Aller au contenu principal

Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
28 MAART 2014. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 17 mei 2012 betreffende de vergoeding van de werkingskosten van de FSMA ter uitvoering van artikel 56 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten
Titre
28 MARS 2014. - Arrêté royal modifiant l'arrêté royal du 17 mai 2012 relatif à la couverture des frais de fonctionnement de la FSMA, pris en exécution de l'article 56 de la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers
Informations sur le document
Numac: 2014018138
Datum: 2014-03-28
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2014018138
Date: 2014-03-28
Moniteur: Voir
Table des matières
Table des matières
Tekst (37)
Texte (37)
Artikel 1. In artikel 2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 17 mei 2012 betreffende de vergoeding van de werkingskosten van de FSMA ter uitvoering van artikel 56 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten worden volgende wijzigingen aangebracht :
in de bepaling onder 1° wordt het cijfer "311" vervangen door het cijfer "399";
in de bepaling onder 3° wordt het bedrag "3.122.555" vervangen door het bedrag "3.122.825".
Article 1er. A l'article 2, alinéa 1er, de l'arrêté royal du 17 mai 2012 relatif à la couverture des frais de fonctionnement de la FSMA, pris en exécution de l'article 56 de la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers, les modifications suivantes sont apportées :
au 1°, le nombre "311" est remplacé par le nombre "399";
au 3°, le montant "3.122.555" est remplacé par le montant "3.122.825".
Art. 2. In artikel 3, § 2, van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
het eerste lid wordt vervangen als volgt :
"Met uitzondering van deze bedoeld in artikel 20 worden alle in dit besluit vermelde vaste bedragen die individuele of collectieve bijdragen uitmaken, jaarlijks aangepast naar verhouding van de evolutie van de werkingskosten bedoeld in artikel 2, 1°, en de evolutie van het grensbedrag bedoeld in artikel 2, 4°. ";
In het tweede lid, worden de woorden "overeenkomstig het eerste lid" ingevoegd tussen de woorden "aangepast" en "als".
Art. 2. A l'article 3, § 2, du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
"A l'exception de ceux visés à l'article 20, tous les montants fixes mentionnés dans le présent arrêté qui constituent des contributions individuelles ou collectives, sont adaptés annuellement en fonction de l'évolution des frais de fonctionnement visés à l'article 2, 1°, et de l'évolution du montant limite visé à l'article 2, 4°. ";
à l'alinéa 2, les mots "conformément à l'alinéa 1er" sont insérés entre le mot "adaptés" et le mot "que".
Art. 3. In artikel 5 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
paragraaf 1 wordt vervangen als volgt :
" § 1. De op 1 januari in België gevestigde instellingen voor collectieve belegging en gereglementeerde vastgoedvennootschappen betalen jaarlijks gezamenlijk een bijdrage van 25,10 % van de in artikel 4 bedoelde globale bijdrage.
De bijdrage in paragraaf 1/1 is verschuldigd per instelling voor collectieve belegging, ongeacht of zij verscheidene compartimenten heeft.
Wanneer de instelling voor collectieve belegging verscheidene compartimenten omvat, is de bijdrage in toepassing van paragraaf 2 tot en met 7 verschuldigd per ingeschreven compartiment.";
een paragraaf 1/1 wordt ingevoegd, luidende :
" § 1/1. De instellingen voor collectieve belegging die niet door een beheervennootschap worden beheerd en de gereglementeerde vastgoedvennootschappen betalen een bijdrage voor het toezicht op hun beheer, berekend als volgt :
voor de instellingen voor collectieve belegging naar Belgisch recht die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG, de openbare gereglementeerde vastgoedvennootschappen, de openbare alternatieve instellingen voor collectieve belegging naar Belgisch recht die over een vergunning beschikken, alsook de openbare alternatieve instellingen voor collectieve belegging naar het recht van derde landen die over een vergunning beschikken, is de bijdrage :
a) indien het bedrag van de beheerde activa van het vorige jaar zoals het blijkt uit de periodieke staten overgelegd aan de FSMA, groter is dan 500 mio €, gelijk aan 3000 EUR;
b) indien het bedrag van de beheerde activa van het vorige jaar zoals het blijkt uit de periodieke staten overgelegd aan de FSMA, kleiner of gelijk is aan 500 mio € en groter is dan 100 mio €, gelijk aan 1800 EUR;
c) indien het bedrag van de beheerde activa van het vorige jaar zoals het blijkt uit de periodieke staten overgelegd aan de FSMA, kleiner of gelijk is aan 100 mio €, gelijk aan 600 EUR;
voor de niet-openbare alternatieve instellingen voor collectieve belegging naar Belgisch recht die over een vergunning beschikken en de institutionele gereglementeerde vastgoedvennootschappen, is de bijdrage :
a) indien het bedrag van de beheerde activa van het vorige jaar zoals het blijkt uit de periodieke staten overgelegd aan de FSMA, groter is dan 500 mio €, gelijk aan 2500 EUR;
b) indien het bedrag van de beheerde activa van het vorige jaar zoals het blijkt uit de periodieke staten overgelegd aan de FSMA, kleiner of gelijk is aan 500 mio € en groter is dan 100 mio €, gelijk aan 1500 EUR;
c) indien het bedrag van de beheerde activa van het vorige jaar zoals het blijkt uit de periodieke staten overgelegd aan de FSMA, kleiner of gelijk is aan 100 mio €, gelijk aan 500 EUR;
voor de openbare alternatieve instellingen voor collectieve belegging naar het recht van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte die over een vergunning beschikken, alsook de niet-openbare alternatieve instellingen voor collectieve belegging naar het recht van derde landen die over een vergunning beschikken, is de bijdrage gelijk aan 375 EUR;
voor de alternatieve instellingen voor collectieve belegging naar Belgisch recht van wie de beheerde activa een bedrag vertegenwoordigen dat, naargelang van het geval, onder de drempel van 100 mio EUR of 500 mio EUR ligt en die niet over een vergunning beschikken maar in toepassing van verordening (EU) 345/2013 en 346/2013 over een label EuVECA of EuSEF beschikken, is de bijdrage gelijk aan 500 EUR.";
in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden "en de openbare gereglementeerde vastgoedvennootschappen" ingevoegd tussen de woorden "rechten van deelneming" en de woorden "betalen samen";
in paragraaf 5, eerste lid, worden de woorden "en de openbare gereglementeerde vastgoedvennootschappen" ingevoegd tussen de woorden "rechten van deelneming" en de woorden "bedoeld in paragraaf 2";
in paragraaf 5, eerste lid, 1°, 2°, en 3°, wordt telkens de afkorting "EUR" opgeheven.
Art. 3. A l'article 5 du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. Les organismes de placement collectif et les sociétés immobilières réglementées établis en Belgique au 1er janvier acquittent annuellement, ensemble, une contribution égale à 25,10 % de la contribution globale prévue à l'article 4.
La contribution fixée au paragraphe 1er/1 est due par organisme de placement collectif, que celui-ci comprenne plusieurs compartiments ou non.
Lorsque l'organisme de placement collectif comprend plusieurs compartiments, la contribution fixée en application des paragraphes 2 à 7 est due par compartiment inscrit.";
il est inséré un paragraphe 1er/1 rédigé comme suit :
" § 1er/1. Les organismes de placement collectif qui ne sont pas gérés par une société de gestion, ainsi que les sociétés immobilières réglementées, payent, pour le contrôle de leur gestion, une contribution calculée selon les règles suivantes :
pour les organismes de placement collectif de droit belge qui répondent aux conditions de la directive 2009/65/CE, les sociétés immobilières réglementées publiques, les organismes de placement collectif alternatifs publics de droit belge qui disposent d'un agrément, ainsi que les organismes de placement collectif alternatifs publics qui relèvent du droit d'un pays tiers et qui disposent d'un agrément, la contribution :
a) s'élève à 3000 EUR, si le montant des actifs gérés au cours de l'année précédente, tel qu'il ressort des états périodiques communiqués à la FSMA, est supérieur à 500 Mio EUR;
b) s'élève à 1800 EUR, si le montant des actifs gérés au cours de l'année précédente, tel qu'il ressort des états périodiques communiqués à la FSMA, est inférieur ou égal à 500 Mio EUR et supérieur à 100 Mio EUR;
c) s'élève à 600 EUR, si le montant des actifs gérés au cours de l'année précédente, tel qu'il ressort des états périodiques communiqués à la FSMA, est inférieur ou égal à 100 Mio EUR;
pour les organismes de placement collectif alternatifs non publics de droit belge qui disposent d'un agrément et pour les sociétés immobilières réglementées institutionnelles, la contribution :
a) s'élève à 2500 EUR, si le montant des actifs gérés au cours de l'année précédente, tel qu'il ressort des états périodiques communiqués à la FSMA, est supérieur à 500 Mio EUR;
b) s'élève à 1500 EUR, si le montant des actifs gérés au cours de l'année précédente, tel qu'il ressort des états périodiques communiqués à la FSMA, est inférieur ou égal à 500 Mio EUR et supérieur à 100 Mio EUR;
c) s'élève à 500 EUR, si le montant des actifs gérés au cours de l'année précédente, tel qu'il ressort des états périodiques communiqués à la FSMA, est inférieur ou égal à 100 Mio EUR;
pour les organismes de placement collectif alternatifs publics qui relèvent du droit d'un autre Etat membre de l'Espace économique européen et qui disposent d'un agrément, ainsi que pour les organismes de placement collectif alternatifs non publics qui relèvent du droit d'un pays tiers et qui disposent d'un agrément, la contribution s'élève à 375 EUR;
pour les organismes de placement collectif alternatifs de droit belge dont les actifs gérés représentent un montant qui, selon le cas, se situe au-dessous du seuil de 100 Mio EUR ou de 500 Mio EUR et qui ne disposent pas d'un agrément mais utilisent, en application des règlements (UE) n° 345/2013 et n° 346/2013, la dénomination EuVECA ou EuSEF, la contribution s'élève à 500 EUR.";
au paragraphe 2, alinéa 1er, les mots "et les sociétés immobilières réglementées publiques" sont insérés entre les mots "de parts" et les mots "payent ensemble";
au paragraphe 5, alinéa 1er, les mots "et des sociétés immobilières réglementées publiques" sont insérés entre les mots "de parts" et les mots "visés au paragraphe 2", et les mots "et des" sont remplacés par les mots "ainsi que des";
au paragraphe 5, alinéa 1er, 1°, 2° et 3°, le mot "EUR" est supprimé.
Art. 4. In artikel 6 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
in het opschrift worden de woorden "onafhankelijk financiële planners," ingevoegd tussen de woorden "Bijdragen van" en de woorden "beheervennootschappen";
paragraaf 1 wordt vervangen als volgt :
" § 1. De op 1 januari in België gevestigde onafhankelijk financiële planners, beheervennootschappen van instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG, beheervennootschappen van alternatieve instellingen voor collectieve belegging die over een vergunning beschikken, vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies en buitenlandse beleggingsondernemingen waarop de FSMA het toezicht van prudentiële aard uitoefent betalen jaarlijks gezamenlijk een bijdrage van 2,49 % van de in artikel 4 bedoelde globale bijdrage.";
een paragraaf 1/1 wordt ingevoegd, luidende :
" § 1/1. De bijdrage voor de onafhankelijk financiële planners wordt berekend als volgt :
elke onafhankelijke financiële planner betaalt een forfaitair basisbedrag van 2.500 EUR;
het bedrag in 1° wordt verhoogd als volgt :
a) voor de onafhankelijke financiële planner die een natuurlijk persoon is : 500 EUR per medewerker die gemachtigd is om de persoon te vertegenwoordigen bij het verstrekken van raad over financiële planning;
b) voor de onafhankelijke financiële planner die een rechtspersoon is : 500 EUR per effectieve leider vanaf de tweede effectieve leider en 500 EUR per medewerker die gemachtigd is om de rechtspersoon te vertegenwoordigen bij het verstrekken van raad over financiële planning.
De som van de bedragen die de onafhankelijk financiële planner verschuldigd is, bedoeld in het eerste lid, mag 10.000 EUR niet overschrijden.";
paragraaf 2 wordt vervangen als volgt :
" § 2. Na aftrek van de krachtens paragraaf 1/1 verschuldigde bijdragen, wordt het saldo van de in paragraaf 1 bedoelde bijdrage omgeslagen over de overige ondernemingen bedoeld in de eerste paragraaf als volgt :
De helft van het saldo wordt omgeslagen over alle ondernemingen bedoeld in het eerste lid naar verhouding van hun maximaal vereiste eigen vermogen op 31 december van het voorlaatste jaar;
Een vierde van het saldo wordt omgeslagen over alle ondernemingen bedoeld in het eerste lid naar verhouding van hun inkomsten zoals vastgesteld op 31 december van het voorlaatste jaar en gerealiseerd tijdens de twaalf maanden voorafgaand aan die datum.
Onder inkomsten moet het totale bedrag van de ontvangen commissies en de andere bedrijfsopbrengsten worden verstaan, vermeerderd met de inkomsten uit deelnemingen in verbonden ondernemingen, zoals die blijken uit de periodieke staten overgelegd aan de FSMA.
De bijdragen worden, voor de toepassing van het eerste lid, 2°, vastgesteld op basis van 40 % van het bedrag van de voornoemde inkomsten voor volgende ondernemingen :
a) de beheervennootschappen van instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG, die ressorteren onder het recht van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte;
b) de beheervennootschappen van alternatieve instellingen voor collectieve belegging die ressorteren onder het recht van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte en die over een vergunning beschikken;
c) de beheervennootschappen van alternatieve instellingen voor collectieve belegging uit derde landen;
d) de beheervennootschappen van niet-openbare alternatieve instellingen voor collectieve belegging van wie de beheerde activa een bedrag vertegenwoordigen dat, naargelang van het geval, onder de drempel van 100 mio EUR of 500 mio EUR ligt en die niet over een vergunning beschikken;
e) vennootschappen van vermogensbeheer en beleggingsadvies die ressorteren onder het recht van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte en waarop de FSMA het toezicht van prudentiële aard uitoefent.
Een vierde van het saldo wordt omgeslagen over alle ondernemingen bedoeld in het eerste lid naar verhouding van hun balanstotaal op 31 december van het voorlaatste jaar zoals dat blijkt uit de periodieke staten overgelegd aan de FSMA.
De bijdragen, worden, voor de toepassing van het eerste lid, 3°, vastgesteld op basis van 40 % van hun balanstotaal voor volgende ondernemingen :
a) de beheervennootschappen van instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG, die ressorteren onder het recht van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte;
b) de beheervennootschappen van alternatieve instellingen voor collectieve belegging die ressorteren onder het recht van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte en die over een vergunning beschikken;
c) de beheervennootschappen van alternatieve instellingen voor collectieve belegging uit derde landen;
d) de beheervennootschappen van niet-openbare alternatieve instellingen voor collectieve belegging van wie de beheerde activa een bedrag vertegenwoordigen dat, naargelang van het geval, onder de drempel van 100 mio EUR of 500 mio EUR ligt en die niet over een vergunning beschikken;
e) vennootschappen van vermogensbeheer en beleggingsadvies die ressorteren onder het recht van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte en waarop de FSMA het toezicht van prudentiële aard uitoefent.";
paragraaf 3 wordt vervangen als volgt :
" § 3. Indien een onderneming zowel over een vergunning als beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG als over een vergunning als beheervennootschap van alternatieve instellingen voor collectieve belegging beschikt, wordt voor de berekening van elk van haar bijdragen overeenkomstig paragraaf 2, slechts rekening gehouden met 70% van de berekeningsbasissen bedoeld in 1°, 2° en 3° van dezelfde paragraaf, voor zover de berekeningsbasis niet reeds op 40 % werd gebracht.";
paragraaf 4 wordt opgeheven;
in paragraaf 5, die wordt hernummerd als paragraaf 4, worden volgende wijzigingen aangebracht :
a) in de bepaling onder 1° worden de woorden "die over een vergunning beschikt," ingevoegd tussen de woorden "naar Belgisch recht" en "minder bedraagt dan 9.200 EUR";
b) de bepaling onder 2° wordt vervangen als volgt :
"2° Als de totale bijdrage van een vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies naar Belgisch recht, van een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging die ressorteert onder het recht van een Staat die geen lid is van de Europese Economische Ruimte en over een vergunning beschikt, of van een beleggingsonderneming die ressorteert onder het recht van een Staat die geen lid is van de Europese Economische Ruimte en waarop de FSMA het toezicht van prudentiële aard uitoefent, minder bedraagt dan 4.600 EUR, wordt ze op dit bedrag gebracht.";
c) de bepaling onder 3° wordt vervangen als volgt :
"3° Als de totale bijdrage van een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging die ressorteert onder het recht van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte en over een vergunning beschikt of een beleggingsonderneming die ressorteert onder het recht van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte waarop de FSMA het toezicht van prudentiële aard uitoefent minder bedraagt dan 3.000 EUR, wordt ze op dit bedrag gebracht.".
Art. 4. A l'article 6 du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
dans l'intitulé, les mots "des planificateurs financiers indépendants," sont insérés entre le mot "Contributions" et les mots "des sociétés de gestion";
le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. Les planificateurs financiers indépendants, les sociétés de gestion d'organismes de placement collectif répondant aux conditions de la directive 2009/65/CE, les sociétés de gestion d'organismes de placement collectif alternatifs qui disposent d'un agrément, les sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement, ainsi que les entreprises d'investissement étrangères dont le contrôle de nature prudentielle est assuré par la FSMA, établis en Belgique au 1er janvier acquittent annuellement, ensemble, une contribution égale à 2,49 % de la contribution globale prévue à l'article 4.";
il est inséré un paragraphe 1er/1 rédigé comme suit :
" § 1er/1. La contribution des planificateurs financiers indépendants est calculée selon les règles suivantes :
chaque planificateur financier indépendant paye un montant de base forfaitaire de 2.500 EUR;
le montant visé au 1° est majoré comme suit :
a) pour un planificateur financier indépendant ayant la qualité de personne physique : 500 EUR par collaborateur habilité à représenter la personne physique lors de la fourniture de consultations en planification financière;
b) pour un planificateur financier indépendant ayant la qualité de personne morale : 500 EUR par dirigeant effectif à partir du deuxième dirigeant effectif et 500 EUR par collaborateur habilité à représenter la personne morale lors de la fourniture de consultations en planification financière.
La somme des montants dont le planificateur financier indépendant est redevable conformément à l'alinéa 1er, ne peut excéder 10.000 EUR.";
le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
" § 2. Après déduction des contributions à acquitter en vertu du paragraphe 1er/1, le solde de la contribution visée au paragraphe 1er est réparti entre les autres entreprises visées au paragraphe 1er de la façon suivante :
La moitié du solde est répartie entre toutes les entreprises visées à l'alinéa 1er en proportion de l'exigence maximale en fonds propres au 31 décembre de l'avant-dernière année qui leur est applicable;
Un quart du solde est réparti entre toutes les entreprises visées à l'alinéa 1er en proportion de leurs revenus arrêtés au 31 décembre de l'avant-dernière année et réalisés au cours des douze mois précédant cette date.
Par revenus, il faut entendre le total des commissions perçues et des autres produits d'exploitation, augmenté des revenus des participations dans des entreprises liées, tels qu'ils ressortent des états périodiques communiqués à la FSMA.
Pour l'application de l'alinéa 1er, 2°, les contributions sont déterminées sur la base de 40 % du montant des revenus précités dans le cas des entreprises suivantes :
a) les sociétés de gestion d'organismes de placement collectif répondant aux conditions de la directive 2009/65/CE, lorsqu'elles relèvent du droit d'un autre Etat membre de l'Espace économique européen;
b) les sociétés de gestion d'organismes de placement collectif alternatifs, lorsqu'elles relèvent du droit d'un autre Etat membre de l'Espace économique européen et qu'elles disposent d'un agrément;
c) les sociétés de gestion d'organismes de placement collectif alternatifs, lorsqu'elles relèvent du droit d'un pays tiers;
d) les sociétés de gestion d'organismes de placement collectif alternatifs non publics dont les actifs gérés représentent un montant qui, selon le cas, se situe au-dessous du seuil de 100 Mio EUR ou de 500 Mio EUR et qui ne disposent pas d'un agrément;
e) les sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement qui relèvent du droit d'un autre Etat membre de l'Espace économique européen et dont le contrôle de nature prudentielle est assuré par la FSMA.
Un quart du solde est réparti entre toutes les entreprises visées à l'alinéa 1er en proportion de leur total du bilan au 31 décembre de l'avant-dernière année tel qu'il ressort des états périodiques communiqués à la FSMA.
Pour l'application de l'alinéa 1er, 3°, les contributions sont déterminées sur la base de 40 % du total du bilan susmentionné dans le cas des entreprises suivantes :
a) les sociétés de gestion d'organismes de placement collectif répondant aux conditions de la directive 2009/65/CE, lorsqu'elles relèvent du droit d'un autre Etat membre de l'Espace économique européen;
b) les sociétés de gestion d'organismes de placement collectif alternatifs, lorsqu'elles relèvent du droit d'un autre Etat membre de l'Espace économique européen et qu'elles disposent d'un agrément;
c) les sociétés de gestion d'organismes de placement collectif alternatifs, lorsqu'elles relèvent du droit d'un pays tiers;
d) les sociétés de gestion d'organismes de placement collectif alternatifs non publics dont les actifs gérés représentent un montant qui, selon le cas, se situe au-dessous du seuil de 100 Mio EUR ou de 500 Mio EUR et qui ne disposent pas d'un agrément;
e) les sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement qui relèvent du droit d'un autre Etat membre de l'Espace économique européen et dont le contrôle de nature prudentielle est assuré par la FSMA.";
le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
" § 3. Si une entreprise dispose d'un agrément à la fois comme société de gestion d'organismes de placement collectif répondant aux conditions de la directive 2009/65/CE et comme société de gestion d'organismes de placement collectif alternatifs, le calcul de chacune de ses contributions selon les modalités exposées au paragraphe 2 ne prend en compte que 70 % des bases de calcul visées aux 1°, 2° et 3° dudit paragraphe, pour autant que celles-ci n'aient pas déjà été ramenées à 40 %.";
le paragraphe 4 est abrogé;
au paragraphe 5, qui est renuméroté en paragraphe 4, les modifications suivantes sont apportées :
a) au 1°, les mots "qui dispose d'un agrément," sont insérés entre les mots "de droit belge" et "est inférieur à 9.200 EUR";
b) le 2° est remplacé par ce qui suit :
"2° Si le total de la contribution due par une société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement de droit belge, par une société de gestion d'organismes de placement collectif qui relève du droit d'un Etat non membre de l'Espace économique européen et qui dispose d'un agrément, ou par une entreprise d'investissement qui relève du droit d'un Etat non membre de l'Espace économique européen et dont le contrôle de nature prudentielle est assuré par la FSMA, est inférieur à 4.600 EUR, il est porté à ce montant.";
c) le 3° est remplacé par ce qui suit :
"3° Si le total de la contribution due par une société de gestion d'organismes de placement collectif qui relève du droit d'un autre Etat membre de l'Espace économique européen et qui dispose d'un agrément, ou par une entreprise d'investissement qui relève du droit d'un autre Etat membre de l'Espace économique européen et dont le contrôle de nature prudentielle est assuré par la FSMA, est inférieur à 3.000 EUR, il est porté à ce montant.".
Art. 5. In artikel 7 van hetzelfde besluit worden volgende wijzigingen aangebracht :
in paragraaf 1 wordt het cijfer "10,83" vervangen door het cijfer "11,53";
in paragraaf 3, laatste lid, worden de woorden "één derde" vervangen door het cijfer "65 %";
in paragraaf 4, tweede lid, worden de woorden "één derde" vervangen door het cijfer "65 %";
paragraaf 7 wordt vervangen als volgt :
" § 7. In afwijking van voorgaande paragrafen wordt de bijdrage van een kredietinstelling die geen enkele beleggingsdienst of nevendienst verricht in de zin van artikel 46, 1° en/of 2°, van de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, vastgesteld als volgt, op voorwaarde dat die instelling de vereiste kennisgeving in die zin aflegt in de loop van het jaar voorafgaand aan de heffing en de inning van die bijdrage :
voor de kredietinstelling die ressorteert onder het recht van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte : 1.000 EUR;
voor enige andere kredietinstelling : 2.000 EUR.".
Art. 5. A l'article 7 du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
au paragraphe 1er, le chiffre "10,83" est remplacé par le chiffre "11,53";
au paragraphe 3, dernier alinéa, les mots "du tiers" sont remplacés par les mots "de 65 %";
au paragraphe 4, alinéa 2, les mots "du tiers" sont remplacés par les mots "de 65 %";
le paragraphe 7 est remplacé par ce qui suit :
" § 7. Par dérogation aux paragraphes précédents, la contribution d'un établissement de crédit qui ne preste aucun service d'investissement ou service auxiliaire au sens de l'article 46, 1° et/ou 2° de la loi du 6 avril 1995 relative au statut et au contrôle des entreprises d'investissement est fixée comme suit, à condition que cet établissement fasse la notification requise dans ce sens au cours de l'année précédant la levée et la perception de cette contribution :
pour un établissement de crédit relevant du droit d'un autre Etat membre de l'Espace économique européen : 1.000 EUR;
pour tout autre établissement de crédit : 2.000 EUR.".
Art. 6. Artikel 8 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
"Art. 8. Bijdragen van de verzekeringsondernemingen
§ 1. De op 1 januari in België gevestigde verzekeringsondernemingen betalen jaarlijks gezamenlijk een bijdrage van 24,41 % van de in artikel 4 bedoelde globale bijdrage.
§ 2. 22 % van het in paragraaf 1 vermelde bedrag wordt over de verzekeringsondernemingen omgeslagen naar verhouding van de in het kader van de groepsverzekeringsactiviteiten aan hen verschuldigde premies binnen de twaalf maanden voorafgaand aan 31 december van het voorlaatste jaar, zoals die blijken uit de periodieke staten of andere stavingsstukken overgelegd aan de FSMA.
§ 3. 45 % van het in paragraaf 1 vermelde bedrag wordt over de verzekeringsondernemingen omgeslagen naar verhouding van de in het kader van de levensverzekeringsactiviteiten, andere dan de groepsverzekeringsactiviteiten, aan hen verschuldigde premies binnen de twaalf maanden voorafgaand aan 31 december van het voorlaatste jaar, zoals die blijken uit de periodieke staten of andere stavingsstukken overgelegd aan de FSMA.
§ 4. 27 % van het in paragraaf 1 vermelde bedrag wordt over de verzekeringsondernemingen omgeslagen naar verhouding van de in het kader van de niet-levensverzekeringsactiviteiten, andere dan de ziekteverzekeringsactiviteiten, aan hen verschuldigde premies binnen de twaalf maanden voorafgaand aan 31 december van het voorlaatste jaar, zoals die blijken uit de periodieke staten of andere stavingsstukken overgelegd aan de FSMA.
§ 5. 6 % van het in paragraaf 1 vermelde bedrag wordt over de verzekeringsondernemingen omgeslagen naar verhouding van de in het kader van de ziekteverzekeringsactiviteiten, aan hen verschuldigde premies binnen de twaalf maanden voorafgaand aan 31 december van het voorlaatste jaar, zoals die blijken uit de periodieke staten of andere stavingsstukken overgelegd aan de FSMA.
§ 6. Voor de vaststelling van de bijdragen van de verzekeringsondernemingen die ressorteren onder het recht van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte, worden, voor de toepassing van dit artikel, de premies voor 65 % in aanmerking genomen.
§ 7. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder "premies" verstaan, de som van de bedragen "uitgegeven premies" en "wijziging in de nog uit te geven premies".
§ 8. In afwijking van artikel 17, § 1, wordt de minimumbijdrage overeenkomstig de volgende regels vastgesteld :
Als de totale bijdrage van een verzekeringsonderneming die ressorteert onder het recht van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte, minder bedraagt dan 2.500 EUR, wordt ze op dit bedrag gebracht;
Als de totale bijdrage van enige andere verzekeringsonderneming minder bedraagt dan 5.000 EUR, wordt ze op dit bedrag gebracht.".
Art. 6. L'article 8 du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
"Art. 8. Contributions des entreprises d'assurances
§ 1er. Les entreprises d'assurances établies en Belgique au 1er janvier acquittent annuellement, ensemble, une contribution égale à 24,41 % de la contribution globale prévue à l'article 4.
§ 2. 22 % du montant mentionné au paragraphe 1er sont répartis entre les entreprises d'assurances en proportion des primes qui leur sont dues dans le cadre d'activités d'assurance groupe, dans les douze mois précédant le 31 décembre de l'avant-dernière année, telles qu'elles ressortent des états périodiques ou d`autres pièces justificatives communiqués à la FSMA.
§ 3. 45 % du montant mentionné au paragraphe 1er sont répartis entre les entreprises d'assurances en proportion des primes qui leur sont dues dans le cadre d'activités d'assurance vie hors assurance groupe, dans les douze mois précédant le 31 décembre de l'avant-dernière année, telles qu'elles ressortent des états périodiques ou d'autres pièces justificatives communiqués à la FSMA.
§ 4. 27 % du montant mentionné au paragraphe 1er sont répartis entre les entreprises d'assurances en proportion des primes qui leur sont dues dans le cadre d'activités d'assurance non vie hors assurance-maladie, dans les douze mois précédant le 31 décembre de l'avant-dernière année, telles qu'elles ressortent des états périodiques ou d'autres pièces justificatives communiqués à la FSMA.
§ 5. 6 % du montant mentionné au paragraphe 1er sont répartis entre les entreprises d'assurances en proportion des primes qui leur sont dues dans le cadre d'activités d'assurance-maladie, dans les douze mois précédant le 31 décembre de l'avant-dernière année, telles qu'elles ressortent des états périodiques ou d'autres pièces justificatives communiqués à la FSMA.
§ 6. Pour la détermination des contributions des entreprises d'assurances relevant du droit d'un autre Etat membre de l'Espace économique européen, les primes sont, pour l'application de cet article, prises en compte à concurrence de 65 %.
§ 7. Pour l'application du présent article, il faut entendre par primes la somme des montants "primes émises" et "variation des primes restant à émettre".
§ 8. Par dérogation à l'article 17, § 1er, la contribution minimale est fixée selon les règles suivantes :
Si le total de la contribution due par une entreprise d'assurances relevant du droit d'un autre Etat membre de l'Espace économique européen est inférieur à 2.500 EUR, il est porté à ce montant;
Si le total de la contribution due par toute autre entreprise d'assurances est inférieur à 5.000 EUR, il est porté à ce montant.".
Art. 7. Artikel 9 van hetzelfde besluit wordt hernummerd als artikel 9/2.
Art. 7. L'article 9 du même arrêté est renuméroté en article 9/2.
Art. 8. In hetzelfde besluit wordt een nieuw artikel 9 ingevoegd, luidende :
"Art. 9. Bijdragen van de kredietgevers inzake hypothecair krediet
§ 1. De op 1 januari in België gevestigde kredietgevers inzake hypothecair krediet betalen jaarlijkse gezamenlijk een bijdrage van 1,50 % van de in artikel 4 bedoelde globale bijdrage.
§ 2. De in paragraaf 1 bedoelde bijdrage wordt omgeslagen over de in dezelfde paragraaf bedoelde kredietgevers naar verhouding van het totaal of een deel van het bedrag van het verschuldigd blijvend saldo in omloop op 31 december van het laatste jaar, als volgt :
voor de kredietgevers, die niet onder 2°, 3° of 4°, vallen, wordt het totaal van het bedrag van het verschuldigd blijvend saldo in omloop in aanmerking genomen;
voor de kredietgevers naar Belgisch recht die hetzij als kredietinstellingen op de in artikel 13 van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen bedoelde lijst, hetzij als verzekeringsondernemingen op de in artikel 4 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen bedoelde lijst, hetzij als instellingen voor elektronisch geld op de in artikel 64 van de wet van 21 december 2009 op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen bedoelde lijst, hetzij als betalingsinstellingen op de in artikel 9 van voornoemde wet van 21 december 2009 bedoelde lijst zijn ingeschreven, wordt een derde van het verschuldigd blijvend saldo in omloop in aanmerking genomen;
voor kredietgevers naar buitenlands recht die hetzij als bijkantoren van kredietinstellingen op de in artikel 13 van de voornoemde wet van 22 maart 1993 bedoelde lijst, hetzij als bijkantoren van verzekeringsondernemingen op de in de artikelen 4 en 66 van de voornoemde wet van 9 juli 1975 bedoelde lijsten, hetzij als bijkantoren van instellingen voor elektronisch geld op de in de artikelen 64 en 91 van de voornoemde wet van 21 december 2009 bedoelde lijsten, hetzij als bijkantoren van betalingsinstellingen op de in artikel 39 van de voornoemde wet van 21 december 2009 bedoelde lijst, zijn ingeschreven, wordt een derde van het verschuldigd blijvend saldo in omloop in aanmerking genomen;
voor de kredietinstellingen en de financiële instellingen als bedoeld in artikel 78 van de voornoemde wet van 22 maart 1993 die ressorteren onder het recht van een andere lidstaat van de Europese Economische ruimte en die op grond van hun nationaal recht hypothecaire kredietovereenkomsten mogen verlenen in hun lidstaat van herkomst, wordt één derde van het verschuldigd blijvend saldo in omloop in aanmerking genomen.".
Art. 8. Dans le même arrêté, il est inséré un nouvel article 9 rédigé comme suit :
"Art. 9. Contributions des prêteurs en crédit hypothécaire
§ 1er. Les prêteurs en crédit hypothécaire établis en Belgique au 1er janvier acquittent annuellement, ensemble, une contribution égale à 1,50 % de la contribution globale prévue à l'article 4.
§ 2. La contribution visée au paragraphe 1er est répartie entre les prêteurs visés au même paragraphe en proportion du montant global ou d'une partie du montant du solde restant dû en cours au 31 décembre de la dernière année, selon les règles suivantes :
pour les prêteurs qui ne relèvent pas des 2°, 3° ou 4°, le montant global du solde restant dû en cours est pris en compte;
pour les prêteurs de droit belge qui sont portés soit comme établissements de crédit sur la liste prévue à l'article 13 de la loi du 22 mars 1993 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit, soit comme entreprises d'assurances sur la liste prévue à l'article 4 de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d'assurances, soit comme établissements de monnaie électronique sur la liste prévue à l'article 64 de la loi du 21 décembre 2009 relative au statut des établissements de paiement et des établissements de monnaie électronique, à l'accès à l'activité de prestataire de services de paiement, à l'activité d'émission de monnaie électronique et à l'accès aux systèmes de paiement, soit comme établissements de paiement sur la liste prévue à l'article 9 de la loi du 21 décembre 2009 précitée, un tiers du solde restant dû en cours est pris en compte;
pour les prêteurs de droit étranger qui sont portés soit comme succursales d'établissements de crédit sur la liste prévue à l'article 13 de la loi du 22 mars 1993 précitée, soit comme succursales d'entreprises d'assurances sur les listes prévues aux articles 4 et 66 de la loi du 9 juillet 1975 précitée, soit comme succursales d'établissements de monnaie électronique sur les listes prévues aux articles 64 et 91 de la loi du 21 décembre 2009 précitée, soit comme succursales d'établissements de paiement sur la liste prévue à l'article 39 de la loi du 21 décembre 2009 précitée, un tiers du solde restant dû en cours est pris en compte;
pour les établissements de crédit et les établissements financiers visés à l'article 78 de la loi du 22 mars 1993 précitée qui relèvent du droit d'un autre Etat membre de l'Espace économique européen et qui sont habilités en vertu de leur droit national à accorder des contrats de crédit hypothécaire dans leur Etat membre d'origine, un tiers du solde restant dû en cours est pris en compte.".
Art. 9. In hetzelfde besluit wordt een nieuw artikel 9/1 ingevoegd, luidende :
"Art. 9/1. Bijdragen van de kredietgevers inzake consumentenkrediet
§ 1. De op 1 januari in België gevestigde kredietgevers inzake consumentenkrediet betalen jaarlijkse gezamenlijk een bijdrage van 0,90 % van de in artikel 4 bedoelde globale bijdrage.
§ 2. De in paragraaf 1 bedoelde bijdrage wordt omgeslagen over de in dezelfde paragraaf bedoelde kredietgevers naar verhouding van het totaal of een deel van het bedrag van het verschuldigd blijvend saldo in omloop op 31 december van het laatste jaar, als volgt :
voor de kredietgevers, die niet onder 2°, 3° of 4°, vallen, wordt het totaal van het bedrag van het verschuldigd blijvend saldo in omloop in aanmerking genomen;
voor de kredietgevers naar Belgisch recht die hetzij als kredietinstellingen op de in artikel 13 van de voornoemde wet van 22 maart 1993 bedoelde lijst, hetzij als instellingen voor elektronisch geld op de in artikel 64 van de voornoemde wet van 21 december 2009 bedoelde lijst, hetzij als betalingsinstellingen op de in artikel 9 van voornoemde wet van 21 december 2009 bedoelde lijst zijn ingeschreven, wordt een derde van het verschuldigd blijvend saldo in omloop in aanmerking genomen;
voor kredietgevers naar buitenlands recht die hetzij als bijkantoren van kredietinstellingen op de in artikel 13 van de voornoemde wet van 22 maart 1993 bedoelde lijst, hetzij als bijkantoren van instellingen voor elektronisch geld op de in artikel 64 van de voornoemde wet van 21 december 2009 bedoelde lijst, zijn ingeschreven, wordt een derde van het verschuldigd blijvend saldo in omloop in aanmerking genomen;
voor de kredietinstellingen, de financiële instellingen als bedoeld in artikel 78 van de voornoemde wet van 22 maart 1993, de instellingen voor elektronisch geld en de betalingsinstellingen die ressorteren onder het recht van een andere lidstaat van de Europese Economische ruimte en die op grond van hun nationaal recht consumentenkredietenovereenkomsten mogen verlenen in hun lidstaat van herkomst, wordt één derde van het verschuldigd blijvend saldo in omloop in aanmerking genomen.".
Art. 9. Dans le même arrêté, il est inséré un article 9/1 rédigé comme suit :
"Art. 9/1. Contributions des prêteurs en crédit à la consommation
§ 1er. Les prêteurs en crédit à la consommation établis en Belgique au 1er janvier acquittent annuellement, ensemble, une contribution égale à 0,90 % de la contribution globale prévue à l'article 4.
§ 2. La contribution visée au paragraphe 1er est répartie entre les prêteurs visés au même paragraphe en proportion du montant global ou d'une partie du montant du solde restant dû en cours au 31 décembre de la dernière année, selon les règles suivantes :
pour les prêteurs qui ne relèvent pas des 2°, 3° ou 4°, le montant global du solde restant dû en cours est pris en compte;
pour les prêteurs de droit belge qui sont portés soit comme établissements de crédit sur la liste prévue à l'article 13 de la loi du 22 mars 1993 précitée, soit comme établissements de monnaie électronique sur la liste prévue à l'article 64 de la loi du 21 décembre 2009 précitée, soit comme établissements de paiement sur la liste prévue à l'article 9 de la loi du 21 décembre 2009 précitée, un tiers du solde restant dû en cours est pris en compte;
pour les prêteurs de droit étranger qui sont portés soit comme succursales d'établissements de crédit sur la liste prévue à l'article 13 de la loi du 22 mars 1993 précitée, soit comme succursales d'établissements de monnaie électronique sur la liste prévue à l'article 64 de la loi du 21 décembre 2009 précitée, un tiers du solde restant dû en cours est pris en compte;
pour les établissements de crédit, les établissements financiers visés à l'article 78 de la loi du 22 mars 1993 précitée, les établissements de monnaie électronique et les établissements de paiement qui relèvent du droit d'un autre Etat membre de l'Espace économique européen et qui sont habilités en vertu de leur droit national à accorder des contrats de crédit à la consommation dans leur Etat membre d'origine, un tiers du solde restant dû en cours est pris en compte.".
Art. 10. In artikel 10, § 1, van hetzelfde besluit wordt het cijfer "1,85" vervangen door het cijfer "1,76".
Art. 10. A l'article 10, § 1er, du même arrêté, le chiffre "1,85" est remplacé par le chiffre "1,76".
Art. 11. In artikel 13, § 1, van hetzelfde besluit wordt het cijfer "13,33" vervangen door het cijfer "9,74".
Art. 11. A l'article 13, § 1er, du même arrêté, le chiffre "13,33" est remplacé par le chiffre "9,74".
Art. 12. Artikel 14 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
"Art. 14. Bijdragen van de verrekenings- en vereffeningsinstellingen en de met vereffeningsinstellingen gelijkgestelde instellingen
§ 1. De Belgische verrekenings- en vereffeningsinstellingen, met vereffeningsinstellingen gelijkgestelde instellingen, de in België gevestigde bijkantoren van buitenlandse verrekenings- en vereffeningsinstellingen en met vereffeningsinstellingen gelijkgestelde instellingen en de niet in België gevestigde buitenlandse verrekenings- en vereffeningsinstellingen en met vereffeningsinstellingen gelijkgestelde instellingen die op 1 januari aan het toezicht van de FSMA zijn onderworpen, betalen jaarlijks gezamenlijk een bijdrage van 0,54 % van de in artikel 4 bedoelde globale bijdrage.
§ 2. De in paragraaf 1 bedoelde bijdrage wordt gelijk verdeeld over alle verrekenings- en vereffeningsinstellingen en met vereffeningsinstellingen gelijkgestelde instellingen.".
Art. 12. L'article 14 du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
"Art. 14. Contributions des organismes de compensation ou de liquidation et des organismes assimilés à des organismes de liquidation
§ 1er. Les organismes de compensation ou de liquidation belges, les organismes belges assimilés à des organismes de liquidation, les succursales établies en Belgique d'organismes de compensation ou de liquidation étrangers et celles d'organismes étrangers assimilés à des organismes de liquidation, ainsi que les organismes de compensation ou de liquidation étrangers et les organismes étrangers assimilés à des organismes de liquidation non établis en Belgique, qui sont, au 1er janvier, soumis au contrôle de la FSMA, acquittent annuellement, ensemble, une contribution égale à 0,54 % de la contribution globale prévue à l'article 4.
§ 2. La contribution visée au paragraphe 1er est répartie de manière égale entre tous les organismes de compensation ou de liquidation et organismes assimilés à des organismes de liquidation.".
Art. 13. Artikel 15 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
"Art. 15. Bijdragen van de verzekerings- en herverzekeringstussenpersonen en de tussenpersonen in bank- en beleggingsdiensten, alsook van de verzekeringsondernemingen, kredietinstellingen en beleggingsondernemingen die aan directe distributie doen
§ 1. De op 1 januari in het register van de tussenpersonen in bank- en beleggingsdiensten of in het door de FSMA bijgehouden register van de verzekerings- en herverzekeringstussenpersonen ingeschreven personen, alsook de op 1 januari in België gevestigde verzekeringsondernemingen, beleggingsondernemingen en kredietinstellingen die aan directe distributie doen, betalen jaarlijks gezamenlijk een bijdrage van 12,28 % van de in artikel 4 bedoelde globale bijdrage.
§ 2. De in paragraaf 1 bedoelde bijdrage wordt omgeslagen over de tussenpersonen en over de verzekeringsondernemingen, kredietinstellingen en beleggingsondernemingen die aan directe distributie doen, overeenkomstig de bepalingen in de §§ 3 en 4.
§ 3. De in paragraaf 1 bedoelde tussenpersonen zijn een bijdrage verschuldigd berekend als volgt :
elke tussenpersoon betaalt een basisbedrag;
elke tussenpersoon betaalt daarenboven een bijkomend bedrag gelijk aan :
a) 15 % van voornoemd basisbedrag per door de tussenpersoon aangewende persoon in contact met het publiek, en
b) 20 % van voornoemd basisbedrag per persoon die met de effectieve leiding is belast, voor de tussenpersonen in bank- en beleggingsdiensten, en per verantwoordelijke voor de distributie, voor de verzekerings- en de herverzekeringstussenpersonen.
In geval van collectieve inschrijving, mag de som van de bedragen zoals bedoeld in het eerste lid, 1° en 2°, die verschuldigd zijn door de natuurlijke of rechtspersonen voor wie de centrale instelling een aanvraag tot collectieve inschrijving heeft ingediend, telkens maximaal 150.000 EUR bedragen, zowel voor de collectieve inschrijving in het register van de tussenpersonen in bank- en beleggingsdiensten, als voor de collectieve inschrijving in het register van de verzekerings- en herverzekeringstussenpersonen.
§ 4. De verzekeringsondernemingen, kredietinstellingen of beleggingsondernemingen, die aan directe distributie doen, zijn een bijdrage verschuldigd berekend als volgt :
voor de kredietinstelling of de beleggingsonderneming : 15 % van het basisbedrag bedoeld in § 3, eerste lid, 1°, per aangewende persoon in contact met het publiek;
voor de verzekeringsonderneming :
a) 15 % van het basisbedrag bedoeld in § 3, eerste lid, 1°, per aangewende persoon in contact met het publiek, en
b) 20 % van het basisbedrag bedoeld in § 3, eerste lid, 1°, per aangeduide verantwoordelijke voor de distributie.
De bijdrage bedoeld in het eerste lid, mag maximaal 150.000 EUR bedragen." .
Art. 13. L'article 15 du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
"Art. 15. Contributions des intermédiaires d'assurances et de réassurance et des intermédiaires en services bancaires et en services d'investissement, ainsi que des entreprises d'assurances, des établissements de crédit et des entreprises d'investissement qui exercent une activité de distribution directe
§ 1er. Les personnes inscrites au 1er janvier au registre des intermédiaires en services bancaires et en services d'investissement ou au registre des intermédiaires d'assurances et de réassurance tenu par la FSMA, ainsi que les entreprises d'assurances, les établissements de crédit et les entreprises d'investissement établis en Belgique au 1er janvier qui exercent une activité de distribution directe, acquittent annuellement, ensemble, une contribution égale à 12,28 % de la contribution globale prévue à l'article 4.
§ 2. La contribution visée au paragraphe 1er est répartie entre les intermédiaires et entre les entreprises d'assurances, les établissements de crédit et les entreprises d'investissement qui exercent une activité de distribution directe, conformément aux dispositions des paragraphes 3 et 4.
§ 3. Les intermédiaires visés au paragraphe 1er sont redevables d'une contribution calculée comme suit :
chaque intermédiaire paye un montant de base;
chaque intermédiaire paye en outre un montant supplémentaire égal à :
a) 15 % du montant de base précité par personne en contact avec le public à laquelle il recourt, et
b) 20 % du montant de base précité par personne chargée de la direction effective, pour les intermédiaires en services bancaires et d'investissement, et par personne désignée comme responsable de la distribution, pour les intermédiaires d'assurances et les intermédiaires de réassurance.
En cas d'inscription collective, la somme des montants visés à l'alinéa 1er, 1° et 2°, qui sont dus par les personnes physiques ou morales dont l'organisme central a introduit la demande d'inscription collective, ne peut excéder 150.000 EUR, tant pour l'inscription collective au registre des intermédiaires en services bancaires et en services d'investissement que pour l'inscription collective au registre des intermédiaires d'assurances et de réassurance.
§ 4. Les entreprises d'assurances, les établissements de crédit et les entreprises d'investissement qui exercent une activité de distribution directe, sont redevables d'une contribution calculée comme suit :
pour un établissement de crédit ou une entreprise d'investissement : 15 % du montant de base visé au paragraphe 3, alinéa 1er, 1°, par personne en contact avec le public à laquelle il/elle recourt;
pour une entreprise d'assurances :
a) 15 % du montant de base visé au paragraphe 3, alinéa 1er, 1°, par personne en contact avec le public à laquelle elle recourt; et
b) 20 % du montant de base visé au paragraphe 3, alinéa 1er, 1°, par personne désignée comme responsable de la distribution.
La contribution visée à l'alinéa 1er ne peut excéder 150.000 EUR.".
Art. 14. In hetzelfde besluit wordt een artikel 15/1 ingevoegd, luidende :
"Art. 15/1. Bijdrage van bemiddelaars inzake hypothecair krediet en van de kredietgevers inzake hypothecair krediet die het bedrijf van bemiddelaar inzake hypothecair krediet uitoefenen
§ 1. De op 1 januari in het register van bemiddelaars inzake hypothecair krediet ingeschreven kredietbemiddelaars, de op 1 januari in België gevestigde bemiddelaars inzake hypothecair krediet die ressorteren onder het recht van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte, alsook de op 1 januari in België gevestigde kredietgevers inzake hypothecair krediet die het bedrijf van bemiddelaar inzake hypothecair krediet uitoefenen, betalen jaarlijks gezamenlijk een bijdrage van 5,45 % van de in artikel 4 bedoelde globale bijdrage.
§ 2. De in paragraaf 1 bedoelde bijdrage wordt omgeslagen over de in het register van bemiddelaars inzake hypothecair krediet ingeschreven kredietbemiddelaars, enerzijds, en over de in België gevestigde bemiddelaars inzake hypothecair krediet die ressorteren onder het recht van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte en de in België gevestigde kredietgevers inzake hypothecair krediet die het bedrijf van bemiddelaar inzake hypothecair krediet uitoefenen anderzijds, overeenkomstig de bepalingen in de §§ 3 en 4.
§ 3. De in het register van bemiddelaars inzake hypothecair krediet ingeschreven kredietbemiddelaars, zijn een bijdrage verschuldigd berekend als volgt :
elke kredietbemiddelaar betaalt een basisbedrag;
elke kredietbemiddelaar betaalt daarenboven een bijkomend bedrag gelijk aan :
a) 15 % van voornoemd basisbedrag per door de kredietbemiddelaar aangewende persoon in contact met het publiek, en
b) 20 % van voornoemd basisbedrag per door de kredietbemiddelaar aangeduide verantwoordelijke voor de distributie.
In geval van collectieve inschrijving in het register van bemiddelaars inzake hypothecair krediet, mag de som van de bedragen zoals bedoeld in eerste lid, 1° en 2°, die verschuldigd zijn door de natuurlijke of rechtspersonen voor wie de centrale instelling een aanvraag tot collectieve inschrijving heeft ingediend, maximaal 150.000 EUR bedragen.
§ 4. De in België gevestigde kredietbemiddelaars inzake hypothecair krediet die ressorteren onder het recht van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte, alsook de in België gevestigde kredietgevers inzake hypothecair krediet die het bedrijf van bemiddelaar inzake hypothecair krediet uitoefenen, zijn een bijdrage verschuldigd berekend als volgt :
a) 15 % van het basisbedrag bedoeld in § 3, eerste lid, 1°, per aangewende persoon in contact met het publiek, en
b) 20 % van het basisbedrag bedoeld in § 3, eerste lid, 1°, of 65 EUR per aangeduide verantwoordelijke voor de distributie.
De bijdrage bedoeld in de eerste alinea, mag maximaal 150.000 EUR bedragen.".
Art. 14. Dans le même arrêté, il est inséré un article 15/1 rédigé comme suit :
"Art. 15/1. Contributions des intermédiaires en crédit hypothécaire et des prêteurs en crédit hypothécaire qui exercent l'activité d'intermédiation en crédit hypothécaire
§ 1er. Les intermédiaires de crédit inscrits au 1er janvier au registre des intermédiaires en crédit hypothécaire et les intermédiaires en crédit hypothécaire établis en Belgique au 1er janvier qui relèvent du droit d'un autre Etat membre de l'Espace économique européen, ainsi que les prêteurs en crédit hypothécaire établis en Belgique au 1er janvier qui exercent l'activité d'intermédiation en crédit hypothécaire, acquittent annuellement, ensemble, une contribution égale à 5,45 % de la contribution globale prévue à l'article 4.
§ 2. La contribution visée au paragraphe 1er est répartie entre les intermédiaires de crédit inscrits au registre des intermédiaires en crédit hypothécaire, d'une part, et entre les intermédiaires en crédit hypothécaire établis en Belgique qui relèvent du droit d'un autre Etat membre de l'Espace économique européen et les prêteurs en crédit hypothécaire établis en Belgique qui exercent l'activité d'intermédiation en crédit hypothécaire, d'autre part, conformément aux dispositions des paragraphes 3 et 4.
§ 3. Les intermédiaires de crédit inscrits au registre des intermédiaires en crédit hypothécaire sont redevables d'une contribution calculée comme suit :
chaque intermédiaire de crédit paye un montant de base;
chaque intermédiaire de crédit paye en outre un montant supplémentaire égal à :
a) 15 % du montant de base précité par personne en contact avec le public à laquelle il recourt, et
b) 20 % du montant de base précité par personne désignée comme responsable de la distribution.
En cas d'inscription collective au registre des intermédiaires en crédit hypothécaire, la somme des montants visés à l'alinéa 1er, 1° et 2°, qui sont dus par les personnes physiques ou morales dont l'organisme central a introduit la demande d'inscription collective, ne peut excéder 150.000 EUR.
§ 4. Les intermédiaires en crédit hypothécaire établis en Belgique qui relèvent du droit d'un autre Etat membre de l'Espace économique européen, ainsi que les prêteurs en crédit hypothécaire établis en Belgique qui exercent l'activité d'intermédiation en crédit hypothécaire, sont redevables d'une contribution calculée comme suit :
a) 15 % du montant de base visé au paragraphe 3, alinéa 1er, 1°, par personne en contact avec le public à laquelle ils recourent, et
b) 20 % du montant de base visé au paragraphe 3, alinéa 1er, 1°, ou 65 EUR par personne désignée comme responsable de la distribution.
La contribution visée à l'alinéa 1er ne peut excéder 150.000 EUR.".
Art. 15. In hetzelfde besluit wordt een artikel 15/2 ingevoegd, luidende :
"Art. 15/2. Bijdrage van bemiddelaars inzake consumentenkrediet en van de kredietgevers inzake consumentenkrediet die het bedrijf van bemiddelaar inzake consumentenkrediet uitoefenen
§ 1. De op 1 januari in het register van bemiddelaars inzake consumentenkrediet ingeschreven kredietbemiddelaars, alsook de op 1 januari in België gevestigde kredietgevers inzake consumentenkrediet die het bedrijf van bemiddelaar inzake consumentenkrediet uitoefenen, betalen jaarlijks gezamenlijk een bijdrage van 2,75 % van de in artikel 4 bedoelde globale bijdrage.
§ 2. De in paragraaf 1 bedoelde bijdrage wordt omgeslagen over de bemiddelaars inzake consumentenkrediet en over de kredietgevers inzake consumentenkrediet die het bedrijf van bemiddelaar inzake consumentenkrediet uitoefenen, overeenkomstig de bepalingen in de §§ 3 en 4.
§ 3. De in het register van bemiddelaars inzake consumentenkrediet ingeschreven kredietbemiddelaars, zijn een bijdrage verschuldigd berekend als volgt :
elke kredietbemiddelaar betaalt een basisbedrag;
elke kredietbemiddelaar betaalt daarenboven een bijkomend bedrag gelijk aan :
a) 15 % van voornoemd basisbedrag per door de kredietbemiddelaar aangewende persoon in contact met het publiek, en
b) 20 % van voornoemd basisbedrag per door de kredietbemiddelaar aangeduide verantwoordelijke voor de distributie.
In geval van collectieve inschrijving in het register van bemiddelaars inzake consumentenkrediet, mag de som van de bedragen zoals bedoeld in eerste lid, 1° en 2°, die verschuldigd zijn door de natuurlijke of rechtspersonen voor wie de centrale instelling een aanvraag tot collectieve inschrijving heeft ingediend, maximaal 150.000 EUR bedragen.
§ 4. De kredietgevers inzake consumentenkrediet die het bedrijf van bemiddelaar inzake consumentenkrediet uitoefenen, zijn een bijdrage verschuldigd berekend als volgt :
a) 15 % van het basisbedrag bedoeld in § 3, eerste lid, 1°, per aangewende persoon in contact met het publiek, en
b) 20 % van het basisbedrag bedoeld in § 3, eerste lid, 1°, per aangeduide verantwoordelijke voor de distributie.
De bijdrage bedoeld in de eerste alinea, mag maximaal 150.000 EUR bedragen.".
Art. 15. Dans le même arrêté, il est inséré un article 15/2 rédigé comme suit :
"Art. 15/2. Contributions des intermédiaires en crédit à la consommation et des prêteurs en crédit à la consommation qui exercent l'activité d'intermédiation en crédit à la consommation
§ 1er. Les intermédiaires de crédit inscrits au 1er janvier au registre des intermédiaires en crédit à la consommation, ainsi que les prêteurs en crédit à la consommation établis en Belgique au 1er janvier qui exercent l'activité d'intermédiation en crédit à la consommation, acquittent annuellement, ensemble, une contribution égale à 2,75 % de la contribution globale prévue à l'article 4.
§ 2. La contribution visée au paragraphe 1er est répartie entre les intermédiaires en crédit à la consommation et entre les prêteurs en crédit à la consommation qui exercent l'activité d'intermédiation en crédit à la consommation, conformément aux dispositions des paragraphes 3 et 4.
§ 3. Les intermédiaires de crédit inscrits au registre des intermédiaires en crédit à la consommation sont redevables d'une contribution calculée comme suit :
chaque intermédiaire de crédit paye un montant de base;
chaque intermédiaire de crédit paye en outre un montant supplémentaire égal à :
a) 15 % du montant de base précité par personne en contact avec le public à laquelle il recourt, et
b) 20 % du montant de base précité par personne désignée comme responsable de la distribution.
En cas d'inscription collective au registre des intermédiaires en crédit à la consommation, la somme des montants visés à l'alinéa 1er, 1° et 2°, qui sont dus par les personnes physiques ou morales dont l'organisme central a introduit la demande d'inscription collective, ne peut excéder 150.000 EUR.
§ 4. Les prêteurs en crédit à la consommation qui exercent l'activité d'intermédiation en crédit hypothécaire, sont redevables d'une contribution calculée comme suit :
a) 15 % du montant de base visé au paragraphe 3, alinéa 1er, 1°, par personne en contact avec le public à laquelle ils recourent, et
b) 20 % du montant de base visé au paragraphe 3, alinéa 1er, 1°, par personne désignée comme responsable de la distribution.
La contribution visée à l'alinéa 1er ne peut excéder 150.000 EUR.".
Art. 16. In artikel 16, § 1, van hetzelfde besluit wordt het cijfer "0,33" vervangen door het cijfer "0,27".
Art. 16. A l'article 16, § 1er, du même arrêté, le chiffre "0,33" est remplacé par le chiffre "0,27".
Art. 17. In artikel 17, § 1, van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
in het eerste lid, eerste zin, worden de woorden ", die geen forfaitair bedrag uitmaakt," ingevoegd tussen de woorden "van deze titel" en "minstens gelijk aan 500 EUR.";
het tweede lid wordt aangevuld met volgende woorden : "en op de kredietbemiddelaars bedoeld in artikelen 15/1 en 15/2.".
Art. 17. A l'article 17, § 1er, du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
à l'alinéa 1er, première phrase, les mots "qui ne constitue pas un montant forfaitaire," sont insérés entre les mots "du présent titre" et les mots "est au moins égale à 500 EUR.";
l'alinéa 2 est complété par les mots "ni aux intermédiaires de crédit visés aux articles 15/1 et 15/2".
Art. 18. Artikel 18 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
"Art. 18. Herstructureringen
Indien een onderneming bedoeld in titel II tijdens het afgelopen boekjaar via een fusie of andere herstructurering of verrichting het ganse vermogen van een andere onderneming bedoeld in hetzelfde artikel van deze titel overneemt en voor beide bij de herstructurering of verrichting betrokken ondernemingen een zelfde wijze van berekening van de verschuldigde bijdragen van toepassing is, is de nieuwe berekeningsbasis van de verkrijgende onderneming het resultaat van de samenvoeging van de berekeningsbasissen van beide bij de herstructurering of verrichting betrokken ondernemingen.".
Art. 18. L'article 18 du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
"Art. 18. Restructurations
Si une entreprise visée au titre II acquiert, au cours de l'exercice écoulé, l'intégralité du patrimoine d'une autre entreprise visée au même article de ce titre à la suite d'une fusion ou autre restructuration ou transaction et si la même base de calcul des contributions dues est applicable aux deux entreprises concernées par la restructuration ou par la transaction, la nouvelle base de calcul appliquée à l'entreprise bénéficiaire correspond au résultat de l'addition des bases de calcul des deux entreprises concernées par la restructuration ou la transaction.".
Art. 19. Artikel 19 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
"Art. 19. Verlies van toelating, inschrijving of registratie
§ 1. De ondernemingen of personen bedoeld in deze titel, die op 1 januari niet meer over een toelating, inschrijving of registratie beschikken, omdat zij hiervan afstand hebben gedaan of omdat deze werd ingetrokken of herroepen, blijven bijdrageplichtig overeenkomstig de bepalingen van dit besluit, zolang zij onderworpen zijn aan het toezicht van de FSMA.
§ 2. Indien de in paragraaf 1 bedoelde ondernemingen bijdragen verschuldigd zijn in toepassing van artikel 7 of 8 van dit besluit, is de verschuldigde bijdrage bedoeld in paragraaf 1 gelijk aan de toepasselijke minimumbijdrage.".
Art. 19. L'article 19 du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
"Art. 19. Perte d'agrément, d'inscription ou d'enregistrement
§ 1er. Les entreprises ou personnes visées au présent titre qui ne disposent plus au 1er janvier d'un agrément, d'une inscription ou d'un enregistrement parce qu'elles y ont renoncé ou parce qu'elles se le sont vu radier ou révoquer, doivent continuer à acquitter leur contribution conformément aux dispositions du présent arrêté, aussi longtemps qu'elles sont soumises au contrôle de la FSMA.
§ 2. Si les entreprises visées au paragraphe 1er sont redevables de contributions en application de l'article 7 ou de l'article 8 du présent arrêté, la contribution due visée au paragraphe 1er est égale à la contribution minimale applicable.".
Art. 20. In artikel 20, § 1, van hetzelfde besluit wordt het eerste lid vervangen als volgt :
"Onverminderd artikel 4 worden de op grond van deze titel verschuldigde bijdragen, ter financiering van de zetel van de FSMA, jaarlijks gedurende 18 jaar verhoogd met 3.122.825 EUR als volgt verdeeld :
voor de in artikel 6 bedoelde onafhankelijke financiële planners, vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies, de buitenlandse beleggingsondernemingen waarop de FSMA het toezicht van prudentiële aard uitoefent en beheervennootschappen van instellingen voor collectieve belegging : 104.122,04 EUR;
voor de in artikel 7 bedoelde kredietinstellingen, beursvennootschappen en buitenlandse beleggingsondernemingen waarop de Bank het toezicht van prudentiële aard uitoefent : 482.139,42 EUR;
voor de in artikel 8 bedoelde verzekeringsondernemingen : 1.020.730,56 EUR;
voor de in artikel 9 bedoelde kredietgevers inzake hypothecair krediet : 62.724,12 EUR;
voor de in artikel 9/1 bedoelde kredietgevers inzake consumentenkrediet : 37.634,47 EUR;
voor de in artikel 10 bedoelde instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening : 73.596,30 EUR;
voor de in artikel 11 bedoelde marktondernemingen : 44.325,05 EUR;
voor de in artikel 13 bedoelde emittenten, met uitzondering van de emittenten bedoeld in paragraaf 2, 1°, van dat artikel : 407.288,64 EUR.
voor de in artikel 14 bedoelde verrekenings- en vereffeningsinstellingen en met vereffeningsinstellingen gelijkgestelde instellingen : 22.580,68 EUR;
10° voor de in artikel 15 bedoelde tussenpersonen : 513.501,19 EUR;
11° voor de in artikel 15/1 bedoelde kredietbemiddelaars inzake hypothecair krediet : 227.897,65 EUR
12° voor de in artikel 15/2 bedoelde kredietbemiddelaars inzake consumentenkrediet : 114.994,23 EUR
13° voor de in artikel 16 bedoelde wisselkantoren : 11.290,34 EUR.".
Art. 20. A l'article 20, § 1er, du même arrêté, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
"Sans préjudice de l'article 4, les contributions dues en vertu du présent titre sont, aux fins du financement du siège de la FSMA, majorées annuellement, durant une période de 18 ans, d'un montant de 3.122.825 EUR, réparti comme suit :
pour les planificateurs financiers indépendants, les sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement, les entreprises d'investissement étrangères dont le contrôle de nature prudentielle est assuré par la FSMA et les sociétés de gestion d'organismes de placement collectif, visés à l'article 6 : 104.122,04 EUR;
pour les établissements de crédit, les sociétés de bourse, et les entreprises d'investissement étrangères dont le contrôle de nature prudentielle est assuré par la Banque, visés à l'article 7 : 482.139,42 EUR;
pour les entreprises d'assurances visées à l'article 8 : 1.020.730,56 EUR;
pour les prêteurs en crédit hypothécaire visés à l'article 9 : 62.724,12 EUR;
pour les prêteurs en crédit à la consommation visés à l'article 9/1 : 37.634,47 EUR;
pour les institutions de retraite professionnelle visées à l'article 10 : 73.596,30 EUR;
pour les entreprises de marché visées à l'article 11 : 44.325,05 EUR;
pour les émetteurs visés à l'article 13, à l'exception de ceux visés au paragraphe 2, 1°, dudit article : 407.288,64 EUR.
pour les organismes de compensation ou de liquidation et les organismes assimilés à des organismes de liquidation visés à l'article 14 : 22.580,68 EUR;
10 pour les intermédiaires visés à l'article 15 : 513.501,19 EUR;
11° pour les intermédiaires en crédit hypothécaire visés à l'article 15/1 : 227.897,65 EUR;
12° pour les intermédiaires en crédit à la consommation visés à l'article 15/2 : 114.994,23 EUR;
13° pour les bureaux de change visés à l'article 16 : 11.290,34 EUR.".
Art. 21. In artikel 21 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
de bepaling onder 2° wordt vervangen als volgt :
"2° de bijdragen van de tussenpersonen en kredietbemiddelaars verschuldigd op grond van artikel 15, 15/1 en 15/2 alsook de bijhorende bijdragen ter financiering van de zetel, bedoeld in artikel 20; deze worden ten laatste op 31 mei opgevraagd;";
de bepaling onder 3° wordt vervangen als volgt :
"3° de bijdragen van de emittenten verschuldigd op grond van artikel 13, van de instellingen voor collectieve belegging verschuldigd op grond van artikel 5, §§ 1/1, 2 en 3, van de kredietgevers inzake hypothecair krediet verschuldigd op grond van artikel 9 en de kredietgevers inzake consumentenkrediet verschuldigd op grond van artikel 9/1 alsook, in voorkomend geval, de bijhorende bijdragen ter financiering van de zetel, bedoeld in artikel 20; deze worden ten laatste op 30 juni opgevraagd.".
Art. 21. A l'article 21 du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
le 2° est remplacé par ce qui suit :
"2° des contributions des intermédiaires dues en vertu de l'article 15 et de celles des intermédiaires de crédit dues en vertu des articles 15/1 et 15/2, ainsi que des contributions à charge de ceux-ci pour le financement du siège, telles que visées à l'article 20, lesquelles sont appelées au plus tard le 31 mai;";
le 3° est remplacé par ce qui suit :
"3° des contributions des émetteurs dues en vertu de l'article 13, de celles des organismes de placement collectif dues en vertu de l'article 5, §§ 1er/1, 2 et 3, de celles des prêteurs en crédit hypothécaire dues en vertu de l'article 9 et de celles des prêteurs en crédit à la consommation dues en vertu de l'article 9/1, ainsi que, le cas échéant, des contributions à charge de ceux-ci pour le financement du siège, telles que visées à l'article 20, lesquelles sont appelées au plus tard le 30 juin.".
Art. 22. In artikel 23, § 1, eerste lid, worden de woorden "en in artikel 16" ingevoegd tussen de woorden "artikelen 5 tot en met 14" en de woorden "naar verhouding van".
Art. 22. A l'article 23, § 1er, alinéa 1er, du même arrêté, les mots "et à l'article 16" sont insérés entre les mots "articles 5 à 14" et les mots ", au prorata des".
Art. 23. In artikel 24, § 1, eerste lid, van hetzelfde besluit worden de woorden "en in artikel 16" ingevoegd tussen de woorden "artikelen 5 tot en met 14" en de woorden "naar verhouding van".
Art. 23. A l'article 24, § 1er, alinéa 1er, du même arrêté, les mots "et à l'article 16" sont insérés entre les mots "articles 5 à 14" et les mots ", au prorata des".
Art. 24. In artikel 28 van hetzelfde besluit worden volgende wijzigingen aangebracht :
in paragraaf 2 worden de woorden "en onder voorbehoud van paragraaf 4" opgeheven;
paragraaf 4 wordt opgeheven.
Art. 24. A l'article 28 du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
au paragraphe 2, les mots "et sous réserve du paragraphe 4," sont supprimés;
le paragraphe 4 est abrogé.
Art. 25. Artikel 29 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
"Art. 29. Aanvraag tot inschrijving van openbare instellingen voor collectieve belegging
De openbare instellingen voor collectieve belegging, die een aanvraag tot inschrijving indienen, betalen een bijdrage van 300 EUR voor het onderzoek van deze aanvraag.
Wanneer een openbare instelling voor collectieve belegging meerdere compartimenten omvat, is de bijdrage per ingeschreven compartiment verschuldigd.".
Art. 25. L'article 29 du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
"Art. 29. Demande d'inscription d'organismes de placement collectif publics
Les organismes de placement collectif publics qui introduisent une demande d'inscription, acquittent à la FSMA une contribution de 300 EUR pour l'examen de cette demande.
Lorsque l'organisme de placement collectif public comprend plusieurs compartiments, la contribution est due par compartiment inscrit.".
Art. 26. In artikel 36 van hetzelfde besluit worden volgende wijzigingen aangebracht :
paragraaf 1 wordt vervangen als volgt :
" § 1. Voor de toepassing van dit besluit, wordt de in artikel 2, eerste lid, 1°, bedoelde bovengrens van 399 voltijdse equivalenten, voor de jaren 2014, 2015, en 2016, respectievelijk met 97, 63 en 30 voltijdse equivalenten verminderd.";
het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 3, luidende :
" § 3. In afwijking van artikel 3, § 2, worden de vaste bedragen in de artikelen 11, 12, 13 en 16 voor de jaren 2014 tot en met 2017 enkel aangepast aan de evolutie van het indexcijfer van de consumptieprijzen.".
Art. 26. A l'article 36 du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. Pour l'application du présent arrêté, le plafond de 399 équivalents temps plein prévu à l'article 2, alinéa 1er, 1°, est, pour les années 2014, 2015 et 2016, réduit respectivement de 97, 63 et 30 équivalents temps plein.";
l'article est complété par un paragraphe 3 rédigé comme suit :
" § 3. Par dérogation à l'article 3, § 2, les montants fixes visés aux articles 11, 12, 13 et 16 sont adaptés, pour les années 2014 à 2017, en fonction uniquement de l'évolution de l'indice des prix à la consommation.".
Art. 27. In hetzelfde besluit wordt een artikel 36/1 ingevoegd, luidende :
"Art. 36/1. De percentages bedoeld in de eerste paragraaf van de artikelen 5 tot en met 10 en 13 tot en met 16, op basis waarvan het aandeel in de globale bijdrage bedoeld in artikel 4 wordt berekend, worden voor de jaren 2014 tot en met 2017 aangepast overeenkomstig de tabel opgenomen als bijlage 2 bij dit besluit."
Art. 27. Dans le même arrêté, il est inséré un article 36/1 rédigé comme suit :
"Art. 36/1. Les pourcentages visés au paragraphe 1er des articles 5 à 10 et des articles 13 à 16, sur la base desquels la part dans la contribution globale prévue à l'article 4 est calculée, sont adaptés, pour les années 2014 à 2017, conformément au tableau joint en annexe 2 au présent arrêté.".
Art. 28. In hetzelfde besluit wordt een artikel 36/2 ingevoegd, luidende :
"Art. 36/2. In afwijking van artikel 20, § 1, eerste lid, wordt het bedrag van 3.122.825 EUR dat jaarlijks, ter financiering van de zetel van de FSMA, aan de op grond van titel II verschuldigde bijdragen wordt toegevoegd, voor de jaren 2014 tot en met 2017, als volgt verdeeld :
voor de in artikel 6 bedoelde onafhankelijke financiële planners, vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies, de buitenlandse beleggingsondernemingen waarop de FSMA het toezicht van prudentiële aard uitoefent en beheervennootschappen van instellingen voor collectieve belegging : 116.965,02 EUR;
voor de in artikel 7 bedoelde kredietinstellingen, beursvennootschappen en buitenlandse beleggingsondernemingen waarop de Bank het toezicht van prudentiële aard uitoefent : 541.609,09 EUR;
voor de in artikel 8 bedoelde verzekeringsondernemingen 1.146.632,95 EUR;
voor de in de artikelen 9, 9/1 en 9/2 bedoelde kredietgevers en hypotheekondernemingen : 112.737,36 EUR;
voor de in artikel 10 bedoelde instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening : 82.674,07 EUR;
voor de in artikel 11 bedoelde marktondernemingen : 49.792,34 EUR;
voor de in artikel 13 bedoelde emittenten, met uitzondering van de emittenten bedoeld in paragraaf 2, 1°, van dat artikel : 457.525,80 EUR.
voor de in artikel 14 bedoelde verrekenings- en vereffeningsinstellingen en met vereffeningsinstellingen gelijkgestelde instellingen : 25.365,91 EUR;
voor de in artikel 15 bedoelde tussenpersonen : 576.839,52 EUR;
10° voor de in artikel 16 bedoelde wisselkantoren : 12.682,95 EUR.".
Art. 28. Dans le même arrêté, il est inséré un article 36/2 rédigé comme suit :
"Art. 36/2. Par dérogation à l'article 20, § 1er, alinéa 1er, le montant de 3.122.825 EUR dont sont majorées annuellement les contributions dues en vertu du titre II aux fins du financement du siège de la FSMA, est réparti, pour les années 2014 à 2017, comme suit :
pour les planificateurs financiers indépendants, les sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement, les entreprises d'investissement étrangères dont le contrôle de nature prudentielle est assuré par la FSMA et les sociétés de gestion d'organismes de placement collectif, visés à l'article 6 : 116.965,02 EUR;
pour les établissements de crédit, les sociétés de bourse, et les entreprises d'investissement étrangères dont le contrôle de nature prudentielle est assuré par la Banque, visés à l'article 7 : 541.609,09 EUR;
pour les entreprises d'assurances visées à l'article 8 : 1.146.632,95 EUR;
pour les prêteurs et les entreprises hypothécaires visés aux articles 9, 9/1 et 9/2 : 112.737,36 EUR;
pour les institutions de retraite professionnelle visées à l'article 10 : 82.674,07 EUR;
pour les entreprises de marché visées à l'article 11 : 49.792,34 EUR;
pour les émetteurs visés à l'article 13, à l'exception de ceux visés au paragraphe 2, 1°, dudit article : 457.525,80 EUR;
pour les organismes de compensation ou de liquidation et les organismes assimilés à des organismes de liquidation visés à l'article 14 : 25.365,91 EUR;
pour les intermédiaires visés à l'article 15 : 576.839,52 EUR;
10° pour les bureaux de change visés à l'article 16 : 12.682,95 EUR.".
Art. 29. In artikel 40, § 2, eerste lid, 2°, van hetzelfde besluit worden de woorden "ressorteren onder het recht van een Staat die geen lid is van de Europese Economische Ruimte en" opgeheven.
Art. 29. A l'article 40, § 2, alinéa 1er, 2°, du même arrêté, les mots "relevant du droit d'un Etat qui n'est pas membre de l'Espace économique européen et" sont supprimés.
Art. 30. In hetzelfde besluit wordt de bijlage vervangen door een bijlage 1, die als bijlage 1 is gevoegd bij dit besluit.
Art. 30. Dans le même arrêté, l'annexe est remplacée par l'annexe 1re qui est jointe en annexe 1re au présent arrêté.
Art. 31. In hetzelfde besluit wordt een bijlage 2 ingevoegd, die als bijlage 2 is gevoegd bij dit besluit.
Art. 31. Dans le même arrêté, il est inséré une annexe 2 qui est jointe en annexe 2 au présent arrêté.
Art. 32. Artikel 9 van hetzelfde besluit, dat werd hernummerd als artikel 9/2, wordt opgeheven op de dag dat boek VII, Titel 4, hoofdstuk 4, van het Wetboek van economisch recht betreffende de toegang tot de activiteit van de kredietgevers en de kredietbemiddelaars in werking treedt.
Art. 32. L'article 9 du même arrêté, renuméroté en article 9/2, est abrogé à la date d'entrée en vigueur du livre VII, titre 4, chapitre 4, du Code de droit économique relatif à l'accès à l'activité des prêteurs et des intermédiaires de crédit.
Art. 33. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2014, met uitzondering van :
de artikelen 8 en 9 die uitwerking hebben vanaf de dag dat boek VII, Titel 4, hoofdstuk 4, van het Wetboek van economisch recht betreffende de toegang tot de activiteit van de kredietgevers en de kredietbemiddelaars in werking treedt;
de artikelen 14 en 15 die uitwerking hebben na het verstrijken van een termijn van 18 maanden na de datum bedoeld in 1° ;
Art. 33. Le présent arrêté produit ses effets le 1er janvier 2014, à l'exception :
des articles 8 et 9, qui produisent leurs effets à la date d'entrée en vigueur du livre VII, titre 4, chapitre 4, du Code de droit économique relatif à l'accès à l'activité des prêteurs et des intermédiaires de crédit;
des articles 14 et 15, qui produisent leurs effets à l'expiration d'un délai de 18 mois prenant cours à la date visée au 1°.
Art. 34. De minister bevoegd voor Consumentenbescherming en de minister bevoegd voor Financiën, zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 34. Le ministre qui a la Protection des consommateurs dans ses attributions et le ministre qui a les Finances dans ses attributions sont chargés, chacun en ce qui le concerne, de l'exécution du présent arrêté.
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N1. Bijlage 1 bij het koninklijk besluit van 17 mei 2012 betreffende de vergoeding van de werkingskosten van de FSMA ter uitvoering van artikel 56 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten
Art. N1. Annexe 1re à l'arrêté royal du 17 mai 2012 relatif à la couverture des frais de fonctionnement de la FSMA, pris en exécution de l'article 56 de la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers
Code Dossiers ingediend met het oog op het verkrijgen van beslissingen in
toepassing van volgende bepalingen :
Bedrag in €
I. Artikelen 32, 41 of 52 van de wet van 16 juni 2006 op de openbare aanbieding van beleggingsinstrumenten en de toelating van beleggingsinstrumenten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt
a) aanvraag tot goedkeuring van een prospectus over de toelating van beleggingsinstrumenten tot een gereglementeerde markt en over de eventuele openbare aanbieding van die beleggingsinstrumenten (1)
10 Eerste toelating van effecten met een aandelenkarakter tot een gereglementeerde markt 19.769 €
12 Bijkomende toelating van effecten met een aandelenkarakter tot een gereglementeerde markt 13.180 €
14 (Eerste of bijkomende) toelating van andere beleggingsinstrumenten dan effecten met een aandelenkarakter tot een gereglementeerde markt 10.544 €
16 In afwijking van de bijdrage toepasselijk krachtens code 14, in geval van toelating van effecten zonder aandelenkarakter waarvan de modaliteiten (a) de terugbetaling voorzien op de vervaldag van het effect van minimum 100% van het geïnvesteerde bedrag en (b) de toekenning voorzien van een bepaalde of in functie van een referentieinterest bepaalbare interest die hetzij periodiek betaald wordt tot op vervaldag van het effect, hetzij gekapitaliseerd en op vervaldag betaald wordt, evenals de "zero coupons", met uitzondering van de beleggingsinstrumenten uitgegeven in het kader van effectiseringsverrichtingen 4.000 €
b) aanvraag tot goedkeuring van een prospectus over de openbare aanbieding van beleggingsinstrumenten (zonder gelijktijdige toelating tot een gereglementeerde markt) (1)
Openbare aanbieding van effecten met een aandelenkarakter
19 als de waarde van de verrichting < 1 M € 5. 272 €
20 als de waarde van de verrichting > of = 1M en < 10 M € 9.885 €
22 als de waarde van de verrichting > of = 10 M € 19.769 €
Openbare aanbieding van effecten zonder aandelenkarakter
29 als de waarde van de verrichting < 1 M € 2.650 €
30 als de waarde van de verrichting > of = 1M en< 10 M € 5.272 €
32 als de waarde van de verrichting > of = 10 M € 10.544 €
34 In afwijking van de bijdrage toepasselijk krachtens codes 30 en 32, in geval van openbare aanbieding van effecten zonder aandelenkarakter waarvan de modaliteiten (a) de terugbetaling voorzien op de vervaldag van het effect van minimum 100 % van het geïnvesteerde bedrag en (b) de toekenning voorzien van een bepaalde of in functie van een referentieinterest bepaalbare interest die hetzij periodiek betaald wordt tot op vervaldag van het effect, hetzij gekapitaliseerd en op vervaldag betaald wordt, evenals de "zero coupons", met uitzondering van de beleggingsinstrumenten uitgegeven in het kader van effectiseringsverrichtingen 4.000 €
Openbare aanbieding van andere beleggingsinstrumenten dan effecten met een aandelenkarakter en effecten zonder aandelenkarakter
39 als de waarde van de verrichting < 1 M € 5. 272 €
40 als de waarde van de verrichting > of = 1M en< 10 M € 9.885 €
42 als de waarde van de verrichting > of = 10 M € 19.769 €
50 c) aanvraag tot goedkeuring van een basisprospectus (2) 10.080 €
378 € per categorie of type van beleggings-instrumenten waarop het basisprospectus betrekking heeft
52 In afwijking van de bijdrage toepasselijk krachtens codes 30 en 32, indien de basisprospectus betrekking heeft op effecten zonder aandelenkarakter waarvan de modaliteiten (a) de terugbetaling voorzien op de vervaldag van het effect van minimum 100% van het geïnvesteerde bedrag en (b) de toekenning voorzien van een bepaalde of in functie van een referentieinterest bepaalbare interest die hetzij periodiek betaald wordt tot op vervaldag van het effect, hetzij gekapitaliseerd en op vervaldag betaald wordt, evenals de "zero coupons", met uitzondering van de beleggingsinstrumenten uitgegeven in het kader van effectiseringsverrichtingen 7.000 €
60 d) aanvraag tot goedkeuring van een registratiedocument buiten het kader van een verrichting 2.520 €
70 e) aanvraag tot goedkeuring van een verrichtingsnota met gegevens over de beleggingsinstrumenten, zonder gelijktijdige goedkeuring van het registratiedocument x € = geldend barema voor de goedkeuring van een prospectus voor dat type van verrichtingen op grond van codes 10 tot 42 - 2.520 €
80 f) aanvraag tot goedkeuring van een aanvulling op het prospectus in het vooruitzicht van een andere openbare aanbieding en/of een andere toelating tot de verhandeling op een gereglementeerde markt dan die in het kader waarvan het prospectus oorspronkelijk werd goedgekeurd, of aanvraag tot goedkeuring van een prospectus waarin door middel van verwijzing een ander prospectus is opgenomen dat nog geldig is en dat eerder door de FSMA werd goedgekeurd, met uitsluiting van de elementen die eigen zijn aan de verrichting x € = geldend barema voor de goedkeuring van een prospectus voor dat type van verrichtingen op grond van codes 10 tot 42 - 2.520 €
90 g) aanvraag tot goedkeuring van een verkort prospectus (inclusief de verlening van een gedeeltelijke vrijstelling van de prospectusverplichting) 2.636 €
100 h) aanvraag tot verlening van een volledige vrijstelling van de prospectusverplichting 1.977 €
II. Artikel 60 van de wet van 16 juni 2006 op de openbare aanbieding van beleggingsinstrumenten en de toelating van beleggingsinstrumenten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt
105 Verzoek tot goedkeuring van reclame (vergoeding geheven per beleggingsinstrument en per verdeler (distributeur)), behalve wanneer de betrokken beleggingsinstrumenten openbaar worden aangeboden op basis van een door de FSMA goedgekeurd prospectus 800 €
III. Artikelen 19 of 20 van de wet van 1 april 2007 op de openbare overnameaanbiedingen (3)
a) aanvraag tot goedkeuring van een prospectus met betrekking tot een openbare overnameaanbieding
112 als de waarde van de verrichting < 10 M € 10 .544 €
114 als de waarde van de verrichting > of = 10 M € en < 25 M € 19.769 €
116 als de waarde van de verrichting > of = 25 M € en < 100 M € 32.949 €
118 als de waarde van de verrichting > of = 100 M € 65.898 €
120 als het bod geen betrekking heeft op een Belgische vennootschap en in hoofdzaak in het buitenland loopt 10.544 €
122 b) wederzijdse erkenning van een prospectus goedgekeurd door een buitenlandse autoriteit 2.025 €
130 IV. Artikel 18, § 1er, c) of d) of § 2, c) of d) van de wet van 16 juni 2006 op de openbare aanbieding van beleggingsinstrumenten en de toelating van beleggingsinstrumenten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt in het kader van aanvragen om informatie als gelijkwaardig te erkennen aan de informatie die in het prospectus moet worden opgenomen (4) 10.544 €
140 V. Wetboek van vennootschappen in het kader van aanvragen tot verklaring van geen bezwaar over bijzondere verslagen 800 €
Code Dossiers ingediend met het oog op het verkrijgen van beslissingen in
toepassing van volgende bepalingen : Bedrag in € I. Artikelen 32, 41 of 52 van de wet van 16 juni 2006 op de openbare aanbieding van beleggingsinstrumenten en de toelating van beleggingsinstrumenten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt a) aanvraag tot goedkeuring van een prospectus over de toelating van beleggingsinstrumenten tot een gereglementeerde markt en over de eventuele openbare aanbieding van die beleggingsinstrumenten (1) 10 Eerste toelating van effecten met een aandelenkarakter tot een gereglementeerde markt 19.769 € 12 Bijkomende toelating van effecten met een aandelenkarakter tot een gereglementeerde markt 13.180 € 14 (Eerste of bijkomende) toelating van andere beleggingsinstrumenten dan effecten met een aandelenkarakter tot een gereglementeerde markt 10.544 € 16 In afwijking van de bijdrage toepasselijk krachtens code 14, in geval van toelating van effecten zonder aandelenkarakter waarvan de modaliteiten (a) de terugbetaling voorzien op de vervaldag van het effect van minimum 100% van het geïnvesteerde bedrag en (b) de toekenning voorzien van een bepaalde of in functie van een referentieinterest bepaalbare interest die hetzij periodiek betaald wordt tot op vervaldag van het effect, hetzij gekapitaliseerd en op vervaldag betaald wordt, evenals de "zero coupons", met uitzondering van de beleggingsinstrumenten uitgegeven in het kader van effectiseringsverrichtingen 4.000 € b) aanvraag tot goedkeuring van een prospectus over de openbare aanbieding van beleggingsinstrumenten (zonder gelijktijdige toelating tot een gereglementeerde markt) (1) Openbare aanbieding van effecten met een aandelenkarakter 19 als de waarde van de verrichting < 1 M € 5. 272 € 20 als de waarde van de verrichting > of = 1M en < 10 M € 9.885 € 22 als de waarde van de verrichting > of = 10 M € 19.769 € Openbare aanbieding van effecten zonder aandelenkarakter 29 als de waarde van de verrichting < 1 M € 2.650 € 30 als de waarde van de verrichting > of = 1M en< 10 M € 5.272 € 32 als de waarde van de verrichting > of = 10 M € 10.544 € 34 In afwijking van de bijdrage toepasselijk krachtens codes 30 en 32, in geval van openbare aanbieding van effecten zonder aandelenkarakter waarvan de modaliteiten (a) de terugbetaling voorzien op de vervaldag van het effect van minimum 100 % van het geïnvesteerde bedrag en (b) de toekenning voorzien van een bepaalde of in functie van een referentieinterest bepaalbare interest die hetzij periodiek betaald wordt tot op vervaldag van het effect, hetzij gekapitaliseerd en op vervaldag betaald wordt, evenals de "zero coupons", met uitzondering van de beleggingsinstrumenten uitgegeven in het kader van effectiseringsverrichtingen 4.000 € Openbare aanbieding van andere beleggingsinstrumenten dan effecten met een aandelenkarakter en effecten zonder aandelenkarakter 39 als de waarde van de verrichting < 1 M € 5. 272 € 40 als de waarde van de verrichting > of = 1M en< 10 M € 9.885 € 42 als de waarde van de verrichting > of = 10 M € 19.769 € 50 c) aanvraag tot goedkeuring van een basisprospectus (2) 10.080 €378 € per categorie of type van beleggings-instrumenten waarop het basisprospectus betrekking heeft 52 In afwijking van de bijdrage toepasselijk krachtens codes 30 en 32, indien de basisprospectus betrekking heeft op effecten zonder aandelenkarakter waarvan de modaliteiten (a) de terugbetaling voorzien op de vervaldag van het effect van minimum 100% van het geïnvesteerde bedrag en (b) de toekenning voorzien van een bepaalde of in functie van een referentieinterest bepaalbare interest die hetzij periodiek betaald wordt tot op vervaldag van het effect, hetzij gekapitaliseerd en op vervaldag betaald wordt, evenals de "zero coupons", met uitzondering van de beleggingsinstrumenten uitgegeven in het kader van effectiseringsverrichtingen 7.000 € 60 d) aanvraag tot goedkeuring van een registratiedocument buiten het kader van een verrichting 2.520 € 70 e) aanvraag tot goedkeuring van een verrichtingsnota met gegevens over de beleggingsinstrumenten, zonder gelijktijdige goedkeuring van het registratiedocument x € = geldend barema voor de goedkeuring van een prospectus voor dat type van verrichtingen op grond van codes 10 tot 42 - 2.520 € 80 f) aanvraag tot goedkeuring van een aanvulling op het prospectus in het vooruitzicht van een andere openbare aanbieding en/of een andere toelating tot de verhandeling op een gereglementeerde markt dan die in het kader waarvan het prospectus oorspronkelijk werd goedgekeurd, of aanvraag tot goedkeuring van een prospectus waarin door middel van verwijzing een ander prospectus is opgenomen dat nog geldig is en dat eerder door de FSMA werd goedgekeurd, met uitsluiting van de elementen die eigen zijn aan de verrichting x € = geldend barema voor de goedkeuring van een prospectus voor dat type van verrichtingen op grond van codes 10 tot 42 - 2.520 € 90 g) aanvraag tot goedkeuring van een verkort prospectus (inclusief de verlening van een gedeeltelijke vrijstelling van de prospectusverplichting) 2.636 € 100 h) aanvraag tot verlening van een volledige vrijstelling van de prospectusverplichting 1.977 € II. Artikel 60 van de wet van 16 juni 2006 op de openbare aanbieding van beleggingsinstrumenten en de toelating van beleggingsinstrumenten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt 105 Verzoek tot goedkeuring van reclame (vergoeding geheven per beleggingsinstrument en per verdeler (distributeur)), behalve wanneer de betrokken beleggingsinstrumenten openbaar worden aangeboden op basis van een door de FSMA goedgekeurd prospectus 800 € III. Artikelen 19 of 20 van de wet van 1 april 2007 op de openbare overnameaanbiedingen (3) a) aanvraag tot goedkeuring van een prospectus met betrekking tot een openbare overnameaanbieding 112 als de waarde van de verrichting < 10 M € 10 .544 € 114 als de waarde van de verrichting > of = 10 M € en < 25 M € 19.769 € 116 als de waarde van de verrichting > of = 25 M € en < 100 M € 32.949 € 118 als de waarde van de verrichting > of = 100 M € 65.898 € 120 als het bod geen betrekking heeft op een Belgische vennootschap en in hoofdzaak in het buitenland loopt 10.544 € 122 b) wederzijdse erkenning van een prospectus goedgekeurd door een buitenlandse autoriteit 2.025 € 130 IV. Artikel 18, § 1er, c) of d) of § 2, c) of d) van de wet van 16 juni 2006 op de openbare aanbieding van beleggingsinstrumenten en de toelating van beleggingsinstrumenten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt in het kader van aanvragen om informatie als gelijkwaardig te erkennen aan de informatie die in het prospectus moet worden opgenomen (4) 10.544 € 140 V. Wetboek van vennootschappen in het kader van aanvragen tot verklaring van geen bezwaar over bijzondere verslagen 800 €
Code Dossiers introduits en vue de l'obtention de décisions
en application des dispositions suivantes :
Montant en €
I. Articles 32, 41 ou 52 de la loi du 16 juin 2006 relative aux offres publiques d'instruments de placement et aux admissions d'instruments de placement à la négociation sur des marchés réglementés
a) demande d'approbation d'un prospectus relatif à l'admission d'instruments de placement sur un marché réglementé ainsi qu'à leur offre publique éventuelle (1)
10 Première admission de titres de capital sur un marché réglementé 19.769 €
12 Admission complémentaire de titres de capital sur un marché réglementé 13.180 €
14 Admission (première ou complémentaire) d'instruments de placement autres que des titres de capital sur un marché réglementé 10.544 €
16 Par dérogation au barème applicable en vertu du code 14, en cas d'admission de titres autres que de capital dont les modalités consistent (a) dans le remboursement à l'échéance du titre de minimum 100% du montant investi et (b) dans l'attribution d'un intérêt déterminé ou déterminable en fonction d'un taux d'intérêt de référence, qui est soit versé périodiquement jusqu'à l'échéance du titre, soit capitalisé et versé à l'échéance du titre, de même que les "coupons zéro", à l'exception des instruments de placement émis dans le cadre d'opérations de titrisation 4.000 €
b) demande d'approbation d'un prospectus relatif à l'offre publique d'instruments de placement (sans admission concomitante sur un marché réglementé) (1)
Offre publique de titres de capital
19 si valeur de l'opération < 1 M € 5. 272 €
20 si valeur de l'opération > ou = 1 M € et < 10 M € 9.885 €
22 si valeur de l'opération > ou = 10 M € 19.769 €
Offre publique de titres autres que de capital
29 si valeur de l'opération < 1 M € 2.650 €
30 si valeur de l'opération > ou = 1 M € et < 10 M € 5.272 €
32 si valeur de l'opération > ou = 10 M € 10.544 €
34 Par dérogation aux barèmes applicables en vertu des codes 30 et 32, en cas d'offre publique de titres autres que de capital dont les modalités consistent (a) dans le remboursement à l'échéance du titre de minimum 100% du montant investi et (b) dans l'attribution d'un intérêt déterminé ou déterminable en fonction d'un taux d'intérêt de référence, qui est soit versé périodiquement jusqu'à l'échéance du titre, soit capitalisé et versé à l'échéance du titre, de même que les "coupons zéro", à l'exception des instruments de placement émis dans le cadre d'opérations de titrisation 4.000 €
Offre publique d'instruments de placement autres que des titres de capital et des titres autres que de capital
39 si valeur de l'opération < 1 M € 5. 272 €
40 si valeur de l'opération> ou = 1 M € et < 10 M € 9.885€
42 si valeur de l'opération > ou = 10 M € 19.769 €
50 c) demande d'approbation d'un prospectus de base (2) 10.080 €
378 € par catégorie ou type d'instruments de placement couvert par le prospectus de base
52 Par dérogation au barème applicable en vertu du code 50, si le prospectus de base porte sur des titres autres que de capital dont les modalités consistent (a) dans le remboursement à l'échéance du titre de minimum 100% du montant investi et (b) dans l'attribution d'un intérêt déterminé ou déterminable en fonction d'un taux d'intérêt de référence, qui est soit versé périodiquement jusqu'à l'échéance du titre, soit capitalisé et versé à l'échéance du titre, de même que les "coupons zéro", à l'exception des instruments de placement émis dans le cadre d'opérations de titrisation 7.000 €
60 d) demande d'approbation d'un document d'enregistrement en dehors du cadre d'une opération 2.520 €
70 e) demande d'approbation d'une note relative aux instruments de placement sans approbation concomitante du document d'enregistrement x € = barème applicable pour l'approbation d'un prospectus pour ce type d'opération en vertu des codes 10 à 42 - 2.520 €
80 f) demande d'approbation d'un supplément de prospectus en vue d'une autre offre publique et/ou d'une autre admission à la négociation sur un marché réglementé que celle dans le cadre de laquelle le prospectus a été approuvé initialement ou demande d'approbation d'un prospectus dans lequel un autre prospectus encore valide, préalablement approuvé par la FSMA, est inclus par référence, à l'exclusion des éléments spécifiques à l'opération x € = barème applicable pour l'approbation du prospectus pour ce type d'opération en vertu des codes 10 à 42 - 2.520 €
90 g) demande d'approbation d'un prospectus abrégé (en ce compris l'octroi de la dispense partielle de prospectus) 2.636 €
100 h) demande de dispense totale de prospectus 1.977 €
II. Article 60 de la loi du 16 juin 2006 relative aux offres publiques d'instruments de placement et aux admissions d'instruments de placement à la négociation sur des marchés réglementés
105 Demande d'approbation de communications à caractère promotionnel (contribution due par instrument de placement et par distributeur), sauf lorsque les instruments de placement concernés sont offerts sur la base d'un prospectus approuvé par la FSMA 800 €
III. Articles 19 ou 20 de la loi du 1er avril 2007 relative aux offres publiques d'acquisition (3)
a) demande d'approbation d'un prospectus d'OPA
112 si valeur de l'opération < 10 M € 10.544 €
114 si valeur de l'opération > ou = 10 M € et < 25 M € 19.769 €
116 si valeur de l'opération > ou = 25 M € et < 100 M € 32.949 €
118 si valeur de l'opération > ou = 100 M € 65.898 €
120 si l'offre n'a pas trait à une société belge et est menée principalement à l'étranger 10.544 €
122 b) reconnaissance mutuelle d'un prospectus approuvé par une autorité étrangère 2.025 €
130 IV. Article 18, § 1er, c) ou d) ou § 2, c) ou d) de la loi du 16 juin 2006 relative aux offres publiques d'instruments de placement et aux admissions d'instruments de placement à la négociation sur des marchés réglementés dans le cadre de demandes de reconnaissance d'informations comme étant équivalentes à celles que doit contenir un prospectus (4) 10.544 €
140 V. Code des sociétés (demandes de déclaration de non-objection sur des rapports spéciaux) 800 €
Code Dossiers introduits en vue de l'obtention de décisions
en application des dispositions suivantes : Montant en € I. Articles 32, 41 ou 52 de la loi du 16 juin 2006 relative aux offres publiques d'instruments de placement et aux admissions d'instruments de placement à la négociation sur des marchés réglementés a) demande d'approbation d'un prospectus relatif à l'admission d'instruments de placement sur un marché réglementé ainsi qu'à leur offre publique éventuelle (1) 10 Première admission de titres de capital sur un marché réglementé 19.769 € 12 Admission complémentaire de titres de capital sur un marché réglementé 13.180 € 14 Admission (première ou complémentaire) d'instruments de placement autres que des titres de capital sur un marché réglementé 10.544 € 16 Par dérogation au barème applicable en vertu du code 14, en cas d'admission de titres autres que de capital dont les modalités consistent (a) dans le remboursement à l'échéance du titre de minimum 100% du montant investi et (b) dans l'attribution d'un intérêt déterminé ou déterminable en fonction d'un taux d'intérêt de référence, qui est soit versé périodiquement jusqu'à l'échéance du titre, soit capitalisé et versé à l'échéance du titre, de même que les "coupons zéro", à l'exception des instruments de placement émis dans le cadre d'opérations de titrisation 4.000 € b) demande d'approbation d'un prospectus relatif à l'offre publique d'instruments de placement (sans admission concomitante sur un marché réglementé) (1) Offre publique de titres de capital 19 si valeur de l'opération < 1 M € 5. 272 € 20 si valeur de l'opération > ou = 1 M € et < 10 M € 9.885 € 22 si valeur de l'opération > ou = 10 M € 19.769 € Offre publique de titres autres que de capital 29 si valeur de l'opération < 1 M € 2.650 € 30 si valeur de l'opération > ou = 1 M € et < 10 M € 5.272 € 32 si valeur de l'opération > ou = 10 M € 10.544 € 34 Par dérogation aux barèmes applicables en vertu des codes 30 et 32, en cas d'offre publique de titres autres que de capital dont les modalités consistent (a) dans le remboursement à l'échéance du titre de minimum 100% du montant investi et (b) dans l'attribution d'un intérêt déterminé ou déterminable en fonction d'un taux d'intérêt de référence, qui est soit versé périodiquement jusqu'à l'échéance du titre, soit capitalisé et versé à l'échéance du titre, de même que les "coupons zéro", à l'exception des instruments de placement émis dans le cadre d'opérations de titrisation 4.000 € Offre publique d'instruments de placement autres que des titres de capital et des titres autres que de capital 39 si valeur de l'opération < 1 M € 5. 272 € 40 si valeur de l'opération> ou = 1 M € et < 10 M € 9.885€ 42 si valeur de l'opération > ou = 10 M € 19.769 € 50 c) demande d'approbation d'un prospectus de base (2) 10.080 €378 € par catégorie ou type d'instruments de placement couvert par le prospectus de base 52 Par dérogation au barème applicable en vertu du code 50, si le prospectus de base porte sur des titres autres que de capital dont les modalités consistent (a) dans le remboursement à l'échéance du titre de minimum 100% du montant investi et (b) dans l'attribution d'un intérêt déterminé ou déterminable en fonction d'un taux d'intérêt de référence, qui est soit versé périodiquement jusqu'à l'échéance du titre, soit capitalisé et versé à l'échéance du titre, de même que les "coupons zéro", à l'exception des instruments de placement émis dans le cadre d'opérations de titrisation 7.000 € 60 d) demande d'approbation d'un document d'enregistrement en dehors du cadre d'une opération 2.520 € 70 e) demande d'approbation d'une note relative aux instruments de placement sans approbation concomitante du document d'enregistrement x € = barème applicable pour l'approbation d'un prospectus pour ce type d'opération en vertu des codes 10 à 42 - 2.520 € 80 f) demande d'approbation d'un supplément de prospectus en vue d'une autre offre publique et/ou d'une autre admission à la négociation sur un marché réglementé que celle dans le cadre de laquelle le prospectus a été approuvé initialement ou demande d'approbation d'un prospectus dans lequel un autre prospectus encore valide, préalablement approuvé par la FSMA, est inclus par référence, à l'exclusion des éléments spécifiques à l'opération x € = barème applicable pour l'approbation du prospectus pour ce type d'opération en vertu des codes 10 à 42 - 2.520 € 90 g) demande d'approbation d'un prospectus abrégé (en ce compris l'octroi de la dispense partielle de prospectus) 2.636 € 100 h) demande de dispense totale de prospectus 1.977 € II. Article 60 de la loi du 16 juin 2006 relative aux offres publiques d'instruments de placement et aux admissions d'instruments de placement à la négociation sur des marchés réglementés 105 Demande d'approbation de communications à caractère promotionnel (contribution due par instrument de placement et par distributeur), sauf lorsque les instruments de placement concernés sont offerts sur la base d'un prospectus approuvé par la FSMA 800 € III. Articles 19 ou 20 de la loi du 1er avril 2007 relative aux offres publiques d'acquisition (3) a) demande d'approbation d'un prospectus d'OPA 112 si valeur de l'opération < 10 M € 10.544 € 114 si valeur de l'opération > ou = 10 M € et < 25 M € 19.769 € 116 si valeur de l'opération > ou = 25 M € et < 100 M € 32.949 € 118 si valeur de l'opération > ou = 100 M € 65.898 € 120 si l'offre n'a pas trait à une société belge et est menée principalement à l'étranger 10.544 € 122 b) reconnaissance mutuelle d'un prospectus approuvé par une autorité étrangère 2.025 € 130 IV. Article 18, § 1er, c) ou d) ou § 2, c) ou d) de la loi du 16 juin 2006 relative aux offres publiques d'instruments de placement et aux admissions d'instruments de placement à la négociation sur des marchés réglementés dans le cadre de demandes de reconnaissance d'informations comme étant équivalentes à celles que doit contenir un prospectus (4) 10.544 € 140 V. Code des sociétés (demandes de déclaration de non-objection sur des rapports spéciaux) 800 €
(1) Als een prospectus wordt goedgekeurd in het kader van een openbare aanbieding en/of de toelating tot de verhandeling op een gereglementeerde markt van verschillende onderscheiden beleggingsinstrumenten, zal de verschuldigde bijdrage overeenstemmen met het hoogste barema dat van toepassing is op grond van codes 10 tot 42, met een toeslag van 378 € per ander betrokken beleggingsinstrument.
(2) Als het basisprospectus betrekking heeft op gedekte warrants die zijn uitgegeven door een andere partij dan de emittent van het onderliggende, bedraagt de basisbijdrage voor de uitgifte en/of toelating tot een gereglementeerde markt van die gedekte warrants 1.890 € + 189 € per noteringslijn waarop het prospectus betrekking heeft, met een totaal minimum van 4.000 €.
(3) Als een prospectus dat de FSMA heeft goedgekeurd in het kader van een openbaar overnameaanbod dat uitsluitend betrekking heeft op andere beleggingsinstrumenten dan effecten, binnen twaalf maanden na de goedkeuring ervan opnieuw wordt gebruikt voor soortgelijke verrichtingen, wordt de verschuldigde bijdrage voor die soortgelijke verrichtingen teruggebracht tot 630 € per prospectus.
(4) Als de betrokken informatie al werd goedgekeurd door de FSMA of door een bevoegde autoriteit van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte die één of meer bevoegdheden uitoefent die vergelijkbaar zijn met de bevoegdheden van de FSMA, wordt de verschuldigde bijdrage voor een beslissing die de FSMA neemt op basis van artikel 18, § 1, c) of d), van de wet van 16 juni 2006, teruggebracht tot 5.272.
(1) Si un prospectus est approuvé dans le cadre d'une offre publique et/ou dans le cadre de l'admission à la négociation sur un marché réglementé de plusieurs instruments de placement distincts, la contribution due sera équivalente au tarif le plus élevé applicable en vertu des codes 10 à 42, avec un supplément de 378 € par autre instrument de placement concerné.
(2) Si les instruments de placement couverts par le prospectus de base sont des warrants couverts émis par une autre partie que l'émetteur du sous-jacent, la contribution pour l'émission et/ou admission sur un marché réglementé de ces warrants, s'élève à : 1.890 € de base + 189 € par ligne de cotations couverte par le prospectus avec un minimum global de 4000 €.
(3) Si un prospectus approuvé par la FSMA dans le cadre d'une OPA portant exclusivement sur des instruments de placement autres que des valeurs mobilières est réutilisé pour des opérations similaires endéans les 12 mois de son approbation, la contribution due dans le cadre de ces opérations similaires est réduite à 630 € par prospectus.
(4) Si les informations en question ont déjà fait l'objet d'une approbation par la FSMA ou par une autorité compétente d'un autre Etat membre de l'Espace économique européen exerçant une ou plusieurs compétences comparables à celles de la FSMA, la contribution due pour la décision de la FSMA prise sur base de l'article 18, § 1, c) ou d), de la loi du 16 juin 2006 est réduite à 5.272 €.
Toelichting bij de barema's van de door de FSMA te innen bijdragen
De bijdrage is verschuldigd op het ogenblik dat een dossier wordt ingediend met het oog op het verkrijgen van een beslissing van de FSMA (art. 25 van het koninklijk besluit). In de lijst met barema's worden de verschillende beslissingen onderscheiden naar wettelijke grondslag :
I. beslissingen getroffen op basis van artikel 32 (door Richtlijn 2003/71/EG geharmoniseerde verrichtingen), van artikel 41 (overdracht aan de FSMA van de goedkeuring van een prospectus) of artikel 52 (niet door Richtlijn 2003/71/EG geharmoniseerde verrichtingen) van de wet van 16 juni 2006 op de openbare aanbieding van beleggingsinstrumenten en de toelating van beleggingsinstrumenten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt,
II. beslissingen getroffen op basis van artikel 60 van de wet van 16 juni 2006 betreffende de openbare aanbieding van beleggingsinstrumenten en de toelating van beleggingsinstrumenten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt,
III. beslissingen getroffen op basis van artikel 19 of 20 van de wet van 1 april 2007 betreffende de openbare overnameaanbiedingen
IV. beslissingen getroffen op basis van 18, § 1, c) of d), of § 2, c) of d), van de wet van 16 juni 2006 op de openbare aanbieding van beleggingsinstrumenten en de toelating van beleggingsinstrumenten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt, en
V. beslissingen (geen bezwaar) getroffen op basis van het Wetboek van vennootschappen.
I. Beslissingen genomen op basis van artikel 32, artikel 41 of artikel 52 van de wet van 16 juni 2006 op de openbare aanbieding van beleggingsinstrumenten en de toelating van beleggingsinstrumenten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt
Deze beslissingen worden genomen in het kader van aanvragen tot goedkeuring van een prospectus over openbare aanbiedingen tot verkoop van of tot inschrijving op beleggingsinstrumenten of van de toelating van beleggingsinstrumenten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt. Artikel 32 van de wet betreft de verrichtingen die door Richtlijn 2003/71/EG worden geharmoniseerd, terwijl artikel 52 betrekking heeft op de verrichtingen die niet door die richtlijn worden geharmoniseerd. Artikel 41 van de wet heeft betrekking op het geval waarin de FSMA zich de goedkeuring van een prospectus ziet overdragen door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst. Dit artikel verwijst zelf naar de procedure voorzien in artikel 32.
Een bijdrage is verschuldigd voor de indiening van dossiers met het oog op het verkrijgen van een beslissing tot goedkeuring van zowel volledige prospectussen als basisprospectussen, registratiedocumenten, verrichtingsnota's over beleggingsinstrumenten, bepaalde aanvullingen op prospectussen en verkorte prospectussen, of van een beslissing tot verlening van een gedeeltelijke of volledige vrijstelling van de prospectusverplichting.
In beginsel moet voor elke openbare aanbieding en/of voor elke toelating tot de verhandeling op een gereglementeerde markt een afzonderlijk prospectus worden opgesteld. Op dat beginsel bestaan echter verschillende uitzonderingen :
- eenzelfde prospectus kan tegelijkertijd betrekking hebben op de toelating tot de verhandeling op een gereglementeerde markt en op de openbare aanbieding van beleggingsinstrumenten. De op grond van codes 10 tot 16 verschuldigde bijdrage met betrekking tot het toelatingsprospectus dekt bijgevolg ook het aspect " openbare aanbieding ",
- een basisprospectus kan worden opgesteld in het kader van aanbiedingsprogramma's die het mogelijk maken om gedurende een gespecificeerde periode doorlopend of herhaaldelijk beleggingsinstrumenten van verschillende types of categorieën uit te geven. De daarvoor verschuldigde bijdrage wordt vastgesteld op grond van code 50 of 52 (code 52 geldt in geval van uitgiften van zgn. "plainvanilla" obligaties),
- een prospectus dat nog steeds geldig is, mag opnieuw worden gebruikt in het kader van andere verrichtingen, op voorwaarde weliswaar dat het wordt geactualiseerd in een aanvulling. In dat geval is een bijdrage verschuldigd voor de goedkeuring van die aanvulling (code 80).
Als buiten de voornoemde hypotheses een prospectus wordt goedgekeurd in het kader van een openbare aanbieding en/of in het kader van de toelating tot de verhandeling op een gereglementeerde markt van verschillende onderscheiden beleggingsinstrumenten, zal de verschuldigde bijdrage overeenstemmen met het hoogste barema dat van toepassing is op grond van codes 10 tot 42, met een toeslag van 378 euro per ander betrokken beleggingsinstrument, en dit conform de analogie tussen deze situatie en de goedkeuring van een basisprospectus dat ook betrekking heeft op verschillende onderscheiden instrumenten (code 50).
Codes 10 tot 14
Deze lijnen van de lijst met barema's betreffen de toelatingen van beleggingsinstrumenten tot een gereglementeerde markt, inclusief de gelijktijdige openbare aanbieding van die beleggingsinstrumenten.
Bij een aanvraag tot toelating tot de verhandeling op een gereglementeerde markt van beleggingsinstrumenten die al zijn toegelaten tot de verhandeling op een andere gereglementeerde markt, zal het dossier worden behandeld alsof het een bijkomende toelating betreft.
Codes 19 tot 42
Deze lijnen betreffen de openbare aanbiedingen, zonder gelijktijdige toelating tot een gereglementeerde markt. De verschuldigde bijdrage schommelt in functie van het bedrag waarop de verrichting betrekking heeft, en het betrokken type van beleggingsinstrumenten.
Codes 50 tot 52
Krachtens de artikelen 29 en 49 van de wet van 16 juni 2006 kan een basisprospectus worden opgesteld. Een basisprospectus kan aldus betrekking hebben op de uitgifte van verschillende categorieën of types van beleggingsinstrumenten die worden aangeboden in het kader van aanbiedingsprogramma's. Voor dergelijke basisprospectussen is een bijdrage van 10.080 euro verschuldigd, met een toeslag van 378 euro per betrokken categorie of type van beleggingsinstrumenten.
Voor de basisprospectussen met betrekking tot andere dan kapitaaleffecten waarvoor het kapitaal ten belope van 100 % gewaarborgd en het tarief vast is wordt de basisbijdrage van 7000 EUR naar 10.080 EUR verhoogd (zonder supplement per categorie of type beleggingsinstrumenten waarop de basisprospectus betrekking heeft). Dit barema zal het aanbod van "plainvanilla" obligaties, eenvoudige producten, ten goede komen.
Codes 60 en 70
Een emittent kan een prospectus opstellen in de vorm van één enkel document. Hij betaalt dan de bijdrage die codes 10 tot 42 vaststellen naar gelang het type verrichting. Hij kan dat prospectus echter ook in drie delen opstellen (registratiedocument, verrichtingsnota en samenvatting). Omwille van de vereiste neutraliteit zal de bijdrage in dat geval als volgt worden vastgesteld :
- de drie delen van het prospectus kunnen tegelijkertijd worden goedgekeurd naar aanleiding van de openbare aanbieding of de toelating. In dat geval zijn codes 10 tot 42 van toepassing en wordt de verschuldigde bijdrage in één keer betaald bij de goedkeuring van het prospectus in drie delen;
- de drie delen van het prospectus kunnen ook afzonderlijk worden goedgekeurd. Dan worden twee hypotheses onderscheiden :
o ofwel wordt eerst het registratiedocument goedgekeurd buiten het kader van de goedkeuring van een prospectus : de verschuldigde bijdrage voor de goedkeuring van het registratiedocument bedraagt 2.520 euro (code 60). Later, bij de goedkeuring van de verrichtingsnota over de beleggingsinstrumenten, zal een bijdrage verschuldigd zijn die gelijk is aan het verschil tussen 2.520 euro en de bijdrage die verschuldigd zou zijn voor de goedkeuring van een volledig prospectus voor een dergelijke verrichting, op grond van codes 10 tot 42 (code 70).
o ofwel werd het registratiedocument eerder goedgekeurd in het kader van een vorige verrichting en wordt het vervolgens opnieuw gebruikt in het kader van een andere openbare aanbieding of een andere toelating tot de verhandeling op een gereglementeerde markt. Bij de goedkeuring van de verrichtingsnota over de beleggingsinstrumenten, in het vooruitzicht van die andere openbare aanbieding of die andere toelating tot de verhandeling, zal een bijdrage verschuldigd zijn die ook hier gelijk zal zijn aan het verschil tussen 2.520 euro en de bijdrage die verschuldigd zou zijn voor de goedkeuring van een volledig prospectus voor een dergelijke verrichting, op grond van codes 10 tot 42 (code 70).
Code 80
Deze code viseert twee verschillende hypotheses. Enerzijds is zij van toepassing wanneer een prospectus dat minder dan twaalf maanden geleden werd goedgekeurd in het kader van een vorige verrichting, opnieuw wordt gebruikt in het kader van een andere openbare aanbieding of een andere toelating. Als dit prospectus moet worden aangepast en/of geactualiseerd via een aanvulling, is een bijdrage verschuldigd. Anderzijds is zij van toepassing wanneer in een prospectus een ander prospectus is opgenomen door middel van verwijzing dat eerder door de FSMA werd goedgekeurd en dat nog steeds geldig is (met uitsluiting van de elementen die eigen zijn aan de verrichting waarop dat prospectus oorspronkelijk betrekking had).
In beide hypotheses is de verschuldigde bijdrage gelijk aan het verschil tussen 2.520 euro en de bijdrage die verschuldigd zou zijn op grond van codes 10 tot 42 indien een nieuw volledig prospectus zou worden opgesteld. Er bestaat dus een parallel tussen deze twee hypotheses en het geval waarin een registratiedocument dat eerder werd goedgekeurd in het kader van een bepaalde verrichting, opnieuw wordt gebruikt in het kader van een andere verrichting (code 70). Code 80 waarborgt zo de neutraliteit tussen de verschillende methodes voor de opstelling van prospectussen die, in bepaalde gevallen, alternatieven zijn.
Als een prospectus daarentegen wordt goedgekeurd in het kader van een verrichting en er tussen de goedkeuring van dat prospectus en de afsluiting van de verrichting nieuwe feiten opduiken of onjuistheden aan het licht komen die de goedkeuring van een aanvulling op het prospectus vereisen, zal laatstgenoemde goedkeuring geen aanleiding geven tot de betaling van een nieuwe bijdrage. Dit geldt ook wanneer de aanvulling op het prospectus bedoeld is om het basisprospectus te actualiseren.
Code 90
Deze lijn heeft betrekking op de beslissingen over de aanvragen tot verlening van een gedeeltelijke vrijstelling van de prospectusverplichting en tot goedkeuring van een verkort prospectus. Volledigheidshalve wordt eraan herinnerd dat enkel de verrichtingen die niet door Richtlijn 2003/71/EG worden geharmoniseerd, nog in aanmerking komen voor een gedeeltelijke vrijstelling van de prospectusverplichting.
Code 100
Deze lijn heeft betrekking op de beslissingen over de aanvragen tot verlening van een volledige vrijstelling van de prospectusverplichting. Enkel de verrichtingen die niet door Richtlijn 2003/71/EG worden geharmoniseerd, komen nog in aanmerking voor een volledige vrijstelling van de prospectusverplichting. Hier is een bijdrage verschuldigd omdat een volledige vrijstelling van de prospectusverplichting niet automatisch wordt verleend, maar een beslissing van de FSMA vereist.
II. Beslissingen genomen op basis van artikel 60 van de wet van 16 juni 2006 betreffende de openbare aanbieding van beleggingsinstrumenten en de toelating van beleggingsinstrumenten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt
Een bijdrage van 800 € is verschuldigd bij de indiening van dossiers met betrekking tot de goedkeuring van reclame (of andere documenten en berichten) in het kader van openbare aanbiedingen waarvoor de FSMA geen prospectus heeft goedgekeurd.
Wanneer het prospectus is goedgekeurd door de FSMA wordt de kost in verband met de reclame geacht te zijn vergoed door de bijdrage die krachtens codes 10 tot 90 verschuldigd is voor de indiening van een dossier met het oog op de goedkeuring van de prospectus zelf.
Het onderzoek van de reclame in het geval dat de FSMA het prospectus niet heeft goedgekeurd is complexer in de mate dat de FSMA dan kennis moet nemen van de details van de verrichting en van het prospectus (dat van het paspoort geniet) om de conformiteit van de reclame met de wettelijke vereisten te kunnen beoordelen.
In deze gevallen zal dus een bijdrage van 800 EUR worden opgevraagd en dit per reclamecampagne (geheel van documenten, folders, affiches enz. met betrekking tot eenzelfde verrichting) en per verdeler. Indien meerdere tussenpersonen een reclamecampagne organiseren zal elke tussenpersoon dus moeten bijdragen in de vergoeding van de werkingskosten van de FSMA.
III. Beslissingen getroffen op basis van artikel 19 of 20 van de wet van 1 april 2007 betreffende de openbare overnameaanbiedingen
De bijdrage verschuldigd bij de indiening van een dossier voor het bekomen van de goedkeuring van een prospectus met betrekking tot een openbare overnameaanbieding (of openbaar ruilbod of uitkoopbod) schommelt in functie van het bedrag waarop de verrichting betrekking heeft, dat op zijn beurt wordt berekend in functie van de geboden tegenprestatie.
Als eenzelfde bieder over een periode van 12 maanden verschillende openbare overnameaanbiedingen uitbrengt op andere beleggingsinstrumenten dan effecten (zoals opties) en de prospectussen die voor die verschillende verrichtingen worden opgesteld, sterk analoog zijn, moet de bieder bij de goedkeuring van het eerste prospectus de bijdrage betalen waarvan sprake is in codes 112 tot 120. De bijdrage die verschuldigd is voor de goedkeuring van de prospectussen over de latere verrichtingen, wordt echter teruggebracht tot 630 euro per prospectus omdat het onderzoek van die prospectussen de FSMA minder werk bezorgt.
Er is eveneens een bijdrage verschuldigd bij de indiening van een dossier met het oog op de erkenning door de FSMA van een prospectus goedgekeurd door een buitenlandse toezichthouder.
IV. Beslissingen genomen op basis van artikel 18, § 1, c) of d), of § 2, c) of d), van de wet van 16 juni 2006 op de openbare aanbieding van beleggingsinstrumenten en de toelating van beleggingsinstrumenten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt
Deze lijn heeft betrekking op twee types van verrichtingen (openbare aanbiedingen tot omruiling en fusies) die worden vrijgesteld van de prospectusverplichting in het kader van de wet van 16 juni 2006 op de openbare aanbieding van beleggingsinstrumenten en de toelating van beleggingsinstrumenten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt, op voorwaarde dat voor het publiek of de belanghebbenden, naar gelang het geval, informatie beschikbaar wordt gesteld die door de FSMA als gelijkwaardig wordt erkend aan de informatie die in het prospectus moet worden opgenomen. Deze vrijstellingen vereisen een beslissing van de FSMA en bijgevolg ook de betaling van een bijdrage.
Als de informatie die door de FSMA als gelijkwaardig dient te worden erkend aan de informatie die in een prospectus moet worden opgenomen, al is goedgekeurd door de FSMA zelf of door één van haar Europese collega-toezichthouders, wordt de bijdrage met de helft teruggebracht. In die hypothese is de controle die de FSMA op de betrokken informatie moet uitoefenen, immers beperkter. Dat zal vooral zo zijn bij openbare aanbiedingen tot omruiling, als de informatie die door de FSMA als gelijkwaardig dient te worden erkend, deel uitmaakt van het prospectus over dat openbaar bod tot omruiling dat door de ter zake bevoegde autoriteit is goedgekeurd.
Als de FSMA overigens gebruik maakt van de machtiging als bedoeld in artikel 18, § 3, van de wet van 16 juni 2006 op de openbare aanbieding van beleggingsinstrumenten en de toelating van beleggingsinstrumenten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt, en zij in een reglement verduidelijkt welke informatie beschikbaar moet worden gesteld om aan die gelijkwaardigheidsvoorwaarde te voldoen, zal zij met betrekking tot voornoemde verrichtingen niet langer geval per geval een beslissing moeten nemen. Bijgevolg zal daarvoor ook geen bijdrage meer moeten worden betaald.
V. Beslissingen genomen op basis van het Wetboek van vennootschappen in het kader van aanvragen tot verklaring van geen bezwaar over bijzondere verslagen
Het Wetboek van vennootschappen bepaalt in verband met diverse verrichtingen dat bijzondere verslagen moeten worden bezorgd aan de FSMA die moet verklaren dat zij geen bezwaar heeft tegen de verspreiding ervan. Momenteel is dit, krachtens artikel 538 van het Wetboek van vennootschappen, het geval bij de uitgifte van converteerbare obligaties of warrants door vennootschappen die een openbaar beroep op het spaarwezen doen of hebben gedaan.
Note explicative sur le barème des contributions à percevoir par la FSMA
La contribution est due lors de l'introduction d'un dossier visant à obtention d'une décision de la FSMA (article 25 de l'arrêté royal). Le barème opère une distinction selon la base légale de ces décisions :
I. décisions prises sur la base de l'article 32 (opérations harmonisées par la Directive 2003/71/CE), de l'article 41 (délégation à la FSMA de l'approbation d'un prospectus) ou de l'article 52 (opérations non harmonisées par la Directive 2003/71/CE) de la loi du 16 juin 2006 relative aux offres publiques d'instruments de placement et aux admissions d'instruments de placement à la négociation sur des marchés réglementés,
II. décisions prises sur la base de l'article 60 de la loi du 16 juin 2006 relative aux offres publiques d'instruments de placement et aux admissions d'instruments de placement à la négociation sur des marchés réglementés,
III. décisions prises sur la base de l'article 19 ou 20 de la loi du 1er avril 2007 relative aux offres publiques d'acquisition,
IV. décisions prises sur la base de l'article 18, § 1er, c) ou d), ou § 2, c) ou d), de la loi du 16 juin 2006 relative aux offres publiques d'instruments de placement et aux admissions d'instruments de placement à la négociation sur des marchés réglementés, et
V. Décisions (non objection) prises sur la base du Code des sociétés.
I. Décisions prises sur la base de l'article 32, 41 ou 52 de la loi du 16 juin 2006 relative aux offres publiques d'instruments de placement et aux admissions d'instruments de placement à la négociation sur des marchés réglementés
Ces décisions sont prises dans le cadre de demandes d'approbation de prospectus pour des offres publiques en vente ou en souscription d'instruments de placement ou des admissions d'instruments de placement à la négociation sur des marchés réglementés. L'article 32 de la loi vise les opérations harmonisées par la Directive 2003/71/CE, tandis que l'article 52 vise les opérations non harmonisées par cette directive. L'article 41 de la loi vise le cas d'une délégation par l'autorité de contrôle de l'Etat membre d'origine, à la FSMA, de l'approbation d'un prospectus. Cet article renvoie lui-même à la procédure prévue à l'article 32.
Est soumise à contribution l'introduction de dossiers en vue de l'obtention d'une décision d'approbation de prospectus complets, de prospectus de base, de documents d'enregistrement, de notes relatives aux instruments de placement, de certains suppléments de prospectus, de prospectus abrégés ou encore d'une décision de dispense partielle ou totale de prospectus.
En principe, chaque offre publique et/ou admission à la négociation sur un marché réglementé nécessite l'établissement d'un prospectus distinct. Il existe cependant plusieurs exceptions à ce principe :
- un même prospectus peut couvrir à la fois l'admission à la négociation sur un marché réglementé et l'offre publique d'instruments de placement. La contribution due en vertu des codes 10 à 16 pour le prospectus d'admission englobe dès lors également le volet " offre publique ",
- un prospectus de base peut être établi dans le cadre de programmes d'offre, permettant d'émettre plusieurs types ou catégories d'instruments de placement d'une manière continue ou répétée, pendant une période déterminée. La contribution est alors fixée conformément au code 50 ou 52 (le code 52 étant applicable en cas d'émissions d'obligations dites "plain vanilla"),
- un prospectus qui est toujours valide peut être réutilisé en vue d'autres opérations à condition d'être actualisé via un supplément. Une contribution est alors due pour l'approbation du supplément (code 80).
En dehors de ces hypothèses, si un prospectus est approuvé dans le cadre d'une offre publique et/ou dans le cadre de l'admission à la négociation sur un marché réglementé de plusieurs instruments de placement distincts, la contribution due sera équivalente au tarif le plus élevé applicable en vertu des codes 10 à 42, avec un supplément de 378 euro par autre instrument de placement concerné et ce, en vertu de l'analogie entre cette situation et l'approbation d'un prospectus de base couvrant également plusieurs instruments distincts (code 50).
Codes 10 à 14
Ces lignes du barème concernent les admissions d'instruments de placement sur un marché réglementé, en ce compris leur offre publique concomitante.
En cas de demande d'admission à la négociation sur un marché réglementé d'instruments de placement déjà admis à la négociation sur un autre marché réglementé, le dossier sera traité comme constituant une admission complémentaire.
Codes 19 à 42
Ces lignes concernent les offres publiques, sans admission concomitante sur un marché réglementé. La contribution due varie en fonction du montant de l'opération et en fonction du type d'instrument de placement concerné.
Codes 50 à 52
Les articles 29 et 49 de la loi du 16 juin 2006 permettent l'établissement d'un prospectus de base. Un prospectus de base peut ainsi couvrir l'émission de plusieurs catégories ou types d'instruments de placement offerts dans le cadre de programmes d'offres. Pour ces prospectus de base, une contribution de 10.080 euro est due, à laquelle s'ajoutent 378 euro par type ou catégorie d'instruments de placement couverts.
Pour les prospectus de base portant sur des titres autres que de capital pour lesquels le capital est remboursable à 100% à l'échéance et le taux est fixe, le montant de base passe de EUR 10.080 à EUR 7.000 (sans supplément par catégorie ou type d'instrument de placement couvert par le prospectus de base). Ce barème favorisera les programmes d'offres d'obligations "plain vanilla", qui sont des produits simples.
Codes 60 et 70
Un émetteur peut établir un prospectus sous forme d'un document unique. Il payera alors la contribution fixée conformément aux codes 10 à 42 en fonction du type d'opération. Il peut également établir son prospectus en 3 parties (document d'enregistrement, note et résumé). Dans ce cas, dans un objectif de neutralité, la contribution sera établie comme suit :
- Les trois parties du prospectus peuvent être approuvées simultanément à l'occasion de l'offre publique ou de l'admission. Dans ce cas, les codes 10 à 42 s'appliquent et la contribution est payée en une fois, à l'occasion de l'approbation du prospectus en trois parties.
- Les 3 parties du prospectus peuvent également être approuvées séparément. Dans ce cas, il faut distinguer deux hypothèses :
o soit le document d'enregistrement est d'abord approuvé, en dehors du cadre de l'approbation d'un prospectus : la contribution due lors de son approbation est de 2.520 euro (code 60). Ultérieurement, lors de l'approbation de la note relative aux instruments de placement, une contribution sera due, égale à la différence entre 2.520 euro et la contribution qui serait due pour l'approbation d'un prospectus complet pour une telle opération, en vertu des codes 10 à 42 (code 70).
o soit le rdocument d'enregistrement a été approuvé antérieurement dans le cadre d'une précédente opération et est ensuite réutilisé dans le cadre d'une autre offre publique ou d'une autre admission à la négociation sur un marché réglementé. Lors de l'approbation de la note relative aux instruments de placement, en vue de cette autre offre publique ou de cette autre admission à la négociation, une contribution sera due, qui sera ici aussi égale à la différence entre 2.520 euro et la contribution qui serait due pour l'approbation d'un prospectus complet pour une telle opération, en vertu des codes 10 à 42 (code 70).
Code 80
Ce code vise deux hypothèses distinctes. Il s'applique, d'une part, lorsqu'un prospectus approuvé dans le cadre d'une précédente opération, moins de 12 mois auparavant est réutilisé dans le cadre d'une autre offre publique ou d'une autre admission. Si ce prospectus doit être adapté et/ou actualisé via un supplément, une contribution est due. Ce code s'applique, d'autre part, lorsqu'un prospectus inclut par référence un prospectus préalablement approuvé par la FSMA et qui est toujours valide (à l'exclusion des éléments spécifiques à l'opération sur laquelle portait initialement ce prospectus).
Dans ces hypothèses, la contribution due est égale à la différence entre 2.520 euros et la contribution qui serait due en vertu des codes 10 à 42 si un nouveau prospectus complet avait été établi. Un parallèle existe ainsi entre ces deux hypothèses et le cas où un document d'enregistrement approuvé antérieurement dans le cadre d'une opération est ensuite réutilisé dans le cadre d'une autre opération (code 70). Le code 80 assure ainsi la neutralité entre plusieurs méthodes d'élaboration des prospectus qui constituent, dans certains cas, des alternatives.
Par contre, si un prospectus est approuvé lors d'une opération et qu'entre son approbation et la clôture de ladite opération, des faits nouveaux surviennent ou des inexactitudes sont révélées, nécessitant l'approbation d'un supplément, cette approbation ne donnera pas lieu au payement d'une nouvelle contribution. Ceci vaut également si le supplément de prospectus vise à actualiser un prospectus de base.
Code 90
Cette ligne concerne les décisions portant sur les demandes de dispense partielle de prospectus et d'approbation d'un prospectus abrégé. Pour rappel, seules les opérations non harmonisées par la Directive 2003/71/CE sont encore susceptibles de dispense partielle de prospectus.
Code 100
Cette ligne concerne les décisions prises dans le cadre des demandes de dispense totale de prospectus. Seules les opérations non harmonisées par la Directive 2003/71/CE sont encore susceptibles de dispense totale de prospectus. Une contribution est due car l'octroi d'une dispense totale de prospectus nécessite une décision de la FSMA et n'est donc pas automatique.
II. Décisions prises sur la base de l'article 60 de la loi du 16 juin 2006 relative aux offres publiques d'instruments de placement et aux admissions d'instruments de placement à la négociation sur des marchés réglementés
Une contribution de EUR 800 est due lors de l'introduction de dossiers d'approbation de communications à caractère promotionnel (ou autres documents et avis) dans le cadre d'offres publiques pour lesquelles la FSMA n'a pas approuvé le prospectus.
Lorsque le prospectus est approuvé par la FSMA, le coût engendré par le contrôle de la publicité est couvert par la contribution due en vertu des codes 10 à 90 lors de l'introduction d'un dossier d'approbation du prospectus lui-même.
L'examen de communications à caractère promotionnel alors que la FSMA n'a pas approuvé le prospectus s'avère par ailleurs plus complexe car la FSMA doit prendre connaissance des détails de l'opération et du prospectus (bénéficiant du passeport) pour pouvoir apprécier la conformité des communications à caractère promotionnel au regard des exigences légales.
Une contribution de EUR 800 sera donc réclamée, dans ces hypothèses et ce, par campagne publicitaire (ensemble de documents, folders, affiches, etc... relatifs à une même opération) par distributeur. Si plusieurs intermédiaires organisent des campagnes publicitaires, chaque intermédiaire devra contribuer aux frais de fonctionnement de la FSMA.
III. Décisions prises sur base de l'article 19 ou 20 de la loi du 1eravril 2007 relative aux offres publiques d'acquisition
La contribution due lors de l'introduction d'un dossier en vue de l'approbation d'un prospectus d'OPA (ou OPE ou squeeze out) varie en fonction du montant de l'opération, calculé lui-même en fonction de la contrepartie offerte.
Si plusieurs OPA sont lancées par un même offrant sur des instruments de placement autres que des valeurs mobilières (telle des options) sur une période de 12 mois et que le prospectus établi dans le cadre de chacune de ces opérations est chaque fois similaire, l'offrant doit payer la contribution prévue aux codes 112 à 120 lors de l'approbation du 1er prospectus. La contribution due pour l'approbation des prospectus relatif aux opérations ultérieures est toutefois réduite à 630 euros par prospectus en raison de la charge de travail limitée qu'entraine leur examen.
Une contribution est également due lors de l'introduction d'un dossier en vue de la reconnaissance, par la FSMA d'un prospectus approuvé par une autorité étrangère.
IV. Décisions prises sur base de l'article 18, § 1 c) ou d) ou 18, § 2, c) ou d), de la loi du 16 juin 2006 relative aux offres publiques d'instruments de placement et aux admissions d'instruments de placement à la négociation sur des marchés réglementés
Cette ligne concerne deux types d'opérations (OPE et fusion) exemptées de prospectus dans le cadre de la loi du 16 juin 2006 relative aux offres publiques d'instruments de placement et aux admissions d'instruments de placement à la négociation sur des marchés réglementés à condition que des informations considérées par la FSMA comme équivalentes à celles devant figurer dans un prospectus soit mises à disposition du public ou des intéressés, selon le cas. Ces exemptions requièrent une décision de la FSMA et, partant, le payement d'une contribution.
Cependant, si les informations que la FSMA est appelée à reconnaître comme équivalentes à celles devant figurer dans un prospectus ont toutes déjà fait l'objet d'une approbation par la FSMA elle-même ou par un de ses homologues européens, la contribution est réduite de moitié. Dans une telle hypothèse, le contrôle que la FSMA est appelée à effectuer sur lesdites informations est en effet plus limité. Ce sera le cas, notamment, en cas d'OPE si les informations que la FSMA est appelée à reconnaître comme équivalentes font partie du prospectus d'OPE, dûment approuvé par l'autorité compétente en cette matière.
Par ailleurs, si la FSMA fait usage de l'habilitation prévue à l'article 18, § 3, de la loi du 16 juin 2006 relative aux offres publiques d'instruments de placement et aux admissions d'instruments de placement à la négociation sur des marchés réglementés et précise dans un règlement quelles informations doivent être fournies pour satisfaire à cette condition d'équivalence, les opérations susmentionnées ne nécessiteront plus de décision au cas par cas de la FSMA. Dès lors, plus aucune contribution ne sera due.
V. Décisions prises sur base du Code des sociétés dans le cadre d'une demande de déclaration de non-objection sur des rapports spéciaux
Le Code des sociétés prévoit, dans le cadre de diverses opérations, que des rapports spéciaux doivent être communiqués à la FSMA qui doit déclarer qu'elle ne s'oppose pas à leur diffusion. A l'heure actuelle, c'est le cas en vertu de l'article 583 du Code des sociétés en cas d'émission d'obligations convertibles ou de warrants par des sociétés faisant ou ayant fait appel public à l'épargne.
Vu pour être annexé à Notre arrêté du 17 juin 2012 relatif à la couverture des frais de fonctionnement de la FSMA, pris en exécution de l'article 56 de la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers.
Art. N2. Bijlage 2 bij het koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 17 mei 2012 betreffende de vergoeding van de werkingskosten van de FSMA ter uitvoering van artikel 56 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten
Art. N2. Annexe 2 à l'arrêté royal modifiant l'arrêté royal du 17 mai 2012 relatif à la couverture des frais de fonctionnement de la FSMA, pris en exécution de l'article 56 de la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers
Bijlage 2 : bijlage bij artikel 36bis 2014 2015 2016 2017
Art. 5, § 1 40,00 % 34,70 % 33,83 % 33,30 %
Art. 6, § 1 2,21 % 2,30 % 2,41 % 2,49 %
Art. 7, § 1 10,83 % 11,53 % 11,53 % 11,53 %
Art. 8, § 1 13,71 % 19,42 % 22,34 % 24,41 %
Art. 9/1, § 1 0,00 % 0,00 % 0,90 % 0,90 %
Art. 9, § 1 en 9/2, § 1 2,40 % 2,40 % 1,50 % 1,50 %
Art. 10, § 1 1,85 % 1,82 % 1,79 % 1,76 %
Art. 13, § 1 13,33 % 12,52 % 10,89 % 9,74 %
Art. 14, § 1 0,67 % 0,63 % 0,58 % 0,54 %
Art. 15, § 1 13,08 % 12,88 % 12,57 % 12,28 %
Art. 15/1, § 1 0,00 % 0,00 % 0,00 % 0,00 %
Art. 15/2, § 1 0,00 % 0,00 % 0,00 % 0,00 %
Art. 16, § 1 0,33 % 0,31 % 0,29 % 0,27 %
Bijlage 2 : bijlage bij artikel 36bis 2014 2015 2016 2017 Art. 5, § 1 40,00 % 34,70 % 33,83 % 33,30 % Art. 6, § 1 2,21 % 2,30 % 2,41 % 2,49 % Art. 7, § 1 10,83 % 11,53 % 11,53 % 11,53 % Art. 8, § 1 13,71 % 19,42 % 22,34 % 24,41 % Art. 9/1, § 1 0,00 % 0,00 % 0,90 % 0,90 % Art. 9, § 1 en 9/2, § 1 2,40 % 2,40 % 1,50 % 1,50 % Art. 10, § 1 1,85 % 1,82 % 1,79 % 1,76 % Art. 13, § 1 13,33 % 12,52 % 10,89 % 9,74 % Art. 14, § 1 0,67 % 0,63 % 0,58 % 0,54 % Art. 15, § 1 13,08 % 12,88 % 12,57 % 12,28 % Art. 15/1, § 1 0,00 % 0,00 % 0,00 % 0,00 % Art. 15/2, § 1 0,00 % 0,00 % 0,00 % 0,00 % Art. 16, § 1 0,33 % 0,31 % 0,29 % 0,27 %
Annexe 2 : annexe à l'article 36bis 2014 2015 2016 2017
Art. 5, § 1er 40,00 % 34,70 % 33,83 % 33,30 %
Art. 6, § 1er 2,21 % 2,30 % 2,41 % 2,49 %
Art. 7, § 1er 10,83 % 11,53 % 11,53 % 11,53 %
Art. 8, § 1er 13,71 % 19,42 % 22,34 % 24,41 %
Art. 9/1, § 1er 0,00 % 0,00 % 0,90 % 0,90 %
Art. 9, § 1er et 9/2, § 1er 2,40 % 2,40 % 1,50 % 1,50 %
Art. 10, § 1er 1,85 % 1,82 % 1,79 % 1,76 %
Art. 13, § 1er 13,33 % 12,52 % 10,89 % 9,74 %
Art. 14, § 1er 0,67 % 0,63 % 0,58 % 0,54 %
Art. 15, § 1er 13,08 % 12,88 % 12,57 % 12,28 %
Art. 15/1, § 1er 0,00 % 0,00 % 0,00 % 0,00 %
Art. 15/2, § 1er 0,00 % 0,00 % 0,00 % 0,00 %
Art. 16, § 1er 0,33 % 0,31 % 0,29 % 0,27 %
Annexe 2 : annexe à l'article 36bis 2014 2015 2016 2017 Art. 5, § 1er 40,00 % 34,70 % 33,83 % 33,30 % Art. 6, § 1er2,21 % 2,30 % 2,41 % 2,49 % Art. 7, § 1er 10,83 % 11,53 % 11,53 % 11,53 % Art. 8, § 1er 13,71 % 19,42 % 22,34 % 24,41 % Art. 9/1, § 1er 0,00 % 0,00 % 0,90 % 0,90 % Art. 9, § 1er et 9/2, § 1er 2,40 % 2,40 % 1,50 % 1,50 % Art. 10, § 1er 1,85 % 1,82 % 1,79 % 1,76 % Art. 13, § 1er 13,33 % 12,52 % 10,89 % 9,74 % Art. 14, § 1er 0,67 % 0,63 % 0,58 % 0,54 % Art. 15, § 1er 13,08 % 12,88 % 12,57 % 12,28 % Art. 15/1, § 1er 0,00 % 0,00 % 0,00 % 0,00 % Art. 15/2, § 1er 0,00 % 0,00 % 0,00 % 0,00 % Art. 16, § 1er 0,33 % 0,31 % 0,29 % 0,27 %