les personnes en contact avec le public qu'ils emploient visées à l'article 15/1, §§ 1er et 3 suivent au moins trois heures de recyclage par an afin de maintenir leurs connaissances professionnelles à jour et à niveau.
§ 5. L'obligation de recyclage visée aux paragraphes 2 et 4 prend cours le 1er janvier de l'année civile qui suit l'inscription de l'intermédiaire ou la désignation de la personne concernée dans une des fonctions visées aux paragraphes 2 et 4.]1
[2 § 6. La participation à des formations organisées par la FSMA qui portent notamment sur les matières visées à l'article 15, § 2, 2° du présent arrêté, peut être prise en compte dans le calcul de la durée minimale de recyclage. La FSMA précise les modalités de cette prise en compte.]2
Art. 16. Het bepaalde in artikel 15, § 2, eerste lid, 1° en 2° en § 8 is van toepassing op de verantwoordelijken voor de distributie bedoeld in artikel VII.184, § 1, tweede lid, 1° van het WER en het bepaalde in artikel 15, § 2, eerste lid, 2° en § 8 is van toepassing op de personen in contact met het publiek bedoeld in artikel VII.184, § 1, tweede lid, 3° van het WER.
De verantwoordelijken voor de distributie bedoeld in artikel VII.184, § 1, tweede lid, 1° van het WER, moeten een praktische ervaring van zes maanden hebben opgedaan, volledig verworven binnen de periode van zes jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag bij de FSMA.
De verantwoordelijken voor de distributie bedoeld in artikel VII.184, § 1, tweede lid, 1° van het WER, moeten een praktische ervaring van zes maanden hebben opgedaan, volledig verworven binnen de periode van zes jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag bij de FSMA.
Art. 16. Les dispositions de l'article 15, § 2, alinéa 1er, 1° et 2°, et § 8, s'appliquent aux responsables de la distribution visés à l'article VII.184, § 1er, alinéa 2, 1°, du CDE, et les dispositions de l'article 15, § 2, alinéa 1er, 2°, et § 8, s'appliquent aux personnes en contact avec le public visées à l'article VII.184, § 1er, alinéa 2, 3°, du CDE.
Les responsables de la distribution visés à l'article VII.184, § 1er, alinéa 2, 1°, du CDE doivent justifier d'une expérience pratique de six mois, acquise dans sa totalité au cours de la période de six ans précédant la date d'introduction de la demande auprès de la FSMA.
Les responsables de la distribution visés à l'article VII.184, § 1er, alinéa 2, 1°, du CDE doivent justifier d'une expérience pratique de six mois, acquise dans sa totalité au cours de la période de six ans précédant la date d'introduction de la demande auprès de la FSMA.
HOOFDSTUK VII. - Aantal aan te duiden verantwoordelijken voor de distributie
CHAPITRE VII. - Nombre de responsables de la distribution à désigner
Art. 17. § 1. De in de artikelen VII.180, § 5, eerste lid en VII.185, § 2, eerste lid van het WER bedoelde kredietbemiddelaars en de in de artikelen VII.180, § 2, eerste lid, 1°, en VII.184, § 1, tweede lid, 1° van het WER bedoelde kredietgevers duiden in alle gevallen minstens één verantwoordelijke voor de distributie aan.
§ 2. Onder voorbehoud van het bepaalde in § 3, wanneer de in paragraaf 1 bedoelde kredietbemiddelaars en kredietgevers meer dan tien personen in contact met het publiek tewerkstellen, duiden zij een tweede verantwoordelijke voor de distributie aan, dit ongeacht het aantal verkoops- of distributiekantoren, voor zover de interne organisatie toelaat dat in elk verkoops- of distributiekantoor het vereiste toezicht op de werkzaamheid van kredietbemiddeling wordt uitgeoefend door een verantwoordelijke voor de distributie.
Op dezelfde wijze duiden zij telkens wanneer een volgende schijf van tien personen in contact met het publiek wordt overschreden, een bijkomende verantwoordelijke voor de distributie aan.
§ 3. Wanneer de agenten in een nevenfunctie meer dan twintig personen in contact met het publiek tewerkstellen, duiden zij een tweede verantwoordelijke voor de distributie aan, dit ongeacht het aantal verkoops- of distributiekantoren, voor zover de interne organisatie toelaat dat in elk verkoops- of distributiekantoor het vereiste toezicht op de werkzaamheid van kredietbemiddeling wordt uitgeoefend door een verantwoordelijke voor de distributie.
Op dezelfde wijze duiden zij telkens wanneer een volgende schijf van 20 personen in contact met het publiek wordt overschreden, een bijkomende verantwoordelijke voor distributie aan.
§ 2. Onder voorbehoud van het bepaalde in § 3, wanneer de in paragraaf 1 bedoelde kredietbemiddelaars en kredietgevers meer dan tien personen in contact met het publiek tewerkstellen, duiden zij een tweede verantwoordelijke voor de distributie aan, dit ongeacht het aantal verkoops- of distributiekantoren, voor zover de interne organisatie toelaat dat in elk verkoops- of distributiekantoor het vereiste toezicht op de werkzaamheid van kredietbemiddeling wordt uitgeoefend door een verantwoordelijke voor de distributie.
Op dezelfde wijze duiden zij telkens wanneer een volgende schijf van tien personen in contact met het publiek wordt overschreden, een bijkomende verantwoordelijke voor de distributie aan.
§ 3. Wanneer de agenten in een nevenfunctie meer dan twintig personen in contact met het publiek tewerkstellen, duiden zij een tweede verantwoordelijke voor de distributie aan, dit ongeacht het aantal verkoops- of distributiekantoren, voor zover de interne organisatie toelaat dat in elk verkoops- of distributiekantoor het vereiste toezicht op de werkzaamheid van kredietbemiddeling wordt uitgeoefend door een verantwoordelijke voor de distributie.
Op dezelfde wijze duiden zij telkens wanneer een volgende schijf van 20 personen in contact met het publiek wordt overschreden, een bijkomende verantwoordelijke voor distributie aan.
Art. 17. § 1er. Les intermédiaires de crédit visés à l'article VII.180, § 5, alinéa 1er, et à l'article VII.185, § 2, alinéa 1er, du CDE, ainsi que les prêteurs visés à l'article VII.180, § 2, alinéa 1er, 1°, et à l'article VII.184, § 1er, alinéa 2, 1°, du CDE, désignent dans tous les cas au moins un responsable de la distribution.
§ 2. Sous réserve de la disposition prévue au paragraphe 3, lorsque les intermédiaires de crédit et les prêteurs visés au paragraphe 1er emploient plus de dix personnes en contact avec le public, ils désignent un deuxième responsable de la distribution, et ce indépendamment du nombre de points de vente ou de distribution, pour autant que l'organisation interne permette que, dans chaque point de vente ou de distribution, le contrôle requis de l'activité d'intermédiation en crédit soit exercé par un responsable de la distribution.
De la même façon, ils désignent un responsable de la distribution supplémentaire chaque fois qu'une nouvelle tranche de dix personnes en contact avec le public est franchie.
§ 3. Lorsque les agents à titre accessoire emploient plus de vingt personnes en contact avec le public, ils désignent un deuxième responsable de la distribution, et ce indépendamment du nombre de points de vente ou de distribution, pour autant que l'organisation interne permette que, dans chaque point de vente ou de distribution, le contrôle requis de l'activité d'intermédiation en crédit soit exercé par un responsable de la distribution.
De la même façon, ils désignent un responsable de la distribution supplémentaire chaque fois qu'une nouvelle tranche de vingt personnes en contact avec le public est franchie.
§ 2. Sous réserve de la disposition prévue au paragraphe 3, lorsque les intermédiaires de crédit et les prêteurs visés au paragraphe 1er emploient plus de dix personnes en contact avec le public, ils désignent un deuxième responsable de la distribution, et ce indépendamment du nombre de points de vente ou de distribution, pour autant que l'organisation interne permette que, dans chaque point de vente ou de distribution, le contrôle requis de l'activité d'intermédiation en crédit soit exercé par un responsable de la distribution.
De la même façon, ils désignent un responsable de la distribution supplémentaire chaque fois qu'une nouvelle tranche de dix personnes en contact avec le public est franchie.
§ 3. Lorsque les agents à titre accessoire emploient plus de vingt personnes en contact avec le public, ils désignent un deuxième responsable de la distribution, et ce indépendamment du nombre de points de vente ou de distribution, pour autant que l'organisation interne permette que, dans chaque point de vente ou de distribution, le contrôle requis de l'activité d'intermédiation en crédit soit exercé par un responsable de la distribution.
De la même façon, ils désignent un responsable de la distribution supplémentaire chaque fois qu'une nouvelle tranche de vingt personnes en contact avec le public est franchie.
HOOFDSTUK VIII. - Overgangsbepalingen
CHAPITRE VIII. - Dispositions transitoires
Afdeling 1. - Overgangsbepalingen voor bemiddelaars, leden van het wettelijk bestuursorgaan, effectieve leiders en verantwoordelijken voor de distributie
Section 1re. - Dispositions transitoires applicables aux intermédiaires, aux membres de l'organe légal d'administration, aux dirigeants effectifs et aux responsables de la distribution
Onderafdeling 1. - Algemene bepaling
Sous-section 1re. - Disposition générale
Art. 18. De personen die vóór 1 november 2015 werkzaamheden van bemiddeling in hypothecair krediet of in consumentenkrediet uitoefenden, moeten geen houder zijn van een getuigschrift van hoger middelbaar onderwijs.
Art. 18. Ne doivent pas être titulaires d'un certificat de l'enseignement secondaire supérieur les personnes qui, avant le 1er novembre 2015, exerçaient des activités d'intermédiation en crédit hypothécaire ou en crédit à la consommation.
Onderafdeling 2. - Personen actief in de sector van de bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten
Sous-section 2. - Personnes actives dans le secteur de l'intermédiation en services bancaires et d'investissement
Art. 19. Worden geacht de theoretische kennis te bezitten als bedoeld in de artikelen 12, § 1, eerste lid, 2°, en 15, § 2, eerste lid, 2°, de personen die :
1° ofwel vóór 1 januari 2015 ingeschreven werden in het register van tussenpersonen in bank- en beleggingsdiensten;
2° ofwel vóór 1 januari 2015 aangesteld werden als effectief leider inzake de bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten bij een tussenpersoon in bank- en beleggingsdiensten;
3° ofwel tussen 1 januari en 31 oktober 2015 ingeschreven werden in het register van tussenpersonen in bank- en beleggingsdiensten en geslaagd zijn voor een objectief en meetbaar individueel examen volgend op een gespecialiseerde opleiding inzake krediet, waarvan de inhoud minimaal beantwoordt aan de in artikel 12, § 1, eerste lid, 2° en 15, § 2, eerste lid, 2° gestelde theoretische kennisvereisten;
4° ofwel tussen 1 januari en 31 oktober 2015 aangesteld werden als effectief leider inzake de bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten bij een tussenpersoon in bank- en beleggingsdiensten en geslaagd zijn voor een objectief en meetbaar individueel examen volgend op een gespecialiseerde opleiding inzake krediet, waarvan de inhoud minimaal beantwoordt aan de in artikel 12, § 1, eerste lid, 2° en 15, § 2, eerste lid, 2° gestelde theoretische kennisvereisten.
1° ofwel vóór 1 januari 2015 ingeschreven werden in het register van tussenpersonen in bank- en beleggingsdiensten;
2° ofwel vóór 1 januari 2015 aangesteld werden als effectief leider inzake de bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten bij een tussenpersoon in bank- en beleggingsdiensten;
3° ofwel tussen 1 januari en 31 oktober 2015 ingeschreven werden in het register van tussenpersonen in bank- en beleggingsdiensten en geslaagd zijn voor een objectief en meetbaar individueel examen volgend op een gespecialiseerde opleiding inzake krediet, waarvan de inhoud minimaal beantwoordt aan de in artikel 12, § 1, eerste lid, 2° en 15, § 2, eerste lid, 2° gestelde theoretische kennisvereisten;
4° ofwel tussen 1 januari en 31 oktober 2015 aangesteld werden als effectief leider inzake de bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten bij een tussenpersoon in bank- en beleggingsdiensten en geslaagd zijn voor een objectief en meetbaar individueel examen volgend op een gespecialiseerde opleiding inzake krediet, waarvan de inhoud minimaal beantwoordt aan de in artikel 12, § 1, eerste lid, 2° en 15, § 2, eerste lid, 2° gestelde theoretische kennisvereisten.
Art. 19. Sont censées posséder la connaissance théorique visée aux articles 12, § 1er, alinéa 1er, 2°, et 15, § 2, alinéa 1er, 2°, les personnes qui :
1° soit ont été inscrites avant le 1er janvier 2015 au registre des intermédiaires en services bancaires et en services d'investissement;
2° soit ont été désignées avant le 1er janvier 2015 comme dirigeant effectif en matière d'intermédiation en services bancaires et d'investissement auprès d'un intermédiaire en services bancaires et en services d'investissement;
3° soit ont été inscrites entre le 1er janvier et le 31 octobre 2015 au registre des intermédiaires en services bancaires et en services d'investissement et ont réussi un examen individuel, objectif et mesurable, consécutif à une formation spécialisée en crédit, dont le contenu correspond au minimum aux exigences de connaissance théorique énoncées aux articles 12, § 1er, alinéa 1er, 2°, et 15, § 2, alinéa 1er, 2° ;
4° soit ont été désignées entre le 1er janvier et le 31 octobre 2015 comme dirigeant effectif en matière d'intermédiation en services bancaires et d'investissement auprès d'un intermédiaire en services bancaires et en services d'investissement et ont réussi un examen individuel, objectif et mesurable, consécutif à une formation spécialisée en crédit, dont le contenu correspond au minimum aux exigences de connaissance théorique énoncées aux articles 12, § 1er, alinéa 1er, 2°, et 15, § 2, alinéa 1er, 2°.
1° soit ont été inscrites avant le 1er janvier 2015 au registre des intermédiaires en services bancaires et en services d'investissement;
2° soit ont été désignées avant le 1er janvier 2015 comme dirigeant effectif en matière d'intermédiation en services bancaires et d'investissement auprès d'un intermédiaire en services bancaires et en services d'investissement;
3° soit ont été inscrites entre le 1er janvier et le 31 octobre 2015 au registre des intermédiaires en services bancaires et en services d'investissement et ont réussi un examen individuel, objectif et mesurable, consécutif à une formation spécialisée en crédit, dont le contenu correspond au minimum aux exigences de connaissance théorique énoncées aux articles 12, § 1er, alinéa 1er, 2°, et 15, § 2, alinéa 1er, 2° ;
4° soit ont été désignées entre le 1er janvier et le 31 octobre 2015 comme dirigeant effectif en matière d'intermédiation en services bancaires et d'investissement auprès d'un intermédiaire en services bancaires et en services d'investissement et ont réussi un examen individuel, objectif et mesurable, consécutif à une formation spécialisée en crédit, dont le contenu correspond au minimum aux exigences de connaissance théorique énoncées aux articles 12, § 1er, alinéa 1er, 2°, et 15, § 2, alinéa 1er, 2°.
Onderafdeling 3. - Personen actief in de verzekeringsbemiddelingssector
Sous-section 3. - Personnes actives dans le secteur de l'intermédiation en assurances
Art. 20. Worden geacht de theoretische kennis te bezitten als bedoeld in artikel 12, § 1, eerste lid, 2°, de personen die op 1 november 2015 al ten minste 5 jaar ononderbroken actief zijn in een of meerdere van de onderstaande functies, onder de onderstaande voorwaarden :
1° ofwel als tussenpersoon die is ingeschreven in het register van de verzekerings- en herverzekerings-tussenpersonen van de FSMA, voor zover zij gedurende de betrokken periode ononderbroken actief zijn geweest in bemiddeling in hypothecair krediet;
2° ofwel als verantwoordelijke voor de distributie bij een of meerdere in het register van de FSMA ingeschreven verzekeringstussenpersonen, voor zover die verzekeringstussenpersonen gedurende de betrokken periode ononderbroken actief zijn geweest in bemiddeling in hypothecair krediet.
1° ofwel als tussenpersoon die is ingeschreven in het register van de verzekerings- en herverzekerings-tussenpersonen van de FSMA, voor zover zij gedurende de betrokken periode ononderbroken actief zijn geweest in bemiddeling in hypothecair krediet;
2° ofwel als verantwoordelijke voor de distributie bij een of meerdere in het register van de FSMA ingeschreven verzekeringstussenpersonen, voor zover die verzekeringstussenpersonen gedurende de betrokken periode ononderbroken actief zijn geweest in bemiddeling in hypothecair krediet.
Art. 20. Sont censées posséder la connaissance théorique visée à l'article 12, § 1er, alinéa 1er, 2°, les personnes qui, à la date du 1er novembre 2015, sont actives depuis au moins 5 ans de façon ininterrompue dans l'une ou plusieurs des fonctions suivantes, aux conditions énoncées ci-après :
1° soit en tant qu'intermédiaire inscrit au registre des intermédiaires d'assurances et de réassurance tenu par la FSMA, pour autant qu'elles aient été actives dans l'intermédiation en crédit hypothécaire de façon ininterrompue durant la période concernée;
2° soit en tant que responsable de la distribution auprès d'un ou plusieurs intermédiaires d'assurances inscrits au registre tenu par la FSMA, pour autant que ce ou ces intermédiaires aient été actifs de façon ininterrompue dans l'intermédiation en crédit hypothécaire durant la période concernée.
1° soit en tant qu'intermédiaire inscrit au registre des intermédiaires d'assurances et de réassurance tenu par la FSMA, pour autant qu'elles aient été actives dans l'intermédiation en crédit hypothécaire de façon ininterrompue durant la période concernée;
2° soit en tant que responsable de la distribution auprès d'un ou plusieurs intermédiaires d'assurances inscrits au registre tenu par la FSMA, pour autant que ce ou ces intermédiaires aient été actifs de façon ininterrompue dans l'intermédiation en crédit hypothécaire durant la période concernée.
Art. 21. Worden geacht de theoretische kennis te bezitten als bedoeld in artikel 15, § 2, eerste lid, 2°, de personen die op 1 november 2015 al ten minste 5 jaar ononderbroken actief zijn in een of meerdere van de onderstaande functies, onder de onderstaande voorwaarden :
1° ofwel als tussenpersoon die is ingeschreven in het register van de verzekerings- en herverzekeringstussenpersonen van de FSMA, voor zover zij gedurende de betrokken periode op rechtsgeldige wijze waren ingeschreven bij de FOD Economie conform de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet;
2° ofwel als verantwoordelijke voor de distributie bij een of meer in het register van de FSMA ingeschreven verzekeringstussenpersonen, voor zover die verzekeringstussenpersonen gedurende de betrokken periode op rechtsgeldige wijze waren ingeschreven bij de FOD Economie conform de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet.
1° ofwel als tussenpersoon die is ingeschreven in het register van de verzekerings- en herverzekeringstussenpersonen van de FSMA, voor zover zij gedurende de betrokken periode op rechtsgeldige wijze waren ingeschreven bij de FOD Economie conform de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet;
2° ofwel als verantwoordelijke voor de distributie bij een of meer in het register van de FSMA ingeschreven verzekeringstussenpersonen, voor zover die verzekeringstussenpersonen gedurende de betrokken periode op rechtsgeldige wijze waren ingeschreven bij de FOD Economie conform de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet.
Art. 21. Sont censées posséder la connaissance théorique visée à l'article 15, § 2, alinéa 1er, 2°, les personnes qui, à la date du 1er novembre 2015, sont actives depuis au moins 5 ans de façon ininterrompue dans l'une ou plusieurs des fonctions suivantes, aux conditions énoncées ci-après :
1° soit en tant qu'intermédiaire inscrit au registre des intermédiaires d'assurances et de réassurance tenu par la FSMA, pour autant qu'elles aient été régulièrement inscrites auprès du SPF Economie conformément à la loi du 12 juin 1991 relative au crédit à la consommation durant la période concernée;
2° soit en tant que responsable de la distribution auprès d'un ou plusieurs intermédiaires d'assurances inscrits au registre tenu par la FSMA, pour autant que ce ou ces intermédiaires aient été régulièrement inscrits auprès du SPF Economie conformément à la loi du 12 juin 1991 relative au crédit à la consommation durant la période concernée.
1° soit en tant qu'intermédiaire inscrit au registre des intermédiaires d'assurances et de réassurance tenu par la FSMA, pour autant qu'elles aient été régulièrement inscrites auprès du SPF Economie conformément à la loi du 12 juin 1991 relative au crédit à la consommation durant la période concernée;
2° soit en tant que responsable de la distribution auprès d'un ou plusieurs intermédiaires d'assurances inscrits au registre tenu par la FSMA, pour autant que ce ou ces intermédiaires aient été régulièrement inscrits auprès du SPF Economie conformément à la loi du 12 juin 1991 relative au crédit à la consommation durant la période concernée.
Onderafdeling 4. - Andere personen
Sous-section 4. - Autres personnes
Art. 22. Worden geacht de theoretische kennis te bezitten als bedoeld in de artikelen 12, § 1, eerste lid, 2° of 15, § 2, eerste lid, 2°, de personen die vóór 1 november 2015 werkzaamheden van bemiddeling in hypothecair krediet of in consumentenkrediet uitoefenden en die voór 1 november 2015 geslaagd zijn voor een objectief en meetbaar individueel examen volgend op een gespecialiseerde opleiding inzake hypothecair krediet of consumentenkrediet, waarvan de inhoud minimaal beantwoordt aan de in deze artikelen gestelde theoretische kennisvereisten.
Art. 22. Sont censées posséder la connaissance théorique visée aux articles 12, § 1er, alinéa 1er, 2°, ou 15, § 2, alinéa 1er, 2°, les personnes qui, avant le 1er novembre 2015, exerçaient des activités d'intermédiation en crédit hypothécaire ou en crédit à la consommation et qui, avant le 1er novembre 2015, ont réussi un examen individuel, objectif et mesurable, consécutif à une formation spécialisée en crédit hypothécaire ou en crédit à la consommation, dont le contenu correspond au minimum aux exigences de connaissance théorique énoncées auxdits articles.
Afdeling 2. - Overgangsbepalingen voor personen in contact met het publiek
Section 2. - Dispositions transitoires applicables aux personnes en contact avec le public
Onderafdeling 1. - Personen actief in de sector van de bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten
Sous-section 1re. - Personnes actives dans le secteur de l'intermédiation en services bancaires et d'investissement
Art. 23. Worden geacht de theoretische kennis te bezitten bedoeld in de artikelen 12, § 2, en 15, § 3, de personen die :
1° ofwel vóór 1 januari 2015 als persoon in contact met het publiek stonden bij een gereglementeerde onderneming in de zin van artikel 4, 5° van de wet van 22 maart 2006, of bij een tussenpersoon in bank- en beleggingsdiensten.
2° ofwel tussen 1 januari 2015 en 31 oktober 2015 als persoon in contact met het publiek stonden bij een gereglementeerde onderneming in de zin van artikel 4, 5° van de wet van 22 maart 2006, of bij een tussenpersoon in bank- en beleggingsdiensten en geslaagd zijn voor een objectief en meetbaar individueel examen volgend op een gespecialiseerde opleiding inzake krediet, waarvan de inhoud minimaal beantwoordt aan de in artikel 12, § 1, eerste lid, 2° en 15, § 2, eerste lid, 2° gestelde theoretische kennisvereisten.
1° ofwel vóór 1 januari 2015 als persoon in contact met het publiek stonden bij een gereglementeerde onderneming in de zin van artikel 4, 5° van de wet van 22 maart 2006, of bij een tussenpersoon in bank- en beleggingsdiensten.
2° ofwel tussen 1 januari 2015 en 31 oktober 2015 als persoon in contact met het publiek stonden bij een gereglementeerde onderneming in de zin van artikel 4, 5° van de wet van 22 maart 2006, of bij een tussenpersoon in bank- en beleggingsdiensten en geslaagd zijn voor een objectief en meetbaar individueel examen volgend op een gespecialiseerde opleiding inzake krediet, waarvan de inhoud minimaal beantwoordt aan de in artikel 12, § 1, eerste lid, 2° en 15, § 2, eerste lid, 2° gestelde theoretische kennisvereisten.
Art. 23. Sont censées posséder la connaissance théorique visée aux articles 12, § 2, et 15, § 3, les personnes qui :
1° soit ont été désignées avant le 1er janvier 2015 comme personne en contact avec le public auprès d'une entreprise réglementée au sens de l'article 4, 5°, de la loi du 22 mars 2006, ou auprès d'un intermédiaire en services bancaires et en services d'investissement;
2° soit ont été désignées entre le 1er janvier et le 31 octobre 2015 comme personne en contact avec le public auprès d'une entreprise réglementée au sens de l'article 4, 5°, de la loi du 22 mars 2006, ou auprès d'un intermédiaire en services bancaires et en services d'investissement, et ont réussi un examen individuel, objectif et mesurable, consécutif à une formation spécialisée en crédit, dont le contenu correspond au minimum aux exigences de connaissance théorique énoncées aux articles 12, § 1er, alinéa 1er, 2°, et 15, § 2, alinéa 1er, 2°.
1° soit ont été désignées avant le 1er janvier 2015 comme personne en contact avec le public auprès d'une entreprise réglementée au sens de l'article 4, 5°, de la loi du 22 mars 2006, ou auprès d'un intermédiaire en services bancaires et en services d'investissement;
2° soit ont été désignées entre le 1er janvier et le 31 octobre 2015 comme personne en contact avec le public auprès d'une entreprise réglementée au sens de l'article 4, 5°, de la loi du 22 mars 2006, ou auprès d'un intermédiaire en services bancaires et en services d'investissement, et ont réussi un examen individuel, objectif et mesurable, consécutif à une formation spécialisée en crédit, dont le contenu correspond au minimum aux exigences de connaissance théorique énoncées aux articles 12, § 1er, alinéa 1er, 2°, et 15, § 2, alinéa 1er, 2°.
Onderafdeling 2. - Andere personen
Sous-section 2. - Autres personnes
Art. 24. Worden geacht de theoretische kennis of de basiskennis te bezitten als bedoeld in de artikelen 12, § 2 en 15, §§ 3, 4, 5 of 6, de personen die vóór 1 november 2015 werkzaamheden van bemiddeling in hypothecair krediet of in consumentenkrediet uitoefenden en die vóór 1 november 2015 geslaagd zijn voor een objectief en meetbaar individueel examen volgend op een gespecialiseerde opleiding inzake hypothecair krediet of consumentenkrediet, waarvan de inhoud minimaal beantwoordt aan de in deze artikelen gestelde theoretische kennisvereisten.
Art. 24. Sont censées posséder la connaissance théorique ou la connaissance de base visées aux articles 12, § 2, et 15, §§ 3, 4, 5 ou 6, les personnes qui, avant le 1er novembre 2015, exerçaient des activités d'intermédiation en crédit hypothécaire ou en crédit à la consommation et qui, avant le 1er novembre 2015, ont réussi un examen individuel, objectif et mesurable, consécutif à une formation spécialisée en crédit hypothécaire ou en crédit à la consommation, dont le contenu correspond au minimum aux exigences de connaissance théorique énoncées auxdits articles.
Afdeling 3. - Overige bepalingen
Section 3. - Autres dispositions
Art. 25. De FSMA publiceert op haar website de lijst van de in dit hoofdstuk bedoelde objectief en meetbare individuele examens volgend op een gespecialiseerde opleiding.
Art. 25. La FSMA publie sur son site web la liste des examens individuels, objectifs et mesurables, consécutifs à une formation spécialisée, tels que visés au présent chapitre.
HOOFDSTUK IX. - Inwerkingtreding
CHAPITRE IX. - Entrée en vigueur
Art. 26. § 1. Dit besluit treedt in werking op 1 november 2015.
§ 2. De bepalingen van Hoofdstuk VIII kunnen slechts worden ingeroepen door de erin bedoelde personen tijdens de periode van voorlopige vergunning of van voorlopige machtiging bedoeld in artikel 54, § 5, eerste lid van de wet van 19 april 2014 houdende invoeging van boek VII "Betalings- en kredietdiensten" in het Wetboek van economisch recht, houdende invoeging van de definities eigen aan Boek VII en van de straffen voor de inbreuken op Boek VII, in de boeken I en XV van het Wetboek van economisch recht en houdende diverse andere bepalingen. Als een persoon tijdens die periode met succes een beroep heeft gedaan op deze bepalingen, blijft het gevolg ervan voor hem ook nadien verworven.
§ 2. De bepalingen van Hoofdstuk VIII kunnen slechts worden ingeroepen door de erin bedoelde personen tijdens de periode van voorlopige vergunning of van voorlopige machtiging bedoeld in artikel 54, § 5, eerste lid van de wet van 19 april 2014 houdende invoeging van boek VII "Betalings- en kredietdiensten" in het Wetboek van economisch recht, houdende invoeging van de definities eigen aan Boek VII en van de straffen voor de inbreuken op Boek VII, in de boeken I en XV van het Wetboek van economisch recht en houdende diverse andere bepalingen. Als een persoon tijdens die periode met succes een beroep heeft gedaan op deze bepalingen, blijft het gevolg ervan voor hem ook nadien verworven.
Art. 26. § 1er. Le présent arrêté entre en vigueur le 1er novembre 2015.
§ 2. Les dispositions du Chapitre VIII ne peuvent être invoquées par les personnes qui y sont visées que durant la période de l'agrément provisoire ou de l'autorisation provisoire visée à l'article 54, § 5, alinéa 1er, de la loi du 19 avril 2014 portant insertion du livre VII " Services de paiement et de crédit " dans le Code de droit économique, portant insertion des définitions propres au livre VII et des peines relatives aux infractions au livre VII, dans les livres I et XV du Code de droit économique, et portant diverses autres dispositions. Le bénéfice de ces dispositions, s'il a été invoqué avec succès durant cette période, leur reste acquis par la suite.
§ 2. Les dispositions du Chapitre VIII ne peuvent être invoquées par les personnes qui y sont visées que durant la période de l'agrément provisoire ou de l'autorisation provisoire visée à l'article 54, § 5, alinéa 1er, de la loi du 19 avril 2014 portant insertion du livre VII " Services de paiement et de crédit " dans le Code de droit économique, portant insertion des définitions propres au livre VII et des peines relatives aux infractions au livre VII, dans les livres I et XV du Code de droit économique, et portant diverses autres dispositions. Le bénéfice de ces dispositions, s'il a été invoqué avec succès durant cette période, leur reste acquis par la suite.
Art. 27. De minister bevoegd voor Economie en Consumenten en de minister bevoegd voor Middenstand zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 27. Le ministre qui a l'Economie et les Consommateurs dans ses attributions et le ministre qui a les Classes moyennes dans ses attributions sont chargés, chacun en ce qui le concerne, de l'exécution du présent arrêté.