Aller au contenu principal

Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
30 AUGUSTUS 2013. - Wet houdende de Spoorcodex(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 20-12-2013 en tekstbijwerking tot 07-06-2024)
Titre
30 AOUT 2013. - Loi portant le Code ferroviaire(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 20-12-2013 et mise à jour au 07-06-2024)
Informations sur le document
Numac: 2013014641
Datum: 2013-08-30
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2013014641
Date: 2013-08-30
Moniteur: Voir
Table des matières
TITEL 1. - Algemene bepalingen HOOFDSTUK 1. - Algemeen HOOFDSTUK 2. - Toepassingsgebied HOOFDSTUK 3. - Definities TITEL 2. [1 - Principes van organisatie en behe... HOOFDSTUK 1. [1 - Gescheiden rekeningen]1 HOOFDSTUK 2. [1 - Onafhankelijkheid van de infr... HOOFDSTUK 3. [1 - Beheer van spoorwegondernemin... TITEL 3. - Gebruik van de spoorweginfrastructuur HOOFDSTUK 1. - Toegang tot de spoorweginfrastru... Afdeling 1. - Toegangs- en doorvoerrecht Afdeling 2. - Diensten die aan de spoorwegonder... Afdeling 3. - Vergunningen HOOFDSTUK 2. - Vergunning van spoorwegonderneming Afdeling 1. - Principes Afdeling 2. - Voorwaarden voor de afgifte van d... Afdeling 3. - Geldigheid van de vergunning Afdeling 4. - Intrekking en schorsing van de ve... Afdeling 5. - Jaarlijkse retributie voor een ve... HOOFDSTUK 2/1. [1 - Bedrijfsplannen]1 HOOFDSTUK 2/2. [1 - Ontwikkelingsplan voor de s... HOOFDSTUK 3. - De betrekkingen tussen de spoorw... Afdeling 1. - Netverklaring Afdeling 2. - Overeenkomsten Afdeling 3. - Verstoringen, ongevallen en incid... Afdeling 3/1. [1 - Toegang tot traffic control ... Afdeling 4. - Vertrouwelijkheid Afdeling 5. [1 - Planning van de onderhouds- of... Afdeling 6. [1 - Samenwerkingsovereenkomst]1 Afdeling 7. [1 - Coördinatiemechanisme]1 HOOFDSTUK 4. - Toewijzing van de spoorweginfras... Afdeling 1. - Algemeenheden Afdeling 2. - Beginselen van de toewijzing van ... Afdeling 3. - Toewijzingsprocedures Onderafdeling 1. - Aanvragen Onderafdeling 2. - Programmerings- en coördinat... Onderafdeling 3. - Samenwerking met andere spoo... HOOFDSTUK 5. - Retributies voor het gebruik van... Afdeling 1. - Algemeenheden Afdeling 2. - [1 Heffingsbeginselen]1 van het g... Afdeling 3. - Uitzonderingen op de [1 heffingsb... Afdeling 4. [1 - Samenwerking met andere spoorw... HOOFDSTUK 6. - [1 Toezichthoudend orgaan]1 Afdeling 1. - Aanwijzing Afdeling 2. - Opdrachten Afdeling 3. - Bevoegdheden Afdeling 3/1. [1 - Samenwerking met andere orga... Afdeling 4. - Inkomsten HOOFDSTUK 0. [1 - Rol van de actoren van het sp... TITEL 4. - Exploitatieveiligheid van de spoorwe... HOOFDSTUK 1. [1 - Nationale voorschriften]1 HOOFDSTUK 2. - Veiligheidsinstantie Afdeling 1. - Aanwijzing Afdeling 2. - Taken Afdeling 3. - Jaarverslag Afdeling 4. - Vergoeding voor prestaties HOOFDSTUK 3. - Veiligheidsbeheersystemen HOOFDSTUK 4. - Veiligheidsvergunning en veiligh... Afdeling 1. - Veiligheidsvergunning van de spoo... Afdeling 2. [1 - Uniek veiligheidscertificaat v... HOOFDSTUK 5. - Onderhoud van voertuigen HOOFDSTUK 6. - Onderzoeken naar spoorwegongeval... Afdeling 1. - Aanwijzing van een onderzoeksorgaan Afdeling 2. - Taken Afdeling 2/1. [1 - Vergoeding voor prestaties]1 Afdeling 3. - Bevoegdheden Afdeling 4. - Onderzoek Afdeling 5. - Conclusies en verslagen Afdeling 6. - Europees overleg TITEL 5. - Certificering van treinbestuurders e... HOOFDSTUK 0. [1 - Toegang tot opleidingsdiensten]1 HOOFDSTUK 1. - Certificering van treinbestuurders Afdeling 1. - Europees model voor de certificering Afdeling 2. - Vergunning van treinbestuurder Afdeling 3. - Bevoegdheidsbewijs Afdeling 4. - Toezicht op treinbestuurders door... Afdeling 5. - Taken en beslissingen van de veil... Afdeling 6. - Opleiding en examinering van de t... HOOFDSTUK 2. - Begeleiders van reizigerstreinen HOOFDSTUK 3. - Bescherming van de persoonlijke ... TITEL 6. - Interoperabiliteit van het spoorwegs... HOOFDSTUK 1. - Essentiële eisen HOOFDSTUK 2. - Technische specificaties inzake ... Afdeling 1. - Inhoud Afdeling 2. - Uitbreiding van het toepassingsge... Afdeling 3. [1 - Niet-toepassing van een TSI]1 HOOFDSTUK 3. - Interoperabiliteitsonderdelen Afdeling 1. [1 - Het in de handel brengen]1 Afdeling 2. - Conformiteit of geschiktheid voor... Afdeling 3. - Procedure voor de " EG "-verklari... Afdeling 4. - Beperkingen of verbod op het gebr... Onderafdeling 1. - Niet-naleving van de procedu... Onderafdeling 2. - Het niet voldoen van interop... HOOFDSTUK 4. - Subsystemen Afdeling 1. - Procedure voor de indienststelling Afdeling 2. - Conformiteit met de TSI's en de n... Afdeling 3. - Procedure voor de opstelling van ... Onderafdeling 1. - " EG "-keuringsverklaring Onderafdeling 2. Onderafdeling 3. Onderafdeling 4. Afdeling 4. - Beperking van de indienststelling... Afdeling 5. Onderafdeling 1. Onderafdeling 2. HOOFDSTUK 4/1. [1 - In de handel brengen en in ... Afdeling 1. [1 - Vergunningen tot indienstellin... Afdeling 2. [1 - In de handel brengen van mobie... Afdeling 3. [1 - Voertuigen]1 Afdeling 4. [1 - Voertuigtypegoedkeuringen]1 HOOFDSTUK 5. Afdeling 1. Afdeling 2. Onderafdeling 1. Onderafdeling 2. Afdeling 3. Onderafdeling 1. Onderafdeling 2. Afdeling 4. Afdeling 5. HOOFDSTUK 6. [1 - Conformiteitsbeoordelingsinst... Afdeling 0. [1 - Aanmeldende instantie]1 Afdeling 1. - Aangemelde instanties Afdeling 2. - Aangewezen instanties Afdeling 3. [1 - Geaccrediteerde interne instan... HOOFDSTUK 7. - Voertuigen- en infrastructuurreg... Afdeling 1. - Nummeringssysteem voor voertuigen Afdeling 2. - Nationaal voertuigenregister Afdeling 3. - Infrastructuurregister TITEL 7. - Controle en inspectie van de spoorwegen HOOFDSTUK 1. - Controle en inspectie van de spo... HOOFDSTUK 2. - Bestuurlijke boetes Afdeling 1. [1 - Principes]1 Afdeling 2. [1 - Inbreuken]1 HOOFDSTUK 3. - Strafbepalingen HOOFDSTUK 4. [1 - Controle door de veiligheidsi... TITEL 7/1. - [1 Rechterlijke toetsing]1 TITEL 8. - Opheffings-, overgangs- en slotbepal... HOOFDSTUK 1. - Opheffingsbepalingen HOOFDSTUK 2. - Overgangsbepalingen HOOFDSTUK 3. - Slotbepalingen BIJLAGEN.
Table des matières
TITRE 1er. - Dispositions générales CHAPITRE 1er. - Généralités CHAPITRE 2. - Champ d'application CHAPITRE 3. - Définitions TITRE 2. - [1 Principes d'organisation et de ge... CHAPITRE 1er. [1 - Séparation comptable]1 CHAPITRE 2. [1 - Indépendance du gestionnaire d... CHAPITRE 3. [1 - Gestion des entreprises ferrov... TITRE 3. - Utilisation de l'infrastructure ferr... CHAPITRE 1er. - Accès a l'infrastructure ferrov... Section 1re. - Droit d'accès et de transit Section 2. - Services à fournir aux entreprises... Section 3. - Autorisations CHAPITRE 2. - Licence d'entreprise ferroviaire Section 1re. - Principes Section 2. - Conditions de délivrance de la lic... Section 3. - Validité de la licence Section 4. - Retrait et suspension de la licence Section 5. - Redevance annuelle liée à la déten... CHAPITRE 2/1. [1 - Plans d'entreprise]1 CHAPITRE 2/2. [1 - Stratégie de développement d... CHAPITRE 3. - Relations entre le [1 gestionnair... Section 1re. - Document de référence du réseau Section 2. - Accords Section 3. - Perturbations, accidents et incidents Section 3/1. [1 - Accès au traffic control et a... Section 4. - Confidentialité Section 5. [1 - Planification des travaux d'ent... Section 6. [1 - Accord de coopération]1 Section 7. [1 - Mécanismes de coordination]1 CHAPITRE 4. - Répartition des capacités de l'in... Section 1re. - Généralités Section 2. - Principes de répartition des capac... Section 3. - Procédures de répartition Sous-section 1re. - Demandes Sous-section 2. - Procédures de programmation e... Sous-section 3. - Coopération avec d'autres ges... CHAPITRE 5. - Redevances d'utilisation de l'inf... Section 1re. - Généralités Section 2. - Principes de tarification de l'uti... Section 3. - Exceptions aux principes de tarifi... Section 4. [1 - Coopération avec d'autres gesti... CHAPITRE 6. - L'organe de contrôle Section 1re. - Désignation Section 2. - Missions Section 3. - Pouvoirs Section 3/1. [1 - Coopération avec d'autres org... Section 4. - Ressources TITRE 4. - Sécurité d'exploitation de l'infrast... CHAPITRE 0. [1 - Rôle des acteurs du système fe... CHAPITRE 1er. [1 - Règles nationales]1 CHAPITRE 2. - Autorité de sécurité Section 1re. - Désignation Section 2. - Tâches Section 3. - Rapport annuel Section 4. - Rémunération des prestations CHAPITRE 3. - Systèmes de gestion de la sécurité CHAPITRE 4. - Agrément et certificat de sécurité Section 1re. - Agrément de sécurité du gestionn... Section 2. [1 - Certificat de sécurité unique d... CHAPITRE 5. - Entretien des véhicules CHAPITRE 6. - Enquêtes en cas d'accidents et d'... Section 1re. - Désignation d'un organisme d'enq... Section 2. - Tâches Section 2/1. [1 - Rémunération des prestations]1 Section 3. - Pouvoirs Section 4. - Enquête Section 5. - Conclusions et rapports Section 6. - Concertation européenne TITRE 5. - Certification des conducteurs de tra... CHAPITRE 0. [1 - Accès aux services de formation]1 CHAPITRE 1er. - Certification des conducteurs d... Section 1re. - Modèle européen de certification Section 2. - Licence de conducteur de train Section 3. - Attestation Section 4. - Suivi des conducteurs de train par... Section 5. - Tâches et décisions de l'autorité ... Section 6. - Formation et examen des conducteur... CHAPITRE 2. - Accompagnateurs de trains de voya... CHAPITRE 3. - Protection de la vie privée TITRE 6. - Interopérabilité du système ferrovia... CHAPITRE 1er. - Exigences essentielles CHAPITRE 2. - Specifications techniques d'inter... Section 1er. - Contenu Section 2. - Extension du champ d'application d... Section 3. [1 - Non-application d'une STI]1 CHAPITRE 3. - Constituants d'interoperabilité Section 1re. - Mise sur le marché Section 2. - Conformité ou aptitude à l'emploi Section 3. - Procédure de déclaration " CE " de... Section 4. - Restrictions ou interdiction à l'e... Sous-section 1re. - Non respect de la procédure... Sous-section 2. - Non-conformité des constituan... CHAPITRE 4. - Sous-systèmes Section 1re. - Procédure de mise en service Section 2. - Conformité avec les STI et les règ... Section 3. - Procédure d'établissement de la dé... Sous-section 1re. - Déclaration " CE " de vérif... Sous-section 2. Sous-section 3. Sous-section 4. Section 4. - Restriction à la mise en service d... Section 5. Sous-section 1re. Sous-section 2. CHAPITRE 4/1. [1 - Mise sur le marché et mise e... Section 1re. [1 - Autorisations de mise en serv... Section 2. [1 - Mise sur le marché de sous-syst... Section 3. [1 - Véhicules]1 Section 4. [1 - Autorisations par type de véhic... CHAPITRE 5. Section 1re. Section 2. Sous-section 1re. Sous-section 2. Section 3. Sous-section 1re. Sous-section 2. Section 4. Section 5. CHAPITRE 6. [1 - Organismes d'évaluation de la ... Section 0. [1 - Autorité notifiante]1 Section 1re. - Organismes notifiés Section 2. - Organismes désignés Section 3. [1 - Organismes internes accrédités]1 CHAPITRE 7. - Registres des véhicules et de l'i... Section 1re. - Système d'immatriculation des vé... Section 2. - Registre national des véhicules Section 3. - Registre de l'infrastructure TITRE 7. - Contrôle et inspection ferroviaires CHAPITRE 1er. - Contrôle et inspection ferrovia... CHAPITRE 2. - Amendes administratives Section 1ère. [1 - Principes]1 Section 2. [1 - Infractions]1 CHAPITRE 3. - Dispositions pénales CHAPITRE 4. [1 - Vérification par l'autorité de... TITRE 7/1. - [1 Contrôle juridictionnel ]1 TITRE 8. - Dispositions abrogatoires, transitoi... CHAPITRE 1er. - Dispositions abrogatoires CHAPITRE 2. - Dispositions transitoires CHAPITRE 3. - Dispositions finales ANNEXES.
Tekst (486)
Texte (486)
TITEL 1. - Algemene bepalingen
TITRE 1er. - Dispositions générales
HOOFDSTUK 1. - Algemeen
CHAPITRE 1er. - Généralités
Artikel 1. [1 Deze Spoorcodex regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet, met uitzondering van titel 7/1 die een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de grondwet regelt.
   Deze Spoorcodex voorziet in de gedeeltelijke omzetting van:
   1° de richtlijn 2007/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 inzake de certificering van machinisten die locomotieven en treinen op het spoorwegsysteem van de Gemeenschap, zoals gewijzigd door de richtlijn 2016/882 van de Commissie van 1 juni 2016 tot wijziging van richtlijn 2007/59/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de taalvereisten;
   2° de richtlijn 2012/34/EU van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 tot instelling van één Europese spoorwegruimte;
   3° de richtlijn (EU) 2016/797 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende de interoperabiliteit van het spoorwegsysteem in de Europese Unie;
   4° de richtlijn (EU) 2016/798 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 inzake veiligheid op het spoor.]1

  
Article 1er. [1 Le présent Code ferroviaire règle une matière visée à l'article 78 de la Constitution, à l'exception du titre 7/1 qui règle une matière visée à l'article 77 de la Constitution.
   Le présent Code ferroviaire transpose partiellement:
   1° la directive 2007/59/CE du Parlement européen et du Conseil du 23 octobre 2007 relative à la certification des conducteurs de train assurant la conduite de locomotives et de trains sur le système ferroviaire dans la Communauté, telle que modifiée par la directive 2016/882 de la Commission du 1er juin 2016 modifiant la directive 2007/59/CE du Parlement européen et du Conseil concernant les exigences linguistiques;
   2° la directive 2012/34/UE du Parlement Européen et du Conseil du 21 novembre 2012 établissant un espace ferroviaire unique européen;
   3° la directive (UE) 2016/797 du Parlement européen et du Conseil du 11 mai 2016 relative à l'interopérabilité du système ferroviaire au sein de l'Union européenne;
   4° la directive (UE) 2016/798 du Parlement européen et du Conseil du 11 mai 2016 relative à la sécurité ferroviaire.]1

  
HOOFDSTUK 2. - Toepassingsgebied
CHAPITRE 2. - Champ d'application
Art. 2. [1 § 1. De artikelen 4 tot 4/3, 5, 9, 19/1 tot 19/3, 47, § 1, en 62, § 3, 5° zijn niet van toepassing op spoorwegondernemingen die enkel stads-, voorstads- of regionale spoorvervoersdiensten exploiteren op lokale en regionale op zichzelf staande netten voor vervoersdiensten op spoorweginfrastructuur of op netten die slechts voor de exploitatie van spoorvervoersdiensten in de stad of de voorstad zijn bestemd.
   Onverminderd de eerste alinea, zijn artikelen 4/1 en 4/3 van toepassing indien een dergelijke spoorwegonderneming onder de directe of indirecte zeggenschap staat van een onderneming of een andere entiteit die andere spoorvervoersdiensten dan stads-, voorstads- en regionale diensten verricht of integreert. Artikel 4 is ook van toepassing op een dergelijke spoorwegonderneming met betrekking tot de relatie tussen de spoorwegonderneming en de onderneming of entiteit die daarover directe of indirecte zeggenschap heeft.
   De artikelen 7, 1° en 11° tot 19° zijn niet van toepassing op :
   a) ondernemingen die uitsluitend spoorvervoersdiensten voor reizigers op een lokale op zichzelf staande spoorweginfrastructuur exploiteren;
   b) ondernemingen die uitsluitend spoorvervoersdiensten voor passagiers in de stad of de voorstad exploiteren;
   c) ondernemingen die uitsluitend goederenvervoersdiensten exploiteren op spoorweginfrastructuur in particulier bezit die uitsluitend door de eigenaar voor diens goederenvervoer gebruikt wordt.
   De artikelen 4/2, 9, 19/3 en 20 tot 67 zijn niet van toepassing op :
   a) lokale, op zichzelf staande netten voor vervoersdiensten voor reizigers op spoorweginfrastructuur;
   b) spoornetten die alleen bestemd zijn voor de exploitatie van spoorvervoersdiensten voor reizigers in de stad of de voorstad;
   c) spoorweginfrastructuren in particulier bezit die uitsluitend door de eigenaar voor diens goederenvervoer gebruikt worden.
   Artikel 19/2 is niet van toepassing op :
   a) lokale, op zichzelf staande netten voor vervoersdiensten voor reizigers op spoorweginfrastructuur;
   b) spoornetten die alleen bestemd zijn voor de exploitatie van spoorvervoersdiensten voor reizigers in de stad of de voorstad;
   c) spoorweginfrastructuur in particulier bezit die uitsluitend door de eigenaar voor diens goederenvervoer gebruikt wordt.
   De lijst van infrastructuren bedoeld in het vijfde lid wordt bekend gemaakt aan de Europese Commissie als zijnde infrastructuren die geen strategisch belang hebben voor de werking van de spoorwegmarkt.
   § 2. Onder voorbehoud van § 1, is deze Codex niet van toepassing op :
   1° spoorweginfrastructuren in particuliere eigendom [2 , met inbegrip van zijsporen, die door de eigenaar of een exploitant worden gebruikt voor zijn vrachtvervoeractiviteiten of het vervoer van personen voor niet-commerciële doeleinden, en voertuigen die uitsluitend worden gebruikt op deze infrastructuur]2;
   2° [2 netwerken die functioneel gescheiden zijn van de rest van het spoorwegsysteem van de Unie en die alleen bedoeld zijn voor de exploitatie van lokale, stads- of voorstadsreizigersdiensten alsmede ondernemingen die uitsluitend op deze netwerken opereren;]2
   3° spoorwegen met een patrimoniaal, museum- en toeristisch karakter die over hun eigen spoorwegnetten beschikken, met inbegrip van de werkplaatsen, de voertuigen en het personeel waarvan de activiteiten beperkt zijn tot deze netten en lijnen;
   4° met uitzondering van de artikelen 74, 12° en 82, op metro- en tramsystemen en andere systemen voor stadsvervoer en regionaal spoorwegvervoer door middel van light rail of andere spoorgebonden modi [2 en infrastructuur die uitsluitend door die voertuigen wordt gebruikt]2, voor zover die systemen geen gebruik maken van het Belgische spoorwegnet.
   § 3. Titel 5 is niet van toepassing op treinbestuurders die uitsluitend tewerkgesteld zijn op baanvakken die tijdelijk gesloten zijn voor het normale verkeer, ten behoeve van het onderhoud, de vernieuwing of de herinrichting van het spoorwegsysteem.]1

  
Art. 2. [1 § 1er. Les articles 4 à 4/3, 5, 9, 19/1 à 19/3, 47, § 1er, et 62, § 3, 5°, ne s'appliquent pas aux entreprises ferroviaires qui n'exploitent que des services urbains, suburbains ou régionaux sur des réseaux locaux ou régionaux autonomes destinés à des services de transport empruntant une infrastructure ferroviaire ou sur des réseaux destinés uniquement à l'exploitation de services ferroviaires urbains ou suburbains.
   Nonobstant l'alinéa 1er, lorsqu'une telle entreprise ferroviaire est sous le contrôle direct ou indirect d'une entreprise ou d'une autre entité qui assure ou intègre des services de transport ferroviaire autres que des services urbains, suburbains ou régionaux, les articles 4/1 et 4/3 sont applicables. L'article 4 s'applique également à une telle entreprise ferroviaire en ce qui concerne sa relation avec l'entreprise ou l'entité qui la contrôle directement ou indirectement.
   Les articles 7, 1°, et 11 à 19 ne s'appliquent pas aux :
   a) entreprises qui exploitent uniquement des services ferroviaires de transport de voyageurs sur des infrastructures ferroviaires locales autonomes;
   b) entreprises qui exploitent uniquement des services ferroviaires urbains ou suburbains de transport de voyageurs;
   c) entreprises qui exploitent uniquement des services de fret sur une infrastructure ferroviaire privée qui n'existe que pour les activités de fret du propriétaire de l'infrastructure.
   Les articles 4/2, 9, 19/3 et 20 à 67, ne s'appliquent pas aux :
   a) réseaux locaux autonomes destinés à des services de transport de voyageurs empruntant une infrastructure ferroviaire;
   b) réseaux destinés uniquement à l'exploitation de services urbains et suburbains de transport ferroviaire de voyageurs;
   c) infrastructures ferroviaires privées réservées au seul usage de leur propriétaire pour ses propres activités de fret.
   L'article 19/2 ne s'applique pas aux :
   a) réseaux locaux autonomes destinés à des services de transport de voyageurs empruntant une infrastructure ferroviaire;
   b) réseaux destinés uniquement à l'exploitation de services urbains et suburbains de transport ferroviaire de voyageurs;
   c) infrastructures ferroviaires privées réservées au seul usage de leur propriétaire pour ses propres activités de fret.
   La liste des infrastructures visée à l'alinéa 5 est notifiée à la Commission européenne au titre d'infrastructures qui ne revêtent pas une importance stratégique pour le fonctionnement du marché ferroviaire.
   § 2. Sous réserve du § 1er, le présent Code ne s'applique pas :
   1° aux infrastructures ferroviaires privées [2 y compris les voies de service, utilisées par leur propriétaire ou par un opérateur aux fins de leurs activités respectives de transport de marchandises ou pour le transport de personnes à des fins non commerciales, et les véhicules utilisés exclusivement sur ces infrastructures]2;
   2° [2 aux réseaux qui sont séparés sur le plan fonctionnel du reste du système ferroviaire de l'Union et qui sont destinés uniquement à l'exploitation de services locaux, urbains ou suburbains de transport de voyageurs, ni aux entreprises opérant uniquement sur ces réseaux;]2
   3° aux chemins de fer à caractère patrimonial, muséologique et touristique qui disposent de leurs propres réseaux ferroviaires, y compris les ateliers, les véhicules et le personnel opérant uniquement sur lesdits réseaux et lignes;
   4° à l'exception des articles 74, 12° et 82, aux métros, aux tramways et à d'autres systèmes ferroviaires urbains et régionaux faisant usage de light rail ou de tout autre mode lié au rail [2 ni aux infrastructures exclusivement utilisées par ces véhicules]2, pour autant que ces derniers ne circulent pas sur le réseau ferroviaire belge.
   § 3. Le titre 5 ne s'applique pas aux conducteurs de train qui opèrent exclusivement sur des sections de voies qui sont temporairement fermées à la circulation normale pour cause d'entretien, de renouvellement ou de réaménagement du système ferroviaire.]1

  
HOOFDSTUK 3. - Definities
CHAPITRE 3. - Définitions
Art. 3. Voor de toepassing van deze Codex wordt verstaan onder :
  1° " Ongeval " : ongewenste of onbedoelde plotse gebeurtenis of reeks gebeurtenissen met schadelijke gevolgen; ongevallen worden in de volgende categorieën onderverdeeld : botsingen, ontsporingen, ongevallen op spoorwegovergangen, persoonlijke ongevallen veroorzaakt door rollend materieel in beweging, branden en andere ongevallen;
  2° " Ernstig ongeval " : botsing of ontsporing van treinen waarbij ten minste één persoon omkomt of vijf of meer personen ernstig gewond raken of grote schade aan het rollend materieel, de infrastructuur of het milieu veroorzaakt, dan wel een [9 ander ongeval dat dezelfde gevolgen heeft en duidelijke consequenties heeft voor]9 de regelgeving op het gebied van de veiligheid op het spoor of het veiligheidsbeheer; onder " grote schade " wordt schade verstaan waarvan de totale kosten onmiddellijk door de onderzoekende instantie op ten minste 2 miljoen euro kunnen worden geraamd;
  3° [2 "Kaderovereenkomst" : een publiek- dan wel privaatrechtelijke bindende algemene overeenkomst die de rechten en plichten vastlegt van een kandidaat en van [11 de infrastructuurbeheerder]11 met betrekking tot de toe te wijzen infrastructuurcapaciteit en de te heffen rechten voor een periode die langer is dan de geldigheidsduur van één dienstregelingstijdvak;]2
  [2 3/1° "Grensoverschrijdende overeenkomst" : iedere overeenkomst tussen twee of meer lidstaten of tussen lidstaten en derde landen die ertoe strekt het verrichten van grensoverschrijdende spoorwegdiensten te vergemakkelijken;]2
  4° " Bestuur " : het bestuur belast met het spoorwegvervoer;
  5° [9 "Bureau": het Spoorwegbureau van de Europese Unie opgericht bij de Verordening (EU) 2016/796 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016;]9
  6° " Veiligheidsvergunning " : de vergunning die door de veiligheidsinstantie aan een spoorweginfrastructuurbeheerder wordt verleend;
  [2 6/1° "Levensvatbaar alternatief" : toegang tot een andere dienstvoorziening die economisch gezien aanvaardbaar is voor de spoorwegonderneming en deze laatste in staat stelt om de betrokken goederen- of reizigersvervoersdienst te exploiteren;]2
  7° " Bevoegdheidsbewijs " : het geharmoniseerde aanvullende bevoegdheidsbewijs waarin de infrastructuur en het rollend materieel worden genoemd waar of waarmee de treinbestuurder mag rijden;
  8° [6 ...]6
  9° " Veiligheidsinstantie " : de overheid belast met de taken inzake veiligheid en interoperabiliteit op het spoor [9 of elk orgaan dat door verschillende lidstaten met deze taken belast is om te zorgen voor een uniforme veiligheidsregeling]9;
  [2 9/1° "Vergunningverlenende autoriteit" : de instantie die in een lidstaat verantwoordelijk is voor het verlenen van vergunningen aan spoorwegondernemingen;]2
  10° [9 ...]9
  [2 10/1° "Redelijke winst" : een rendementsvergoeding op basis van eigen vermogen, waarbij rekening wordt gehouden met het risico, waaronder het risico aan inkomstenzijde of het ontbreken daarvan, waaraan de exploitant van de dienstvoorziening is blootgesteld, en die in de lijn ligt van de gemiddelde opbrengst voor de betrokken sector in de afgelopen jaren;]2
  11° [2 "Kandidaat" : elke spoorwegonderneming of een internationaal samenwerkingsverband van spoorwegondernemingen of andere natuurlijke of rechtspersonen of entiteiten, zoals de bevoegde overheidsinstanties in de zin van Verordening (EG) nr. 1370/2007 en verladers, expediteurs en exploitanten van gecombineerd vervoer, die om redenen van openbare dienst of om commerciële redenen belang hebben bij de verwerving van infrastructuurcapaciteit;]2
  12° " Spoorweginfrastructuurcapaciteit " : het vermogen om voor een bepaalde periode de voor een spoorweginfrastructuurelement gevraagde treinpaden te plannen;
  13° [9 "Specifiek geval": elk deel van het spoorwegsysteem waarvoor om geografische of topografische redenen of omwille van het stadsmilieu en de compatibiliteit met het bestaande systeem, bijzondere tijdelijke of permanente bepalingen in de TSI's moeten worden opgenomen, in het bijzonder lijnen en netwerken die niet verbonden zijn met het netwerk in de rest van de Unie, het profiel, de spoorwijdte of de spoorafstand, alsmede voertuigen die bestemd zijn voor strikt lokaal, regionaal of historisch gebruik en voertuigen met een plaats van vertrek of bestemming in derde landen;]9
  14° " Oorzaken " : de handelingen, verzuimen, gebeurtenissen of omstandigheden, of een combinatie daarvan, die tot het ongeval of het incident hebben geleid;
  15° " Opleidingscentrum " : een entiteit die door de veiligheidsinstantie is erkend voor het geven van opleidingscursussen;
  16° [9 "Uniek Veiligheidscertificaat": het document dat als doel heeft aan te tonen dat de betrokken spoorwegonderneming haar veiligheidsbeheersysteem tot stand heeft gebracht en dat zij in staat is in alle veiligheid te opereren in het beoogde exploitatiegebied;]9
  17° [6 ...]6
  18° " Treinbestuurder " : een persoon die in staat en gemachtigd is tot het zelfstandig, verantwoordelijk en veilig besturen van treinen, daaronder begrepen locomotieven, rangeerlocomotieven, werktreinen, onderhoudsspoorwagens, hulptreinen of treinen voor het vervoer van reizigers of goederen;
  19° " Interoperabiliteitsonderdeel " : elke basiscomponent, groep componenten, deel van een samenstel of volledig samenstel [9 van voorzieningen]9, deel uitmakend of bestemd om deel uit te maken van een subsysteem, en waarvan de interoperabiliteit van het spoorwegsysteem rechtstreeks of onrechtstreeks afhankelijk is. Het begrip " onderdeel " bevat materiële en ook immateriële zaken, zoals programmatuur;
  20° [2 "Coördinatie" : de procedure die door [11 de infrastructuurbeheerder]11 en de kandidaten wordt gevolgd om een oplossing te vinden in geval van concurrerende aanvragen om spoorweginfrastructuurcapaciteit te reserveren;]2
  21° " Houder " : [9 de natuurlijke of rechtspersoon die eigenaar is van het voertuig of het recht heeft het te gebruiken]9, die dat voertuig exploiteert als vervoermiddel en die als zodanig is ingeschreven in het Nationaal Voertuigenregister (NVR);
  22° " Netverklaring " : de verklaring waarin op gedetailleerde wijze de beschrijving van het [5 net]5, de algemene verkeersregels, de termijnen, de procedures en criteria betreffende de regelingen voor de heffing van gebruiksrechten en de toewijzing van spoorweginfrastructuurcapaciteit zijn vastgelegd; dit document bevat verder alle andere gegevens die nodig zijn om de aanvragen voor spoorweginfrastructuurcapaciteit in te dienen;
  23° " Onderzoek " : een procedure die erop gericht is ongevallen en incidenten te voorkomen en die bestaat uit de verzameling en analyse van informatie, het trekken van conclusies, met inbegrip van het bepalen van de oorzaken en, in voorkomend geval, het formuleren van veiligheidsaanbevelingen;
  24° " Hoofdonderzoeker " : de persoon die is belast met de organisatie en de uitvoering van en het toezicht op een onderzoek;
  25° " Aanbestedende dienst " : elke openbare of privaatrechtelijke entiteit die opdracht geeft voor het ontwerp en/of de bouw, de vernieuwing of de verbetering van een subsysteem [9 ...]9;
  26° " Met het onderhoud belaste entiteit " : een entiteit die belast is met het onderhoud van een voertuig en als zodanig ingeschreven is in het Nationaal Voertuigenregister;
  27° " Spoorwegonderneming " : iedere publiek- of privaatrechtelijke onderneming die in het bezit is van een vergunning overeenkomstig de toepasselijke Europese regelgeving en waarvan de voornaamste activiteit bestaat in het verlenen van spoorwegvervoerdiensten voor goederen en/of voor reizigers, waarbij die onderneming voor de tractie moet zorgen; hiertoe behoren ook ondernemingen die uitsluitend tractie leveren;
  28° " Essentiële eisen " : het geheel van de in bijlage 16 omschreven voorwaarden waaraan het spoorwegsysteem [9 van de Unie]9, de subsystemen en de interoperabiliteitsonderdelen, met inbegrip van de interfaces, moeten voldoen;
  [2 28/1° "Exploitant van een dienstvoorziening" : iedere publieke of privaatrechtelijke entiteit die verantwoordelijk is voor het beheer van een of meer dienstvoorzieningen of voor het verrichten van een of meer diensten voor spoorwegondernemingen als bedoeld in bijlage 1, punten 2, 3 en 4;]2
  29° [7 "infrastructuurbeheerder": een instantie of onderneming die verantwoordelijk is voor de exploitatie, het onderhoud en de vernieuwing van spoorweginfrastructuur op een net, en voor de deelname aan de ontwikkeling ervan overeenkomstig de door de Spoorcodex voorgeschreven regels, en, in voorkomend geval, door de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven in het kader van het algemeen beleid inzake ontwikkeling en financiering van de spoorweginfrastructuur;]7
  30° " Dienstregeling " : de gegevens over alle geprogrammeerde bewegingen van treinen en rollend materieel die gedurende de periode dat de dienstregeling geldt op de betreffende spoorweginfrastructuur zullen worden uitgevoerd;
  31° [9 "Incident": een ander voorval dan een ongeval of een ernstig ongeval, dat de veiligheid van de spoorwegexploitatie aantast;]9
  32° [2 "Spoorweginfrastructuur" : het geheel van de elementen bedoeld in bijlage 23;]2
  33° " Overbelaste infrastructuur " : het gedeelte van de spoorweginfrastructuur waarvoor gedurende bepaalde tijdvakken, zelfs na coördinatie van de verschillende capaciteitsaanvragen, niet volledig aan de infrastructuurcapaciteitaanvraag kan worden voldaan;
  [2 33/1° "Dienstvoorziening" : de installatie, inclusief terrein, gebouw en uitrusting, die in haar geheel of gedeeltelijk speciaal is ingericht voor het verrichten van een of meer diensten als bedoeld in bijlage 1, punten 2, 3 en 4;]2
  34° [9 "Interoperabiliteit": de geschiktheid van een spoorwegsysteem voor een veilig en ononderbroken treinverkeer dat de vereiste prestaties levert;]9
  [2 34/1° "Alternatief traject" : een ander traject tussen hetzelfde vertrekpunt en aankomstpunt voor zover beide trajecten onderling inwisselbaar zijn voor het exploiteren van de betrokken goederen- of reizigersvervoersdienst door de spoorwegonderneming;]2
  35° [2 "Vergunning" : een door een vergunningverlenende autoriteit aan een onderneming verleende vergunning waarbij wordt erkend dat zij in staat is als spoorwegonderneming spoorvervoersdiensten te verrichten. De vergunning kan worden beperkt tot het verrichten van bepaalde categorieën vervoersdiensten;]2
  36° " Vergunning van treinbestuurder " : de vergunning afgegeven aan een treinbestuurder door de veiligheidsinstantie die attesteert dat de treinbestuurder voldoet aan de minimumvoorwaarden voor wat betreft medische eisen, psychologische eisen, basisscholing en algemene vakbekwaamheid;
  37° [9 Gemeenschappelijke veiligheidsmethoden (GVM)": de methoden waarin is beschreven hoe de veiligheidsniveaus, het bereiken van de veiligheidsdoelen en de conformiteit met andere veiligheidsvereisten moeten worden beoordeeld;]9
  38° " Minister " : de minister die bevoegd is voor de regulering van het spoorwegvervoer;
  39° [6 ...]6
  40° " Indienststelling " : alle handelingen door middel waarvan een subsysteem [9 in bedrijf wordt genomen]9;
  41° [9 "Geharmoniseerde norm": een Europese norm als gedefinieerd in artikel 2, lid 1, onder c), van de Verordening (EU) nr. 1025/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende Europese normalisatie, tot wijziging van de richtlijnen 89/686/EEG en 93/15/EEG van de Raad alsmede de richtlijnen 94/9/EG, 94/25/EG, 95/16/EG, 97/23/EG, 98/34/EG, 2004/22/EG, 2007/23/EG, 2009/23/EG en 2009/105/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Beschikking 87/95/EEG van de Raad en Besluit nr. 1673/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad;]9
  42° [9 Gemeenschappelijke veiligheidsdoelen"(GVD): de minimumveiligheidsniveaus die moeten worden gehaald door het systeem als geheel en, waar dat uitvoerbaar is, door de verschillende onderdelen van het spoorwegsysteem van de Unie (zoals het conventionele spoorwegsysteem, het hogesnelheidsspoorwegsysteem, lange spoorwegtunnels of lijnen die uitsluitend voor goederenvervoer worden gebruikt);]9
  43° " [10 Toezichthoudend orgaan]10 " : de overheid bevoegd voor de economische regulering van het spoorwegvervoer;
  44° " Onderzoeksorgaan " : het orgaan belast met het uitvoeren van onderzoeken naar ongevallen en incidenten;
  45° [9 ...]9
  46° [9 ...]9
  47° " Fundamentele parameter " : elke reglementaire, technische of operationele voorwaarde die essentieel is voor de interoperabiliteit en die nader bepaald wordt door de relevante TSI's;
  48° " Belanghebbende partij " : de spoorwegonderneming die een aanvraag voor spoorweginfrastructuurcapaciteit heeft ingediend, evenals de andere partijen die bemerkingen willen maken over de weerslag die de dienstregeling zou kunnen hebben op de mogelijkheid tot het verlenen van spoorwegdiensten tijdens de geldigheidsperiode van de dienstregeling;
  49° [9 "Treinpersoneel": het personeel samengesteld uit enerzijds treinbestuurders en anderzijds begeleiders van reizigerstreinen. Dit personeel omvat niet het personeel van Securail;]9
  50° " Capaciteitsvergrotingsplan " : een maatregel of een reeks van maatregelen met een tijdschema voor de uitvoering daarvan die wordt voorgesteld om de capaciteitsbeperkingen te verminderen die ertoe leiden dat een infrastructuurgedeelte tot " overbelaste spoorweginfrastructuur " wordt verklaard;
  51° [9 "Project in vergevorderd stadium": elk project waarvan de planning of de aanleg zodanig is gevorderd dat een wijziging van de technische specificaties de levensvatbaarheid van het project zoals gepland in het gedrang kan brengen;]9
  52° [9 "Verbetering": werkzaamheden waarbij een subsysteem of een deel daarvan aanzienlijk wordt gewijzigd, die een aanpassing vergen van het technisch dossier dat de "EG"-keuringsverklaring vergezelt, indien dit technisch dossier er is, en die een verbetering van de algemene prestaties van het subsysteem tot gevolg hebben;]9
  53° " Nationaal voertuigenregister (NVR) " : het register van voertuigen waarmee het is toegestaan om te rijden op het Belgische [3 spoorwegnet]3;
  54° [9 ...]9
  55° [9 ...]9
  56° [9 "Nationale voorschriften": alle bindende voorschriften die door de Koning zijn aangenomen overeenkomstig artikel 68, paragraaf 2, 1°, die vereisten inzake veiligheid op het spoor of technische vereisten bevatten, andere dan de door uniale of internationale voorschriften vastgestelde, die op het niveau van het Belgische spoornet van toepassing zijn op infrastructuurgebruikers;]9
  57° " Vernieuwing van de spoorweginfrastructuur " : belangrijke vervangingswerkzaamheden waarbij een subsysteem of [9 een deel daarvan]9 wordt gewijzigd en die geen wijziging van de algemene prestaties van het subsysteem tot gevolg hebben;
  58° " Toewijzing " : de toewijzing van spoorweginfrastructuurcapaciteit door [11 de infrastructuurbeheerder]11;
  59° [9 "Net"; "Netwerk":
   a) inzake interoperabiliteit en veiligheid van de spoorwegen: de lijnen, stations, terminals en alle soorten vaste uitrusting die nodig zijn voor het veilig en continu functioneren van het spoorwegsysteem van de Unie;
   b) inzake het beheer en de openstelling van de markt: de gehele spoorweginfrastructuur die beheerd wordt door een infrastructuurbeheerder;]9

  60° " Serie " : een aantal identieke voertuigen van hetzelfde type-ontwerp;
  61° [2 "Internationaal goederenvervoer" : vervoersdiensten waarbij de trein ten minste één grens van een lidstaat overschrijdt; de trein kan worden samengesteld en/of gesplitst en de verschillende delen ervan kunnen een verschillende herkomst en bestemming hebben, zolang alle wagons ten minste één grens overschrijden;]2
  [2 61/1° "Groot onderhoud" : werkzaamheden die niet als vast onderdeel van de gewone dagelijkse verrichtingen worden uitgevoerd en waarvoor het voertuig buiten dienst moet worden gesteld;]2
  62° [2 "Internationale reizigersvervoerdienst" : een reizigersvervoerdienst in het kader waarvan de trein ten minste één grens van een lidstaat overschrijdt en die in hoofdzaak bedoeld is om reizigers tussen stations in verschillende lidstaten te vervoeren; de trein kan worden samengesteld en/of gesplitst en de samenstellende delen kunnen een verschillende herkomst en bestemming hebben, op voorwaarde dat alle rijtuigen ten minste één grens overschrijden;]2
  63° " Spoorwegvervoerdienst " : elk nationaal of internationaal vervoer van reizigers of van goederen of elk nationaal of internationaal gecombineerd vervoer van goederen;
  [2 63/1° "Regionale diensten" : vervoersdiensten die als hoofddoel hebben te beantwoorden aan de vervoerbehoeften van een regio, met inbegrip van een grensoverschrijdende regio;]2
  [2 63/2° "Stads- en voorstadsvervoersdiensten" : vervoersdiensten die als hoofddoel hebben te beantwoorden aan de behoeften van een stedelijk centrum of een agglomeratie, met inbegrip van een grensoverschrijdende agglomeratie, en aan de behoeften aan vervoer tussen dat centrum of die agglomeratie en de omliggende gebieden;]2
  64° " Treinpad " : de spoorweginfrastructuurcapaciteit die nodig is om een trein in een bepaald tijdvak tussen twee plaatsen te laten rijden;
  65°[9 "subsystemen": de structurele en functionele delen van het spoorwegsysteem van de Unie, als bepaald in bijlage 15;]9
  66° [9 "Europese specificatie": een specificatie die in één van onderstaande categorieën valt:
   - een gemeenschappelijke technische specificatie als gedefinieerd in bijlage VIII bij de richtlijn 2014/25/EU,
   - een Europese technische goedkeuring als bedoeld in artikel 60 van de richtlijn 2014/25/EU, of,
   - een Europese norm als gedefinieerd in artikel 2, lid 1, onder b), van de Verordening (EU) nr. 1025/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende Europese normalisatie, tot wijziging van de richtlijnen 89/686/EEG en 93/15/EEG van de Raad alsmede de richtlijnen 94/9/EG, 94/25/EG, 95/16/EG, 97/23/EG, 98/34/EG, 2004/22/EG, 2007/23/EG, 2009/23/EG en 2009/105/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Beschikking 87/95/EEG van de Raad en Besluit nr. 1673/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad;]9

  67° " Technische specificatie interoperabiliteit (TSI) " : de specificaties die voor elk subsysteem of gedeelte van een subsysteem gelden, ten einde aan de essentiële eisen te voldoen en de interoperabiliteit van het [9 spoorwegsysteem van de Unie]9 te verzekeren;
  68° " Vervanging in het kader van een onderhoud " : vervanging van onderdelen door onderdelen met een identieke functie en identieke prestaties in het kader van preventief onderhoud of herstelwerkzaamheden;
  69° [9 "Veiligheidsbeheersysteem": de organisatie, de regelingen en procedures die door een infrastructuurbeheerder of spoorwegonderneming zijn vastgesteld om hun activiteiten veilig te laten verlopen;]9
  70° [9 "Spoorwegsysteem": het geheel van infrastructuur van het bestaande spoorwegnetwerk, bestaande uit enerzijds de lijnen en vaste installaties en anderzijds de voertuigen, ongeacht categorie of herkomst, die op deze infrastructuur rijden;]9
  71° [9 "Spoorwegsysteem van de Unie": de in bijlage 14 genoemde elementen;]9
  [2 71/1° "Transit" : de doortocht op het grondgebied van de Unie zonder goederen te laden of te lossen en/of zonder reizigers op het grondgebied van de Unie te laten in- of uitstappen;]2
  72° " Voertuigtype " : een voertuigtype dat beantwoordt aan de fundamentele ontwerpkenmerken van het voertuig aangegeven in [9 een type- of ontwerpkeuringscertificaat als beschreven in de toepasselijke keuringsmodule]9;
  73° " Voertuig " : een spoorvoertuig dat op [9 wielen]9 voortbeweegt op spoorlijnen, met of zonder tractie. Een voertuig bestaat uit één of meer structurele en functionele subsystemen [9 ...]9;
  [1 74° [2 "remisestation" : station dat specifiek bestemd is voor het tijdelijk parkeren van spoorwegvoertuigen tussen twee ritten;]2
   75° [2 " Beschikking 2009/561/EG" : beschikking van de Commissie van 22 juli 2009 tot wijziging van Beschikking 2006/679/EG met betrekking tot de toepassing van de technische specificatie inzake interoperabiliteit voor het subsysteem besturing en seingeving van het conventionele trans-Europese spoorwegsysteem;]2 ]1

  [2 76° "Beschikking 2008/386/EG" : beschikking van de Commissie van 23 april 2008 tot wijziging van bijlage A bij Beschikking 2006/679/EG betreffende de technische specificaties van het subsysteem besturing en seingeving van het conventionele trans-Europese spoorwegsysteem;]2
  [2 77° "Beschikking 2006/860/EG" : beschikking van de Commissie van 7 november 2006 betreffende de technische specificaties inzake interoperabiliteit van het subsysteem besturing en seingeving van het trans-Europees hogesnelheidsspoorwegsysteem en tot wijziging van bijlage A bij Beschikking 2006/679/EG betreffende de technische specificaties inzake interoperabiliteit van het subsysteem besturing en seingeving van het conventionele trans-Europese spoorwegsysteem;]2
  [6 78° [9 ...]9]6
  [7 79° "ontwikkeling van de spoorweginfrastructuur": de spoornetplanning, de financiële planning en de investeringsplanning alsmede de aanleg en verbetering van de infrastructuur;
   80° "onderhoud van de spoorweginfrastructuur": de werkzaamheden om de staat en de capaciteit van de bestaande infrastructuur te handhaven;
   81° "belangenconflict": een toestand waarin een personeelslid door zichzelf of door een tussenpersoon een persoonlijk voordeel heeft dat de onpartijdige en objectieve uitoefening van zijn ambt kan beïnvloeden of een gewettigde argwaan van zulke invloed kan wekken;]7

  [8 82° "nationaal regelgevend kader inzake veiligheid": het geheel van regels en procedures in verband met de veiligheid op nationaal niveau, dat met name het stelsel van [9 nationale voorschriften]9 omvat;
   83° "regelgevend kader inzake veiligheid": het Europees regelgevend kader inzake veiligheid bedoeld in de [9 richtlijn 2016/798/EU]9 en het nationaal regelgevend kader inzake veilig heid;
   84° "Infrastructuurgebruiker ("IG")":
   a) de spoorwegondernemingen die recht hebben op toegang tot de Belgische spoorweginfrastructuur krachtens artikel 5, § 1, 1°, 2°, of 3°[9 ...]9;
   b) de infrastructuurbeheerder met het oog op het onderhoud, het beheer, de vernieuwing en de uitbreiding van de spoorweginfrastructuur krachtens artikel 8 [9 ...]9;
   c) de ondernemingen die de Belgische spoorweginfrastructuur mogen gebruiken krachtens artikel 5, § 1, 4°;]8

  [9 85° "Conformiteitsbeoordelingsinstantie": een instantie die is aangemeld of aangewezen als verantwoordelijke voor conformiteitsbeoordelingsactiviteiten, zoals ijken, testen, certificeren en inspecteren; een conformiteitsbeoordelingsinstantie wordt na aanmelding door een lidstaat ingedeeld als een "aangemelde instantie"; een conformiteitsbeoordelingsinstantie wordt na aanwijzing door een lidstaat ingedeeld als een "aangewezen instantie";
   86° "Fabrikant": een natuurlijke of rechtspersoon die een product in de vorm van een interoperabiliteitsonderdeel of subsysteem of voertuig maakt of laat ontwerpen of laat maken, en dat onder zijn naam of merk verhandelt;
   87° "Afzender": onderneming die goederen verzendt, hetzij voor eigen rekening, hetzij voor een derde partij;
   88° "Lader": onderneming die verpakte goederen, kleine containers of transporttanks in of op een wagon plaatst of in een container laadt, of die een container, bulkcontainer, gascontainer met verscheidene elementen, tankcontainer of transporttank op een wagon plaatst;
   89° "Losser": onderneming die een container, bulkcontainer, gascontainer met verscheidene elementen, tankcontainer of transporttank van een wagon afhaalt, of een onderneming die verpakte goederen, kleine containers of transporttanks van een wagon of uit een container lost, dan wel een onderneming die goederen lost uit een tank (reservoirwagen, afneembare tank, transporttank of tankcontainer), of uit een batterijwagon of gascontainer met verscheidene elementen, uit een wagon, grote of kleine container voor bulkvervoer of bulkcontainer;
   90° "Bulkvuller": onderneming die goederen laadt in een tank (waaronder een reservoirwagen, wagen met afneembare tanks, transporttank of tankcontainer), een wagon, een grote of kleine container voor bulkvervoer, of in een batterijwagon of gascontainer met verscheidene elementen;
   91° "Bulklosser": onderneming die goederen verwijdert uit een tank (waaronder een reservoirwagen, wagen met afneembare tanks, transporttank of tankcontainer), een wagon, een grote of kleine container voor bulkvervoer, of uit een batterijwagon of gascontainer met verscheidene elementen;
   92° "Vervoerder": onderneming, andere dan een spoorwegonderneming, die het vervoer verzorgt, overeenkomstig een vervoersovereenkomst;
   93° "Soort vervoer": soort in die zin dat uitsluitend passagiersvervoer, inclusief of exclusief hogesnelheidsdiensten, goederenvervoer, inclusief of exclusief diensten met betrekking tot gevaarlijke goederen, en rangeerdiensten worden bedoeld;
   94° "Omvang van het vervoer": het volume aan passagiers en/of goederen en de geraamde omvang van een spoorwegonderneming in termen van het aantal werknemers in de spoorwegsector (zijnde een micro-, kleine, middelgrote of grote onderneming);
   95° "Exploitatiegebied": één of meer netwerken binnen één of meer lidstaten waar een spoorwegonderneming voornemens is haar diensten te verrichten;
   96° "Mobiel subsysteem": het subsysteem rollend materieel en het subsysteem boorduitrusting voor besturing en seingeving;
   97° "Product": een product dat met een fabricageproces wordt verkregen, met inbegrip van interoperabiliteitsonderdelen en subsystemen;
   98° "Aanvrager":
   a) voor de toepassing van de artikelen 13, 80, 81, 88 en 95, van titel 6, hoofdstuk 4, afdeling 2, van artikel 159, van titel 6, hoofdstuk 4/1, van artikel 199 en van titel 6, hoofdstuk 6, een natuurlijke persoon of een rechtspersoon die een vergunning aanvraagt en die een spoorwegonderneming, een infrastructuurbeheerder of andere personen of juridische entiteiten kan zijn, zoals de fabrikant, een eigenaar of een houder;
   b) voor de toepassing van titel 6, hoofdstuk 4, afdeling 3, onderafdeling 1, een aanbestedende dienst, een fabrikant of een gemachtigde daarvan;
   c) voor de toepassing van titel 6, hoofdstuk 4/1, afdeling 1 en van bijlage 29, in het geval van projecten inzake ERTMS-baanuitrusting een natuurlijke persoon of rechtspersoon die aan het Bureau goedkeuring vraagt voor de beoogde technische oplossingen voor de projecten in verband met ERTMS-baanuitrusting;
   99° "Exploitatietoestand": de normale bedrijfsmodus en de te verwachten gevallen van gestoord bedrijf (waaronder slijtage) binnen de in het technisch dossier en het onderhoudsdossier vermelde gebruiksvoorwaarden;
   100° "Gebruiksgebied van een voertuig": een of meer netwerken binnen een lidstaat of groep van lidstaten waarop een voertuig is bedoeld om te worden gebruikt;
   101° "In de handel brengen": de eerste keer dat een interoperabiliteitsonderdeel, subsysteem, of voertuig dat klaar is om in zijn exploitatietoestand te functioneren op de markt van de Unie wordt aangeboden;
   102° "Gemachtigde": een in de Unie gevestigde natuurlijke of rechtspersoon die schriftelijk door een fabrikant of een aanbestedende dienst is gemachtigd om namens die fabrikant of dienst specifieke taken te vervullen;
   103° "Accreditatie": accreditatie zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 10, van de Verordening (EG) nr. 765/2008;
   104° "Nationale accreditatie-instantie": nationale accreditatie-instantie zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 11, van de Verordening (EG) nr. 765/2008;
   105° "Conformiteitsbeoordeling": het proces waarin wordt aangetoond of voldaan is aan de vastgestelde eisen voor een product, proces, dienst, subsysteem, persoon of instantie;
   106° "Persoon met een handicap" en "persoon met beperkte mobiliteit": elke persoon met een permanente of tijdelijke fysieke, mentale, intellectuele of zintuiglijke beperking die hem, in wisselwerking met uiteenlopende obstakels, kunnen beletten volledig, effectief en op voet van gelijkheid met andere passagiers gebruik te maken van vervoersdiensten, of van wie de mobiliteit bij het gebruiken van vervoersdiensten is beperkt door zijn leeftijd;
   107° "Geadresseerde": een natuurlijke of rechtspersoon die overeenkomstig de vervoersovereenkomst de goederen ontvangt; indien het vervoer zonder vervoersovereenkomst plaatsvindt, wordt de natuurlijke of rechtspersoon die de goederen bij aankomst in ontvangst neemt, geacht de geadresseerde te zijn;
   108° "Verordening 2016/796/EU": Verordening (EU) 2016/796 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende het Spoorwegbureau van de Europese Unie en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 881/2004;
   109° "Richtlijn 2012/34/EU": richtlijn 2012/34/EU van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 tot instelling van één Europese spoorwegruimte;
   110° "Veiligheidspersoneel": het personeel dat, zelfs occasioneel, één of meerdere veiligheidskritieke taken verricht;
   111° "Richtlijn 2016/797/EU": richtlijn (EU) 2016/797 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende de interoperabiliteit van het spoorwegsysteem in de Europese Unie;
   112° "Richtlijn 2016/798/EU": richtlijn (EU) 2016/798 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 inzake veiligheid op het spoor;
   113° "RID": Reglement betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen per spoor, als vastgesteld bij richtlijn 2008/68/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 september 2008 betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over land;
   114° "Verordening (EG) nr. 765/2008": Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 339/93;
   115° "Verordening (EU) 2016/679": Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG.]9

  
Art. 3. Pour l'application du présent Code, il y a lieu d'entendre par :
  1° " Accident " : un événement indésirable ou non intentionnel et imprévu, ou un enchaînement particulier d'événements de cette nature, ayant des conséquences préjudiciables; les accidents sont ventilés suivant les types ci-après : collisions, déraillements, accidents aux passages à niveau, accidents de personnes causés par le matériel roulant en marche, incendies et autres;
  2° " Accident grave " : toute collision de trains ou tout déraillement de train faisant au moins un mort ou au moins cinq blessés graves ou causant d'importants dommages au matériel roulant, à l'infrastructure ou à l'environnement, et tout autre accident [6 ayant les mêmes conséquences et une incidence évidente sur la réglementation en matière de sécurité ferroviaire ou sur]6 la gestion de la sécurité ferroviaire; on entend par " importants dommages " des dommages qui peuvent être immédiatement estimés par un organisme d'enquête à un total d'au moins 2 millions d'euros;
  3° [2 "Accord-cadre" : un accord général juridiquement contraignant de droit public ou privé, définissant les droits et obligations d'un candidat et du [7 gestionnaire de l'infrastructure]7 et relatif aux capacités de l'infrastructure ferroviaire à répartir et à la tarification à appliquer sur une durée dépassant une seule période de validité de l'horaire de service;]2
  [2 3/1° "Accord transfrontalier" : tout accord entre deux ou plusieurs Etats membres ou entre des Etats membres et des pays tiers destiné à faciliter la fourniture de services ferroviaires transfrontaliers;]2
  4° " Administration " : l'administration chargée du transport ferroviaire;
  5° [6 "Agence": l'Agence de l'Union européenne pour les chemins de fer instituée par le Règlement (UE) 2016/796 du Parlement européen et du Conseil du 11 mai 2016;]6
  6° " Agrément de sécurité " : l'agrément délivré au [7 gestionnaire de l'infrastructure]7 par l'autorité de sécurité;
  [2 6/1° "Alternative viable", l'accès à une autre installation de service économiquement acceptable pour l'entreprise ferroviaire et lui permettant d'exploiter le service de fret ou de transport de voyageurs concerné;]2
  7° " Attestation " : l'attestation complémentaire harmonisée précisant les infrastructures sur lesquelles le titulaire est autorisé à conduire et le matériel roulant que le titulaire est autorisé à conduire;
  8° [3 ...]3
  9° " Autorité de sécurité " : l'autorité chargée des tâches relatives à la sécurité et à l'interopérabilité des chemins de fer [6 ou tout organisme chargé de ces tâches par plusieurs Etats membres de manière à assurer un régime unifié en matière de sécurité]6;
  [2 9/1° "Autorité responsable des licences", l'entité chargée de délivrer les licences aux entreprises ferroviaires dans un Etat membre;]2
  10° [6 ...]6
  [2 10/1° "Bénéfice raisonnable" : un taux de rémunération du capital propre qui prend en compte le risque, y compris celui pesant sur les recettes, ou l'absence de risque, encouru par l'exploitant de l'installation de service et qui est conforme au taux moyen constaté dans le secteur concerné au cours des dernières années;]2
  11° [2 "Candidat" : toute entreprise ferroviaire, tout regroupement international d'entreprises ferroviaires ou d'autres personnes physiques ou morales ou entités, comme par exemple les autorités compétentes visées dans le Règlement (CE) n° 1370/2007 et les chargeurs, les transitaires et les opérateurs de transports combinés ayant des raisons commerciales ou de service public d'acquérir des capacités de l'infrastructure;]2
  12° " Capacité de l'infrastructure ferroviaire " : la disponibilité permettant de programmer des sillons sollicités pour un [2 élément]2 de l'infrastructure ferroviaire pendant une certaine période;
  13° [6 "Cas spécifique": toute partie du système ferroviaire qui nécessite des dispositions particulières dans les STI, temporaires ou permanentes, en raison de contraintes géographiques, topographiques, d'environnement urbain ou de cohérence par rapport au système existant, en particulier les lignes et réseaux ferroviaires isolés du reste de l'Union, le gabarit, l'écartement ou l'entraxe des voies, les véhicules exclusivement destinés à un usage local, régional ou historique et les véhicules en provenance ou à destination de pays tiers;]6
  14° " Causes " : les actions, omissions, événements ou conditions, ou une combinaison de ceux-ci, qui ont conduit à l'accident ou l'incident;
  15° " Centre de formation " : une entité reconnue par l'autorité de sécurité pour donner des cours de formation;
  16° [6 "Certificat de sécurité unique": le document qui a pour objet de démontrer que l'entreprise ferroviaire concernée a mis en place son système de gestion de la sécurité et qu'elle est en mesure d'opérer en toute sécurité dans le domaine d'exploitation envisagé;]6
  17° [3 ...]3
  18° " Conducteur de train " : une personne apte et autorisée à conduire de façon autonome, responsable et sûre des trains, y compris les locomotives, les locomotives de manoeuvre, les trains de travaux, les véhicules ferroviaires d'entretien et d'assistance ou les trains destinés au transport ferroviaire de passagers ou de marchandises;
  19° " Constituant d'interopérabilité " : tout composant élémentaire, groupe de composants, sous-ensemble ou ensemble complet [6 d'équipements]6 incorporés ou destinés à être incorporés dans un sous-système, dont dépend directement ou indirectement l'interopérabilité du système ferroviaire. La notion de " constituant " recouvre des objets matériels mais aussi immatériels comme les logiciels;
  20° [2 "Coordination" : la procédure mise en oeuvre par le [7 gestionnaire de l'infrastructure]7 et les candidats afin de rechercher une solution en cas de demandes concurrentes pour la réservation de capacités de l'infrastructure ferroviaire;]2
  21° " Détenteur " : [6 la personne physique ou morale propriétaire du véhicule ou jouissant d'un droit d'utiliser celui-ci]6, qui exploite ledit véhicule à titre de moyen de transport et est inscrite en tant que telle au registre national des véhicules (RNV);
  22° " Document de référence du réseau " : le document qui précise, de manière détaillée, la description du réseau, les règles générales pour y circuler, les délais, les procédures et les critères relatifs aux systèmes de tarification et de répartition des capacités de l'infrastructure ferroviaire; ce document contient aussi toutes les autres informations nécessaires pour permettre l'introduction de demandes de capacités de l'infrastructure ferroviaire;
  23° " Enquête " : une procédure visant à prévenir les accidents et incidents et consistant à collecter et analyser des informations, à tirer des conclusions, y compris la détermination des causes et, le cas échéant, à formuler des recommandations en matière de sécurité;
  24° " Enquêteur principal " : la personne responsable de l'organisation, de la conduite et du contrôle d'une enquête;
  25° " Entité adjudicatrice " : toute entité publique ou privée, qui commande la conception et/ou la construction, le renouvellement ou le réaménagement d'un sous-système [6 ...]6;
  26° " Entité chargée de l'entretien " : une entité chargée de l'entretien d'un véhicule et inscrite en tant que telle dans le Registre national des véhicules;
  27° " Entreprise ferroviaire " : toute entreprise à statut privé ou public et titulaire d'une licence conformément à la législation européenne applicable, dont l'activité principale est la fourniture de prestations de transport de marchandises et/ou de voyageurs par chemin de fer, la traction devant obligatoirement être assurée par cette entreprise; ce terme recouvre aussi les entreprises qui assurent uniquement la traction;
  28° " Exigences essentielles " : l'ensemble des conditions décrites à l'annexe 16 auxquelles doivent satisfaire le système ferroviaire [6 de l'Union]6, les sous-systèmes et les constituants d'interopérabilité y compris les interfaces;
  [2 28/1° "Exploitant d'installation de service" : toute entité publique ou privée chargée de gérer une ou plusieurs installations de service ou de fournir à des entreprises ferroviaires un ou plusieurs des services visés à l'annexe 1re, points 2, 3 et 4;]2
  29° [4 "gestionnaire de l'infrastructure": toute entité ou entreprise chargée de l'exploitation, de l'entretien et du renouvellement de l'infrastructure ferroviaire sur un réseau et responsable de la participation à son développement, conformément aux règles établies par le présent Code et, le cas échéant, par la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques, dans le cadre de la politique générale en matière de développement et de financement de l'infrastructure ferroviaire;]4
  30° " Horaire de service " : les données définissant tous les mouvements programmés des trains et du matériel roulant, sur l'infrastructure ferroviaire concernée, pendant la période de validité de cet horaire;
  31° [6 "Incident": tout événement, autre qu'un accident ou un accident grave, affectant ou susceptible d'affecter la sécurité des services ferroviaires;]6;
  32° [2 "Infrastructure ferroviaire" : l'ensemble des éléments visés à l'annexe 23;]2
  33° " Infrastructure saturée " : la section de l'infrastructure ferroviaire pour laquelle les demandes de capacités de l'infrastructure ferroviaire ne peuvent être totalement satisfaites pendant certaines périodes, même après coordination des différentes demandes de réservation de capacités;
  [2 33/1° "Installation de service" : l'installation, y compris les terrains, bâtiments et équipements qui ont été spécialement aménagés, en totalité ou en partie, pour permettre la fourniture d'un ou plusieurs des services visés à l'annexe 1re, points 2, 3 et 4;]2
  34° [6 "Interopérabilité": l'aptitude d'un système ferroviaire à permettre la circulation sûre et sans rupture de trains qui accomplissent les niveaux de performance requis;]6
  [2 34/1° "Itinéraire de substitution" : un autre itinéraire entre la même origine et la même destination, l'entreprise ferroviaire pouvant substituer un itinéraire à l'autre pour exploiter le service de fret ou de transport de voyageurs concerné;]2
  35° [2 "Licence" : une autorisation accordée par l'autorité responsable des licences à une entreprise à laquelle la qualité de fournisseur de services de transport ferroviaire en tant qu'entreprise ferroviaire est reconnue. Cette qualité peut être limitée à l'exploitation de certains types de services;]2
  36° " Licence de conducteur de train " : le permis délivré à un conducteur de train par l'autorité de sécurité attestant que le conducteur remplit des conditions minimales en matière d'exigences médicales, psychologiques, de scolarité de base et de compétences professionnelles générales;
  37° [6 37° "Méthodes de sécurité communes (MSC)": les méthodes décrivant l'évaluation des niveaux de sécurité, de la réalisation des objectifs de sécurité et de la conformité à d'autres exigences en matière de sécurité;]6
  38° " Ministre " : le ministre qui a la régulation du transport ferroviaire dans ses attributions;
  39° [3 ...]3
  40° " Mise en service " : l'ensemble des opérations par lesquelles un sous-système [6 est mis en service opérationnel]6;
  41° [6 "Norme harmonisée": toute norme européenne au sens de l'article 2, paragraphe 1er, point c), du Règlement (UE) n° 1025/2012 du Parlement européen et du Conseil du 25 octobre 2012 relatif à la normalisation européenne, modifiant les directives 89/686/CEE et 93/15/CEE du Conseil ainsi que les directives 94/9/CE, 94/25/CE, 95/16/CE, 97/23/CE, 98/34/CE, 2004/22/CE, 2007/23/CE, 2009/23/CE et 2009/105/CE du Parlement européen et du Conseil et abrogeant la Décision 87/95/CEE du Conseil et la Décision n° 1673/2006/CE du Parlement européen et du Conseil;]6
  42° [6 "Objectifs de sécurité communs (OSC)": les niveaux minimaux de sécurité que doivent atteindre le système dans son ensemble et, lorsque c'est possible, les différentes parties du système ferroviaire de l'Union (comme le système ferroviaire conventionnel, le système ferroviaire à grande vitesse, les tunnels ferroviaires de grande longueur ou les lignes uniquement utilisées pour le transport de marchandises);]6
  43° " Organe de contrôle " : l'autorité de régulation économique du transport ferroviaire;
  44° " Organisme d'enquête " : l'organe chargé de mener les enquêtes sur les accidents et les incidents;
  45° [6 ...]6
  46° [6 ...]6
  47° " Paramètre fondamental " : toute condition réglementaire, technique ou opérationnelle qui est essentielle pour l'interopérabilité et qui est spécifiée dans les STI pertinentes;
  48° " Partie intéressée " : l'entreprise ferroviaire qui a introduit une demande de capacités de l'infrastructure ainsi que les autres parties qui souhaitent formuler des commentaires au sujet de l'incidence que l'horaire de service pourrait avoir sur leur aptitude à fournir des services ferroviaires durant la période de validité de l'horaire de service;
  49° [6 "Personnel de bord": le personnel composé, d'une part, des conducteurs de train et, d'autre part, des accompagnateurs de train de voyageurs. Ce personnel ne comprend pas le personnel de Securail;]6
  50° " Plan de renforcement des capacités " : une mesure ou une série de mesures, assorties d'un calendrier de mise en oeuvre et visant à réduire les contraintes en matière de capacité qui entraînent la déclaration d'une section de l'infrastructure ferroviaire comme " infrastructure saturée ";
  51° [6 "Projet à un stade avancé de développement": tout projet dont la phase de planification ou de construction est à un stade tel qu'une modification des spécifications techniques peut compromettre la viabilité du projet tel que planifié;]6
  52° [6 "Réaménagement": les travaux importants de modification d'un sous-système ou d'une de ses parties qui ont pour conséquence une modification du dossier technique accompagnant la déclaration "CE" de vérification, si ledit dossier technique existe, et améliorant les performances globales du sous-système;]6
  53° " Registre national des véhicules (RNV) " : le registre des véhicules autorisés à circuler sur le réseau ferroviaire belge;
  54° [6 ...]6
  55° [6 ...]6
  56° [6 "Règles nationales": toutes les règles contraignantes adoptées par le Roi conformément à l'article 68, paragraphe 2, 1°, qui contiennent des exigences en matière de sécurité ferroviaire ou des exigences techniques, autres que celles prévues par les règles de l'Union ou les règles internationales, et qui sont applicables au niveau du réseau ferroviaire belge aux utilisateurs de l'infrastructure;]6
  57° " Renouvellement de l'infrastructure ferroviaire " : les travaux importants de substitution d'un sous-système ou [6 d'une de ses parties]6 ne modifiant pas les performances globales du sous-système;
  58° " Répartition " : l'affectation par le [7 gestionnaire de l'infrastructure]7 des capacités de l'infrastructure ferroviaire;
  59° [6 "Réseau":
   a) en termes d'interopérabilité et de sécurité ferroviaire, les lignes, les gares, les terminaux et tout type d'équipement fixe nécessaire pour assurer l'exploitation sûre et continue du système ferroviaire de l'Union;
   b) en termes de gouvernance et d'accès au marché, l'ensemble de l'infrastructure ferroviaire gérée par un gestionnaire de l'infrastructure;]6

  60° " Série " : un nombre de véhicules identiques dont la conception relève du même type;
  61° [2 "Service de fret international" : un service de transport dans le cadre duquel le train franchit au moins une frontière d'un Etat membre; le train peut être assemblé et/ou divisé, et les différentes parties le constituant peuvent avoir des provenances et destinations différentes, à condition que tous les wagons franchissent au moins une frontière;]2
  [2 61/1° "Service de maintenance lourde" : les travaux qui ne sont pas effectués de manière régulière et dans le cadre des activités quotidiennes, et qui impliquent que le véhicule soit retiré du service;]2
  62° [2 "Service international de transport de voyageurs" : un service de transport de voyageurs dans le cadre duquel le train franchit au moins une frontière d'un Etat membre et dont l'objet principal est le transport de voyageurs entre des gares situées dans des Etats membres différents; le train peut être divisé ou assemblé et divisé, et les différentes parties le constituant peuvent avoir des provenances et des destinations différentes, à condition que toutes les voitures franchissent au moins une frontière;]2
  63° " Service ferroviaire " : toute prestation de transport national ou international de voyageurs, de marchandises ou de transport combiné national ou international de marchandises;
  [2 63/1° "Services régionaux" : les services de transport dont l'objet principal est de répondre aux besoins de transports d'une région, y compris d'une région transfrontalière;]2
  [2 63/2° " Services urbains et suburbains " : les services de transport dont l'objet principal est de répondre aux besoins de transports d'un centre urbain ou d'une agglomération, y compris d'une agglomération transfrontalière, ainsi qu'aux besoins de transports entre ce centre ou cette agglomération et ses banlieues;]2
  64° [2 "Sillon" : la capacité de l'infrastructure ferroviaire requise pour faire circuler un train d'un point à un autre au cours d'une période donnée;]2
  65° [6 "Sous-systèmes": les parties structurelles ou fonctionnelles du système ferroviaire de l'Union, telles que définies à l'annexe 15;]6
  66° [6 "Spécification européenne": une spécification qui rentre dans l'une des catégories suivantes:
   - une spécification technique commune au sens de l'annexe VIII de la directive 2014/25/UE,
   - un agrément technique européen, visé à l'article 60 de la directive 2014/25/UE, ou
   - une norme européenne, au sens de l'article 2, paragraphe 1er, point b), du Règlement (UE) n° 1025/2012 du Parlement européen et du Conseil du 25 octobre 2012 relatif à la normalisation européenne, modifiant les directives 89/686/CEE et 93/15/CEE du Conseil ainsi que les directives 94/9/CE, 94/25/CE, 95/16/CE, 97/23/CE, 98/34/CE, 2004/22/CE, 2007/23/CE, 2009/23/CE et 2009/105/CE du Parlement européen et du Conseil et abrogeant la décision 87/95/CEE du Conseil et la décision n° 1673/2006/CE du Parlement européen et du Conseil;]6

  67° " Spécifications techniques d'interopérabilité (STI) " : les spécifications dont chaque sous-système ou partie de sous-système fait l'objet en vue de satisfaire aux exigences essentielles et d'assurer l'interopérabilité du [6 système ferroviaire de l'Union]6;
  68° " Substitution dans le cadre d'un entretien " : le remplacement de composants par des pièces de fonction et performances identiques dans le cadre d'un entretien préventif ou correcteur;
  69° [6 "Système de gestion de la sécurité": l'organisation, les modalités et les procédures établies par un gestionnaire de l'infrastructure ou une entreprise ferroviaire pour assurer la gestion sûre de ses activités;]6
  70° [6 "Système ferroviaire": l'infrastructure constituée par les lignes et les installations fixes du réseau ferroviaire, et les véhicules de toute catégorie et origine qui circulent sur cette infrastructure;]6
  71° [6 "Système ferroviaire de l'Union": les éléments énumérés à l'annexe 14;]6
  [2 71/1° "Transit" : la traversée du territoire de l'Union sans chargement ni déchargement de marchandises et/ou sans prise en charge ni dépose de voyageurs sur ce territoire;]2
  72° Type de véhicule " : un type de véhicule définissant les caractéristiques de conception essentielles du véhicule, telles que visées par [6 une attestation d'examen de type ou de conception décrite dans le module de vérification correspondant]6;
  73° " Véhicule " : un véhicule ferroviaire apte à circuler sur [6 des roues]6 sur une ligne ferroviaire, avec ou sans traction. Un véhicule se compose d'un ou plusieurs sous-systèmes de nature structurelle et fonctionnelle [6 ...]6;
  [1 74° [2 "Voies de garage" : les voies spécifiquement réservées au stationnement temporaire des véhicules ferroviaires entre deux missions;]2
   75° [2 "Décision 2009/561/CE" : la décision de la Commission du 22 juillet 2009 modifiant la Décision 2006/679/CE relative à la spécification technique d'interopérabilité concernant le sous-système contrôle-commande et signalisation du système ferroviaire transeuropéen conventionnel;]2]1

  [2 76° "Décision 2008/386/CE" : la décision de la Commission du 23 avril 2008 modifiant l'annexe A de la Décision 2006/679/CE relative à la spécification technique d'interopérabilité concernant le sous-système contrôle-commande et signalisation du système ferroviaire transeuropéen conventionnel;]2
  [2 77° "Décision 2006/860/CE" : décision de la Commission du 7 novembre 2006 concernant une spécification technique d'interopérabilité relative au sous-système contrôle-commande et signalisation du système ferroviaire transeuropéen à grande vitesse et modifiant l'annexe A de la Décision 2006/679/CE concernant la spécification technique d'interopérabilité relative au sous-système contrôle-commande et signalisation du système ferroviaire transeuropéen conventionnel;]2
  [3 78° [6 ...]6]3
  [4 79° "développement de l'infrastructure ferroviaire": la planification du réseau, la planification financière et la programmation des investissements, ainsi que la construction et le réaménagement de l'infrastructure;
   80° "entretien de l'infrastructure ferroviaire": les travaux destinés à conserver l'état et les capacités de l'infrastructure existante;
   81° "conflit d'intérêts": une situation dans laquelle une personne a par elle-même ou par personne interposée un intérêt personnel susceptible d'influer sur l'exercice impartial et objectif de ses fonctions ou de créer la suspicion légitime d'une telle influence;]4

  [5 82° "cadre réglementaire national en matière de sécurité": l'ensemble des règles et procédures en lien avec la sécurité au niveau national, qui comprend notamment l'ensemble des [6 règles nationales]6;
   83° "cadre réglementaire en matière de sécurité": le cadre réglementaire européen en matière de sécurité visé par la [6 directive 2016/798/UE]6 et le cadre réglementaire national en matière de sécurité;
   84° "Utilisateur de l'infrastructure ("UI")":
   a) les entreprises ferroviaires ayant un droit d'accès sur l'infrastructure ferroviaire belge, en vertu de l'article 5, § 1er, 1°, 2°, ou 3° [6 ...]6;
   b) le gestionnaire de l'infrastructure aux fins d'entretien et de gestion, de renouvellement et d'extension de l'infrastructure ferroviaire, en vertu de l'article 8 [6 ...]6;
   c) les associations autorisées à circuler sur l'infrastructure ferroviaire belge en vertu de l'article 5, § 1er, 4°;]5

  [6 85° "Organisme d'évaluation de la conformité": un organisme qui a été notifié ou désigné responsable des activités d'évaluation de la conformité, y compris l'étalonnage, les essais, la certification et l'inspection; un organisme d'évaluation de la conformité est classé comme "organisme notifié" à la suite de sa notification par un Etat membre; un organisme d'évaluation de la conformité est classé comme "organisme désigné" à la suite de sa désignation par un Etat membre;
   86° "Fabricant": toute personne physique ou morale qui fabrique ou fait concevoir ou fabriquer un produit sous la forme de constituants d'interopérabilité, de sous-systèmes ou de véhicules et le commercialise sous son propre nom ou sa propre marque;
   87° "Expéditeur": une entreprise qui expédie des marchandises pour son compte ou pour le compte de tiers;
   88° "Chargeur": une entreprise qui charge des marchandises emballées, des petits conteneurs ou des citernes mobiles dans ou sur un wagon ou un conteneur ou qui charge un conteneur, un conteneur pour vrac, un conteneur à gaz à éléments multiples, un conteneur-citerne ou une citerne mobile sur un wagon;
   89° "Déchargeur": une entreprise qui enlève un conteneur, un conteneur pour vrac, un conteneur à gaz à éléments multiples, un conteneur-citerne ou une citerne mobile d'un wagon, toute entreprise qui extrait ou décharge des marchandises emballées, des petits conteneurs ou des citernes mobiles d'un wagon ou d'un conteneur ou toute entreprise qui décharge des marchandises d'une citerne (wagon-citerne, citerne amovible, citerne mobile ou conteneur-citerne), d'un wagon-batterie, d'un conteneur à gaz à éléments multiples, d'un wagon, d'un grand ou d'un petit conteneur pour le transport en vrac ou d'un conteneur pour vrac;
   90° "Remplisseur": une entreprise qui charge des marchandises dans une citerne (y compris un wagon-citerne, un wagon avec citerne amovible, une citerne mobile ou un conteneur citerne) dans un wagon, un grand ou un petit conteneur pour le transport en vrac, dans un wagon-batterie ou dans un conteneur à gaz à éléments multiples;
   91° "Vidangeur": une entreprise qui enlève des marchandises d'une citerne (y compris un wagon-citerne, un wagon avec citerne amovible, une citerne mobile ou un conteneur-citerne) d'un wagon, d'un grand ou d'un petit conteneur pour le transport en vrac, d'un wagon-batterie ou d'un conteneur à gaz à éléments multiples;
   92° "Transporteur": une entreprise autre qu'une entreprise ferroviaire qui effectue un transport conformément à un contrat de transport;
   93° "Type de service": le type caractérisé par le transport de passagers, y compris ou non des services à grande vitesse, le transport de fret, y compris ou non le transport de marchandises dangereuses, et les services de manoeuvre uniquement;
   94° "Etendue du service": l'étendue caractérisée par le nombre de passagers et/ou le volume de marchandises et par la taille estimée d'une entreprise ferroviaire en termes de nombre d'employés travaillant dans le secteur ferroviaire (à savoir une microentreprise, une petite, moyenne ou grande entreprise);
   95° "Domaine d'exploitation": un réseau ou des réseaux sur le territoire d'un ou de plusieurs Etats membres, où une entreprise ferroviaire envisage d'opérer;
   96° "Sous-système mobile": le sous-système "matériel roulant" et le sous-système "contrôle-commande et signalisation à bord";
   97° "Produit": tout produit obtenu par un procédé de fabrication, y compris des constituants d'interopérabilité et des sous-systèmes;
   98° "Demandeur":
   a) aux fins des articles 13, 80, 81, 88 et 95, du titre 6, chapitre 4, section 2, de l'article 159, du titre 6, chapitre 4/1, de l'article 199 et du titre 6, chapitre 6, une personne physique ou morale demandant une autorisation ou une licence, qu'il s'agisse d'une entreprise ferroviaire, d'un gestionnaire d'infrastructure ou d'une autre personne physique ou morale comme un fabricant, un propriétaire ou un détenteur;
   b) aux fins du titre 6, chapitre 4, section 3, sous-section 1, une entité adjudicatrice, un fabricant ou ses mandataires;
   c) aux fins du titre 6, chapitre 4/1, section 1 et de l'annexe 29, dans le cas de projets d'équipements au sol ERTMS, une personne physique ou morale demandant une décision de l'Agence en vue de l'approbation des solutions techniques envisagées pour les projets relatifs aux équipements au sol ERTMS;
   99° "Etat de fonctionnement nominal": le mode de fonctionnement normal et la dégradation prévisible des conditions (y compris l'usure) dans les limites et les conditions d'utilisation spécifiées dans les dossiers techniques et d'entretien;
   100° "Domaine d'utilisation d'un véhicule": un réseau ou des réseaux au sein d'un Etat membre ou d'un groupe d'Etats membres sur lesquels un véhicule est destiné à être utilisé;
   101° "Mise sur le marché": la première mise à disposition, sur le marché de l'Union, d'un constituant d'interopérabilité, d'un sous-système ou d'un véhicule prêt à fonctionner dans son état de fonctionnement nominal;
   102° "Mandataire": toute personne physique ou morale établie dans l'Union ayant reçu mandat écrit d'un fabricant ou d'une entité adjudicatrice pour agir au nom dudit fabricant ou de ladite entité adjudicatrice aux fins de l'accomplissement de tâches déterminées;
   103° "Accréditation": l'accréditation au sens de l'article 2, point 10), du Règlement (CE) n° 765/2008;
   104° "Organisme national d'accréditation": l'organisme national d'accréditation au sens de l'article 2, point 11), du Règlement (CE) n° 765/2008;
   105° "Evaluation de la conformité": le processus destiné à établir si les exigences spécifiées relatives à un produit, à un processus, à un service, à un sous-système, à une personne ou à un organisme ont été respectées;
   106° "Personne handicapée" et "personne à mobilité réduite": toute personne présentant une incapacité physique, mentale, intellectuelle ou sensorielle, permanente ou temporaire, dont l'interaction avec divers obstacles peut empêcher sa pleine et effective utilisation des transports sur la base de l'égalité avec les autres usagers, ou dont la mobilité lors de l'usage des transports est réduite en raison de son âge;
   107° "Destinataire": toute personne physique ou morale qui reçoit des marchandises conformément à un contrat de transport; si le transport s'effectue sans un contrat de transport, toute personne physique ou morale qui prend en charge les marchandises à l'arrivée est réputée être le destinataire;
   108° "Règlement 2016/796/UE": Règlement (UE) 2016/796 du Parlement européen et du Conseil du 11 mai 2016 relatif à l'Agence de l'Union européenne des chemins de fer et abrogeant le Règlement (CE) n° 881/2004;
   109° Directive 2012/34/UE": directive 2012/34/EU du Parlement européen et du Conseil du 21 novembre 2012 établissant un espace ferroviaire unique européen;
   110° "Personnel de sécurité": le personnel exerçant, même occasionnellement, une ou plusieurs tâches critiques de sécurité;
   111° "Directive 2016/797/UE": la directive (UE) 2016/797 du Parlement européen et du Conseil du 11 mai 2016 relative à l'interopérabilité du système ferroviaire au sein de l'Union européenne;
   112° "Directive 2016/798/UE": la directive (UE) 2016/798 du Parlement européen et du Conseil du 11 mai 2016 relative à la sécurité ferroviaire;
   113° "RID": le Règlement concernant le transport international ferroviaire des marchandises dangereuses adopté par la directive 2008/68/CE du Parlement européen et du Conseil du 24 septembre 2008 relative au transport intérieur des marchandises dangereuses;
   114° "Règlement (CE) n° 765/2008": le Règlement du Parlement européen et du Conseil du 9 juillet 2008 fixant les prescriptions relatives à l'accréditation et à la surveillance du marché pour la commercialisation des produits et abrogeant le Règlement (CEE) n° 339/93 du Conseil;
   115° "Règlement (UE) 2016/679": le Règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE.]6

  
TITEL 2. [1 - Principes van organisatie en beheer]1
TITRE 2. - [1 Principes d'organisation et de gestion]1
HOOFDSTUK 1. [1 - Gescheiden rekeningen]1
CHAPITRE 1er. [1 - Séparation comptable]1
Art. 4. § 1. Ondernemingen, die zowel spoorwegvervoerdiensten als activiteiten met betrekking tot beheer van spoorweginfrastructuur verrichten, houden in hun interne boekhouding afzonderlijke rekeningen aan, enerzijds, voor de activiteit met betrekking tot het verlenen van spoorwegvervoerdiensten en, anderzijds, voor het beheer van spoorweginfrastructuur. De toelichting bij hun jaarrekening bevat afzonderlijke balansen, resultatenrekeningen en kasstroomoverzichten voor de activiteiten met betrekking tot de levering van spoorwegvervoerdiensten enerzijds, en voor de activiteiten betreffende het beheer van de spoorweginfrastructuur anderzijds.
  Overheidsmiddelen die hetzij voor het verrichten van spoorwegvervoerdiensten, hetzij voor het beheer van spoorweginfrastructuur worden verstrekt, mogen niet worden overgedragen naar de andere activiteit.
  [1 ...]1
  § 2. [1 Spoorwegondernemingen houden in hun interne boekhouding afzonderlijke rekeningen aan met betrekking tot, enerzijds, de activiteit van goederenvervoer per spoor en, anderzijds, de activiteiten met betrekking tot de verlening van reizigersvervoerdiensten per spoor. De toelichting bij hun jaarrekening bevat een afzonderlijke balans, resultatenrekening en kasstroomoverzicht met betrekking tot de activiteit van goederenvervoer per spoor en met betrekking tot de reizigersvervoerdiensten per spoor.
   Openbare financiële middelen voor activiteiten die betrekking hebben op het verrichten van vervoersdiensten in het kader van openbare dienst, moeten in overeenstemming met artikel 7 van de [2 Verordening]2 1370/2007 afzonderlijk in de desbetreffende rekeningen worden opgevoerd en mogen niet worden overgedragen naar activiteiten met betrekking tot andere vervoersdiensten of enige andere bedrijfsactiviteit.]1

  [1 § 3. De wijze waarop de boekhoudingen van de verschillende activiteiten, bedoeld in de §§ 1 en 2, worden gevoerd, moet het mogelijk maken om toe te zien op het verbod op de overdracht van openbare financiële middelen van het ene activiteitengebied naar het andere en op de aanwending van inkomsten uit de retributies voor het gebruik van de infrastructuur en overschotten uit andere commerciële activiteiten.]1
  
Art. 4. § 1er. Les entreprises, qui fournissent des services de transport ferroviaire et qui exercent la gestion de l'infrastructure ferroviaire, tiennent dans leur comptabilité interne des comptes séparés, d'une part, pour l'activité relative à la fourniture de services de transport ferroviaire et, d'autre part, pour la gestion de l'infrastructure ferroviaire. L'annexe de leur compte annuel contient des bilans, des comptes de résultats et des flux de trésorerie séparés, d'une part, pour les activités relatives à la fourniture de services de transport et, d'autre part, pour les activités concernant la gestion de l'infrastructure ferroviaire.
  Les aides publiques versées pour la fourniture de services de transport ferroviaire ou pour la gestion de l'infrastructure ferroviaire ne peuvent être transférées à l'autre activité.
  [1 ...]1
  § 2. [1 Les entreprises ferroviaires tiennent dans leur comptabilité interne des comptes séparés pour, d'une part, l'activité de transport ferroviaire de marchandises et, d'autre part, les activités relatives à la fourniture de services de transport ferroviaire de voyageurs. L'annexe de leur compte annuel contient un bilan, un compte de résultat et un flux de trésorerie séparés pour l'activité de transport ferroviaire de marchandises et pour l'activité de transport ferroviaire de voyageurs.
   Les fonds publics versés pour des activités relatives à la fourniture de services de transport au titre des missions de service public figurent séparément, conformément à l'article 7 du Règlement 1370/2007, dans les comptes correspondants et ne sont pas transférés aux activités relatives à la fourniture d'autres services de transport ou à toute autre activité.]1

  [1 § 3. Les comptes relatifs aux différents domaines d'activité visés aux §§ 1er et 2 sont tenus de façon à permettre le suivi de l'interdiction de transférer des fonds publics d'un domaine d'activité à un autre et le contrôle de l'emploi des recettes tirées des redevances d'utilisation de l'infrastructure et des excédents dégagés d'autres activités commerciales.]1
  
HOOFDSTUK 2. [1 - Onafhankelijkheid van de infrastructuurbeheerder]1
CHAPITRE 2. [1 - Indépendance du gestionnaire de l'infrastructure]1
Art. 4/1. [1 De infrastructuurbeheerder is verantwoordelijk voor zijn eigen beheer, bestuur en interne controle en neemt hierbij deze Codex en zijn uitvoeringsbesluiten in acht.]1
  
Art. 4/1. [1 Tout en respectant le présent Code et ses arrêtés d'exécution, le gestionnaire de l'infrastructure est responsable de son organisation, de sa gestion et de son contrôle interne.]1
  
Art. 4/2. [1 § 1. De essentiële taken, met het oog op het garanderen van een eerlijke en niet-discriminerende toegang tot de infrastructuur, worden toevertrouwd aan instanties of ondernemingen die zelf geen spoorvervoersdiensten verlenen.
   De essentiële functies zijn :
   1° de besluitvorming inzake treinpadtoewijzing, waaronder zowel de omschrijving als de beoordeling van de beschikbaarheid en de capaciteitstoewijzing voor afzonderlijke treinpaden, en
   2° de besluitvorming inzake de heffing voor het gebruik van de infrastructuur, met inbegrip van de vaststelling en het innen van de rechten.
   § 2. Indien de infrastructuurbeheerder in juridisch of organisatorisch opzicht of wat de besluitvorming betreft, niet onafhankelijk is van spoorwegondernemingen, worden de in titel 3, hoofdstukken 4 en 5 bedoelde taken verricht door respectievelijk een heffingsinstantie en een toewijzingsinstantie die in juridisch en organisatorisch opzicht en wat de besluitvorming betreft van iedere spoorwegonderneming onafhankelijk is.
   § 3. Wanneer zij betrekking hebben op essentiële functies van de infrastructuurbeheerder, worden de bepalingen van titel 3, hoofdstukken 4 en 5 geacht van toepassing te zijn op de heffingsinstantie of de toewijzingsinstantie voor wat hun respectievelijke bevoegdheden betreft.]1

  
Art. 4/2. [1 § 1er. Les fonctions essentielles en vue de garantir un accès équitable et non discriminatoire à l'infrastructure sont exercées par des entités ou entreprises qui ne sont pas elles-mêmes fournisseurs de services de transport ferroviaire.
   Les fonctions essentielles sont :
   1° l'adoption des décisions concernant la répartition des sillons, y compris la définition et l'évaluation de la disponibilité, ainsi que l'attribution de sillons individuels, et
   2° l'adoption des décisions concernant la tarification pour l'utilisation de l'infrastructure, y compris la détermination et le recouvrement des redevances.
   § 2. Si le gestionnaire de l'infrastructure n'est pas indépendant des entreprises ferroviaires sur le plan juridique, organisationnel ou décisionnel, les fonctions visées au titre 3, chapitres 4 et 5, sont assumées respectivement par un organisme de tarification et par un organisme de répartition qui sont indépendants des entreprises ferroviaires sur le plan juridique, organisationnel et décisionnel.
   § 3. Lorsqu'elles portent sur des fonctions essentielles du gestionnaire de l'infrastructure, les dispositions du titre 3, chapitres 4 et 5, s'entendent comme s'appliquant à l'organisme de tarification ou à l'organisme de répartition pour leurs compétences respectives.]1

  
Art. 4/2/1. [1 § 1. De leden van de raad van bestuur van de infrastructuurbeheerder, de leden van het directiecomité, de personen verantwoordelijk voor het nemen van beslissingen over de essentiële functies, verkeersbeheer en onderhoudsplanning handelen op niet-discriminerende wijze en hun onpartijdigheid mag door geen enkel belangenconflict worden aangetast. Hiervoor stellen ze bij hun indiensttreding een verklaring van afwezigheid van belangenconflicten op dat zij bezorgen aan het [3 toezichthoudend orgaan]3 en waarvan het model in bijlage 28 is opgenomen.
   Eenzelfde persoon kan niet gelijktijdig:
   1° lid zijn van de raad van bestuur en/of lid van het directiecomité van een infrastructuurbeheerder en lid van de raad van bestuur en/of van het directiecomité van een spoorwegonderneming;
   2° verantwoordelijk zijn voor het nemen van beslissingen over de essentiële functies, verkeersbeheer en onderhoudsplanning en lid van de raad van bestuur en/of van het directiecomité van een spoorwegonderneming.
   § 2. Mits er geen belangenconflicten ontstaan en de vertrouwelijkheid van commercieel gevoelige informatie wordt gewaarborgd, kan de infrastructuurbeheerder:
   1° functies uitbesteden aan een andere entiteit, op voorwaarde dat deze laatste geen spoorwegonderneming is, geen zeggenschap heeft over een spoorwegonderneming, of niet onder zeggenschap van een spoorwegonderneming staat;
   2° de uitvoering van de werkzaamheden en de daarmee verband houdende taken inzake ontwikkeling, onderhoud en vernieuwing van de spoorweginfrastructuur uitbesteden aan spoorwegondernemingen of ondernemingen die zeggenschap over de spoorwegonderneming uitoefenen, of onder zeggenschap van de spoorwegonderneming staan.
   De infrastructuurbeheerder behoudt de toezichtsbevoegdheid op en draagt de verantwoordelijkheid voor de uitoefening van de in artikel 3, 29°, omschreven functies en neemt de verantwoordelijkheid hiervoor op zich conform [2 artikel 67/1, paragraaf 3]2.
   De functies van de infrastructuurbeheerder kunnen worden uitgeoefend door verschillende infrastructuurbeheerders wanneer zij de artikelen 4/1 tot 4/2/1 naleven en de volledige verantwoordelijkheid op zich nemen voor de uitoefening van de betrokken functies.
   § 3. De infrastructuurbeheerder mag inkomsten uit het beheer van het infrastructuurnet, waaronder overheidsmiddelen, alleen gebruiken voor het financieren van zijn eigen bedrijf, met inbegrip van het afbetalen van leningen. De infrastructuurbeheerder mag deze inkomsten ook gebruiken om dividenden uit te keren aan de eigenaars van de onderneming, waaronder eventuele particuliere aandeelhouders.
   De infrastructuurbeheerder verstrekt noch direct noch indirect leningen aan de spoorwegondernemingen.
   De spoorwegondernemingen verstrekken noch direct noch indirect leningen aan infrastructuurbeheerder.]1

  
Art. 4/2/1. [1 § 1er. Les membres du conseil d'administration du gestionnaire de l'infrastructure, les membres du comité de direction, les personnes chargées de prendre des décisions sur les fonctions essentielles, de gestion du trafic et de planification de l'entretien agissent de manière non discriminatoire et leur impartialité ne peut être affectée par aucun conflit d'intérêts. A cet effet, ils établissent lors de leur entrée en fonction une déclaration d'absence de conflit d'intérêts qu'ils transmettent à l'organe de contrôle et dont le modèle est repris à l'annexe 28.
   Une même personne ne peut être concomitamment:
   1° membre du conseil d'administration et/ou membre du comité de direction d'un gestionnaire de l'infrastructure et membre du conseil d'administration et/ou du comité de direction d'une entreprise ferroviaire;
   2° chargée de prendre des décisions sur les fonctions essentielles, de gestion du trafic et de planification de l'entretien et membre du conseil d'administration et/ou du comité de direction d'une entreprise ferroviaire.
   § 2. A condition qu'aucun conflit d'intérêts ne survienne et que la confidentialité des informations sensibles sur le plan commercial soit garantie, le gestionnaire de l'infrastructure peut:
   1° déléguer des fonctions en les confiant à une entité différente, à condition que celle-ci ne soit pas une entreprise ferroviaire, qu'elle ne contrôle pas une entreprise ferroviaire ou qu'elle ne soit pas contrôlée par une entreprise ferroviaire;
   2° déléguer l'exécution de travaux et de tâches connexes concernant le développement, l'entretien et le renouvellement de l'infrastructure ferroviaire en les confiant à des entreprises ferroviaires ou à des sociétés qui contrôlent l'entreprise ferroviaire ou qui sont contrôlées par l'entreprise ferroviaire.
   Le gestionnaire de l'infrastructure conserve le pouvoir de supervision sur l'exercice des fonctions décrites à l'article 3, 29°, et assume la responsabilité à cet égard conformément [2 à l'article 67/1, paragraphe 3]2.
   Les fonctions du gestionnaire de l'infrastructure peuvent être exercées par différents gestionnaires de l'infrastructure dès lors qu'ils respectent les articles 4/1 à 4/2/1 et qu'ils assument la pleine responsabilité de l'exercice des fonctions concernées.
   § 3. Les recettes provenant des activités de gestion du réseau d'infrastructure, y compris les fonds publics, ne peuvent être utilisées par le gestionnaire de l'infrastructure que pour financer ses propres activités, y compris le service de ses emprunts. Le gestionnaire de l'infrastructure peut également utiliser ces recettes pour verser des dividendes aux propriétaires de l'entreprise, parmi lesquels peuvent figurer des actionnaires privés.
   Le gestionnaire de l'infrastructure n'accorde pas de prêt aux entreprises ferroviaires, que ce soit directement ou indirectement.
   Les entreprises ferroviaires n'accordent pas de prêt au gestionnaire de l'infrastructure, que ce soit directement ou indirectement.]1

  
HOOFDSTUK 3. [1 - Beheer van spoorwegondernemingen volgens commerciële beginselen]1
CHAPITRE 3. [1 - Gestion des entreprises ferroviaires selon des principes commerciaux]1
Art. 4/3. [1 De spoorwegondernemingen worden beheerd volgens de principes die van toepassing zijn op commerciële ondernemingen, welke ook hun eigenaar is. Deze regel is ook van toepassing op hun openbare dienstverplichtingen en op de openbare dienstcontracten die zij afsluiten met de bevoegde overheidsinstanties.
   Mits naleving van deze Codex en zijn uitvoeringsbesluiten, zijn de spoorwegondernemingen in het bijzonder vrij om :
   a) hun interne organisatie vast te stellen, onverminderd de artikelen 4/2, 26, 27 en 46;
   b) toezicht te houden op de levering en de marketing van de diensten, en de tarieven ervan vast te stellen;
   c) besluiten betreffende het personeel, de activa en de eigen aankopen te nemen;
   d) hun marktaandeel uit te breiden, nieuwe technologieën en nieuwe diensten te ontwikkelen en nieuwe managementtechnieken in te voeren;
   e) nieuwe activiteiten te ontplooien op aan de spoorwegsector aanverwante terreinen.
   De aandeelhouders van spoorwegondernemingen die eigendom zijn van of gecontroleerd worden door de staat, kunnen eisen dat hun voorafgaande goedkeuring wordt gevraagd voor belangrijke bedrijfsbeheersbeslissingen, op een gelijke wijze als aandeelhouders van privaatrechtelijke naamloze vennootschappen krachtens het vennootschapsrecht. De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing onverminderd de bevoegdheden van toeziende organen krachtens het vennootschapsrecht met betrekking tot de benoeming van leden van de raad van bestuur.]1

  
Art. 4/3. [1 Les entreprises ferroviaires sont gérées selon les principes qui s'appliquent aux sociétés commerciales, quel que soit leur propriétaire. Cette règle s'applique également à leurs obligations de service public et aux contrats de service public qu'elles concluent avec les autorités compétentes de l'Etat.
   Dans le respect du présent Code et de ses arrêtés d'exécution, les entreprises ferroviaires sont en particulier libres :
   a) de définir leur organisation interne, sans préjudice des dispositions des articles 4/2, 26, 27 et 46;
   b) de contrôler la fourniture et la commercialisation des services et d'en fixer la tarification;
   c) de prendre les décisions concernant le personnel, les actifs et les achats propres;
   d) de développer leur part de marché, de créer de nouvelles technologies et de nouveaux services et d'adopter toute technique innovatrice de gestion;
   e) de lancer de nouvelles activités dans des domaines associés à l'activité ferroviaire.
   Les actionnaires d'entreprises ferroviaires détenues ou contrôlées par l'Etat peuvent exiger leur approbation préalable pour les principales décisions relatives à la gestion de l'entreprise, à l'instar des actionnaires de sociétés anonymes privées, en application du droit des sociétés. Les dispositions du présent article s'appliquent sans préjudice des compétences des organes de surveillance prévus par le droit des sociétés en ce qui concerne la nomination des membres du conseil d'administration.]1

  
TITEL 3. - Gebruik van de spoorweginfrastructuur
TITRE 3. - Utilisation de l'infrastructure ferroviaire
HOOFDSTUK 1. - Toegang tot de spoorweginfrastructuur
CHAPITRE 1er. - Accès a l'infrastructure ferroviaire
Afdeling 1. - Toegangs- en doorvoerrecht
Section 1re. - Droit d'accès et de transit
Art. 5. [2 § 1.]2 [1 Hebben toegang tot de spoorweginfrastructuur onder eerlijke, niet-discriminerende en transparante voorwaarden :
   1° de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen voor de exploitatie van al haar vervoersactiviteiten. Dit recht omvat de toegang tot infrastructuur die zee- en binnenhavens verbindt, en andere in bijlage 1, punt 2, bedoelde dienstvoorzieningen, alsmede tot infrastructuur die meer dan één eindgebruiker bedient of kan bedienen;
   2° elke spoorwegonderneming die gevestigd is in een lidstaat van de Europese Unie voor de exploitatie van elk type van goederenvervoerdiensten. Dit recht omvat de toegang tot infrastructuur die zee- en binnenhavens verbindt, en andere in bijlage 1, punt 2, bedoelde dienstvoorzieningen, alsmede tot infrastructuur die meer dan één eindgebruiker bedient of kan bedienen;
   3° elke spoorwegonderneming die gevestigd is in een lidstaat van de Europese Unie, voor de exploitatie van [2 ...]2 reizigersvervoerdiensten. Dit recht omvat de toegang tot infrastructuur die de in bijlage 1, punt 2, bedoelde dienstvoorzieningen verbindt;
   4° elke toeristische onderneming die ritten verricht voor toeristische doeleinden met historisch materieel en daartoe erkend is.]1

  [2 § 2. Wanneer overeenkomstig artikel 62, § 3, eerste lid, 5°, het [3 toezichthoudend orgaan]3 beslist dat de uitoefening van het toegangsrecht bedoeld in artikel 5, 3°, een weerslag zou kunnen hebben op het economisch evenwicht van een openbare dienstcontract, brengt hij onmiddellijk de minister op de hoogte, die enkel in dat geval kan voorstellen om, bij koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, een beslissing aan te nemen om dat toegangsrecht te beperken. Daartoe wordt voormeld koninklijk besluit ter kennis gebracht van de infrastructuurbeheerder uiterlijk twee maanden nadat de beslissing van het [3 toezichthoudend orgaan]3 werd meegedeeld aan de minister.]2
  
Art. 5. [2 § 1er.]2 [1 Ont un droit d'accès à l'infrastructure ferroviaire, à des conditions équitables, non discriminatoires et transparentes :
   1° la Société nationale des Chemins de fer belges pour l'exploitation de l'ensemble de ses activités de transports. Ce droit concerne également l'accès à l'infrastructure reliant les ports de navigation maritime et intérieure et les autres installations de service visées à l'annexe 1re, point 2, et à l'infrastructure desservant ou pouvant desservir plus d'un client final;
   2° toute entreprise ferroviaire établie dans un Etat membre de l'Union européenne, pour l'exploitation de tout type de services de transport de marchandises. Ce droit concerne également l'accès à l'infrastructure reliant les ports de navigation maritime et intérieure et les autres installations de service visées à l'annexe 1re, point 2, et à l'infrastructure desservant ou pouvant desservir plus d'un client final;
   3° toute entreprise ferroviaire établie dans un Etat membre de l'Union européenne pour l'exploitation de services de transport [2 ...]2 de voyageurs. Ce droit concerne également l'accès à l'infrastructure reliant les installations de service visées à l'annexe 1re, point 2;
   4° toute association touristique effectuant des circulations à des fins touristiques avec du matériel historique et reconnue à cette fin.]1

  [2 § 2. Lorsque, conformément à l'article 62, § 3, alinéa 1er, 5°, l'organe de contrôle décide que l'exercice du droit d'accès visé à l'article 5, 3°, est susceptible de compromettre l'équilibre économique d'un contrat de service public, il en informe immédiatement le ministre qui peut, dans ce seul cas, proposer l'adoption d'une décision, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, visant à limiter ce droit d'accès. A cet effet, l'arrêté royal susmentionné est porté à la connaissance du gestionnaire de l'infrastructure au plus tard deux mois après que la décision de l'organe de contrôle ait été notifiée au ministre.]2
  
Art. 7. Elke spoorwegonderneming die spoorwegvervoerdiensten wil verrichten en toegang wil hebben tot de spoorweginfrastructuur moet in het bezit zijn van :
  1° een vergunning die bestemd is voor het type diensten dat ze aanbiedt, afgeleverd door de bevoegde overheid van een lidstaat van de Europese Unie;
  2° een spoorweg [2 uniek veiligheidscertificaat]2;
  3° beschikbare spoorweginfrastructuurcapaciteiten toegekend door [3 de infrastructuurbeheerder]3;
  [1 4° een dekking van de burgerlijke aansprakelijkheid voor een minimumbedrag dat de Koning bepaalt.]1
  
Art. 7. Toute entreprise ferroviaire voulant effectuer les services de transport ferroviaire et avoir accès à l'infrastructure ferroviaire doit être en possession :
  1° d'une licence appropriée aux types de services qu'elle offre et délivrée par l'autorité compétente d'un Etat membre de l'Union européenne;
  2° d'un [2 certificat de sécurité unique]2 ferroviaire;
  3° de capacités disponibles de l'infrastructure ferroviaire octroyées par le [3 gestionnaire de l'infrastructure]3;
  [1 4° une couverture de sa responsabilité civile pour un montant minimal que le Roi détermine.]1
  
Art. 8. [3 De infrastructuurbeheerder]3 verplaatst zich vrij op zijn [1 net]1, met het oog op het onderhoud, het beheer, de vernieuwing en de uitbreiding van de spoorweginfrastructuur, met naleving [2 van de nationale voorschriften]2 die aan elke [2 infrastructuurgebruiker]2 worden opgelegd.
  [3 de infrastructuurbeheerder]3 stelt de spoorweginfrastructuur ter beschikking van de aangemelde en aangewezen instanties alsook van de spoorwegondernemingen, teneinde tests te verrichten in overeenstemming met de bepalingen van titel 6 en mits naleving [2 van de nationale voorschriften]2.
  Voor het verrichten van testen bedoeld in het tweede lid, moet de kandidaat een testretributie betalen aan de infrastructuurbeheerder die betrekking heeft op de voertuigen waarmee de testen worden verricht en die de kosten van de infrastructuurbeheerder dekt. De Koning bepaalt de wijze van berekening en de betalingswijzen van deze testretributie.
  
Art. 8. Le [2 gestionnaire de l'infrastructure]2 circule librement sur son réseau aux fins d'entretien et de gestion, de renouvellement et d'extension de l'infrastructure ferroviaire, dans le respect [1 des règles nationales]1 imposées à tout utilisateur de l'infrastructure ferroviaire.
  Le [2 gestionnaire de l'infrastructure]2 met à disposition des organismes notifiés et désignés ainsi que des entreprises ferroviaires, l'infrastructure ferroviaire, afin de réaliser des essais prévus conformément aux dispositions du titre 6 et dans le respect [1 des règles nationales]1.
  Pour effectuer les essais visés à l'alinéa 2, le candidat doit payer au gestionnaire de l'infrastructure une redevance d'essai relative aux véhicules utilisés pour effectuer les essais qui couvre les coûts du gestionnaire de l'infrastructure. Le Roi détermine les règles de calcul et les modalités de paiement de cette redevance d'essai.
  
Afdeling 2. - Diensten die aan de spoorwegondernemingen moeten worden geleverd
Section 2. - Services à fournir aux entreprises ferroviaires
Art. 9. [1 § 1. De infrastructuurbeheerder verleent alle spoorwegondernemingen op een niet-discriminerende wijze het in bijlage 1, punt 1, vastgestelde minimumtoegangspakket.
   § 2. Exploitanten van dienstvoorzieningen verlenen alle spoorwegondernemingen op een niet-discriminerende wijze toegang, inclusief toegang via het spoor, tot de in bijlage 1, punt 2, bedoelde dienstvoorzieningen en tot de in deze voorzieningen geleverde diensten.
   § 3. Ter waarborging van een volledig transparante en niet- discriminerende toegang tot de in bijlage 1, punt 2, a), b), c), d), g) en i), bedoelde dienstvoorzieningen, en van de dienstverlening in deze voorzieningen ingeval de exploitant van de dienstvoorzieningen onder de directe of indirecte zeggenschap staat van een instantie of een onderneming die ook actief is en een machtspositie heeft op nationale markten voor spoorvervoersdiensten waarvoor de voorziening wordt gebruikt, zijn de exploitanten van deze dienstvoorzieningen op zodanige wijze georganiseerd, dat zij organisatorisch en wat de besluitvorming betreft, onafhankelijk zijn van deze instantie of onderneming. Deze onafhankelijkheid betekent niet dat voor dienstvoorzieningen een afzonderlijke rechtspersoon moet worden opgericht; er kan aan worden voldaan door binnen één rechtspersoon verschillende afdelingen op te richten.
   Voor alle dienstvoorzieningen bedoeld in bijlage 1, punt 2, voeren de exploitant en deze instantie of onderneming gescheiden rekeningen, daaronder begrepen afzonderlijke balansen, resultatenrekeningen en kasstroomoverzichten.
   Indien de dienstvoorzieningen door een infrastructuurbeheerder worden geëxploiteerd of de exploitant ervan onder de directe of indirecte zeggenschap staat van een infrastructuurbeheerder, wordt de in dit lid bedoelde onafhankelijkheid geacht te zijn voldaan indien aan de in artikel 4/2 genoemde vereisten wordt voldaan.
   § 4. De verzoeken van de spoorwegondernemingen om toegang tot, en levering van diensten in de bijlage 1, punt 2, van bedoelde dienstvoorziening worden beantwoord binnen een redelijke termijn die door het [3 toezichthoudend orgaan]3 wordt vastgesteld. Deze verzoeken mogen slechts worden afgewezen, wanneer er levensvatbare alternatieven zijn die hen in staat stellen, de betrokken goederen- of reizigersvervoersdienst op hetzelfde traject of op alternatieve trajecten onder economisch aanvaardbare voorwaarden te exploiteren. Dit houdt voor de exploitant van de dienstvoorzieningen niet de verplichting in om te investeren in middelen of voorzieningen teneinde aan alle verzoeken van spoorwegondernemingen tegemoet te kunnen komen.
   Bij verzoeken van spoorwegondernemingen om toegang tot, en dienstverlening in, een dienstvoorziening die wordt beheerd door een exploitant van de in lid 3 bedoelde dienstvoorziening, motiveert de exploitant eventuele weigeringsbesluiten schriftelijk en geeft hij aan welke levensvatbare alternatieven er zijn in andere voorzieningen.
   § 5. Wanneer een exploitant van de in bijlage 1, punt 2, bedoelde dienstvoorziening een conflict vaststelt tussen verschillende verzoeken, tracht hij die verzoeken met elkaar te verzoenen voor zover dat mogelijk is. Wanneer geen levensvatbaar alternatief beschikbaar is en het op basis van een aangetoonde behoefte onmogelijk is aan alle verzoeken om capaciteit voor de betrokken voorziening tegemoet te komen, kan de verzoeker een klacht indienen bij het [3 toezichthoudend orgaan]3 die zich over de zaak buigt en, voor zover nodig, maatregelen neemt om ervoor te zorgen dat een passend deel van de capaciteit wordt gegund aan de betrokken verzoeker.
   § 6. Wanneer de in bijlage 1, punt 2, bedoelde dienstvoorziening gedurende tenminste twee opeenvolgende jaren niet is gebruikt, en spoorwegondernemingen ten aanzien van de exploitant van die dienstvoorziening hun belangstelling hebben laten blijken voor toegang tot de voorziening, op basis van aangetoonde behoeften, biedt de eigenaar de exploitatie van de voorziening geheel of gedeeltelijk aan voor leasing, of verhuring als spoordienstvoorziening, tenzij de exploitant van die dienstvoorzieningen aantoont dat de voorziening vanwege een lopend reconversieproces niet door een spoorwegonderneming kan worden gebruikt.
   § 7. Indien de exploitant van de dienstvoorzieningen voorziet in een van de in bijlage 1, punt 3, bedoelde, aanvullende diensten", biedt hij deze op verzoek op niet-discriminerende wijze aan een spoorwegonderneming aan.
   § 8. De spoorwegondernemingen mogen de infrastructuurbeheerder of andere exploitanten van de dienstvoorziening om een bijkomende reeks in bijlage 1, punt 4, bedoelde "ondersteunende diensten" verzoeken. De exploitant van een dienstvoorziening is niet verplicht deze diensten te verlenen. Wanneer de exploitant van de dienstvoorziening besluit een of meer diensten van deze reeks aan anderen aan te bieden, verstrekt hij deze op verzoek en op niet-discriminerende wijze aan spoorwegondernemingen.
   § 9. De Koning kan maatregelen nemen waarin de te volgen procedure en de na te leven criteria worden bepaald voor de toegang tot de diensten die geleverd worden door de dienstvoorzieningen bedoeld in bijlage 1, punten 2 tot 4.]1

  [2 § 10. Het [3 toezichthoudend orgaan]3 wordt zonder verwijl geïnformeerd wanneer een aanvraag van toegang tot de dienstvoorzieningen of tot voorzieningen die verband houden met het spoorvervoer in het kader van een coördinatieprocedure niet kan ingewilligd worden door de exploitant van een dienstvoorziening bedoeld in bijlage 1, punt 2 zoals bepaald door de uitvoeringsverordening (EU) 2017/2177 van de Commissie van 22 november 2017 betreffende de toegang tot dienstvoorzieningen en spoorgebonden diensten.]2
  
Art. 9. [1 § 1er. Le gestionnaire de l'infrastructure fournit à toutes les entreprises ferroviaires, de manière non discriminatoire, l'ensemble des prestations minimales établies à l'annexe 1re, point 1.
   § 2. Les exploitants d'installations de service fournissent à toutes les entreprises ferroviaires, de manière non discriminatoire, un accès, y compris aux voies d'accès, aux infrastructures visées à l'annexe 1re, point 2, et aux services offerts dans ces infrastructures.
   § 3. Afin d'assurer la totale transparence et le caractère non discriminatoire de l'accès aux installations de service visées à l'annexe 1re, point 2, a), b), c), d), g) et i), et de la fourniture de services dans ces installations lorsque l'exploitant d'une telle installation de service est sous le contrôle direct ou indirect d'une entité ou entreprise qui est également active et occupe une position dominante sur des marchés nationaux de services de transport ferroviaire pour lesquels l'installation est utilisée, il est organisé de manière à assurer son indépendance organisationnelle et décisionnelle vis-à-vis de cette entité ou entreprise. Cette indépendance n'implique pas obligatoirement l'établissement d'une entité juridique distincte pour ces installations de service et peut être réalisée par la mise en place de divisions distinctes au sein d'une même entité juridique.
   Pour toutes les installations de service visées à l'annexe 1re, point 2, l'exploitant et l'entité ou l'entreprise disposent de comptes séparés, y compris des bilans, des comptes de résultat et des flux de trésorerie séparés.
   Lorsque l'exploitation de l'installation de service est assurée par un gestionnaire de l'infrastructure ou que l'exploitant de l'installation de service est sous le contrôle direct ou indirect d'un gestionnaire de l'infrastructure, le respect des exigences visées dans le présent paragraphe est réputé être démontré par le respect des exigences visées à l'article 4/2.
   § 4. Les demandes d'accès à l'installation de service, et de fourniture de services dans ladite installation visée à l'annexe 1re, point 2, introduites par les entreprises ferroviaires sont traitées dans un délai raisonnable fixé par l'organe de contrôle. Ces demandes ne peuvent être refusées que s'il existe des alternatives viables permettant aux entreprises ferroviaires d'exploiter le service de fret ou de transport de voyageurs concerné sur le même trajet ou sur un itinéraire de substitution dans des conditions économiquement acceptables. Cela n'oblige pas l'exploitant de l'installation de service à investir dans les ressources ou les installations pour répondre à toutes les demandes introduites par les entreprises ferroviaires.
   Lorsque les demandes introduites par les entreprises ferroviaires concernent l'accès à une installation de service et la fourniture de services dans une installation de service gérée par un exploitant d'installation de service visé au paragraphe 3, cet exploitant justifie par écrit toute décision de refus et indique les alternatives viables dans d'autres installations.
   § 5. En cas de conflit entre différentes demandes, un exploitant d'installation de service visée à l'annexe 1re, point 2, tente de répondre à toutes les demandes dans la mesure du possible. Si aucune alternative viable n'existe et qu'il est impossible de répondre à toutes les demandes de capacités pour l'installation concernée sur la base des besoins avérés, le candidat peut introduire une plainte auprès de l'organe de contrôle, qui examine le dossier et prend des mesures, le cas échéant, pour qu'une partie adéquate de la capacité soit dévolue à ce candidat.
   § 6. Si une installation de service visée à l'annexe 1re, point 2, n'a pas été utilisée pendant au moins deux années consécutives et si des entreprises ferroviaires se sont déclarées intéressées par un accès à cette installation auprès de l'exploitant de cette installation, sur la base de besoins avérés, son propriétaire annonce publiquement que son exploitation est disponible à la location ou au crédit-bail en tant qu'installation de service ferroviaire, en totalité ou en partie, à moins que l'exploitant de cette installation de service ne démontre qu'un processus de reconversion en cours empêche son utilisation par une entreprise ferroviaire.
   § 7. Si l'exploitant de l'installation de service fournit l'un des services visés à l'annexe 1re, point 3, en tant que prestations complémentaires, il les fournit de manière non discriminatoire à toute entreprise ferroviaire qui en fait la demande.
   § 8. Les entreprises ferroviaires peuvent demander, en tant que prestation connexe, au gestionnaire de l'infrastructure ou à d'autres exploitants d'installations de service, une prestation visée à l'annexe 1re, point 4. L'exploitant d'installations de service n'est pas tenu de fournir ces prestations connexes. Lorsque l'exploitant de l'installation de service décide de proposer à d'autres l'une de ces prestations, il les fournit sur demande aux entreprises ferroviaires de manière non discriminatoire.
   § 9. Le Roi peut adopter des mesures détaillant la procédure à suivre et les critères à respecter pour l'accès aux services à fournir dans les installations de service visées à l'annexe 1re, points 2 à 4.]1

  [2 § 10. L'organe de contrôle est informé sans retard lorsqu'une demande d'accès à des installations de service ou de fourniture de services associés au transport ferroviaire ne peut être satisfaite à l'issue de la procédure de coordination, par l'exploitant d'une installation de service visée à l'annexe 1re, point 2, tel que prévue par le règlement d'exécution (UE) 2017/2177 de la Commission du 22 novembre 2017 concernant l'accès aux installations de service et aux services associés au transport ferroviaire.]2
  
Afdeling 3. - Vergunningen
Section 3. - Autorisations
Art. 10. Onverminderd andersluidende bepalingen worden de vergunningen met betrekking tot de [2 plaatsing van nutsvoorzieningen]2 en tot de bouw van kunstwerken boven en onder de spoorweg afgegeven door [3 de infrastructuurbeheerder]3. Hij maakt een inventaris op en houdt deze bij.
  De [2 nutsvoorzieningen]2 die een potentieel gevaar voor de bevolking of voor het milieu kunnen inhouden worden duidelijk aangegeven en gelokaliseerd ten opzichte van het [1 spoorwegnet]1.
  
Art. 10. Sous réserve d'autres dispositions, les autorisations relatives aux [1 au placement d'installations d'utilité publique]1 ainsi qu'à la construction d'ouvrages d'art au-dessus ou au-dessous du chemin de fer sont délivrées par le [2 gestionnaire de l'infrastructure]2. Il établit et tient à jour un inventaire y relatif.
  Les [1 installations d'utilité publique]1 qui peuvent présenter un risque pour la population ou l'environnement sont clairement identifiées et localisées par rapport au réseau ferroviaire.
  
HOOFDSTUK 2. - Vergunning van spoorwegonderneming
CHAPITRE 2. - Licence d'entreprise ferroviaire
Afdeling 1. - Principes
Section 1re. - Principes
Art. 11. [1 Elke onderneming die een exploitatiezetel in België heeft, heeft het recht een vergunning aan te vragen die haar toelaat om als spoorwegonderneming erkend te worden.
   De Koning wijst bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de instantie aan die verantwoordelijk is voor het verlenen van vergunningen.
   De instantie verantwoordelijk voor het verlenen van vergunningen, verricht zelf geen spoorwegvervoersdiensten en is onafhankelijk van elke onderneming of entiteit die deze diensten verricht.]1

  
Art. 11. [1 Toute entreprise ayant un siège d'exploitation en Belgique a le droit de demander une licence lui permettant d'être reconnue comme entreprise ferroviaire.
   Le Roi désigne, par un arrêté délibéré en Conseil des ministres, l'autorité responsable de la délivrance des licences.
   L'autorité responsable de la délivrance des licences n'effectue elle-même aucune prestation de services de transport ferroviaire et est indépendante de toute entreprise ou entité qui l'effectue.]1

  
Art. 12. De vergunning is onoverdraagbaar en beschrijft de typediensten waarvoor ze geldig is. Ze is op het gehele grondgebied van de Europese Unie geldig.
Art. 12. La licence est incessible et détermine les types de services pour lesquels elle est valable. Elle est valable sur tout le territoire de l'Union européenne.
Afdeling 2. - Voorwaarden voor de afgifte van de vergunning
Section 2. - Conditions de délivrance de la licence
Art. 13. § 1. [1 Om een vergunning te verkrijgen, levert de vergunningaanvrager vóór het begin van zijn activiteiten het bewijs ten aanzien van de vergunningverlenende instantie dat hij te allen tijde kan voldoen aan de door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad vastgestelde voorwaarden inzake de financiële draagkracht, beroepsbekwaamheid, dekking van de burgerlijke aansprakelijkheid en eerbaarheid.
   Een onderneming die aan de voorwaarden van het eerste lid voldoet, is gerechtigd een vergunning te ontvangen.]1

  § 2. Om aan § 1 te voldoen moet elke onderneming die een vergunning aanvraagt alle nuttige inlichtingen verstrekken.
  § 3. De Koning bepaalt de nadere regels voor het indienen van een aanvraag en voor de afgifte van de vergunning. [1 De Koning kan het model van de vergunning bepalen.]1
  § 4. De Koning bepaalt de minimumbedragen voor de dekking van de burgerlijke aansprakelijkheid.
  
Art. 13. § 1er. [1 Pour obtenir une licence, le demandeur démontre à l'autorité responsable des licences, dès avant le début de ses activités, qu'il pourra à tout moment satisfaire aux conditions, déterminées par le Roi par un arrêté délibéré en Conseil des ministres, en matière de capacité financière, de capacité professionnelle, de couverture de sa responsabilité civile ainsi qu'en matière d'honorabilité.
   Toute entreprise qui satisfait aux exigences mentionnées à l'alinéa 1er est autorisée à recevoir une licence.]1

  § 2. Aux fins du § 1er, toute entreprise qui demande une licence doit fournir tous les renseignements utiles.
  § 3. Le Roi détermine les modalités d'introduction de la demande et de délivrance de la licence. [1 Le Roi peut déterminer le modèle de la licence.]1
  § 4. Le Roi fixe les montants minimaux pour la couverture de la responsabilité civile.
  
Afdeling 3. - Geldigheid van de vergunning
Section 3. - Validité de la licence
Art. 14. De vergunning blijft geldig zolang de onderneming de voorwaarden, gesteld in artikel 13, naleeft.
  De vergunning wordt aan een nieuw onderzoek onderworpen :
  1° met regelmatige door de Koning bepaalde tussenpozen, ten minste om de vijf jaar;
  2° indien de spoorwegonderneming plant om haar activiteiten ingrijpend te wijzigen of uit te breiden,
  3° bij ernstige twijfel over de naleving door de spoorwegonderneming van de eisen opgesomd in artikel 13.
  De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de nadere regels van dit nieuwe onderzoek.
Art. 14. La licence reste valable aussi longtemps que l'entreprise ferroviaire remplit les conditions visées à l'article 13.
  La licence est réexaminée :
  1° à intervalles réguliers, déterminés par le Roi, au moins tous les cinq ans;
  2° si l'entreprise ferroviaire envisage de modifier ou d'étendre ses activités de manière significative;
  3° s'il existe un doute sérieux quant au respect des exigences énumérées à l'article 13, par l'entreprise ferroviaire.
  Le Roi détermine, par un arrêté délibéré en Conseil des Ministres, les modalités de ce réexamen.
Afdeling 4. - Intrekking en schorsing van de vergunning
Section 4. - Retrait et suspension de la licence
Art. 15. De faillissementsuitspraak brengt van rechtswege de intrekking van de vergunning met zich mee.
Art. 15. Le jugement déclaratif de faillite emporte de plein droit retrait de la licence.
Art. 16. Wanneer [1 de vergunningverlenende autoriteit]1 vaststelt dat er een ernstige twijfel bestaat over de naleving van de voorwaarden bepaald in dit hoofdstuk of in zijn uitvoeringsbesluiten door een spoorwegonderneming aan dewelke een vergunning werd afgegeven door de overheid van een andere lidstaat, [1 licht zij]1 dadelijk die overheid in.
  
Art. 16. Lorsque [1 l'autorité responsable des licences]1 constate qu'il existe un doute sérieux quant au respect des exigences définies dans le présent chapitre ou ses arrêtés d'exécution, par une entreprise ferroviaire à laquelle a été délivrée une licence par l'autorité d'un autre Etat membre, [1 elle en informe]1 sans délai cette autorité.
  
Art. 17. [1 De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de gevallen en de nadere regels voor het schorsen en het intrekken van vergunningen, het indienen van de nieuwe aanvragen, het afleveren van een tijdelijke vergunning.
   Bijzondere bepalingen betreffende het schorsen of intrekken van de vergunning kunnen in de vergunning zelf worden opgenomen.]1

  
Art. 17. [1 Le Roi détermine, par un arrêté délibéré en Conseil des ministres, les cas et les modalités de suspension et de retrait de la licence, d'introduction des nouvelles demandes, de délivrance d'une licence temporaire.
   Des dispositions spécifiques concernant la suspension ou le retrait d'une licence peuvent être incluses dans la licence elle- même.]1

  
Art. 18. Alle beslissingen inzake vergunningen worden meegedeeld aan [1 het Bureau]1.
  
Art. 18. Toute décision en matière de licences est notifiée à [1 l'Agence]1.
  
Afdeling 5. - Jaarlijkse retributie voor een vergunning
Section 5. - Redevance annuelle liée à la détention d'une licence
Art. 19. § 1. De houder van een vergunning van spoorwegonderneming dient als deelneming in de kosten voor administratie, controle en toezicht, een jaarlijks geïndexeerde retributie te storten.
  § 2. Deze retributie moet worden betaald bij de afgifte van de vergunning en vervolgens vóór 1 januari van elk jaar.
  § 3. Deze retributie wordt niet teruggestort bij schorsing of intrekking van de vergunning of bij stopzetting van de activiteiten die door de vergunning gedekt worden. Wanneer de vergunning is ingetrokken of geschorst kan de retributie niet langer voor het volgend jaar worden geëist.
  § 4. Bij niet-betaling kan de vergunning worden geschorst.
  § 5. De Koning bepaalt het bedrag, de betalingswijze en het indexeringsmechanisme van de retributie.
Art. 19. § 1er. Il est dû par le titulaire d'une licence d'entreprise ferroviaire, au titre de participation dans les frais d'administration, de contrôle et de surveillance, une redevance annuelle indexée.
  § 2. Cette redevance doit être acquittée lors de la délivrance de la licence et ensuite, avant le 1er janvier de chaque année.
  § 3. Cette redevance n'est pas sujette à remboursement en cas de suspension ou de retrait de la licence ou de cessation de l'exercice des activités couvertes par la licence. Quand la licence a été retirée ou suspendue, la redevance ne peut plus être exigée pour l'année suivante.
  § 4. En cas de non-paiement, la licence peut être suspendue.
  § 5. Le Roi détermine le montant, les modalités de paiement et le mécanisme d'indexation de la redevance.
HOOFDSTUK 2/1. [1 - Bedrijfsplannen]1
CHAPITRE 2/1. [1 - Plans d'entreprise]1
Art. 19/1. [1 De spoorwegondernemingen stellen hun eigen bedrijfsplannen op, met inbegrip van de investerings- en financieringsplannen. Deze plannen zijn gericht op het bereiken van het financieel evenwicht van de ondernemingen en op andere doelstellingen op het gebied van technisch, commercieel en financieel beheer; daarnaast worden in deze bedrijfsplannen de middelen vermeld om deze doelstellingen te bereiken.]1
  
Art. 19/1. [1 Les entreprises ferroviaires adoptent leurs plans d'entreprise, y compris les plans d'investissement et de financement. Ces plans sont conçus en vue d'atteindre l'équilibre financier des entreprises et de réaliser les autres objectifs de gestion technique, commerciale et financière; ils mentionnent en outre les moyens permettant d'atteindre ces objectifs.]1
  
Art. 19/2. [1 In het kader van het beleid bedoeld in artikel 19/3, stelt de infrastructuurbeheerder een bedrijfsplan vast dat ook investerings- en financiële programma's bevat. Het plan wordt zodanig opgesteld, dat wordt gewaarborgd dat gebruik, aanbod en ontwikkeling van de infrastructuur optimaal en efficiënt zijn, en tevens een financieel evenwicht wordt bereikt en in de middelen voor de verwezenlijking van deze doelstellingen wordt voorzien. De infrastructuurbeheerder zorgt ervoor dat de bekende kandidaten en, op hun verzoek, potentiële kandidaten, toegang verkrijgen tot de desbetreffende informatie en in de gelegenheid worden gesteld om zich over de inhoud van het bedrijfsplan wat betreft de toegangs- en gebruiksvoorwaarden en de aard en het aanbieden en ontwikkelen van de infrastructuur, uit te spreken voordat het bedrijfsplan door de infrastructuurbeheerder wordt goedgekeurd.]1
  
Art. 19/2. [1 Dans le cadre de la stratégie visée à l'article 19/3, le gestionnaire de l'infrastructure adopte un plan d'entreprise incluant des plans d'investissement et de financement. Ce plan vise à assurer une utilisation, une mise à disposition et un développement optimaux et efficaces de l'infrastructure, tout en permettant d'atteindre l'équilibre financier et en prévoyant les moyens nécessaires pour réaliser ces objectifs. Le gestionnaire de l'infrastructure donne accès aux candidats connus et, sur demande, aux candidats potentiels aux informations pertinentes et leur donne la possibilité d'exprimer leur avis sur le contenu du plan d'entreprise pour ce qui est des conditions d'accès et d'utilisation, de la nature, de la mise à disposition et du développement de l'infrastructure avant son approbation.]1
  
HOOFDSTUK 2/2. [1 - Ontwikkelingsplan voor de spoorweginfrastructuur]1
CHAPITRE 2/2. [1 - Stratégie de développement de l'infrastructure ferroviaire]1
Art. 19/3. [1 De minister legt, na raadpleging van de belanghebbende partijen, aan de Koning een indicatief plan voor over de ontwikkeling van de spoorweginfrastructuur om aan de toekomstige mobiliteitsbehoeften wat betreft onderhoud, vernieuwing en ontwikkeling van de infrastructuur te voldoen, dat is gebaseerd op een duurzame financiering van het spoorwegsysteem. Dit plan wordt aangenomen bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het bestrijkt een periode van ten minste vijf jaar en is hernieuwbaar.]1
  
Art. 19/3. [1 Le ministre propose au Roi, après consultation des parties intéressées, une stratégie indicative de développement de l'infrastructure ferroviaire visant à répondre aux futurs besoins de mobilité en termes d'entretien, de renouvellement et de développement de l'infrastructure et reposant sur un financement durable du système ferroviaire. Cette stratégie est adoptée par un arrêté royal délibéré en Conseil des ministres, couvre une période d'au moins cinq ans et est renouvelable.]1
  
HOOFDSTUK 3. - De betrekkingen tussen de spoorweginfrastructuur- beheerder en de spoorwegondernemingen
CHAPITRE 3. - Relations entre le [1 gestionnaire de l'infrastructure]1 et les entreprises ferroviaires
Afdeling 1. - Netverklaring
Section 1re. - Document de référence du réseau
Art. 20. [3 De infrastructuurbeheerder]3 stelt de netverklaring op en zorgt voor de bekendmaking ervan, na raadpleging van het [2 toezichthoudend orgaan]2, de kandidaten en de spoorwegondernemingen die het [1 net]1 gebruiken.
  
Art. 20. Le [1 gestionnaire de l'infrastructure]1 établit le document de référence du réseau et en assure la publicité, après consultation de l'organe de contrôle, des candidats et des entreprises ferroviaires circulant sur le réseau.
  
Art. 21. [1 De netverklaring beschrijft de aard van de voor spoorwegondernemingen beschikbare infrastructuur, en bevat informatie over de voorwaarden voor toegang tot de betreffende spoorweginfrastructuur. De netverklaring bevat ook informatie over de voorwaarden voor toegang tot dienstvoorzieningen die zijn aangesloten op het net van de infrastructuurbeheerder en voor de dienstverlening in die voorzieningen [2 ...]2 of een verwijzing naar een internetsite waarop deze informatie kosteloos in elektronische vorm wordt aangehouden. De inhoud van de netverklaring is opgenomen in bijlage 2.
   De netverklaring wordt bijgehouden en in voorkomend geval aangepast.]1

  
Art. 21. [1 Le document de référence du réseau contient les caractéristiques de l'infrastructure mise à la disposition des entreprises ferroviaires et contient des informations précisant les conditions d'accès à l'infrastructure ferroviaire concernée. Le document de référence du réseau contient également des informations précisant les conditions d'accès aux installations de service reliées au réseau du gestionnaire de l'infrastructure et la fourniture de services dans ces installations, ou indique un site internet où ces informations sont mises gratuitement à disposition sous forme électronique. Le contenu du document de référence du réseau est défini à l'annexe 2.
   Le document de référence du réseau est tenu à jour et, le cas échéant, modifié.]1

  
Art. 22. De netverklaring wordt bekendgemaakt uiterlijk vier maanden vóór de uiterste datum die [2 de infrastructuurbeheerder]2 vastlegt voor het indienen van aanvragen voor spoorweginfrastructuurcapaciteit. Haar bekendmaking wordt aangekondigd door een bericht in het Belgisch Staatsblad.
  Zij kan elektronisch worden geraadpleegd of worden verkregen bij [2 de infrastructuurbeheerder]2 tegen betaling van een [1 vergoeding]1 die hij vaststelt. Deze retributie is niet hoger dan de kosten van zijn bekendmaking.
  
Art. 22. Le document de référence du réseau est publié au plus tard quatre mois avant la date limite fixée par le [1 gestionnaire de l'infrastructure]1 pour l'introduction des demandes de capacité de l'infrastructure ferroviaire. Sa publication est annoncée par voie d'avis au Moniteur belge.
  Il peut être consulté par voie électronique ou obtenu auprès du [1 gestionnaire de l'infrastructure]1 moyennant le paiement d'une redevance fixée par lui. Cette redevance n'excède pas le coût de publication.
  
Afdeling 2. - Overeenkomsten
Section 2. - Accords
Art. 23. Elk gebruik van de spoorweginfrastructuur door [4 een spoorwegonderneming]4 wordt voorafgegaan door het afsluiten van een overeenkomst tussen [7 de infrastructuurbeheerder]7 en de spoorwegonderneming die spoorwegvervoerdiensten verricht en waarin de respectieve rechten en verplichtingen van elke partij worden vastgelegd. De bepalingen van deze overeenkomst zijn niet-discriminerend, transparant en in overeenstemming met de geldende wettelijke en reglementaire bepalingen.
  Deze overeenkomst bepaalt onder meer de nadere regels van de tenuitvoerlegging van de [5 nationale voorschriften]5.
  Deze overeenkomst bevat eveneens een prestatieregeling die [3 heffingsregelingen]3 voor het gebruik van de infrastructuur toepast om de spoorwegonderneming en [7 de infrastructuurbeheerder]7 ertoe aan te zetten om tekortkomingen zo gering mogelijk te houden en de prestaties van het [2 spoorwegnet]2 te verbeteren.
  [1 De grondbeginselen van de prestatieregeling bedoeld in bijlage 24, punt 2, gelden voor het gehele net.]1
  [1 Deze regeling is voor het gehele net van toepassing en kan boetes inhouden voor handelingen die de exploitatie van het net verstoren, compensaties voor ondernemingen die onder verstoringen te lijden hebben, en premies ter beloning van prestaties die de ramingen overtreffen die gebaseerd zijn op de prestatieregeling.]1
  [1 Overeenkomstig bijlage 24, punt 2 bepaalt de infrastructuurbeheerder de grondbeginselen van de prestatieregeling in akkoord met de kandidaten.]1
  De partijen kunnen het [6 toezichthoudend orgaan]6 om advies vragen over de verenigbaarheid van deze overeenkomst met de bepalingen van deze Spoorcodex en zijn uitvoeringsbesluiten.
  [1 In afwijking van artikel 46, tweede lid, bepaalt de infrastructuurbeheerder de regels voor de berekening en betalingswijze van de retributies die voortvloeien uit de toepassing van de prestatieregeling. Hij past deze regels toe ten laatste vanaf 1 januari 2017.
   De prestatieregeling vastgesteld door het koninklijk besluit van 6 juli 2011 tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 december 2004 betreffende de verdeling van de spoorweginfrastructuurcapaciteiten en de retributie voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur is van toepassing tot aan de datum waarop de prestatieregeling vastgesteld overeenkomstig het zevende lid van toepassing wordt. Tot aan dezelfde datum bepaalt de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de regels voor de berekening en betalingswijze van de heffingen die voortvloeien uit de toepassing van de prestatieregeling.]1

  
Art. 23. Toute utilisation de l'infrastructure par [2 une entreprise ferroviaire]2 donne lieu préalablement à un accord conclu entre le [4 gestionnaire de l'infrastructure]4 avec l'entreprise ferroviaire assurant des services de transport ferroviaire, définissant les droits et obligations respectifs de chaque partie. Les conditions régissant cet accord sont non discriminatoires, transparentes et conformes aux dispositions légales et réglementaires en vigueur.
  Cet accord spécifie notamment les modalités de mise en oeuvre [3 des règles nationales]3.
  Cet accord contient également un système d'amélioration des performances qui consiste à utiliser les systèmes de tarification de l'utilisation de l'infrastructure en vue d'encourager l'entreprise ferroviaire et le [4 gestionnaire de l'infrastructure]4 à réduire au minimum les défaillances et à améliorer les performances du réseau ferroviaire.
  [1 Les principes de base du système d'amélioration des performances énumérés à l'annexe 24, point 2, s'appliquent à l'ensemble du réseau.]1
  Ce système s'applique à l'ensemble du réseau et peut prévoir des sanctions contre les actes à l'origine de défaillances et comporter des compensations pour les entreprises qui sont victimes de ces défaillances ainsi que des primes en cas de bonnes performances dépassant les prévisions basées sur le système d'amélioration des performances.
  [1 Conformément à l'annexe 24, point 2, le gestionnaire de l'infrastructure fixe les principes de base du système d'amélioration des performances en accord avec les candidats.]1
  Les parties peuvent recueillir l'avis de l'organe de contrôle sur la compatibilité de l'accord envisagé avec les dispositions du présent Code ferroviaire et de ses arrêtés d'exécution.
  [1 Par dérogation à l'article 46, alinéa 2, le gestionnaire de l'infrastructure détermine les règles de calcul et les modalités de paiement des redevances résultant de l'application du système d'amélioration des performances. Il applique ces règles et modalités au plus tard à partir du 1er janvier 2017.
   Le système d'amélioration des performances établi par l'arrêté royal du 6 juillet 2011 modifiant l'arrêté royal du 9 décembre 2004 relatif à la répartition des capacités de l'infrastructure ferroviaire et à la redevance d'utilisation de l'infrastructure ferroviaire est d'application jusqu'à la date d'application du système d'amélioration des performances établi conformément à l'alinéa 7. Jusqu'à la même date, le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des ministres les règles de calcul et les modalités de paiement des redevances résultant de l'application du système d'amélioration des performances.]1

  
Art. 24. § 1. [5 De infrastructuurbeheerder]5 en de kandidaat kunnen een kaderovereenkomst sluiten die hun rechten en verplichtingen vaststelt met betrekking tot de toe te wijzen infrastructuurcapaciteit en de [2 heffing]2 voor een periode die langer is dan de geldigheidsduur van één dienstregelingstijdvak.
  In deze kaderovereenkomst worden de kenmerken opgenomen van de infrastructuurcapaciteit die door de kandidaat wordt aangevraagd en de infrastructuurcapaciteiten aangeboden voor een termijn van meer dan één dienstregelingsperiode. De kaderovereenkomst behelst geen gedetailleerde beschrijving van een treinpad, maar is zo opgesteld dat aan de gewettigde commerciële behoeften van de [1 kandidaat]1 wordt tegemoet gekomen.
  De kaderovereenkomst mag geen belemmering vormen voor het gebruik van de infrastructuur door andere kandidaten of diensten.
  Een kaderovereenkomst kan gewijzigd worden om een beter gebruik van de spoorweginfrastructuur mogelijk te maken.
  De kaderovereenkomst kan maatregelen bevatten die gedragingen sanctioneren die tot gevolg hebben dat de overeenkomst wordt gewijzigd of beëindigd.
  Mits eerbiediging van de vertrouwelijkheid worden de algemene bepalingen van elke kaderovereenkomst openbaar gemaakt aan alle partijen die in aanmerking komen voor het gebruiken van dezelfde capaciteiten.
  De kaderovereenkomst heeft in beginsel een looptijd van vijf jaar, en kan worden verlengd met periodes die gelijk zijn aan haar oorspronkelijke looptijd. [5 De infrastructuurbeheerder]5 kan in bijzondere gevallen met een kortere of langere looptijd instemmen. Een looptijd van meer dan vijf jaar wordt gerechtvaardigd door het bestaan van commerciële overeenkomsten, specifieke investeringen of risico's.
  [1 ...]1
  De partijen kunnen het [4 toezichthoudend orgaan]4 om advies vragen over de verenigbaarheid van de beoogde overeenkomst met de bepalingen van deze Spoorcodex en zijn uitvoeringsbesluiten.
  [5 De infrastructuurbeheerder]5 werkt het model van de kaderovereenkomst uit dat [1 integraal]1 deel uitmaakt van de netverklaring.
  [1 Het model van de kaderovereenkomst wordt voorafgaandelijk voor advies voorgelegd aan het [4 toezichthoudend orgaan]4.]1
  § 2. In afwijking van artikel 24, § 1, zevende lid, kan voor diensten waarbij gebruik wordt gemaakt van infrastructuur die overeenkomstig artikel 38, tweede lid, is aangewezen en die een door de [1 kandidaat]1 naar behoren gemotiveerde aanzienlijke en langdurige investering vereist, de looptijd van de kaderovereenkomst vijftien jaar bedragen. Een looptijd van meer dan vijftien jaar is alleen in uitzonderingsgevallen mogelijk, met name bij aanzienlijke en langdurige investeringen, wanneer deze het voorwerp uitmaken van contractuele verplichtingen waaronder een meerjarenplan voor de afschrijving van deze investeringen.
  De [1 kandidaat]1 kan in dit geval om een gedetailleerde omschrijving van de capaciteitskenmerken verzoeken, meer bepaald de frequentie, het volume en de kwaliteit van treinpaden die hem voor de looptijd van de kaderovereenkomst ter beschikking worden gesteld. [5 De infrastructuurbeheerder]5 kan de gereserveerde capaciteit verlagen indien deze voor een periode van ten minste één maand minder is gebruikt dan de drempelwaarde bedoeld [3 in artikel 43]3.
  Een eerste kaderovereenkomst kan voor een periode van vijf jaar worden opgesteld, die met vijf jaar verlengd kan worden, op basis van de capaciteitskenmerken die worden gebruikt door [1 kandidaten]1 die vóór 1 januari 2010 diensten exploiteren, ten einde rekening te houden met specifieke investeringen of met het bestaan van commerciële overeenkomsten. Het [4 toezichthoudend orgaan]4 is belast met het verlenen van toestemming voor de inwerkingtreding van een dergelijke overeenkomst.
  [1 § 3. De Koning kan voor de toepassing van dit artikel de procedure en de na te leven criteria vaststellen.]1
  
Art. 24. § 1er. Le [3 gestionnaire de l'infrastructure]3 et le candidat peuvent conclure un accord-cadre fixant leurs droits et obligations en ce qui concerne les capacités d'infrastructure à répartir et la tarification à appliquer, sur une durée dépassant une seule période de validité de l'horaire de service.
  Cet accord-cadre précise les caractéristiques des capacités d'infrastructure ferroviaire demandées par le candidat et les capacités d'infrastructure ferroviaire offertes pour une durée dépassant une seule période de validité de l'horaire de service. L'accord-cadre ne définit pas un sillon de façon détaillée mais est établi de façon à répondre aux besoins commerciaux légitimes du candidat.
  L'accord-cadre ne fait pas obstacle à l'utilisation de l'infrastructure concernée par d'autres candidats ou services.
  L'accord-cadre peut être modifié afin de permettre une meilleure utilisation de l'infrastructure ferroviaire.
  L'accord-cadre peut comporter des mesures sanctionnant les comportements aboutissant à la modification de l'accord ou à y mettre fin.
  Tout en respectant la confidentialité sous l'angle commercial, les dispositions générales de chaque accord-cadre sont communiquées à toutes les parties susceptibles d'utiliser les mêmes capacités.
  L'accord-cadre est conclu en principe pour une durée de cinq ans, renouvelable par périodes égales à sa durée initiale. Le [3 gestionnaire de l'infrastructure]3 peut, dans des cas particuliers, accepter des périodes plus courtes ou plus longues. Toute période d'une durée supérieure à cinq ans est motivée par l'existence de contrats commerciaux, d'investissements particuliers ou de risques.
  [1 ...]1
  Les parties peuvent recueillir l'avis de l'organe de contrôle sur la compatibilité de l'accord envisagé avec les dispositions du présent Code ferroviaire et de ses arrêtés d'exécution.
  Le [3 gestionnaire de l'infrastructure]3 élabore le modèle d'accord-cadre qui fait partie intégrante du document de référence du réseau.
  [1 Le modèle d'accord-cadre est soumis à l'avis préalable de l'organe de contrôle.]1
  § 2. Par dérogation à l'article 24, § 1er, alinéa 7, pour les services utilisant une infrastructure désignée conformément à l'article 38, alinéa 2, nécessitant des investissements importants et à long terme dûment justifiés par le candidat, l'accord-cadre peut être conclu pour une durée de quinze ans. Une durée supérieure de quinze ans n'est admissible que dans des cas exceptionnels, notamment lorsqu'il s'agit d'investissements importants et à long terme et spécialement lorsque ceux-ci font l'objet d'engagements contractuels comprenant un plan pluriannuel d'amortissement.
  Le candidat peut, dans ce cas, demander une définition détaillée des caractéristiques des capacités, notamment la fréquence, le volume et la qualité des sillons, qui sont mises à sa disposition pour la durée de l'accord-cadre. Le [3 gestionnaire de l'infrastructure]3 peut réduire les capacités réservées dont l'utilisation, sur une période d'au moins un mois, a été inférieure au seuil prévu [2 à l'article 43]2.
  Un accord-cadre initial peut être établi pour une période de cinq ans, renouvelable pour cinq ans, sur la base des caractéristiques des capacités utilisées par les candidats assurant des services avant le 1er janvier 2010, afin de tenir compte des investissements spécifiques ou de l'existence de contrats commerciaux. L'organe de contrôle est chargé d'autoriser l'entrée en vigueur d'un tel accord.
  [1 § 3. Le Roi peut déterminer la procédure à suivre et les critères à respecter pour l'application du présent article.]1
  
Afdeling 3. - Verstoringen, ongevallen en incidenten
Section 3. - Perturbations, accidents et incidents
Art. 25. Bij verstoring van het spoorwegverkeer door een technisch defect, een ongeval of een ernstig incident, neemt [2 de infrastructuurbeheerder]2 de nodige maatregelen om de normale toestand te herstellen.
  Zonder afbreuk te doen aan artikel 93 en hoofdstuk 6 van titel 4 stelt hij een interventieplan op dat een lijst bevat van de verschillende te waarschuwen betrokken instanties in geval van ongeval of bestendige verstoringen van het verkeer.
  [1 In geval van een verstoring met mogelijke gevolgen voor het grensoverschrijdend verkeer, doet de infrastructuurbeheerder alle relevante informatie daaromtrent toekomen aan de infrastructuurbeheerders van wie het net en het verkeer hinder zouden kunnen ondervinden als gevolg van die verstoring. De infrastructuurbeheerders in kwestie werken met elkaar samen om het grensoverschrijdend verkeer weer te normaliseren.]1
  
Art. 25. En cas de perturbation de la circulation ferroviaire du fait d'une défaillance technique, d'un accident ou d'un incident grave, le [2 gestionnaire de l'infrastructure]2 prend les dispositions nécessaires pour assurer le rétablissement de la situation normale.
  Sans préjudice de l'article 93 et du chapitre 6 du titre 4, il établit un plan d'intervention qui comporte une liste des diverses instances intervenantes à alerter en cas d'accident grave ou de perturbations sérieuses de la circulation.
  [1 En cas de perturbation affectant potentiellement la circulation transfrontalière, le gestionnaire de l'infrastructure partage toute information pertinente avec les autres gestionnaires de l'infrastructure dont le réseau et la circulation ferroviaire sont susceptibles d'être affectés par la perturbation en question. Les gestionnaires de l'infrastructure concernés coopèrent pour assurer le rétablissement d'une situation normale dans la circulation transfrontalière.]1
  
Afdeling 3/1. [1 - Toegang tot traffic control en tot seinposten]1
Section 3/1. [1 - Accès au traffic control et aux postes de signalisation]1
Art. 25/1. [1 § 1. De spoorwegondernemingen hebben toegang tot de "traffic control".
   De spoorwegondernemingen hebben bovendien toegang tot de seinposten van de infrastructuurbeheerder, zijnde Brugge, Gent, Brussel, Antwerpen, Hasselt, Luik, Namen, Charleroi en Bergen om aan de infrastructuurbeheerder een prioriteitsvolgorde voor te stellen aangaande hun eigen treinen in geval van verstoring, voor zover door dit voorstel op geen enkele manier deelgenomen wordt aan de uitoefening van de essentiële functies met betrekking tot de verdeling van infrastructuurcapaciteiten.
   Wanneer een spoorwegonderneming wenst toegang te hebben tot andere seinposten dan deze bedoeld in het voorgaande lid, verleent de infrastructuurbeheerder haar toegang na een onderzoek over de fysieke haalbaarheid die hij geval per geval uitvoert.
   § 2. Teneinde de bevoegdheden bedoeld in paragraaf 1 uit te oefenen, mag elke spoorwegonderneming beschikken over een vertegenwoordiger bij "traffic control" en over een vertegenwoordiger bij elke seinpost bedoeld in § 1.
   De infrastructuurbeheerder bepaalt de praktische regels voor toegang tot de twee typen installaties, bedoeld in § 1, en maakt deze bekend op zijn beveiligde internetsite.]1

  
Art. 25/1. [1 § 1er. Les entreprises ferroviaires accèdent au "traffic control".
   Les entreprises ferroviaires ont également accès aux postes de signalisation du gestionnaire de l'infrastructure de Bruges, Gand, Bruxelles, Anvers, Hasselt, Liège, Namur, Charleroi et Mons, en vue de proposer au gestionnaire de l'infrastructure un ordre de priorité concernant leurs propres trains en cas de perturbation, pour autant que cette proposition ne participe en aucune façon à l'exercice de fonctions essentielles relatives à la répartition des capacités de l'infrastructure.
   Lorsqu'une entreprise ferroviaire souhaite accéder à d'autres postes de signalisation que ceux visés à l'alinéa précédent, le gestionnaire de l'infrastructure lui octroie cet accès après une étude de faisabilité physique qu'il réalise au cas par cas.
   § 2. Afin d'exercer les prérogatives visées au § 1er, chaque entreprise ferroviaire peut disposer d'un représentant au sein du "traffic control" et d'un représentant au sein de chaque poste de signalisation visé au § 1er.
   Le gestionnaire de l'infrastructure détermine les modalités pratiques de l'accès aux deux types d'installations visées au § 1er, et les publie sur son site Internet sécurisé.]1

  
Afdeling 4. - Vertrouwelijkheid
Section 4. - Confidentialité
Art. 26. De infrastructuurbeheerder eerbiedigt de vertrouwelijkheid uit commercieel oogpunt van de hem door de kandidaten verstrekte gegevens.
Art. 26. Le gestionnaire de l'infrastructure respecte la confidentialité, sous l'angle commercial, des informations que lui communiquent les candidats.
Afdeling 5. [1 - Planning van de onderhouds- of vernieuwingswerkzaamheden]1
Section 5. [1 - Planification des travaux d'entretien ou de renouvellement]1
Art. 26/1. [1 Voor de langetermijnplanning van een groot onderhoud en/of een grote vernieuwing van de spoorweginfrastructuur en/of een verbetering van de spoorweginfrastructuur, raadpleegt de infrastructuurbeheerder de kandidaten en houdt hij zo veel mogelijk rekening met de geuite bekommernissen.
   Onderhoudswerken worden door de infrastructuurbeheerder op niet-discriminerende wijze gepland.]1

  
Art. 26/1. [1 En ce qui concerne la planification à long terme des grands travaux d'entretien et/ou de renouvellement de l'infrastructure ferroviaire et/ou de réaménagement de l'infrastructure ferroviaire, le gestionnaire de l'infrastructure consulte les candidats et, dans la mesure du possible, tient compte des préoccupations exprimées.
   La programmation des travaux d'entretien est effectuée par le gestionnaire de l'infrastructure de manière non discriminatoire.]1

  
Afdeling 6. [1 - Samenwerkingsovereenkomst]1
Section 6. [1 - Accord de coopération]1
Art. 26/2. [1 Onverminderd het artikel 156ter van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, kan de infrastructuurbeheerder op niet-discriminerende wijze samenwerkingsovereenkomsten sluiten met een of meerdere spoorwegondernemingen, en dit met het oog op het bekomen van voordelen voor klanten zoals een vermindering van kosten of een verbetering van de prestatie op het deel van het netwerk als bedoeld in het akkoord.
   Het [2 toezichthoudend orgaan]2 wordt voorafgaandelijk aan het sluiten van dergelijke akkoorden, geïnformeerd.]1

  
Art. 26/2. [1 Sans préjudice de l'article 156ter que la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques, le gestionnaire de l'infrastructure peut conclure des accords de coopération avec une ou plusieurs entreprises ferroviaires de manière non discriminatoire, et ce en vue de procurer des avantages aux clients, comme une réduction des coûts ou une amélioration de la performance sur la partie du réseau visée par l'accord.
   L'organe de contrôle est informé préalablement à la conclusion de tels accords.]1

  
Afdeling 7. [1 - Coördinatiemechanisme]1
Section 7. [1 - Mécanismes de coordination]1
Art. 26/3. [1 De infrastructuurbeheerder voert een passend coördinatiemechanisme in ter waarborging van de coördinatie tussen de kandidaten, de FOD Mobiliteit en Vervoer en, wanneer het nodig blijkt, de andere belanghebbenden van de sector. Het [2 toezichthoudend orgaan]2 neemt deel als waarnemer. De coördinatie heeft onder andere betrekking op:
   1° de behoeften van de kandidaten inzake het onderhoud en de ontwikkeling van de infrastructuurcapaciteit;
   2° de inhoud van de gebruikersgerichte prestatiedoelstellingen in de beheersovereenkomsten als bedoeld in artikel 47 en van de prikkels als bedoeld in artikel 47, paragraaf 2, en de toepassing daarvan;
   3° de inhoud en toepassing van de netverklaring;
   4° intermodaliteits- en interoperabiliteitsaspecten;
   5° andere aspecten van de voorwaarden voor toegang, het gebruik van de infrastructuur en de kwaliteit van de dienstverlening van de infrastructuurbeheerder.
   In voorkomend geval stelt de infrastructuurbeheerder in overleg met de belanghebbende partijen richtsnoeren voor coördinatie op en maakt die bekend. De coördinatie vindt ten minste eenmaal per jaar plaats en de infrastructuurbeheerder publiceert op zijn website een overzicht van de krachtens dit artikel ondernomen activiteiten.
   In het kader van de coördinatie voorzien door dit artikel, plaatst de infrastructuurbeheerder de punten die gevraagd zijn door alle partijen, bedoeld in het eerste lid, op de agenda.
   De coördinatie voorzien door dit artikel bestaat, onverminderd de rechten van de kandidaten om beroep in te stellen bij [2 toezichthoudend orgaan]2 en de bevoegdheden van dit orgaan.
   § 2. De infrastructuurbeheerder neemt deel aan en werkt mee met het Europees netwerk van infrastructuurbeheerders overeenkomstig artikel 7septies van de richtlijn 2012/34/EU van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 tot instelling van één Europese spoorwegruimte.]1

  
Art. 26/3. [1 § 1er. Le gestionnaire de l'infrastructure met en place un mécanisme de coordination approprié pour assurer la coordination entre les candidats, le SPF Mobilité et Transports et, lorsque cela est pertinent, les autres parties prenantes du secteur. L'organe de contrôle participe en qualité d'observateur. La coordination porte notamment sur:
   1° les besoins des candidats quant à l'entretien et au développement des capacités de l'infrastructure;
   2° la teneur des objectifs de performance orientés vers l'utilisateur contenus dans les contrats visés à l'article 47 et des mesures d'incitation visées à l'article 47, paragraphe 2, ainsi que leur mise en oeuvre;
   3° la teneur et la mise en oeuvre du document de référence du réseau;
   4° les questions d'intermodalité et d'interopérabilité;
   5° toute autre question en rapport avec les conditions d'accès, l'utilisation de l'infrastructure et la qualité des services assurés par le gestionnaire de l'infrastructure.
   Le cas échéant, le gestionnaire de l'infrastructure élabore et publie des lignes directrices relatives à la coordination, en concertation avec les parties intéressées. La coordination a lieu au moins une fois par an et le gestionnaire de l'infrastructure publie sur son site internet un aperçu des activités menées en vertu du présent article.
   Dans le cadre de la coordination prévue par le présent article, le gestionnaire de l'infrastructure met à l'ordre du jour les points demandés par chacune des parties visées à l'alinéa 1er.
   La coordination prévue par le présent article s'entend sans préjudice du droit des candidats à saisir l'organe de contrôle et des compétences de cet organe.
   § 2. Le gestionnaire de l'infrastructure participe et coopère au réseau européen des gestionnaires de l'infrastructure établi conformément à l'article 7septies de la directive 2012/34/UE du Parlement Européen et du Conseil du 21 novembre 2012 établissant un espace ferroviaire unique européen.]1

  
HOOFDSTUK 4. - Toewijzing van de spoorweginfrastructuurcapaciteit
CHAPITRE 4. - Répartition des capacités de l'infrastructure ferroviaire
Afdeling 1. - Algemeenheden
Section 1re. - Généralités
Art. 27. [2 De infrastructuurbeheerder]2 stelt de specifieke toewijzingsregels voor de spoorweginfrastructuurcapaciteit op, op basis van de bepalingen van dit hoofdstuk, en maakt ze in de netverklaring bekend.
  [2 De infrastructuurbeheerder]2 kan het advies van het [1 toezichthoudend orgaan]1 inwinnen over de verenigbaarheid van deze specifieke toewijzingsregels met de bepalingen van deze Spoorcodex en zijn uitvoeringsbesluiten.
  In afwijking van het eerste lid, kan de Koning nadere toewijzingsregels bepalen met betrekking tot de voertuigen die uitsluitend bestemd zijn voor patrimoniale, historische of toeristische doeleinden.
  
Art. 27. Le [1 gestionnaire de l'infrastructure]1 établit les règles spécifiques de répartition des capacités de l'infrastructure ferroviaire sur la base des dispositions du présent chapitre et les publie dans le document de référence du réseau.
  Le [1 gestionnaire de l'infrastructure]1 peut recueillir l'avis de l'organe de contrôle sur la compatibilité de ces règles spécifiques avec les dispositions du présent Code ferroviaire et de ses arrêtés d'exécution.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, le Roi peut fixer des règles spécifiques de répartition pour les véhicules réservés à un usage strictement patrimonial, historique ou touristique.
  
Art. 27/1. [1 De aanvragen voor infrastructuurcapaciteit kunnen worden ingediend door kandidaten. Om deze infrastructuurcapaciteit te gebruiken, wijzen kandidaten, die geen spoorwegondernemingen zijn, een spoorwegonderneming aan die overeenkomstig artikel 23 een overeenkomst sluit met de infrastructuurbeheerder. Dit laat het recht van kandidaten om uit hoofde van artikel 32, overeenkomsten met de infrastructuurbeheerders te sluiten, onverlet.]1
  
Art. 27/1. [1 Les demandes visant à obtenir des capacités de l'infrastructure peuvent être introduites par les candidats. Afin d'utiliser ces capacités de l'infrastructure, les candidats, qui ne sont pas des entreprises ferroviaires, désignent une entreprise ferroviaire pour conclure un accord avec le gestionnaire de l'infrastructure conformément à l'article 23. Ceci s'entend sans préjudice du droit des candidats à conclure des accords avec le gestionnaire de l'infrastructure au sens de l'article 32.]1
  
Afdeling 2. - Beginselen van de toewijzing van de spoorweginfrastructuurcapaciteit
Section 2. - Principes de répartition des capacités de l'infrastructure ferroviaire
Art. 28. [1 De infrastructuurbeheerder]1 wijst de beschikbare capaciteiten op een werkzame en optimale manier toe, zowel voor de nationale als voor de internationale spoorwegdiensten, op een billijke en niet-discriminerende basis.
  [1 De infrastructuurbeheerder]1 is voortdurend in staat om aan elke belanghebbende partij de nog beschikbare capaciteit mee te delen.
  
Art. 28. Le [1 gestionnaire de l'infrastructure]1 répartit les capacités disponibles de manière effective et optimale, tant pour des services ferroviaires nationaux qu'internationaux, sur une base équitable et non discriminatoire.
  Le [1 gestionnaire de l'infrastructure]1 est, en permanence, en mesure d'indiquer à toute partie intéressée les capacités qui restent disponibles sur le réseau.
  
Art. 29. De beschikbare spoorweginfrastructuurcapaciteit die aan een kandidaat is toegewezen, mag niet aan een andere kandidaat of aan een andere dienst worden overgedragen.
  Het gebruik van capaciteit door een spoorwegonderneming die de activiteiten uitoefent van een kandidaat die zelf geen spoorwegonderneming is, wordt niet als een overdracht beschouwd.
  Elke handel in infrastructuurcapaciteit is verboden en heeft uitsluiting van capaciteitstoewijzing voor de geldende dienstregeling tot gevolg.
Art. 29. Les capacités disponibles de l'infrastructure ferroviaire affectées à un candidat ne peuvent être transférées à un autre candidat ou à un autre service.
  L'utilisation de capacités par une entreprise ferroviaire pour exercer les activités d'un candidat qui n'est pas une entreprise ferroviaire n'est pas considérée comme un transfert.
  Toute transaction relative aux capacités d'infrastructure est interdite et entraîne l'exclusion de l'attribution de capacités pour l'horaire de service en cours.
Art. 30. § 1. Het recht om een bepaalde capaciteit van de spoorweginfrastructuur te gebruiken onder de vorm van treinpaden, wordt aan een kandidaat toegewezen voor een maximale periode die overeenstemt met één enkele geldigheidsperiode van de dienstregeling.
  § 2. [1 De infrastructuurbeheerder]1 en de kandidaat kunnen evenwel een kaderovereenkomst overeenkomstig artikel 24, § 1, sluiten, voor het capaciteitsgebruik op de betrokken spoorweginfrastructuur voor een periode langer dan één enkele geldigheidsperiode van de dienstregeling.
  § 3. [1 De infrastructuurbeheerder]1 kan van de kandidaat verlangen dat hij de administratieve kosten betaalt die verbonden zijn aan de behandeling van zijn aanvraag, ongeacht of hem al dan niet een treinpad wordt toegewezen.
  
Art. 30. § 1er. Le droit d'utiliser des capacités déterminées de l'infrastructure ferroviaire sous forme de sillons est accordé à un candidat pour une durée maximale correspondant à une seule période de validité de l'horaire de service.
  § 2. Toutefois, le [1 gestionnaire de l'infrastructure]1 et un candidat peuvent conclure un accord-cadre, conformément à l'article 24, § 1er, en ce qui concerne l'utilisation de capacités sur l'infrastructure ferroviaire concernée, pour une durée supérieure à une seule période de validité de l'horaire de service.
  § 3. Le [1 gestionnaire de l'infrastructure]1 peut exiger du candidat le paiement des frais administratifs liés au traitement de la demande, qu'un sillon lui soit ou non attribué.
  
Art. 31. [1 Wanneer een kandidaat voornemens is infrastructuurcapaciteit aan te vragen met het oog op het exploiteren van een reizigersvervoersdienst, stelt hij de infrastructuurbeheerder en het [2 toezichthoudend orgaan]2 daarvan minstens achttien maanden voor de inwerkingtreding van de dienstregeling waarop de capaciteitsaanvraag betrekking heeft, in kennis.
   Opdat het [2 toezichthoudend orgaan]2 in staat is de mogelijke economische weerslag op de openbare dienstcontracten te beoordelen, zorgt het [2 toezichthoudend orgaan]2 ervoor dat de minister die een in een openbare dienstcontract omschreven reizigersvervoerdienst per spoor heeft gegund en elke spoorwegonderneming die het openbare dienstcontract uitvoert op het traject van deze reizigersvervoerdienst, uiterlijk binnen tien dagen op de hoogte worden gebracht.]1

  
Art. 31. [1 Lorsqu'un candidat a l'intention de demander des capacités d'infrastructure en vue d'exploiter un service de transport de voyageurs, il en informe le gestionnaire de l'infrastructure et l'organe de contrôle au moins dix-huit mois avant l'entrée en vigueur de l'horaire de service auquel la demande de capacité se rapporte.
   Afin que l'organe de contrôle soit en mesure d'évaluer l'incidence économique potentielle sur les contrats de service public existants, l'organe de contrôle veille à ce que le ministre ayant attribué le service de transport ferroviaire de voyageurs sur le trajet en question défini dans un contrat de service public et toute entreprise ferroviaire exécutant le contrat de service public sur le trajet de ce service de transport de voyageurs soient informés au plus tard dans un délai de dix jours.]1

  
Afdeling 3. - Toewijzingsprocedures
Section 3. - Procédures de répartition
Onderafdeling 1. - Aanvragen
Sous-section 1re. - Demandes
Art. 32. De aanvragen voor spoorweginfrastructuurcapaciteit worden ingediend :
  1° [1 hetzij door de kandidaten,]1
  2° hetzij door de toewijzende instantie voor spoorweginfrastructuurcapaciteit van een andere lidstaat van de Europese Unie voor het traject op Belgisch grondgebied.
  Zij worden tot de Belgische spoorweginfrastructuurbeheerder gericht wanneer het vertrek van de dienst op Belgisch grondgebied is gelegen.
  
Art. 32. Les demandes de capacités de l'infrastructure ferroviaire sont introduites :
  1° [1 soit par les candidats,]1
  2° soit par l'organisme de répartition des capacités d'infrastructure ferroviaire d'un autre Etat membre de l'Union européenne pour le trajet situé en Belgique.
  Elles sont adressées au [2 gestionnaire de l'infrastructure]2 belge lorsque le départ du service a lieu sur le territoire belge.
  
Art. 33. § 1. De aanvragen voor geregelde diensten worden ingediend en behandeld met naleving van het tijdschema opgenomen [2 in bijlage VII van de richtlijn 2012/34/EU met betrekking tot de openstelling van de markt voor het binnenlands passagiersvervoer per spoor en het beheer van de spoorweginfrastructuur]2 en volgens de nadere regels vermeld in de netverklaring.
  § 2. De aanvragen die passen in een kaderovereenkomst worden volgens die overeenkomst behandeld.
  § 3. De aanvragen die na de einddatum voor de indiening van de capaciteitsaanvragen werden ingediend, kunnen slechts worden toegekend uit de beschikbare capaciteit van het [1 net]1 na toewijzing van de treinpaden of uit de gereserveerde capaciteit.
  § 4. De aanvragen voor treinpaden die werden ingediend na de bekendmaking van de dienstregeling maar die betrekking hebben op deze dienstregeling, kunnen slechts worden toegekend voor de nog overblijvende duur van de lopende dienstregeling en uit de beschikbare capaciteit van het [1 net]1 na toewijzing van de treinpaden of uit de gereserveerde capaciteit.
  
Art. 33. § 1er. Les demandes relatives aux services réguliers sont introduites et traitées dans le respect du calendrier inscrit [1 à l'annexe VII de la directive 2012/34/UE du Parlement Européen et du Conseil du 21 novembre 2012 établissant un espace ferroviaire unique européen]1 et selon les modalités prévues dans le document de référence du réseau.
  § 2. Les demandes qui s'insèrent dans un accord-cadre sont traitées conformément à cet accord.
  § 3. Les demandes introduites au-delà de la date limite d'introduction des demandes de capacité ne peuvent être satisfaites que sur les capacités du réseau disponibles après l'attribution des sillons ou sur les capacités réservées.
  § 4. Les demandes présentées après la publication de l'horaire de service, mais qui concerne cet horaire de service, ne peuvent être satisfaites que pour la durée restante de l'horaire de service en cours et sur les capacités du réseau disponibles après l'attribution des sillons ou sur les capacités réservées.
  
Art. 34. [1 Onverminderd artikel 45, werkt de infrastructuurbeheerder samen met de infrastructuurbeheerders van andere lidstaten van de Europese Unie opdat de aanvragen die op meer dan één net betrekking hebben, waaronder op het Belgische net, kunnen ingediend worden bij één loket, dat ofwel een door de infrastructuurbeheerders opgerichte gezamenlijke instantie is ofwel één enkele infrastructuurbeheerder van het betrokken treinpad. Deze laatste handelt voor rekening van de kandidaat bij het zoeken van capaciteit bij andere betrokken infrastructuurbeheerders.
   Het eerste lid is van toepassing onverminderd de Verordening (EU) nr. 913/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2010 inzake het Europese spoorwegnet voor concurrerend goederenvervoer.
   Voor het overleg over de ontwerpdienstregeling begint, komen de verschillende infrastructuurbeheerders overeen welke internationale treinpaden in de dienstregeling worden opgenomen. Slechts indien absoluut noodzakelijk, worden wijzigingen aangebracht.]1

  
Art. 34. [1 Sans préjudice de l'article 45, le gestionnaire de l'infrastructure coopère avec les gestionnaires d'infrastructure ferroviaire des autres Etats membres de l'Union européenne afin que les demandes impliquant plusieurs réseaux, dont le réseau belge, puissent être adressées auprès d'un guichet unique, qui est soit une entité commune instituée par les gestionnaires de l'infrastructure, soit par un seul gestionnaire de l'infrastructure participant au sillon. Ce dernier agit dès lors pour le compte du candidat dans sa recherche de capacités auprès des autres gestionnaires des infrastructures ferroviaires concernés.
   L'alinéa 1er s'applique sans préjudice du Règlement (UE) n° 913/2010 du Parlement européen et du Conseil du 22 septembre 2010 relatif au réseau ferroviaire européen pour un fret compétitif.
   Les sillons internationaux tels que convenus par les différents gestionnaires de l'infrastructure ferroviaire sont intégrés dans le projet d'horaire avant le début des consultations à son sujet. Des ajustements ne sont opérés qu'en cas d'absolue nécessité.]1

  
Art. 35. Vanaf de einddatum voor het indienen van de aanvragen, beschikt [2 de infrastructuurbeheerder]2 over vier maanden om een ontwerp-dienstregeling op te stellen.
  Dit ontwerp wordt opgesteld rekening houdend met de voorlopige internationale treinpaden die werden opgemaakt in de volgens de procedure bedoeld in artikel 34 georganiseerde samenwerking; [2 de infrastructuurbeheerder]2 vergewist zich ervan dat die treinpaden in de loop van de procedure zoveel mogelijk worden behouden.
  [1 Wanneer de ontwerp-dienstregeling is opgesteld, raadpleegt [2 de infrastructuurbeheerder]2 de betrokken partijen en geeft hij hen één maand om hun opmerkingen voor te leggen. Tot de belanghebbende partijen behoren al deze die infrastructuurcapaciteit hebben aangevraagd, en ook andere partijen die in de gelegenheid wensen te worden gesteld opmerkingen te maken over de invloed die de dienstregeling kan hebben op hun mogelijkheden om gedurende het dienstregelingstijdvak spoorwegdiensten te verrichten. De infrastructuurbeheerder neemt gepaste maatregelen om met de gemaakte bezwaren rekening te houden.]1
  De dienstregeling treedt uiterlijk twaalf maanden na de einddatum voor indiening van de aanvragen in werking.
  
Art. 35. A partir de la date limite de dépôt des demandes, le [2 gestionnaire de l'infrastructure]2 dispose de quatre mois au plus pour établir un projet d'horaire de service.
  Ce projet est élaboré eu égard aux sillons internationaux provisoires établis en coopération selon la procédure décrite à l'article 34; le [2 gestionnaire de l'infrastructure]2 s'assure dans la mesure du possible que ces sillons sont respectés au cours de la procédure.
  [1 Lorsque le projet d'horaire de service est établi, le [2 gestionnaire de l'infrastructure]2 consulte les parties intéressées et leur laisse la faculté de présenter leurs observations durant un mois. Les parties intéressées comprennent toutes celles qui ont introduit une demande de capacités de l'infrastructure, ainsi que les autres parties qui souhaitent formuler des commentaires au sujet de l'incidence que l'horaire de service pourrait avoir sur leur aptitude à fournir des services ferroviaires durant la période de validité de l'horaire de service. Le gestionnaire de l'infrastructure adopte les mesures appropriées afin de prendre en compte les préoccupations exprimées.]1
  L'entrée en vigueur de l'horaire a lieu au plus tard douze mois après la date limite d'introduction des demandes.
  
Art. 36. Op punctuele aanvragen voor treinpaden antwoordt [1 de infrastructuurbeheerder]1 ten laatste binnen een termijn van vijf werkdagen. In geval van aanvragen bedoeld in artikel 33, §§ 3 en 4, antwoordt [1 de infrastructuurbeheerder]1 binnen een termijn van ten hoogste één maand. [1 De infrastructuurbeheerder]1 licht de kandidaten in over de niet-gebruikte en beschikbare capaciteit die zij zouden willen gebruiken.
  
Art. 36. En cas de demandes ponctuelles de sillons, le [1 gestionnaire de l'infrastructure]1 y répond dans un délai maximum de cinq jours ouvrables. En cas de demandes visées à l'article 33, §§ 3 et 4, le [1 gestionnaire de l'infrastructure]1 y répond dans un délai maximum d'un mois. Le [1 gestionnaire de l'infrastructure]1 informe les candidats des capacités non utilisées et disponibles que ceux-ci pourraient souhaiter utiliser.
  
Art. 37. Het geprogrammeerde onderhoud van de spoorweginfrastructuur neemt de vorm aan van een capaciteitsaanvraag die werd ingediend als reservering tijdens de voorbereiding van de dienstregeling. [4 De infrastructuurbeheerder]4 houdt rekening met zijn invloed op de capaciteitsaanvragen van de kandidaten.
  [1 De infrastructuurbeheerder stelt de belanghebbende partijen zo spoedig mogelijk in kennis van de niet-beschikbaarheid van infrastructuurcapaciteit als gevolg van niet-geplande onderhoudswerkzaamheden.]1
  [2 Het [3 toezichthoudend orgaan]3 kan de infrastructuurbeheerder opdragen deze informatie ter beschikking te stellen.]2
  
Art. 37. L'entretien programmé de l'infrastructure ferroviaire prend la forme d'une demande de capacité, introduite en tant que réservation dans le cadre de la préparation de l'horaire de service. Le [3 gestionnaire de l'infrastructure]3 tient compte de son incidence sur les demandes de capacités des candidats.
  [1 Le gestionnaire de l'infrastructure informe, dès que possible, les parties intéressées de l'indisponibilité des capacités de l'infrastructure en raison des travaux d'entretien non programmés.]1
  [2 L'organe de contrôle peut exiger que le gestionnaire de l'infrastructure mette ces informations à sa disposition.]2
  
Onderafdeling 2. - Programmerings- en coördinatieprocedures
Sous-section 2. - Procédures de programmation et de coordination
Art. 38. De infrastructuurcapaciteit wordt beschikbaar geacht voor alle types van diensten die beantwoorden aan de karakteristieken nodig om het betreffende treinpad te kunnen gebruiken.
  [1 De infrastructuurbeheerder]1 kan echter bepaalde specifieke spoorweginfrastructuren aanwijzen voor bepaalde types van spoorwegdiensten wanneer er vervangende reiswegen voorhanden zijn. Dit wordt in de netverklaring vermeld. Deze aanwijzing verhindert niet dat deze spoorweginfrastructuren voor andere types van spoorwegdiensten worden gebruikt, wanneer capaciteit beschikbaar is en het rollend materieel de vereiste technische karakteristieken bezit om de betreffende spoorweginfrastructuur te gebruiken.
  Deze aanduiding gebeurt na raadpleging van de betrokken partijen en na overleg met het bestuur.
  
Art. 38. La capacité de l'infrastructure est considérée comme étant disponible pour tous les types de services conformes aux caractéristiques requises pour emprunter le sillon en question.
  Toutefois, le [1 gestionnaire de l'infrastructure]1 peut désigner certaines infrastructures ferroviaires spécifiques, à utiliser pour des types déterminés de services ferroviaires lorsque des itinéraires de substitution existent. Il en est fait état dans le document de référence du réseau. Cette désignation ne fait pas obstacle à l'utilisation de ces infrastructures ferroviaires pour d'autres types de services ferroviaires dès lors que des capacités sont disponibles et que le matériel roulant présente les caractéristiques techniques requises pour emprunter l'infrastructure ferroviaire en question.
  Cette désignation se fait après consultation des parties intéressées et concertation avec l'administration.
  
Art. 39. [2 De infrastructuurbeheerder]2 spant zich in om aan alle aanvragen om spoorweginfrastructuurcapaciteit te voldoen; hij houdt rekening met de moeilijkheden waaraan de kandidaten het hoofd moeten bieden, zoals de economische weerslag op hun activiteiten en leeft de specifieke regels bedoeld in deze Spoorcodex na inzake concurrerende aanvragen, overbelasting, punctuele aanvragen, specificiteit van de spoorweginfrastructuur en onderhoudsaanvragen.
  [1 De infrastructuurbeheerder kan binnen de programmerings- en coördinatieprocedure prioriteit verlenen aan specifieke diensten, doch enkel in de gevallen bedoeld in de artikelen 38, 41 en 43.]1
  
Art. 39. Le [2 gestionnaire de l'infrastructure]2 s'efforce de satisfaire toutes les demandes de capacités de l'infrastructure ferroviaire; il tient compte des contraintes auxquelles les candidats doivent faire face, telle que l'incidence économique sur les activités et observe les règles spécifiques inscrites dans le présent Code concernant les demandes concurrentes, la saturation, les demandes ponctuelles, la spécification d'infrastructure ferroviaire et les demandes d'entretien.
  [1 Le gestionnaire de l'infrastructure peut, dans le cadre de la procédure de programmation et de coordination, accorder la priorité à certains services, mais uniquement dans les cas visés aux articles 38, 41 et 43.]1
  
Art. 40. [1 § 1. Wanneer de infrastructuurbeheerder tijdens de programmeringsprocedure op met elkaar concurrerende aanvragen stuit, tracht hij door coördinatie van deze aanvragen de meest geschikte oplossing uit te werken, die tegemoet komt aan alle vereisten.
   § 2. Wanneer zich een situatie voordoet, waarin coördinatie vereist is, heeft de infrastructuurbeheerder het recht, binnen redelijke grenzen een van de oorspronkelijk aangevraagde infrastructuurcapaciteit afwijkende capaciteit voor te stellen.
   § 3. De infrastructuurbeheerder tracht door overleg met de betrokken kandidaten eventuele conflicten op te lossen. Zulk een overleg wordt gebaseerd op de bekendmaking van volgende informatie binnen een redelijke termijn, kosteloos en schriftelijk of elektronisch :
   a) de door alle andere kandidaten op dezelfde trajecten aangevraagde treinpaden;
   b) de op voorlopige basis aan alle andere kandidaten op dezelfde trajecten toegewezen treinpaden;
   c) de overeenkomstig paragraaf 2 voorgestelde alternatieve treinpaden op de betrokken trajecten;
   d) de volledige en gedetailleerde informatie over de bij de toewijzingsprocedure gehanteerde criteria.
   Deze informatie wordt verstrekt zonder de identiteit van andere kandidaten mede te delen, tenzij de betrokken kandidaten daarmee hebben ingestemd.
   De beginselen die de coördinatieprocedure leiden worden in de netverklaring vastgelegd. Zij weerspiegelen in het bijzonder de moeilijkheid om internationale treinpaden aan te leggen en de weerslag die elke wijziging bij andere spoorweginfrastructuurbeheerders kan veroorzaken.]1

  
Art. 40. [1 § 1er. Lorsque le gestionnaire de l'infrastructure est confronté, dans le cadre de la programmation, à des demandes concurrentes, il s'efforce, par la coordination des demandes, d'assurer la meilleure adéquation possible entre elles.
   § 2. Lorsque la situation est telle qu'une coordination s'impose, le gestionnaire de l'infrastructure peut, dans des limites raisonnables, proposer des capacités de l'infrastructure différentes de celles qui ont été demandées.
   § 3. Le gestionnaire de l'infrastructure s'efforce, en consultant les candidats concernés, de résoudre les conflits éventuels. Cette consultation est fondée sur la communication, dans un délai raisonnable, gratuitement et par écrit ou par voie électronique, des informations suivantes :
   a) les sillons demandés par tous les autres candidats sur les mêmes lignes;
   b) les sillons alloués dans un premier temps à tous les autres candidats sur les mêmes lignes;
   c) les autres sillons proposés sur les lignes concernées, conformément au paragraphe 2;
   d) des informations complètes et détaillées sur les critères de répartition des capacités.
   Ces informations sont fournies sans révéler l'identité des autres candidats, à moins que les candidats concernés n'aient accepté qu'elles le soient.
   Les principes régissant la procédure de coordination sont définis dans le document de référence du réseau. Ils reflètent en particulier la difficulté de tracer des sillons internationaux et l'incidence que toute modification risque d'avoir sur les autres gestionnaires d'infrastructure ferroviaire.]1

  
Art. 41. § 1. Indien het na coördinatie van de aangevraagde treinpaden en na overleg met de kandidaten niet mogelijk is gebleken de aanvragen voor spoorweginfrastructuurcapaciteit [1 tot tevredenheid]1 van alle betrokkenen af te handelen of indien de spoorweginfrastructuur naar verwachting in de nabije toekomst met dezelfde schaarste zal te kampen hebben, verklaart [2 de infrastructuurbeheerder]2 het betrokken spoorweginfrastructuurelement onverwijld tot " overbelaste infrastructuur ".
  § 2. [2 De infrastructuurbeheerder]2 verricht binnen de zes maanden na de verklaring tot overbelasting een capaciteitsanalyse, tenzij al een ontwerp van vergrotingsplan overeenkomstig § 3 werd goedgekeurd.
  De capaciteitsanalyse stelt de beperkingen van de spoorweginfrastructuurcapaciteit en de redenen van deze overbelasting vast, waardoor niet op gepaste wijze aan de capaciteitsaanvragen kan worden voldaan en stelt methoden en maatregelen voor om te kunnen voldoen aan bijkomende aanvragen die zouden kunnen genomen worden op korte of middellange termijn om daaraan te verhelpen.
  De Koning bepaalt de inhoud van de analyse.
  § 3. Binnen zes maanden na de opmaak van de capaciteitsanalyse legt [2 de infrastructuurbeheerder]2 een ontwerp van capaciteitsvergrotingsplan voor, na raadpleging van de gebruikers van de betrokken overbelaste spoorweginfrastructuur. Het ontwerp vermeldt de redenen voor de overbelasting, de vermoedelijke ontwikkeling van het verkeer, de beperkingen die wegen op de ontwikkeling van de spoorweginfrastructuur, de mogelijke oplossingen en hun kostprijs. Aan de hand van een kosten-batenanalyse van de mogelijke maatregelen wordt bepaald welke maatregelen zullen worden genomen om de capaciteit te vergroten, alsmede het tijdschema voor hun uitvoering.
  Het ontwerp wordt binnen drie maanden goedgekeurd bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
  § 4. [1 ...]1
  
Art. 41. § 1er. Lorsque, à l'issue de la procédure de coordination des sillons demandés et de la consultation des candidats, il s'avère impossible de [1 répondre favorablement à]1 toutes les demandes de capacités de l'infrastructure ferroviaire ou si l'on peut penser que les infrastructures ferroviaires souffriront d'une même pénurie dans un proche avenir, le [2 gestionnaire de l'infrastructure]2 déclare immédiatement la section de l'infrastructure ferroviaire concernée " infrastructure saturée ".
  § 2. Le [2 gestionnaire de l'infrastructure]2 établit dans les six mois de la déclaration de saturation, une analyse des capacités, sauf si un projet de renforcement a déjà été adopté, conformément au § 3.
  L'analyse des capacités détermine les restrictions des capacités de l'infrastructure ferroviaire et les raisons de cette saturation qui empêchent que les demandes de capacités puissent être satisfaites de manière appropriée, et propose des méthodes et des mesures permettant de satisfaire les demandes supplémentaires qui pourraient être prises à court et moyen termes pour y remédier.
  Le Roi détermine le contenu de l'analyse.
  § 3. Dans un délai de six mois courant à partir de l'établissement de l'analyse des capacités, le [2 gestionnaire de l'infrastructure]2 présente un projet de plan de renforcement des capacités après consultation des utilisateurs de l'infrastructure ferroviaire saturée. Le projet mentionne les raisons de la saturation, l'évolution probable du trafic, les contraintes qui pèsent sur le développement de l'infrastructure ferroviaire ainsi que les solutions envisageables et leur coût. Sur la base de l'analyse coût-avantage des mesures envisagées, les mesures à prendre pour renforcer les capacités et le calendrier pour leur mise en oeuvre sont définis.
  Le projet est approuvé dans un délai de trois mois par [1 un]1 arrêté royal délibéré en Conseil des ministres.
  § 4. [1 ...]1
  
Art. 42. § 1. [2 De infrastructuurbeheerder]2 heft niet langer de retributie bedoeld in artikel 50, § 2, voor de betrokken overbelaste spoorweginfrastructuur, indien :
  1° hij geen capaciteitsvergrotingsplan voorlegt binnen de termijn gesteld bij artikel 41, § 3, of
  2° hij het actieplan niet uitvoert dat is vastgelegd in het capaciteitsvergrotingsplan binnen de drie maanden volgend op de goedkeuring van dit plan.
  § 2. Onder voorbehoud van de goedkeuring door het [1 toezichthoudend orgaan]1, mag [2 de infrastructuurbeheerder]2 deze retributie echter blijven ontvangen indien :
  1° het capaciteitsvergrotingsplan niet kan worden uitgevoerd door omstandigheden onafhankelijk van zijn wil of
  2° de beschikbare mogelijkheden economisch of financieel niet haalbaar zijn.
  
Art. 42. § 1er. Le [1 gestionnaire de l'infrastructure]1 renonce à percevoir la redevance visée à l'article 50, § 2, sur l'infrastructure ferroviaire saturée concernée, dans les cas où :
  1° il ne présente pas un plan de renforcement des capacités dans le délai prévu à l'article 41, § 3, ou
  2° il ne met pas en oeuvre le plan d'action dressé dans le cadre du plan de renforcement dans les trois mois qui suivent son adoption.
  § 2. Toutefois, sous réserve de l'accord de l'organe de contrôle, le [1 gestionnaire de l'infrastructure]1 peut continuer à percevoir cette redevance si :
  1° le plan de renforcement des capacités ne peut pas être mis en oeuvre pour des raisons indépendantes de sa volonté, ou
  2° les options qui s'offrent à lui ne sont pas viables économiquement ou financièrement.
  
Art. 43. Wanneer een spoorweginfrastructuur overbelast verklaard is en de retributies bedoeld in artikel 50, § 2, niet zijn geïnd of onvoldoende resultaten hebben opgeleverd, past [2 de infrastructuurbeheerder]2 de door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad bepaalde prioriteiten toe afhankelijk van :
  1° openbare dienstverplichtingen;
  2° de noodzakelijke ontwikkeling van goederenvervoerdiensten, in het bijzonder van internationale goederenvervoerdiensten.
  [1 [2 De infrastructuurbeheerder]2 legt in de netverklaring vast op welke wijze hij bij het vaststellen van de bij de toewijzingsprocedure te hanteren voorrangsregels rekening zal houden met de vroegere benuttingsgraden van treinpaden.]1
  [1 [2 De infrastructuurbeheerder]2 legt op om afstand te doen van een treinpad waarvan het gebruik over een periode van ten minste één maand lager ligt dan een bepaalde drempelwaarde die opgenomen is in de netverklaring, tenzij dit te lage gebruik het gevolg zou zijn van andere dan economische redenen en waarover de betreffende kandidaat geen controle heeft.]1
  
Art. 43. Lorsqu'une infrastructure ferroviaire a été déclarée saturée et que les redevances visées à l'article 50, § 2, n'ont pas été perçues ou n'ont pas donné des résultats probants, le [2 gestionnaire de l'infrastructure]2 applique les priorités déterminées par le Roi, par un arrêté délibéré en Conseil des ministres, en fonction :
  1° d'obligations de service public;
  2° du développement nécessaire de services de transports de marchandises et, en particulier, de services de transports internationaux de marchandises.
  [1 Le [2 gestionnaire de l'infrastructure]2 précise, dans le document de référence du réseau, les conditions de prise en compte des niveaux d'utilisation antérieurs des sillons lors de la détermination des priorités dans le cadre de la procédure de répartition.]1
  [1 Le [2 gestionnaire de l'infrastructure]2 impose la renonciation à un sillon dont l'utilisation, sur une période d'au moins un mois, a été inférieure à un seuil déterminé dans le document de référence du réseau, à moins que cette sous-utilisation ne résulte de raisons autres qu'économiques échappant au contrôle du candidat concerné.]1
  
Art. 44. Bij hoogdringendheid of ingeval van absolute noodzaak wegens storingen die de spoorweginfrastructuur tijdelijk onbruikbaar maken, kunnen de toegekende treinpaden afgeschaft worden zonder voorafgaande kennisgeving en dit voor de duur nodig om de installatie opnieuw in werking te stellen.
  Indien hij het noodzakelijk acht, kan [1 de infrastructuurbeheerder]1 van de spoorwegondernemingen eisen, hem tegen een redelijke vergoeding de middelen ter beschikking te stellen die hij het meest geschikt acht om de normale toestand zo snel mogelijk te herstellen.
  
Art. 44. En cas d'urgence et de nécessité absolue, motivée par une défaillance rendant l'infrastructure ferroviaire momentanément inutilisable, les sillons alloués peuvent être supprimés sans préavis, le temps nécessaire à la remise en état des installations.
  S'il l'estime nécessaire, le gestionnaire de l'infrastructure peut exiger, moyennant une indemnisation raisonnable, des entreprises ferroviaires qu'elles mettent à sa disposition les moyens qui lui paraissent les plus appropriés pour rétablir la situation normale dans les meilleurs délais.
Onderafdeling 3. - Samenwerking met andere spoorweginfrastructuurbeheerders
Sous-section 3. - Coopération avec d'autres gestionnaires de l'infrastructure ferroviaire
Art. 45. [1 § 1. [3 De infrastructuurbeheerder]3 werkt samen met de infrastructuurbeheerders van de andere lidstaten van de Europese Unie, om spoorweginfrastructuurcapaciteit die verscheidene netten beslaat, met inbegrip van de kaderovereenkomsten bedoeld in artikel 24, op een efficiënte wijze te ontwerpen en toe te wijzen. In het raam van deze samenwerking ontwerpt [3 de infrastructuurbeheerder]3 internationale treinpaden en werkt de noodzakelijke procedures hiervoor uit. Hij beoordeelt ook de behoeften aan internationale treinpaden en, in voorkomend geval, stelt hij de totstandbrenging van die treinpaden voor en organiseert hij deze ter vergemakkelijking van de exploitatie van goederentreinen waarvoor een ad hoc-aanvraag als bedoeld in artikel 36 is ingediend.
   Wanneer de beslissingen van de infrastructuurbeheerder inzake de toewijzing gevolgen hebben voor andere infrastructuurbeheerders, stelt hij zich met hen in verbinding teneinde de toewijzing van alle relevante infrastructuurcapaciteit op een internationaal niveau te coördineren, of deze op dit niveau toe te wijzen, onverminderd de specifieke bepalingen inzake netten voor het goederenvervoer per spoor. De beginselen en criteria voor het toewijzen van capaciteit in het kader van deze samenwerking worden door de infrastructuurbeheerder bekendgemaakt in zijn netverklaring.
   § 2. Wanneer de Belgische spoorweginfrastructuurbeheerder het initiatief neemt voor deze samenwerking, meldt hij dit aan de Europese Commissie en nodigt hij haar als waarnemer uit. Hij maakt deze tevens op gepaste wijze bekend. Hij draagt er ook zorg voor dat het lidmaatschap, de werkwijzen van deze samenwerking en alle gehanteerde criteria voor de beoordeling en de toewijzing van infrastructuurcapaciteit openbaar worden gemaakt.
   De infrastructuurbeheerder stuurt aan het [2 toezichthoudend orgaan]2 de informatie met betrekking tot de opmaak van gemeenschappelijke beginselen en praktijken voor de toewijzing van infrastructuur en van de IT-toewijzingssystemen die noodzakelijk zijn voor de vervulling van zijn taken.]1

  
Art. 45. [1 § 1er. Le [2 gestionnaire de l'infrastructure]2 coopère avec les gestionnaires d'infrastructure ferroviaire des autres Etats membres de l'Union européenne, afin de permettre la création et la répartition efficace de capacités de l'infrastructure ferroviaire impliquant plusieurs réseaux, y compris les accords-cadres visés à l'article 24. Dans le cadre de cette coopération, le [2 gestionnaire de l'infrastructure]2 organise des sillons internationaux et met en place les procédures nécessaires à cette fin. Il évalue également les besoins et, le cas échéant, propose et organise les sillons internationaux afin de faciliter l'exploitation des trains de marchandises qui font l'objet d'une demande ad hoc visée à l'article 36.
   Lorsque les décisions du gestionnaire de l'infrastructure en matière de répartition ont des répercussions sur d'autres gestionnaires de l'infrastructure, il s'associe avec eux afin de coordonner la répartition des capacités de l'infrastructure ou de répartir toutes les capacités concernées au niveau international, sans préjudice des règles spécifiques relatives aux réseaux de fret ferroviaire. Les principes et critères de répartition des capacités établis dans le cadre de cette coopération sont publiés par le gestionnaire de l'infrastructure dans son document de référence du réseau.
   § 2. Lorsque le [2 gestionnaire de l'infrastructure]2 belge a l'initiative de cette coopération, il en informe la Commission européenne et il l'invite à participer en qualité d'observateur. Il le rend également public de manière appropriée. Il veille également à ce que la liste des participants, les modes de fonctionnement de cette collaboration et tous les critères utilisés pour l'évaluation et la répartition des capacités de l'infrastructure soient rendus publics.
   Le gestionnaire de l'infrastructure transmet à l'organe de contrôle les informations relatives à l'élaboration des principes et pratiques communs de répartition de l'infrastructure et aux systèmes de répartition informatiques qui sont nécessaires à la réalisation de ses tâches.]1

  
HOOFDSTUK 5. - Retributies voor het gebruik van de infrastructuur
CHAPITRE 5. - Redevances d'utilisation de l'infrastructure ferroviaire
Afdeling 1. - Algemeenheden
Section 1re. - Généralités
Art. 46. De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na advies van [3 de infrastructuurbeheerder]3, de wijze van berekening en de betalingswijzen van de retributies voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur.
  Hij kan na advies van [3 de infrastructuurbeheerder]3 eveneens [2 de specifieke heffingsvoorschriften]2 bepalen. Bij ontstentenis hiervan worden die voorschriften door [3 de infrastructuurbeheerder]3 vastgesteld.
  [1 De heffingsregeling]1 en de schalen worden in de netverklaring opgenomen.
  In afwijking van het eerste lid, kan de Koning nadere regels bepalen voor de wijze van berekening van de retributies voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur met betrekking tot voertuigen die uitsluitend bestemd zijn voor patrimoniale, historische of toeristische doeleinden.
  
Art. 46. Le Roi détermine, par un arrêté délibéré en Conseil des ministres, après avis du [1 gestionnaire de l'infrastructure]1, les règles de calcul et les modalités de paiement des redevances d'utilisation de l'infrastructure ferroviaire.
  Il peut également, après avis du [1 gestionnaire de l'infrastructure]1, définir les règles de tarification spécifiques. A défaut, ces règles sont déterminées par le [1 gestionnaire de l'infrastructure]1.
  Le système de tarification, ainsi que les barèmes sont mentionnés dans le document de référence du réseau.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, le Roi peut fixer des règles spécifiques de calcul des redevances d'utilisation de l'infrastructure ferroviaire pour les véhicules réservés à un usage strictement patrimonial, historique ou touristique.
  
Art. 47. [1 § 1. De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de gepaste maatregelen, met inbegrip van eventuele voorschotten, om ervoor te zorgen dat, onder normale zakelijke omstandigheden en over een redelijk tijdsverloop niet langer dan vijf jaar, uit de winst-en-verliesrekening van [2 de infrastructuurbeheerder]2 ten minste een evenwicht blijkt tussen de inkomsten uit de retributies voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur, overschotten uit andere commerciële activiteiten, niet-terugvorderbare inkomsten uit particuliere bronnen en overheidsfinanciering, waaronder, in voorkomend geval, begrepen de voorschotten van de Staat, enerzijds, en de spoorweginfrastructuuruitgaven, anderzijds.
   § 2. [2 De infrastructuurbeheerder]2 wordt met inachtneming van de eisen inzake veiligheid en de verbetering van de kwaliteit van de spoorweginfrastructuurdienst aangemoedigd om de kosten van de terbeschikkingstelling van spoorweginfrastructuur alsmede de hoogte van retributies voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur te verminderen.
   § 3. De uitvoering van § 2 wordt verwezenlijkt via de overeenkomst, gesloten tussen de infrastructuurbeheerder en de Belgische staat, voor een duur van ten minste vijf jaar en die voldoet aan de in bijlage 25 genoemde beginselen en parameters.
   De nadere regels van de in het eerste lid bedoelde overeenkomst en de structuur van de betalingen om de infrastructuurbeheerder te financieren, worden vooraf voor de gehele duur van de overeenkomst overeengekomen.
   De kandidaten, en potentiële kandidaten, indien deze daarom verzoeken, worden vóór de ondertekening van de in het eerste lid bedoelde overeenkomst door de infrastructuurbeheerder geïnformeerd over de inhoud ervan en krijgen de gelegenheid om vóór haar ondertekening hun standpunt daarover kenbaar te maken. De overeenkomst wordt binnen een maand na haar ondertekening bekendgemaakt.
   De infrastructuurbeheerder zorgt ervoor dat het bepaalde in de overeenkomst overeenstemt met het bedrijfsplan bedoeld in hoofdstuk 2/1 van titel 3.]1

  
Art. 47. [1 § 1er. Le Roi définit, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, les mesures appropriées, comprenant d'éventuels paiements ex ante, pour que les comptes de profits et pertes du [2 gestionnaire de l'infrastructure]2, dans les conditions normales d'activité et par rapport à une période raisonnable qui ne dépasse pas cinq ans, présentent au moins un équilibre entre, d'une part, les recettes tirées des redevances d'utilisation de l'infrastructure ferroviaire, les excédents dégagés d'autres activités commerciales, les revenus non remboursables de sources privées et le financement par l'Etat, y compris, le cas échéant, les avances de l'Etat et, d'autre part, les dépenses d'infrastructure ferroviaire.
   § 2. Le [2 gestionnaire de l'infrastructure]2 est, tout en respectant les exigences en matière de sécurité et en améliorant la qualité de service de l'infrastructure ferroviaire, encouragé à réduire les coûts de fourniture de l'infrastructure et le niveau des redevances d'utilisation de l'infrastructure ferroviaire.
   § 3. La mise en oeuvre du § 2 s'effectue dans le cadre du contrat conclu, pour une durée minimale de cinq ans, entre le gestionnaire de l'infrastructure et l'Etat belge et qui respecte les principes de base et les paramètres énoncés à l'annexe 25.
   Les modalités du contrat visé à l'alinéa 1er et la structure des versements destinés à procurer des moyens financiers au gestionnaire de l'infrastructure sont convenues à l'avance et couvrent toute la durée du contrat.
   Les candidats et, sur demande, les candidats potentiels, sont informés avant la signature du contrat visé à l'alinéa 1er par le gestionnaire de l'infrastructure de son contenu et ont la possibilité d'exprimer leur avis sur celui-ci avant sa signature. Le contrat est publié au plus tard un mois après sa signature.
   Le gestionnaire de l'infrastructure veille à la cohérence entre les dispositions de l'accord et le plan d'entreprise visé au chapitre 2/1 du titre 3.]1

  
Art. 47/1. [1 De infrastructuurbeheerder legt een register aan en werkt dit bij, van zijn activa en van de door hem beheerde activa gebruikt om de financieringsbehoeften voor vernieuwing of vervanging van deze activa te ramen. Dit register gaat vergezeld van gedetailleerde informatie over de uitgaven voor vernieuwing en verbetering van de infrastructuur.]1
  
Art. 47/1. [1 Le gestionnaire de l'infrastructure dresse et tient à jour le registre de ses actifs et des actifs qu'il est chargé de gérer et utilisés pour évaluer le financement nécessaire pour les remettre en état ou les remplacer. Ce registre est accompagné du détail des dépenses consacrées au renouvellement et à la mise à niveau de l'infrastructure.]1
  
Art. 48. [2 De infrastructuurbeheerder]2 stelt een methode voor de aanrekening van de kosten op. Deze methode en haar eventuele aanpassingen aan de beste internationale praktijk zijn onderworpen aan de goedkeuring van het [1 toezichthoudend orgaan]1 uiterlijk vóór het begin van de eerste dienstregeling ingaande na de inwerkingtreding van deze Spoorcodex.
  
Art. 48. Le [1 gestionnaire de l'infrastructure]1 établit une méthode d'imputation des coûts. Cette méthode et sa mise à jour éventuelle en fonction des meilleures pratiques internationales sont soumises à l'approbation de l'organe de contrôle au plus tard avant le début du premier horaire de service suivant l'entrée en vigueur du présent Code ferroviaire.
  
Art. 48/1. [1 Onderhandelingen tussen de kandidaten en een infrastructuurbeheerder betreffende de hoogte van retributies voor het gebruik van de infrastructuur worden in voorkomend geval slechts toegestaan wanneer zij plaats vinden onder toezicht van het [2 toezichthoudend orgaan]2. Het [2 toezichthoudend orgaan]2 grijpt onmiddellijk in indien het waarschijnlijk is dat de onderhandelingen in strijd zijn met de bepalingen van deze Codex.]1
  
Art. 48/1. [1 Le cas échéant, les négociations entre les candidats et le gestionnaire de l'infrastructure concernant le niveau des redevances d'utilisation de l'infrastructure ne sont autorisées que si elles ont lieu sous l'égide de l'organe de contrôle. L'organe de contrôle intervient immédiatement si les négociations sont susceptibles de contrevenir aux dispositions du présent Code.]1
  
Afdeling 2. - [1 Heffingsbeginselen]1 van het gebruik van de spoorweginfrastructuur
Section 2. - Principes de tarification de l'utilisation de l'infrastructure ferroviaire
Art. 49. [1 § 1. [3 De infrastructuurbeheerder]3 bepaalt en int, op een niet-discriminerende wijze, de retributies voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur overeenkomstig deze Codex en zijn uitvoeringsbesluiten. De exploitant van de dienstvoorziening bepaalt en int, op een niet-discriminerende wijze, de vergoeding voor het gebruik van de dienstvoorzieningen overeenkomstig deze Codex en zijn uitvoeringsbesluiten. Zij bestemmen ze om hun ondernemingen van middelen te voorzien.
   § 2. De infrastructuurbeheerder en de exploitant van de dienstvoorziening verstrekken aan het [2 toezichthoudend orgaan]2 alle nodige informatie over de opgelegde retributies en vergoedingen om deze laatste toe te laten zijn taken in het kader van de Codex te verrichten.
   De Koning kan de nadere regels bepalen voor het verstrekken van deze informatie aan het [2 toezichthoudend orgaan]2.]1

  
Art. 49. [1 § 1er. Le [2 gestionnaire de l'infrastructure]2 détermine et perçoit de manière non discriminatoire les redevances d'utilisation de l'infrastructure ferroviaire, conformément au présent Code ferroviaire et à ses arrêtés d'exécution. L'exploitant d'installation de service détermine et perçoit de manière non discriminatoire les rétributions d'utilisation des installations de service, conformément au présent Code et ses arrêtés d'exécution. Ils les affectent au financement de leurs activités.
   § 2. Le gestionnaire de l'infrastructure et l'exploitant d'installation de service fournissent à l'organe de contrôle toute information nécessaire sur les redevances et rétributions imposées afin de permettre à ce dernier d'assumer ses fonctions au sens du présent Code.
   Le Roi peut déterminer les modalités de la transmission de cette information à l'organe de contrôle.]1

  
Art. 50. [1 § 1. De retributies geheven voor het minimumtoegangspakket en voor de toegang via het spoor tot de dienstvoorzieningen, zijn gelijk aan de rechtstreeks aan de spoorwegdienst toewijsbare kosten.
   De Koning kan de regels bepalen voor de berekening van de rechtstreeks aan de spoorwegdienst toewijsbare kosten.
   De infrastructuurbeheerder kan beslissen om zich geleidelijk aan deze regels aan te passen, gedurende een periode van niet langer dan vier jaar na de inwerkingtreding van dit koninklijk besluit.
   § 2. De retributie voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur kan een retributie omvatten voor het capaciteitsgebrek van een welbepaald segment van de spoorweginfrastructuur tijdens periodes van overbelasting.
   § 3. De retributie voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur kan worden gewijzigd om rekening te houden met de kosten van milieueffecten van de treinexploitatie. Deze wijzigingen worden gedifferentieerd naar gelang de omvang van het veroorzaakte effect. Elke wijziging van de infrastructuurretributies om rekening te houden met de kosten van geluidshinder ondersteunt de uitrusting van goederenwagons met de vanuit economisch oogpunt meest haalbare geluidsarme remtechnologie.
   De Koning kan de nadere regels voor de toepassing van retributies die overeenkomen met de kosten van geluidshinder bepalen.
   De heffing voor milieukosten die resulteert in een verhoging van de totale inkomsten van de infrastructuurbeheerder, wordt echter uitsluitend toegestaan indien deze ook wordt toegepast op het goederenvervoer over de weg in overeenstemming met het recht van de Europese Unie. In voorkomend geval bepaalt de Koning voor welke doeleinden deze bijkomende inkomsten worden gebruikt.
   § 4. Om buitensporige schommelingen te voorkomen, mogen de retributies, bedoeld in §§ 1 tot 3, worden uitgedrukt als gemiddelden, berekend over een voldoende aantal in de bijlage 1, punten 1 en 2, bedoelde spoorwegdiensten en perioden. Niettemin dient de relatieve omvang van de retributies voor het gebruik van de infrastructuur te worden gerelateerd aan de kosten die aan de diensten moeten worden toegeschreven.]1

  
Art. 50. [1 § 1er. Les redevances perçues pour l'ensemble des prestations minimales et pour l'accès par le réseau aux installations de service sont égales au coût directement imputable à l'exploitation du service ferroviaire.
   Le Roi peut déterminer les modalités de calcul du coût directement imputable à l'exploitation du service ferroviaire.
   Le gestionnaire de l'infrastructure peut décider de s'adapter progressivement à ces modalités, pendant une période de quatre ans maximum après l'entrée en vigueur de cet arrêté royal.
   § 2. La redevance d'utilisation de l'infrastructure ferroviaire peut inclure une redevance au titre de la rareté des capacités de la section identifiable de l'infrastructure ferroviaire pendant les périodes de saturation.
   § 3. La redevance d'utilisation de l'infrastructure ferroviaire peut être modifiée pour tenir compte du coût des effets sur l'environnement de l'exploitation des trains. Toute modification de ce type est différenciée en fonction de l'ampleur de l'effet engendré. Toute modification des redevances d'infrastructure visant à prendre en compte le coût induit par le bruit favorise l'équipement des wagons avec la technologie de freinage à bas niveau de bruit disponible aux conditions économiques les plus avantageuses.
   Le Roi peut déterminer les modalités pour l'application des redevances correspondant au coût des effets du bruit.
   La tarification des coûts environnementaux entraînant une augmentation du montant global des recettes réalisées par le gestionnaire de l'infrastructure n'est cependant autorisée que si elle s'applique au fret routier, conformément au droit de l'Union européenne. Le cas échéant, le Roi détermine l'affectation de ces recettes supplémentaires.
   § 4. Afin d'éviter des variations disproportionnées, les redevances visées aux §§ 1er à 3 peuvent être exprimées en moyennes calculées sur un éventail suffisant de services ferroviaires visés à l'annexe 1re, points 1 et 2, et de périodes. Toutefois, l'importance relative des redevances d'utilisation de l'infrastructure est en rapport avec les coûts imputables aux différents services.]1

  
Art. 51. [1 De vergoeding voor de toegang op het spoor binnen de in bijlage 1, punt 2, bedoelde dienstvoorzieningen en op de verlening van diensten in deze voorzieningen liggen in geen geval hoger dan de kosten om de diensten te verrichten, vermeerderd met een redelijke winst.
   Indien de aanvullende of ondersteunende diensten bedoeld in bijlage 1, punten 3 en 4, slechts door één leverancier worden aangeboden, zijn de voor dergelijke diensten geheven vergoedingen niet hoger dan de kosten die nodig zijn om de diensten te verrichten vermeerderd met een redelijke winst.]1

  
Art. 51. [1 La rétribution imposée pour l'accès aux voies dans les installations de service visées à l'annexe 1re, point 2, et la fourniture de services dans ces installations, ne dépasse pas le coût de leur prestation majoré d'un bénéfice raisonnable.
   Lorsque les services visés à l'annexe 1re, points 3 et 4, c'est-à-dire les prestations complémentaires et les prestations connexes, ne sont proposés que par un seul fournisseur, la rétribution imposée pour un tel service ne dépasse pas le coût de la prestation majoré d'un bénéfice raisonnable.]1

  
Art. 52. Voor capaciteit die voor spoorweginfrastructuuronderhoud wordt gebruikt, kunnen retributies geïnd worden. Deze retributies mogen niet hoger zijn dan het als gevolg van het onderhoud door [1 de infrastructuurbeheerder]1 geleden netto-inkomstenverlies.
  
Art. 52. Des redevances peuvent être perçues au titre des capacités utilisées pour l'entretien de l'infrastructure ferroviaire. De telles redevances ne sont pas supérieures au montant net du manque à gagner supporté par le [1 gestionnaire de l'infrastructure]1 du fait des opérations d'entretien.
  
Art. 52/1. [1 De retributies voor het gebruik van de infrastructuur voor het gebruik van de [2 in verordening (EU) 2016/919 van de Commissie]2 gespecificeerde spoorwegcorridors worden gedifferentieerd om een prikkel te geven om treinen uit te rusten met het ETCS dat voldoet aan de versie zoals door de Commissie is vastgesteld bij Beschikking 2008/386 en aan de volgende versies. Deze differentiatie leidt niet tot algemene veranderingen in de inkomsten voor de infrastructuurbeheerder.
   Deze differentiatie van retributies voor het gebruik van infrastructuur is niet van toepassing op de in Beschikking 2009/561/EG gespecifieerde spoorlijnen waarop alleen verkeer is toegestaan met treinen die met het ETCS systeem zijn uitgerust.
   De Koning kan beslissen om deze differentiatie uit te breiden tot spoorweglijnen die niet vermeld zijn [2 in verordening (EU) 2016/919 van de Commissie]2.
   De Koning kan de nadere regels bepalen die dienen gevolgd te worden bij het toepassen van de differentiatie van de retributies voor het gebruik van de infrastructuur.
   Dit artikel is niet van toepassing op treinen die niet met het ETCS systeem zijn uitgerust en die voor regionale reizigersvervoersdiensten worden gebruikt die vóór 1985 voor het eerste in gebruik zijn genomen.]1

  
Art. 52/1. [1 Les redevances d'utilisation de l'infrastructure pour l'utilisation de corridors ferroviaires définis [2 dans le règlement (UE) 2016/919 de la Commission]2 sont différenciées de manière à encourager l'équipement des trains avec le système ETCS conforme à la version adoptée par la Décision 2008/386/CE et aux versions ultérieures. Cette différenciation n'entraîne aucun changement du montant global des recettes réalisées par le gestionnaire de l'infrastructure.
   Cette différenciation des redevances d'utilisation de l'infrastructure ne s'applique pas aux lignes ferroviaires mentionnées dans la Décision 2009/561/CE sur lesquelles ne circulent que des trains équipés du système ETCS.
   Le Roi peut décider d'étendre cette différenciation aux lignes ferroviaires non mentionnées [2 dans le règlement (UE) 2016/919 de la Commission]2.
   Le Roi peut déterminer les modalités à suivre pour mettre en place cette différenciation de la redevance d'utilisation de l'infrastructure.
   Cet article ne s'applique pas aux trains non équipés du système ETCS et utilisés pour les services régionaux de transport de voyageurs qui ont été mis en service pour la première fois avant 1985.]1

  
Art. 53. [1 [2 De infrastructuurbeheerder]2 en de exploitant van de dienstvoorziening moeten altijd kunnen aantonen dat de retributies voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur en de vergoedingen voor de dienstvoorzieningen die daadwerkelijk gefactureerd worden in overeenstemming zijn met de methode, de reglementering en de schalen opgenomen in de netverklaring.
   In het kader van de heffing van milieukosten houdt de infrastructuurbeheerder de nodige informatie bij en garandeert de traceerbaarheid van de oorsprong van deze retributies.]1

  
Art. 53. [1 Le [2 gestionnaire de l'infrastructure]2 et l'exploitant d'installation de service doivent à tout moment pouvoir démontrer que les redevances d'utilisation d'infrastructure ferroviaire et les rétributions des services réellement facturées sont conformes à la méthode, à la réglementation et aux barèmes définis dans le document de référence du réseau.
   Dans le cadre de la tarification des coûts environnementaux, le gestionnaire de l'infrastructure conserve les informations nécessaires et garantit la traçabilité de l'origine de ces redevances.]1

  
Art. 53/1. [1 De exploitant van de voorziening voor het leveren van de in bijlage 1, punten 2, 3 en 4, bedoelde diensten deelt aan de infrastructuurbeheerder de informatie betreffende hun vergoedingen mee, die in de netverklaring moeten worden opgenomen, of verwijst naar een internetsite waarop deze informatie kosteloos in elektronische vorm wordt aangeboden.]1
  
Art. 53/1. [1 L'exploitant de l'installation destinée à la prestation des services visés à l'annexe 1re, points 2, 3 et 4, transmet au gestionnaire de l'infrastructure les informations sur les rétributions à inclure dans le document de référence du réseau ou indique un site internet où ces informations sont mises gratuitement à disposition sous forme électronique.]1
  
Art. 54. [1 De infrastructuurbeheerder kan een passende retributie toepassen voor toegewezen maar niet-gebruikte capaciteit. Die retributie op niet-gebruikte capaciteit dient om een efficiënt capaciteitsgebruik aan te moedigen. Het toepassen van een dergelijk retributie voor kandidaten aan wie een treinpad is toegewezen, is verplicht indien zij regelmatig nalaten de toegewezen paden of delen daarvan te gebruiken. Voor de toepassing van deze retributie maakt de infrastructuurbeheerder in zijn netverklaring de criteria bekend voor het vaststellen van zulke nalatigheid van gebruik. Het [2 toezichthoudend orgaan]2 controleert deze criteria. Deze retributie wordt betaald door hetzij de kandidaat, hetzij de spoorwegonderneming die overeenkomstig artikel 27/1, is aangewezen. De infrastructuurbeheerder is te allen tijde in staat aan iedere belanghebbende mee te delen welke infrastructuurcapaciteit al is toegewezen aan de spoorwegondernemingen die daarvan gebruikmaken.]1
  
Art. 54. [1 Le gestionnaire de l'infrastructure peut percevoir une redevance appropriée pour les capacités attribuées mais non utilisées. Cette redevance, perçue en cas de non-utilisation, encourage une utilisation efficace des capacités et est obligatoirement perçue lorsque des candidats qui se sont vu attribuer un sillon s'abstiennent, de façon régulière, de l'utiliser en tout ou partie. Le gestionnaire de l'infrastructure établit, dans son document de référence du réseau, les critères de détermination du défaut d'utilisation pour la perception de cette redevance. L'organe de contrôle vérifie ces critères. Le paiement de cette redevance est effectué soit par le candidat, soit par l'entreprise ferroviaire désignée, conformément à l'article 27/1. Le gestionnaire de l'infrastructure est, en permanence, en mesure d'indiquer à toute partie intéressée les capacités d'infrastructure qui ont déjà été attribuées aux entreprises ferroviaires utilisatrices.]1
  
Art. 55. [1 § 1. De infrastructuurbeheerder kan met betrekking tot kandidaten regels vaststellen om ervoor te zorgen dat aan zijn gewettigde verwachtingen ten aanzien van toekomstige inkomsten en het toekomstige gebruik van de infrastructuur wordt voldaan. Dergelijke regels moeten passend, transparant en niet-discriminerend zijn. Zij worden gespecificeerd in de netverklaring. De regels hebben slechts betrekking op een financiële garantie, die een passend niveau, dat in verhouding staat tot het beoogde bedrijfsactiviteitenniveau van de kandidaat, niet mag overschrijden, en op de mogelijkheid om reglementaire offertes voor infrastructuurcapaciteit in te dienen.
   § 2. De Koning kan criteria bepalen die dienen te worden nageleefd voor de toepassing van dit artikel.]1

  
Art. 55. [1 § 1er. Le gestionnaire de l'infrastructure peut imposer aux candidats des règles afin d'assurer la sauvegarde de ses aspirations légitimes en ce qui concerne les recettes et l'utilisation futures de l'infrastructure. Ces règles sont appropriées, transparentes et non discriminatoires. Elles sont détaillées dans le document de référence du réseau. Elles ne portent que sur la fourniture d'une garantie financière ne dépassant pas un niveau approprié, proportionnel au niveau d'activité envisagé du candidat, et sur la capacité à présenter des offres conformes en vue de l'obtention de capacités de l'infrastructure.
   § 2. Le Roi peut arrêter les critères à respecter pour l'application du présent article.]1

  
Afdeling 3. - Uitzonderingen op de [1 heffingsbeginselen]1
Section 3. - Exceptions aux principes de tarification
Art. 56. [1 § 1. In afwijking van afdeling 2 kan de Koning, zo de markt dit aankan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, besluiten tot extra retributies voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur om de volledige dekking van de door [4 de infrastructuurbeheerder]4 gemaakte kosten te verkrijgen, op basis van efficiënte, transparante en niet-discriminerende beginselen, waarbij een optimale concurrentiepositie van spoorwegmarktsegmenten wordt gewaarborgd. De heffingsregeling moet productiviteitsstijgingen die de spoorwegondernemingen hebben verwezenlijkt, respecteren.
   Het in het eerste lid bedoelde besluit sluit het gebruik van de spoorweginfrastructuren door marktsegmenten, die op zijn minst de rechtstreeks uit de exploitatie van de spoorwegdiensten voortvloeiende kosten kunnen dekken, niet uit, en ook niet een rendement indien de markt het toelaat.
   Voorafgaand aan het in eerste lid bedoelde besluit maakt de infrastructuurbeheerder een evaluatieverslag op over de relevantie van extra retributies voor bepaalde marktsegmenten, waarbij hij minstens rekening houdt met de in bijlage 24, punt 1, genoemde paren van beoordelingselementen en daaruit de relevante selecteert. De door de infrastructuurbeheerder vastgestelde lijst van marktsegmenten bevat ten minste de drie volgende segmenten : goederenvervoersdiensten, reizigersvervoersdiensten in het kader van een openbare dienstcontract en overige reizigersvervoersdiensten.
   De infrastructuurbeheerder kan de marktsegmenten verder onderverdelen naar goederensoort of reizigerscategorie.
   Ook marktsegmenten waarin spoorwegondernemingen thans niet actief zijn, maar waarin tijdens de geldigheidsperiode van de heffingsregeling diensten kunnen worden verleend, worden vermeld. De infrastructuurbeheerder neemt voor deze marktsegmenten geen extra retributies in de heffingsregeling op.
   De lijst van marktsegmenten wordt bekendgemaakt in de netverklaring en wordt minstens om de vijf jaar herzien. Het [3 toezichthoudend orgaan]3 [2 controleert]2 deze lijst in overeenstemming met artikel 62.
   § 2. Wanneer de essentiële onderdelen van de heffingsregeling, vastgesteld overeenkomstig paragraaf 1, eerste lid, gewijzigd zijn, worden deze wijzigingen bekend gemaakt ten minste drie maanden voor de uiterste termijn voor de bekendmaking van de netverklaring.]1

  
Art. 56. [1 § 1er. Par dérogation à la section 2, le Roi peut, par un arrêté délibéré en Conseil des ministres, décider, si le marché s'y prête, des majorations de la redevance d'utilisation de l'infrastructure ferroviaire afin de procéder au recouvrement total des coûts encourus par le [2 gestionnaire de l'infrastructure]2, sur la base de principes efficaces, transparents et non discriminatoires, tout en garantissant une compétitivité optimale des segments du marché ferroviaire. Le système de tarification respecte les gains de productivité réalisés par les entreprises ferroviaires.
   L'arrêté visé à l'alinéa 1er n'exclut pas l'utilisation des infrastructures ferroviaires par des segments de marché qui peuvent au moins acquitter le coût directement imputable à l'exploitation du service ferroviaire, plus un taux de rentabilité si le marché s'y prête.
   Préalablement à l'arrêté visée à l'alinéa 1er, le gestionnaire de l'infrastructure réalise un rapport d'évaluation de la pertinence de majorations pour des segments de marché spécifiques, en considérant au moins les paires d'éléments énumérées à l'annexe 24, point 1, et en retenant les plus pertinentes. La liste des segments de marché définis par le gestionnaire de l'infrastructure contient au moins les trois segments suivants : services de fret, services de transport de voyageurs dans le cadre d'un contrat de service public et autres services de transport de voyageurs.
   Le gestionnaire de l'infrastructure peut procéder à une différenciation plus poussée des segments de marché en fonction des marchandises ou des voyageurs transportés.
   Les segments de marché sur lesquels les entreprises ferroviaires n'interviennent pas actuellement mais peuvent fournir des services durant la période de validité du système de tarification sont également définis. Pour ces segments de marché, le gestionnaire de l'infrastructure n'introduit pas de majoration dans le système de tarification.
   La liste des segments de marché est publiée dans le document de référence du réseau et fait l'objet d'une révision au moins tous les cinq ans. L'organe de contrôle vérifie cette liste conformément à l'article 62.
   § 2. Lorsque des éléments essentiels du système de tarification fixé conformément au paragraphe 1er, alinéa 1er, sont modifiés, ces modifications sont rendues publiques au moins trois mois avant la date limite de publication du document de référence du réseau.]1

  
Art. 57. Voor toekomstige specifieke investeringsprojecten of voor projecten waarvan de realisatie niet verder dan 15 maart 1986 teruggaat, kan de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad [1 de infrastructuurbeheerder]1 toestaan hogere retributies, gebaseerd op langetermijnkosten van dergelijke projecten, in te stellen of te handhaven.
  De in het eerste lid bedoelde projecten betreffen de verbetering van de doeltreffendheid en/of kosteneffectiviteit en die anders niet konden of hadden kunnen plaatsvinden.
  [1 De infrastructuurbeheerder]1 kan in het geval bedoeld in het eerste lid een bepaling inlassen in zijn overeenkomsten met de spoorwegondernemingen om de risico's verbonden aan nieuwe investeringen te verdelen.
  
Art. 57. Pour des projets d'investissement spécifiques qui seront réalisés à l'avenir ou dont la réalisation ne remonte pas plus loin que le 15 mars 1986 échu, le Roi peut, par un arrêté délibéré en Conseil des ministres, autoriser le [1 gestionnaire de l'infrastructure]1 à déterminer ou maintenir des redevances plus élevées, basées sur le coût à long terme de tels projets.
  Les projets visés à l'alinéa 1er concernent l'amélioration de l'efficacité et/ou de l'efficience en termes de coût qui, dans le cas contraire, ne pourraient pas ou n'auraient pas pu être mis en oeuvre.
  Le [1 gestionnaire de l'infrastructure]1 peut dans les cas visés à l'alinéa 1er, insérer dans ses accords avec les entreprises ferroviaires une clause relative au partage des risques liés à de nouveaux investissements.
  
Art. 58. Om discriminatie te voorkomen, wordt ervoor gezorgd dat de gemiddelde en de marginale retributies geheven door [2 de infrastructuurbeheerder]2 voor gelijkwaardig gebruik van zijn infrastructuur vergelijkbaar zijn en dat voor vergelijkbare diensten in hetzelfde marktsegment dezelfde retributies worden geheven.
  [2 De infrastructuurbeheerder]2 toont in zijn netverklaring aan dat [1 de heffingsregeling]1 aan deze voorschriften voldoet in de mate waarin hij dat kan zonder vertrouwelijke commerciële gegevens vrij te geven.
  
Art. 58. Afin d'empêcher la discrimination, il est fait en sorte que les redevances moyenne et marginale perçues par le [1 gestionnaire de l'infrastructure]1 soient comparables pour une utilisation équivalente de son infrastructure et que des services comparables fournis dans le même segment de marché soient soumis aux mêmes redevances.
  Dans le document de référence du réseau, le [1 gestionnaire de l'infrastructure]1 montre que le système de tarification répond à ces exigences dans la mesure où il peut le faire sans révéler d'informations commerciales confidentielles.
  
Art. 59. § 1. Onverminderd artikel 50, § 1, dient elke door [2 de infrastructuurbeheerder]2 aan een spoorwegonderneming toegekende korting op de retributies voor een dienst, ongeacht dewelke, te voldoen aan de criteria van dit artikel.
  § 2. Met uitzondering van § 3 blijven kortingen beperkt tot de werkelijke besparing op de administratieve kosten voor [2 de infrastructuurbeheerder]2. Bij het vaststellen van het bedrag van de korting mag geen rekening worden gehouden met kostenbesparingen die al in de geheven retributies zijn verrekend.
  § 3. [2 De infrastructuurbeheerder]2 kan, voor bepaalde verkeersstromen, regelingen invoeren die voor alle gebruikers van de spoorweginfrastructuur beschikbaar zijn en waarbij tijdelijke kortingen worden toegekend om de ontwikkeling van nieuwe spoorwegdiensten te bevorderen of kortingen waarmee het gebruik van sterk onderbenutte lijnen wordt gestimuleerd.
  § 4. Kortingen mogen uitsluitend betrekking hebben op retributies die voor een welbepaald spoorweginfrastructuursegment worden geheven.
  § 5. Voor soortgelijke diensten gelden soortgelijke kortingsregelingen. [1 De kortingsregelingen worden jegens alle spoorwegondernemingen op niet-discriminerende wijze toegepast.]1
  
Art. 59. § 1er. Sans préjudice de l'article 50, § 1er, toute réduction consentie sur les redevances perçues auprès d'une entreprise ferroviaire par le [2 gestionnaire de l'infrastructure]2, pour une prestation de service quelle qu'elle soit, remplit les critères du présent article.
  § 2. A l'exception du § 3, les réductions sont limitées à l'économie réelle de coût administratif réalisée par le [2 gestionnaire de l'infrastructure]2. Pour déterminer le montant de la réduction, il ne peut être tenu compte des économies déjà intégrées dans la redevance perçue.
  § 3. Le [2 gestionnaire de l'infrastructure]2 peut instaurer des systèmes disponibles pour tous les utilisateurs de l'infrastructure ferroviaire et qui accordent, pour des flux de circulation déterminés, des réductions limitées dans le temps afin d'encourager le développement de nouveaux services ferroviaires ou des réductions favorisant l'utilisation de lignes considérablement sous-utilisées.
  § 4. Les réductions ne peuvent porter que sur des redevances perçues pour une section déterminée de l'infrastructure ferroviaire.
  § 5. Des systèmes de réductions similaires s'appliquent aux services similaires. [1 Les systèmes de réductions sont appliqués de manière non discriminatoire à toutes les entreprises ferroviaires.]1
  
Art. 60. § 1. De Koning kan bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad een in de tijd beperkte compensatieregeling treffen [2 inzake]2 [1 retributies voor het gebruik van de]1 voor spoorweginfrastructuurgebruik binnen de grenzen bepaald in § 2. Het koninklijk besluit bevat de methode en de berekening voor de compensatie.
  § 2. Dit stelsel kan betrekking hebben op de kosten in verband met milieu, ongevallen en infrastructuur waarvan is aangetoond dat zij in concurrerende vervoersmodi niet worden aangerekend voor zover deze kosten de overeenkomstige kosten van het spoorwegverkeer overschrijden.
  § 3. Indien een operator die een compensatie ontvangt, een exclusief recht heeft, gaat de compensatie gepaard met vergelijkbare voordelen voor de andere gebruikers.
  
Art. 60. § 1er. Le Roi peut, par un arrêté délibéré en Conseil des ministres, instaurer un système à durée limitée de compensation des redevances d'utilisation de l'infrastructure ferroviaire dans les limites décrites au § 2. L'arrêté royal comporte la méthode et les calculs de la compensation.
  § 2. Ce système peut viser les coûts environnementaux, les coûts liés aux accidents et les coûts d'infrastructure non couverts dans les modes de transport concurrents, lorsque ces coûts dépassent les coûts équivalents propres au chemin de fer.
  § 3. Lorsqu'un opérateur bénéficiant d'une compensation jouit d'un droit exclusif, cette compensation doit s'accompagner d'avantages comparables pour les autres utilisateurs.
Afdeling 4. [1 - Samenwerking met andere spoorweginfrastructuurbeheerders]1
Section 4. [1 - Coopération avec d'autres gestionnaires de l'infrastructure ferroviaire]1
Art. 60/1. [1 De infrastructuurbeheerder werkt samen met en onderhandelt met de infrastructuurbeheerders van de andere lidstaten van de Europese Unie om de invoering van efficiënte heffingsregelingen mogelijk te maken alsook om de heffing te coördineren of om retributies te heffen voor de exploitatie van treindiensten die over meer spoorwegnetten binnen de Unie worden verricht. De infrastructuurbeheerder spant zich in het bijzonder in voor het waarborgen van een optimale concurrentiepositie van internationale spoorvervoersdiensten en voor het verzekeren van een efficiënt gebruik van de spoorwegnetten. Hiertoe ontwikkelt hij passende procedures, met inachtneming van de bepalingen van de Richtlijn 2012/34/EU van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 tot instelling van één Europese spoorwegruimte.
   De infrastructuurbeheerder werkt samen met de infrastructuurbeheerders van andere lidstaten van de Europese Unie opdat de in artikel 56 bedoelde extra retributies en de in artikel 23 bedoelde prestatieregelingen op efficiënte wijze kunnen worden toegepast op verkeer dat gebruik maakt van meerdere spoorwegnetten binnen de Unie.]1

  
Art. 60/1. [1 Le [2 gestionnaire de l'infrastructure]2 coopère et s'associe avec les gestionnaires d'infrastructure ferroviaire des autres Etats membres de l'Union européenne de manière à permettre l'application de systèmes de tarification efficaces et pour coordonner la tarification ou pour percevoir la redevance pour le fonctionnement des services ferroviaires circulant sur plusieurs réseaux du système ferroviaire au sein de l'Union. Le gestionnaire de l'infrastructure s'efforce en particulier de garantir une compétitivité optimale des services ferroviaires internationaux et d'assurer une utilisation efficace des réseaux ferroviaires. A cette fin, il met en place les procédures appropriées, dans le respect des règles fixées par la Directive 2012/34/UE du Parlement Européen et du Conseil du 21 novembre 2012 établissant un espace ferroviaire unique européen.
   Le gestionnaire de l'infrastructure coopère avec les gestionnaires d'infrastructure ferroviaire des autres Etats membres de l'Union européenne en vue d'une application efficace des majorations visées à l'article 56 et des systèmes d'amélioration des performances visés à l'article 23, pour le trafic circulant sur plusieurs réseaux du système ferroviaire au sein de l'Union.]1

  
HOOFDSTUK 6. - [1 Toezichthoudend orgaan]1
CHAPITRE 6. - L'organe de contrôle
Afdeling 1. - Aanwijzing
Section 1re. - Désignation
Art. 61. [1 Het toezichthoudend orgaan wordt aangewezen bij wet.]1
  
Art. 61. [1 L'organe de contrôle est désigné par la loi.]1
  
Afdeling 2. - Opdrachten
Section 2. - Missions
Art. 62. § 1. Benevens de door de wet verleende opdrachten vervult het [13 toezichthoudend orgaan]13 de in dit artikel beschreven opdrachten.
  § 2. Teneinde zijn raadgevende opdracht te vervullen, doet het [13 toezichthoudend orgaan]13 het volgende :
  1° het geeft gemotiveerd advies en doet voorstellen;
  2° het voert, op eigen initiatief of op vraag van de minister, onderzoeken en studies uit met betrekking tot de spoorwegmarkt;
  3° het verstrekt de minister de nodige inlichtingen om de regels op te stellen inzake de vergunningen, de [6 heffing]6 en de toewijzing van de infrastructuurcapaciteit;
  4° het werkt samen met de toezichthoudende organen van de andere lidstaten van de Europese Unie, teneinde de besluitvormingsbeginselen in het geheel van de Unie te coördineren;
  [1 5° het geeft, voorafgaandelijk aan de sluiting of de wijziging van de vervoersovereenkomst bedoeld in artikel 8 van de wet van 30 augustus 2013 betreffende de hervorming van de Belgische spoorwegen, met redenen omkleed advies over zijn inhoud.]1
  § 3. Teneinde zijn controleopdracht te vervullen, doet het [13 toezichthoudend orgaan]13 het volgende :
  1° [5 het controleert de overeenstemming van de voorlopige en de definitieve versie van de netverklaring met deze Spoorcodex en zijn uitvoeringsbesluiten;]5
  2° het waakt erover dat de retributies in overeenstemming zijn met de bepalingen van deze Spoorcodex, van zijn uitvoeringsbesluiten en de netverklaring en op een niet-discriminerende wijze worden toegepast;
  3° het waakt erover dat de toewijzing van de infrastructuurcapaciteit overeenstemt met de bepalingen van deze wet, van haar uitvoeringsbesluiten en van de netverklaring;
  4° zonder afbreuk te doen aan de wet op de bescherming van de economische mededinging gecoördineerd op 15 september 2006, houdt het toezicht op de mededinging op de markt voor spoorwegvervoerdiensten, met inbegrip van de markt van het vrachtvervoer;
  5° [8 het bepaalt of de uitoefening van het toegangsrecht bedoeld in artikel 5, 3°, het economisch evenwicht van een openbare dienstcontract in gevaar zou brengen wanneer dit recht op toegang uitgeoefend wordt op dezelfde route als die van het betrokken openbare dienstcontract of op een alternatieve route. In voorkomend geval kan de minister het toegangsrecht bedoeld in artikel 5, 3°, beperken overeenkomstig artikel 5, § 2.
   Om te bepalen of het economisch evenwicht van een openbare dienstcontract in gevaar komt, wordt door het betrokken [13 toezichthoudend orgaan]13 een objectieve economische analyse verricht en een besluit genomen op basis van criteria die hij vooraf bepaalt. Het formuleert zijn oordeel nadat binnen één maand vanaf de ontvangst van de informatie over de geplande passagiersvervoersdienst daartoe een verzoek is ingediend door een van de volgende instanties:
   a) de minister;
   b) de infrastructuurbeheerder;
   c) de spoorwegonderneming die het openbare dienstcontract uitvoert.
   Het [13 toezichthoudend orgaan]13 motiveert haar besluit en vermeldt de voorwaarden waaronder binnen één maand na de kennisgeving daarvan om een herziening van het besluit kan worden verzocht door één van de volgende instanties:
   a) de minister;
   b) de infrastructuurbeheerder;
   c) de spoorwegonderneming die het openbare dienstcontract uitvoert;
   d) de spoorwegonderneming die toegang wenst.
   Wanneer het [13 toezichthoudend orgaan]13 besluit dat het economisch evenwicht van een openbare dienstcontract door de geplande passagiersvervoersdienst in gevaar zou komen, vermeldt het [12 de mogelijke aanpassingen die aan deze dienst kunnen worden aangebracht]12 opdat dit recht zou kunnen worden uitgeoefend;]8

  6° het controleert de naleving van artikel 4
  [2 7° het stelt op verzoek van de minister bevoegd voor Overheidsbedrijven een jaarlijkse audit op over de uitvoering van de vervoersovereenkomst bedoeld in artikel 8 van de wet van 30 augustus 2013 betreffende de hervorming van de Belgische spoorwegen;
   8° het stelt in opdracht van de minister bevoegd voor de regulering van het spoorvervoer een jaarlijkse audit op over de uitvoering van de door de infrastructuurbeheerder aangewende registratiemethode van de storingen, bedoeld in artikel 31/2 van het koninklijk besluit van 9 december 2004 betreffende de verdeling van de spoorweginfrastructuurcapaciteiten en de retributie voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur;
   9° [5 het controleert de toegang tot de diensten en hun heffingen overeenkomstig artikel 9;]5
   10° [5 het controleert of de uitoefening van de eeuwigdurende erfdienstbaarheid bedoeld in artikel 156quater, § 1, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, het recht van toegang bedoeld in artikel 9 van de Spoorcodex niet in het gedrang brengt;]5 ]2

  [9 11° het controleert of de samenwerkingsovereenkomsten gesloten conform artikel 26/2 niet-discriminerend zijn en het houdt toezicht op de uitvoering van deze overeenkomsten;]9
  [12 12° het controleert de eerlijke en niet-discriminerende toegang tot opleidingsdiensten, tegen een redelijke en niet-discriminerende prijs die kostengerelateerd is en een winstmarge kan hebben, overeenkomstig de artikelen 124/2 en 143.]12
  [10 Onverminderd de bevoegdheden van de nationale mededingingsautoriteiten om de concurrentie op de markt voor spoorwegdiensten te garanderen, heeft het [13 toezichthoudend orgaan]13 de bevoegdheid toezicht te houden op de concurrentiesituatie op de markt voor spoorwegdiensten, en in het bijzonder op eigen initiatief te controleren of een kandidaat niet op onrechtvaardige, discriminerende of benadeelde wijze wordt behandeld wat betreft de elementen opgesomd in paragraaf 5, eerste lid, 1° tot 9°. Het gaat met name na of de netverklaringen discriminerende bepalingen bevatten en of deze verklaringen beslissingsbevoegdheden voor de infrastructuurbeheerder scheppen die kunnen worden gebruikt om kandidaten te discrimineren.]10
  § 4. [3 Teneinde zijn opdracht inzake het administratief afhandelen van geschillen te vervullen, neemt het [13 toezichthoudend orgaan]13 een beslissing :
   1° binnen de tien werkdagen, inzake de geschillen over de toewijzing van de spoorweginfrastructuurcapaciteit, op verzoek van [14 de infrastructuurbeheerder]14 of van een kandidaat en dit zonder afbreuk te doen aan de bestaande beroepsmogelijkheden;
   2° binnen de dertig werkdagen, over de uitvoering van de vervoersovereenkomst bedoeld in artikel 8 van de wet van 30 augustus 2013 betreffende de hervorming van de Belgische spoorwegen op verzoek van de infrastructuurbeheerder of de spoorweg-onderneming;
  [5 3° binnen tien werkdagen, de geschillen in verband met de prestatieregeling, onverminderd de bestaande beroepsprocedures, op vraag van de infrastructuurbeheerder of van een spoorwegonderneming.]5
   De Koning bepaalt de nadere regels voor deze geschillenbehandeling.]3
[5 Deze nadere regels worden bovendien opgenomen in de netverklaring.]5
  § 5. [5 Teneinde zijn opdracht inzake de behandeling van klachten te vervullen, kunnen bij het [13 toezichthoudend orgaan]13 schriftelijke klachten worden ingediend bij aangetekende zending door elke kandidaat, met name om beroep in te stellen tegen beslissingen van de infrastructuurbeheerder of, in voorkomend geval, de spoorwegonderneming of de exploitant van een dienstvoorziening wanneer hij denkt het slachtoffer te zijn van een oneerlijke behandeling, van een discriminatie of van elk ander nadeel met betrekking tot :
   1° de voorlopige en de definitieve versies van de netverklaring of de criteria die erin zijn opgenomen;
   2° de toewijzingsprocedure voor infrastructuurcapaciteit en haar resultaten en de verplichtingen die daaruit voortvloeien;
   3° de heffingsregeling, met inbegrip van de prestatieregeling bedoeld in artikel 23, derde lid, de hoogte of de structuur van retributies voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur en de verplichtingen die daaruit voortvloeien;
   4° de [7 in de artikelen 5, 6, 7, 8 en 9]7 opgenomen bepalingen inzake toegang tot de spoorweginfrastructuur;
   5° de in artikel 9 opgenomen bepalingen inzake toegang tot de dienstvoorzieningen;
   6° de uitoefening van de eeuwigdurende erfdienstbaarheid bedoeld in artikel 156quater, § 1, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven;
  [11 7° verkeersbeheer;
   8° vernieuwingsplanning en gepland of niet-gepland onderhoud;
   9° naleving van de voorschriften bedoeld in de artikelen 4/2/1, 26/1 en 26/2.]11

   Het administratief beroep schorst de aangevochten beslissing niet, behoudens andersluidende, gemotiveerde beslissing van het [13 toezichthoudend orgaan]13 op verzoek van de klagende partij.]5

  § 6. Het [13 toezichthoudend orgaan]13 beslist over de betwistingen die eraan worden voorgelegd door [14 de infrastructuurbeheerder]14 over de toekenning van het aantal minuten vertraging in het raam van de prestatieregeling, bedoeld in artikel 23, vijfde lid.
  
Art. 62. § 1er. Outre les missions conférées en vertu de la loi, l'organe de contrôle est investi des missions décrites dans le présent article.
  § 2. Au titre de ses missions de conseil, l'organe de contrôle :
  1° donne des avis motivés et soumet des propositions;
  2° d'initiative ou à la demande du ministre, effectue des recherches et des études relatives au marché ferroviaire;
  3° délivre au ministre les informations nécessaires à l'établissement des règles relatives à la licence, à la tarification, à la répartition des capacités d'infrastructure;
  4° coopère avec les organismes de contrôle des autres Etats membres de l'Union européenne afin de coordonner les principes décisionnels dans l'ensemble de l'Union;
  [1 5° rend, préalablement à la conclusion ou à la modification de la convention de transport visée à l'article 8 de la loi du 30 août 2013 relative à la réforme des chemins de fer belges, un avis motivé quant à son contenu.]1
  § 3. Au titre de ses missions de contrôle, l'organe de contrôle :
  1° [5 contrôle la conformité du document de référence du réseau, dans ses versions provisoires et définitives, au présent Code ferroviaire et à ses arrêtés d'exécution;]5
  2° veille à ce que les redevances soient conformes aux dispositions du présent Code ferroviaire, de ses arrêtés d'exécution et du document de référence du réseau et appliquées de manière non discriminatoire;
  3° veille à ce que la répartition des capacités d'infrastructure ferroviaire soit conforme aux dispositions de la présente loi, de ses arrêtés d'exécution et du document de référence du réseau;
  4° sans préjudice de la loi sur la protection de la concurrence économique coordonnée le 15 septembre 2006, contrôle la concurrence sur les marchés des services ferroviaires, y compris le marché du transport de fret ferroviaire;
  5° [7 détermine si l'exercice du droit d'accès visé à l'article 5, 3°, est susceptible de compromettre l'équilibre économique d'un contrat de service public lorsque l'exercice de ce droit couvre le même trajet que le contrat de service public en question ou un trajet alternatif. Le cas échéant, le ministre peut limiter le droit d'accès visé à l'article 5, 3°, conformément à l'article 5, § 2.
   Pour déterminer si l'équilibre économique d'un contrat de service public est susceptible d'être compromis, l'organe de contrôle procède à une analyse économique objective et fonde sa décision sur des critères qu'il préétablit. Il statue à la demande de l'une des entités suivantes, présentée dans un délai d'un mois à compter de la réception de l'information relative à l'intention d'assurer un service de transport de voyageurs:
   a) du ministre;
   b) du gestionnaire de l'infrastructure;
   c) de l'entreprise ferroviaire qui exécute le contrat de service public.
   L'organe de contrôle motive sa décision et précise les conditions dans lesquelles une des entités suivantes peut demander le réexamen de la décision dans un délai d'un mois à compter de sa notification:
   a) le ministre;
   b) le gestionnaire de l'infrastructure;
   c) l'entreprise ferroviaire qui exécute le contrat de service public;
   d) l'entreprise ferroviaire demandant l'accès.
   Lorsque l'organe de contrôle décide que le service de transport de voyageurs envisagé compromettrait l'équilibre économique d'un contrat de service public, il indique les changements qui pourraient être apportés à ce service afin qu'il puisse être exercé;]7

  6° vérifie le respect de l'article 4;
  [2 7° réalise, à la demande du ministre qui a les Entreprises publiques dans ses attributions, un audit annuel de l'exécution de la convention de transport visée à l'article 8 de la loi du 30 août 2013 relative à la réforme des chemins de fer belges;
   8° réalise, à la demande du ministre qui a la régulation du transport ferroviaire dans ses attributions, un audit annuel de l'exécution de la méthode d'enregistrement des perturbations utilisée par le gestionnaire de l'infrastructure telle que visée à l'article 31/2 de l'arrêté royal du 9 décembre 2004 relatif à la répartition des capacités de l'infrastructure ferroviaire et à la redevance d'utilisation de l'infrastructure ferroviaire;
   9° [5 contrôle l'accès aux services et leur tarification conformément à l'article 9;]5
   10° [5 vérifie que l'exercice de la servitude perpétuelle visée à l'article 156quater, § 1er, de la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques ne porte pas atteinte au droit d'accès visé à l'article 9 du Code ferroviaire;]5 ]2

  [8 11° vérifie que les accords de coopération conclus conformément à l'article 26/2 ne sont pas discriminatoires et contrôle l'exécution de ces accords;]8
  [11 12° contrôle l'accès équitable et non discriminatoire aux services de formation, à un prix raisonnable et non-discriminatoire qui soit en rapport avec les coûts et qui puisse inclure une marge bénéficiaire, conformément aux articles 124/2 et 143.]11
  [9 Sans préjudice des compétences des autorités nationales de concurrence pour assurer la concurrence sur le marché des services ferroviaires, l'organe de contrôle est habilité à assurer le suivi de la situation de la concurrence sur les marchés des services ferroviaires et en particulier, à vérifier de sa propre initiative qu'un candidat ne fait pas l'objet d'un traitement inéquitable, d'une discrimination ou de tout autre préjudice en ce qui concerne les éléments énumérés au paragraphe 5, alinéa 1er, 1° à 9°. Il vérifie notamment si le document de référence du réseau contient des clauses discriminatoires ou octroie au gestionnaire de l'infrastructure des pouvoirs discrétionnaires pouvant être utilisés à des fins de discrimination à l'égard des candidats.]9
  § 4. [3 Au titre de sa mission de règlement administratif des litiges, l'organe de contrôle tranche :
   1° dans les dix jours ouvrables, les litiges dans la répartition des capacités d'infrastructure ferroviaire, sans préjudice des voies de recours existantes, à la requête, soit du [12 gestionnaire de l'infrastructure]12, soit d'un candidat;
   2° dans les trente jours ouvrables, les litiges concernant l'exécution de la convention de transport visée à l'article 8 de la loi du 30 août 2013 relative à la réforme des chemins de fer belges, à la demande du gestionnaire de l'infrastructure ou de l'entreprise ferroviaire;
  [5 3° dans les dix jours ouvrables, les litiges relatifs au système d'amélioration des performances, sans préjudice des voies de recours existantes, à la demande du gestionnaire de l'infrastructure ou d'une entreprise ferroviaire.]5
   Le Roi fixe les modalités de ce règlement des litiges. [5 Ce règlement est également exposé dans le document de référence du réseau.]5 ]3

  § 5. [5 Au titre de ses missions de recours administratif, l'organe de contrôle peut être saisi sur plainte écrite, notifiée par envoi recommandé, par tout candidat, notamment pour introduire un recours contre les décisions prises par le gestionnaire de l'infrastructure ou, le cas échéant, par l'entreprise ferroviaire ou l'exploitant d'une installation de service, s'il s'estime victime d'un traitement inéquitable, d'une discrimination ou de tout autre préjudice en ce qui concerne :
   1° le document de référence du réseau, dans ses versions provisoires et définitives, ou les critères qu'il contient;
   2° la procédure de répartition des capacités d'infrastructure et ses résultats et les obligations qui en découlent;
   3° le système de tarification, en ce compris le système d'amélioration des performances visé à l'article 23, alinéa 3, le niveau ou la structure des redevances d'utilisation de l'infrastructure ferroviaire et les obligations qui en découlent;
   4° les dispositions en matière d'accès à l'infrastructure ferroviaire visées [6 aux articles 5, 6, 7, 8 et 9]6;
   5° les dispositions en matière d'accès aux installations de service visées à l'article 9;
   6° l'exercice de la servitude perpétuelle visée à l'article 156quater, § 1er, de la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques;
  [10 7° la gestion du trafic;
   8° la planification du renouvellement et l'entretien programmé ou non programmé;
   9° le respect des exigences énoncées aux articles 4/2/1, 26/1 et 26/2.]10

   Le recours administratif n'est pas suspensif de la décision attaquée, sauf décision contraire motivée de l'organe de contrôle à la demande de la partie plaignante.]5

  § 6. L'organe de contrôle décide sur les contestations qui lui sont soumises par le [12 gestionnaire de l'infrastructure]12 en ce qui concerne l'attribution des minutes de retard dans le cadre du système d'amélioration des performances visé à l'article 23, alinéa 5.
  
Afdeling 3. - Bevoegdheden
Section 3. - Pouvoirs
Art. 63. § 1. In uitvoering van zijn raadgevende opdracht, geeft het [5 toezichthoudend orgaan]5 advies.
  § 2. In uitvoering van zijn opdracht inzake de administratieve afhandeling van geschillen neemt het [5 toezichthoudend orgaan]5 met redenen omklede individuele beslissingen.
  [2 In geval er een beroep wordt ingesteld tegen de weigering capaciteit te verlenen of tegen de voorwaarden van een capaciteitsaanbod, beslist het [5 toezichthoudend orgaan]5 ofwel dat er geen reden is om de beslissing van de infrastructuurbeheerder te wijzigen, ofwel dat de betwiste beslissing overeenkomstig haar beslissing wordt gewijzigd.]2
  § 3. [4 In uitvoering van zijn opdrachten inzake controle en administratief beroep, neemt het [5 toezichthoudend orgaan]5 elke maatregel die nodig is, met inbegrip van bewarende maatregelen en bestuurlijke boetes, om een einde te stellen aan de inbreuken op de netverklaring, de toewijzing van de capaciteit, de heffingen voor het gebruik van infrastructuur en de bepalingen inzake toegang, en onder meer inzake toegang tot dienstvoorzieningen overeenkomstig artikel 9 en de eerlijke en niet-discriminerende toegang tot opleidingsdiensten, tegen een redelijke en niet-discriminerende prijs die kostengerelateerd is en een winstmarge kan hebben, overeenkomstig de artikelen 124/2 en 143.]4
  [2 § 4. [4 Het toezichthoudend orgaan heeft de bevoegdheid om audits uit te voeren of externe audits te laten uitvoeren bij de infrastructuurbeheerder, exploitanten van dienstvoorzieningen en, zo nodig, spoorwegondernemingen om de naleving van de in artikel 4 voorgeschreven boekhoudkundige scheiding, de naleving van de bepalingen met betrekking tot de financiële transparantie uitgewerkt in artikel 4/2/1, paragraaf 3 en de naleving van de bepalingen met betrekking tot de eerlijke en niet-discriminerende toegang tot opleidingsdiensten, tegen een redelijke en niet-discriminerende prijs die kostengerelateerd is en een winstmarge kan hebben, te controleren. In dit verband kan het toezichthoudend orgaan om alle relevante informatie verzoeken. Het toezichthoudend orgaan heeft in het bijzonder de bevoegdheid om de infrastructuurbeheerder, exploitanten van dienstvoorzieningen en alle ondernemingen of andere entiteiten die verschillende typen spoorvervoer of infrastructuurbeheer uitvoeren of integreren als bedoeld in artikel 4, paragraaf 1, en in artikel 9, te verzoeken om alle in bijlage 26 genoemde boekhoudkundige informatie of een gedeelte daarvan te verstrekken, in voldoende mate gedetailleerd, overeenkomstig hetgeen als noodzakelijk en evenredig wordt geacht.
   Onverminderd de bevoegdheden van de autoriteiten die bevoegd zijn voor gevallen van staatssteun, mag het toezichthoudend orgaan aan de hand van de boekhouding ook conclusies trekken inzake gevallen van staatssteun, en deelt zij die gevallen mee aan deze autoriteiten.]4
]2

  
Art. 63. § 1er. En exécution de ses missions de conseil, l'organe de contrôle rend des avis.
  § 2. En exécution de sa mission de règlement administratif des litiges, l'organe de contrôle prend des décisions individuelles motivées.
  [2 Au cas où un recours est introduit contre un refus d'octroyer des capacités ou contre les modalités d'une proposition de capacités, l'organe de contrôle soit confirme qu'il n'y a pas lieu de modifier la décision prise par le gestionnaire de l'infrastructure, soit modifie la décision incriminée conformément à sa décision.]2
  § 3. [4 En exécution de ses missions de contrôle et de recours administratif, l'organe de contrôle prend toute mesure nécessaire, y compris des mesures conservatoires et des amendes administratives, pour mettre fin aux infractions relatives au document de référence du réseau, à la répartition des capacités, à la tarification de l'infrastructure, et aux dispositions en matière d'accès, et notamment en matière d'accès aux installations de service conformément à l'article 9 et en matière d'accès équitable et non discriminatoire aux services de formation, à un prix raisonnable et non-discriminatoire qui soit en rapport avec les coûts et qui puisse inclure une marge bénéficiaire, conformément aux articles 124/2 et 143.]4
  [1 § 4. [4 L'organe de contrôle est habilité à effectuer des audits ou à commander des audits externes auprès du gestionnaire de l'infrastructure, des exploitants d'installations de service et, le cas échéant, auprès des entreprises ferroviaires pour vérifier le respect des dispositions relatives à la séparation comptable établies à l'article 4, le respect des dispositions relatives à la transparence financière établies à l'article 4/2/1, paragraphe 3 et le respect des dispositions relatives à l'accès équitable et non discriminatoire aux services de formation, à un prix raisonnable et non-discriminatoire qui soit en rapport avec les coûts et qui puisse inclure une marge bénéficiaire. A cet égard, l'organe de contrôle est habilité à demander toute information utile. En particulier, il est habilité à demander au gestionnaire de l'infrastructure, aux exploitants d'installations de service et à toutes les entreprises ou autres entités qui assurent ou intègrent différents types de services de transport ferroviaire ou de gestion de l'infrastructure, tels que visés à l'article 4, paragraphe 1er, et à l'article 9 la totalité ou une partie des informations comptables mentionnées à l'annexe 26, avec un degré de détail suffisant au regard de ce qui est jugé nécessaire et proportionné.
   Sans préjudice des pouvoirs des autorités nationales chargées des questions en matière d'aides d'Etat, l'organisme de contrôle peut en outre tirer des comptes, des conclusions au sujet de problèmes en matière d'aides d'Etat, conclusions qu'il transmet auxdites autorités.]4
]1

  
Art. 64. Het [2 toezichthoudend orgaan]2 kan in de gevallen bedoeld in artikel 63, § 3, een bestuurlijke boete opleggen. De boete mag per kalenderdag niet lager zijn dan 12.500 euro en niet hoger dan 100.000 euro, noch in totaal hoger zijn dan 2 miljoen euro of 3 procent van de omzet die de gedaagde persoon heeft gerealiseerd in het afgesloten boekjaar, indien dit laatste bedrag hoger is.
  De boete kan worden berekend op grond van een dagelijks bedrag.
  [1 ...]1
  [1 De boete wordt door de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, de registratie en de domeinen gestort aan de Schatkist.
   Elk jaar op 1 januari, worden deze bedragen aangepast aan de gezondheidsindex volgens de volgende formule : het basisbedrag, vermenigvuldigd met de nieuwe index en gedeeld door de oorspronkelijke index.
   De nieuwe index is de gezondheidsindex van de maand november van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de bedragen overeenkomstig het vierde lid worden aangepast. De oorspronkelijke index is de gezondheidsindex van november 2013. Het bekomen resultaat wordt afgerond naar de hogere euro indien het deel in decimalen groter of gelijk is aan vijftig cent. De afronding gebeurt naar de lagere euro indien dit deel kleiner is dan vijftig cent.
   De verjaringstermijn voor invordering van de bestuurlijke boete wordt vastgesteld op drie jaar vanaf de dag waarop de feiten gepleegd zijn. De bevoegdheid tot invordering van de bestuurlijke boete verjaart na twee jaar vanaf de laatste dag waarop de overtreder diende te betalen.
   Indien de overtreder de bestuurlijke boete te laat betaalt, wordt het bedrag van rechtswege verhoogd met de wettelijke rentevoet, met een minimum van vijf procent van het bedrag van de bestuurlijke boete.]1

  
Art. 64. L'organe de contrôle peut, dans les cas visés à l'article 63, § 3, infliger une amende administrative. L'amende ne peut être, par jour calendrier, inférieure à 12.500 euros ni supérieure à 100.000 euros, ni, au total, supérieure à 2 millions d'euros ou 3 pour cent du chiffre d'affaires que la personne en cause a réalisé lors du dernier exercice clôturé, si ce dernier montant est supérieur.
  L'amende peut être calculée à raison d'un montant journalier.
  [1 ...]1
  [1 L'amende est recouvrée au profit du Trésor par l'administration de la taxe sur la valeur ajoutée, de l'enregistrement et des domaines.
   Chaque année au 1er janvier, ces montants sont adaptés à l'indice santé selon la formule suivante : le montant de base multiplié par le nouvel indice et divisé par l'indice de départ.
   Le nouvel indice est l'indice santé du mois de novembre de l'année précédant l'année dans laquelle les montants sont adaptés conformément à l'alinéa 4. L'indice de départ est l'indice santé de novembre 2013. Le résultat obtenu est arrondi à l'euro supérieur si la partie décimale est supérieure ou égale à cinquante cents. Il l'est à l'euro inférieur si cette partie est inférieure à cinquante cents.
   Le délai de prescription pour l'infliction d'une amende administrative est fixé à trois ans à partir de la date de commission des faits. Le droit de percevoir l'amende administrative se prescrit par deux ans à dater du dernier jour où le contrevenant aurait dû payer.
   Si le contrevenant paie l'amende administrative avec retard, le montant est majoré de plein droit du taux d'intérêt légal, avec un minimum de cinq pour cent du montant de l'amende administrative.]1

  
Art. 65. [1 Het [3 toezichthoudend orgaan]3 beslist in de gevallen bedoeld in artikel 63, § 3, na de betrokken partijen te hebben gehoord, binnen zes weken na ontvangst van alle relevante inlichtingen. Het [3 toezichthoudend orgaan]3 neemt klachten in behandeling en vraagt relevante informatie op en treedt in overleg met alle betrokken partijen binnen een maand vanaf de ontvangst van de klacht. De Koning bepaalt de nadere regels voor de procedure in de gevallen bedoeld in artikel 63, § 3.]1
  Bij zijn beslissingen houdt hij onder meer rekening met :
  1° de naleving van de van toepassing zijnde wetten en reglementeringen;
  2° het gelijkheidsbeginsel inzake toegang tot de spoorwegcapaciteit;
  3° de noodzaak om de integriteit van het Belgische [2 spoorwegnet]2 en de interoperabiliteit met de spoorwegdiensten van de andere Staten te behouden;
  4° de aard van de aanvraag ten overstaan van de beschikbare middelen om eraan te voldoen.
  Hij kan elk nuttig onderzoek doen of laten uitvoeren en zo nodig deskundigen aanwijzen en getuigen horen.
  Het [3 toezichthoudend orgaan]3 deelt zijn beslissingen aan de partijen mee en maakt ze bekend binnen 15 dagen na de uitspraak. Deze beslissingen zijn bindend voor alle betrokken partijen.
  Zij worden op papier en in elektronische vorm bekendgemaakt.
  
Art. 65. [1 L'organe de contrôle statue dans les cas visés à l'article 63, § 3, après avoir entendu les parties en cause, dans les six semaines qui suivent la réception de toutes les informations utiles. L'organe de contrôle traite les plaintes et sollicite des informations utiles et engage des consultations avec toutes les parties concernées dans un délai d'un mois à partir de la réception de la plainte. Le Roi détermine les modalités de la procédure dans les cas visés à l'article 63, § 3.]1
  Il rend ses décisions en tenant compte notamment :
  1° du respect des lois et règlements applicables;
  2° du principe d'égalité d'accès aux capacités ferroviaires;
  3° de la nécessité de maintenir l'intégrité du réseau ferroviaire belge et son interopérabilité avec les services ferroviaires des autres Etats;
  4° de la nature de la demande au regard des ressources de capacités disponibles pour la satisfaire.
  Il peut procéder ou faire procéder à toutes investigations utiles et au besoin désigner des experts et entendre des témoins.
  L'organe de contrôle notifie ses décisions aux parties et les rend publiques dans les 15 jours du prononcé. Ces décisions sont contraignantes pour toutes les parties concernées.
  Elles sont publiées sous forme de support papier et sous forme électronique.
  
Art. 66. De leden van het [1 toezichthoudend orgaan]1 zijn, op straffe van de toepassing van artikel 458 van het Strafwetboek, gebonden aan het beroepsgeheim met betrekking tot feiten, daden en inlichtingen waarvan ze uit hoofde van hun functie kennis nemen, behalve voor wat de door de wet voorziene uitzonderingen betreft.
  
Art. 66. Les membres de l'organe de contrôle sont soumis au secret professionnel, sous peine de l'application de l'article 458 du Code pénal, à l'égard des faits, actes et renseignements dont ils prendront connaissance en raison de leurs fonctions, hormis les exceptions prévues par la loi.
Afdeling 3/1. [1 - Samenwerking met andere organen, overleg en aanvraag van informatie]1
Section 3/1. [1 - Coopération avec d'autres organes, consultation et demande d'informations]1
Art. 66/1. [1 Het [2 toezichthoudend orgaan]2 werkt nauw samen met de veiligheidsinstantie en met de vergunningverlenende autoriteit.
   Deze organen ontwikkelen een gemeenschappelijk kader voor samenwerking en informatie-uitwisseling dat erop is gericht nadelige effecten voor de concurrentie of de veiligheid in de spoorwegsector te voorkomen. Dit kader voorziet onder meer in een mechanisme voor het verstrekken van aanbevelingen door het [2 toezichthoudend orgaan]2 aan de veiligheidsinstantie en aan de vergunningverlenende autoriteit over kwesties die de concurrentie op de spoorwegmarkt voor spoorwegdiensten kunnen verstoren, evenals in een mechanisme voor het verstrekken van aanbevelingen door de veiligheidsinstantie aan het [2 toezichthoudend orgaan]2 en de instantie die verantwoordelijk is voor het verlenen van vergunningen over kwesties die van invloed kunnen zijn op de veiligheid. Onverminderd de onafhankelijkheid van elk van de instanties in de uitoefening van hun respectieve bevoegdheden bestuderen de betreffende instanties deze aanbevelingen alvorens besluiten te nemen. Indien de desbetreffende instantie besluit van deze aanbevelingen af te wijken, vermeldt zij de redenen daarvoor in haar besluiten.]1

  
Art. 66/1. [1 L'organe de contrôle coopère étroitement avec l'autorité de sécurité et avec l'autorité responsable des licences.
   Ces organes élaborent ensemble un cadre de coopération et d'échange d'informations visant à prévenir les effets préjudiciables à la concurrence ou à la sécurité sur le marché ferroviaire. Ce cadre contient entre autres un mécanisme permettant, d'une part, à l'organe de contrôle d'adresser des recommandations à l'autorité de sécurité et à l'autorité responsable des licences sur des aspects susceptibles de nuire à la concurrence sur le marché ferroviaire et, d'autre part, à l'autorité de sécurité d'adresser des recommandations à l'organe de contrôle et à l'autorité responsable de la délivrance des licences sur des aspects susceptibles de compromettre la sécurité. Sans préjudice de l'indépendance de chacun de ces organes dans son domaine de compétences propres, les autorités concernées examinent ces recommandations avant d'adopter leurs décisions. Si l'organe concerné décide de s'écarter de ces recommandations, il en donne les raisons dans ses décisions.]1

  
Art. 66/2. [1 Het [2 toezichthoudend orgaan]2 raadpleegt regelmatig en ten minste om de twee jaar de vertegenwoordigers van de gebruikers van spoorvervoersdiensten voor goederen en reizigers, teneinde rekening te houden met hun standpunten ten aanzien van de spoorwegmarkt.]1
  
Art. 66/2. [1 A intervalles réguliers, et au moins tous les deux ans, l'organe de contrôle consulte les représentants des usagers des services ferroviaires de transport de fret et de voyageurs pour tenir compte de leurs opinions quant au marché ferroviaire.]1
  
Art. 66/3. [1 § 1. Het [2 toezichthoudend orgaan]2 is bevoegd om nuttige informatie op te vragen bij de infrastructuurbeheerder, de kandidaten en elke andere belanghebbende partij.
   Deze informatie wordt verstrekt binnen een redelijke, door het [2 toezichthoudend orgaan]2 vastgestelde termijn van ten hoogste een maand, tenzij het [2 toezichthoudend orgaan]2 in uitzonderlijke gevallen instemt met en toestemming verleent voor een verlenging met ten hoogste twee weken.
   De aan het [2 toezichthoudend orgaan]2 te verstrekken informatie omvat alle gegevens waarom het [2 toezichthoudend orgaan]2 verzoekt in het kader van haar functies als beroepsinstantie en toezichthoudster op de mededinging op de markten voor spoorwegdiensten. Dit omvat gegevens die nodig is voor statistische en marktwaarnemingsdoeleinden.
   § 2. Het feit dat de infrastructuurbeheerder, de kandidaten of elke andere belanghebbende partij, geen gevolg geven aan het verzoek om informatie van het [2 toezichthoudend orgaan]2, binnen de door deze laatste bepaalde termijn, is een inbreuk die bestraft kan worden met een bestuurlijke boete op forfaitaire basis of per dag.
   De boete mag per kalenderdag niet lager zijn dan 1.000 euro en niet hoger dan 2.000 euro, noch in totaal hoger zijn dan 60.000 euro.
   De boete wordt door de administratie van de belasting, de registratie en de domeinen over de toegevoegde waarde gestort aan de Schatkist.
   Elk jaar op 1 januari, worden deze bedragen aangepast aan de gezondheidsindex volgens de volgende formule : het basisbedrag, vermenigvuldigd met de nieuwe index en gedeeld door de oorspronkelijke index.
   De nieuwe index is de gezondheidsindex van de maand november van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de bedragen overeenkomstig het vierde lid worden aangepast. De oorspronkelijke index is de gezondheidsindex van november 2013. Het bekomen resultaat wordt afgerond naar de hogere euro indien het deel in decimalen groter of gelijk is aan vijftig cent. De afronding gebeurt naar de lagere euro indien dit deel kleiner is dan vijftig cent.
   De verjaringstermijn voor invordering van de bestuurlijke boete wordt vastgesteld op drie jaar vanaf de dag waarop de feiten gepleegd zijn. De bevoegdheid tot invordering van de bestuurlijke boete verjaart na twee jaar vanaf de laatste dag waarop de overtreder diende te betalen.
   Indien de overtreder de bestuurlijke boete te laat betaalt, wordt het bedrag van rechtswege verhoogd met de wettelijke rentevoet, met een minimum van vijf procent van het bedrag van de bestuurlijke boete.]1

  
Art. 66/3. [1 § 1er. L'organe de contrôle est habilité à demander les informations utiles au gestionnaire de l'infrastructure, aux candidats et à toute autre partie intéressée.
   Ces informations sont fournies dans un délai raisonnable, fixé par l'organe de contrôle, ne dépassant pas un mois, à moins que, dans des circonstances exceptionnelles, l'organe de contrôle n'accepte et n'autorise une prorogation limitée n'excédant pas deux semaines.
   Les informations à fournir à l'organe de contrôle comprennent toutes les données requises par celui-ci dans le cadre de ses fonctions de recours et de surveillance de la concurrence sur les marchés des services ferroviaires. Il s'agit notamment des données nécessaires pour établir des statistiques et observer le marché.
   § 2. Le fait, pour le gestionnaire de l'infrastructure, les candidats ou tout autre partie intéressée, de ne pas répondre à la demande d'information formulée par l'organe de contrôle, dans le délai fixé par celui-ci, est constitutif d'une infraction susceptible d'être sanctionnée d'une amende administrative sur une base forfaitaire ou par jour.
   L'amende ne peut être, par jour calendrier, inférieure à 1.000 euros ni supérieure à 2.000 euros, ni au total, supérieure à 60.000 euros.
   L'amende est recouvrée au profit du Trésor par l'administration de la taxe sur la valeur ajoutée, de l'enregistrement et des domaines.
   Chaque année au 1er janvier, ces montants sont adaptés à l'indice santé selon la formule suivante : le montant de base multiplié par le nouvel indice et divisé par l'indice de départ.
   Le nouvel indice est l'indice santé du mois de novembre de l'année précédant l'année dans laquelle les montants sont adaptés conformément à l'alinéa 4. L'indice de départ est l'indice santé de novembre 2013. Le résultat obtenu est arrondi à l'euro supérieur si la partie décimale est supérieure ou égale à cinquante cents. Il l'est à l'euro inférieur si cette partie est inférieure à cinquante cents.
   Le délai de prescription pour l'infliction d'une amende administrative est fixé à trois ans à partir de la date de commission des faits. Le droit de percevoir l'amende administrative se prescrit par deux ans à dater du dernier jour où le contrevenant aurait dû payer.
   Si le contrevenant paie l'amende administrative avec retard, le montant est majoré de plein droit du taux d'intérêt légal, avec un minimum de cinq pour cent du montant de l'amende administrative.]1

  
Art. 66/4. [1 § 1. Het [3 toezichthoudend orgaan]3 wisselt met toezichthoudende organen van andere lidstaten van de Europese Unie informatie uit over zijn werk en zijn besluitvormingsbeginselen en -praktijk en wisselt, in het bijzonder, informatie uit over de hoofdpunten van zijn procedures en over de problemen met de interpretatie van omgezet spoorwegrecht van de Unie. Het werkt samen met toezichthoudende organen van andere lidstaten van de Europese Unie met als doel de besluitvorming te coördineren. Daartoe neemt hij deel aan en werkt hij samen in een net dat de toezichthoudende organen van lidstaten verenigt.
   § 2. Het [3 toezichthoudend orgaan]3 werkt nauw samen met de toezichthoudende organen van andere lidstaten, onder meer door middel van werkafspraken, om elkaar wederzijdse bijstand te verlenen bij de taken inzake markttoezicht, klachtenbehandeling en onderzoeken.
  [2 § 2/1. Indien voor aangelegenheden met betrekking tot een internationale dienst besluiten nodig zijn van het [3 toezichthoudend orgaan]3 en van een toezichthoudend orgaan van een andere lidstaat, werken de desbetreffende organen samen bij de voorbereiding van hun respectieve besluiten.]2
   § 3. Bij een klacht of een onderzoek uit eigen beweging inzake toegang of heffing betreffende een internationaal treinpad, alsmede in het kader van het toezicht op de concurrentie op de markt voor internationale spoorvervoersdiensten, raadpleegt het [3 toezichthoudend orgaan]3 de toezichthoudende organen van alle andere lidstaten waardoor het internationale treinpad loopt en, in voorkomend geval, de Europese Commissie, en verzoekt hij hen om de nodige informatie alvorens een beslissing te nemen.
   § 4. Indien hij geraadpleegd wordt door een toezichthoudend orgaan van een andere lidstaat, verstrekt hij alle informatie die hij zelf krachtens deze Codex mag vragen. Deze informatie mag alleen worden gebruikt voor de behandeling van de klacht of het onderzoek bedoeld in paragraaf 3.
   § 5. Wanneer het [3 toezichthoudend orgaan]3 een klacht ontvangt of uit eigen beweging een onderzoek voert, deelt hij de relevante informatie mee aan het bevoegde [3 toezichthoudend orgaan]3, zodat deze laatste maatregelen kan treffen ten aanzien van de betrokken partijen.
   § 6. Elke vertegenwoordiger van infrastructuurbeheerders betrokken overeenkomstig artikel 45 verstrekt onverwijld alle informatie die voor de behandeling van de klacht of het onderzoek als bedoeld in paragraaf 3 worden gevraagd door het [3 toezichthoudend orgaan]3 van de lidstaat waar de betrokken vertegenwoordiger is gevestigd. Het [3 toezichthoudend orgaan]3 heeft het recht om de informatie betreffende het betrokken internationale treinpad mee te delen aan de in paragraaf 3 bedoelde toezichthoudende organen.
   § 7. Op verzoek van een toezichthoudend orgaan kan de Europese Commissie deelnemen aan de in de paragrafen 2 tot en met 6 genoemde werkzaamheden teneinde de in die paragrafen omschreven samenwerking tussen de toezichthoudende organen te vergemakkelijken.
   § 8. Het [3 toezichthoudend orgaan]3 ontwikkelt samen met andere toezichthoudende organen gemeenschappelijke beginselen en praktijken voor de besluitvorming waarvoor zij krachtens deze wet bevoegd zijn. [2 Dergelijke gemeenschappelijke beginselen en praktijken omvatten regelingen voor de beslechting van geschillen die zich voordoen in het kader van paragraaf 2/1.]2
   § 9. Het [3 toezichthoudend orgaan]3 beoordeelt de beslissingen en praktijken in het kader van de in artikelen 60/1 en 45, bedoelde samenwerking tussen de infrastructuurbeheerders die de bepalingen van deze Codex ten uitvoer leggen of, in het algemeen, het internationale spoorvervoer vergemakkelijken.]1

  
Art. 66/4. [1 § 1er. L'organe de contrôle échange avec les organes de contrôle des autres Etats membres de l'Union européenne des informations sur son travail et ses principes et pratiques décisionnels, notamment, sur les principaux aspects de ses procédures et sur les problèmes d'interprétation de la législation ferroviaire transposée de l'Union. Il coopère avec les organes de contrôle des autres Etats membres de l'Union européenne afin de coordonner les processus décisionnels. A cette fin, il participe et collabore au sein d'un réseau réunissant les organes de contrôle des Etats membres.
   § 2. L'organe de contrôle coopère étroitement avec les organes de contrôle des autres Etats membres, notamment en fixant des modalités de collaboration à des fins d'assistance mutuelle dans le cadre des tâches de surveillance du marché et de traitement des plaintes ou des enquêtes.
  [2 § 2/1. Lorsque des questions concernant un service international nécessitent des décisions de la part de l'organe de contrôle et d'un organe de contrôle d'un autre Etat membre, l'organe de contrôle propose à son homologue de coopérer dans le cadre de la préparation de leur décision respective.]2
   § 3. En cas de plainte ou d'enquête lancée de sa propre initiative sur des questions d'accès ou de tarification relatives à un sillon international, ainsi que dans le cadre de la surveillance de la concurrence sur le marché concernant des services de transport ferroviaire international, l'organe de contrôle consulte les organes de contrôle de tous les autres Etats membres par lesquels passe le sillon international en cause et, le cas échéant, la Commission européenne, et leur demande toutes les informations nécessaires avant de prendre une décision.
   § 4. S'il est consulté par un organe de contrôle d'un autre Etat membre, il fournit toutes les informations qu'il a lui-même le droit de demander en vertu du présent Code. Ces informations ne peuvent être utilisées qu'aux fins du traitement de la plainte ou de l'enquête visée au paragraphe 3.
   § 5. Lorsque l'organe de contrôle reçoit une plainte ou mène une enquête de sa propre initiative, il transmet toute information pertinente à l'organe de contrôle responsable afin que celui-ci puisse prendre des mesures à l'égard des parties concernées.
   § 6. Tout représentant des gestionnaires de l'infrastructure associé conformément à l'article 45 fournit sans délai toutes les informations nécessaires aux fins du traitement de la plainte ou de l'enquête visée au paragraphe 3, qui ont été demandées par l'organe de contrôle de l'Etat membre où se situe le représentant associé. L'organe de contrôle est habilité à transmettre ces informations concernant le sillon international aux organismes de contrôle visés au paragraphe 3.
   § 7. A la demande d'un organe de contrôle, la Commission européenne peut prendre part aux activités énumérées aux paragraphes 2 à 6 afin de faciliter la coopération des organismes de contrôle mentionnée auxdits paragraphes.
   § 8. L'organe de contrôle élabore des principes et pratiques communs avec d'autres organismes de contrôle pour les décisions qu'ils sont habilités à prendre en vertu de la présente loi. [2 Ces principes et pratiques communs comprennent des dispositions pour le règlement de litiges qui surviennent dans le cadre du paragraphe 2/1.]2
   § 9. L'organe de contrôle évalue les décisions et pratiques des associations de gestionnaires de l'infrastructure visées aux articles 60/1 et 45, qui exécutent les dispositions du présent Code ou, de manière générale, facilitent le transport ferroviaire international.]1

  
Afdeling 4. - Inkomsten
Section 4. - Ressources
HOOFDSTUK 0. [1 - Rol van de actoren van het spoorwegsysteem van de Unie bij de ontwikkeling en verbetering van de veiligheid op het spoor]1
TITRE 4. - Sécurité d'exploitation de l'infrastructure ferroviaire
Art.67/1. [1 § 1. Ter ontwikkeling en verbetering van de veiligheid op het spoor doen de bevoegde nationale instanties, binnen de grenzen van hun respectievelijke bevoegdheden, het volgende:
CHAPITRE 0. [1 - Rôle des acteurs du système ferroviaire de l'Union dans le développement et l'amélioration de la sécurité ferroviaire]1
TITEL 4. - Exploitatieveiligheid van de spoorweginfrastructuur
Art.67/1. [1 § 1er. Afin de développer et d'améliorer la sécurité ferroviaire, les autorités nationales compétentes, dans les limites de leurs compétences respectives:
HOOFDSTUK 1. [1 - Nationale voorschriften]1
CHAPITRE 1er. [1 - Règles nationales]1
Art. 68. [1 § 1. Het nationaal regelgevend kader inzake veiligheid omvat:
   1° de [2 nationale voorschriften]2 betreffende de principes die van toepassing zijn op de exploitatieveiligheid van de spoorweginfrastructuur, betreffende de vereisten die van toepassing zijn op het veiligheidspersoneel en het personeel van de met het onderhoud belaste entiteiten, betreffende de vereisten die van toepassing zijn op het rollend materieel en betreffende de vereisten die van toepassing zijn op de spoorweginfrastructuur;
   2° de technische specificaties voor gebruik van het netwerk en de operationele procedures betreffende de exploitatieveiligheid van de spoorweginfrastructuur;
   3° de organisatorische bepalingen betreffende de exploitatieveiligheid van de spoorweginfrastructuur;
   4° de regels betreffende onderzoeken naar ongevallen en incidenten;
   5° de vereisten betreffende het verkeer van voertuigen met een patrimoniaal karakter;
   6° de interne veiligheidsvoorschriften;
   7° de regels betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen per spoor.
   § 2. De Koning bepaalt:
   1° de volgende [2 nationale voorschriften]2:
   a) de principes die van toepassing zijn op de exploitatieveiligheid van de spoorweginfrastructuur;
   b) de vereisten die van toepassing zijn op het veiligheidspersoneel en het personeel van de met het onderhoud belaste entiteiten;
   c) de vereisten die van toepassing zijn op het rollend materieel;
   d) de vereisten die van toepassing zijn op de spoorweginfrastructuur;
   2° de regels betreffende onderzoeken naar ongevallen en incidenten;
   3° de vereisten voor het verkeer van voertuigen met een patrimoniaal karakter op het netwerk.
   § 3. In afwezigheid van TSI's of ter aanvulling van de TSI's, en op basis van de principes bepaald door de Koning op grond van paragraaf 2, 1°, a) en d), identificeert en stelt de infrastructuurbeheerder de technische specificaties voor gebruik van het netwerk en de operationele procedures betreffende de exploitatieveiligheid van de spoorweginfrastructuur vast voor wat betreft de operationele interface tussen hemzelf en de spoorwegondernemingen of de toeristische ondernemingen bedoeld in artikel 5, § 1, 4°.
   In hun relatie met de infrastructuurbeheerder leven de spoorwegondernemingen en de toeristische ondernemingen bedoeld in artikel 5, § 1, 4°, die specificaties en procedures na en voeren deze specificaties en procedures in in hun interne veiligheidsvoorschriften bedoeld in paragraaf 7 en passen deze toe op het betrokken personeel.
   Deze specificaties en procedures en hun wijzigingen zijn onderworpen aan het eensluidend advies van de Veiligheidsinstantie volgens een procedure bepaald door de Koning.
   Wanneer overeenkomstig de artikelen 168 en volgende, de infrastructuurbeheerder bij de Veiligheidsinstantie een aanvraag indient voor [2 een vergunning]2 tot indienststelling, wordt het verzoek om eensluidend advies, bedoeld in het derde lid, geïntegreerd in het dossier van de [2 vergunningsaanvraag]2.
   De infrastructuurbeheerder maakt de technische specificaties voor gebruik van het netwerk en de operationele procedures betreffende de exploitatieveiligheid van de spoorweginfrastructuur, bedoeld in het eerste lid, bekend volgens de nadere regels bepaald door de Koning overeenkomstig paragraaf 6.
   § 4. In afwezigheid van TSI's of ter aanvulling van de TSI's, en op basis van de principes bepaald door de Koning op grond van paragraaf 2, 1°, a), identificeert en stelt de infrastructuurbeheerder de organisatorische bepalingen betreffende de exploitatieveiligheid van de spoorweginfrastructuur vast voor wat betreft de organisatorische interface tussen hemzelf en de spoorwegondernemingen of de toeristische ondernemingen bedoeld in artikel 5, § 1, 4°.
   Voordat de infrastructuurbeheerder deze organisatorische bepalingen vaststelt, raadpleegt hij de spoorwegondernemingen en de toeristische ondernemingen bedoeld in artikel 5, § 1, 4° met naleving van de processen opgenomen in zijn veiligheidsbeheersysteem.
   De spoorwegondernemingen en de toeristische ondernemingen bedoeld in artikel 5, § 1, 4°, leven de organisatorische bepalingen bedoeld in het eerste lid, na wanneer zij zich in die gevallen bevinden en voeren deze organisatorische bepalingen in in hun interne veiligheidsvoorschriften bedoeld in paragraaf 7 en passen deze toe op het betrokken personeel.
   De infrastructuurbeheerder maakt de organisatorische bepalingen betreffende de exploitatieveiligheid van de spoorweginfrastructuur, bedoeld in het eerste lid, bekend volgens de nadere regels bepaald door de Koning overeenkomstig paragaaf 6.
   § 5. Elke infrastructuurgebruiker kan een gemotiveerd verzoek richten tot de infrastructuurbeheerder opdat hij, in toepassing van de paragrafen 3 en 4, de technische specificaties voor gebruik van het netwerk, de operationele procedures of de organisatorische bepalingen vaststelt.
   Dit verzoek bevat ten minste:
   1° de risico's van het ontbreken van de technische specificaties voor gebruik van het netwerk, de operationele procedures of de organisatorische bepalingen, bedoeld in het eerste lid;
   2° de analyse die de risico's heeft geïdentificeerd op basis van de toepassing van het risicobeheerproces opgenomen in bijlage 1 van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 402/2013 van de Commissie van 30 april 2013 betreffende de gemeenschappelijke veiligheidsmethode voor risico-evaluatie en -beoordeling en tot intrekking van verordening (EG) nr. 352/2009.
   De infrastructuurbeheerder beantwoordt dit verzoek op gemotiveerde wijze binnen een termijn die niet langer is dan 90 werkdagen.
   Bij een negatieve beslissing kan de infrastructuurgebruiker een verzoek tot herziening indienen.
   Dit verzoek wordt vergezeld door een beoordelingsverslag opgesteld door een beoordelingsinstantie als bedoeld in de uitvoeringsverordening (EU) nr. 402/2013 van de Commissie van 30 april 2013 betreffende de gemeenschappelijke veiligheidsmethode voor risico-evaluatie en -beoordeling en tot intrekking van verordening (EG) nr. 352/2009.
   De infrastructuurbeheerder aan wie het verzoek gericht is, beantwoordt dit verzoek tot herziening op gemotiveerde wijze binnen een termijn die niet langer is dan 90 werkdagen.
   Bij een positieve beslissing stelt de infrastructuurbeheerder de technische specificaties voor gebruik van het netwerk, de operationele procedures of de organisatorische bepalingen vast overeenkomstig de paragrafen 3 en 4.
   § 6. De Koning bepaalt de nadere regels voor bekendmaking van het geheel van de elementen bedoeld in de paragrafen 3, 4 en 5, alsook voor de bekendmaking van de elementen bedoeld in de punten 4.2.1.2.2.1., 4.2.2.5.2. en 4.8.1 van de Uitvoeringsverordening (EU) 2019/773 van de Commissie van 16 mei 2019 betreffende de technische specificaties inzake interoperabiliteit van het subsysteem exploitatie en verkeersleiding van het spoorwegsysteem in de Europese Unie en tot intrekking van Besluit 2012/757/EU, onverminderd haar artikel 6.
   § 7. De infrastructuurgebruikers stellen, ieder voor wat hem betreft, de interne veiligheidsvoorschriften vast in het kader van hun veiligheidsbeheersysteem.]1

  
Art. 68. [1 § 1er. Le cadre réglementaire national en matière de sécurité comprend:
   1° les [2 règles nationales]2 relatives aux principes applicables à la sécurité d'exploitation de l'infrastructure ferroviaire, relatives aux exigences applicables au personnel de sécurité et au personnel des entités chargées de l'entretien, relatives aux exigences applicables au matériel roulant et relatives aux exigences applicables à l'infrastructure ferroviaire;
   2° les spécifications techniques d'utilisation du réseau et les procédures opérationnelles relatives à la sécurité d'exploitation de l'infrastructure ferroviaire;
   3° les dispositions organisationnelles relatives à la sécurité d'exploitation de l'infrastructure ferroviaire;
   4° les règles relatives aux enquêtes sur les accidents et les incidents;
   5° les exigences relatives à la circulation des véhicules à caractère patrimonial;
   6° les règles internes de sécurité;
   7° les règles relatives au transport de marchandises dangereuses par chemin de fer.
   § 2. Le Roi détermine:
   1° les [2 règles nationales]2 suivantes:
   a) les principes applicables à la sécurité d'exploitation de l'infrastructure ferroviaire;
   b) les exigences applicables au personnel de sécurité et au personnel des entités chargées de l'entretien;
   c) les exigences applicables au matériel roulant;
   d) les exigences applicables à l'infrastructure ferroviaire;
   2° les règles relatives aux enquêtes sur les accidents et les incidents;
   3° les exigences relatives à la circulation de véhicules à caractère patrimonial sur le réseau.
   § 3. En l'absence de STI ou en complément des STI, le gestionnaire de l'infrastructure identifie et adopte, sur la base des principes définis par le Roi en vertu du paragraphe 2, 1°, a) et d), les spécifications techniques d'utilisation du réseau et les procédures opérationnelles relatives à la sécurité d'exploitation de son infrastructure ferroviaire, en ce qui concerne l'interface opérationnelle entre lui-même et les entreprises ferroviaires ou les associations touristiques visées à l'article 5, § 1er, 4°.
   Les entreprises ferroviaires et les associations touristiques visées à l'article 5, § 1er, 4°, se conforment à ces spécifications et procédures dans leurs rapports avec le gestionnaire de l'infrastructure et intègrent ces spécifications et procédures dans leurs règles internes de sécurité visées au paragraphe 7 et les appliquent au personnel concerné.
   Ces spécifications et procédures, et leurs modifications, sont soumises à l'avis conforme de l'Autorité de sécurité, selon une procédure déterminée par le Roi.
   Lorsque, conformément aux articles 168 et suivants, le gestionnaire de l'infrastructure introduit auprès de l'Autorité de sécurité une demande d'autorisation de mise en service, la demande d'avis conforme visée à l'alinéa 3 est intégrée au dossier de demande d'autorisation.
   Le gestionnaire de l'infrastructure publie les spécifications techniques d'utilisation du réseau et les procédures opérationnelles relatives à la sécurité d'exploitation de son infrastructure ferroviaire visées à l'alinéa 1er selon les modalités arrêtées par le Roi conformément au paragraphe 6.
   § 4. En l'absence de STI ou en complément des STI, sur la base des principes définis par le Roi en vertu du paragraphe 2, 1°, a), le gestionnaire de l'infrastructure identifie et adopte les dispositions organisationnelles relatives à la sécurité d'exploitation de son infrastructure ferroviaire en ce qui concerne l'interface organisationnelle entre lui-même et les entreprises ferroviaires ou les associations touristiques visées à l'article 5, § 1er, 4°.
   Avant d'adopter ces dispositions organisationnelles, le gestionnaire de l'infrastructure se concerte avec les entreprises ferroviaires et les associations touristiques visées à l'article 5, § 1er, 4°, dans le respect des processus repris dans son système de gestion de la sécurité.
   Les entreprises ferroviaires et les associations touristiques visées à l'article 5, § 1er, 4°, se conforment aux dispositions organisationnelles visées à l'alinéa 1er lorsqu'elles se trouvent dans les cas qui y sont visés et intègrent ces dispositions organisationnelles dans leurs règles internes de sécurité visées au paragraphe 7 et les appliquent au personnel concerné.
   Le gestionnaire de l'infrastructure publie les dispositions organisationnelles relatives à la sécurité d'exploitation de son infrastructure ferroviaire visées à l'alinéa 1er selon les modalités arrêtées par le Roi conformément au paragraphe 6.
   § 5. Tout utilisateur de l'infrastructure peut adresser une demande motivée au gestionnaire de l'infrastructure pour qu'il adopte des spécifications techniques d'utilisation du réseau, des procédures opérationnelles ou des dispositions organisationnelles en application des paragraphes 3 et 4.
   Cette demande contient au minimum:
   1° les risques que représentent l'absence de spécification technique d'utilisation du réseau, de procédure opérationnelle ou de disposition organisationnelle visée à l'alinéa 1er;
   2° l'analyse qui a identifié les risques par application d'un processus de gestion des risques similaire à celui repris à l'annexe 1re du règlement d'exécution (UE) n° 402/2013 de la Commission du 30 avril 2013 concernant la méthode de sécurité commune relative à l'évaluation et à l'appréciation des risques et abrogeant le règlement (CE) n° 352/2009.
   Le gestionnaire de l'infrastructure répond à cette demande de manière motivée dans un délai n'excédant pas 90 jours ouvrables.
   En cas de décision négative, l'utilisateur de l'infrastructure peut introduire une demande de révision.
   Cette demande est accompagnée d'un rapport d'évaluation de la sécurité rédigé par un organisme d'évaluation au sens du règlement d'exécution (UE) n° 402/2013 de la Commission du 30 avril 2013 concernant la méthode de sécurité commune relative à l'évaluation et à l'appréciation des risques et abrogeant le règlement (CE) n° 352/2009.
   Le gestionnaire de l'infrastructure à qui la demande a été adressée répond à cette demande de révision de manière motivée dans un délai n'excédant pas 90 jours ouvrables.
   En cas de réponse positive, le gestionnaire de l'infrastructure adopte les spécifications techniques d'utilisation du réseau, les procédures opérationnelles ou les dispositions organisationnelles conformément aux paragraphes 3 et 4.
   § 6. Le Roi détermine les modalités de publication de l'ensemble des éléments visés aux paragraphes 3, 4 et 5, ainsi que les modalités de publication des éléments visés aux points 4.2.1.2.2.1., 4.2.2.5.2. et 4.8.1 du Règlement d'exécution (UE) 2019/773 de la Commission du 16 mai 2019 concernant la spécification technique d'interopérabilité relative au sous-système "Exploitation et gestion du trafic" du système ferroviaire au sein de l'Union européenne et abrogeant la décision 2012/757/UE, sans préjudice de son article 6.
   § 7. Les utilisateurs de l'infrastructure adoptent, chacun en ce qui le concerne, des règles internes de sécurité dans le cadre de leur système de gestion de la sécurité.]1

  
Art. 69. [1 § 1. De Koning kan enkel in de volgende gevallen nieuwe nationale voorschriften vaststellen:
   1° indien voorschriften betreffende bestaande veiligheidsmethoden niet onder een GVM vallen;
   2° indien exploitatievoorschriften van het spoorwegnetwerk nog niet binnen het bestek van de TSI's vallen;
   3° indien dringend preventieve maatregelen nodig zijn, in het bijzonder na een ongeval of incident;
   4° indien reeds aangemelde voorschriften herziening behoeven;
   5° indien voorschriften betreffende eisen waaraan personeelsleden met veiligheidskritieke taken moeten voldoen, met inbegrip van eisen betreffende selectiecriteria, lichamelijke en psychologische geschiktheid en beroepsopleiding, niet reeds binnen het bestek vallen van een TSI of titel 5, hoofdstuk 1 van deze Spoorcodex;
   6° indien een TSI niet volledig aan de essentiële eisen beantwoordt of bepaalde aspecten in verband met de essentiële eisen niet of niet volledig bestrijken, met inbegrip van de open punten als vermeld in haar bijlagen;
   7° indien er op grond van artikel 159 een verzoek is ingediend tot niet-toepassing van één of meer TSI's of delen daarvan;
   8° indien het in specifieke gevallen nodig is technische regels toe te passen die niet in de desbetreffende TSI zijn opgenomen;
   9° indien nationale voorschriften ertoe dienen om bestaande systemen te specifiëren, alleen voor het beoordelen van de technische compatibiliteit van het voertuig met het netwerk;
   10° indien netwerken en voertuigen niet onder TSI's vallen.
   Wanneer de Koning overeenkomstig het eerste lid een nieuw nationaal voorschrift aanneemt, doet hij dit met naleving van de voorwaarden voorzien in de paragrafen 3 en volgende.
   De Koning wijst de entiteit aan die belast is met het uitvoeren van deze voorwaarden.
   § 2. In geval van wijziging van een nationaal voorschrift op grond waarvan een voertuigtypegoedkeuring is verleend, bepaalt dit voorschrift of de verleende voertuigtypegoedkeuring geldig blijft of dat deze moet worden vernieuwd.
   § 3. Tijdens de ontwikkeling van het nationaal regelgevend kader raadpleegt de door de Koning aangewezen entiteit alle actoren en belanghebbende partijen, met inbegrip van de veiligheidsinstantie, de infrastructuurbeheerder, spoorwegondernemingen, fabrikanten en onderhoudsbedrijven, gebruikers en vertegenwoordigers van het personeel.
   § 4. De door de Koning aangewezen entiteit legt de volledige tekst van het ontwerp van een nieuw nationaal voorschrift via het geëigende IT-systeem overeenkomstig artikel 27 van de Verordening 2016/796/EU ter overweging voor aan het Bureau en de Europese Commissie, tijdig en binnen de in artikel 25, paragraaf 1, van de Verordening 2016/796/EU bedoelde termijnen, vóór de verwachte invoering van het voorgestelde nieuwe voorschrift in het nationaal rechtssysteem, en motiveert zij de invoering van dat voorschrift door, in voorkomend geval, aan te tonen dat dat voorschrift noodzakelijk is om te voldoen aan een essentiële eis die niet reeds onder de betrokken TSI valt. De door de Koning aangewezen entiteit zorgt ervoor dat de ontwerptekst voldoende is uitgewerkt om het Bureau in staat te stellen zijn onderzoek overeenkomstig artikel 25, paragraaf 2, van de Verordening 2016/796 EU uit te voeren.
   § 5. In het geval van dringende preventieve maatregelen kan de Koning een nieuw voorschrift meteen vaststellen en toepassen.
   Dat voorschrift wordt aangemeld in overeenstemming met artikel 27, paragraaf 2, van de Verordening 2016/796/EU en overeenkomstig artikel 26, paragrafen 1, 2 en 5, van de Verordening 2016/796/EU aan de beoordeling van het Bureau onderworpen.
   § 6. De Koning herziet de nationale voorschriften of heft deze op indien deze redondant of tegenstrijdig worden na bekendmaking of herziening van het Unierecht, met inbegrip onder andere van de TSI's, de GVD en de GVM.
   In het bijzonder brengt de Koning de nodige wijzigingen aan in de nationale voorschriften om ten minste de GVD's en herzieningen daarvan te verwezenlijken binnen de daarvoor gestelde termijnen.
   § 7. De door de Koning aangewezen entiteit deelt aan het Bureau en de Europese Commissie mee welke nationale voorschriften zijn aangenomen.
   Overeenkomstig artikel 27 van de Verordening 2016/796/EU gebruikt zij de geëigende IT-systemen.
   De door de Koning aangewezen entiteit zorgt ervoor dat de bestaande nationale voorschriften, met inbegrip van de voorschriften betreffende de interfaces tussen de voertuigen en het netwerk, eenvoudig en voor het publiek toegankelijk zijn en gesteld zijn in een terminologie die voor alle belanghebbende partijen begrijpelijk is.
   Iedere persoon kan de door de Koning aangewezen entiteit verzoeken om aanvullende informatie over de nationale voorschriften te verstrekken.
   Deze laatste beantwoordt dit verzoek.
   § 8. De door de Koning aangewezen entiteit meldt de voorschriften en beperkingen van strikt plaatselijke aard niet aan.
   In dat geval neemt de infrastructuurbeheerder de betrokken voorschriften en beperkingen op in de netverklaring.
   § 9. De op grond van dit artikel aangemelde nationale voorschriften zijn niet onderworpen aan de aanmeldingsprocedure van de richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij.]1

  
Art. 69. [1 § 1er. Le Roi ne peut établir de nouvelles règles nationales que dans les cas suivants:
   1° lorsque les règles concernant des méthodes de sécurité existantes ne sont pas couvertes par une MSC;
   2° lorsque des règles d'exploitation du réseau ferroviaire ne sont pas encore couvertes par des STI;
   3° en tant que mesure préventive d'urgence en particulier à la suite d'un accident ou d'un incident;
   4° lorsqu'une règle déjà notifiée a besoin d'être révisée;
   5° lorsque des règles concernant les exigences applicables au personnel exécutant des tâches critiques de sécurité, y compris les critères de sélection, l'aptitude physique et psychologique et la formation professionnelle ne sont pas encore couvertes par une STI ou par le titre 5, chapitre 1er du présent Code ferroviaire;
   6° lorsqu'une STI ne respecte pas pleinement les exigences essentielles ou ne couvre pas, ou pas complètement, certains aspects correspondant aux exigences essentielles, y compris les points ouverts tels que recensés dans son annexe;
   7° lorsqu'une demande de non-application d'une ou de plusieurs STI ou de certaines de leurs parties a été soumise conformément à l'article 159;
   8° lorsqu'un cas spécifique nécessite l'application de règles techniques ne figurant pas dans la STI concernée;
   9° lorsque les règles nationales servent à spécifier des systèmes existants et ont pour seul objet l'évaluation technique de la compatibilité du véhicule avec le réseau;
   10° lorsque les réseaux et les véhicules ne sont pas couverts par des STI.
   Lorsque le Roi adopte une nouvelle règle nationale conformément à l'alinéa 1er, il y procède dans le respect des conditions prévues aux paragraphes 3 et suivants.
   Le Roi désigne l'entité chargée de mettre en oeuvre ces conditions.
   § 2. En cas de modification d'une règle nationale en vertu de laquelle une autorisation par type de véhicule a été délivrée, cette règle détermine si l'autorisation par type de véhicule délivrée reste valable ou si elle doit être renouvelée.
   § 3. Lors de la mise au point du cadre réglementaire national, l'entité désignée par le Roi consulte tous les acteurs et les parties intéressées, y compris l'autorité de sécurité, le gestionnaire de l'infrastructure, les entreprises ferroviaires, les fabricants et les fournisseurs de services d'entretien, les usagers et les représentants du personnel.
   § 4. L'entité désignée par le Roi soumet le texte complet du projet de nouvelle règle nationale à l'Agence et à la Commission européenne, par les voies électroniques appropriées conformément à l'article 27 du Règlement 2016/796/UE, pour examen en temps utile, dans les délais visés à l'article 25, paragraphe 1er, du Règlement 2016/796/UE, avant l'entrée en vigueur de la nouvelle règle proposée, en apportant la justification de son introduction, en démontrant le cas échéant la nécessité de cette règle pour satisfaire à une exigence essentielle qui n'est pas déjà couverte par la STI concernée. L'entité désignée par le Roi veille à ce que le projet soit suffisamment avancé pour que l'Agence puisse l'examiner conformément à l'article 25, paragraphe 2, du Règlement 2016/796/UE.
   § 5. En cas de mesures préventives d'urgence, le Roi peut adopter et appliquer une nouvelle règle immédiatement.
   Cette règle est notifiée conformément à l'article 27, paragraphe 2, du Règlement 2016/796/UE et soumise à l'évaluation de l'Agence conformément à l'article 26, paragraphes 1er, 2, et 5, du Règlement 2016/796/UE.
   § 6. Le Roi révise ou abroge les règles nationales notifiées lorsqu'elles deviennent redondantes ou contraires après la publication ou la révision du droit de l'Union, y compris notamment les STI, les OSC et les MSC.
   En particulier, le Roi apporte aux règles nationales toutes les modifications nécessaires pour atteindre au moins les OSC, ainsi que tout OSC révisé, conformément aux calendriers de mise en oeuvre dont ils sont accompagnés.
   § 7. L'entité désignée par le Roi notifie à l'Agence et à la Commission européenne les règles nationales adoptées.
   Elle utilise les voies électroniques appropriées conformément à l'article 27 du Règlement 2016/796/UE.
   L'entité désignée par le Roi veille à ce que les règles nationales existantes, y compris celles qui couvrent les interfaces entre les véhicules et les réseaux, soient aisément accessibles, fassent partie du domaine public et soient rédigées dans des termes que toutes les parties intéressées peuvent comprendre.
   Toute personne peut demander à l'entité désignée par le Roi de fournir des informations complémentaires sur les règles nationales.
   Cette dernière répond à cette demande.
   § 8. L'entité désignée par le Roi ne notifie pas les règles et restrictions dont le caractère est strictement local.
   Dans ce cas, le gestionnaire de l'infrastructure mentionne ces règles et restrictions dans le document de référence du réseau.
   § 9. Les règles nationales notifiées en vertu du présent article ne sont pas soumises à la procédure de notification prévue par la directive (UE) 2015/1535 du Parlement européen et du Conseil du 9 septembre 2015 prévoyant une procédure d'information dans le domaine des réglementations techniques et des règles relatives aux services de la société de l'information.]1

  
Art. 70. § 1. In geval van uiterste hoogdringendheid of gevaar voor de veiligheid van de spoorweginfrastructuur of het gebruik ervan, neemt [5 de infrastructuurbeheerder]5 urgentiemaatregelen die kunnen afwijken van [4 de nationale voorschriften]4. Hij deelt ze onmiddellijk en uiterlijk de volgende werkdag mee aan de veiligheidsinstantie. Deze maatregelen zijn onmiddellijk van toepassing. [5 De infrastructuurbeheerder]5 deelt deze urgentiemaatregelen onmiddellijk mee aan alle spoorwegondernemingen die op het [2 net]2 rijden. Deze maatregelen zijn ten hoogste drie maanden geldig, behoudens een andersluidende beslissing van de veiligheidsinstantie.
  § 2. Wanneer [5 de infrastructuurbeheerder]5 vaststelt dat het gebruikte materieel de veiligheid van het spoorwegverkeer in gevaar brengt, neemt hij de nodige maatregelen met inbegrip van het verbieden van hun verkeer.
  § 3. Wanneer [5 de infrastructuurbeheerder]5 vaststelt dat het veiligheidspersoneel de veiligheid van het spoorwegverkeer in gevaar brengt, neemt hij de nodige maatregelen met inbegrip van [3 de preventieve onderbreking van de veiligheidskritieke taken]3.
  De praktische modaliteiten verbonden aan [3 de preventieve onderbreking van de veiligheidskritieke taken]3 worden bepaald door de Koning.
  § 4. Wanneer [5 de infrastructuurbeheerder]5 de maatregelen neemt bedoeld in §§ 2 en 3, brengt hij onmiddellijk, en uiterlijk de volgende werkdag, de veiligheidsinstantie op de hoogte.
  § 5. Teneinde de vaststellingen bedoeld in §§ 2 en 3 te doen, kan [5 de infrastructuurbeheerder]5 :
  1° de identiteit en de documenten die de certificering van het veiligheidspersoneel attesteren, controleren;
  2° de staat van het rollend materieel controleren en dit betreden.
  De Koning bepaalt het model van legitimatiekaart die voorgelegd wordt bij deze controles.
  § 6. De veiligheidsinstantie kan bij een met redenen omklede beslissing, opleggen aan [5 de infrastructuurbeheerder]5 dat hij de toekomstige gevolgen van de maatregel, genomen overeenkomstig § 2, opheft of dat hij deze maatregel [1 aanpast]1, indien zij meent dat deze niet aangepast en/of duidelijk buiten verhouding is.
  
Art. 70. § 1er. En cas d'extrême urgence ou de danger affectant la sécurité de l'infrastructure ferroviaire ou son utilisation, le [3 gestionnaire de l'infrastructure]3 prend des mesures d'urgence qui peuvent déroger aux [2 règles nationales]2. Il en informe immédiatement et au plus tard le jour ouvrable suivant l'autorité de sécurité. Ces mesures sont applicables immédiatement. Le [3 gestionnaire de l'infrastructure]3 notifie ces mesures d'urgence immédiatement à toutes les entreprises ferroviaires circulant sur le réseau. Ces mesures sont valables au maximum pour une durée de trois mois, sauf décision contraire de l'autorité de sécurité.
  § 2. Lorsque le [3 gestionnaire de l'infrastructure]3 constate que le matériel utilisé constitue un risque pour la sécurité de la circulation ferroviaire, il prend les mesures nécessaires, y compris en interdire la circulation.
  § 3. Lorsque le [3 gestionnaire de l'infrastructure]3 constate que le personnel de sécurité constitue un risque pour la sécurité de la circulation ferroviaire, il prend les mesures nécessaires, y compris [1 l'interruption préventive de l'exécution des tâches critiques de sécurité]1.
  Les modalités pratiques liées à [1 l'interruption préventive de l'exécution de tâches critiques de sécurité]1 sont déterminées par le Roi.
  § 4. Lorsque le [3 gestionnaire de l'infrastructure]3 prend les mesures visées aux §§ 2 et 3, il en informe immédiatement, et au plus tard le jour ouvrable suivant, l'autorité de sécurité.
  § 5. Pour dresser les constats visés aux §§ 2 et 3, le gestionnaire de l'infrastructure ferroviaire peut :
  1° vérifier l'identité et les documents attestant de la certification du personnel de sécurité;
  2° vérifier l'état du matériel roulant et y pénétrer.
  Le Roi détermine le modèle de la carte de légitimation qui est présentée pour ces vérifications.
  § 6. L'autorité de sécurité peut, par une décision motivée, imposer au [3 gestionnaire de l'infrastructure]3 d'annuler les effets de la mesure prise conformément au § 2 pour l'avenir ou de moduler cette mesure, si elle estime que celle-ci n'est pas appropriée et/ou est manifestement disproportionnée.
  
Art. 71. [1 De Koning en [2 de infrastructuurbeheerder]2 zorgen ieder binnen het kader van hun bevoegdheden voor de aanpassing van het nationaal regelgevend kader inzake veiligheid aan de GVD en de GVM naarmate ze worden aangenomen.]1
  
Art. 71. [1 Le Roi et le [2 gestionnaire de l'infrastructure]2 adaptent chacun dans le cadre de ses compétences le cadre réglementaire national en matière de sécurité, aux OSC et aux MSC au fur et à mesure de leur adoption.]1
  
HOOFDSTUK 2. - Veiligheidsinstantie
CHAPITRE 2. - Autorité de sécurité
Afdeling 1. - Aanwijzing
Section 1re. - Désignation
Art. 72. De Koning wijst, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de veiligheidsinstantie aan.
Art. 72. Le Roi, par un arrêté délibéré en Conseil des ministres, désigne l'autorité de sécurité.
Art. 73. § 1. Teneinde de veiligheidsinstantie in staat te stellen de taken, verantwoordelijkheden en verplichtingen op zich te nemen die het door de bepalingen van deze Spoorcodex worden opgelegd, kunnen statutaire personeelsleden van [1 HR Rail]1 met hun instemming worden overgeplaatst naar de veiligheidsinstantie volgens de nadere regels bepaald bij een koninklijk besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
  Deze overplaatsingen zijn geen nieuwe benoemingen. De betrokken personeelsleden behouden onder andere hun administratieve en geldelijke anciënniteit, hun laatste signalement of evaluatie en hun titel en graad, of krijgen een gelijkwaardige titel en graad toegekend.
  De administratieve en geldelijke toestand, alsook het pensioenstelsel van de personeelsleden afkomstig van [1 HR Rail]1, kunnen op geen enkel ogenblik minder gunstig zijn dan de toestand die zij zouden gekend hebben indien zij personeelsleden van [1 HR Rail]1 zouden zijn gebleven.
  Onder geldelijke toestand wordt verstaan, al wat in de ruime zin op de bezoldiging betrekking heeft, onder andere de wedde, het vakantiegeld, de toelagen, de vergoedingen, de premies en de sociale voordelen van alle aard.
  Ieder overgeplaatst personeelslid kan op elk ogenblik, met inachtneming van een opzeggingstermijn van drie maanden, verzoeken een einde te maken aan zijn overplaatsing en opnieuw te worden opgenomen in de personeelsformatie van [1 HR Rail]1.
  § 2. In afwijking van § 1 heeft de leiding van de veiligheidsinstantie geen enkele band meer met [1 HR Rail]1 en kan niet meer genieten van de rechten en voordelen toegekend aan de statutaire personeelsleden van [1 HR Rail]1 krachtens de leden 1 tot 4 van § 1.
  De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de inhoud van het begrip " leiding " van de veiligheidsinstantie bedoeld in deze paragraaf.
  
Art. 73. § 1er. Afin d'assumer les tâches, responsabilités et obligations qui sont dévolues à l'autorité de sécurité par les dispositions du présent Code ferroviaire, des membres du personnel statutaires de la [1 HR Rail]1 peuvent être transférés sur une base volontaire à l'autorité de sécurité selon les modalités fixées par un arrêté royal délibéré en Conseil des ministres.
  Ces transferts ne constituent pas de nouvelles nominations. Les membres du personnel concernés conservent notamment leur ancienneté administrative et pécuniaire, leur dernier signalement ou évaluation et leurs titre et grade, ou se voient conférer un titre et un grade équivalents.
  La situation administrative et pécuniaire ainsi que le régime des pensions des membres du personnel issus de la [1 HR Rail]1 ne peut jamais être moins favorable que celle qui aurait été la leur s'ils étaient restés membres du personnel de la [1 HR Rail]1.
  Par situation pécuniaire, on entend tout ce qui a trait à la rémunération au sens large, notamment le traitement, le pécule de vacances, les allocations, les indemnités, les primes et les avantages sociaux de toute nature.
  A tout moment, moyennant préavis de trois mois, chaque membre du personnel transféré peut demander de mettre un terme à son transfert et de réintégrer alors le cadre de la [1 HR Rail]1.
  § 2. Par dérogation au § 1er, la direction de l'autorité de sécurité n'a plus aucun lien avec la [1 HR Rail]1 et ne peut plus bénéficier des droits et avantages reconnus aux membres du personnel statutaires de la [1 HR Rail]1 en vertu des alinéas 1er à 4 du § 1er.
  Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, le contenu du concept " direction " de l'autorité de sécurité prévu au présent paragraphe.
  
Afdeling 2. - Taken
Section 2. - Tâches
Art. 74. [1 De taken van de veiligheidsinstantie zijn de volgende:
   1° de vergunning voor de indienststelling van de subsystemen baanuitrusting voor besturing en seingeving, energie en infrastructuur van het spoorwegsysteem van de Unie en de controle of deze subsystemen worden geëxploiteerd en onderhouden overeenkomstig de essentiële eisen die erop betrekking hebben;
   2° de controle van de overeenstemming van de interoperabiliteitsonderdelen met de essentiële eisen;
   3° de afgifte, vernieuwing, wijziging en intrekking van vergunningen om voertuigen in de handel te brengen overeenkomstig artikel 179/9;
   4° de ondersteuning aan het Bureau bij de afgifte, vernieuwing, wijziging en intrekking van vergunningen om voertuigen in de handel te brengen overeenkomstig artikel 21, paragraaf 5, van de richtlijn 2016/797/EU en voor het verlenen van voertuigtypegoedkeuringen overeenkomstig artikel 24 van de richtlijn 2016/797/EU;
   5° de afgifte, vernieuwing, wijziging of intrekking van de veiligheidsvergunningen verleend overeenkomstig hoofdstuk 4, van titel 4, met inbegrip van de controle van de voorwaarden en eisen die daarin zijn vervat en de overeenstemming van de activiteiten van de infrastructuurbeheerder met de eisen die voor het bekomen van vergunning worden gesteld;
   6° de afgifte, vernieuwing, wijziging of intrekking van de unieke veiligheidscertificaten verleend overeenkomstig artikel 100 met inbegrip van de controle van de voorwaarden en eisen die daarin zijn vervat en de overeenstemming van de activiteiten van de spoorwegondernemingen met de eisen die voor het bekomen het certificaat worden gesteld;
   7° de ondersteuning aan het Bureau bij de afgifte, vernieuwing, wijziging en intrekking van unieke veiligheidscertificaten verleend overeenkomstig artikel 10, paragraaf 5, van de richtlijn 2016/798/EU;
   8° de aflevering van een eensluidend advies aangaande de technische specificaties voor gebruik van het netwerk en de operationele procedures aangaande de exploitatieveiligheid van de spoorweginfrastructuur zoals bedoeld in artikel 68, paragraaf 3;
   9° de bijwerking en aanpassing van het nationaal voertuigregister, ervoor zorgend dat de voertuigen correct ingeschreven zijn in het nationaal voertuigregister en dat de daarin vervatte informatie juist is en bijgewerkt wordt overeenkomstig artikel 105;
   10° onverminderd artikel 219, de controle van de naleving van de vereisten inzake opleiding bepaald in de TSI's, of, in voorkomend geval, in de door de Koning overeenkomstig artikel 68, paragraaf 2, 1°, vastgestelde nationale voorschriften;
   11° de taken betreffende de certificering van de treinbestuurders bedoeld in titel 5, hoofdstuk 1, met inbegrip van de afgifte, vernieuwing, wijziging en intrekking van de vergunningen van treinbestuurders;
   12° de controle van de doeltreffendheid van het remsysteem van rollend spoormaterieel als bedoeld in hoofdstuk II van het koninklijk besluit van 15 september 1976 houdende reglement op de politie van personenvervoer per tram, premetro, metro, autobus en autocar;
   13° het opleggen van bestuurlijke boetes;
   14° de controle, de bevordering, de handhaving en medewerking aan de ontwikkeling van het regelgevend kader inzake veiligheid;
   15° de handhaving van de bepalingen betreffende de arbeidsvoorwaarden voor mobiele werknemers die interoperabele grensoverschrijdende diensten in de spoorwegsector verrichten;
   16° het toezicht op de spoorwegondernemingen en de infrastructuurbeheerder overeenkomstig artikel 74/1;
   17° in voorkomend geval, de ondersteuning van het Bureau bij zijn controleopdracht inzake de evolutie van de spoorwegveiligheid op het niveau van de Unie.]1

  
Art. 74. [1 Les tâches de l'autorité de sécurité sont les suivantes:
   1° l'autorisation de la mise en service des sous-systèmes contrôle-commande et signalisation au sol, énergie et infrastructure constituant le système ferroviaire de l'Union et la vérification de ce qu'ils sont exploités et entretenus conformément aux exigences essentielles les concernant;
   2° le contrôle de la conformité des constituants d'interopérabilité aux exigences essentielles;
   3° la délivrance, le renouvellement, la modification et le retrait des autorisations de mise sur le marché de véhicules conformément à l'article 179/9;
   4° le soutien à l'Agence pour la délivrance, le renouvellement, la modification et le retrait des autorisations de mise sur le marché de véhicules conformément à l'article 21, paragraphe 5, de la directive 2016/797/UE, et concernant les autorisations par type de véhicule conformément à l'article 24 de la directive 2016/797/UE;
   5° la délivrance, le renouvellement, la modification et le retrait des agréments de sécurité accordés conformément au chapitre 4, du titre 4, y compris la vérification des conditions et des exigences qui y sont définies et la conformité des activités du gestionnaire de l'infrastructure aux exigences prévues pour obtenir l'agrément;
   6° la délivrance, le renouvellement, la modification et le retrait des certificats de sécurité uniques accordés conformément à l'article 100, y compris la vérification des conditions et des exigences qui y sont définies et la conformité des activités des entreprises ferroviaires aux exigences prévues pour obtenir le certificat de sécurité unique;
   7° le soutien à l'Agence pour la délivrance, le renouvellement, la modification et le retrait des certificats de sécurité uniques accordés conformément à l'article 10, paragraphe 5, de la directive 2016/798/UE;
   8° la délivrance d'un avis conforme quant aux spécifications techniques d'utilisation du réseau et aux procédures opérationnelles relatives à la sécurité d'exploitation de l'infrastructure ferroviaire visées à l'article 68, paragraphe 3;
   9° la mise à jour et l'adaptation du registre national des véhicules en veillant à ce que les véhicules soient dûment inscrits dans le registre national des véhicules et à ce que les informations relatives à la sécurité y figurant soient exactes et tenues à jour, conformément à l'article 105;
   10° sans préjudice de l'article 219, la vérification du respect des exigences en matière de formation définies dans les STI ou le cas échéant, les règles nationales adoptées par le Roi conformément à l'article 68, paragraphe 2, 1° ;
   11° les tâches relatives à la certification des conducteurs de train visée au titre 5, chapitre 1er, en ce compris la délivrance, le renouvellement, la modification et le retrait des licences des conducteurs de train;
   12° la vérification de l'efficacité du système de freinage du matériel roulant ferré comme prévue au chapitre II de l'arrêté royal du 15 septembre 1976 portant règlement sur la police des transports de personnes par tram, pré-métro, métro, autobus et autocar;
   13° l'imposition d'amendes administratives;
   14° le contrôle, la promotion, l'application et la contribution à la mise à jour du cadre réglementaire en matière de sécurité;
   15° la bonne application des dispositions relatives aux conditions d'utilisation des travailleurs mobiles effectuant des services d'interopérabilité transfrontalière dans le secteur ferroviaire;
   16° la surveillance des entreprises ferroviaires et du gestionnaire d'infrastructure conformément à l'article 74/1;
   17° le cas échéant, le soutien à l'Agence dans sa mission de contrôle de l'évolution de la sécurité ferroviaire au niveau de l'Union.]1

  
Art.74/1. [1 § 1. De veiligheidsinstantie ziet er op toe dat voortdurend wordt voldaan aan de wettelijke verplichting voor spoorwegondernemingen en de infrastructuurbeheerder tot het hanteren van een veiligheidsbeheersysteem als bedoeld in de artikelen 89 tot 92.
   Daartoe past de veiligheidsinstantie de beginselen toe van de relevante GVM voor het uitoefenen van toezicht en ziet zij erop toe dat in het kader van de toezichtactiviteiten met name de toepassing door spoorwegondernemingen en infrastructuurbeheerder wordt gecontroleerd van:
   1° het veiligheidsbeheersysteem om na te gaan of het doeltreffend is;
   2° afzonderlijke of deelelementen van het veiligheidsbeheersysteem, met inbegrip van operationele activiteiten, de verrichting van onderhoud, de levering van materiaal en het gebruik van contractanten, om na te gaan of zij doeltreffend zijn; en
   3° relevante GVM's. De met dit punt verband houdende toezichtsactiviteiten gelden in voorkomend geval tevens voor met onderhoud belaste entiteiten.
   § 2. De spoorwegondernemingen informeren de betrokken veiligheidsinstantie(s) ten minste twee maanden voor de start van een nieuwe spoorwegvervoersactiviteit, zodat deze haar toezichtsactiviteiten kan plannen.
   De spoorwegondernemingen verstrekken tevens een opsplitsing van de personeelscategorieën en de voertuigtypen.
   § 3. Onverminderd paragraaf 2, stelt de houder van een uniek veiligheidscertificaat de betrokken veiligheidsinstantie(s) onverwijld in kennis van elke belangrijke wijziging in de in paragraaf 2 bedoelde informatie, met inbegrip van het inzetten van nieuwe categorieën personeel of van nieuwe soorten rollend materieel.
   § 4. De controle op de naleving van de geldende voorschriften inzake werk-, rij- en rusttijden voor treinbestuurders gebeurt door de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg, behoudens het geval voorzien in artikel 74, 15°.
   In het kader van de opdrachten bedoeld in het eerste lid, werkt de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg samen met de veiligheidsinstantie opdat zij haar taak van toezichthouder op de veiligheid op het spoor kan uitoefenen.
   § 5. In het kader van de samenwerking met de veiligheidsinstantie overeenkomstig paragraaf 4, tweede lid, waakt de federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg erover aan deze laatste enkel de noodzakelijke persoonsgegevens mee te delen teneinde een voldoende dekking van het toezicht te verzekeren en kruiscontroles van informatie mogelijk te maken op basis van door beide partijen uitgevoerde inspecties en audits.
   § 6. Indien de veiligheidsinstantie constateert dat een houder van een uniek veiligheidscertificaat niet langer aan de certificeringsvoorwaarden voldoet, vraagt zij het Bureau beperkingen te stellen aan het verleende certificaat of het in te trekken overeenkomstig artikel 10, paragraaf 5, van de richtlijn 2016/798/EU.
   Wanneer het Bureau en de veiligheidsinstantie het met elkaar oneens zijn, is de in artikel 10, paragraaf 7, van de richtlijn 2016/798/EU, vermelde arbitrageprocedure van toepassing. Indien het resultaat van zo'n arbitrageprocedure is dat het uniek veiligheidscertificaat niet wordt beperkt of ingetrokken, worden de tijdelijke veiligheidsmaatregelen van paragraaf 7 opgeschort.
   Indien de veiligheidsinstantie zelf, overeenkomstig artikel 100, het uniek veiligheidscertificaat heeft afgegeven, kan zij aan het certificaat beperkingen stellen of het intrekken en stelt zij het Bureau daarvan in kennis.
   De houder van een uniek veiligheidscertificaat dat door de veiligheidsinstantie is beperkt of ingetrokken, heeft het recht beroep in te stellen overeenkomstig artikel 104.
   § 7. Indien de veiligheidsinstantie tijdens het toezicht een ernstig veiligheidsrisico ontdekt, kan die instantie op ieder moment tijdelijke veiligheidsmaatregelen toepassen, inclusief het onmiddellijk beperken of opschorten van de betrokken activiteiten.
   Indien het uniek veiligheidscertificaat door het Bureau is afgegeven, brengt de veiligheidsinstantie het Bureau daar onmiddellijk van op de hoogte en staaft zij haar beslissing met bewijs overeenkomstig de procedure voorzien in artikel 17, paragraaf 6, tweede en derde lid, van de richtlijn 2016/798/EU.
   In een dergelijk geval mogen de tijdelijke veiligheidsmaatregelen van toepassing blijven tot de rechterlijke toetsing afgelopen is, onverminderd paragraaf 6.
   Indien de looptijd van de tijdelijke maatregel langer is dan drie maanden, verzoekt de veiligheidsinstantie het Bureau het uniek veiligheidscertificaat te beperken of in te trekken, waarbij de procedure beschreven in paragraaf 6 van toepassing is.
   § 8. De veiligheidsinstantie houdt toezicht op de subsystemen baanuitrusting voor besturing en seingeving, energie en infrastructuur en verzekert dat zij aan de essentiële eisen voldoen.
   In geval van grensoverschrijdende infrastructuren zal zij haar toezichtsactiviteiten uitoefenen in samenwerking met andere betrokken veiligheidsinstanties.
   Indien de veiligheidsinstantie vaststelt dat een infrastructuurbeheerder niet meer voldoet aan de voorwaarden voor een veiligheidsvergunning, stelt zij beperkingen aan die vergunning of trekt zij deze in.
   § 9. In het kader van het toezicht op de doeltreffendheid van de veiligheidsbeheersystemen van de infrastructuurbeheerder en spoorwegondernemingen mogen de veiligheidsinstanties rekening houden met de veiligheidsprestaties van actoren als bedoeld in artikel 67/1, paragraaf 4 en, waar passend, de opleidingscentra bedoeld in titel 5, hoofdstuk 1, afdeling 6, voor zover hun activiteiten gevolgen hebben voor de veiligheid op het spoor.
   Deze paragraaf geldt onverminderd de verantwoordelijkheid van de spoorwegondernemingen en de infrastructuurbeheerder bedoeld in artikel 67/1, paragraaf 3.
   § 10. De veiligheidsinstantie werkt samen met de veiligheidsinstanties van andere lidstaten waar de spoorwegonderneming die in België actief is zijn activiteiten uitoefent bij het coördineren van hun toezichtsactiviteiten met betrekking tot de spoorwegonderneming teneinde erop toe te zien dat alle essentiële informatie over de spoorwegonderneming in kwestie wordt gedeeld, in het bijzonder wat betreft bekende risico's en haar veiligheidsprestaties.
   De veiligheidsinstantie deelt ook informatie met de andere relevante veiligheidsinstanties en met het Bureau wanneer zij constateert dat de spoorwegonderneming niet de nodige risicobeheersingsmaatregelen treft.
   Deze samenwerking heeft als doel te verzekeren dat het toezicht voldoende reikwijdte heeft en dat dubbele inspecties en audits worden vermeden.
   De veiligheidsinstanties kunnen een gemeenschappelijk toezichtsplan ontwikkelen om erop toe te zien dat er periodiek audits en andere inspecties worden verricht, rekening houdend met de soort en de omvang van de vervoersactiviteiten in elk van de betrokken lidstaten.
   § 11. De veiligheidsinstantie kan berichten verzenden om de infrastructuurbeheerder en spoorwegondernemingen te waarschuwen indien zij hun in paragraaf 1 bedoelde verplichtingen niet nakomen.
   § 12. De veiligheidsinstantie gebruikt de informatie die door het Bureau is verzameld bij het beoordelen van het dossier als bedoeld in artikel 10, paragraaf 5, punt a), van de richtlijn 2016/798/EU, om toezicht op de spoorwegonderneming uit te oefenen na afgifte van het uniek veiligheidscertificaat.
   De veiligheidsinstantie gebruikt de informatie die tijdens de veiligheidsvergunningsprocedure overeenkomstig de artikelen 95 tot 98/1 is verzameld, om toezicht op de infrastructuurbeheerder uit te oefenen.
   § 13. Voor het vernieuwen van unieke veiligheidscertificaten gebruikt de veiligheidsinstantie, in geval van een uniek veiligheidscertificaat dat is afgegeven overeenkomstig artikel 100, de informatie die tijdens de toezichtsactiviteiten is verzameld.
   Voor het vernieuwen van veiligheidsvergunningen gebruikt de veiligheidsinstantie eveneens de informatie die zij tijdens haar toezichtsactiviteiten heeft verzameld.
   § 14. De veiligheidsinstantie overlegt met het Bureau om de nodige maatregelen te treffen om de in de paragrafen 11, 12 en 13 bedoelde volledige informatie-uitwisseling te coördineren en te garanderen.]1

  
Art.74/1. [1 § 1er. L'autorité de sécurité contrôle le respect constant de l'obligation légale qu'ont les entreprises ferroviaires et le gestionnaire de l'infrastructure d'utiliser un système de gestion de la sécurité tel qu'il est décrit aux articles 89 à 92.
   A cet effet, l'autorité de sécurité applique les principes énoncés dans les MSC, en s'assurant que les activités de surveillance comprennent notamment le contrôle de l'application, par les entreprises ferroviaires et le gestionnaire de l'infrastructure:
   1° du système de gestion de la sécurité afin d'en contrôler l'efficacité;
   2° des éléments isolés ou partiels du système de gestion de la sécurité, notamment les activités opérationnelles, la fourniture de services d'entretien et de matériel et le recours à des contractants pour en contrôler l'efficacité; et
   3° des MSC pertinentes. Les activités de surveillance à ce sujet s'appliquent également aux entités chargées de l'entretien, le cas échéant.
   § 2. Au moins deux mois avant le début de toute nouvelle activité de transport ferroviaire, les entreprises ferroviaires en informent la ou les autorité(s) de sécurité concernée(s), afin que celle(s)-ci puisse(nt) programmer les activités de surveillance.
   Les entreprises ferroviaires fournissent également une répartition des catégories de personnel et des types de véhicules.
   § 3. Sans préjudice du paragraphe 2, le titulaire d'un certificat de sécurité unique informe sans retard la ou les autorité(s) de sécurité concernée(s) de toute modification majeure des informations visées au paragraphe 2, en ce compris, l'engagement de nouvelles catégories de personnel et l'acquisition de nouveaux types de matériel roulant.
   § 4. Le contrôle du respect des règles relatives aux temps de travail, de conduite et de repos applicables aux conducteurs de train est assuré par le Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation Sociale, excepté le cas prévu à l'article 74, 15°.
   Dans le cadre des missions visées à l'alinéa 1er, le Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation Sociale coopère avec l'autorité de sécurité afin que celle-ci puisse remplir son rôle de contrôle de la sécurité ferroviaire.
   § 5. Dans le cadre de la coopération avec l'autorité de sécurité conformément au paragraphe 4, alinéa 2, le Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation Sociale veille à ne communiquer à cette dernière que les données à caractère personnel nécessaires afin d'assurer la surveillance et de permettre le recoupement d'informations sur la base des inspections et des audits réalisés par les deux parties.
   § 6. Si l'autorité de sécurité constate que le titulaire d'un certificat de sécurité unique ne satisfait plus aux conditions de la certification, elle demande à l'Agence de restreindre ou de retirer ledit certificat conformément à l'article 10, paragraphe 5, de la directive 2016/798/UE.
   En cas de désaccord entre l'Agence et l'autorité de sécurité, la procédure d'arbitrage prévue à l'article 10, paragraphe 7, de la directive 2016/798/UE s'applique. Si, à l'issue de cette procédure d'arbitrage, le certificat de sécurité unique n'est ni restreint ni retiré, les mesures de sécurité temporaires visées au paragraphe 7 sont suspendues.
   Lorsque l'autorité de sécurité est l'autorité qui a délivré le certificat de sécurité unique conformément à l'article 100, elle peut restreindre ou retirer le certificat, et en informe l'Agence.
   Le titulaire d'un certificat de sécurité unique dont le certificat a été restreint ou retiré par l'autorité de sécurité a le droit d'introduire un recours conformément à l'article 104.
   § 7. Si l'autorité de sécurité détecte un risque grave pour la sécurité au cours d'une surveillance, elle peut à tout moment appliquer des mesures de sécurité temporaires, dont la restriction ou la suspension immédiates des opérations en cause.
   Si le certificat de sécurité unique a été délivré par l'Agence, l'autorité de sécurité en informe immédiatement cette dernière et présente des éléments de preuve à l'appui de sa décision et ce, conformément à la procédure visée à l'article 17, paragraphe 6, alinéas 2 et 3, de la directive 2016/798/UE.
   Dans ce cas, les mesures de sécurité temporaires peuvent s'appliquer jusqu'à la clôture du contrôle juridictionnel, sans préjudice du paragraphe 6.
   Si une mesure temporaire a une durée supérieure à trois mois, l'autorité de sécurité demande à l'Agence de restreindre ou de retirer le certificat de sécurité unique, et la procédure décrite au paragraphe 6 s'applique.
   § 8. L'autorité de sécurité contrôle les sous-systèmes contrôle-commande et signalisation au sol, énergie et infrastructure et s'assure qu'ils sont conformes aux exigences essentielles.
   Dans le cas d'infrastructures transfrontalières, elle exerce ses activités de surveillance en coopération avec d'autres autorités de sécurité compétentes.
   Si l'autorité de sécurité constate qu'un gestionnaire de l'infrastructure ne remplit plus les conditions d'obtention de son agrément de sécurité, elle restreint ou retire ce dernier.
   § 9. Lorsqu'elle contrôle l'efficacité des systèmes de gestion de la sécurité du gestionnaire de l'infrastructure et des entreprises ferroviaires, l'autorité de sécurité peut tenir compte des performances de sécurité des acteurs conformément à l'article 67/1, paragraphe 4 et, le cas échéant, des centres de formation visés dans le titre 5, chapitre 1er, section 6, dans la mesure où leurs activités ont une incidence sur la sécurité ferroviaire.
   Le présent paragraphe s'applique sans préjudice de la responsabilité des entreprises ferroviaires et du gestionnaire de l'infrastructure visée à l'article 67/1, paragraphe 3.
   § 10. L'autorité de sécurité coopère avec les autorités de sécurité d'autres Etats membres dans lesquels une entreprise ferroviaire active en Belgique exerce ses activités, pour coordonner leurs activités de surveillance concernant cette entreprise ferroviaire, de façon à assurer le partage de toute information essentielle concernant l'entreprise ferroviaire, en particulier en ce qui concerne les risques connus et ses performances en matière de sécurité.
   L'autorité de sécurité partage également des informations avec les autres autorités de sécurité concernées ainsi qu'avec l'Agence si elle constate que l'entreprise ferroviaire ne prend pas les mesures nécessaires de maîtrise des risques.
   Cette coopération a pour but d'assurer une couverture suffisante de la surveillance et d'éviter la répétition des inspections et des audits.
   Les autorités de sécurité peuvent élaborer un programme commun de surveillance pour s'assurer que des audits et d'autres inspections sont effectués périodiquement, compte tenu du type et de la portée des activités de transport dans chacun des Etats membres concernés.
   § 11. L'autorité de sécurité peut envoyer des avertissements au gestionnaire de l'infrastructure et aux entreprises ferroviaires lorsqu'ils ne respectent pas leurs obligations énoncées au paragraphe 1er.
   § 12. L'autorité de sécurité utilise les informations recueillies par l'Agence au cours de l'évaluation du dossier visée à l'article 10, paragraphe 5, point a), de la directive 2016/798/UE, aux fins de la surveillance d'une entreprise ferroviaire après la délivrance de son certificat de sécurité unique.
   Elle utilise les informations recueillies au cours du processus d'agrément de sécurité conformément aux articles 95 à 98/1 aux fins de la surveillance du gestionnaire de l'infrastructure.
   § 13. Aux fins du renouvellement des certificats de sécurité uniques, l'autorité de sécurité, lorsque le certificat de sécurité unique a été délivré conformément à l'article 100, utilise les informations recueillies au cours des activités de surveillance.
   Aux fins du renouvellement des agréments de sécurité, l'autorité de sécurité fait également usage des informations recueillies au cours de ses activités de surveillance.
   § 14. L'autorité de sécurité s'accorde avec l'Agence pour prendre les dispositions nécessaires afin de coordonner et d'assurer l'échange de toutes les informations visées aux paragraphes 11, 12 et 13.]1

  
Art.74/2. [1 § 1. De veiligheidsinstantie is verantwoordelijk voor de verwerking van persoonsgegevens in de zin van de Verordening (EU) 2016/679, voor de gegevens die zij verwerkt in het kader van haar toezichtopdracht overeenkomstig artikel 74/1.
   De persoonsgegevens bedoeld in het eerste lid zijn de naam, de functie, de taalrol, het e-mailadres van het bedrijf en het of de telefoonnummer(s) van het bedrijf van de personen die zijn aangeduid als contactpunt van het bedrijf en de personen die de veiligheidsinstantie controleert, auditeert of interviewt in het kader van haar controleopdrachten bedoeld in artikel 74/1.
   Zij waakt erover de gegevens bedoeld in het tweede lid te bewaren in een speciaal en beveiligd bestand en enkel de leden van de veiligheidsinstantie zijn gemachtigd om toegang ertoe te hebben.
   De veiligheidsinstantie hanteert een strikt gebruiks- en toegangsbeleid en neemt technische en organisatorische maatregelen voor de bescherming van de persoonsgegevens bedoeld in het tweede lid.
   De verwerking van persoonsgegevens in het kader van de opdrachten van de veiligheidsinstantie bedoeld in artikel 74/1 beoogt de goede uitvoering te verzekeren van deze opdrachten.
   In het kader van de samenwerking met andere veiligheidsinstanties alsook met het Bureau overeenkomstig artikel 74/1, § 10, waakt de veiligheidsinstantie erover aan hen enkel de noodzakelijke persoonsgegevens mee te delen teneinde een voldoende dekking van het toezicht te verzekeren en de herhaling van inspecties en audits te vermijden.
   § 2. De personen wier persoonsgegevens opgenomen zijn in het bestand bedoeld in paragraaf 1, derde lid, hebben recht op toegang tot en rectificatie van de gegevens die op hen betrekking hebben.
   In geval van een verzoek om rectificatie stelt de veiligheidsinstantie elke bestemmeling aan wie de persoonsgegevens zijn meegedeeld, in kennis van elke uitgevoerde rectificatie van persoonsgegevens, tenzij een dergelijke kennisgeving onmogelijk is of onevenredige inspanningen vereist.
   De veiligheidsinstantie verstrekt de betrokken persoon informatie over de bestemmelingen als deze hierom verzoekt.
   De persoonsgegevens verwerkt overeenkomstig paragraaf 1, kunnen gedurende vijf jaar worden bewaard te rekenen vanaf de dag waarop de veiligheidsinstantie toegang heeft gehad tot deze gegevens en ze heeft opgenomen in het bestand bedoeld in het eerste lid. Na die termijn worden ze vernietigd of anoniem gemaakt.
   In het kader van de huidige verwerking van persoonsgegevens hebben personen niet het recht om gegevens te wissen, het recht op beperking van de verwerking, het recht op overdraagbaarheid van gegevens, het recht om bezwaar te maken en het recht op geautomatiseerde individuele besluitvorming. Deze rechten zijn inderdaad onverenigbaar met de doeleinden die met de huidige verwerking van persoonsgegevens worden nagestreefd, namelijk de opslag en analyse van gegevens met betrekking tot de veiligheid op het spoor en de manier waarop de betrokken actoren de verplichtingen van het wettelijk kader inzake veiligheid toepassen. Deze doelstellingen hebben inderdaad betrekking op een belangrijke toezichthoudende taak die erop gericht is een belangrijke doelstelling van algemeen openbaar belang te waarborgen, namelijk de veiligheid op het Belgische spoorwegnet.]1

  
Art.74/2. [1 § 1er. L'autorité de sécurité est responsable du traitement de données à caractère personnel au sens du Règlement (UE) 2016/679, pour les données qu'elle traiterait dans le cadre de ses missions de surveillance conformément à l'article 74/1.
   Les données à caractère personnel visées à l'alinéa 1er sont le nom, la fonction, le rôle linguistique, l'adresse email professionnelle et le ou les numéro(s) de téléphone professionnel(s) des personnes qui sont désignées comme points de contact de l'entreprise et des personnes que l'autorité de sécurité contrôle, auditionne ou interviewe à l'occasion de ses missions de surveillance visées à l'article 74/1.
   Elle veille à conserver les données visées à l'alinéa 2, dans un fichier dédié et sécurisé auquel seuls les membres de l'autorité de sécurité sont habilités à accéder.
   L'autorité de sécurité applique une stricte gestion des utilisations et des accès et prend des mesures techniques et organisationnelles pour la protection des données à caractère personnel visées à l'alinéa 2.
   Le traitement des données à caractère personnel dans le cadre des missions de l'autorité de sécurité visées à l'article 74/1, a pour finalité d'assurer la bonne exécution de ces missions.
   Dans le cadre de la coopération avec d'autres autorités de sécurité ainsi qu'avec l'Agence conformément à l'article 74/1, § 10, l'autorité de sécurité veille à ne communiquer à ces dernières que les données à caractère personnel nécessaires afin d'assurer une couverture suffisante de la surveillance et d'éviter la répétition des inspections et des audits.
   § 2. Les personnes dont les données à caractère personnel sont reprises dans le fichier visé au paragraphe 1er, alinéa 3, disposent d'un droit d'accès et de rectification des données les concernant.
   En cas de demande de rectification, l'autorité de sécurité notifie à chaque destinataire auquel les données à caractère personnel ont été communiquées toute rectification de données à caractère personnel effectuée, à moins qu'une telle communication se révèle impossible ou exige des efforts disproportionnés.
   L'autorité de sécurité fournit à la personne concernée des informations sur ces destinataires si celle-ci en fait la demande.
   Les données à caractère personnel traitées conformément au paragraphe 1er, peuvent être conservées pendant cinq ans à compter du jour où l'autorité de sécurité a eu accès à ces données et les a intégrées dans le fichier visé à l'alinéa 1er. Passé ce délai, elles sont détruites ou anonymisées.
   Dans le cadre du présent traitement des données à caractère personnel, les personnes ne disposent pas du droit à l'effacement, du droit à la limitation du traitement, du droit à la portabilité des données, du droit d'opposition et du droit à la prise de décision individuelle automatisée. Ces droits sont en effet incompatibles avec les finalités poursuivies par le présent traitement de données à caractère personnel, à savoir la conservation et l'analyse des données relatives à la sécurité ferroviaire et à la façon dont les acteurs concernés appliquent les obligations du cadre juridique en matière de sécurité. Ces finalités se rapportent en effet à une importante mission de contrôle visant à garantir un objectif important d'intérêt public général, à savoir la sécurité ferroviaire sur le réseau belge.]1

  
Art. 75. De veiligheidsinstantie kan, in uitvoering van haar taken bedoeld in artikel 74, al de noodzakelijke maatregelen nemen, met inbegrip van het verbod voor materieel of veiligheidspersoneel om te rijden en zij kan de noodzakelijke inspecties en onderzoeken verrichten [1 ...]1.
  
Art. 75. L'autorité de sécurité peut, dans l'accomplissement de ses tâches visées à l'article 74, prendre toutes les mesures nécessaires, y compris l'interdiction pour le matériel ou le personnel de circuler et elle peut mener les inspections et les investigations nécessaires [1 ...]1.
  
Art. 76. [1 § 1. De veiligheidsinstantie kan een bestuurlijke boete opleggen in geval van een inbreuk voorzien in de artikels 214 en 215 volgens de procedure bedoeld in dit artikel.
   § 2. Ingeval een personeelslid van de veiligheidsinstantie een inbreuk vaststelt, bedoeld in artikel 213, § 1, maakt hij een gedateerd verslag op dat minstens vermeldt :
   1° de naam van de vermoedelijke overtreder;
   2° de inbreuk;
   3° de beschrijving van de feiten die de inbreuk uitmaken.
   Het verslag wordt onmiddellijk bezorgd aan de directeur van de veiligheidsinstantie.
   Een afschrift van het verslag wordt uiterlijk bij de kennisgeving van het voornemen tot het opleggen van een bestuurlijke boete bedoeld in paragraaf 3 aan de vermoedelijke overtreder toegezonden.
   § 3. De veiligheidsinstantie brengt de vermoedelijke overtreder binnen twee maanden na de dagtekening van het verslag op de hoogte van zijn intentie om een bestuurlijke boete op te leggen.
   De kennisgeving gebeurt bij aangetekende zending en vermeldt, op straffe van nietigheid, het in overweging genomen bedrag van bestuurlijke boete alsook de naam van de vermoedelijke overtreder.
   De kennisgeving heeft enkel betrekking op feiten die minder dan vijf jaar voor het versturen van de aangetekende zending begaan zijn.
   § 4. De veiligheidsinstantie nodigt de vermoedelijke dader uit om binnen dertig dagen volgend op de kennisgeving bedoeld in paragraaf 3 schriftelijk zijn verweer mee te delen.
   Als de zetel zich niet in België bevindt, wordt deze termijn verlengd met vijftien dagen.
   De veiligheidsinstantie brengt eveneens de vermoedelijke overtreder op de hoogte van het feit dat :
   1° hij, op verzoek, de documenten kan raadplegen die aan de basis liggen van het voornemen om een bestuurlijke boete op te leggen en hij er kopies van kan bekomen;
   2° hij mondeling zijn schriftelijk verweer kan toelichten;
   3° hij zich kan laten bijstaan of laten vertegenwoordigen door een raadsman en getuigen kan oproepen.
   Als hij zijn verweer mondeling wil toelichten, dient de vermoedelijke overtreder een schriftelijke aanvraag in bij de veiligheidsinstantie binnen dertig dagen na ontvangst van de kennisgeving bedoeld in paragraaf 3.
   Als de vermoedelijke overtreder vindt dat hij te weinig tijd heeft om zich te verdedigen, kan hij binnen de dertig dagen na de ontvangst van de kennisgeving bedoeld in paragraaf 3 een met redenen omkleed verzoek richten aan de veiligheidsinstantie die hierover beslist binnen vijftien dagen na ontvangst van het verzoek.
   Als de veiligheidsinstantie geen beslissing neemt, wordt het verzoek geacht ingewilligd te zijn.
   § 5. Als de veiligheidsinstantie beslist om een bestuurlijke boete op te leggen, wordt het bedrag ervan afgestemd op de ernst van de inbreuk en de mate waarin deze aan de overtreder wordt verweten.
   Zij houdt bovendien rekening met de frequentie en de omstandigheden waarin de vermoedelijke overtreder de inbreuk heeft gepleegd.
   De paragrafen 5, eerste lid, en 6 zijn van toepassing in het geval van het in artikel 221/3 bedoelde beroep.
   § 6. Als op het ogenblik van de beslissing tot het opleggen van een bestuurlijke boete, de feiten geen inbreuk meer vormen in de zin van de artikelen 214 en 215, wordt geen bestuurlijke boete opgelegd.
   § 7. Het recht van de veiligheidsinstantie om een bestuurlijke boete op te leggen, vervalt twee jaar na de datum van het verslag bedoeld in paragraaf 2.
   Deze termijn wordt geschorst in geval van verlenging van de termijn van verweer van de vermoedelijke overtreder in toepassing van paragraaf 4, vijfde lid.
   § 8. Een bestuurlijke boete kan niet worden opgelegd :
   1° als de strafrechter reeds een straf heeft opgelegd voor dezelfde feiten;
   2° als de feiten reeds aanleiding hebben gegeven tot een vrijspraak, een eenvoudige schuldverklaring, een opschorting van de gerechtelijke uitspraak tot veroordeling of in geval van een dading zoals bedoeld onder artikel 216bis van het Wetboek van Strafvordering.
   § 9. Als de overtreder strafrechtelijk wordt vervolgd voor feiten die onlosmakelijk verbonden zijn met het feit waarvoor de veiligheidsinstantie een bestuurlijke boete wenst op te leggen, zijn de termijnen bedoeld in dit artikel geschorst tot het ogenblik waarop de strafrechter een uitspraak heeft gedaan.]1

  
Art. 76. [1 § 1er. L'autorité de sécurité peut infliger une amende administrative en cas d'infraction visée aux articles 214 et 215 selon la procédure visée au présent article.
   § 2. En cas de constat d'une infraction, un membre du personnel de l'autorité de sécurité visé à l'article 213, § 1er, rédige un rapport daté qui mentionne au moins :
   1° le nom du contrevenant présumé;
   2° l'infraction;
   3° la description des faits constituant l'infraction.
   Le rapport est immédiatement transmis au directeur de l'autorité de sécurité.
   Une copie du rapport est envoyée au contrevenant présumé au plus tard lors de la notification de l'intention d'infliger une amende administrative visée au paragraphe 3.
   § 3. L'autorité de sécurité notifie au contrevenant présumé son intention d'infliger une amende administrative dans les deux mois suivant la date d'établissement du rapport.
   La notification se fait par envoi recommandé et mentionne sous peine de nullité la somme envisagée de l'amende administrative et le nom du contrevenant présumé.
   La notification porte uniquement sur des faits commis moins de cinq ans avant l'envoi recommandé.
   § 4. L'autorité de sécurité invite le contrevenant présumé à communiquer sa défense par écrit dans un délai de trente jours suivant la notification visée au paragraphe 3.
   S'il n'a pas de siège en Belgique, ce délai est prolongé de quinze jours.
   L'autorité de sécurité informe également le contrevenant présumé du fait :
   1° qu'il peut, sur demande, consulter les documents qui sont à la base de l'intention d'infliger une amende administrative et en obtenir des copies;
   2° qu'il peut commenter oralement sa défense écrite;
   3° qu'il peut se faire assister ou représenter par un avocat, et peut appeler des témoins.
   S'il souhaite commenter oralement sa défense, le contrevenant présumé introduit une demande écrite auprès de l'autorité de sécurité dans les trente jours de la réception de la notification visée au paragraphe 3.
   Si le contrevenant présumé estime qu'il ne dispose pas de suffisamment de temps pour sa défense, il peut adresser une demande motivée à l'autorité de sécurité, dans les trente jours de la réception de la notification visée au paragraphe 3, qui statue en la matière dans les quinze jours à dater de la réception de la demande.
   Si l'autorité de sécurité ne statue pas, la demande est réputée acceptée.
   § 5. Lorsque l'autorité de sécurité décide d'infliger une amende administrative, elle adapte le montant de cette amende à la gravité de l'infraction et à la mesure dans laquelle celle-ci peut être reprochée au contrevenant.
   En outre, elle tient compte de la fréquence de l'infraction et des circonstances dans lesquelles le contrevenant présumé a commis l'infraction.
   Les paragraphes 5, alinéa 1er, et 6 s'appliquent dans le cas du recours visé à l'article 221/3.
   § 6. Si au moment de la prise de la décision d'infliger une amende administrative, les faits ne constituent plus une infraction au sens des articles 214 et 215, l'amende administrative ne sera pas infligée.
   § 7. Le droit de l'autorité de sécurité d'infliger une amende administrative s'éteint deux ans après la date du rapport visé au paragraphe 2.
   Ce délai est suspendu en cas de prolongation du délai de défense du contrevenant présumé en application du paragraphe 4, alinéa 5.
   § 8. Une amende administrative ne peut être infligée :
   1° lorsque le juge pénal a déjà infligé une peine pour les mêmes faits;
   2° lorsque les faits ont déjà donné lieu à un acquittement, à une simple déclaration de culpabilité, à une suspension du prononcé de la condamnation ou à une transaction visée à l'article 216bis du Code d'instruction criminelle.
   § 9. Si le contrevenant est poursuivi pénalement pour des faits qui sont indissociablement liés au fait pour lequel l'autorité de sécurité entend infliger une amende administrative, les délais mentionnés dans le présent article sont suspendus jusqu'au moment où le juge pénal a statué.]1

  
Art. 77. [1 De veiligheidsinstantie verricht haar taken op een open, niet-discriminerende en transparante wijze, waarbij de ontwikkeling van één Europees spoorwegvervoerssysteem wordt bevorderd.
   Zij geeft in het bijzonder alle partijen de gelegenheid te worden gehoord.
   Onverminderd de artikelen 213 en 217, mag de veiligheidsinstantie alle inspecties, audits en onderzoeken verrichten die nodig zijn om haar taken te vervullen en krijgt zij toegang tot alle relevante documenten en tot de terreinen, installaties en uitrusting van de infrastructuurbeheerder en spoorwegondernemingen en, waar nodig, van ongeacht welke actor, bedoeld in artikel 67/1.
   Zij antwoordt snel op de verzoeken en vragen om inlichtingen en neemt al haar besluiten binnen de vier maanden nadat alle gevraagde inlichtingen werden verstrekt. De Koning kan in bijzondere gevallen deze termijn inkorten.
   De in artikel 74 bedoelde taken mogen niet worden overgedragen aan een infrastructuurbeheerder, een spoorwegonderneming of een aanbestedende dienst en ook niet door hen worden uitgevoerd in het kader van een contract.
   Zij kan voor de uitvoering van de in artikel 74, 1° tot 10°, 14° en 15° bedoelde taken te allen tijde de technische bijstand vorderen van de infrastructuurbeheerder, de spoorwegondernemingen of andere door de veiligheidsinstantie gekozen gekwalificeerde instanties.
   Indien het voor de uitvoering van de in artikel 74, 1°, 2°, 5°, 6° en 14° bedoelde taken noodzakelijk blijkt, gelasten de leden van de veiligheidsinstantie of de door haar gemandateerde personen de infrastructuurbeheerder met het nemen van geschikte maatregelen om de veiligheid van het spoorwegverkeer te garanderen in functie van de te realiseren werkzaamheden. Deze maatregelen kunnen het verbod inhouden van spoorwegverkeer naar één of meerdere sporen.
   De veiligheidsinstantie en de infrastructuurbeheerder sluiten een protocol met betrekking tot de maatregelen bedoeld in het zevende lid.
   De veiligheidsinstantie wisselt met de veiligheidsinstanties van andere lidstaten, met name binnen het door het Bureau opgerichte netwerk, actief meningen en ervaringen uit om de besluitvormingscriteria in de hele Unie te harmoniseren.
   De veiligheidsinstantie organiseert minstens één keer per jaar een veiligheidsoverleg dat alle, bij spoorveiligheid, betrokken en belanghebbende partijen samenbrengt, en onder andere, de spoorwegondernemingen en de infrastructuurbeheerders, de fabrikanten en het onderzoeksorgaan.]1

  
Art. 77. [1 L'autorité de sécurité accomplit ses tâches de manière ouverte, non discriminatoire et transparente, afin de promouvoir la mise en place d'un système de transport ferroviaire européen unique.
   En particulier, elle permet à toutes les parties d'être entendues.
   Sans préjudice des articles 213 et 217, l'autorité de sécurité peut effectuer tous les audits, inspections et enquêtes nécessaires pour l'accomplissement de ses tâches et elle a accès à tous les documents appropriés ainsi qu'aux locaux, installations et équipements du gestionnaire de l'infrastructure et des entreprises ferroviaires et, si nécessaire, de tout acteur visé à l'article 67/1.
   Elle répond rapidement aux requêtes et demandes d'informations et adopte toutes ses décisions dans un délai de quatre mois après que toutes les informations demandées ont été fournies. Le Roi peut dans des cas particuliers réduire ce délai.
   Les tâches visées à l'article 74 ne peuvent pas être transférées à un gestionnaire de l'infrastructure, une entreprise ferroviaire ou une entité adjudicatrice, ni être effectuées par ceux-ci en vertu d'un contrat.
   Dans l'accomplissement des tâches visées à l'article 74, 1° à 10°, 14° et 15°, elle peut à tout moment requérir l'assistance technique du gestionnaire de l'infrastructure, des entreprises ferroviaires ou d'autres organismes qualifiés choisis par l'autorité de sécurité.
   Lorsque cela s'avère nécessaire dans le cadre des tâches visées à l'article 74, 1°, 2°, 5°, 6° et 14° les membres de l'autorité de sécurité ou les personnes mandatées par elle, chargent le gestionnaire de l'infrastructure de prendre les mesures appropriées afin de garantir la sécurité des circulations ferroviaires en fonction des opérations à réaliser. Ces mesures peuvent comprendre l'interdiction des circulations ferroviaires vers une ou plusieurs voies.
   L'autorité de sécurité et le gestionnaire de l'infrastructure concluent un protocole relatif aux mesures visées à l'alinéa 7.
   L'autorité de sécurité procède à un échange de vues et d'expériences soutenu avec les autorités de sécurité d'autres Etats membres, notamment au sein du réseau établi par l'Agence, afin d'harmoniser les critères de décision à l'échelle de l'Union.
   L'autorité de sécurité organise au moins une fois par an une concertation sur la sécurité qui réunit toutes les parties concernées et intéressées par la sécurité ferroviaire, et notamment les entreprises ferroviaires et gestionnaires de l'infrastructure, les fabricants et l'organisme d'enquête.]1

  
Afdeling 3. - Jaarverslag
Section 3. - Rapport annuel
Art. 78. [1 Elk jaar publiceert de veiligheidsinstantie een verslag over haar activiteiten in het voorafgaande jaar; zij zendt het uiterlijk op 30 september toe aan het Bureau. Het verslag bevat informatie over:
   1° de ontwikkeling van de veiligheid op het spoor, met inbegrip van een overzicht op lidstaatniveau van de gemeenschappelijke veiligheidsindicatoren, overeenkomstig de bijlage 4;
   2° belangrijke wijzigingen in de wet- en regelgeving betreffende de veiligheid op het spoor;
   3° de ontwikkeling van de veiligheidscertificering en de veiligheidsvergunning;
   4° resultaten van en ervaringen met het toezicht op de infrastructuurbeheerder en spoorwegondernemingen, waaronder het aantal inspecties en audits en de uitkomsten ervan;
   5° de overeenkomstig artikel 109 toegestane afwijkingen, en;
   6° de door de spoorwegondernemingen en de infrastructuurbeheerder verworven ervaringen met betrekking tot de toepassing van de relevante GVM's.]1

  
Art. 78. [1 Chaque année, l'autorité de sécurité publie un rapport concernant ses activités de l'année précédente et le transmet à l'Agence au plus tard le 30 septembre. Le rapport contient des informations sur:
   1° l'évolution de la sécurité ferroviaire, y compris un inventaire des indicateurs de sécurité communs définis dans l'annexe 4;
   2° les modifications importantes de la législation et de la réglementation en matière de sécurité ferroviaire;
   3° l'évolution de la certification et de l'agrément en matière de sécurité;
   4° les résultats de la surveillance effectuée auprès du gestionnaire de l'infrastructure et des entreprises ferroviaires et les enseignements qui en ont été tirés, notamment le nombre d'inspections et d'audits et leurs conclusions;
   5° les dérogations qui ont été décidées conformément à l'article 109;
   6° l'expérience acquise par les entreprises ferroviaires et le gestionnaire de l'infrastructure concernant l'application des MSC pertinentes.]1

  
Afdeling 4. - Vergoeding voor prestaties
Section 4. - Rémunération des prestations
Art. 79. [1 § 1. Deze afdeling bepaalt de retributies die verschuldigd zijn als vergoeding voor de prestaties die door de veiligheidsinstantie in toepassing van deze Codex uitgevoerd worden om zijn werkingskosten te dekken.
   Deze retributies worden gestort in het fonds betreffende de werking van de veiligheidsinstantie van de spoorwegen opgericht bij artikel 5 van de programmawet van 23 december 2009.
   § 2. Elk jaar op 1 januari, worden de retributies bedoeld in de artikelen 80, 81 en 85 aangepast aan de gezondheidsindex volgens de volgende formule: het basisbedrag zoals vastgesteld in deze artikelen, vermenigvuldigd met de nieuwe index en gedeeld door de oorspronkelijke index.
   Voor de retributies bedoeld in de artikelen 81 en 85:
   1° is de nieuwe index gelijk aan de gezondheidsindex van de maand november van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de bedragen worden aangepast overeenkomstig het eerste lid;
   2° is de oorspronkelijke index de gezondheidsindex van november 2009.
   Voor de retributies bedoeld in artikel 80:
   1° is de nieuwe index gelijk aan de gezondheidsindex van de maand november van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de bedragen worden aangepast overeenkomstig het eerste lid;
   2° is de oorspronkelijke index de gezondheidsindex van november 2019.
   Het verkregen resultaat wordt afgerond:
   1° naar de hogere euro indien het deel in decimalen groter of gelijk is aan vijftig cent;
   2° naar de lagere euro indien het deel in decimalen kleiner is dan vijftig cent.
   Het vierde lid is niet van toepassing op de retributie bedoeld in artikel 85.
   Het geïndexeerde bedrag dat wordt toegepast is het geldende bedrag op de dag waarop de termijnen die door of overeenkomstig deze Codex voor de uitvoering van de gevraagde prestatie werden vastgelegd, beginnen te lopen.
   § 3. De retributies worden betaald aan de veiligheidsinstantie ten laatste dertig dagen volgend op de datum van verzending van de factuur en volgens de instructies die in deze factuur zijn opgenomen.
   § 4. Er is geen terugbetaling van de retributie indien de situatie die ertoe aanleiding gaf verdwijnt of verandert, ongeacht of ze te wijten is aan de retributieplichtige of aan de veiligheidsinstantie.
   In afwijking van het eerste lid, betaalt de veiligheidsinstantie de retributie bedoeld in artikel 81 terug, wanneer de aanvrager zijn aanvraag intrekt vooraleer de veiligheidsinstantie met het onderzoek is gestart.]1

  
Art. 79. [1 § 1er. La présente section détermine les redevances dues en rémunération des prestations effectuées par l'autorité de sécurité en application du présent Code pour couvrir ses frais de fonctionnement.
   Ces redevances sont versées au fonds relatif au fonctionnement de l'autorité de sécurité ferroviaire créé par l'article 5 de la loi-programme du 23 décembre 2009.
   § 2. Les redevances visées aux articles 80, 81 et 85 sont adaptées le 1er janvier de chaque année à l'indice santé selon la formule suivante: le montant de base tel que fixé dans ces articles, multiplié par le nouvel indice et divisé par l'indice de départ.
   Pour les redevances visées aux articles 81 et 85:
   1° le nouvel indice est l'indice santé du mois de novembre de l'année précédant l'année dans laquelle les montants sont adaptés conformément à l'alinéa 1er;
   2° l'indice de départ est l'indice santé de novembre 2009.
   Pour les redevances visées à l'article 80:
   1° le nouvel indice est l'indice santé du mois de novembre de l'année précédant l'année dans laquelle les montants sont adaptés conformément à l'alinéa 1er;
   2° l'indice de départ est l'indice santé de novembre 2019.
   Le résultat obtenu est arrondi:
   1° à l'euro supérieur si la partie décimale est supérieure ou égale à cinquante cents;
   2° à l'euro inférieur si la partie décimale est inférieure à cinquante cents.
   L'alinéa 4 ne s'applique pas à la redevance visée à l'article 85.
   Le montant indexé applicable est celui qui est en vigueur le jour où les délais fixés par ou en vertu du présent Code pour l'exécution de la prestation demandée commencent à courir.
   § 3. Les redevances sont payées à l'autorité de sécurité au plus tard trente jours après la date d'envoi de la facture et selon les instructions figurant dans cette facture.
   § 4. Il n'y a pas de remboursement de la redevance si la situation qui y a donné lieu disparaît ou se modifie et ce, que la modification intervienne du fait du redevable ou du fait de l'autorité de sécurité.
   Par dérogation à l'alinéa 1er, l'autorité de sécurité rembourse les redevances visées à l'article 81, lorsque le demandeur retire sa demande avant que l'autorité de sécurité en ait entamé l'examen.]1

  
Art. 80. [1 § 1. Betalen een retributie voor het onderzoek van het dossier door de veiligheidsinstantie:
   1° de aanvrager van een vergunning voor de indienststelling bedoeld in artikel 74, paragraaf 1, 1° ;
   2° de aanvrager van een vergunning om voertuigen in de handel te brengen van voertuigen bedoeld in artikel 74, paragraaf 1, 3° ;
   3° de aanvrager van een veiligheidsvergunning bedoeld in artikel 74, paragraaf 1, 5° ;
   4° de aanvrager van een uniek veiligheidscertificaat bedoeld in artikel 74, paragraaf 1, 6° ;
   5° de personen of instellingen die een aanvraag tot erkenning betreffende de opleiding en examens voor treinbestuurders indienen in toepassing van titel 5, hoofdstuk 1, afdeling 6;
   6° de personen of instellingen die een aanvraag tot erkenning om te worden belast met het medisch onderzoek en het bedrijfspsychologisch onderzoek in toepassing van artikel 127, vierde en vijfde lid;
   7° de aanvrager van een controle van de doeltreffendheid van het remsysteem van rollend materieel bedoeld in artikel 74, paragraaf 1, 12° ;
   8° de aanvrager van een controle bedoeld in artikel 107, tweede lid.
   De veiligheidsinstantie kan in volgende gevallen eveneens retributies innen voor rekening van het Bureau overeenkomstig de modaliteiten die zijn vastgesteld in uitvoering van artikel 76 van de Verordening 2016/796/EU:
   1° voor de ondersteuning bedoeld in artikel 74, paragraaf 1, 4° en 7° ;
   2° wanneer het Bureau beroep doet op experten van de veiligheidsinstantie in uitvoering van artikel 74, paragraaf 1, 4° en 7°.
   § 2. De retributie bedoeld in paragraaf 1 wordt vastgesteld op 125 euro per begonnen uur.
   De retributie voor de aanvragen bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 3° tot 6°, zijn van toepassing op de oorspronkelijke aanvraag, op de aanvraag tot aanpassing en op de aanvraag tot vernieuwing.
   Wanneer de aanvrager zijn aanvraag intrekt vooraleer de veiligheidsinstantie zijn beslissing heeft genomen, blijven de reeds gepresteerde uren niettemin verschuldigd.
   § 3. De veiligheidsinstantie maakt, op verzoek van de aanvrager, een niet-bindende schatting over van het bedrag van de retributie verbonden aan de aanvraag of aan de aanvragen bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, en verstrekt informatie over de datum van de verzending van facturen.
   Tijdens de behandeling van een aanvraag controleert de veiligheidsinstantie zijn kosten. Wanneer de aanvrager wenst te weten of de kost het geschatte bedrag met meer dan 15 % dreigt te overschrijden, informeert de veiligheidsinstantie hem hierover.
   Wanneer de behandeling van een aanvraag langer dan één jaar duurt, kan de aanvrager een nieuwe schatting vragen.
   Wanneer de mededeling van schattingen en van eventuele wijzigingen ervan wordt gevraagd, kan de termijn bedoeld in artikel 77, vierde lid, gedurende maximum tien werkdagen worden geschorst.
   § 4. In geval van niet-betaling van de retributie bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 1° en 2°, kan de veiligheidsinstantie de vergunning intrekken na ingebrekestelling.
   In geval van niet-betaling van de retributie bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 3° tot 6°, kan de veiligheidsinstantie de geldigheid van de veiligheidsvergunning, van het veiligheidscertificaat of van de betrokken erkenning schorsen.]1

  
Art. 80. [1 § 1er. S'acquittent d'une redevance pour l'examen du dossier par l'autorité de sécurité:
   1° le demandeur de l'autorisation de mise en service visée à l'article 74, paragraphe 1er, 1° ;
   2° le demandeur de l'autorisation de mise sur le marché de véhicules visée à l'article 74, paragraphe 1er, 3° ;
   3° le demandeur d'un agrément de sécurité visé à l'article 74, paragraphe 1er, 5° ;
   4° le demandeur d'un certificat de sécurité unique visé à l'article 74, paragraphe 1er, 6° ;
   5° les personnes ou organismes qui introduisent une demande de reconnaissance relative à la formation et aux examens des conducteurs de train en application du titre 5, chapitre 1er, section 6;
   6° les personnes ou organismes qui introduisent une demande de reconnaissance pour être chargés de l'examen médical et de l'examen psychologique sur le plan professionnel en application de l'article 127, alinéas 4 et 5;
   7° le demandeur d'une vérification de l'efficacité du système de freinage de matériel roulant ferré visée à l'article 74, paragraphe 1er, 12° ;
   8° le demandeur d'un contrôle visé à l'article 107, alinéa 2.
   L'autorité de sécurité peut également percevoir des redevances de la part de l'Agence conformément aux modalités déterminées en exécution de l'article 76 du Règlement 2016/796/UE dans les cas suivants:
   1° pour le soutien visé à l'article 74, paragraphe 1er, 4° et 7° ;
   2° lorsque l'Agence recourt à des experts de l'autorité de sécurité en exécution de l'article 74, paragraphe 1er, 4° et 7°.
   § 2. La redevance visée au paragraphe 1er est fixée à 125 euros par heure entamée.
   La redevance pour les demandes visées au paragraphe 1er, alinéa 1er, 3° à 6°, s'applique à la demande initiale, à la demande de mise à jour et à la demande de renouvellement.
   Si le demandeur retire sa demande avant que l'autorité de sécurité ait pris sa décision, il est néanmoins redevable des heures déjà prestées.
   § 3. L'autorité de sécurité communique, à la demande du demandeur, une estimation non contraignante du montant de la redevance lié à la demande ou aux demandes visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, et fournit des informations sur la date d'envoi des factures.
   Lors du traitement d'une demande, l'autorité de sécurité contrôle ses coûts. Lorsque le demandeur souhaite savoir si le coût risque de dépasser le montant estimatif de plus de 15 %, l'autorité de sécurité l'en informe.
   Lorsque le traitement d'une demande dure plus d'un an, le demandeur peut demander une nouvelle estimation.
   Lorsque la communication d'estimations et des éventuelles mises à jour de celles-ci est demandée, le délai visé à l'article 77, alinéa 4, peut être suspendu pendant dix jours ouvrables au maximum.
   § 4. En cas de non-paiement de la redevance visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1° et 2°, l'autorité de sécurité peut retirer l'autorisation après mise en demeure.
   En cas de non-paiement de la redevance visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, 3° à 6°, l'autorité de sécurité peut suspendre la validité de l'agrément de sécurité, du certificat de sécurité unique ou de la reconnaissance concerné.]1

  
Art. 81. [2 § 1.]2 [1 De aanvrager van een vergunning van treinbestuurder in toepassing van titel 5, hoofdstuk 1, afdeling 2, betaalt een retributie vastgesteld als volgt :
   1° 100 euro voor de initiële afgifte of de vernieuwing;
   2° 40 euro voor de afgifte van duplicaten.]1

  [2 § 2. De aanvrager betaalt de retributie bedoeld in paragraaf 1 bij de indiening van zijn aanvraag.]2
  
Art. 81. [2 § 1er.]2 [1 Le demandeur d'une licence de conducteur de train en application du titre 5, chapitre 1er, section 2, s'acquitte d'une redevance fixée comme suit :
   1° 100 euros pour la délivrance initiale, ou le renouvellement;
   2° 40 euros pour la délivrance de duplicatas.]1

  [2 § 2. Le demandeur paie la redevance visée au paragraphe 1er lors de l'introduction de sa demande.]2
  
Art. 85. [1 De houder van een voertuig dat op 1 januari van het lopende jaar voorkomt in het nationaal voertuigenregister betaalt een jaarlijkse retributie van 2 euro voor dat voertuig.
   In geval van niet-betaling, kan de veiligheidsinstantie het voertuig uit het register schrappen.]1

  
Art. 85. [1 Le détenteur d'un véhicule qui figure dans le registre national des véhicules à la date du 1er janvier de l'année courante s'acquitte d'une redevance annuelle de 2 euros pour ce véhicule.
   En cas de non-paiement, l'autorité de sécurité peut radier le véhicule du registre.]1

  
Art. 88/2. [1 § 1. De houder van een veiligheidsvergunning en de houders van een uniek veiligheidscertificaat die gebruik maken van het netwerk betalen een jaarlijkse retributie, naar rato van een kwart van het jaarlijkse bedrag per kwartaal.
   De Koning bepaalt het bedrag van de retributie bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
   § 2. De retributie wordt verdeeld over de houder van een veiligheidsvergunning en de houders van een uniek veiligheidscertificaat als volgt:
   1° dertig procent van het totale bedrag ten laste van de houder van een veiligheidsvergunning;
   2° zeventig procent van het totale bedrag ten laste van de houders van een uniek veiligheidscertificaat.
   Het aandeel bedoeld in het eerste lid, 2°, wordt verdeeld over de houders in verhouding tot het aantal treinkilometers dat zij gepresteerd hebben tijdens het kwartaal dat afgesloten werd drie maanden voor het kwartaal waarop de retributie betrekking heeft.
   Onmiddellijk na de afsluiting van elk kwartaal, worden de trein-kilometers, gepresteerd door elke houder van een uniek veiligheidscertificaat, aan de veiligheidsinstantie meegedeeld door de houder van de veiligheidsvergunning.
   § 3. In geval van niet-betaling kan de veiligheidsinstantie de geldigheid van de veiligheidsvergunning of het uniek veiligheidscertificaat dat zij heeft afgegeven, opschorten.]1

  
Art. 88/2. [1 § 1er. Le détenteur d'un agrément de sécurité et les détenteurs d'un certificat de sécurité unique qui utilisent le réseau s'acquittent d'une redevance annuelle, à raison d'un quart du montant annuel par trimestre.
   Le Roi fixe le montant de la redevance par arrêté délibéré en Conseil des ministres.
   § 2. La redevance est répartie entre le détenteur d'un agrément de sécurité et les détenteurs d'un certificat de sécurité unique comme suit:
   1° trente pourcent du montant total à charge du détenteur d'un agrément de sécurité;
   2° septante pourcent du montant total à charge des détenteurs d'un certificat de sécurité unique.
   La part visée à l'alinéa 1er, 2°, est répartie entre les détenteurs en proportion du nombre de trains-kilomètres qu'ils ont prestés dans le courant du trimestre clôturé trois mois avant le trimestre concerné par la redevance.
   Le détenteur de l'agrément de sécurité communique à l'autorité de sécurité immédiatement après la clôture de chaque trimestre les trains-kilomètres prestés par chaque détenteur d'un certificat de sécurité unique.
   § 3. En cas de non-paiement, l'autorité de sécurité peut suspendre la validité de l'agrément de sécurité ou du certificat de sécurité unique qu'elle a délivré.]1

  
HOOFDSTUK 3. - Veiligheidsbeheersystemen
CHAPITRE 3. - Systèmes de gestion de la sécurité
Art. 89. [1 § 1. De infrastructuurbeheerder en de spoorwegondernemingen zetten hun veiligheidsbeheersysteem op met naleving van de relevante bepalingen van het regelgevend kader inzake veiligheid, en onder andere de gemeenschappelijke veiligheidsdoelen, de in de TSI vastgelegde veiligheidseisen en de relevante elementen van de gemeenschappelijke veiligheidsmethoden.
   § 2. Het veiligheidsbeheersysteem is in al haar onderdelen gedocumenteerd en beschrijft in het bijzonder hoe de verantwoordelijkheden binnen hun respectievelijke organisatie zijn verdeeld.
   § 3. Het veiligheidsbeheersysteem geeft aan:
   1° hoe controle door het management op verschillende niveaus wordt gewaarborgd;
   2° hoe het personeel en de vertegenwoordigers ervan op alle niveaus bij het beheer worden betrokken;
   3° hoe het veiligheidsbeheersysteem voortdurend wordt verbeterd.
   Er moet openlijk worden gestreefd naar het consequent toepassen van kennis over en methoden in verband met menselijke factoren.
   Via het veiligheidsbeheersysteem bevorderen de infrastructuurbeheerder en de spoorwegondernemingen een cultuur van wederzijds vertrouwen en leren, waarin het personeel wordt aangemoedigd om bij te dragen tot het ontwikkelen van de veiligheid, met waarborging van de vertrouwelijkheid.]1

  
Art. 89. [1 § 1er. Le gestionnaire de l'infrastructure et les entreprises ferroviaires établissent leur système de gestion de la sécurité dans le respect des dispositions pertinentes du cadre réglementaire en matière de sécurité, et notamment les objectifs de sécurité communs, les exigences de sécurité définies dans les STI, et les éléments pertinents des méthodes de sécurités communes.
   § 2. Le système de gestion de la sécurité est documenté dans toutes ses parties et décrit notamment la répartition des responsabilités au sein de leur organisation respective.
   § 3. Le système de gestion de la sécurité indique la manière dont:
   1° la direction assure le contrôle aux différents niveaux de l'organisation;
   2° le personnel et ses représentants à tous les niveaux sont impliqués;
   3° l'amélioration continue du système de gestion de la sécurité est assurée.
   Il existe un engagement résolu en faveur d'une application systématique des connaissances et des méthodes relatives aux facteurs humains.
   Grâce au système de gestion de la sécurité, le gestionnaire de l'infrastructure et les entreprises ferroviaires possèdent et mettent en oeuvre une culture de confiance mutuelle et d'apprentissage, dans laquelle le personnel est encouragé à contribuer au développement de la sécurité tout en garantissant la confidentialité.]1

  
Art. 90. [1 Het veiligheidsbeheersysteem voldoet aan de relevante bepalingen van het regelgevend kader inzake veiligheid, en onder andere aan de in de TSI vastgelegde veiligheidseisen, omvat de elementen beschreven in de bijlage 5 en is aangepast aan het soort vervoer, de omvang van het vervoer, het exploitatiegebied en andere condities van de verrichte activiteit.
   Het zorgt voor de beheersing van alle risico's die door de activiteit van de infrastructuurbeheerder of spoorwegonderneming ontstaan, met inbegrip van het onderhoud, onverminderd de artikelen 105 tot 108, en de materiaalvoorziening en het gebruik van contractanten.
   Onverminderd de bestaande nationale en internationale aansprakelijkheidsregels, houdt het veiligheidsbeheersysteem, waar mogelijk en redelijk, ook rekening met de risico's die worden veroorzaakt door de activiteiten van andere actoren als bedoeld in artikel 67/1, paragrafen 3 en 4.]1

  
Art. 90. [1 Le système de gestion de la sécurité satisfait aux dispositions pertinentes du cadre réglementaire en matière de sécurité et notamment aux exigences de sécurité définies dans les STI, contient les éléments définis à l'annexe 5 et est adapté en fonction du type, de la portée, du domaine d'exploitation et d'autres caractéristiques de l'activité exercée.
   Il garantit la maîtrise de tous les risques créés par les activités du gestionnaire de l'infrastructure ou de l'entreprise ferroviaire, y compris la fourniture de services d'entretien, sans préjudice des articles 105 à 108, et de matériel et le recours à des contractants.
   Sans préjudice de la législation nationale et internationale en matière de responsabilité, le système de gestion de la sécurité tient également compte, selon le cas et dans la limite du raisonnable, des risques résultant des activités d'autres parties visés par l'article 67/1, paragraphes 3 et 4.]1

  
Art. 91. [1 Het veiligheidsbeheersysteem van elke infrastructuurbeheerder houdt rekening met de effecten van de activiteiten van verschillende spoorwegondernemingen op het netwerk om alle spoorwegondernemingen in de gelegenheid te stellen overeenkomstig de TSI's en de nationale voorschriften en de in hun uniek veiligheidscertificaat genoemde voorwaarden te werken.
   Het wordt bovendien ontwikkeld om de noodprocedures van de infrastructuurbeheerder af te stemmen op alle spoorwegondernemingen die op zijn infrastructuur opereren, op de nooddiensten, om zo een snel optreden van hulpdiensten te waarborgen, en op alle andere partijen die bij een noodsituatie betrokken zouden kunnen zijn.
   De infrastructuurbeheerder werkt samen met de beheerders van grensoverschrijdende infrastructuur om de coördinatie en paraatheid van de bevoegde nooddiensten aan weerszijden van de grens te faciliteren.]1

  
Art. 91. [1 Le système de gestion de la sécurité du gestionnaire de l'infrastructure tient compte des effets des activités des différentes entreprises ferroviaires sur le réseau et comprend des dispositions permettant à toutes les entreprises ferroviaires d'opérer conformément aux STI, aux règles nationales et aux conditions fixées dans leur certificat de sécurité unique.
   En outre, il est conçu dans le but de coordonner les procédures d'urgence du gestionnaire de l'infrastructure avec toutes les entreprises ferroviaires qui utilisent son infrastructure, avec les services d'urgence, de manière à faciliter l'intervention rapide des services de secours, et avec toutes les autres parties susceptibles d'être impliquées en cas d'urgence.
   Le gestionnaire de l'infrastructure coopère avec les gestionnaires des infrastructures transfrontalières pour faciliter la coordination et la bonne préparation des services d'urgence compétents des deux côtés de la frontière.]1

  
Art. 92. [1 § 1. [2 De infrastructuurbeheerder en alle spoorwegondernemingen dienen elk jaar voor 31 mei bij de veiligheidsinstantie een veiligheidsverslag over het voorafgaande kalenderjaar in. Het veiligheidsverslag bevat:
   1° informatie over de wijze waarop de infrastructuurbeheerder of de spoorwegonderneming zijn eigen veiligheidsdoelen verwezenlijkt en de resultaten van de veiligheidsplannen;
   2° een verslag van de ontwikkeling van nationale veiligheidsindicatoren en van de gemeenschappelijke veiligheidsindicatoren beschreven in de bijlage 4, voor zover deze voor de rapporterende organisatie van belang is;
   3° de resultaten van de interne veiligheidscontroles;
   4° opmerkingen over gebreken en tekortkomingen in de spoorwegactiviteiten en het infrastructuurbeheer die voor de veiligheidsinstantie van belang kunnen zijn, met inbegrip van een samenvatting van de informatie die is verstrekt door de relevante actoren als bedoeld in artikel 67/1, paragraaf 5, 2°, en
   5° een verslag over de toepassing van de relevante GVM.
   De Koning bepaalt de regels die van toepassing zijn op het veiligheidsverslag en kan voor dit veiligheidsverslag bijkomende inhoudelijke elementen voorschrijven.
   De veiligheidsinstantie publiceert een model van veiligheidsverslag op haar internetsite.]2

   § 2. De spoorwegondernemingen sturen een kopie van het verslag bedoeld in paragraaf 1 door naar de infrastructuurbeheerder.
   De infrastructuurbeheerder mag de gegevens die opgenomen zijn in het veiligheidsverslag enkel gebruiken in uitvoering van artikel 91.
   De infrastructuurbeheerder is gebonden door het beroepsgeheim en mag de gegevens opgenomen in het veiligheidsverslag niet meedelen aan derden.
   De inbreuken op het derde lid worden bestraft met de straffen bepaald in artikel 458 van het Strafwetboek.]1

  
Art. 92. [1 § 1er. [2 Chaque année, avant le 31 mai , le gestionnaire de l'infrastructure et toutes les entreprises ferroviaires soumettent à l'autorité de sécurité un rapport sur la sécurité concernant l'année civile précédente. Le rapport de sécurité contient:
   1° des informations sur la manière dont le gestionnaire de l'infrastructure ou l'entreprise ferroviaire réalise ses propres objectifs de sécurité et les résultats des plans de sécurité;
   2° un rapport sur la mise au point d'indicateurs de sécurité nationaux et des indicateurs de sécurité communs définis à l'annexe 4, dans la mesure où elle est pertinente pour l'organisation déclarante;
   3° les résultats des audits de sécurité internes;
   4° des observations sur les insuffisances et les défauts de fonctionnement des opérations ferroviaires et de la gestion de l'infrastructure qui peuvent présenter un intérêt pour l'autorité de sécurité, notamment une synthèse des informations fournies par les acteurs concernés conformément à l'article 67/1, paragraphe 5, 2° ; et
   5° un compte-rendu de la mise en oeuvre des MSC pertinentes.
   Le Roi détermine les règles applicables au rapport de sécurité et peut déterminer des éléments de contenu supplémentaires pour ce rapport de sécurité.
   L'autorité de sécurité publie un modèle de rapport de sécurité sur son site internet.]2

   § 2. Les entreprises ferroviaires transmettent une copie du rapport visé au paragraphe 1er au gestionnaire de l'infrastructure.
   Le gestionnaire de l'infrastructure ne peut utiliser les données contenues dans les rapports de sécurité qu'en vue de l'exécution de l'article 91.
   Le gestionnaire de l'infrastructure est tenu au secret professionnel et ne peut pas communiquer les données contenues dans les rapports de sécurité à des tiers.
   Les infractions à l'alinéa 3 sont punies des peines prévues à l'article 458 du Code pénal.]1

  
Art. 93. § 1. Ingeval van een ernstig ongeval stelt de spoorweginfrastructuurbeheerder onmiddellijk het onderzoeksorgaan, de minister, de veiligheidsinstantie en gerechtelijke instanties op de hoogte.
  [3 De spoorweginfrastructuurbeheerder dient eveneens, via het oproepnummer 101/112, de politiediensten onmiddellijk in te lichten over ieder ongeval en ernstig ongeval.]3
  Daarnaast verzenden de spoorweginfrastructuurbeheerder, de spoorwegonderneming en, in voorkomend geval, de veiligheidsinstantie, aan het onderzoeksorgaan onmiddellijk de informatie over het zich voordoen van een voorval beschreven in bijlage 7.
  De wijze waarop de informatie, bedoeld [3 in het eerste en derde lid]3, aan het onderzoeksorgaan wordt meegedeeld, wordt door haar bepaald en wordt bekendgemaakt.
  § 2. De spoorweginfrastructuurbeheerder stuurt dagelijks aan het onderzoeksorgaan, op door deze laatste bepaalde wijze, het relaas van alle gebeurtenissen die, op het eerste gezicht, een ongeval of ongevallen of een incident of incidenten met betrekking of met een weerslag op de exploitatieveiligheid uitmaken en die zich de voorbije vierentwintig uur op het [2 spoorwegnet]2 voordeden.
  § 3. Elk exploitatieongeval en -incident of met een weerslag op de exploitatie wordt gerangschikt overeenkomstig de criteria bepaald door de Koning en maakt het voorwerp uit van een verslag waarvan door de spoorweginfrastructuurbeheerder en/of, in voorkomend geval, de spoorwegonderneming een kopie bezorgd wordt aan het onderzoeksorgaan, binnen de drie werkdagen en volgens de door dit orgaan bepaalde modaliteiten. De verbeteringen, herzieningen en/of aanvullende inlichtingen die niet beschikbaar zijn binnen de drie dagen moeten, zodra deze beschikbaar zijn, aan het onderzoeksorgaan worden overgemaakt, volgens de door dit orgaan bepaalde modaliteiten.
  De spoorweginfrastructuurbeheerder en de spoorwegonderneming volgen voor de opmaak van hun verslag, de criteria bepaald door de Koning.
  § 4. [4 De infrastructuurbeheerder en/of, in voorkomend geval, de spoorwegonderneming maken zo vlug mogelijk en, in de mate van het mogelijke, uiterlijk binnen de 10 maanden na de datum waarop het voorval zich heeft voorgedaan, aan het onderzoeksorgaan hun volledig verslag van het onderzoek aangaande de voorvallen beschreven in bijlage 7 over waarvoor het onderzoeksorgaan een onderzoek heeft geopend.]4 De spoorweginfrastructuurbeheerder en/of, in voorkomend geval, de spoorwegonderneming maken, op vraag van het onderzoeksorgaan, de verslagen van het onderzoek over met betrekking tot andere voorvallen.
  § 5. [4 Na een ernstig ongeval begeleidt de spoorwegonderneming de slachtoffers ervan om ze bij te staan in klachtenprocedures krachtens het Unierecht, met name Verordening (EG) nr. 1371/2007 van het Europees Parlement en de Raad 23 oktober 2007 betreffende de rechten en verplichtingen van reizigers in het treinverkeer, onverminderd de verplichtingen van andere partijen.
   Deze bijstand wordt gegeven via communicatiekanalen met de familie van slachtoffers en omvat psychologische bijstand aan slachtoffers van ongevallen en aan hun verwanten.]4

  
Art. 93. § 1er. En cas d'accident grave, le [4 gestionnaire de l'infrastructure]4 informe immédiatement l'organisme d'enquête, le ministre, l'autorité de sécurité et les autorités judiciaires.
  [2 Le [4 gestionnaire de l'infrastructure]4 est également tenu d'informer immédiatement, via le numéro d'appel 101/112, les services de police de tous les accidents et accidents graves.]2
  En outre, le [4 gestionnaire de l'infrastructure]4, l'entreprise ferroviaire et, le cas échéant, l'autorité de sécurité transmettent immédiatement l'information de la survenance d'un événement décrit à l'annexe 7 à l'organisme d'enquête.
  Les modalités de la communication à l'organisme d'enquête des informations [2 visées aux alinéas 1er et 3]2 sont déterminées par celui-ci et publiées.
  § 2. Le [4 gestionnaire de l'infrastructure]4 envoie chaque jour à l'organisme d'enquête, selon les modalités déterminées par ce dernier, la relation succincte de tous les évènements qui, de prime abord, constituent un ou des accidents et incidents concernant ou influençant la sécurité de l'exploitation, qui se sont produits sur le réseau ferroviaire pendant les dernières vingt-quatre heures.
  § 3. Chaque accident et incident d'exploitation ou affectant celle-ci est classifié selon les critères déterminés par le Roi et fait l'objet d'un compte rendu dont une copie est envoyée par le [4 gestionnaire de l'infrastructure]4 et/ou, le cas échéant, l'entreprise ferroviaire dans les trois jours ouvrables à l'organisme d'enquête, selon les modalités déterminées par celui-ci. Les corrections, révisions et/ou renseignements complémentaires non disponibles dans les trois jours devront être fournis à l'organisme d'enquête, selon les modalités déterminées par celui-ci, dès qu'ils deviennent disponibles.
  Le [4 gestionnaire de l'infrastructure]4 et l'entreprise ferroviaire se conforment aux critères établis par le Roi lors de l'établissement de leur compte rendu.
  § 4. Le [4 gestionnaire de l'infrastructure]4 et/ou, le cas échéant, l'entreprise ferroviaire transmettent à l'organisme d'enquête, dans les meilleurs délais et, dans la mesure du possible, au plus tard 10 mois après la date de survenance de l'évènement, leur rapport d'enquête complet sur les évènements décrits en annexe 7 pour lesquels l'organisme d'enquête a ouvert une enquête. Le [4 gestionnaire de l'infrastructure]4 et/ou, le cas échéant, l'entreprise ferroviaire transmettent, sur demande de l'organisme d'enquête, les rapports d'enquête se rapportant à d'autres évènements.
  § 5. [3 Après un accident grave, l'entreprise ferroviaire fournit une assistance aux victimes en les aidant dans le cadre des procédures de plainte conformément au droit de l'Union, en particulier le Règlement (CE) n° 1371/2007 du Parlement européen et du conseil du 23 octobre 2007 sur les droits et obligations des voyageurs ferroviaires, sans préjudice des obligations des autres parties.
   Cette assistance est fournie au moyen de canaux de communication avec les familles des victimes et comprend un soutien psychologique aux victimes d'accidents et à leurs familles.]3

  
Art. 94/1. [1 De spoorwegonderneming of de infrastructuurbeheerder die een beroep doet op een contractant in het kader van de uitvoering van een veiligheidskritieke taak, zonder deze op te nemen in haar uniek veiligheidscertificaat of in zijn veiligheidsvergunning, brengt de veiligheidsinstantie en het toezichthoudend orgaan hiervan op de hoogte.
   De spoorwegonderneming of de infrastructuurbeheerder meldt eveneens aan de veiligheidsinstantie:
   1° de naam of de sociale benaming van de contractant;
   2° de desbetreffende veiligheidskritieke ta(a)k(en) en de plaats waar deze word(t)(en) uitgeoefend.
   In geval van wijziging van de informatie bedoeld in het tweede lid, brengt de spoorwegonderneming of de infrastructuurbeheerder de veiligheidsinstantie daar onmiddellijk van op de hoogte.
   De contractant bedoeld in het eerste lid beschikt over een veiligheidsbeheersysteem in overeenstemming met de artikelen 89 tot en met 91.]1

  
Art. 94/1. [1 L'entreprise ferroviaire ou le gestionnaire de l'infrastructure qui fait appel à un contractant dans le cadre de l'exécution d'une tâche critique de sécurité, sans l'intégrer dans son certificat de sécurité unique ou dans son agrément de sécurité, en informe l'autorité de sécurité et l'organe de contrôle.
   L'entreprise ferroviaire ou le gestionnaire de l'infrastructure communique également à l'autorité de sécurité:
   1° le nom ou la dénomination sociale du contractant;
   2° la ou les tâche(s) critique(s) de sécurité concernée(s) et le lieu où elle(s) est/sont exercée(s).
   En cas de modification des informations visées à l'alinéa 2, l'entreprise ferroviaire ou le gestionnaire de l'infrastructure en informe immédiatement l'autorité de sécurité.
   Le contractant visé à l'alinéa 1er dispose d'un système de gestion de la conformité conforme aux articles 89 et 91 du présent Code.]1

  
Art.94/2. [1 § 1. De spoorwegonderneming of de infrastructuurbeheerder die beroep doet op een contractant in het kader van de uitoefening van een veiligheidskritieke taak onder de dekking van haar uniek veiligheidscertificaat of zijn veiligheidsvergunning, brengt de veiligheidsinstantie en het toezichthoudend orgaan daarvan op de hoogte.
   Behalve de naam of de sociale benaming van de contractant, meldt de spoorwegonderneming of de infrastructuurbeheerder eveneens aan de veiligheidsinstantie:
   1° de datum van aanvang van de activiteit in onderaanneming;
   2° de veiligheidskritieke taken die worden uitgeoefend door de contractant;
   3° de afbakening van de spoorweginfrastructuur die is gedekt door de activiteit in onderaanneming;
   4° in voorkomend geval, de lijst met lokale protocollen die gekend moeten zijn door de contractant.
   In geval van wijziging van de informatie bedoeld in het tweede lid brengt de spoorwegonderneming of de infrastructuurbeheerder de veiligheidsinstantie onmiddellijk op de hoogte.
   § 2. Het beroep doen op een contractant als bedoeld in paragraaf 1, ontslaat de spoorwegonderneming of de infrastructuurbeheer niet van haar of zijn aansprakelijkheid en haar of zijn verplichtingen inzake veiligheid en de overdracht van capaciteit, overeenkomstig artikel 29.
   Het beroep doen op een contractant als bedoeld in paragraaf 1 mag niet ingaan tegen de mededingingsregels of een verstoring van de markten voor spoorwegdiensten vormen overeenkomstig artikel 62, paragraaf 3.
   § 3. De bewijslast inzake de beheersing van de risico's rust in elk geval op de spoorwegonderneming of de infrastructuurbeheerder die beroep doet op een contractant als bedoeld in paragraaf 1.
   § 4. De spoorwegonderneming of de infrastructuurbeheerder die beroep doet op een contractant als bedoeld in paragraaf 1, neemt de certificering van het veiligheidspersoneel van die contractant, met inbegrip van de aflevering van het aanvullend bevoegdheidsbewijs bedoeld in titel 5, hoofdstuk 1, afdeling 3, op in zijn veiligheidsbeheersysteem.]1

  
Art.94/2. [1 § 1er. L'entreprise ferroviaire ou le gestionnaire de l'infrastructure qui fait appel à un contractant dans le cadre de l'exécution d'une tâche critique de sécurité sous couvert de son certificat de sécurité unique ou de son agrément de sécurité, en informe l'autorité de sécurité et l'organe de contrôle.
   Outre le nom ou la dénomination sociale du contractant, l'entreprise ferroviaire ou le gestionnaire de l'infrastructure communique également à l'autorité de sécurité:
   1° la date de début de l'activité sous-traitée;
   2° les tâches critiques de sécurité exercées par le contractant;
   3° la délimitation de l'infrastructure ferroviaire couverte par l'activité sous-traitée;
   4° le cas échéant, la liste des protocoles locaux qui doivent être connus du contractant.
   En cas de modification des informations visées à l'alinéa 2, l'entreprise ferroviaire ou le gestionnaire de l'infrastructure en informe immédiatement l'autorité de sécurité.
   § 2. Le recours à un contractant visé au paragraphe 1er ne décharge pas l'entreprise ferroviaire ou le gestionnaire de l'infrastructure de sa responsabilité et de ses obligations en matière de sécurité et de transfert des capacités, conformément à l'article 29.
   Le recours à un contractant visé au paragraphe 1er ne peut pas contrevenir à l'application des règles de la concurrence ou constituer une distorsion en matière de marchés des services ferroviaires conformément à l'article 62, paragraphe 3.
   § 3. La charge de la preuve de la maîtrise des risques pèse dans tous les cas sur l'entreprise ferroviaire ou le gestionnaire de l'infrastructure qui fait appel à un contractant visé au paragraphe 1er.
   § 4. L'entreprise ferroviaire ou le gestionnaire de l'infrastructure qui recourt à un contractant visé au paragraphe 1er intègre dans son système de gestion de la sécurité la certification du personnel de sécurité de ce contractant, y compris la délivrance de l'attestation complémentaire visée au titre 5, chapitre 1er, section 3.]1

  
HOOFDSTUK 4. - Veiligheidsvergunning en veiligheidscertificaat
CHAPITRE 4. - Agrément et certificat de sécurité
Afdeling 1. - Veiligheidsvergunning van de spoorweginfrastructuurbeheerder
Section 1re. - Agrément de sécurité du gestionnaire de l'infrastructure ferroviaire
Art. 95. [1 § 1. Om de spoorweginfrastructuur te kunnen beheren en exploiteren, moet de infrastructuurbeheerder beschikken over een veiligheidsvergunning, afgeleverd door de veiligheidsinstantie.
   § 2. De veiligheidsvergunning bevat:
   1° de bevestiging dat het veiligheidsbeheersysteem van de infrastructuurbeheerder, dat is vastgesteld in titel 4, hoofdstuk 3, is goedgekeurd;
   2° de bevestiging van de aanvaarding van de procedures en regelingen genomen door de infrastructuurbeheerder om te voldoen aan de specifieke vereisten die nodig zijn om de veiligheid van de spoorweginfrastructuur te garanderen op het vlak van het ontwerp, het onderhoud en de exploitatie, met inbegrip van, in voorkomend geval, het onderhoud en de exploitatie van het controlesysteem van besturing en seingeving.]1

  
Art. 95. [1 § 1er. Pour pouvoir gérer et exploiter l'infrastructure ferroviaire, le gestionnaire de l'infrastructure doit disposer d'un agrément de sécurité, délivré par l'autorité de sécurité.
   § 2. L'agrément de sécurité comprend:
   1° la confirmation que le système de gestion de la sécurité du gestionnaire de l'infrastructure, tel que décrit au titre 4, chapitre 3, est accepté;
   2° la confirmation de l'acceptation des procédures et dispositions prises par le gestionnaire de l'infrastructure pour satisfaire aux exigences particulières requises afin de garantir la sécurité de l'infrastructure ferroviaire aux niveaux de la conception, de l'entretien et de l'exploitation, y compris, le cas échéant, l'entretien et l'exploitation du système de contrôle du trafic et de signalisation.]1

  
Art. 96. [1 De veiligheidsvergunning is vijf jaar geldig en kan op verzoek van de infrastructuurbeheerder worden vernieuwd.
   De infrastructuurbeheerder herbekijkt de veiligheidsvergunning geheel of gedeeltelijk wanneer de infrastructuur, het subsysteem seingeving of energie of de beginselen van de exploitatie en het onderhoud ervan, ingrijpend veranderen.
   De infrastructuurbeheerder stelt de veiligheidsinstantie onverwijld van die wijzigingen in kennis.
   De veiligheidsinstantie kan verlangen dat de veiligheidsvergunning wordt herzien wanneer de pertinente bepalingen van het regelgevend kader voor veiligheid ingrijpend zijn gewijzigd.
   Wanneer een vergunde infrastructuurbeheerder niet langer aan de voorwaarden voor het bekomen van de veiligheidsvergunning voldoet, kan de veiligheidsinstantie de vergunning intrekken.]1

  
Art. 96. [1 L'agrément de sécurité est valable pour une période de cinq ans et peut être renouvelé à la demande du gestionnaire de l'infrastructure.
   Le gestionnaire de l'infrastructure révise l'agrément de sécurité en tout ou en partie à chaque modification substantielle des sous-systèmes infrastructure, signalisation ou énergie, ou des principes applicables à leur exploitation et à leur entretien.
   Le gestionnaire de l'infrastructure informe sans retard l'autorité de sécurité de toute modification de ce type.
   L'autorité de sécurité peut exiger la révision de l'agrément de sécurité en cas de modification substantielle de dispositions pertinentes du cadre réglementaire en matière de sécurité.
   Si un gestionnaire de l'infrastructure agréé ne remplit plus les conditions requises pour l'obtention de l'agrément de sécurité, l'autorité de sécurité peut retirer l'agrément.]1

  
Art. 97. De veiligheidsinstantie deelt aan het Bureau [1 onverwijld en in elk geval binnen twee weken]1 de afgifte, de vernieuwing, [1 de herziening]1 of de intrekking van de veiligheidsvergunning mee. De kennisgeving vermeldt de naam en het adres van [2 de infrastructuurbeheerder]2, de afgiftedatum, de werkingssfeer en de geldigheidsduur van de veiligheidsvergunningen en, in geval van intrekking, de redenen daarvoor.
  
Art. 97. L'autorité de sécurité notifie à l'Agence, [1 sans retard et dans tous les cas dans un délai de deux semaines]1, la délivrance, le renouvellement, [1 la révision]1 ou le retrait de l'agrément de sécurité. La notification mentionne le nom et l'adresse du [2 gestionnaire de l'infrastructure]2, la date de délivrance, le domaine d'application et la validité des agréments de sécurité et, en cas de retrait, les motifs de sa décision.
  
Art. 98. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de wijze waarop de veiligheidsvergunning wordt aangevraagd, afgeleverd, [2 herzien]2, verlengd [1 , vernieuwd, geschorst]1 en ingetrokken.
  
Art. 98. Le Roi fixe, par un arrêté délibéré en Conseil des ministres, les modalités de demande, de délivrance, de [2 révision]2, de prorogation [1 , de renouvellement, de suspension]1 ou de retrait de l'agrément de sécurité.
  
Art.98/1. [1 In geval van grensoverschrijdende infrastructuur werkt de veiligheidsinstantie samen met de veiligheidsinstantie van de betrokken lidstaat met het oog op de afgifte van veiligheidsvergunningen.]1
  
Art.98/1. [1 Dans les cas d'une infrastructure transfrontalière, l'autorité de sécurité coopère avec l'autorité de sécurité de l'Etat membre concerné en vue de la délivrance des agréments de sécurité.]1
  
Afdeling 2. [1 - Uniek veiligheidscertificaat van spoorwegondernemingen]1
Section 2. [1 - Certificat de sécurité unique des entreprises ferroviaires]1
Art. 99. [1 Om toegang te krijgen tot de spoorweginfrastructuur moet een spoorwegonderneming beschikken over een uniek veiligheidscertificaat dat is afgegeven door het Bureau overeenkomstig artikel 10, paragrafen 5, 6 en 7 van de richtlijn 2016/798/EU of door de veiligheidsinstantie overeenkomstig deze afdeling.]1
  
Art. 99. [1 Pour pouvoir accéder à l'infrastructure ferroviaire, une entreprise ferroviaire doit disposer d'un certificat de sécurité unique délivré soit par l'Agence, conformément à l'article 10, paragraphes 5, 6 et 7 de la directive 2016/798/UE, soit par l'autorité de sécurité conformément à la présente section.]1
  
Art. 100. [1 § 1. Wanneer het exploitatiegebied van een spoorwegonderneming beperkt is tot het Belgisch grondgebied, kan zij een aanvraag voor een uniek veiligheidscertificaat indienen bij de veiligheidsinstantie, die na toepassing van de procedure bedoeld in het derde lid, beslist of ze al dan niet een uniek veiligheidscertificaat aan haar afgeeft.
   De veiligheidsinstantie is verantwoordelijk voor elk uniek veiligheidscertificaat dat zij afgeeft.
   Voor de afgifte, de vernieuwing en de aanpassing van unieke veiligheidscertificaten in toepassing van deze paragraaf, past de veiligheidsinstantie de praktische regelingen voor de certificeringsprocedure toe overeenkomstig de Uitvoeringsverordening (EU) 2018/763 tot vaststelling van praktische regelingen voor de afgifte van unieke veiligheidscertificaten aan spoorwegondernemingen overeenkomstig richtlijn (EU) 2016/798 van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 653/2007 van de Commissie.
   De Koning legt in een besluit dat is overlegd in Ministerraad de modaliteiten voor verlenging, schorsing en intrekking van het uniek veiligheidscertificaat vast.
   § 2. In het kader van de afgifte van unieke veiligheidscertificaten in toepassing van paragraaf 1 of van beoordelingen bedoeld in artikel 10, § 5, b) van de richtlijn 2016/798/EU, is de veiligheidsinstantie gemachtigd om bezoeken en inspecties ter plaatse bij de spoorwegonderneming, alsook audits te verrichten, en kan zij relevante aanvullende informatie vragen.
   Wanneer zij handelt in het kader van de beoordelingen bedoeld in artikel 10, § 5, b) van de richtlijn 2016/798/EU, coördineert zij samen met het Bureau de organisatie van dergelijke bezoeken, audits en inspecties.
   § 3. Onverminderd artikel 74/1, § 6, trekt de veiligheidsinstantie het uniek veiligheidscertificaat afgegeven overeenkomstig paragraaf 1 in wanneer zijn titularis:
   - niet langer voldoet aan de voorwaarden vereist overeenkomstig de Uitvoeringsverordening (EU) 2018/763 van de Commissie van 9 april 2018 tot vaststelling van praktische regelingen voor de afgifte van unieke veiligheidscertificaten aan spoorwegondernemingen overeenkomstig richtlijn (EU) 2016/798 van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 653/2007 van de Commissie; of
   - er, binnen het jaar dat volgt op de aflevering, niet het voorziene gebruik van maakt.
   De intrekking van een uniek veiligheidscertificaat kan geheel zijn of beperkt tot één of meerdere typen activiteiten of tot één of meerdere van de bediende lijnen.
   § 4. De veiligheidsinstantie brengt de betrokken infrastructuurbeheerder op de hoogte van elke beslissing tot onmiddellijke opschorting of beperking genomen overeenkomstig artikel 74/1, § 7, of tot gehele of gedeeltelijke intrekking van het uniek veiligheidscertificaat genomen overeenkomstig het eerste lid en artikel 74/1, § 6, derde lid.]1

  
Art. 100. [1 § 1er. Lorsque le domaine d'exploitation d'une entreprise ferroviaire est limité au territoire belge, elle peut introduire une demande de certificat de sécurité unique auprès de l'autorité de sécurité qui après avoir appliqué la procédure visée à l'alinéa 3, décide ou non de lui délivrer un certificat de sécurité unique.
   L'autorité de sécurité est responsable de chaque certificat de sécurité unique qu'elle délivre.
   Pour la délivrance, le renouvellement et la modification des certificats de sécurité uniques en application du présent paragraphe, l'autorité de sécurité applique les modalités pratiques de la procédure de certification conformément au Règlement d'exécution (UE) 2018/763 de la Commission du 9 avril 2018 établissant les modalités pratiques de la délivrance des certificats de sécurité uniques aux entreprises ferroviaires en application de la directive (UE) 2016/798 du Parlement européen et du Conseil, et abrogeant le Règlement (CE) n° 653/2007 de la Commission.
   Le Roi fixe par un arrêté délibéré en Conseil des ministres les modalités de prorogation, de suspension et de retrait du certificat de sécurité unique.
   § 2. Dans le cadre de la délivrance des certificats de sécurité uniques en application du paragraphe 1er ou des examens visés à l'article 10, § 5, b) de la directive 2016/798/UE, l'autorité de sécurité peut effectuer des visites et des inspections sur les sites de l'entreprise ferroviaire ainsi que des audits, et elle peut demander des informations complémentaires utiles.
   Lorsqu'elle agit dans le cadre des examens visés à l'article 10, § 5, b) de la directive 2016/798/UE, elle se coordonne avec l'Agence concernant l'organisation de ces visites, audits et inspections.
   § 3. Sans préjudice de l'article 74/1, § 6, l'autorité de sécurité retire le certificat de sécurité unique délivré conformément au paragraphe 1er, lorsque son titulaire;
   - ne remplit plus les conditions requises conformément au Règlement d'exécution (UE) 2018/763 de la Commission du 9 avril 2018 établissant les modalités pratiques de la délivrance des certificats de sécurité uniques aux entreprises ferroviaires en application de la directive (UE) 2016/798 du Parlement européen et du Conseil, et abrogeant le Règlement (CE) n° 653/2007 de la Commission; ou
   - n'en a pas fait l'usage prévu pendant l'année qui suit sa délivrance.
   Le retrait d'un certificat de sécurité unique peut être total ou être limité à un ou plusieurs types d'activités ou à une ou plusieurs des lignes desservies.
   § 4. L'autorité de sécurité informe le gestionnaire de l'infrastructure concerné de toute décision de suspension ou de restriction immédiates prise conformément à l'article 74/1, § 7, ou de retrait total ou partiel de certificat de sécurité unique prise conformément à l'alinéa 1er et à l'article 74/1, § 6, alinéa 3.]1

  
Art. 103. [1 § 1. Zonder dat het exploitatiegebied wordt uitgebreid, kan het uniek veiligheidscertificaat, afgegeven door de veiligheidsinstantie overeenkomstig artikel 100, ook gelden voor spoorwegondernemingen die reizen naar de stations van aangrenzende lidstaten met soortgelijke netwerkkenmerken en soortgelijke exploitatievoorschriften, wanneer deze stations dicht bij de grens liggen en na raadpleging van de veiligheidsinstanties van die lidstaten overeenkomstig de Uitvoeringsverordening (EU) 2018/763 van de Commissie van 9 april 2018 tot vaststelling van praktische regelingen voor de afgifte van unieke veiligheidscertificaten aan spoorwegondernemingen overeenkomstig richtlijn (EU) 2016/798 van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 653/2007 van de Commissie.
   Deze raadpleging kan geschieden in het kader van een grensoverschrijdend akkoord tussen lidstaten of veiligheidsinstanties.
   De Koning kan de uitvoeringsregels vaststellen die betrekking hebben op aanvragen van een uniek veiligheidscertificaat bedoeld in het eerste lid.
   § 2. Zonder dat het exploitatiegebied wordt uitgebreid, kan het uniek veiligheidscertificaat, afgegeven door de veiligheidsinstantie van een naburige lidstaat ook gelden voor spoorwegondernemingen die reizen naar de stations gelegen op Belgisch grondgebied met soortgelijke netwerkkenmerken en soortgelijke exploitatievoorschriften, wanneer deze stations dicht bij de grens liggen en na raadpleging van de veiligheidsinstantie, overeenkomstig de Uitvoeringsverordening (EU) 2018/763 van de Commissie van 9 april 2018 tot vaststelling van praktische regelingen voor de afgifte van unieke veiligheidscertificaten aan spoorwegondernemingen overeenkomstig richtlijn (EU) 2016/798 van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 653/2007 van de Commissie.
   Deze raadpleging kan geschieden in het kader van een grensoverschrijdend akkoord tussen lidstaten of veiligheidsinstanties.]1

  
Art. 103. [1 § 1er. Le certificat de sécurité unique délivré par l'autorité de sécurité conformément à l'article 100, peut également être valide sans extension du domaine d'exploitation pour les entreprises ferroviaires desservant des gares des Etats membres voisins dont les caractéristiques de réseau et les règles d'exploitation sont similaires, lorsque ces gares sont à proximité de la frontière, après consultation des autorités de sécurité de ces Etats membres conformément au Règlement d'exécution (UE) 2018/763 de la Commission du 9 avril 2018 établissant les modalités pratiques de la délivrance des certificats de sécurité uniques aux entreprises ferroviaires en application de la directive (UE) 2016/798 du Parlement européen et du Conseil, et abrogeant le Règlement (CE) n° 653/2007 de la Commission.
   Cette consultation peut se faire dans le cadre d'un accord transfrontalier conclu entre les Etats membres ou les autorités de sécurité.
   Le Roi peut adopter les modalités d'exécution en ce qui concerne les demandes de certificat de sécurité unique visé à l'alinéa 1er.
   § 2. Conformément au Règlement d'exécution (UE) 2018/763 de la Commission du 9 avril 2018 établissant les modalités pratiques de la délivrance des certificats de sécurité uniques aux entreprises ferroviaires en application de la directive (UE) 2016/798 du Parlement européen et du Conseil, et abrogeant le Règlement (CE) n° 653/2007 de la Commission, le certificat de sécurité unique délivré par une autorité de sécurité d'un Etat membre voisin peut également être valable sans extension du domaine d'exploitation pour les entreprises ferroviaires desservant des gares situées sur le territoire belge dont les caractéristiques de réseau et les règles d'exploitation sont similaires, lorsque ces gares sont à proximité de la frontière, après consultation de l'autorité de sécurité.
   Cette consultation peut se faire dans le cadre d'un accord transfrontalier conclu entre les Etats membres ou les autorités de sécurité.]1

  
Art. 104. [1 § 1 De aanvrager kan binnen een maand na ontvangst van de negatieve beslissing van de veiligheidsinstantie waarbij de afgifte van een uniek veiligheidscertificaat geweigerd wordt aan de veiligheidsinstantie vragen om deze beslissing te herzien.
   De veiligheidsinstantie heeft vanaf de ontvangst van het verzoek om herziening twee maanden de tijd om haar beslissing te bevestigen of te herroepen.
   § 2. Als de negatieve beslissing van de veiligheidsinstantie wordt bevestigd, mag de aanvrager de zaak aanhangig maken bij het Marktenhof.]1

  
Art. 104. [1 § 1er. Dans le mois qui suit la réception d'une décision négative de l'autorité de sécurité refusant la délivrance d'un certificat de sécurité unique, le demandeur peut lui demander de revoir cette décision.
   L'autorité de sécurité confirme ou infirme sa décision dans un délai de deux mois à compter de la réception de la demande de révision.
   § 2. Si la décision négative de l'autorité de sécurité est confirmée, le demandeur peut saisir la Cour des marchés.]1

  
Art.104/1. [1 Het uniek veiligheidscertificaat vermeldt het soort en de omvang van het vervoer per spoor en het exploitatiegebied waarop het betrekking heeft.
   Het uniek veiligheidscertificaat mag ook betrekking hebben op zijsporen waarvan de spoorwegonderneming eigenaar is, mits die tot haar veiligheidsbeheersysteem behoren.]1

  
Art.104/1. [1 Le certificat de sécurité unique précise le type et la portée des activités ferroviaires couvertes par le domaine d'exploitation.
   Il peut également couvrir les voies de service qui sont la propriété de l'entreprise ferroviaire si elles sont incluses dans son système de gestion de la sécurité.]1

  
Art.104/2. [1 § 1. Het uniek veiligheidscertificaat afgegeven door de veiligheidsinstantie, wordt op verzoek van de spoorwegonderneming en ten minste om de vijf jaar vernieuwd.
   Het wordt geheel of gedeeltelijk bijgewerkt wanneer het soort vervoer of de omvang van het vervoer ingrijpend verandert.
   § 2. De veiligheidsinstantie kan verlangen dat de door haar afgegeven unieke veiligheidscertificaten worden herzien wanneer de pertinente bepalingen van het regelgevend kader inzake veiligheid ingrijpend zijn veranderd.
   § 3. De veiligheidsinstantie informeert het Bureau onverwijld en in elk geval binnen een termijn van twee weken over de unieke veiligheidscertificaten die zij afgeeft.
   De veiligheidsinstantie informeert onverwijld het Bureau over de vernieuwing, de wijziging of de intrekking van een uniek veiligheidscertificaat.
   Zij vermeldt de naam en het adres van de spoorwegonderneming, de afgiftedatum, het soort vervoer, de omvang van het vervoer, de geldigheidsduur en het exploitatiegebied van het uniek veiligheidscertificaat.]1

  
Art.104/2. [1 § 1er. Un certificat de sécurité unique délivré par l'autorité de sécurité en application de la présente section est renouvelable à la demande de l'entreprise ferroviaire à des intervalles ne dépassant pas cinq ans.
   Il est mis à jour en tout ou en partie à chaque modification substantielle du type ou de la portée des activités.
   § 2. L'autorité de sécurité peut exiger la révision des certificats de sécurité uniques qu'elle a délivrés en cas de modification substantielle de dispositions pertinentes du cadre réglementaire en matière de sécurité.
   § 3. L'autorité de sécurité informe l'Agence sans retard, et en tout état de cause dans un délai de deux semaines, des certificats de sécurité uniques qu'elle délivre.
   L'autorité de sécurité informe immédiatement l'Agence du renouvellement, de la modification ou du retrait d'un certificat de sécurité unique.
   Elle indique le nom et l'adresse de l'entreprise ferroviaire, la date de délivrance, le type, la portée, la validité et le domaine d'exploitation du certificat de sécurité unique.]1

  
HOOFDSTUK 5. - Onderhoud van voertuigen
CHAPITRE 5. - Entretien des véhicules
Art. 105. [1 De houder wijst aan elk voertuig, voordat het op het net wordt gebruikt, een met het onderhoud belaste entiteit toe.
   Die entiteit wordt in het NVR ingeschreven tot en met 16 juni 2024.
   Onder meer een spoorwegonderneming, een infrastructuurbeheerder of een houder kunnen een met het onderhoud belaste entiteit zijn.]1

  
Art. 105. [1 Le détenteur assigne à chaque véhicule, avant qu'il soit utilisé sur le réseau, une entité chargée de l'entretien.
   Cette entité est inscrite dans le RNV jusqu'au 16 juin 2024.
   L'entité chargée de l'entretien peut être, entre autres, une entreprise ferroviaire, un gestionnaire de l'infrastructure ou un détenteur.]1

  
Art. 106. [1 Onverminderd]1 de verantwoordelijkheid van de spoorwegondernemingen en [2 de infrastructuurbeheerder]2 voor de veilige werking van een trein, zoals bedoeld in [1 artikel 67/1, paragraaf 3]1, zorgt de met het onderhoud belaste entiteit er door middel van een onderhoudssysteem voor dat de voertuigen waarvan zij met het onderhoud belast is, in een veilige staat van werking zijn.
  [1 Met dat doel zet de met het onderhoud belaste entiteit voor die voertuigen een onderhoudssysteem op en doet zij het volgende door middel van dat systeem:
   1° zij ziet erop toe dat de voertuigen worden onderhouden in overeenstemming met het onderhoudsdossier van ieder voertuig en de geldende voorschriften, met inbegrip van onderhoudsvoorschriften en de desbetreffende TSI-bepalingen;
   2° zij geeft, voor zover nodig in samenwerking met andere actoren, uitvoering aan de nodige in de GVM's opgenomen risicobeheersings- en beoordelingsmethoden;
   3° zij ziet erop toe dat hun contractanten risicobeheersingsmaatregelen treffen door toepassing van de GVM's, en dat dit wordt vastgelegd in contractuele regelingen die op verzoek van het Bureau of van de veiligheidsinstantie worden meegedeeld; en
   4° waarborgt de traceerbaarheid van de onderhoudsactiviteiten.]1

  [1 ...]1
  
Art. 106. [1 Sans préjudice]1 de la responsabilité des entreprises ferroviaires et du [2 gestionnaire de l'infrastructure]2 pour l'exploitation d'un train en toute sécurité prévue à l'[1 article 67/1, paragraphe 3]1, l'entité chargée de l'entretien veille, au moyen d'un système d'entretien, à ce que les véhicules dont elle assure l'entretien soient dans un état de marche assurant la sécurité.
  [1 A cette fin, l'entité chargée de l'entretien met en place un système d'entretien pour ces véhicules et, au moyen de ce système:
   1° veille à ce que les véhicules soient entretenus conformément au carnet d'entretien de chaque véhicule et aux exigences en vigueur, y compris les règles en matière d'entretien et les dispositions pertinentes relatives aux STI;
   2° met en oeuvre les méthodes d'évaluation des risques nécessaires établies dans le cadre des MSC, le cas échéant en coopération avec d'autres acteurs;
   3° s'assure que ses contractants mettent en oeuvre des mesures de maîtrise des risques par l'application des MSC, et que cela soit précisé dans les dispositions contractuelles qui doivent être communiquées sur demande de l'Agence ou de l'autorité de sécurité; et
   4° assure la traçabilité des activités d'entretien.]1

  [1 ...]1
  
Art.106/1. [1 § 1. Het onderhoudssysteem omvat de volgende functies:
   1° een functie beheer om toezicht te houden op de onderhoudsfuncties bedoeld in de punten 2° tot 4° en deze te coördineren om alsook om de veilige staat van het voertuig binnen het spoorwegsysteem te garanderen;
   2° een functie ontwikkeling van onderhoud die zorgt voor het beheer van de onderhoudsdocumenten, met inbegrip van het configuratiebeheer, op basis van operationele en ontwerpgegevens en van de prestaties en lering uit de praktijk;
   3° een functie onderhoudsbeheer van de vloot om ervoor te zorgen dat voertuigen voor onderhoud uit exploitatie worden genomen en na onderhoud opnieuw in exploitatie terugkeren;
   4° een functie onderhoudsuitvoering om ervoor te zorgen dat het technisch onderhoud van een voertuig of delen daarvan wordt uitgevoerd, met inbegrip van de documentatie inzake vrijgave voor exploitatie.
   § 2. De met het onderhoud belaste entiteit vervult zelf de beheersfunctie maar kan de onderhoudsfuncties, bedoeld in paragraaf 1, punten 2° tot 4°, of delen daarvan uitbesteden aan andere contractanten zoals onderhoudsbedrijven.
   § 3. De met het onderhoud belaste entiteit ziet erop toe dat de functies, bedoeld in paragraaf 1, punten 1° tot 4°, beantwoorden aan de eisen en beoordelingscriteria van de bijlage 27.
   § 4. Onderhoudsbedrijven passen de relevante delen van bijlage 27 toe, zoals bepaald in de uitvoeringshandelingen aangenomen door de Europese Commissie, die overeenstemmen met de functies en activiteiten die moeten worden gecertificeerd.]1

  
Art.106/1. [1 § 1er. Le système d'entretien recouvre les fonctions suivantes:
   1° une fonction de gestion consistant à superviser et à coordonner les fonctions d'entretien visées aux points 2° à 4° et à garantir que le véhicule est dans un état assurant la sécurité dans le système ferroviaire;
   2° une fonction de développement de l'entretien consistant à gérer la documentation d'entretien, y compris la gestion de la configuration, à partir des données de conception et d'exploitation ainsi que des performances et des retours d'expérience;
   3° une fonction de gestion de l'entretien de la flotte consistant à gérer le retrait du véhicule pour entretien et sa remise en exploitation après entretien;
   4° une fonction d'exécution de l'entretien consistant à assurer l'entretien technique requis d'un véhicule ou de pièces de celui-ci, y compris la délivrance des documents de remise en service.
   § 2. L'entité chargée de l'entretien remplit elle-même la fonction de gestion, mais elle peut externaliser les fonctions d'entretien visées au paragraphe 1er, points 2° à 4°, ou une partie de ces fonctions, à d'autres parties contractantes telles que les ateliers d'entretien.
   § 3. L'entité chargée de l'entretien veille à ce que toutes les fonctions énoncées au paragraphe 1er, points 1° à 4°, satisfassent aux exigences et aux critères d'évaluation énoncés à l'annexe 27.
   § 4. Les ateliers d'entretien appliquent les sections pertinentes de l'annexe 27 recensées dans les actes d'exécution adoptés par la Commission européenne, qui correspondent aux fonctions et aux activités devant être certifiées.]1

  
Art. 107. [1 Elke met het onderhoud belaste entiteit (ECM) moet gecertificeerd zijn en krijgt een ECM-certificaat van een accreditatie-instantie overeenkomstig de procedure voorzien in de Verordening (EG) nr. 765/2008 overeenkomstig de hieronder opgesomde voorwaarden:
   1° de accreditatie- en de erkenningsprocedure van het certificeringsproces zijn gebaseerd op criteria inzake onafhankelijkheid, competentie en onpartijdigheid;
   2° het certificeringsysteem staaft dat een met het onderhoud belaste entiteit het onderhoudssysteem heeft opgezet dat de veilige staat van een voertuig waarvan zij het onderhoud heeft, garandeert;
   3° ECM-certificering op basis van een beoordeling van het vermogen van de met het onderhoud belaste entiteit om te voldoen aan de desbetreffende eisen en beoordelingscriteria van bijlage 27 en deze consequent toe te passen. Daarbij wordt voorzien in een toezichtsysteem om te waarborgen dat deze eisen en beoordelingscriteria ook na de toekenning van het ECM-certificaat te allen tijde worden nageleefd;
   4° de certificering van onderhoudsbedrijven is gebaseerd op de naleving van de relevante delen van de bijlage 27 toegepast op de overeenkomstige functies en activiteiten die moeten worden gecertificeerd.
   In afwijking van het eerste lid, wanneer de met het onderhoud belaste entiteit een spoorwegonderneming of een infrastructuurbeheerder is, kan de naleving van de in de eerste alinea vastgestelde voorwaarden door de veiligheidsinstantie worden gecontroleerd volgens de procedures bedoeld in de artikelen 95 tot 98/1 met betrekking tot de veiligheidsvergunning en de artikelen 99 tot 104/2 met betrekking tot het uniek veiligheidscertificaat, en kan de naleving van deze voorschriften worden bevestigd op de volgens die procedures afgegeven certificaten.]1

  
Art. 107. [1 Chaque entité chargée de l'entretien doit être certifiée et se voir accorder un certificat d'entretien (certificat ECE) par un organisme accrédité conformément à la procédure prévue dans le Règlement (CE) n° 765/2008 conformément aux conditions énoncées ci-après:
   1° les processus d'accréditation et de reconnaissance dans le cadre de la procédure de certification se fondent sur des critères d'indépendance, de compétence et d'impartialité;
   2° le système de certification fournit les preuves qu'une entité chargée de l'entretien a mis en place le système d'entretien lui permettant de veiller à ce que tout véhicule dont elle assure l'entretien soit dans un état de marche assurant la sécurité;
   3° la certification ECE se fonde sur une évaluation de la capacité de l'entité chargée de l'entretien à satisfaire aux exigences et critères d'évaluation pertinents énoncés à l'annexe 27 et à les appliquer de façon cohérente. Elle comprend un système de surveillance visant à garantir que ces exigences et critères d'évaluation continuent à être respectés après l'octroi du certificat ECE;
   4° la certification des ateliers d'entretien est fondée sur le respect des sections pertinentes de l'annexe 27 appliquées aux fonctions et activités correspondantes devant être certifiées.
   Par dérogation à l'alinéa 1er, lorsque l'entité chargée de l'entretien est une entreprise ferroviaire ou un gestionnaire de l'infrastructure, le respect des conditions énoncées à l'alinéa 1er, peut être contrôlé par l'autorité de sécurité conformément aux procédures visées aux articles 95 à 98/1 relatifs à l'agrément de sécurité et aux articles 99 à 104/2 relatifs au certificat de sécurité unique et peut être confirmé sur les certificats délivrés conformément à ces procédures.]1

  
Art. 108. [1 De overeenkomstig artikel 107 afgegeven certificaten zijn in de hele Unie geldig.]1
  
Art. 108. [1 Les certificats délivrés conformément à l'article 107 sont valables dans toute l'Union.]1
  
Art. 109. [1 De Koning kan in de volgende gevallen bepalen dat de verplichting om de met het onderhoud belaste entiteit aan te wijzen gebeurt aan de hand van andere maatregelen dan met het onderhoudssysteem bepaald in de artikelen 105 tot 108:
   1° voertuigen die in een derde land geregistreerd zijn en die worden onderhouden overeenkomstig de recht van dat land;
   2° voertuigen die gebruikt worden op netwerken of spoorweglijnen waarvan de spoorbreedte verschilt van die van het hoofdspoorwegnetwerk binnen de Unie en waarvoor aan de in artikel 106, genoemde voorschriften wordt voldaan door middel van internationale overeenkomsten met derde landen;
   3° voertuigen gebruikt in het kader van bijzonder transport of militair materieel waarvoor de veiligheidsinstantie vóór de ingebruikname een ad-hoc vergunning moet verlenen. In dit geval worden voor perioden van maximaal vijf jaar afwijkingen toegestaan;
   4° goederenwagons en reizigersrijtuigen waarvan het gebruik wordt gedeeld met derde landen met een andere spoorbreedte dan die van het hoofdspoorwegnetwerk binnen de Unie.
   Deze andere maatregelen worden toegepast door middel van door de veiligheidsinstantie of door het Bureau te verlenen afwijkingen:
   1° bij de registratie van voertuigen krachtens artikel 210 voor wat de aanwijzing van de met het onderhoud belaste entiteit betreft;
   2° bij de afgifte van unieke veiligheidscertificaten en veiligheidsvergunningen aan spoorwegondernemingen en infrastructuurbeheerders krachtens artikel 95 tot 104/2 voor wat de aanwijzing of certificering van de met het onderhoud belaste entiteit betreft.
   De afwijkingen bedoeld in het tweede lid worden kenbaar gemaakt en gerechtvaardigd in het in jaarlijkse veiligheidsverslag bedoeld in artikel 78. Indien blijkt dat er op het spoorwegsysteem in de Unie ongepaste veiligheidsrisico's worden genomen, brengt het Bureau de Europese Commissie hiervan onmiddellijk op de hoogte. De Europese Commissie neemt dan contact op met de betrokken partijen en verzoekt de betrokken lidstaat eventueel om zijn beslissing tot afwijking te herroepen.]1

  
Art. 109. [1 Le Roi peut arrêter que l'obligation d'identification de l'entité chargée de l'entretien sera réalisée par des mesures autres que le système d'entretien établi à l'article 105 à 108, dans les cas suivants:
   1° véhicules immatriculés dans un pays tiers et entretenus conformément à la législation de ce pays;
   2° véhicules utilisés sur des réseaux ou des lignes ferroviaires dont l'écartement des voies est différent de celui du réseau ferroviaire principal dans l'Union et pour lesquels la conformité aux exigences visées à l'article 106, est assurée par des accords internationaux conclus avec des pays tiers;
   3° véhicules utilisés dans le cadre de transports spéciaux ou de matériel militaire nécessitant la délivrance d'un permis ad hoc par l'autorité de sécurité avant la mise en service. Dans ce cas, les dérogations sont accordées pour des périodes maximales de cinq ans;
   4° wagons de fret et voitures de voyageurs en utilisation partagée avec des pays tiers dont l'écartement des voies diffère de celui du réseau ferroviaire principal de l'Union.
   Ces autres mesures sont mises en oeuvre par le biais de dérogations accordées par l'autorité de sécurité ou par l'Agence:
   1° lors de l'immatriculation des véhicules conformément à l'article 210, en ce qui concerne l'identification de l'entité chargée de l'entretien;
   2° lors de la délivrance des agréments et des certificats de sécurité uniques aux entreprises ferroviaires et aux gestionnaires de l'infrastructure conformément aux articles 95 à 104/2, en ce qui concerne l'identification ou la certification de l'entité chargée de l'entretien.
   Les dérogations visées à l'alinéa 2 sont identifiées et justifiées dans le rapport annuel sur la sécurité visé à l'article 78. Lorsqu'il s'avère que des risques indus en matière de sécurité sont pris sur le système ferroviaire de l'Union, l'Agence en informe immédiatement la Commission européenne. La Commission européenne prend contact avec les parties concernées et, s'il y a lieu, demande à l'Etat membre concerné de retirer sa décision de dérogation.]1

  
HOOFDSTUK 6. - Onderzoeken naar spoorwegongevallen en -incidenten
CHAPITRE 6. - Enquêtes en cas d'accidents et d'incidents ferroviaires
Afdeling 1. - Aanwijzing van een onderzoeksorgaan
Section 1re. - Désignation d'un organisme d'enquête
Art. 110. [1 § 1. De Koning wijst, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het onderzoeksorgaan aan.
   Het onderzoeksorgaan bestaat uit ten minste één onderzoeker die bekwaam is om de functie van hoofdonderzoeker te vervullen bij een ongeval, een ernstig ongeval of een incident.
   Dit orgaan is, wat betreft zijn organisatie, juridische structuur en besluitvorming onafhankelijk van infrastructuurbeheerders, spoorwegondernemingen, heffingsinstanties, toewijzende instanties en conformiteitsbeoordelingsinstanties, en van elke andere partij waarvan de belangen in strijd kunnen zijn met de taken die aan het onderzoeksorgaan zijn toevertrouwd.
   Voorts is het functioneel onafhankelijk van de veiligheidsinstantie, van elk orgaan bevoegd voor de regulering van het spoorwegvervoer, van het Bureau of van elke andere instantie waarvan de belangen in strijd zouden kunnen zijn met de onderzoeksopdracht.
   § 2. Het onderzoeksorgaan verricht zijn taken onafhankelijk van de entiteiten bedoeld in paragraaf 1. De onderzoekers wordt een status toegekend die hun onafhankelijkheid voldoende waarborgt.
   De leden van het onderzoeksorgaan zijn onderworpen aan het beroepsgeheim wat betreft de verkregen informatie bij de uitoefening van hun opdrachten bedoeld in afdeling 2; elke schending van het beroepsgeheim wordt bestraft met de straffen bepaald in artikel 458 van het Strafwetboek.
   De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de samenstelling van het onderzoeksorgaan en de uitvoeringsregels van de aan het onderzoeksorgaan toevertrouwde opdrachten.]1

  
Art. 110. [1 § 1er. Le Roi désigne par un arrêté délibéré en Conseil des ministres l'organisme d'enquête.
   L'organisme d'enquête comprend au moins un enquêteur capable de remplir la fonction d'enquêteur principal en cas d'accident, d'accident grave ou d'incident.
   Dans son organisation, sa structure juridique et ses décisions, cet organisme est indépendant de tout gestionnaire de l'infrastructure, entreprise ferroviaire, organisme de tarification, organisme de répartition et organisme d'évaluation de la conformité et de toute partie dont les intérêts pourraient être en conflit avec les tâches confiées à l'organisme d'enquête.
   Il est en outre fonctionnellement indépendant de l'autorité de sécurité, de tout organisme de régulation des chemins de fer, de l'Agence ou de toute autre instance dont les intérêts pourraient entrer en conflit avec la mission d'enquête.
   § 2. L'organisme d'enquête accomplit ses tâches de manière indépendante vis-à-vis des autres entités visées au paragraphe 1er. Ses enquêteurs ont un statut leur procurant les garanties d'indépendance requises.
   Les membres de l'organisme d'enquête sont soumis au secret professionnel quant aux informations obtenues dans l'exercice de leurs missions visées à la section 2; toute violation du secret professionnel est punie des peines prévues à l'article 458 du Code pénal.
   Le Roi détermine par un arrêté délibéré en Conseil des ministres la composition de l'organisme d'enquête et les modalités d'exécution des missions qui lui sont confiées.]1

  
Afdeling 2. - Taken
Section 2. - Tâches
Art. 111. § 1. Het onderzoeksorgaan :
  1° stelt een onderzoek in na elk ernstig ongeval dat zich op het spoorwegsysteem heeft voorgedaan. [2 Dit onderzoek beoogt veiligheid op het spoor, zo mogelijk, te verbeteren en ongevallen te voorkomen]2;
  2° naast het onderzoeken van ernstige ongevallen kan het onderzoeksorgaan ook onderzoeken voeren naar ongevallen en incidenten die, onder licht verschillende omstandigheden, hadden kunnen leiden tot ernstige ongevallen, met inbegrip van technische gebreken in de subsystemen van structurele aard of in de interoperabiliteitsonderdelen van [2 het spoorwegsysteem van de Unie]2. In voorkomend geval houdt zij rekening met de criteria bepaald door de Koning;
  3° [1 kan onderzoeken voeren naar andere dan in de punten 1° en 2° bedoelde exploitatieongevallen en -incidenten en naar ongevallen en incidenten met een weerslag op de exploitatie volgens de door de Koning bepaalde criteria en regels;]1
  4° richt een gegevensbank op met betrekking tot alle exploitatieongevallen en -incidenten, waartoe de veiligheidsinstantie toegang heeft, en werkt deze bij. [2 Deze gegevensbank bevat het geheel van elementen voorzien door de Koning overeenkomstig artikel 68, § 2, 2°]2;
  5° legt bestuurlijke boetes op.
  § 2. De Koning bepaalt het model van de legitimatiekaart die vertoond wordt bij de uitoefening van de taken bedoeld in § 1.
  
Art. 111. § 1er. L'organisme d'enquête :
  1° effectue une enquête après chaque accident grave survenu sur le système ferroviaire. [2 Cette enquête vise à améliorer, dans la mesure du possible, la sécurité ferroviaire et la prévention des accidents]2;
  2° en plus des accidents graves, peut effectuer des enquêtes sur les accidents et incidents qui, dans des circonstances légèrement différentes,auraient pu conduire à des accidents graves, y compris les défaillances techniques au niveau des sous-systèmes structurels ou des constituants d'interopérabilité du [2 système ferroviaire de l'Union]2 Le cas échéant, il tient compte des critères déterminés par le Roi;
  3° [1 peut analyser tout accident et incident d'exploitation non visé aux points 1° et 2° ainsi que tout accident et incident affectant l'exploitation selon les critères et modalités fixés par le Roi;]1
  4° établit et tient à jour une banque de données de tous les accidents et incidents d'exploitation à laquelle l'autorité de sécurité a accès. [2 Cette banque de données contient l'ensemble des éléments prévus par le Roi conformément à l'article 68, § 2, 2°]2;
  5° impose des amendes administratives.
  § 2. Le Roi détermine le modèle de la carte de légitimation qui est présentée lors de la réalisation des tâches visées au § 1er.
  
Art. 112. § 1. Het onderzoeksorgaan kan een bestuurlijke boete opleggen aan een spoorwegonderneming en aan [4 de infrastructuurbeheerder]4 in geval van een inbreuk als bedoeld [3 in artikel 216/3, paragraaf 1, 14° en in artikel 216/4]3.
  § 2. Indien het onderzoeksorgaan gebruik wil maken van de in § 1 bedoelde bevoegdheid, stelt de hoofdonderzoeker een rapport op.
  Het rapport is gedagtekend en vermeldt minstens :
  1° de naam van de vermoedelijke overtreder;
  2° de inbreuk.
  Een afschrift van het rapport wordt uiterlijk bij de kennisgeving van het voornemen tot het opleggen van een bestuurlijke boete aan de vermoedelijke overtreder toegezonden.
  § 3. De hoofdonderzoeker brengt de vermoedelijke overtreder binnen vijf dagen na de dagtekening van het rapport op de hoogte van het voornemen om een bestuurlijke boete op te leggen.
  De hoofdonderzoeker kan deze termijn verlengen indien hij de vermoedelijke overtreder een termijn toestaat om een einde te maken aan de inbreuk.
  De kennisgeving geschiedt bij aangetekende zending of op de door de Koning bepaalde wijze en vermeldt op straffe van nietigheid het overwogen bedrag van de op te leggen bestuurlijke boete, alsook de naam van de vermoedelijke overtreder.
  Deze kennisgeving kan slechts handelen over feiten die niet langer dan één jaar voor de verzending van de aangetekende zending begaan zouden zijn.
  § 4. De vermoedelijke overtreder wordt uitgenodigd om binnen een termijn van vijftien dagen die volgt op de kennisgeving van dit bericht schriftelijk zijn verweer mee te delen. Indien de vermoedelijke overtreder geen zetel in België heeft, wordt deze termijn met vijf dagen verlengd.
  Tevens wordt de vermoedelijke overtreder erop gewezen dat hij :
  1° op verzoek de documenten waarop het voornemen tot het opleggen van een bestuurlijke boete berust, kan inzien en er kopieën van kan krijgen;
  2° mondeling zijn schriftelijk verweer kan toelichten. De vermoedelijke overtreder richt daartoe aan de hoofdonderzoeker een schriftelijke aanvraag binnen tien dagen na de ontvangst van de kennisgeving.
  De vermoedelijke overtreder kan zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat en kan getuigen oproepen.
  Indien de vermoedelijke overtreder van oordeel is dat hij te weinig tijd heeft om zich te verdedigen, richt hij een met redenen omkleed verzoek aan de hoofdonderzoeker die binnen vijf dagen hierover beslist. Indien de hoofdonderzoeker binnen dertig dagen hierover geen beslissing neemt, wordt het verzoek geacht ingewilligd te zijn. De in § 6 bedoelde termijn wordt geschorst voor de duur van de verlenging van de termijn bedoeld in dit lid.
  § 5. De hoofdonderzoeker stelt zich loyaal en onpartijdig op bij het verzamelen en meedelen van de bewijzen à charge en de bewijzen à décharge.
  § 6. Wanneer een bestuurlijke boete wordt opgelegd, is het bedrag van deze boete aangepast aan de ernst van de inbreuk en aan de mate waarin deze te wijten is aan de overtreder. Bovendien wordt rekening gehouden met de frequentie van de inbreuk en de omstandigheden waarin de vermoedelijke overtreder de inbreuk begaan heeft.
  Wanneer op het ogenblik van de beslissing waarbij een bestuurlijke boete wordt opgelegd, de feiten geen inbreuk meer zijn volgens de [3 artikelen 216/3 en 216/4]3, wordt de bestuurlijke boete niet opgelegd.
  De eerste twee leden van deze paragraaf zijn van toepassing in het geval van het beroep bedoeld in artikel 221/3.
  § 7. Het onderzoeksorgaan heeft tot twee jaar na het verzenden van de kennisgeving bedoeld in § 3, het recht om een bestuurlijke boete op te leggen.
  [2 § 8. Er kan geen bestuurlijke boete worden opgelegd indien :
   1° door de strafrechter voor dezelfde feiten al eerder een straf werd opgelegd;
   2° [3 de feiten eerder al hebben geleid tot]3 een vrijspraak, een eenvoudige schuldigverklaring, een opschorting van de uitspraak van de veroordeling of een minnelijke schikking bedoeld in artikel 216bis van het Wetboek van Strafvordering.
   § 9. Indien de overtreder strafrechtelijk vervolgd wordt voor feiten die onlosmakelijk samenhangen met het feit waarvoor het onderzoeksorgaan een bestuurlijke boete wil opleggen, worden de in dit artikel vermelde termijnen geschorst tot de strafrechter uitspraak heeft gedaan.]2

  
Art. 112. § 1er. L'organisme d'enquête peut imposer une amende administrative à une entreprise ferroviaire et au [4 gestionnaire de l'infrastructure]4 en cas d'infraction visée [3 aux articles 216/3, paragraphe 1er, 14° et 216/4]3.
  § 2. Lorsque l'organisme d'enquête souhaite faire usage de la compétence visée au § 1er, l'enquêteur principal rédige un rapport.
  Le rapport est daté et mentionne au moins :
  1° le nom du contrevenant présumé;
  2° l'infraction.
  Une copie du rapport est envoyée au contrevenant présumé au plus tard lors de la notification de l'intention d'infliger une amende administrative.
  § 3. L'enquêteur principal informe le contrevenant présumé dans les cinq jours de la date du rapport de l'intention d'infliger une amende administrative.
  L'enquêteur principal peut prolonger ce délai s'il accorde un délai au contrevenant présumé pour mettre fin à l'infraction.
  La notification se fait par envoi recommandé ou de la manière fixée par le Roi, et mentionne sous peine de nullité la somme envisagée de l'amende administrative et le nom du contrevenant présumé
  Cette notification ne peut porter que sur des faits qui auraient été commis moins d'un an avant l'envoi du pli recommandé.
  § 4. Le contrevenant présumé est invité à communiquer sa défense par écrit dans un délai de quinze jours suivant la notification de cet avis. Si le contrevenant présumé n'a pas de siège en Belgique, ce délai est prolongé de cinq jours.
  Le contrevenant présumé est également informé :
  1° qu'il peut, sur demande, consulter les documents qui sont à la base de l'intention d'infliger une amende administrative et en obtenir des copies;
  2° qu'il peut commenter oralement sa défense écrite. A cet effet, le contrevenant présumé introduit une demande écrite auprès de l'enquêteur principal dans les dix jours de la réception de la notification.
  Le contrevenant présumé peut se faire assister ou représenter par un avocat, et peut appeler des témoins.
  Si le contrevenant présumé estime qu'il ne dispose pas de suffisamment de temps pour sa défense, il peut adresser une demande motivée à l'enquêteur principal, qui statue en la matière dans les cinq jours. Si l'enquêteur principal ne statue pas en la matière dans les trente jours, la demande est réputée acceptée. Le délai visé au § 6 est suspendu pour la durée de la prolongation du délai visée au présent alinéa.
  § 5. L'enquêteur principal se montre loyal et impartial lors de la collecte et de la communication des preuves à charge et des preuves à décharge.
  § 6. Lorsqu'une amende administrative est infligée, le montant de cette amende est adapté à la gravité de l'infraction et à la mesure dans laquelle celle-ci peut être reprochée au contrevenant. En outre, il est tenu compte de la fréquence de l'infraction et des circonstances dans lesquelles le contrevenant présumé a commis l'infraction.
  Si au moment de la prise de la décision d'infliger une amende administrative, les faits ne constituent plus une infraction au sens des [3 articles 216/3 et 216/4]3, l'amende administrative ne sera pas infligée.
  Les deux premiers alinéas de ce paragraphe sont d'application dans le cas du recours visé à l'article 221/3.
  § 7. Le droit de l'organisme d'enquête d'infliger une amende administrative s'éteint deux ans après l'envoi de la notification de l'organisme d'enquête visée au § 3.
  [2 § 8. Une amende administrative ne peut être infligée :
   1° lorsque le juge pénal a déjà infligé une peine pour les mêmes faits;
   2° lorsque les faits ont déjà donné lieu à un acquittement, à une simple déclaration de culpabilité, à une suspension du prononcé de la condamnation ou à une transaction visée à l'article 216bis du Code d'instruction criminelle.
   § 9. Si le contrevenant est poursuivi pénalement pour des faits qui sont indissociablement liés au fait pour lequel l'organisme d'enquête entend infliger une amende administrative, les délais mentionnés dans le présent article sont suspendus jusqu'au moment où le juge pénal a statué.]2

  
Afdeling 2/1. [1 - Vergoeding voor prestaties]1
Section 2/1. [1 - Rémunération des prestations]1
Art. 112/1. [1 § 1. De houder van een veiligheidsvergunning en de houders van een uniek veiligheidscertificaat die gebruik maken van het netwerk zijn met het oog op de dekking van de kosten van het onderzoeksorgaan voor het onderzoek van ongevallen en van het algemeen veiligheidsniveau, een jaarlijkse retributie verschuldigd.
   § 2. De Koning bepaalt het bedrag bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
   Per kwartaal is één vierde van het jaarbedrag verschuldigd.
   § 3. De retributie wordt omgeslagen over de houder van een veiligheidsvergunning en de houders van een uniek veiligheidscertificaat.
   Het aandeel van de houder van een veiligheidsvergunning is dertig procent van het totale bedrag.
   Het aandeel van de houders van een uniek veiligheidscertificaat is zeventig procent van het totale bedrag.
   Het aandeel van de houders van een uniek veiligheidscertificaat bedoeld in paragraaf 1 wordt verdeeld over de houders in verhouding tot het aantal trein-kilometers dat zij gepresteerd hebben tijdens het kwartaal dat afgesloten werd drie maanden voor het kwartaal waarop de retributie betrekking heeft. Onmiddellijk na afsluiting van elk kwartaal worden de trein-kilometers, gepresteerd door elke houder van een uniek veiligheidscertificaat bedoeld in paragraaf 1, door de houder van de veiligheidsvergunning aan het onderzoeksorgaan meegedeeld dat deze informatie daarna doorstuurt naar de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer.
   § 4. De houder van de veiligheidsvergunning en de houders van een uniek veiligheidscertificaat afgegeven overeenkomstig paragraaf 1 betalen de retributie aan het onderzoeksorgaan bij het begin van het kwartaal, ten laatste dertig dagen volgend op de datum van de factuur en volgens de instructies die in die factuur zijn opgenomen.
   § 5. In geval van niet-betaling geeft het onderzoeksorgaan hiervan kennis aan de veiligheidsinstantie, die de geldigheid van de veiligheidsvergunning of het uniek veiligheidscertificaat kan opschorten.]1

  
Art. 112/1. [1 § 1er. Le détenteur d'un agrément de sécurité et les détenteurs d'un certificat de sécurité unique, qui utilisent le réseau s'acquittent d'une redevance annuelle au titre de participation au recouvrement des coûts de l'organisme d'enquête pour les enquêtes d'accident et pour le niveau général de sécurité.
   § 2. Le Roi fixe le montant par arrêté délibéré en Conseil des ministres.
   Par trimestre, un quart du montant annuel est dû.
   § 3. La redevance est répartie entre le détenteur d'un agrément de sécurité et les détenteurs d'un certificat de sécurité unique.
   La part du détenteur d'un agrément de sécurité s'élève à trente pourcent du montant total.
   La part des détenteurs d'un certificat de sécurité unique, s'élève à septante pourcent du montant total.
   La part des détenteurs d'un certificat de sécurité unique visé au paragraphe 1er est répartie entre les détenteurs en proportion du nombre de trains-kilomètres qu'ils ont prestés au courant du trimestre clôturé trois mois avant le trimestre concerné par la redevance. Les trains-kilomètres, prestés par chaque détenteur d'un certificat de sécurité unique visé au paragraphe 1er, sont communiqués par le détenteur de l'agrément de sécurité à l'organisme d'enquête, qui transmet ensuite cette information au Service public fédéral Mobilité et Transports immédiatement après la clôture de chaque trimestre.
   § 4. Le détenteur de l'agrément de sécurité et les détenteurs d'un certificat de sécurité unique visé au paragraphe 1er, paient la redevance à l'organisme d'enquête au début du trimestre, au plus tard trente jours après la date de la facture et en suivant les instructions figurant dans cette facture.
   § 5. En cas de non-paiement, l'organisme d'enquête informe l'autorité de sécurité, qui peut suspendre la validité de l'agrément de sécurité ou du certificat de sécurité unique.]1

  
Afdeling 3. - Bevoegdheden
Section 3. - Pouvoirs
Art. 113. [1 § 1. Zonder afbreuk te doen aan de bevoegdheden van de politiediensten en de gerechtelijke overheden en, in voorkomend geval, in samenwerking met de gerechtelijke instanties, krijgt het onderzoeksorgaan zo snel mogelijk toegang tot informatie en bewijsmateriaal dat relevant is voor het onderzoek, meer in het bijzonder krijgt zij:
   1° rechtstreekse toegang tot de locatie waar het ongeval of incident heeft plaatsgevonden, tot het betrokken rollend materieel, tot de betreffende infrastructuur en verkeersregelings- en seingevingsinstallaties;
   2° het recht om onmiddellijk bewijsmateriaal te laten inventariseren en wrakstukken, infrastructuurinstallaties of -onderdelen onder toezicht te laten verwijderen, met het oog op onderzoek of analyse;
   3° onbeperkte toegang tot boordrecorders en apparatuur voor het opnemen van verbale boodschappen, en tot de registratie van de werking van het seingevings- en verkeersregelingssysteem waarvan zij de inhoud mogen gebruiken;
   4° toegang tot de resultaten van het onderzoek van de lichamen van de slachtoffers;
   5° toegang tot de resultaten van de onderzoeken onder het treinpersoneel en ander spoorwegpersoneel dat bij het ongeval of incident betrokken is;
   6° de mogelijkheid het spoorwegpersoneel dat bij het ongeval of incident betrokken is en andere getuigen te ondervragen en het recht om een kopie te verkrijgen van de verklaringen die deze personen bij andere instanties hebben afgelegd;
   7° toegang tot alle terzake dienende informatie of documenten die in het bezit zijn van de infrastructuurbeheerder, de betrokken spoorwegondernemingen, de met het onderhoud belaste entiteiten en de veiligheidsinstantie.
   Het Bureau werkt met het onderzoeksorgaan samen wanneer het onderzoek voertuigen betreft die van het Bureau een vergunning hebben gekregen of spoorwegondernemingen die door het Bureau zijn gecertificeerd. Het verstrekt zo snel mogelijk alle gevraagde informatie of gegevens aan het onderzoeksorgaan en geeft op verzoek toelichting.
   § 2. Het onderzoeksorgaan, als verantwoordelijke voor de verwerking van persoonsgegevens waar zij toegang tot heeft overeenkomstig paragraaf 1, waakt erover de gegevens die zij verwerkt in het kader van de uitvoering van haar taken bedoeld in de artikelen 111 en 112, te bewaren in een speciaal en beveiligd bestand.
   De hoofdonderzoeker, de adjunct-onderzoeker, de onderzoekers alsook hun eventueel afhangend administratief personeel zijn gemachtigd om toegang te hebben tot het bestand bedoeld in het eerste lid.
   Het onderzoeksorgaan hanteert een strikt gebruiks- en toegangsbeleid en neemt technische en organisatorische maatregelen voor de bescherming van de persoonsgegevens.
   De verwerking van persoonsgegevens in het kader van de uitvoering van de taken bedoeld in de artikelen 111 en 112 beoogt de goede uitvoering te verzekeren van de gezegde taken.
   Personen wier persoonsgegevens opgenomen zijn in het bestand, bedoeld in het eerste lid, hebben recht op toegang tot en rectificatie van de gegevens die op hen betrekking hebben.
   In geval van een verzoek om rectificatie stelt het onderzoeksorgaan elke bestemmeling aan wie de persoonsgegevens zijn meegedeeld, in kennis van elke uitgevoerde rectificatie van persoonsgegevens, tenzij een dergelijke kennisgeving onmogelijk is of onevenredige inspanningen vereist. Het onderzoeksorgaan verstrekt de betrokken persoon informatie over deze bestemmelingen als deze hierom verzoekt.
   § 3. De persoonsgegevens verwerkt in het kader van de uitvoering van de taken bedoeld in de artikelen 111 en 112, worden gedurende vijftig jaar bewaard te rekenen vanaf de dag waarop het onderzoeksorgaan toegang heeft gehad tot deze gegevens en ze heeft opgenomen in het bestand bedoeld in paragraaf 2, eerste lid. Na die termijn worden ze vernietigd of anoniem gemaakt.
   § 4. In het kader van de huidige verwerking van persoonsgegevens hebben personen niet het recht om gegevens te wissen, het recht op beperking van de verwerking, het recht op overdraagbaarheid van gegevens, het recht om bezwaar te maken en het recht op geautomatiseerde individuele besluitvorming. Deze rechten zijn inderdaad onverenigbaar met de doeleinden die met de huidige verwerking van persoonsgegevens worden nagestreefd, namelijk de opslag en analyse van gegevens met betrekking tot de veiligheid op het spoor en de manier waarop de betrokken actoren de verplichtingen van het wettelijk kader inzake veiligheid toepassen. Deze doelstellingen hebben inderdaad betrekking op een belangrijke toezichthoudende taak die erop gericht is een belangrijke doelstelling van algemeen openbaar belang te waarborgen, namelijk de veiligheid op het Belgische spoorwegnet.]1

  
Art. 113. [1 § 1er. Sans porter préjudice aux compétences des services de police et des autorités judiciaires et, le cas échéant, en collaboration avec les autorités judiciaires, l'organisme d'enquête a dès que possible accès aux informations et aux éléments probants pertinents pour l'enquête, et en particulier:
   1° l'accès immédiat au site de l'accident ou de l'incident ainsi qu'au matériel roulant impliqué, à l'infrastructure concernée et aux installations de signalisation et de contrôle du trafic;
   2° le droit d'obtenir immédiatement une liste des preuves et d'assurer l'enlèvement sous contrôle du matériel accidenté, d'installations ou d'éléments de l'infrastructure aux fins d'examen ou d'analyse;
   3° l'accès illimité au contenu des enregistreurs et équipements de bord destinés à l'enregistrement et à l'enregistrement de l'activité du système de signalisation et de contrôle du trafic, ainsi que la possibilité de l'utiliser;
   4° l'accès aux résultats de l'examen du corps des victimes;
   5° l'accès aux résultats de l'examen du personnel de bord et d'autres membres du personnel ferroviaire impliqués dans l'accident ou l'incident;
   6° la possibilité d'interroger le personnel ferroviaire impliqué dans l'accident ou l'incident et d'autres témoins et le droit d'obtenir copie des déclarations de ces personnes faites à d'autres instances;
   7° l'accès à toute information ou document pertinent détenu par le gestionnaire de l'infrastructure, les entreprises ferroviaires impliquées, les entités chargées de l'entretien et l'autorité de sécurité.
   L'Agence coopère avec l'organisme d'enquête lorsque l'enquête porte sur des véhicules pour lesquels elle a délivré une autorisation ou sur des entreprises ferroviaires auxquelles elle a délivré un certificat. Elle transmet dans les mei lleurs délais à l'organisme d'enquête l'ensemble des informations ou dossiers demandés et, sur demande, donne des explications.
   § 2. L'organisme d'enquête, en tant que responsable du traitement de données à caractère personnel auxquelles il a accès conformément au paragraphe 1er, veille à conserver les données traitées dans le cadre de l'exercice de ses tâches visées aux articles 111 et 112, dans un fichier dédié et sécurisé.
   L'enquêteur principal, l'enquêteur adjoint, les enquêteurs, ainsi que leur éventuel personnel administratif dédié sont habilités à accéder au fichier visé à l'alinéa 1er.
   L'organisme d'enquête applique une stricte gestion des utilisations et des accès et prend des mesures techniques et organisationnelles pour la protection des données à caractère personnel.
   Le traitement des données à caractère personnel traitées dans le cadre de l'exercice des tâches visées aux articles 111 et 112, vise à assurer la bonne exécution desdites tâches.
   Les personnes dont les données à caractère personnel sont reprises dans le fichier visé à l'alinéa 1er, disposent d'un droit d'accès et de rectification des données les concernant.
   En cas de demande de rectification, l'organisme d'enquête notifie à chaque destinataire auquel les données à caractère personnel ont été communiquées toute rectification de données à caractère personnel effectuée, à moins qu'une telle communication se révèle impossible ou exige des efforts disproportionnés. L'organisme d'enquête fournit à la personne concernée des informations sur ces destinataires si celle-ci en fait la demande.
   § 3. Les données à caractère personnel traitées dans le cadre de l'exercice des tâches visées aux articles 111 et 112 sont conservées pendant cinquante ans à compter du jour où l'organisme d'enquête a eu accès à ces données et les a intégrées dans le fichier visé au paragraphe 2, alinéa 1er. Passé ce délai, elles sont détruites ou anonymisées.
   § 4. Dans le cadre du présent traitement des données à caractère personnel, les personnes ne disposent pas du droit à l'effacement, du droit à la limitation du traitement, du droit à la portabilité des données, du droit d'opposition et du droit à la prise de décision individuelle automatisée. Ces droits sont en effet incompatibles avec les finalités poursuivies par le présent traitement de données à caractère personnel, à savoir la conservation et l'analyse des données relatives à la sécurité ferroviaire et à la façon dont les acteurs concernés appliquent les obligations du cadre juridique en matière de sécurité. Ces finalités se rapportent en effet à une importante mission de contrôle visant à garantir un objectif important d'intérêt public général, à savoir la sécurité ferroviaire sur le réseau belge.]1

  
Art. 114. [1 § 1.]1 Het onderzoeksorgaan wisselt meningen en ervaringen uit met onderzoeksorganen van de andere lidstaten van de Europese Unie met het oog op de ontwikkeling van gemeenschappelijke onderzoeksmethoden en beginselen voor de opvolging van de veiligheidsaanbevelingen en de aanpassing aan de vooruitgang op technisch en wetenschappelijk gebied.
  [1 § 2. Het onderzoeksorgaan neemt deel aan het programma voor collegiale toetsing, opgesteld overeenkomstig artikel 22, paragraaf 7, derde lid van de richtlijn (EU) 2016/798.
   Het onderzoeksorgaan werkt mee aan de bekendmaking van:
   1° het gemeenschappelijk programma voor collegiale toetsing en de evaluatiecriteria; en
   2° een jaarverslag over het programma, waarin geconstateerde sterke punten en suggesties voor verbetering duidelijk worden aangegeven. De verslagen van de collegiale toetsing worden aan alle onderzoeksorganen en aan het Bureau bezorgd. Deze verslagen worden op vrijwillige basis gepubliceerd.]1

  
Art. 114. [1 § 1er.]1 L'organisme d'enquête procède avec les organismes d'enquête des autres Etats membres de l'Union européenne à un échange de vues et d'expériences en vue de l'élaboration de méthodes d'enquête communes et de principes communs pour le suivi des recommandations en matière de sécurité et d'adaptation au progrès scientifique et technique.
  [1 § 2. L'organisme d'enquête participe au programme d'évaluations par les pairs, mis en place conformément à l'article 22, paragraphe 7, alinéa 3 de la directive (UE) 2016/798.
   L'organisme d'enquête coopère à la publication:
   1° du programme commun d'évaluations par les pairs et des critères d'évaluation; et
   2° d'un rapport annuel sur le programme, répertoriant les points forts détectés et les suggestions d'amélioration. Les rapports consacrés aux évaluations par les pairs sont communiqués à tous les organismes d'enquête et à l'Agence. Ces rapports sont publiés sur une base volontaire.]1

  
Afdeling 4. - Onderzoek
Section 4. - Enquête
Art. 115. [1 Een ongeval of incident als bedoeld in artikel 111 wordt onderzocht door het onderzoeksorgaan wanneer het heeft plaatsgevonden op Belgisch grondgebied. Wanneer een ongeval of een incident vlakbij een grensinstallatie van België heeft plaatsgevonden of als niet kan worden vastgesteld in welke lidstaat van de Europese Unie het ongeval of incident heeft plaatsgevonden en dat dit in België zou kunnen zijn, overlegt het onderzoeksorgaan samen met zijn tegenhangers om het orgaan te bepalen dat het onderzoek gaat verrichten of nemen zij gezamenlijk deze taak op zich. Als het Belgische onderzoeksorgaan aangeduid wordt, laat het de andere betrokken organen aan het onderzoek deelnemen en geeft het hen toegang tot alle resultaten van dit onderzoek.]1
  
Art. 115. [1 Un accident ou un incident au sens de l'article 111 fait l'objet d'une enquête par l'organisme d'enquête lorsque celui-ci se produit sur le territoire belge. Lorsqu'un accident ou un incident s'est produit à proximité d'une installation frontalière de la Belgique ou lorsqu'il n'est pas possible de déterminer dans quel Etat membre de l'Union européenne l'accident ou incident s'est produit, et que cela pourrait être en Belgique, l'organisme d'enquête se concerte avec ses homologues afin de déterminer l'organisme qui effectuera l'enquête ou de convenir de l'effectuer en coopération. Lorsque l'organisme d'enquête belge est désigné, il laisse les autres organismes concernés participer à l'enquête et avoir accès à tous les résultats de celle-ci.]1
  
Art. 116. [1 Het onderzoek wordt op een dusdanige wijze gevoerd dat alle partijen kunnen worden gehoord en, in voorkomend geval, door de resultaten samen te leggen met de andere onderzoeksorganen. De infrastructuurbeheerder, de betrokken spoorwegondernemingen, de veiligheidsinstantie, het Bureau, de slachtoffers en hun naaste familie, de eigenaars van beschadigde goederen, de fabrikanten, de hulpdiensten en de vertegenwoordigers van het personeel betrokken bij het ernstig ongeval, ongeval of incident, en de gebruikers worden geregeld op de hoogte gebracht van het onderzoek en de voortgang ervan, en krijgen de mogelijkheid om relevante technische informatie te leveren om de kwaliteit van het onderzoeksrapport te verbeteren. Het onderzoeksorgaan neemt tevens de redelijke behoeften van de slachtoffers en hun familieleden in aanmerking en houdt hen op de hoogte van de voortgang van het onderzoek. Er mogen evenwel geen elementen van het eventuele lopende opsporings- en/of gerechtelijk onderzoek worden vrijgegeven zonder toestemming van de gerechtelijke overheden.]1
  Wanneer uit de door het onderzoeksorgaan verzamelde aanwijzingen blijkt dat de oorzaak van het ongeval of van het incident zoals bedoeld in artikel 111, [1 een misdrijf]1 is, waarschuwt het onderzoeksorgaan onmiddellijk de politiediensten en gerechtelijke overheden.
  
Art. 116. [1 L'enquête est menée de manière à permettre à toutes les parties d'être entendues et, le cas échéant, en mettant les résultats en commun avec les autres organismes d'enquête. Le gestionnaire de l'infrastructure, les entreprises ferroviaires concernées, l'autorité de sécurité, l'Agence, les victimes et leurs proches, les propriétaires de biens endommagés, les fabricants, les services d'urgence et les représentants du personnel concernés par l'accident grave, l'accident ou l'incident, et les usagers sont informés à intervalles réguliers de l'enquête et de ses progrès et, ont la possibilité de présenter des informations techniques pertinentes destinées à améliorer la qualité du rapport d'enquête. L'organisme d'enquête tient compte des besoins raisonnables des victimes et de leurs proches et les tient au courant des progrès de l'enquête. Les éléments de l'éventuelle information et/ou instruction judiciaire en cours ne peuvent cependant être communiqués sans l'autorisation des autorités judiciaires]1
  Lorsqu'il appert des indices rassemblés par l'organisme d'enquête que la cause de l'accident ou de l'incident visé à l'article 111 est une infraction, l'organisme d'enquête en avertit immédiatement les services de police et les autorités judiciaires.
  
Art.116/1. [1 § 1. In het kader, enerzijds, van het delen van resultaten met andere onderzoeksorganen en, anderzijds, het meedelen van informatie aan belanghebbende partijen overeenkomstig artikel 116, zorgt het onderzoeksorgaan ervoor dat de persoonsgegevens waartoe zij overeenkomstig artikel 113 toegang heeft gehad, anoniem worden gemaakt.
   § 2. In het kader van de samenwerking met andere onderzoeksorganen overeenkomstig artikel 115, ziet het onderzoeksorgaan erop toe dat de bepalingen van die Verordening worden nageleefd indien deze betrekking hebben op de verwerking van persoonsgegevens in de zin van Verordening (EU) nr. 2016/679.
   Daartoe zorgt het onderzoeksorgaan, als verantwoordelijke voor de verwerking van de persoonsgegevens waarover zij beschikt in het kader van de uitoefening van haar taken bedoeld in de artikelen 111 en 112 er overeenkomstig artikel 113, paragraaf 2, voor dat zij in het kader van de samenwerking bedoeld in het eerste lid aan de andere onderzoeksorganen enkel de persoonsgegevens meedeelt die noodzakelijk zijn voor het onderzoek.
   Het onderzoeksorgaan neemt deze gegevens op in een speciaal en beveiligd bestand waartoe alleen de hoofdonderzoeker, de adjunct-onderzoeker, de onderzoekers, hun eventueel afhangend administratief personeel en het personeel van de andere onderzoeksorganen waarmee zij samenwerkt, toegang mogen hebben.
   Het onderzoeksorgaan hanteert een strikt gebruiks- en toegangsbeleid en neemt technische en organisatorische maatregelen voor de bescherming van de persoonsgegevens.
   Personen wier persoonsgegevens opgenomen zijn in het bestand, bedoeld in het derde lid, hebben recht op toegang tot en rectificatie van de gegevens die op hen betrekking hebben.
   In geval van een verzoek om rectificatie stelt het onderzoeksorgaan elke bestemmeling aan wie de persoonsgegevens zijn meegedeeld, in kennis van elke uitgevoerde rectificatie van persoonsgegevens, tenzij een dergelijke kennisgeving onmogelijk is of onevenredige inspanningen vereist. Het onderzoeksorgaan verstrekt de betrokken persoon informatie over deze bestemmelingen als deze hierom verzoekt.
   De persoonsgegevens meegedeeld aan andere onderzoekorganen overeenkomstig het tweede lid en opgenomen in een speciaal en beveiligd bestand overeenkomstig het vierde lid, zijn slechts toegankelijk voor de andere onderzoeksorganen voor de duur die noodzakelijk is voor het onderzoek en tot uiterlijk vijf jaar nadat het ongeval of incident zich heeft voorgedaan. Na die termijn worden ze vernietigd of anoniem gemaakt.
   In het kader van de huidige verwerking van persoonsgegevens hebben personen niet het recht om gegevens te wissen, het recht op beperking van de verwerking, het recht op overdraagbaarheid van gegevens, het recht om bezwaar te maken en het recht op geautomatiseerde individuele besluitvorming. Deze rechten zijn inderdaad onverenigbaar met de doeleinden die met de huidige verwerking van persoonsgegevens worden nagestreefd, namelijk de opslag en analyse van gegevens met betrekking tot de veiligheid op het spoor en de manier waarop de betrokken actoren de verplichtingen van het wettelijk kader inzake veiligheid toepassen. Deze doelstellingen hebben inderdaad betrekking op een belangrijke toezichthoudende taak die erop gericht is een belangrijke doelstelling van algemeen openbaar belang te waarborgen, namelijk de veiligheid op het Belgische spoorwegnet.]1

  
Art.116/1. [1 § 1er. Dans le cadre, d'une part, de la mise en commun des résultats avec d'autres organismes d'enquête et, d'autre part, de la communication d'information aux parties concernées, conformément à l'article 116, l'organisme d'enquête veille à anonymiser les données à caractère personnel auxquelles il a eu accès conformément à l'article 113.
   § 2. Dans le cadre de la coopération avec d'autres organismes d'enquêtes conformément à l'article 115, l'organisme d'enquête veille, si cette dernière emporte le traitement de données à caractère personnel au sens du Règlement (UE) 2016/679, à respecter les dispositions dudit Règlement.
   L'organisme d'enquête, en tant que responsable du traitement de données à caractère personnel dont il dispose dans le cadre de l'exercice de ses tâches visées aux articles 111 et 112, conformément à l'article 113, paragraphe 2, veille à ne communiquer aux autres organismes d'enquête, dans le cadre de la coopération visée dans l'alinéa 1er, que les données à caractère personnel nécessaires à l'enquête.
   L'organisme d'enquête intègre ces données dans un fichier dédié et sécurisé auquel seuls l'enquêteur principal, l'enquêteur adjoint, les enquêteurs, leur éventuel personnel administratif dédié ainsi que les membres du personnel des autres organismes d'enquête avec lesquels il coopère, sont habilités à avoir accès.
   L'organisme d'enquête applique une stricte gestion des utilisations et des accès et prend des mesures techniques et organisationnelles pour la protection des données à caractère personnel.
   Les personnes dont les données à caractère personnel sont reprises dans le fichier visé à l'alinéa 3, disposent d'un droit d'accès et de rectification des données les concernant.
   En cas de demande de rectification, l'organisme d'enquête notifie à chaque destinataire auquel les données à caractère personnel ont été communiquées toute rectification de données à caractère personnel effectuée, à moins qu'une telle communication se révèle impossible ou exige des efforts disproportionnés. L'organisme d'enquête fournit à la personne concernée des informations sur ces destinataires si celle-ci en fait la demande.
   Les données à caractère personnel communiquées aux autres organismes d'enquête conformément à l'alinéa 2 et intégrées dans le cadre d'un fichier dédié et sécurisé conformément à l'alinéa 4, ne sont accessibles aux autres organismes d'enquête que pour la durée nécessaire à l'enquête et au plus tard pendant cinq ans après que l'accident ou l'incident soit survenu. Passé ce délai, elles sont détruites ou anonymisées.
   Dans le cadre du présent traitement des données à caractère personnel, les personnes ne disposent pas du droit à l'effacement, du droit à la limitation du traitement, du droit à la portabilité des données, du droit d'opposition et du droit à la prise de décision individuelle automatisée. Ces droits sont en effet incompatibles avec les finalités poursuivies par le présent traitement de données à caractère personnel, à savoir la conservation et l'analyse des données relatives à la sécurité ferroviaire et à la façon dont les acteurs concernés appliquent les obligations du cadre juridique en matière de sécurité. Ces finalités se rapportent en effet à une importante mission de contrôle visant à garantir un objectif important d'intérêt public général, à savoir la sécurité ferroviaire sur le réseau belge.]1

  
Art. 117. Voor elk ongeval of incident bedoeld in artikel 111, treft het verantwoordelijke onderzoeksorgaan de gewenste maatregelen. Het wendt met name de operationele en technische vaardigheden aan die nodig zijn om het onderzoek te voeren. Deze vaardigheden kunnen van binnen of buiten het orgaan worden aangetrokken al naargelang van de aard van het te onderzoeken ongeval of incident.
Art. 117. Pour chaque accident ou incident visé à l'article 111, l'organisme responsable de l'enquête prend les dispositions voulues. Il fait notamment appel aux compétences opérationnelles et techniques nécessaires pour mener l'enquête. Ces compétences peuvent être sollicitées au sein de l'organisme ou en dehors de celui-ci, en fonction de la nature de l'accident ou de l'incident sur lequel il doit enquêter.
Art. 118. Het onderzoeksorgaan rondt zijn onderzoek op de plaats van het ongeval zo snel mogelijk af zodat [1 de infrastructuurbeheerder]1 de infrastructuur zo snel mogelijk kan herstellen en openstellen voor de spoorwegvervoerdiensten.
  
Art. 118. L'organisme d'enquête conclut ses examens sur le site de l'accident dans les plus brefs délais possibles afin de permettre au [1 gestionnaire de l'infrastructure]1 de remettre l'infrastructure en état et de l'ouvrir aux services de transport ferroviaire dans les meilleurs délais.
  
Art. 119. Het onderzoek wordt onafhankelijk van opsporings- en gerechtelijke onderzoeken gevoerd en kan in geen geval betrekking hebben op het vaststellen van fout of aansprakelijkheid. De gerechtelijke overheden spannen zich in om het mogelijk te maken dat het onderzoeksorgaan zijn taken kan uitvoeren.
Art. 119. L'enquête est effectuée indépendamment de toute information et instruction judiciaire et ne peut en aucun cas viser à la détermination de la faute ou de la responsabilité. Les autorités judiciaires s'efforcent de permettre à l'organisme d'enquête d'effectuer ses tâches.
Afdeling 5. - Conclusies en verslagen
Section 5. - Conclusions et rapports
Art. 120. Van elk onderzoek van een ongeval of incident bedoeld in artikel 111 wordt een verslag opgesteld dat naar zijn vorm is afgestemd op het type en de ernst van het ongeval of incident en het belang van de onderzoeksbevindingen; zijn inhoud is in bijlage 6 vastgesteld. Dit verslag beschrijft duidelijk het onderzoeksdoel en bevat, waar nodig, veiligheidsaanbevelingen.
  Het onderzoeksorgaan maakt het eindverslag zo spoedig mogelijk openbaar, doch gewoonlijk niet later dan twaalf maanden na de datum waarop het voorval heeft plaatsgevonden. [1 Als het eindverslag niet binnen twaalf maanden openbaar wordt gemaakt, publiceert het onderzoeksorgaan minstens één keer per jaar, op de verjaardag van het ongeval, een tussentijdse verklaring waarin nader wordt ingegaan op de voortgang van het onderzoek en alle veiligheidskwesties die aan het licht zijn gekomen.]1 In het verslag wordt de in bijlage 6 beschreven verslagleggingsstructuur zo nauwgezet mogelijk gevolgd. Het verslag, met inbegrip van de veiligheidsaanbevelingen, wordt aan de in artikel 116 bedoelde partijen verzonden alsmede aan de betrokken instanties en partijen in de andere lidstaten van de Europese Unie.
  
Art. 120. Chaque enquête sur un accident ou un incident visé à l'article 111 fait l'objet d'un rapport établi sous une forme appropriée au type et à la gravité de l'accident ou de l'incident ainsi qu'à l'importance des résultats de l'enquête et dont le contenu est déterminé à l'annexe 6. Ce rapport indique l'objectif de l'enquête et contient, si nécessaire, des recommandations en matière de sécurité.
  L'organisme d'enquête publie le rapport final dans les meilleurs délais et normalement au plus tard douze mois après la date de l'événement. [1 Si le rapport final ne peut pas être publié dans les douze mois, l'organisme d'enquête fait une déclaration intermédiaire au moins à chaque date anniversaire de l'accident, détaillant les progrès de l'enquête et toutes les questions de sécurité qui auront été soulevées.]1 La structure du rapport est aussi proche que possible de la structure définie à l'annexe 6. Le rapport, y compris les recommandations en matière de sécurité, est communiqué aux parties concernées visées à l'article 116, ainsi qu'aux parties et organismes intéressés dans d'autres Etats membres de l'Union européenne.
  
Art. 121. Uiterlijk op 30 september van elk jaar [1 maakt het onderzoeksorgaan een jaarverslag bekend]1 waarin verantwoording wordt afgelegd over de onderzoeken die het voorafgaande jaar zijn verricht, de veiligheidsaanbevelingen die zijn gedaan en de maatregelen die zijn genomen naar aanleiding van eerdere aanbevelingen.
  
Art. 121. Chaque année, [1 l'organisme d'enquête publie]1, le 30 septembre au plus tard, un rapport annuel qui rend compte des enquêtes effectuées l'année précédente, les recommandations en matière de sécurité qui ont été formulées et les mesures qui ont été prises à la suite des recommandations formulées précédemment.
  
Art. 122. [1 § 1. De door het onderzoeksorgaan opgestelde veiligheidsaanbevelingen worden gericht aan de veiligheidsinstantie en, indien de aard van de aanbeveling dit noodzaakt, aan het Bureau, aan andere organen of Belgische instanties of aan andere lidstaten. De aanbevelingen houden in geen geval een vermoeden van fout of aansprakelijkheid in.
   § 2. De veiligheidsinstantie en de andere instanties of organen nemen binnen de grenzen van hun bevoegdheden, de noodzakelijke maatregelen om ervoor te zorgen dat de door het onderzoeksorgaan opgestelde veiligheidsaanbevelingen in aanmerking worden genomen en, in voorkomend geval, door acties worden gevolgd.
   § 3. De veiligheidsinstantie, de andere instanties of organen tot welke aanbevelingen zijn gericht, laten het onderzoeksorgaan periodiek en ten minste eenmaal per jaar, tegen uiterlijk 30 juni weten welke maatregelen zij naar aanleiding van de aanbevelingen hebben genomen of gepland.]1

  
Art. 122. [1 § 1er. Les recommandations en matière de sécurité formulées par l'organisme d'enquête sont adressées à l'autorité de sécurité et, si cela est nécessaire en raison du caractère de la recommandation, à l'Agence, à d'autres organismes ou autorités belges ou à d'autres Etats membres. Elles ne constituent en aucun cas une présomption de faute ou de responsabilité.
   § 2. L'autorité de sécurité et les autres autorités ou organismes prennent dans les limites de leurs compétences, les mesures nécessaires pour veiller à ce que les recommandations de sécurité formulées par l'organisme d'enquête soient prises en compte et, le cas échéant, suivies d'effet.
   § 3. L'autorité de sécurité, les autres autorités ou organismes auxquels des recommandations ont été adressées, font rapport périodiquement et, au moins une fois par an, pour le 30 juin au plus tard, à l'organisme d'enquête sur les mesures qui sont prises ou prévues à la suite de ces recommandations.]1

  
Afdeling 6. - Europees overleg
Section 6. - Concertation européenne
Art. 123. Binnen één week nadat besloten werd een onderzoek in te stellen, brengt het onderzoeksorgaan het Bureau daarvan op de hoogte. Hierbij worden de datum, de tijd en de plaats van het ongeval of het incident aangegeven, alsook het type van ongeval of incident en de gevolgen ervan in termen van doden, gewonden en materiële schade.
Art. 123. Dans un délai d'une semaine après sa décision d'ouvrir une enquête, l'organisme d'enquête en informe l'Agence. La notification indique la date, l'heure et le lieu de l'accident ou de l'incident, ainsi que son type et ses conséquences en termes de pertes humaines, de personnes blessées et de dommages matériels.
Art. 124. Het onderzoeksorgaan zendt aan het Bureau een exemplaar van het eindverslag bedoeld in artikel 120 en van het jaarverslag bedoeld in artikel 121.
Art. 124. L'organisme d'enquête transmet à l'Agence une copie du rapport final visé à l'article 120 et du rapport annuel visé à l'article 121.
TITEL 5. - Certificering van treinbestuurders en ander treinpersoneel dat voor de veiligheid cruciale taken verricht
TITRE 5. - Certification des conducteurs de train et des autres personnels de bord assurant des tâches déterminantes pour la sécurité
HOOFDSTUK 0. [1 - Toegang tot opleidingsdiensten]1
CHAPITRE 0. [1 - Accès aux services de formation]1
Art.124/1. [1 § 1. Bij de aanwerving van veiligheidspersoneel, kunnen de spoorwegondernemingen en de infrastructuurbeheerder rekening houden met eventueel eerdere bij andere spoorwegondernemingen of bij een andere infrastructuurbeheerder gevolgde opleidingen, verworven kwalificaties en ervaring.
   Daartoe hebben deze personeelsleden recht op toegang tot, het verkrijgen van kopieën van, en het doorgeven van alle bewijsstukken met betrekking tot hun opleiding, kwalificaties en ervaring.
   § 2. De spoorwegondernemingen en de infrastructuurbeheerder zijn verantwoordelijk voor het opleidings- en kwalificatieniveau van hun personeel dat veiligheidskritieke taken verricht.]1

  
Art.124/1. [1 § 1er. Lorsqu'ils recrutent du personnel de sécurité, les entreprises ferroviaires et le gestionnaire de l'infrastructure peuvent tenir compte de toutes les formations suivies, qualifications obtenues et expériences acquises préalablement dans d'autres entreprises ferroviaires ou auprès d'un gestionnaire de l'infrastructure.
   A cet effet, ces membres du personnel peuvent avoir accès aux documents prouvant leur formation, leurs qualifications et leur expérience, en obtenir des copies et communiquer celles-ci.
   § 2. Les entreprises ferroviaires et le gestionnaire de l'infrastructure sont responsables du niveau de formation et de la qualification des membres de leur personnel exerçant des tâches critiques de sécurité.]1

  
Art.124/2. [1 § 1. De spoorwegondernemingen en infrastructuurbeheerder verlenen aan hun veiligheidspersoneel een eerlijke en niet-discriminerende toegang tot opleidingsdiensten wanneer dergelijke opleidingen nodig zijn voor de exploitatie van diensten op het netwerk.
   Als opleidingsdiensten slechts aangeboden worden door één spoorwegonderneming of door de infrastructuurbeheerder dan waakt deze erover dat deze diensten ter beschikking worden gesteld van andere spoorwegondernemingen of van de infrastructuurbeheerder tegen een redelijke, niet-discriminerende prijs, die kostengerelateerd is en een winstmarge kan hebben.
   § 2. Onder voorbehoud van artikel 144, eerste lid, omvatten de opleidingsdiensten opleiding betreffende de nodige trajectkennis, de exploitatievoorschriften en -procedures, het seingevings- en besturingssysteem, alsmede de noodprocedures die voor de geëxploiteerde trajecten gelden.
   § 3. De instellingen belast met het verstrekken van opleidingen verlenen aan het personeel van spoorwegondernemingen en van de infrastructuurbeheerder, op diens verzoek, een certificaat dat de deelname aan een opleiding attesteert.]1

  
Art.124/2. [1 § 1er. Les entreprises ferroviaires et le gestionnaire de l'infrastructure fournissent à leur personnel de sécurité, un accès équitable et non discriminatoire aux services de formation chaque fois que ces formations sont nécessaires pour exploiter des services sur le réseau.
   Si des services de formation ne sont offerts que par une seule entreprise ferroviaire ou le gestionnaire de l'infrastructure, celle-ci/celui-ci veille à ce que ces services soient mis à la disposition d'autres entreprises ferroviaires ou du gestionnaire de l'infrastructure à un prix raisonnable et non discriminatoire, qui soit en rapport avec les coûts et qui puisse inclure une marge bénéficiaire.
   § 2. Sous réserve de l'article 144, alinéa 1er, les services de formation couvrent la formation relative à la connaissance des lignes concernées, les règles et procédures d'exploitation, le système de signalisation et de contrôle-commande, ainsi que les procédures d'urgence applicables sur les lignes exploitées.
   § 3. Les organismes chargés de fournir des services de formation octroient un certificat attestant de la participation à une formation, au personnel des entreprises ferroviaires et du gestionnaire de l'infrastructure, à la demande de celui-ci.]1

  
HOOFDSTUK 1. - Certificering van treinbestuurders
CHAPITRE 1er. - Certification des conducteurs de train
Afdeling 1. - Europees model voor de certificering
Section 1re. - Modèle européen de certification
Art. 125. Iedere treinbestuurder dient geschikt te zijn en de kwalificaties te bezitten die vereist zijn voor het besturen van een trein en in het bezit te zijn van een vergunning en één of meer bevoegdheidsbewijzen.
  De bevoegdheidsbewijzen mogen vervat zijn in één enkel document.
Art. 125. Tout conducteur de train doit posséder l'aptitude et les qualifications nécessaires pour assurer la conduite de trains et être titulaire d'une licence et d'une ou plusieurs attestations.
  Les attestations peuvent être contenues dans un document unique.
Afdeling 2. - Vergunning van treinbestuurder
Section 2. - Licence de conducteur de train
Art. 126. De vergunning is eigendom van de houder ervan en wordt afgegeven door de veiligheidsinstantie.
  De vergunning is geldig voor het hele grondgebied van de Europese Unie.
  Elke vergunning van treinbestuurder vermeldt de persoonsgegevens van de treinbestuurder, de uitgever alsmede haar geldigheidsduur, die tien jaar bedraagt, te rekenen vanaf haar afgifte, onder voorbehoud van artikel 129.
Art. 126. La licence appartient à son titulaire et est délivrée par l'autorité de sécurité.
  La licence est valide sur l'ensemble du territoire de l'Union européenne.
  Chaque licence de conducteur de train indique l'identité du conducteur de train, l'autorité de délivrance ainsi que la durée de sa validité, qui est de dix ans à compter de sa date de délivrance, sous réserve de l'article 129.
Art. 127. Een vergunning van treinbestuurder mag enkel worden afgegeven aan personen die de volle leeftijd van twintig jaar hebben bereikt.
  In afwijking van het eerste lid, mag een vergunning van treinbestuurder worden afgegeven aan personen die de volle leeftijd van achttien jaar hebben bereikt, maar de geldigheid van een dergelijke vergunning blijft beperkt tot het Belgisch grondgebied.
  De kandidaat-treinbestuurder heeft met succes een schoolopleiding op het niveau van het lager en secundair onderwijs van ten minste negen jaar doorlopen en met succes een basisopleiding afgesloten die gelijkwaardig is aan niveau 3, zoals bedoeld in bijlage 2 van de aanbeveling van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 tot vaststelling van een Europees kwalificatiekader voor een leven lang leren.
  De kandidaat-treinbestuurder bewijst zijn lichamelijke geschiktheid door met goed gevolg een medisch onderzoek te ondergaan. De Koning bepaalt de criteria voor de erkenning van personen of instellingen belast met het medisch onderzoek en de nadere regels met betrekking tot dat medisch onderzoek. Deze regels moeten ten minste voldoen aan de in bijlage 8, 1.1, 1.2, 1.3 en 2.1 bepaalde criteria.
  De kandidaat-treinbestuurder bewijst zijn bedrijfspsychologische geschiktheid door met goed gevolg een bedrijfspsychologisch onderzoek te ondergaan. De Koning bepaalt de criteria voor de erkenning van personen of instellingen belast met het bedrijfspsychologisch onderzoek en de nadere regels met betrekking tot dat onderzoek. Deze regels moeten ten minste voldoen aan de in bijlage 8, 2.2 bepaalde criteria.
  De Koning bepaalt de regels voor de aanvraag en de afgifte van een erkenning van personen of instellingen bedoeld in het vierde en het vijfde lid van dit artikel alsmede de regels voor de vernieuwing, aanpassing, intrekking of schorsing van de erkenning.
  De kandidaat-treinbestuurder bewijst zijn algemene vakbekwaamheid door te slagen voor een examen. De Koning bepaalt de nadere regels met betrekking tot dit examen dat handelt over de algemene materies zoals beschreven in bijlage 10. De Koning bepaalt de algemene vakkennis.
Art. 127. Une licence de conducteur de train ne peut être délivrée qu'à une personne âgée de vingt ans révolus.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, la licence de conducteur de train peut être délivrée à une personne âgée de dix-huit ans révolus mais la validité d'une telle licence est limitée au territoire belge.
  Le candidat conducteur de train a suivi avec succès au moins neuf ans d'enseignement primaire et secondaire et a mené à bien une formation de base équivalente au niveau 3, visé à l'annexe 2 de la recommandation du Parlement européen et du Conseil du 23 avril 2008 établissant le cadre européen des certifications pour l'éducation et la formation tout au long de la vie.
  Le candidat conducteur de train démontre son aptitude physique en réussissant un examen médical. Le Roi détermine les critères de reconnaissance des personnes ou organismes chargés de l'examen médical et les modalités de cet examen médical. Ces modalités respectent au moins les critères définis en annexe 8, 1.1, 1.2, 1.3 et 2.1.
  Le candidat conducteur de train démontre son aptitude psychologique sur le plan professionnel en réussissant un examen psychologique sur le plan professionnel. Le Roi détermine les critères de reconnaissance des personnes ou organismes chargés de l'examen psychologique sur le plan professionnel et les modalités de cet examen. Ces modalités respectent au moins les critères définis en annexe 8, 2.2.
  Le Roi détermine les règles pour la demande et la délivrance d'une reconnaissance des personnes ou organismes chargés des examens visés aux alinéas 4 et 5 du présent article ainsi que les règles pour le renouvellement, l'adaptation, le retrait ou la suspension de la reconnaissance.
  Le candidat conducteur de train démontre ses connaissances professionnelles générales en réussissant un examen. Le Roi détermine les modalités de cet examen qui porte sur les matières générales décrites en annexe 10. Le Roi détermine les connaissances professionnelles générales.
Art. 128. Iedere aanvraag van een vergunning van treinbestuurder wordt ingediend bij de veiligheidsinstantie door de kandidaat-treinbestuurder of door een entiteit die in naam en voor rekening van de kandidaat- treinbestuurder optreedt.
  De veiligheidsinstantie geeft de vergunning van treinbestuurder zo spoedig mogelijk en uiterlijk een maand na ontvangst van alle benodigde stukken af.
  Een vergunning van treinbestuurder wordt in één enkel exemplaar afgegeven en mag niet worden gedupliceerd. Enkel de veiligheidsinstantie is bevoegd om een vergunning van treinbestuurder te dupliceren, in geval om een duplicaat wordt gevraagd.
  De Koning bepaalt de te volgen procedure voor de afgifte van een nieuwe vergunning van treinbestuurder, de bijwerking van de in de vergunning van treinbestuurder vermelde gegevens, de verlenging, de vernieuwing of het bekomen van een duplicaat.
Art. 128. Toute demande de licence de conducteur de train est introduite auprès de l'autorité de sécurité par le candidat conducteur de train ou par une entité agissant au nom et pour le compte du candidat conducteur de train.
  L'autorité de sécurité délivre la licence de conducteur de train le plus rapidement possible et au plus tard un mois après avoir reçu tous les documents nécessaires.
  Une licence de conducteur de train est délivrée en un seul exemplaire et il est interdit de la dupliquer. Seule l'autorité de sécurité est autorisée à dupliquer une licence de conducteur de train en réponse à une demande de duplicata.
  Le Roi détermine la procédure à suivre pour la délivrance d'une nouvelle licence de conducteur de train, la mise à jour des données figurant sur la licence de conducteur de train, la prorogation, le renouvellement ou l'obtention d'un duplicata.
Art. 129. Opdat een vergunning van treinbestuurder geldig zou blijven, volgt de houder ervan een permanente opleiding bedoeld in bijlage 5, 2.1. e) en onderwerpt hij zich, overeenkomstig bijlage 8, 3.1. tot de leeftijd van 55 jaar ten minste om de drie jaar en nadien jaarlijks, aan periodieke onderzoeken en/of keuringen die betrekking hebben op de vereisten vermeld in artikel 127, vierde lid. Hij onderwerpt zich, overeenkomstig de bijlage 8, 3.3, ook om de tien jaar aan onderzoeken en/of keuringen die betrekking hebben op de vereisten vermeld in artikel 127, vijfde lid. De Koning kan de te volgen procedure voor deze periodieke onderzoeken en/of keuringen bepalen. De Koning kan ook de frequentie ervan verhogen.
  Deze onderzoeken en/of keuringen alsook de onderzoeken, bedoeld in artikel 127, vierde en vijfde lid, worden uitgevoerd door of onder toezicht van een persoon of een instelling erkend door de veiligheidsinstantie overeenkomstig artikel 142, 9°.
  Bij vernieuwing van een vergunning van treinbestuurder gaat de veiligheidsinstantie in het in artikel 132, § 1, 1° bedoelde register na of de treinbestuurder zich heeft onderworpen aan de in het eerste lid bedoelde onderzoeken en/of keuringen en of hij de in het eerste lid bedoelde opleiding heeft gevolgd.
  Indien de betrokkene een periodieke controle overslaat of die controle een negatief resultaat oplevert, is de procedure van artikel 141 van toepassing.
Art. 129. Afin qu'une licence de conducteur de train demeure valide, son titulaire suit une formation continue visée à l'annexe 5, 2.1. e) et se soumet à des examens et/ou contrôles périodiques portant sur les exigences énoncées à l'article 127, alinéa 4, tous les trois ans au moins jusqu'à l'âge de 55 ans, ensuite tous les ans, conformément à l'annexe 8, 3.1. Il se soumet également à des examens et/ou contrôles portant sur les exigences énoncées à l'article 127, alinéa 5, tous les dix ans, conformément à l'annexe 8, 3.3. Le Roi peut déterminer la procédure à suivre pour ces examens et/ou contrôles périodiques. Il peut également en augmenter la fréquence.
  Ces examens et/ou contrôles ainsi que les examens, visés à l'article 127, alinéas 4 et 5, sont réalisés par ou sous la supervision d'une personne ou d'un organisme reconnu par l'autorité de sécurité conformément à l'article 142, 9°.
  Lors du renouvellement d'une licence de conducteur de train, l'autorité de sécurité vérifie dans le registre prévu à l'article 132, § 1er, 1°, que le conducteur s'est soumis aux examens et/ou contrôles visés à l'alinéa 1er et qu'il a suivi la formation visée à l'alinéa 1er.
  Si l'intéressé manque à une vérification périodique ou y obtient un résultat négatif, la procédure prévue à l'article 141 s'applique.
Art. 130. Wanneer een treinbestuurder niet langer voor een spoorwegonderneming of [1 de infrastructuurbeheerder]1 werkt, dan stelt die of deze de veiligheidsinstantie daarvan onmiddellijk in kennis.
  De vergunning van treinbestuurder blijft geldig zolang wordt voldaan aan de onderzoeken en/of keuringen bedoeld in artikel 129, eerste lid.
  
Art. 130. Lorsqu'un conducteur de train cesse de travailler pour une entreprise ferroviaire ou le [1 gestionnaire de l'infrastructure]1, celle-ci ou celui-ci en informe sans délai l'autorité de sécurité.
  La licence de conducteur de train demeure valide aussi longtemps qu'il est satisfait aux examens et/ou contrôles prévus à l'article 129, alinéa 1er.
  
Art. 131. De vergunning van treinbestuurder wordt, ofwel geschorst, ofwel ingetrokken in de gevallen bedoeld in artikel 141, § 1, en in artikel 221, § 4, 1° en 2°.
Art. 131. La licence de conducteur de train est, soit suspendue, soit retirée dans les hypothèses visées à l'article 141, § 1er, et à l'article 221, § 4, 1° et 2°.
Art. 132. § 1. De veiligheidsinstantie :
  1° [1 houdt een register bij van alle afgegeven, bijgewerkte, vernieuwde, gewijzigde, vervallen, geschorste, ingetrokken of als verloren, gestolen of vernietigd opgegeven vergunningen van treinbestuurder. Dit register bevat voor iedere vergunning de in bijlage 7/1 voorgeschreven gegevens. Deze gegevens zijn beschikbaar door middel van het nationaal nummer dat aan elke bestuurder is toegewezen. Dit register wordt regelmatig bijgewerkt;]1
  2° verstrekt, op met redenen omkleed verzoek, inlichtingen over de status van dergelijke vergunningen aan de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten, aan het Bureau of aan iedere werkgever van treinbestuurders, inbegrepen, voor de toepassing van artikel 147, de vorige werkgever van de treinbestuurder.
  § 2. Elke treinbestuurder heeft toegang tot zijn gegevens die in het register van de veiligheidsinstantie zijn opgeslagen en op verzoek wordt hem een afschrift van die gegevens verstrekt.
  § 3. De veiligheidsinstantie werkt met het Bureau samen om de interoperabiliteit van het in § 1 bedoelde register te verzekeren.
  § 4. De veiligheidsinstantie zorgt ervoor dat het door haar krachtens § 1 aangelegde register enkel gebruikt wordt voor de volgende doelstellingen :
  1° het bijhouden van de feitelijke en juridische gegevens inzake afgifte, bijwerking, vernieuwing, verlenging, wijziging, verval, schorsing, intrekking, verlies, diefstal en vernietiging van alle vergunningen van treinbestuurder;
  2° het bijhouden van de door de Koning bepaalde persoonsgegevens die noodzakelijk zijn om te voldoen aan de onder 1° vermelde doelstelling.
  [2 Wanneer de veiligheidsinstantie optreedt overeenkomstig de bepalingen van dit artikel, leeft zij alle bepalingen van de Verordening (EU) 2016/679 en van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens na, behalve indien deze Spoorcodex hiervan afwijkt.]2
  § 5. De Koning bepaalt de regels die nodig zijn om het risico op beschadiging van de inhoud van het register bedoeld in dit artikel te vermijden.
  
Art. 132. § 1er. L'autorité de sécurité :
  1° [1 tient un registre de toutes les licences de conducteur de train délivrées, mises à jour, renouvelées, modifiées, expirées, suspendues, retirées ou déclarées perdues, volées ou détruites. Ce registre contient pour chaque licence les données indiquées à l'annexe 7/1. Ces données sont accessibles au moyen du numéro national attribué à chaque conducteur. Ce registre est mis à jour régulièrement;]1
  2° fournit, sur demande motivée, des renseignements sur l'état de telles licences aux autorités compétentes des autres Etats membres, à l'Agence ou à tout employeur de conducteurs de train, en ce compris, pour l'application de l'article 147, le précédent employeur du conducteur de train.
  § 2. Chaque conducteur de train a accès aux données le concernant qui sont stockées dans le registre de l'autorité de sécurité et il en obtient copie à sa demande.
  § 3. L'autorité de sécurité coopère avec l'Agence en vue d'assurer l'interopérabilité du registre prévu au § 1er.
  § 4. L'autorité de sécurité veille à ce que le registre qu'elle a créé en vertu du § 1er soit utilisé exclusivement pour les objectifs suivants :
  1° la tenue des éléments de fait et de droit en matière de délivrance, mise à jour, renouvellement, prorogation, modification, expiration, suspension, retrait, perte, vol et destruction de toutes les licences de conducteur de train;
  2° la tenue des données à caractère personnel déterminées par le Roi, qui sont nécessaires pour atteindre l'objectif visé au 1°.
  [2 Lorsque l'autorité de sécurité intervient conformément aux dispositions du présent article, elle respecte toutes les dispositions du Règlement (UE) 2016/679 et de la loi du 30 juillet 2018 relative à la protection des personnes physiques à l'égard des traitements de données à caractère personnel, sauf si le présent Code ferroviaire y déroge.]2
  § 5. Le Roi prend les dispositions nécessaires pour éviter les risques d'altération du contenu du registre visé au présent article.
  
Afdeling 3. - Bevoegdheidsbewijs
Section 3. - Attestation
Art. 134. Het bevoegdheidsbewijs wordt afgegeven door de spoorwegonderneming of door [1 de infrastructuurbeheerder]1 die de treinbestuurder in dienst heeft of contracteert.
  Het bevoegdheidsbewijs is eigendom van de onderneming of [1 de infrastructuurbeheerder]1. De treinbestuurders kunnen echter een eensluidend verklaard afschrift verkrijgen.
  Het bevoegdheidsbewijs is enkel geldig voor de infrastructuur en het rollend materieel die daarin worden vermeld.
  Ieder bevoegdheidsbewijs vermeldt de infrastructuur waarop de treinbestuurder mag rijden.
  Ieder bevoegdheidsbewijs vermeldt het rollend materieel waarmee de treinbestuurder mag rijden.
  Het bevoegdheidsbewijs laat het besturen toe van een trein in één of meer van de volgende categorieën :
  1° categorie A : rangeerlocomotieven, werktreinen, onderhoudsspoorwagens en alle andere locomotieven die gebruikt worden voor het rangeren;
  2° categorie B : vervoer van personen en/of goederen.
  Een bevoegdheidsbewijs kan een machtiging voor alle categorieën bevatten, die alle Europese codes voor de verschillende types van voormelde categorieën A en B, omvat.
  In afwijking van artikel 125, kan een spoorwegonderneming een treinbestuurder vrijstellen van de verplichting in het bezit te zijn van een geldig bevoegdheidsbewijs voor de betrokken infrastructuur, voor zover een andere treinbestuurder die wel in het bezit is van een dergelijk bevoegdheidsbewijs en die beschikt over de taalkennis die nodig is om met de vrijgestelde treinbestuurder te communiceren, tijdens het besturen naast de vrijgestelde treinbestuurder zit, en enkel in de volgende uitzonderlijke gevallen :
  1° wanneer [1 de infrastructuurbeheerder]1 vaststelt dat verstoringen van de spoordienst de omleiding van treinen of het onderhoud van de sporen noodzakelijk maken;
  2° voor uitzonderlijke eenmalige diensten waarvoor historische treinen worden gebruikt;
  3° voor uitzonderlijke eenmalige goederenvervoerdiensten, indien [1 de infrastructuurbeheerder]1 hiermee instemt;
  4° voor het afleveren of demonstreren van een nieuwe trein of locomotief;
  5° voor het opleiden en examineren van treinbestuurders.
  [1 De infrastructuurbeheerder]1 of de veiligheidsinstantie kunnen de beslissing om gebruik te maken van deze mogelijkheid niet opleggen.
  [1 De infrastructuurbeheerder]1 wordt voorafgaand op de hoogte gesteld telkens een beroep wordt gedaan op een bijkomende treinbestuurder zoals hierboven beschreven.
  
Art. 134. L'attestation est délivrée par l'entreprise ferroviaire ou le [1 gestionnaire de l'infrastructure]1 qui emploie le conducteur ou qui a passé un contrat avec lui.
  L'attestation appartient à l'entreprise ou au [1 gestionnaire de l'infrastructure]1. Néanmoins, les conducteurs peuvent en obtenir une copie certifiée conforme.
  L'attestation n'est valide que pour l'infrastructure et le matériel roulant qui y sont indiqués.
  Chaque attestation indique l'infrastructure sur laquelle le titulaire est autorisé à conduire.
  Chaque attestation indique le matériel roulant que le titulaire est autorisé à conduire.
  L'attestation autorise la conduite dans une ou plusieurs catégories parmi les suivantes :
  1° catégorie A : locomotives de manoeuvre, trains de travaux, véhicules ferroviaires d'entretien et toutes autres locomotives utilisées pour effectuer des manoeuvres;
  2° catégorie B : transport de personnes et/ou de marchandises.
  Une attestation peut contenir une autorisation pour toutes les catégories, couvrant tous les codes européens pour les différents types des catégories A et B visés ci-dessus.
  Par dérogation à l'article 125, une entreprise ferroviaire peut dispenser un conducteur de train de l'obligation d'être titulaire d'une attestation valide pour l'infrastructure concernée, dès lors qu'un autre conducteur de train, possédant une telle attestation et les connaissances linguistiques nécessaires à pouvoir communiquer avec le conducteur dispensé, se tient aux côtés du conducteur dispensé durant la conduite, et uniquement dans les cas exceptionnels énumérés ci-après :
  1° lorsque le [1 gestionnaire de l'infrastructure]1 constate qu'une perturbation du service ferroviaire impose de dévier des trains ou d'entretenir les voies;
  2° pour des services exceptionnels uniques pour lesquels des trains historiques sont utilisés;
  3° pour des services exceptionnels uniques de transport de marchandises, moyennant l'accord du [1 gestionnaire de l'infrastructure]1;
  4° pour la livraison ou la démonstration d'un nouveau train ou d'une nouvelle locomotive;
  5° aux fins de formation et d'examen des conducteurs de train.
  La décision de recourir à cette possibilité ne peut être imposée par le [1 gestionnaire de l'infrastructure]1 ou par l'autorité de sécurité.
  Chaque fois qu'il est fait appel à un conducteur supplémentaire comme prévu ci-dessus, le [1 gestionnaire de l'infrastructure]1 en est informé au préalable.
  
Art. 135. Een bevoegdheidsbewijs kan enkel worden verleend aan de houder van een vergunning van treinbestuurder.
  De houder van een bevoegdheidsbewijs houdt zich aan de taalvoorwaarden die door [1 de infrastructuurbeheerder]1 in functie van de lokalisatie van de infrastructuur waarvoor het bevoegdheidsbewijs wordt aangevraagd, zijn vastgesteld. De Koning bepaalt de wijze waarop de houder van het bevoegdheidsbewijs dient te voldoen aan de taalvoorwaarden, met dien verstande dat ten minste moet worden voldaan aan de kennis bedoeld in bijlage 12, 8.
  De kandidaat-treinbestuurder heeft met succes een examen afgelegd dat betrekking heeft op zijn vakkennis en vakbekwaamheid betreffende de infrastructuur waarvoor het bevoegdheidsbewijs wordt aangevraagd, alsmede op zijn taalkennis.
  De kandidaat-treinbestuurder heeft met succes een examen afgelegd dat betrekking heeft op zijn vakkennis en vakbekwaamheid betreffende de voertuigen waarvoor het bevoegdheidsbewijs wordt aangevraagd.
  De Koning bepaalt de materies waarvan de kennis beoordeeld wordt door middel van de examens bedoeld in het derde en vierde lid van dit artikel. Deze materies behoren ten minste tot de in bijlage 11 en 12 bedoelde materies.
  De Koning bepaalt de specifieke vakkennis bedoeld in het derde en vierde lid van dit artikel.
  De spoorwegonderneming of spoorweginfrastructuurbeheerder verstrekt aan de kandidaat-treinbestuurder een opleiding betreffende haar of zijn veiligheidsbeheersysteem.
  
Art. 135. Une attestation n'est délivrée qu'au titulaire d'une licence de conducteur de train.
  Le titulaire de l'attestation se conforme aux conditions linguistiques indiquées par le [1 gestionnaire de l'infrastructure]1 suivant la localisation de l'infrastructure pour laquelle l'attestation est demandée. Le Roi détermine la manière dont le titulaire de l'attestation doit remplir ces conditions linguistiques, étant entendu qu'elles comprennent au moins les connaissances visées à l'annexe 12, 8.
  Le candidat conducteur de train a réussi un examen portant sur ses connaissances et ses compétences professionnelles relatives à l'infrastructure pour laquelle l'attestation est demandée ainsi que sur ses connaissances linguistiques.
  Le candidat conducteur de train a réussi un examen sur ses connaissances et ses compétences professionnelles relatives aux véhicules pour lesquels l'attestation est demandée.
  Le Roi détermine les matières dont les examens visés aux alinéas 3 et 4 du présent article vérifient la maîtrise. Ces matières comprennent au moins celles indiquées aux annexes 11 et 12.
  Le Roi détermine les connaissances professionnelles spécifiques visées aux alinéas 3 et 4 du présent article.
  L'entreprise ferroviaire ou le [1 gestionnaire de l'infrastructure]1 dispense au candidat conducteur de train une formation en ce qui concerne son système de gestion de la sécurité.
  
Art. 136. In overeenstemming met deze Spoorcodex en zijn uitvoeringsbesluiten en als onderdeel van het veiligheidsbeheersysteem, stellen elke spoorwegonderneming en [2 de infrastructuurbeheerder]2 de voor afgifte of bijwerking van het bevoegdheidsbewijs te volgen eigen procedures op, alsook de beroepsprocedures die treinbestuurders in de mogelijkheid stellen om een herziening van een beslissing betreffende de afgifte, de bijwerking, de schorsing dan wel de intrekking van een bevoegdheidsbewijs te verzoeken.
  [1 Ingeval van onenigheid tussen de partijen bij een arbeidsverhouding kunnen zij de zaak aanhangig maken bij de Arbeidsrechtbank. ]1
  De spoorwegondernemingen of [2 de infrastructuurbeheerder]2 werken het bevoegdheidsbewijs onmiddellijk bij of vervangen het afschrift onmiddellijk, telkens wanneer de houder van het bevoegdheidsbewijs zijn afschrift heeft verloren of aanvullende machtigingen met betrekking tot het rollend materieel of de infrastructuur heeft verkregen.
  
Art. 136. Chaque entreprise ferroviaire et le [2 gestionnaire de l'infrastructure]2 établissent leurs propres procédures pour la délivrance et la mise à jour des attestations conformément au présent Code ferroviaire et à ses arrêtés d'exécution et les intègrent dans leur système de gestion de la sécurité, ainsi que les procédures de recours permettant aux conducteurs de train de demander la révision d'une décision relative à la délivrance, à la mise à jour, à la suspension ou au retrait d'une attestation.
  [1 En cas de désaccord entre les parties à la relation du travail, elles peuvent saisir le Tribunal du travail.]1
  Les entreprises ferroviaires ou le [2 gestionnaire de l'infrastructure]2 mettent à jour l'attestation, ou remplacent la copie, sans délai, chaque fois que le titulaire de l'attestation l'a perdue ou qu'il a obtenu de nouvelles autorisations relatives au matériel roulant ou à l'infrastructure.
  
Art. 137. Opdat een bevoegdheidsbewijs geldig zou blijven, onderwerpt de houder zich aan periodieke examens die betrekking hebben op de in artikel 135, tweede, derde en vierde lid, genoemde eisen. De frequentie van deze examens wordt bepaald door de spoorwegonderneming of [1 de infrastructuurbeheerder]1 die de treinbestuurder in dienst heeft of contracteert, in functie van haar of zijn veiligheidsbeheersysteem en met inachtneming van de minimale periodiciteiten die in bijlage 13 zijn vastgesteld.
  Bij elk van deze periodieke examens verklaart de instantie belast met de afgifte van het bevoegdheidsbewijs, door een vermelding op dit bevoegdheidsbewijs en in het in artikel 140, § 1, 1°, bedoelde register, dat de treinbestuurder aan de in het eerste lid bedoelde eisen voldoet.
  Indien een periodiek examen wordt overgeslagen of een negatief resultaat oplevert, nemen de spoorwegondernemingen of [1 de infrastructuurbeheerder]1 onmiddellijk de nodige maatregelen.
  
Art. 137. Afin qu'une attestation demeure valide, son titulaire se soumet à des examens périodiques portant sur les exigences énoncées à l'article 135, alinéas 2, 3 et 4. L'entreprise ferroviaire ou le [1 gestionnaire de l'infrastructure]1 qui emploie le conducteur ou qui a passé un contrat avec lui fixe la fréquence de ces examens en fonction de son propre système de gestion de la sécurité et compte tenu des périodicités minimales prévues à l'annexe 13.
  Pour chacun de ces examens périodiques, l'autorité chargée de la délivrance de l'attestation confirme, par une mention sur ladite attestation et dans le registre prévu à l'article 140, § 1er, 1°, que le conducteur de train satisfait aux exigences visées à l'alinéa 1er.
  Si l'intéressé manque un examen périodique ou y obtient un résultat négatif, les entreprises ferroviaires ou le [1 gestionnaire de l'infrastructure]1 prennent immédiatement les mesures nécessaires.
  
Art. 138. Een bevoegdheidsbewijs verliest zijn geldigheid wanneer de houder niet langer in dienst is als treinbestuurder. De treinbestuurder ontvangt echter wel een eensluidend verklaard afschrift van het bevoegdheidsbewijs en van alle documenten waaruit zijn opleiding, zijn kwalificaties, zijn ervaring en zijn vakbekwaamheden blijken.
  Bij het vervolgens afgeven van een nieuw bevoegdheidsbewijs aan een treinbestuurder, houdt de spoorwegonderneming of [1 de infrastructuurbeheerder]1 die de betrokken treinbestuurder zou aanwerven rekening met al deze documenten.
  
Art. 138. Une attestation perd sa validité lorsque son titulaire cesse d'être employé comme conducteur de train. Toutefois, le titulaire reçoit une copie certifiée conforme de l'attestation et de tous les documents prouvant sa formation, ses qualifications, son expérience et ses compétences professionnelles.
  Lorsqu'il/elle délivre par la suite une nouvelle attestation au conducteur de train, l'entreprise ferroviaire ou le [1 gestionnaire de l'infrastructure]1 qui viendrait à engager ledit conducteur de train tient compte de tous ces documents.
  
Art. 139. Het bevoegdheidsbewijs wordt, ofwel geschorst, ofwel ingetrokken :
  1° in de gevallen vermeld in artikel 141 en in artikel 221, § 4, 3° ;
  2° ingeval van schorsing of intrekking van de vergunning van treinbestuurder, voor welk motief dan ook.
Art. 139. L'attestation est, soit suspendue, soit retirée :
  1° dans les cas visés à l'article 141 et à l'article 221, § 4, 3° ;
  2° en cas de suspension ou de retrait de la licence de conducteur de train, pour quelque motif que ce soit.
Art. 140. § 1. Elke spoorwegonderneming en [3 de infrastructuurbeheerder]3 :
  1° [1 houden een register bij, of zorgen dat een register wordt bijgehouden, van alle afgegeven, bijgewerkte, vernieuwde, gewijzigd, vervallen, geschorste, ingetrokken of als verloren, gestolen of vernietigd opgegeven bevoegdheidsbewijzen. Dit register bevat voor ieder bevoegdheidsbewijs de in bijlage 7/1 voorgeschreven gegevens, alsook de gegevens betreffende de periodieke controles vermeld in artikel 137. Dit register wort regelmatig bijgewerkt;]1
  2° werken met de veiligheidsinstantie samen om met haar gegevens uit te wisselen en haar toegang te verlenen tot alle nodige informatie;
  3° verstrekken, op verzoek van de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten, inlichtingen betreffende de inhoud van de bevoegdheidsbewijzen, indien dit nodig is als gevolg van hun transnationale activiteiten.
  § 2. Elke treinbestuurder heeft toegang tot zijn gegevens die in het register van de spoorwegondernemingen of van [3 de infrastructuurbeheerder]3 zijn opgeslagen en op verzoek wordt hem een afschrift van die gegevens verstrekt.
  § 3. De veiligheidsinstantie werkt samen met het Bureau om de interoperabiliteit van het in § 1 bedoelde register te verzekeren.
  § 4. [3 De infrastructuurbeheerder]3 en de spoorwegondernemingen zorgen ervoor dat het door hen krachtens § 1 aangelegde register enkel gebruikt wordt voor de volgende doelstellingen :
  1° het bijhouden van de feitelijke en juridische gegevens inzake afgifte, bijwerking, verlenging, vernieuwing, wijziging, verval, schorsing, intrekking, verlies, diefstal en vernietiging van alle bevoegdheidsbewijzen of afschriften van bevoegdheidsbewijzen;
  2° het bijhouden van de door de Koning bepaalde persoonsgegevens die noodzakelijk zijn om te voldoen aan de onder 1° vermelde doelstelling.
  [2 Wanneer de infrastructuurbeheerder en de spoorwegondernemingen optreden overeenkomstig de bepalingen van dit artikel, leven zij alle bepalingen van de Verordening (EU) 2016/679 en van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens na, behalve indien deze Spoorcodex hiervan afwijkt.]2
  § 5. De Koning bepaalt de regels die nodig zijn om het risico op beschadiging van de inhoud van het register bedoeld in dit artikel te vermijden.
  
Art. 140. § 1er. Chaque entreprise ferroviaire et le [3 gestionnaire de l'infrastructure]3 :
  1° [1 tiennent ou veillent à ce que soit tenu un registre de toutes les attestations délivrées, mises à jour, renouvelées, modifiées, expirées, suspendues, retirées ou déclarées perdues, volées ou détruites. Ce registre contient pour chaque attestation les données indiquées à l'annexe 7/1 ainsi que les données relatives aux vérifications périodiques prévues à l'article 137. Ce registre est mis à jour régulièrement;]1
  2° coopèrent avec l'autorité de sécurité afin d'échanger des informations avec elle et lui donner accès aux données nécessaires;
  3° fournissent, à la demande des autorités compétentes des autres Etats membres, des renseignements sur le contenu des attestations, lorsque cela s'impose en raison de leurs activités transnationales.
  § 2. Chaque conducteur de train a accès aux données le concernant qui sont stockées dans le registre des entreprises ferroviaires ou du [3 gestionnaire de l'infrastructure]3 et il peut, à sa demande, obtenir copie de ces données.
  § 3. L'autorité de sécurité coopère avec l'Agence en vue d'assurer l'interopérabilité du registre visé au § 1er.
  § 4. Le [3 gestionnaire de l'infrastructure]3 et les entreprises ferroviaires veillent à ce que le registre qu'ils ont créé en vertu du § 1er soit utilisé exclusivement pour les objectifs suivants :
  1° la tenue des éléments de fait et de droit en matière de délivrance, mise à jour, prorogation, renouvellement, modification, expiration, suspension, retrait, perte, vol et destruction de toutes les attestations de conduite ou copies des attestations de conduite;
  2° la tenue des données à caractère personnel déterminées par le Roi, qui sont nécessaires pour atteindre l'objectif visé au 1°.
  [2 Lorsque le gestionnaire de l'infrastructure et les entreprises ferroviaires interviennent conformément aux dispositions du présent article, ils respectent toutes les dispositions du Règlement (UE) 2016/679 et de la loi du 30 juillet 2018 relative à la protection des personnes physiques à l'égard des traitements de données à caractère personnel, sauf si le présent Code ferroviaire y déroge.]2
  § 5. Le Roi prend les dispositions nécessaires pour éviter les risques d'altération du contenu du registre visé au présent article.
  
Afdeling 4. - Toezicht op treinbestuurders door spoorwegondernemingen en [1 de infrastructuurbeheerder]1
Section 4. - Suivi des conducteurs de train par les entreprises ferroviaires et le [1 gestionnaire de l'infrastructure]1
Art. 141. § 1. De spoorwegondernemingen en [1 de infrastructuurbeheerder]1 zijn verplicht erop toe te zien en na te zien dat de vergunningen en bevoegdheidsbewijzen van de treinbestuurders die zij in dienst hebben of contracteren, geldig zijn.
  Zij voeren een systeem in voor het toezicht op hun treinbestuurders. Indien de resultaten van dit toezicht aanleiding geven tot twijfel over de bekwaamheid van een treinbestuurder om zijn werk uit te voeren en over het behoud van zijn vergunning of bevoegdheidsbewijs, dan nemen de spoorwegondernemingen of [1 de infrastructuurbeheerder]1 onmiddellijk de nodige maatregelen.
  § 2. Indien een treinbestuurder meent dat zijn gezondheidstoestand aanleiding geeft tot twijfels over zijn arbeidsgeschiktheid, dan stelt hij, naargelang het geval, de spoorwegonderneming of [1 de infrastructuurbeheerder]1 daar onmiddellijk van in kennis.
  Zodra de spoorwegonderneming of [1 de infrastructuurbeheerder]1 constateert, of er door een arts van in kennis wordt gesteld, dat de gezondheid van een treinbestuurder zodanig is verslechterd dat er aanleiding is te twijfelen aan zijn arbeidsgeschiktheid, dan neemt zij of hij onmiddellijk de nodige maatregelen, met inbegrip van een onderzoek zoals voorzien in bijlage 8, 3.1. en, zo nodig, de intrekking van het bevoegdheidsbewijs alsook de bijwerking van het in artikel 140, § 1, 1° bedoelde register. Daarnaast waarborgt hij dat de treinbestuurder tijdens de dienst op geen enkel moment onder invloed verkeert van welke stof dan ook, die zijn concentratievermogen, waakzaamheid of gedrag zou kunnen beïnvloeden. Van elk geval van arbeidsongeschiktheid die langer duurt dan drie maanden, wordt de veiligheidsinstantie onmiddellijk in kennis gesteld.
  De Koning kan nadere regels met betrekking tot het in het tweede lid van deze paragraaf bedoelde keuring bepalen.
  
Art. 141. § 1er. Les entreprises ferroviaires et le [1 gestionnaire de l'infrastructure]1 sont tenus de s'assurer et de vérifier que les licences de conducteur de train et les attestations des conducteurs de train qu'ils emploient ou avec lesquels ils ont passé un contrat sont valides.
  Ils mettent en place un système de suivi de leurs conducteurs de train. Si les résultats de ce suivi mettent en question les compétences d'un conducteur de train pour exercer son emploi et le maintien de sa licence ou de son attestation, l'entreprise ferroviaire ou le [1 gestionnaire de l'infrastructure]1 prend immédiatement les mesures nécessaires.
  § 2. Lorsqu'un conducteur de train considère que son état de santé remet en cause son aptitude à exercer son emploi, il en informe immédiatement l'entreprise ferroviaire ou le [1 gestionnaire de l'infrastructure]1, selon le cas.
  Dès qu'une entreprise ferroviaire ou un [1 gestionnaire de l'infrastructure]1 constate ou est informé par un médecin que l'état de santé d'un conducteur de train s'est détérioré de telle manière que son aptitude à exercer son emploi est mise en cause, elle ou il prend immédiatement les mesures nécessaires, y compris un examen comme prévu par l'annexe 8, 3.1. et, si nécessaire, le retrait de l'attestation ainsi que la mise à jour du registre prévue à l'article 140, § 1er, 1°. En outre, il veille à ce qu'à aucun moment durant son service, le conducteur de train ne soit sous l'influence d'une substance susceptible d'affecter sa concentration, sa vigilance ou son comportement. L'autorité de sécurité est informée, sans délai, de tout cas d'incapacité de travail dont la durée est supérieure à trois mois.
  Le Roi peut déterminer les modalités de l'examen visé à l'alinéa 2 du présent paragraphe.
  
Afdeling 5. - Taken en beslissingen van de veiligheidsinstantie
Section 5. - Tâches et décisions de l'autorité de sécurité
Art. 142. § 1. Onverminderd [2 artikel 74, 10° en 11°]2, vervult de veiligheidsinstantie de volgende taken op een transparante en niet-discriminerende wijze :
  1° afgeven en bijwerken van vergunningen en het verstrekken van duplicaten, overeenkomstig de artikelen 126 en 128;
  2° zich verzekeren van de organisatie van de periodieke onderzoeken en/of keuringen, overeenkomstig artikel 129;
  3° schorsen en intrekken van vergunningen, en toezenden aan de uitgever van het betrokken bevoegdheidsbewijs, van met redenen omklede verzoeken tot schorsing van bevoegdheidsbewijzen, overeenkomstig artikel 221;
  4° erkennen van personen of instellingen overeenkomstig de artikelen 145, 146 en 149;
  5° ervoor zorgen dat een register van erkende personen en instellingen wordt bekendgemaakt en dat dit register wordt bijgewerkt, overeenkomstig artikel 143 en artikel 149;
  6° bijhouden en bijwerken van een register van vergunningen overeenkomstig de artikelen 129 en 132, § 1, 1° ;
  7° toezien op het in artikel 219 bedoelde certificeringsproces voor treinbestuurders;
  8° uitvoeren van inspecties als bedoeld in artikel 221;
  9° erkennen van personen of instellingen belast met het medisch onderzoek en het bedrijfspsychologisch onderzoek, zoals bedoeld in artikel 127, vierde en vijfde lid.
  § 2. De veiligheidsinstantie reageert snel op verzoeken om informatie en doet zo nodig zelf onmiddellijk een verzoek om aanvullende informatie in het kader van de behandeling van de aanvragen van vergunningen.
  § 3. [1 In geval van meningsverschil aangaande een beslissing van de veiligheidsinstantie betreffende een aanvraag in [2 titel 5, hoofdstuk 1]2 kan de treinbestuurder of zijn werkgever een herziening van de beslissing vragen.
   Op straffe van onontvankelijkheid dient hij de aanvraag tot herziening, naar behoren gemotiveerd, in bij de veiligheidsinstantie per aangetekende zending binnen een termijn van een maand volgend op de kennisgeving van de beslissing.
   Na deze termijn is de beslissing definitief.
   De veiligheidsinstantie neemt een beslissing binnen twee maanden na ontvangst van de aanvraag tot herziening.]1

  
Art. 142. § 1er. Sans préjudice de l' [2 article 74, 10° et 11°]2, l'autorité de sécurité accomplit les tâches suivantes de manière transparente et non discriminatoire :
  1° délivrer et mettre à jour les licences et en fournir des duplicatas, conformément aux articles 126 et 128;
  2° s'assurer de la mise en oeuvre des examens et/ou contrôles périodiques, conformément à l'article 129;
  3° suspendre et retirer les licences et communiquer à l'émetteur de l'attestation en cause les demandes motivées de suspension des attestations, conformément à l'article 221;
  4° reconnaître les personnes ou organismes conformément aux articles 145, 146 et 149;
  5° veiller à la publication et à la mise à jour d'un registre de personnes et d'organismes reconnus conformément à l'article 143 et à l'article 149;
  6° tenir et mettre à jour un registre de licences conformément à l'article 129 et à l'article 132, § 1er, 1° ;
  7° contrôler le processus de certification des conducteurs de train conformément à l'article 219;
  8° effectuer les contrôles prévus à l'article 221;
  9° reconnaître les personnes ou organismes chargés de l'examen médical et de l'examen psychologique sur le plan professionnel, visés à l'article 127, alinéas 4 et 5.
  § 2. L'autorité de sécurité répond rapidement aux demandes d'information et elle introduit elle-même sans délai toute demande d'information complémentaire dans le cadre du traitement des demandes de licences.
  § 3. [1 En cas de désaccord avec une décision de l'autorité de sécurité relative à une demande visée au [2 titre 5, chapitre 1er]2, le conducteur de train concerné ou son employeur peut demander la révision de la décision.
   Sous peine d'irrecevabilité, il introduit la demande de révision, dûment motivée, auprès de l'autorité de sécurité par envoi recommandé dans un délai d'un mois à dater de la notification de la décision.
   Après ce délai, la décision est définitive.
   L'autorité de sécurité statue dans les deux mois de la réception de la demande de révision.]1

  
Afdeling 6. - Opleiding en examinering van de treinbestuurders
Section 6. - Formation et examen des conducteurs de train
Art. 143. De opleiders of opleidingscentra worden erkend door de veiligheidsinstantie voor de taken vermeld in de artikelen 145, eerste lid, en 146, eerste en tweede lid.
  [1 Onverminderd artikel 124/2, paragraaf 1, tweede lid, verplicht de erkenning de opleiders of opleidingscentra ertoe op billijke en niet-discriminerende wijze toegang te verlenen tot de opleidingsdiensten telkens deze opleiding noodzakelijk is om te voldoen aan de verkrijgingsvoorwaarden van het uniek veiligheidscertificaat of, desgevallend, van de veiligheidsvergunning.]1
  [1 Onverminderd artikel 124/2, paragraaf 1, tweede lid, verplicht de erkenning de opleiders of opleidingscentra ertoe kwalitatieve opleidingsdiensten ter beschikking te stellen van de spoorwegondernemingen en van de infrastructuurbeheerder tegen een redelijke, niet-discriminerende prijs, die kostengerelateerd is en een winstmarge kan hebben.]1
  De erkenning geschiedt op basis van de beoordeling van het dossier en berust op criteria van onafhankelijkheid, bekwaamheid en onpartijdigheid. In gevallen waarin de gezochte specifieke bekwaamheid uiterst zeldzaam is, is echter een uitzondering op deze regel toegestaan nadat de Europese Commissie een positief advies heeft verleend.
  Het criterium van onafhankelijkheid is niet van toepassing op opleidingstaken met betrekking tot :
  1° algemene vakkennis, bedoeld in bijlage 10;
  2° taalkennis, bedoeld in bijlage 12, 8;
  3° vakkennis met betrekking tot het rollend materieel, bedoeld in bijlage 11;
  4° vakkennis betreffende de infrastructuur, bedoeld in bijlage 12, 1 tot 7.
  De veiligheidsinstantie zorgt ervoor dat het register van personen of instellingen die op grond van dit artikel werden erkend, wordt gepubliceerd en bijgewerkt. De Koning bepaalt de nadere regels van bekendmaking en bijwerking van dit register.
  De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de nadere regels voor de organisatie en de minimuminhoud van de opleiding bedoeld in dit artikel, alsook de nadere regels voor de afgifte van de documenten die bewijskracht hebben met betrekking tot de opleiding die werd gevolgd door de treinbestuurders en kandidaat-treinbestuurders.
  De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de voorwaarden waaraan de opleiders en opleidingscentra moeten voldoen om te worden erkend, alsmede de erkenningsprocedure en de procedure voor aanpassing, vernieuwing, schorsing en intrekking van de erkenning.
  
Art. 143. Les formateurs ou centres de formation sont reconnus par l'autorité de sécurité aux fins des tâches visées aux articles 145, alinéa 1er, et 146, alinéas 1er et 2.
  [1 Sans préjudice de l'article 124/2, paragraphe 1er, alinéa 2, la reconnaissance impose aux formateurs ou centres de formation de fournir un accès équitable et non discriminatoire aux services de formation des conducteurs de train chaque fois que cette formation est nécessaire pour remplir les conditions d'obtention du certificat de sécurité unique ou, le cas échéant, de l'agrément de sécurité.]1
  [1 Sans préjudice de l'article 124/2, paragraphe 1er, alinéa 2, la reconnaissance impose aux formateurs ou centres de formation de mettre des services de formation de qualité à la disposition des entreprises ferroviaires et du gestionnaire de l'infrastructure à un prix raisonnable et non discriminatoire, qui soit en rapport avec les coûts et puisse inclure une marge bénéficiaire.]1
  La reconnaissance est réalisée sur la base de l'évaluation du dossier et se fonde sur des critères d'indépendance, de compétence et d'impartialité. Toutefois, lorsqu'une compétence spécifique recherchée est extrêmement rare, il peut être dérogé à cette règle après avis favorable de la Commission européenne.
  Le critère d'indépendance ne s'applique pas aux tâches de formation relatives :
  1° aux connaissances professionnelles générales, visées à l'annexe 10;
  2° aux connaissances linguistiques, visées à l'annexe 12, 8;
  3° aux connaissances professionnelles relatives au matériel roulant, visées à l'annexe 11;
  4° aux connaissances professionnelles relatives à l'infrastructure, visées à l'annexe 12, 1 à 7.
  L'autorité de sécurité veille à la publication et à la mise à jour du registre des personnes ou organismes qui ont été reconnus conformément au présent article. Le Roi détermine les modalités de publication et de mise à jour de ce registre.
  Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, les modalités d'organisation et le contenu minimal de la formation visée au présent article, ainsi que les modalités de la délivrance des documents faisant foi concernant la formation suivie par les conducteurs de train et candidats conducteurs de train.
  Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, les conditions que les formateurs et les centres de formations doivent remplir pour être reconnus, la procédure de reconnaissance et la procédure pour l'adaptation, le renouvellement, la suspension et le retrait de la reconnaissance.
  
Art. 144. [1 De opleiding van treinbestuurders omvat een deel dat betrekking heeft op de vergunning van treinbestuurder, dat handelt over de algemene vakkennis, en een deel dat betrekking heeft op het bevoegdheidsbewijs, dat handelt over de specifieke vakkennis.
   Overeenkomstig artikel 124/2, paragraaf 1, hebben de kandidaat-treinbestuurders op billijke en niet-discriminerende wijze toegang tot de opleiding die nodig is om te voldoen aan de verwervingsvoorwaarden van de vergunning en het bevoegdheidsbewijs.]1

  
Art. 144. [1 La formation des conducteurs de train comprend un volet relatif à la licence de conducteur de train, qui porte sur les connaissances professionnelles générales, et un volet relatif à l'attestation, qui porte sur les connaissances professionnelles spécifiques.
   Conformément à l'article 124/2, paragraphe 1er, les candidats conducteurs de train ont un accès équitable et non discriminatoire à la formation nécessaire pour satisfaire aux conditions d'obtention de la licence et de l'attestation.]1

  
Art. 145. De opleidingstaken die betrekking hebben op de algemene vakkennis bedoeld in artikel 127, zevende lid, worden verricht door opleiders of opleidingscentra die erkend zijn overeenkomstig artikel 143.
  Wat de vergunning van treinbestuurder betreft, blijft het algemene stelsel voor de erkenning van beroepskwalificaties zoals bepaald bij de Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties van toepassing op de erkenning van de beroepskwalificaties van treinbestuurders die onderdaan van een lidstaat zijn en hun opleidingsbewijs in een derde land hebben behaald.
Art. 145. Les tâches de formation liées aux connaissances professionnelles générales prévues à l'article 127, alinéa 7, sont accomplies par des formateurs ou des centres de formation reconnus conformément à l'article 143.
  En ce qui concerne la licence de conducteur de train, le système général de reconnaissance des qualifications professionnelles établi par la Directive 2005/36/CE du Parlement européen et du Conseil du 7 septembre 2005 relative à la reconnaissance des qualifications professionnelles continue à s'appliquer à la reconnaissance des qualifications professionnelles des conducteurs de train ressortissants d'un Etat membre qui ont obtenu leur attestation de formation dans un pays tiers.
Art. 146. De opleidingstaken die betrekking hebben op de taalkennis bedoeld in artikel 135, derde lid, en op de vakbekwaamheid met betrekking tot rollend materiaal bedoeld in artikel 135, vierde lid, worden verricht door opleiders of opleidingscentra die erkend zijn overeenkomstig artikel 143.
  De opleidingstaken die betrekking hebben op de kennis van infrastructuur bedoeld in artikel 135, derde lid, met inbegrip van kennis van spoorlijnen, exploitatievoorschriften en -procedures, worden verricht door opleiders of opleidingscentra die erkend zijn overeenkomstig artikel 143.
  Er wordt een permanent opleidingssysteem gerealiseerd om te zorgen dat het personeel ter zake deskundig blijft, overeenkomstig bijlage 5, 2.1, e).
Art. 146. Les tâches de formation liées aux connaissances linguistiques prévues à l'article 135, alinéa 3, et aux compétences professionnelles relatives au matériel roulant prévues à l'article 135, alinéa 4, sont accomplies par des formateurs ou des centres de formation reconnus conformément à l'article 143.
  Les tâches de formation liées à la connaissance de l'infrastructure prévues à l'article 135, alinéa 3, y compris les itinéraires et les règles et procédures d'exploitation, sont accomplies par des formateurs ou des centres de formation reconnus conformément à l'article 143.
  Un système de formation continue est mis en place pour faire en sorte que les compétences du personnel soient maintenues, conformément à l'annexe 5, 2.1, e).
Art. 147. In het geval dat een treinbestuurder van een spoorwegonderneming of een spoorweginfrastructuurbeheerder vrijwillig vertrekt naar een andere spoorwegonderneming of spoorweginfrastructuurbeheerder, betaalt die andere spoorwegonderneming of spoorweginfrastructuurbeheerder een vergoeding aan de voormalige werkgever om de door deze gedane investeringen voor de opleiding van de betrokken treinbestuurder te compenseren.
  De in het eerste lid bedoelde vergoeding wordt vastgesteld op redelijke basis, met inachtneming van :
  1° het tijdsverloop tussen het einde van de opleiding en de aanwerving van de treinbestuurder;
  2° het onmiddellijk nut van de opleiding voor de nieuwe werkgever.
Art. 147. Dans l'hypothèse où un conducteur de train d'une entreprise ferroviaire ou d'un [1 gestionnaire de l'infrastructure]1 quitterait volontairement son emploi pour une autre entreprise ferroviaire ou [1 gestionnaire de l'infrastructure]1, cette autre entreprise ferroviaire ou [1 gestionnaire de l'infrastructure]1 paye une indemnité à l'ancien employeur afin de compenser les investissements consentis par cet ancien employeur dans la formation dudit conducteur de train.
  L'indemnité visée à l'alinéa 1er est fixée raisonnablement, en prenant en considération :
  1° le délai entre la fin de la formation et l'engagement du conducteur de train;
  2° l'utilité directe de la formation pour le nouvel employeur.
  
Art. 148. De Koning bepaalt de methode van de opleiding bedoeld in deze afdeling, in overeenstemming met de in bijlage 9 vermelde criteria.
  De Koning bepaalt de gedetailleerde doelstellingen van de opleiding bedoeld in deze afdeling, in overeenstemming met de in bijlage 10 vermelde criteria voor de vergunning van treinbestuurder en de in bijlagen 11 en 12 vermelde criteria voor het bevoegdheidsbewijs.
Art. 148. Le Roi détermine la méthode de formation visée à la présente section, conformément aux critères de l'annexe 9.
  Le Roi détermine les objectifs détaillés de la formation visée à la présente section conformément aux critères de l'annexe 10 pour la licence de conducteur de train et aux annexes 11 et 12 pour l'attestation.
Art. 149. De examinatoren of examencentra worden erkend door de veiligheidsinstantie.
  In afwijking van het eerste lid, kan de veiligheidsinstantie opleidingscentra belasten met de erkenning van hun eigen examinatoren, op voorwaarde dat zij voldoen aan de bekwaamheidseisen bepaald in deze Spoorcodex en haar uitvoeringsbesluiten.
  De erkenning geschiedt op basis van de beoordeling van het dossier en berust op criteria van onafhankelijkheid, bekwaamheid en onpartijdigheid. In gevallen waarin de gezochte specifieke bekwaamheid uiterst zeldzaam is, is echter een uitzondering op deze regel toegestaan nadat de Europese Commissie een positief advies heeft verleend.
  De veiligheidsinstantie zorgt ervoor dat het register van personen of instellingen die op grond van dit artikel werden erkend, wordt gepubliceerd en bijgewerkt. De Koning bepaalt de nadere regels van bekendmaking, bijwerking en kennisname van dit register en van het verkrijgen van een afschrift van de erin opgeslagen gegevens. Met oog op de bijwerking van dit register informeert het opleidingscentrum onmiddellijk de veiligheidsinstantie over elke wijziging van de gegevens met betrekking tot de door hun erkende examinatoren.
  Voor het deel dat betrekking heeft op de vergunning van treinbestuurder wordt de inhoud van de examens voor het behalen van de vereiste vakbekwaamheden vastgesteld en worden de examinatoren aangewezen door de veiligheidsinstantie bij de vaststelling van de procedure die wordt gevolgd voor het verkrijgen van de vergunning overeenkomstig artikel 128, eerste lid.
  Voor het deel dat betrekking heeft op het bevoegdheidsbewijs wordt de inhoud van de examens voor het behalen van de vereiste vakbekwaamheden vastgesteld en worden de examinatoren aangewezen door de spoorwegonderneming of [2 de infrastructuurbeheerder]2 bij de vaststelling van de procedure die wordt gevolgd voor het verkrijgen van het bevoegdheidsbewijs overeenkomst artikel 136.
  De in het vijfde en zesde lid bedoelde examens worden zodanig georganiseerd dat belangenconflicten worden vermeden.
  Wat de in het zesde lid bedoelde examens betreft, mag de erkende examinator of het erkend opleidingscentrum deel uitmaken van de spoorwegonderneming of van [2 de infrastructuurbeheerder]2 die het bevoegdheidsbewijs afgeeft.
  De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de nadere regels voor de organisatie en de minimuminhoud van de examens bedoeld in dit artikel, alsook de nadere regels voor de afgifte van de documenten die bewijskracht hebben met betrekking tot de examens die werden afgelegd door de treinbestuurders en kandidaat-treinbestuurders.
  De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de voorwaarden waaraan de examinatoren moeten voldoen om te worden erkend, alsmede de erkenningsprocedure en de procedure voor aanpassing, vernieuwing, schorsing en intrekking van de erkenning.
  Ter afsluiting van de opleiding wordt een theorie- en praktijkexamen georganiseerd. De rijvaardigheid wordt beoordeeld aan de hand van een rijproef op het [1 net]1. Ook kan van simulators gebruik worden gemaakt om na te gaan of de treinbestuurder onder bijzonder moeilijke omstandigheden goed presteert en de exploitatievoorschriften juist toepast.
  
Art. 149. Les examinateurs ou centres d'examen sont reconnus par l'autorité de sécurité.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, l'autorité de sécurité peut charger les centres de formation de la reconnaissance de leurs propres examinateurs, à la condition qu'ils satisfassent aux exigences de compétence déterminées par le présent Code ferroviaire et ses arrêtés d'exécution.
  La reconnaissance est réalisée sur la base de l'évaluation du dossier et se fonde sur des critères d'indépendance, de compétence et d'impartialité. Toutefois, lorsqu'une compétence spécifique recherchée est extrêmement rare, il peut être dérogé à cette règle après avis favorable de la Commission européenne.
  L'autorité de sécurité veille à la publication et à la mise à jour du registre des personnes ou organismes qui ont été reconnus conformément au présent article. Le Roi détermine les modalités de publication, de mise à jour et de prise de connaissance de ce registre, ainsi que les modalités d'obtention d'une copie des données y mémorisées. En vue de la mise à jour de ce registre, les centres de formation avertissent immédiatement l'autorité de sécurité de toute modification des données concernant les examinateurs qu'ils reconnaissent.
  Pour le volet relatif à la licence de conducteur de train, le contenu des examens destinés à vérifier les qualifications requises est déterminé et les examinateurs sont désignés par l'autorité de sécurité lors de l'établissement de la procédure à suivre pour obtenir la licence conformément à l'article 128, alinéa 1er.
  Pour le volet relatif à l'attestation, le contenu des examens destinés à vérifier les qualifications requises est déterminé et les examinateurs sont désignés par les entreprises ferroviaires ou le [1 gestionnaire de l'infrastructure]1 lors de l'établissement de la procédure à suivre pour obtenir l'attestation conformément à l'article 136.
  Les examens visés aux alinéas 5 et 6 sont organisés de façon à garantir l'absence de tout conflit d'intérêts.
  Pour ce qui concerne les examens visés à l'alinéa 6, l'examinateur ou le centre de formation reconnu peut faire partie de l'entreprise ferroviaire ou du [1 gestionnaire de l'infrastructure]1 délivrant l'attestation.
  Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, les modalités d'organisation et le contenu minimal des examens visés au présent article, ainsi que les modalités de la délivrance des documents faisant foi concernant les examens passés par les conducteurs de train et candidats conducteurs de train.
  Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, les conditions que les examinateurs doivent remplir pour être reconnus, la procédure de reconnaissance et la procédure pour l'adaptation, le renouvellement, la suspension et le retrait de la reconnaissance.
  Des examens théoriques et pratiques sont organisés à la fin de la formation. L'aptitude à la conduite est évaluée lors de tests de conduite effectués sur le réseau. Des simulateurs peuvent être utilisés pour tester la prestation du conducteur de train dans des situations particulièrement difficiles et son application correcte des règles d'exploitation.
  
HOOFDSTUK 2. - Begeleiders van reizigerstreinen
CHAPITRE 2. - Accompagnateurs de trains de voyageurs
Art. 151/1. [1 De spoorwegondernemingen voeren eigen processen in voor de certificering van begeleiders van reizigerstreinen.
   Zij nemen deze processen op in hun veiligheidsbeheersysteem.
   Deze processen zijn in overeenstemming met Uitvoeringsverordening (EU) 2019/773 van de Commissie van 16 mei 2019 betreffende de technische specificaties inzake interoperabiliteit van het subsysteem exploitatie en verkeersleiding van het spoorwegsysteem in de Europese Unie en tot intrekking van Besluit 2012/757/EU en aan andere toepasselijke Europese regels.]1

  
Art. 151/1. [1 Les entreprises ferroviaires mettent en place leurs propres processus pour la certification des accompagnateurs de trains de voyageurs.
   Elles intègrent ces processus dans leur système de gestion de la sécurité.
   Ces processus sont conformes au Règlement d'exécution (UE) 2019/773 de la Commission du 16 mai 2019 concernant la spécification technique d'interopérabilité relative au sous-système "Exploitation et gestion du trafic" du système ferroviaire au sein de l'Union européenne et abrogeant la décision 2012/757/UE et aux autres règles européennes applicables.]1

  
HOOFDSTUK 3. - Bescherming van de persoonlijke levenssfeer
CHAPITRE 3. - Protection de la vie privée
Art. 152. [1 Alvorens gebruik te maken van één of meerdere van de machtigingen waarin deze titel voorziet, vraagt de Koning het advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit.
   In afwijking van artikel 26, paragraaf 1, tweede lid, van de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit, brengt de Gegevensbeschermingsautoriteit haar advies uit binnen dertig dagen nadat alle daartoe noodzakelijke gegevens aan haar zijn meegedeeld.]1

  
Art. 152. [1 Avant de faire usage de l'une ou de plusieurs des habilitations prévues dans le présent titre, le Roi demande l'avis de l'Autorité de protection des données.
   En dérogation à l'article 26, paragraphe 1er, alinéa 2, de la loi du 3 décembre 2017 portant création de l'Autorité de protection des données, l'Autorité de protection des données émet son avis dans un délai de trente jours après que toutes les données nécessaires à cet effet lui ont été communiquées.]1

  
TITEL 6. - Interoperabiliteit van het spoorwegsysteem in de Europese unie
TITRE 6. - Interopérabilité du système ferroviaire au sein de l'Union européenne
HOOFDSTUK 1. - Essentiële eisen
CHAPITRE 1er. - Exigences essentielles
Art. 153. Het spoorwegsysteem, de subsystemen, de interoperabiliteitsonderdelen, inclusief de interfaces, voldoen aan de erop van toepassing zijnde essentiële eisen.
  De veiligheidsinstantie mag het in artikel 29 van de Richtlijn 2008/57/EG bedoelde comité raadplegen als blijkt dat een TSI, na aanneming ervan, niet geheel voldoet aan de essentiële eisen.
Art. 153. Le système ferroviaire, les sous-systèmes, les constituants d'interopérabilité, y compris les interfaces, satisfont aux exigences essentielles les concernant.
  L'autorité de sécurité peut consulter le comité visé à l'article 29 de la Directive 2008/57/CE si, après l'adoption d'une STI, il apparaît qu'elle ne satisfait pas entièrement aux exigences essentielles.
HOOFDSTUK 2. - Technische specificaties inzake interoperabiliteit
CHAPITRE 2. - Specifications techniques d'interoperabilité
Afdeling 1. - Inhoud
Section 1er. - Contenu
Art. 154. Elk subsysteem [1 beschreven in de bijlage 15]1 maakt het voorwerp uit van één of, indien nodig, meerdere TSI's.
  Eén TSI kan meerdere subsystemen bestrijken.
  
Art. 154. Chaque sous-système [1 décrit dans l'annexe 15]1 fait l'objet d'une STI ou, s'il y a lieu, de plusieurs STI.
  Une STI peut couvrir plusieurs sous-systèmes.
  
Art. 155. [1 Vaste subsystemen voldoen aan de op het moment van de aanvraag voor een vergunning tot indienststelling geldende TSI's en nationale voorschriften.
   Voertuigen voldoen aan de TSI's en nationale voorschriften die gelden op het moment van de aanvraag voor een vergunning voor het in de handel brengen.
   De gebruikers van vaste subsystemen en voertuigen handhaven voortdurend hun conformiteit, bedoeld in het eerste en tweede lid, tijdens het gebruik.
   Elke TSI duidt de bepalingen aan die van toepassing zijn op bestaande subsystemen en voertuigen, met name bij het verbeteren en vernieuwen ervan en in zulke gevallen op de aanpassingswerken ervan waarvoor een aanvraag voor een nieuwe vergunning nodig is.]1

  
Art. 155. [1 Les sous-systèmes fixes satisfont aux STI et aux règles nationales en vigueur au moment de la demande d'autorisation de mise en service.
   Les véhicules satisfont aux STI et aux règles nationales en vigueur au moment de la demande d'autorisation de mise sur le marché.
   Les utilisateurs de sous-systèmes fixes et de véhicules maintiennent en permanence leur conformité visée aux alinéas 1er et 2 au cours de leur utilisation.
   Chaque STI indique les dispositions applicables aux sous-systèmes fixes et véhicules existants, en particulier en cas de réaménagement et de renouvellement et, dans ces cas, les travaux de modification qui nécessitent une demande de nouvelle autorisation.]1

  
Afdeling 2. - Uitbreiding van het toepassingsgebied van de TSI's
Section 2. - Extension du champ d'application des STI
Afdeling 3. [1 - Niet-toepassing van een TSI]1
Section 3. [1 - Non-application d'une STI]1
Art. 159. [1 § 1. De veiligheidsinstantie kan in de volgende gevallen de aanvrager toestaan om één of meer TSI's niet toe te passen:
   1° voor een project voor een nieuw subsysteem of een deel ervan, de vernieuwing of de verbetering van een bestaand subsysteem of een deel ervan, of elk element van het spoorwegsysteem, dat zich op de datum waarop de betrokken TSI's van toepassing worden, in een vergevorderde ontwikkelingsfase bevindt of waarvoor op dat moment een uitvoeringsovereenkomst loopt;
   2° voor elk project tot vernieuwing, uitbreiding of verbetering van een bestaand subsysteem of een deel ervan, wanneer de toepassing van de betrokken TSI's de economische levensvatbaarheid van het project en/of de verenigbaarheid van het spoorwegsysteem van de betrokken lidstaat in gevaar brengt, bijvoorbeeld wat betreft het profiel, de spoorwijdte, de spoorafstand, of de elektrische spanning;
   3° wanneer het bij een snelle herstelling van het netwerk na een ongeluk of een natuurramp economisch of technisch niet mogelijk is de overeenkomstige TSI's geheel of gedeeltelijk toe te passen; en dit enkel totdat het netwerk hersteld is;
   4° voor voertuigen met een plaats van vertrek of bestemming in een derde land met een andere spoorwijdte dan die van het hoofdspoorwegnetwerk binnen de Unie.
   § 2. Onverminderd artikel 225/4, paragraaf 1, tweede lid, dient de aanvrager bij de veiligheidsinstantie een verzoek tot afwijking in overeenkomstig de uitvoeringshandeling bedoeld in artikel 7, paragraaf 5, van de richtlijn 2016/797/EU en met opgave van de redenen voor het verzoek tot afwijking.
   § 3. In het in paragraaf 1, 1°, bedoelde geval stelt de veiligheidsinstantie de Europese Commissie binnen één jaar na de inwerkingtreding van elke TSI in kennis van een lijst van projecten die volgens haar in een vergevorderd stadium zijn.
   § 4. In de gevallen bedoeld in paragraaf 1, onder de punten 1° en 3°, stelt de veiligheidsinstantie de Europese Commissie in kennis van haar beslissing om één of meer TSI's of delen ervan niet toe te passen.
   § 5. In de in paragraaf 1, 1°, 2° en 4° bedoelde gevallen dient de veiligheidsinstantie bij de Europese Commissie een verzoek in om de TSI of delen ervan niet toe te passen, vergezeld van een dossier waarin het verzoek wordt onderbouwd, met vermelding van de alternatieve regelingen die zij in plaats van de TSI's van plan is toe te passen.
   § 6. In afwachting van de beslissing van de Europese Commissie, genomen overeenkomstig artikel 7, paragraaf 4, van de richtlijn 2016/797/EU, mag de veiligheidsinstantie de alternatieve regelingen, bedoeld in paragraaf 5 meteen toepassen.
   Als de Europese Commissie binnen een termijn van vier maanden vanaf de indiening van het verzoek met het volledige dossier als bijlage, geen beslissing neemt, dan beschouwt de veiligheidsinstantie het verzoek als zijnde aanvaard.]1

  
Art. 159. [1 § 1er. L'autorité de sécurité peut autoriser le demandeur à ne pas appliquer une ou plusieurs STI dans les cas suivants:
   1° pour un projet de nouveau sous-système ou d'une partie de celui-ci, pour le renouvellement ou le réaménagement d'un sous-système existant ou d'une partie de celui-ci ou pour tout élément du système ferroviaire se trouvant à un stade avancé de développement ou faisant l'objet d'un contrat en cours d'exécution à la date d'entrée en application de la ou des STI concernées;
   2° pour un projet concernant le renouvellement, l'extension ou le réaménagement d'un sous-système existant ou d'une partie de celui-ci, lorsque l'application de la ou des STI concernées compromet la viabilité économique du projet et/ou la cohérence du système ferroviaire belge, par exemple en ce qui concerne le gabarit, l'écartement ou l'entraxe des voies ou la tension électrique;
   3° lorsqu'à la suite d'un accident ou d'une catastrophe naturelle, les conditions de rétablissement rapide du réseau ne permettent pas économiquement ou techniquement l'application partielle ou totale des STI correspondantes, et ce, jusqu'à ce que le réseau soit rétabli;
   4° pour des véhicules en provenance ou à destination de pays tiers dont l'écartement des voies est différent de celui du principal réseau ferroviaire au sein de l'Union.
   § 2. Sans préjudice de l'article 225/4, paragraphe 1er, alinéa 2, le demandeur introduit auprès de l'autorité de sécurité la demande de dérogation conformément à l'acte d'exécution visé à l'article 7, paragraphe 5, de la directive 2016/797/UE et justifiant la demande de dérogation.
   § 3. Dans le cas visé au paragraphe 1er, 1°, l'autorité de sécurité communique à la Commission européenne, dans l'année qui suit l'entrée en vigueur de chaque STI, une liste de projets qui, de son avis, sont à un stade avancé de développement.
   § 4. Dans les cas visés au paragraphe 1er, 1° et 3°, l'autorité de sécurité communique à la Commission européenne sa décision de ne pas appliquer une ou plusieurs STI ou des parties de celles-ci.
   § 5. Dans les cas visés au paragraphe 1er, 1°, 2° et 4°, l'autorité de sécurité soumet à la Commission européenne la demande de non-application des STI ou de parties de celles-ci, accompagnée d'un dossier justifiant ladite demande, en précisant les dispositions de remplacement qu'elle compte appliquer en lieu et place des STI.
   § 6. Dans l'attente de la décision de la Commission adoptée conformément à l'article 7, paragraphe 4, de la directive 2016/797/ UE, l'autorité de sécurité peut appliquer sans délai les dispositions de remplacement visées au paragraphe 5.
   En l'absence d'une décision de la Commission européenne dans un délai de quatre mois à compter de la présentation de la demande accompagnée du dossier complet, l'autorité de sécurité considère la demande comme acceptée.]1

  
HOOFDSTUK 3. - Interoperabiliteitsonderdelen
CHAPITRE 3. - Constituants d'interoperabilité
Afdeling 1. [1 - Het in de handel brengen]1
Section 1re. - Mise sur le marché
Art. 160. De interoperabiliteitsonderdelen mogen enkel [1 in de handel]1 worden gebracht indien zij :
  1° [1 de interoperabiliteit van het spoorwegsysteem van de Unie mogelijk maken door te voldoen aan de essentiële eisen;]1
  2° [1 binnen hun gebruiksgebied en overeenkomstig hun bestemming worden gebruikt en naar behoren geïnstalleerd en onderhouden worden.]1
  Het eerste lid vormt geen belemmering om deze onderdelen voor andere toepassingen [1 in de handel]1 te brengen.
  
Art. 160. Les constituants d'interopérabilité ne peuvent être mis sur le marché que s'ils :
  1° [1 permettent de réaliser l'interopérabilité du système ferroviaire de l'Union en satisfaisant aux exigences essentielles;]1
  2° [1 sont utilisés dans leur domaine d'utilisation conformément à leur destination et sont installés et entretenus convenablement.]1
  L'alinéa 1er ne fait pas obstacle à la mise sur le marché de ces constituants pour d'autres applications.
  
Art. 161. Het is de veiligheidsinstantie niet toegestaan [1 om het in de handel brengen van interoperabiliteitsonderdelen met het oog op het gebruik daarvan in het spoorwegsysteem van de Unie, te verbieden, te beperken of te belemmeren op grond van de wet wanneer deze onderdelen aan de bepalingen van deze Spoorcodex voldoen]1.
  [1 In het bijzonder verlangt de veiligheidsinstantie geen verificaties die al zijn verricht in het kader van de procedure voor de "EG"-verklaring van conformiteit of geschiktheid voor gebruik, bepaald in de artikelen 163 en 164.]1
  
Art. 161. L'autorité de sécurité ne peut pas, [1 sur la base de la loi, interdire, restreindre ou entraver la mise sur le marché de constituants d'interopérabilité pour leur utilisation dans le cadre du système ferroviaire de l'Union lorsque ces constituants satisfont aux dispositions du présent Code ferroviaire]1.
  [1 En particulier, l'autorité de sécurité n'exige pas des vérifications qui ont déjà été effectuées dans le cadre de la procédure donnant lieu à la déclaration "CE" de conformité ou d'aptitude à l'emploi prévue aux articles 163 et 164.]1
  
Afdeling 2. - Conformiteit of geschiktheid voor gebruik
Section 2. - Conformité ou aptitude à l'emploi
Art. 162. [1 § 1. Een interoperabiliteitsonderdeel voldoet aan de essentiële eisen indien het voldoet aan de voorwaarden die zijn vastgesteld in de desbetreffende TSI of aan de Europese specificaties die zijn ontwikkeld om aan die voorwaarden te voldoen.
   De "EG"-verklaring van conformiteit of geschiktheid voor gebruik vermeldt dat de interoperabiliteitsonderdelen werden onderworpen aan de procedures van de desbetreffende TSI voor het beoordelen van de conformiteit of de geschiktheid voor gebruik.
   § 2. Indien de TSI dat vereist, gaat de "EG"-verklaring vergezeld van:
   1° een door (een) aangemelde instantie(s) afgegeven certificaat van de intrinsieke conformiteit van een op zichzelf beschouwd interoperabiliteitsonderdeel aan de hand van de technische specificaties waaraan het moet voldoen;
   2° een door (een) aangemelde instantie(s) afgegeven certificaat van de geschiktheid voor gebruik van een binnen zijn spoorwegomgeving beschouwd interoperabiliteitsonderdeel, met name wanneer het gaat over functionele vereisten.
   § 3. De "EG"-verklaring van conformiteit of geschiktheid voor gebruik wordt gedateerd en ondertekend door de fabrikant of diens gemachtigde.
   De "EG"-verklaring van conformiteit of geschiktheid voor gebruik van een interoperabiliteitsonderdeel is conform aan de Uitvoeringsverordening (EU) 2019/250 van de Commissie van 12 februari 2019 inzake de modellen voor "EG"-verklaringen en certificaten voor interoperabiliteitsonderdelen en -subsystemen, het model voor de verklaring van conformiteit met een vergund voertuigtype en de "EG"-keuringsprocedures voor subsystemen overeenkomstig richtlijn (EU) 2016/797 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 201/2011 van de Commissie.
   § 4. In afwijking van de paragrafen 1 en 2 mogen reserveonderdelen voor subsystemen die al in dienst zijn gesteld op het moment van de inwerkingtreding van de TSI in deze subsystemen worden aangebracht, zonder dat zij aan de procedure voor de beoordeling van de conformiteit en de geschiktheid voor gebruik worden onderworpen.]1

  
Art. 162. [1 § 1er. Un constituant d'interopérabilité satisfait aux exigences essentielles s'il est conforme aux conditions fixées dans les STI correspondantes ou aux spécifications européennes mises au point pour satisfaire à ces conditions.
   La déclaration "CE" de conformité ou d'aptitude à l'emploi atteste que les constituants d'interopérabilité ont été soumis aux procédures fixées dans la STI correspondante pour évaluer la conformité ou l'aptitude à l'emploi.
   § 2. Lorsque la STI l'exige, la déclaration "CE" est accompagnée:
   1° d'un certificat, délivré par un ou des organismes notifiés, de la conformité intrinsèque d'un constituant d'interopérabilité considéré isolément, avec les spécifications techniques qu'il doit respecter;
   2° d'un certificat, délivré par un ou des organismes notifiés, de l'aptitude à l'emploi d'un constituant d'interopérabilité considéré dans son environnement ferroviaire, en particulier dans le cas où des exigences fonctionnelles sont concernées.
   § 3. La déclaration "CE" de conformité ou d'aptitude à l'emploi des constituants d'interopérabilité est datée et signée par le fabricant ou son mandataire.
   La déclaration "CE" de conformité ou d'aptitude à l'emploi des constituants d'interopérabilité est conforme au Règlement d'exécution (UE) 2019/250 de la Commission du 12 février 2019 sur les modèles de déclarations et de certificats "CE" pour les constituants et sous-systèmes d'interopérabilité ferroviaires, sur le modèle de déclaration de conformité avec un type autorisé de véhicule ferroviaire et sur les procédures de vérification "CE" des sous-systèmes conformément à la directive (UE) 2016/797 du Parlement européen et du Conseil et abrogeant le Règlement (UE) n° 201/2011.
   § 4. Par dérogation aux paragraphes 1er et 2, les pièces détachées de sous-systèmes déjà en service lors de l'entrée en vigueur de la STI peuvent être installées dans ces sous-systèmes sans devoir être soumises à la procédure d'évaluation de la conformité et de l'aptitude à l'emploi.]1

  
Afdeling 3. - Procedure voor de " EG "-verklaring van conformiteit of geschiktheid voor gebruik
Section 3. - Procédure de déclaration " CE " de conformité ou d'aptitude à l'emploi
Art. 163. Voor het opstellen van de " EG "-verklaring van conformiteit of geschiktheid voor gebruik van een interoperabiliteitsonderdeel, past een fabrikant of diens [1 ...]1 gemachtigde de desbetreffende TSI's toe.
  Telkens de corresponderende TSI het voorschrijft, wordt de beoordeling van de conformiteit of de geschiktheid voor gebruik van een interoperabiliteitsonderdeel uitgevoerd door de aangemelde instantie waarbij de fabrikant of diens [1 ...]1 gemachtigde daartoe een aanvraag heeft ingediend.
  Wanneer op interoperabiliteitsonderdelen [1 andere rechtshandelingen van de Unie betreffende andere aspecten van toepassing zijn]1, geeft de " EG "-verklaring van conformiteit of geschiktheid voor gebruik aan dat de betrokken interoperabiliteitsonderdelen eveneens aan de eisen van die [1 andere rechtshandelingen]1 voldoen.
  
Art. 163. Pour établir la déclaration " CE " de conformité ou d'aptitude à l'emploi d'un constituant d'interopérabilité, le fabricant ou son mandataire [1 ...]1 applique les dispositions prévues par les STI le concernant.
  Lorsque la STI correspondante l'impose, l'évaluation de la conformité ou de l'aptitude à l'emploi d'un constituant d'interopérabilité est effectuée par l'organisme notifié auprès duquel le fabricant ou son mandataire [1 ...]1 en a fait la demande.
  Lorsque des constituants d'interopérabilité font l'objet [1 d'autres actes juridiques de l'Union portant sur d'autres aspects]1, la déclaration " CE " de conformité ou d'aptitude à l'emploi, indique, dans ce cas, que les constituants d'interopérabilité répondent également aux exigences de [1 ces autres actes juridiques]1.
  
Art. 164. Wanneer noch de fabrikant, noch diens gemachtigde de in artikel 163, eerste en derde lid genoemde verplichtingen heeft vervuld, gaan deze verplichtingen over op eenieder die het interoperabiliteitsonderdeel [1 in de handel brengt]1.
  Wat deze Spoorcodex betreft, gelden dezelfde verplichtingen, voor degene die interoperabiliteitsonderdelen van diverse herkomst of delen daarvan assembleert dan wel voor eigen gebruik vervaardigt.
  
Art. 164. Lorsque ni le fabricant, ni son mandataire n'ont satisfait aux obligations visées à l'article 163, alinéas 1er et 3, ces obligations incombent à toute personne qui met le constituant d'interopérabilité sur le marché.
  Aux fins du présent Code ferroviaire, les mêmes obligations s'appliquent à toute personne qui assemble des constituants d'interopérabilité ou des parties de constituant d'interopérabilité d'origines diverses ou qui fabrique des constituants d'interopérabilité pour son propre usage.
Afdeling 4. - Beperkingen of verbod op het gebruik van interoperabiliteitsonderdelen
Section 4. - Restrictions ou interdiction à l'emploi des constituants d'interopérabilité
Onderafdeling 1. - Niet-naleving van de procedure voor de " EG "-verklaring van conformiteit of geschiktheid voor gebruik
Sous-section 1re. - Non respect de la procédure de déclaration " CE " de conformité ou d'aptitude à l'emploi
Art. 165. Wanneer de veiligheidsinstantie vaststelt dat de " EG "-verklaring van conformiteit of geschiktheid voor gebruik ten onrechte is opgesteld, stelt zij [1 de fabrikant of diens gemachtigde]1, voor zover nodig, in gebreke om het interoperabiliteitsonderdeel in overeenstemming te brengen en een einde te stellen aan de inbreuk overeenkomstig de door de Koning vast te stellen nadere regels.
  Indien de niet-naleving blijft voortduren, neemt de veiligheidsinstantie alle gepaste maatregelen om het [1 in de handel brengen]1 van het betrokken interoperabiliteitsonderdeel te beperken of te verbieden of het uit de handel te laten nemen volgens de in artikel 166 bedoelde procedure.
  Het eerste en het tweede lid zijn van toepassing onder voorbehoud van de bepalingen van artikel 166.
  
Art. 165. Lorsque l'autorité de sécurité constate que la déclaration " CE " de conformité ou d'aptitude à l'emploi a été établie indûment, elle met en demeure [1 le fabricant ou son mandataire]1, si nécessaire, de remettre le constituant d'interopérabilité en conformité et de faire cesser l'infraction conformément aux modalités fixées par le Roi.
  Lorsque la non-conformité persiste, l'autorité de sécurité prend toutes les mesures appropriées pour restreindre ou interdire la mise sur le marché du constituant d'interopérabilité concerné ou pour assurer son retrait du marché conformément à la procédure fixée à l'article 166.
  Les alinéas 1er et 2 s'appliquent sous réserve des dispositions de l'article 166.
  
Onderafdeling 2. - Het niet voldoen van interoperabiliteitsonderdelen aan de essentiële eisen
Sous-section 2. - Non-conformité des constituants d'interopérabilité avec les exigences essentielles
Art. 166. Wanneer de veiligheidsinstantie vaststelt dat een interoperabiliteitsonderdeel dat voorzien is van de " EG "-verklaring van conformiteit of geschiktheid voor gebruik en [1 in de handel is gebracht]1, de naleving van de essentiële eisen in gevaar dreigt te brengen indien het conform zijn bestemming wordt gebruikt, neemt zij alle gepaste maatregelen om het toepassingsgebied van dat onderdeel te beperken, het gebruik ervan te verbieden [1 , het terug te roepen]1 of het uit de handel te nemen overeenkomstig de door de Koning vast te stellen nadere regels.
  De veiligheidsinstantie stelt de Europese Commissie [1 , het Bureau en de andere lidstaten]1 onmiddellijk in kennis van de genomen maatregelen en geeft de redenen van haar beslissing aan, met name of het gebrek aan conformiteit het gevolg is van ofwel het niet voldoen aan de essentiële eisen, ofwel van een gebrekkige toepassing van de Europese specificaties voor zover de toepassing van deze specificaties wordt aangehaald, ofwel van de ontoereikendheid van de Europese specificaties.
  
Art. 166. Lorsque l'autorité de sécurité constate qu'un constituant d'interopérabilité muni de la déclaration " CE " de conformité ou d'aptitude à l'emploi et mis sur le marché risque, lorsqu'il est utilisé conformément à sa destination, de ne pas satisfaire aux exigences essentielles, elle prend toutes les mesures utiles pour restreindre son domaine d'application, pour en interdire l'emploi [1 , pour ordonner son rappel]1 ou pour le retirer du marché conformément aux modalités fixées par le Roi.
  L'autorité de sécurité informe immédiatement la Commission européenne [1 , l'Agence et les autres Etats membres]1 des mesures qu'elle a prises et motive sa décision en précisant notamment si la non-conformité résulte soit d'un non-respect des exigences essentielles, soit d'une mauvaise application des spécifications européennes pour autant que l'application de ces spécifications soit invoquée, soit d'une insuffisance des spécifications européennes.
  
Art.166/1. [1 Wanneer de beslissing bedoeld in artikel 166 er is gekomen omdat er een lacune is in de Europese specificaties, stelt de veiligheidsinstantie aan het Bureau of de Europese Commissie één of meer van onderstaande maatregelen voor:
   1° gehele of gedeeltelijke verwijdering van deze specificaties uit de publicaties waarin zij zijn opgenomen;
   2° als de specificatie in kwestie een geharmoniseerde norm is, beperking of intrekking van deze norm overeenkomstig artikel 11 van Verordening (EU) nr. 1025/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende Europese normalisatie, tot wijziging van de richtlijnen 89/686/EEG en 93/15/EEG van de Raad alsmede de richtlijnen 94/9/EG, 94/25/EG, 95/16/EG, 97/23/EG, 98/34/EG, 2004/22/EG, 2007/23/EG, 2009/23/EG en 2009/105/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Beschikking 87/95/EEG van de Raad en Besluit nr. 1673/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad;
   3° herziening van de TSI door de Europese Commissie indien blijkt dat deze tekortkomingen vertoont.]1

  
Art.166/1. [1 Lorsque la décision visée à l'article 166 résulte d'une insuffisance des spécifications européennes, l'autorité de sécurité propose à l'Agence ou à la Commission européenne l'une ou plusieurs des mesures suivantes:
   1° retrait partiel ou total de la spécification en cause des publications où elle figure;
   2° si la spécification en cause est une norme harmonisée, maintien partiel ou retrait de ladite norme conformément à l'article 11 du Règlement (UE) n° 1025/2012 du Parlement européen et du Conseil du 25 octobre 2012 relatif à la normalisation européenne, modifiant les directives 89/686/CEE et 93/15/CEE du Conseil ainsi que les directives 94/9/CE, 94/25/CE, 95/16/CE, 97/23/CE, 98/34/CE, 2004/22/CE, 2007/23/CE, 2009/23/CE et 2009/105/CE du Parlement européen et du Conseil et abrogeant la Décision 87/95/CEE du Conseil et la Décision n° 1673/2006/CE du Parlement européen et du Conseil;
   3° révision de la STI par la Commission européenne lorsqu'il s'avère qu'elle présente une insuffisance.]1

  
Art. 167. Wanneer de veiligheidsinstantie vaststelt dat een interoperabiliteitsonderdeel dat voorzien is van de " EG "-verklaring van conformiteit of geschiktheid voor gebruik niet conform blijkt te zijn [1 aan de essentiële eisen, stelt zij de aanmeldende instantie in kennis die de gepaste maatregelen neemt]1 ten aanzien van [1 de entiteit]1 die de verklaring heeft opgesteld, overeenkomstig de door de Koning vast te stellen nadere regels.
  Zij stelt de Europese Commissie en de veiligheidsinstanties van de andere lidstaten van de Europese Unie daarvan in kennis.
  
Art. 167. Lorsque l'autorité de sécurité constate qu'un constituant d'interopérabilité muni de la déclaration " CE " de conformité ou d'aptitude à l'emploi se révèle non-conforme [1 aux exigences essentielles, elle en informe l'autorité notifiante qui prend les mesures appropriées]1 à l'encontre de [1 l'entité]1 qui a établi la déclaration selon les modalités fixées par le Roi.
  Elle en informe la Commission européenne et les autorités de sécurité des autres Etats membres de l'Union européenne.
  
HOOFDSTUK 4. - Subsystemen
CHAPITRE 4. - Sous-systèmes
Afdeling 1. - Procedure voor de indienststelling
Section 1re. - Procédure de mise en service
Art. 169. Onder voorbehoud van de bepalingen [1 van hoofdstuk 4/1 van titel 6]1, kan de veiligheidsinstantie, op grond van deze Spoorcodex, de constructie, indienststelling en exploitatie van subsystemen van structurele aard die deel uitmaken van het [1 spoorwegsysteem van de Unie]1 en die aan de essentiële eisen voldoen, niet verbieden, beperken of belemmeren.
  De veiligheidsinstantie mag geen controles eisen die reeds zijn uitgevoerd :
  1° in het kader van de procedure die tot de " EG "-keuringsverklaring heeft geleid [1 ...]1;
  2° in andere lidstaten van de Europese Unie, voor of na [1 16 juni 2016]1, en die er toe strekken na te gaan of voldaan wordt aan gelijke eisen onder gelijke exploitatievoorwaarden.
  
Art. 169. Sous réserve des dispositions [1 du chapitre 4/1, du titre 6]1, l'autorité de sécurité ne peut pas, sur la base du présent Code ferroviaire, interdire, restreindre ou entraver, la construction, la mise en service et l'exploitation de sous-systèmes de nature structurelle constitutifs du [1 système ferroviaire de l'Union]1 qui satisfont aux exigences essentielles.
  L'autorité de sécurité ne peut exiger des vérifications qui ont déjà été effectuées :
  1° dans le cadre de la procédure d'établissement de la déclaration " CE " de vérification [1 ...]1;
  2° dans d'autres Etats membres de l'Union européenne, avant ou après [1 le 16 juin 2016]1, en vue de vérifier la conformité avec des exigences identiques dans des conditions d'exploitation identiques.
  
Afdeling 2. - Conformiteit met de TSI's en de nationale voorschriften
Section 2. - Conformité avec les STI et les règles nationales
Art. 170. [1 De veiligheidsinstantie beschouwt als conform met de essentiële eisen de van het spoorwegsysteem van de Unie deel uitmakende subsystemen van structurele aard waarvoor naargelang van het geval, geldt dat de "EG"-keuringsverklaring is opgesteld op basis van de TSI's overeenkomstig artikel 172, paragraaf 1 of de "EG"-keuringsverklaring opgesteld overeenkomstig artikel 172, paragraaf 8, op basis van nationale voorschriften of beide.]1
  
Art. 170. [1 L'autorité de sécurité considère comme conformes aux exigences essentielles les sous-systèmes de nature structurelle constitutifs du système ferroviaire de l'Union qui sont munis, selon le cas, de la déclaration "CE" de vérification établie par référence aux STI conformément à l'article 172, paragraphe 1er, de la déclaration de vérification établie par référence aux règles nationales conformément à l'article 172, paragraphe 8, ou des deux.]1
  
Afdeling 3. - Procedure voor de opstelling van de " EG "-keuringsverklaring
Section 3. - Procédure d'établissement de la déclaration " CE " de vérification
Onderafdeling 1. - " EG "-keuringsverklaring
Sous-section 1re. - Déclaration " CE " de vérification
Art. 172. [1 § 1. Voor de opstelling van de "EG"-keuringsverklaring die nodig is voor het in de handel brengen en het in dienst stellen als bedoeld in hoofdstuk 4/1, verzoekt de aanvrager de daartoe door hem gekozen conformiteitsbeoordelingsinstantie(s) om de in de bijlage 19 beschreven "EG"-keuringsprocedure toe te passen.
   § 2. De aanvrager stelt de "EG"-keuringsverklaring voor een subsysteem op overeenkomstig de Uitvoeringsverordening (EU) 2019/250 van de Commissie van 12 februari 2019 inzake de modellen voor "EG"-verklaringen en certificaten voor interoperabiliteitsonderdelen en -subsystemen, het model voor de verklaring van conformiteit met een vergund voertuigtype en de "EG"-keuringsprocedures voor subsystemen overeenkomstig richtlijn (EU) 2016/797 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 201/2011 van de Commissie.
   Hij verklaart op eigen verantwoordelijkheid dat het betrokken subsysteem aan de toepasselijke keuringsprocedures is onderworpen en voldoet aan de eisen van de toepasselijke Uniewetgeving en aan de eventueel relevante nationale voorschriften.
   De aanvrager dateert en ondertekent de "EG"-keuringsverklaring en de begeleidende documenten.
   § 3. De taak van de met de "EG"-keuring van een subsysteem belaste aangemelde instantie begint in het ontwerpstadium en bestrijkt de gehele constructieperiode tot het stadium van de goedkeuring voordat het subsysteem in de handel wordt gebracht of in dienst wordt gesteld.
   Tot die taak behoort ook de keuring van de interfaces van het betrokken subsysteem met het systeem waarvan het deel uitmaakt door zich te baseren op de informatie die beschikbaar is in de desbetreffende TSI en in de registers voorzien in de artikelen 210, paragraaf 4, 2°, en 211.
   § 4. De aanvrager is verantwoordelijk voor de samenstelling van het technische dossier waarvan de "EG"-keuringsverklaring vergezeld moet gaan.
   Dat technisch dossier moet alle noodzakelijke documenten betreffende de eigenschappen van het subsysteem bevatten, alsmede in voorkomend geval alle stukken waaruit de conformiteit van de interoperabiliteitsonderdelen blijkt.
   Ook moet het alle gegevens inzake de gebruiksvoorwaarden en -beperkingen, alsmede inzake de voorschriften voor onderhoud, permanent of periodiek toezicht en afstelling bevatten.
   § 5. In geval van een vernieuwing of verbetering van een subsysteem die leidt tot een wijziging van het technisch dossier en die van invloed is op de geldigheid van de reeds uitgevoerde keuringsprocedures, beoordeelt de aanvrager of er een nieuwe "EG"-keuringsverklaring nodig is.
   § 6. De aangemelde instantie kan tussentijdse keuringsverklaringen afgeven voor bepaalde stadia van de keuringsprocedure of bepaalde delen van het subsysteem.
   § 7. Als het volgens de betrokken TSI's toegestaan is, mag de aangemelde instantie keuringscertificaten afgeven die betrekking hebben op een of meer subsystemen of bepaalde onderdelen van die subsystemen.
   § 8. De aangewezen instanties, verantwoordelijk voor de keuringsprocedure met betrekking tot nationale voorschriften, zijn verantwoordelijk voor de betrokken taken.
   Onverminderd artikel 202 mag een aangemelde instantie aangeduid worden als aangewezen instantie, in welk geval het gehele proces kan worden uitgevoerd door één enkele conformiteitsbeoordelingsinstantie.]1

  
Art. 172. [1 § 1er. Pour établir la déclaration "CE" de vérification nécessaire à la mise sur le marché et à la mise en service visée au chapitre 4/1, le demandeur demande à l'organisme ou aux organismes d'évaluation de la conformité qu'il a choisis à cet effet d'engager la procédure de vérification "CE" visée à l'annexe 19.
   § 2. Le demandeur établit la déclaration "CE" de vérification d'un sous-système conformément au Règlement d'exécution (UE) 2019/250 de la Commission du 12 février 2019 sur les modèles de déclarations et de certificats "CE" pour les constituants et sous-systèmes d'interopérabilité ferroviaires, sur le modèle de déclaration de conformité avec un type autorisé de véhicule ferroviaire et sur les procédures de vérification "CE" des sous-systèmes conformément à la directive (UE) 2016/797 du Parlement européen et du Conseil et abrogeant le Règlement (UE) n° 201/2011.
   Celui-ci déclare sous sa seule responsabilité que le sous-système concerné a été soumis aux procédures de vérification pertinentes et qu'il satisfait aux exigences des dispositions pertinentes du droit de l'Union ainsi qu'aux éventuelles règles nationales pertinentes.
   Le demandeur date et signe la déclaration "CE" de vérification et les documents qui l'accompagnent.
   § 3. La mission de l'organisme notifié chargé de la vérification "CE" d'un sous-système commence au stade de la conception et couvre toute la période de construction jusqu'au stade de la réception avant la mise sur le marché ou la mise en service du sous-système.
   Cette tâche couvre également la vérification des interfaces du sous-système en question par rapport au système dans lequel il s'intègre en se fondant sur les informations disponibles dans la STI concernée et dans les registres prévus aux articles 210, paragraphe 4, 2°, et 211.
   § 4. Le demandeur est responsable de la constitution du dossier technique devant accompagner la déclaration "CE" de vérification qu'il établit.
   Ce dossier technique contient tous les documents nécessaires relatifs aux caractéristiques du sous-système ainsi que, le cas échéant, toutes les pièces attestant la conformité des constituants d'interopérabilité.
   Il contient aussi tous les éléments relatifs aux conditions et limites d'utilisation, aux consignes de maintenance, de surveillance continue ou périodique, de réglage et d'entretien.
   § 5. En cas de renouvellement ou de réaménagement d'un sous-système entraînant une modification du dossier technique et affectant la validité des procédures de vérification déjà effectuées, le demandeur évalue si une nouvelle déclaration "CE" de vérification est nécessaire.
   § 6. L'organisme notifié peut délivrer des attestations de contrôle intermédiaires pour couvrir certains stades de la procédure de vérification ou certaines parties du sous-système.
   § 7. Si la STI correspondante le permet, l'organisme notifié peut délivrer des certificats de vérification portant sur un ou plusieurs sous-systèmes ou sur certaines parties de ces sous-systèmes.
   § 8. Les organismes désignés chargés de mettre en oeuvre la procédure de vérification en cas de règles nationales, sont chargés des tâches que cette procédure implique.
   Sans préjudice de l'article 202, un organisme notifié peut être nommé en tant qu'organisme désigné, auquel cas l'ensemble de la procédure est mise en oeuvre par un seul organisme évaluation de la conformité.]1

  
Onderafdeling 2.
Sous-section 2.
Onderafdeling 3.
Sous-section 3.
Onderafdeling 4.
Sous-section 4.
Afdeling 4. - Beperking van de indienststelling van een subsysteem van structurele aard
Section 4. - Restriction à la mise en service d'un sous-système de nature structurelle
Art. 176. Indien de veiligheidsinstantie constateert dat een subsysteem van structurele aard dat voorzien is van de " EG "-keuringsverklaring, vergezeld van het technisch dossier, niet geheel aan de bepalingen van deze Spoorcodex en meer bepaald aan de essentiële eisen voldoet, kan zij verzoeken dat aanvullende keuringen worden verricht.
  [1 De veiligheidsinstantie stelt de Europese Commissie onmiddellijk op de hoogte van de gevraagde aanvullende keuringen, met opgave van de redenen, en preciseert of het niet volledig naleven van de bepalingen van deze Codex voortvloeit uit:
   1° de niet-naleving van de essentiële eisen of van een TSI, of de onjuiste toepassing van een TSI;
   2° de ontoereikendheid van een TSI.]1

  
Art. 176. Lorsque l'autorité de sécurité constate qu'un sous-système de nature structurelle, muni de la déclaration " CE " de vérification accompagnée du dossier technique, ne satisfait pas entièrement aux dispositions du présent Code ferroviaire et notamment aux exigences essentielles, elle peut demander que des vérifications complémentaires soient réalisées.
  [1 L'autorité de sécurité informe immédiatement la Commission européenne des vérifications complémentaires demandées en les motivant et précise si le fait de ne pas satisfaire entièrement aux dispositions du présent Code résulte:
   1° du non-respect des exigences essentielles ou d'une STI, ou d'une mauvaise application d'une STI;
   2° d'une insuffisance d'une STI.]1

  
Art.176/1. [1 Interoperabiliteitsonderdelen en subsystemen die conform zijn met geharmoniseerde normen of delen daarvan waarvan de referenties in het Publicatieblad van de Europese Unie zijn bekendgemaakt, worden geacht conform te zijn met de essentiële eisen die door die normen of delen daarvan worden bestreken.]1
  
Art.176/1. [1 Les constituants d'interopérabilité et sous-systèmes conformes à des normes harmonisées ou parties de celles-ci dont les références ont été publiées au Journal Officiel de l'Union européenne sont présumés conformes aux exigences essentielles couvertes par lesdites normes ou parties de normes.]1
  
Afdeling 5.
Section 5.
Onderafdeling 1.
Sous-section 1re.
Onderafdeling 2.
Sous-section 2.
HOOFDSTUK 4/1. [1 - In de handel brengen en in dienst stellen]1
CHAPITRE 4/1. [1 - Mise sur le marché et mise en service]1
Afdeling 1. [1 - Vergunningen tot indienstelling van vaste installaties]1
Section 1re. [1 - Autorisations de mise en service d'installations fixes]1
Art.179/1. [1 § 1. De nieuwe subsystemen "baanuitrusting voor besturing en seingeving", "energie" en "infrastructuur" mogen slechts in dienst worden gesteld indien zij overeenkomstig de essentiële eisen zijn ontworpen, geconstrueerd en geïnstalleerd en als overeenkomstig de paragrafen 3 en 5 de betreffende vergunning is afgegeven.
   § 2. De veiligheidsinstantie verleent een vergunning voor indienststelling van de subsystemen "energie", "infrastructuur" en "baanuitrusting voor besturing en seingeving" die op het Belgisch grondgebied aanwezig zijn of worden geëxploiteerd.
   § 3. De veiligheidsinstantie verstrekt gedetailleerde informatie over de manier waarop de vergunningen worden verkregen en werkt samen met het Bureau voor het verspreiden van deze informatie.
   Zij stelt op haar internetsite kosteloos een handleiding ter beschikking van de aanvragers met een beschrijving en toelichting van de voorwaarden om een vergunning te krijgen en een opsomming van de vereiste documenten.
   § 4. Vóór de uitvoeringsfase van het ontwerp en de aanvraag voor een vergunning voor het in dienst stellen bedoeld in paragraaf 5, dient de aanvrager een voorafgaand dossier in bij de veiligheidsinstantie.
   De inhoud van dit dossier is vastgelegd in bijlage 30.
   De veiligheidsinstantie brengt advies uit over het technisch ontwerp en het toepasselijke referentiekader binnen de vier maanden na de indiening van het voorafgaand dossier.
   Bij het uitblijven van een advies binnen de voorgeschreven termijn, mag de aanvrager zijn ontwerp voortzetten.
   Het uitblijven van een advies houdt geen enkel vermoeden van gunstig advies in.
   In geval van een negatief advies past de aanvrager zijn ontwerp aan en dient hij een nieuw voorafgaand dossier in overeenkomstig het eerste lid.
   § 5. Na het verkrijgen van een gunstig advies of in geval van het uitblijven van een advies van de veiligheidsinstantie overeenkomstig paragraaf 4, dient de aanvrager bij de veiligheidsinstantie een aanvraag in voor een vergunning voor het in dienst stellen van vaste installaties, vergezeld van een dossier met documenten die het volgende staven:
   1° de keuringsverklaringen, bedoeld in artikel 172;
   2° de technische compatibiliteit van deze subsystemen met het systeem waarin ze worden geïntegreerd, aangetoond op basis van de toepasselijke TSI's, nationale voorschriften en registers;
   3° de veilige integratie van deze subsystemen, vastgesteld op basis van de toepasselijke TSI's, nationale voorschriften, en de GVM's;
   4° in het geval van subsystemen "baanuitrusting voor besturing en seingeving" waarbij uitrusting voor European Train Control System (ETCS) en/of Global System for Mobile Communications Railway (GSM-R) zijn/is betrokken, de positieve beslissing van het Bureau overeenkomstig artikel 19 van de richtlijn 2016/797/EU, en in geval van een wijziging in het ontwerpbestek of in de beschrijving van de beoogde technische oplossingen die na de positieve beslissing zijn aangevoerd, de naleving van het resultaat van de in artikel 30, paragraaf 2, van de Verordening 2016/796/EU.
   De aanvrager verzendt de volledige aanvraag per aangetekende zending met ontvangstbewijs of overhandigt het tegen ontvangstbewijs, en verzendt het in elektronische versie.
   Indien de elektronische versie niet compatibel is met het leessysteem van de veiligheidsinstantie, dan informeert deze laatste de aanvrager, die vervolgens gratis de software ter beschikking stelt.
   § 6. Binnen een maand na ontvangst van de aanvraag deelt de veiligheidsinstantie de aanvrager mee dat het dossier compleet is of dat er aanvullende informatie nodig is, in welk geval het daarvoor een redelijke termijn bepaalt.
   De veiligheidsinstantie controleert of het dossier compleet, ter zake doend en samenhangend is, en, in het geval van ERTMS-baanuitrusting, of het strookt met de positieve beslissing van het Bureau overeenkomstig artikel 19 van de richtlijn 2016/797/EU en, in voorkomend geval, met de resultaten van de in artikel 30, paragraaf 2, van de Verordening 2016/796/EU bedoelde procedure.
   Na deze controle geeft de veiligheidsinstantie binnen de termijn bedoeld in artikel 77, vierde lid, de vergunning voor de indienststelling van vaste installaties af, of deelt zij de aanvrager mee dat zij een afwijzende beslissing heeft genomen.
   § 7. De aanvrager bewaart een exemplaar van het volledige dossier van de aanvraag tot indienststelling evenals van de afgegeven vergunning tijdens de gehele levensduur van het subsysteem.
   § 8. In geval van vernieuwing of verbetering van bestaande subsystemen, in voorkomend geval voorafgaandelijk aan een voorafgaand dossier bedoeld in paragraaf 4, dient de aanvrager bij de veiligheidsinstantie een conceptdossier in waarin het project beschreven wordt.
   De inhoud van dit dossier is vastgelegd in bijlage 31.
   Binnen een maand na ontvangst van het dossier deelt de veiligheidsinstantie de aanvrager mee dat het dossier compleet is of dat er aanvullende informatie nodig is, in welk geval zij daarvoor een redelijke termijn bepaalt.
   De veiligheidsinstantie onderzoekt het dossier, in nauwe samenwerking met het Bureau in het geval van projecten in verband met ERTMS-baanuitrusting, en beslist op basis van onderstaande criteria of er een nieuwe vergunning voor indienststelling vereist is:
   1° Kan het algehele veiligheidsniveau van de betrokken subsystemen door de geplande werkzaamheden ongunstig worden beïnvloed?
   2° Is een dergelijke vergunning vereist in de desbetreffende TSI's?
   3° Is een dergelijke vergunning vereist op grond van het opgestelde nationale implementatieplan?
   4° Zijn er wijzigingen aangebracht in de waarden van de parameters op basis waarvan de vergunning reeds is afgegeven?
   In het kader van projecten in verband met ERTMS-baanuitrusting passen de veiligheidsinstantie en de aanvrager bijlage 29 toe.
   § 9. Indien de veiligheidsinstantie in een fase van de procedure meent dat voor de procedure aanvullende informatie of documenten nodig zijn, brengt zij de aanvrager daarvan op de hoogte, die deze stukken overmaakt.
   De termijn bedoeld in artikel 77, vierde lid, wordt opgeschort vanaf de datum van de kennisgeving tot aan de datum van ontvangst van de gevraagde stukken.
   § 10. De aanvrager kan binnen een maand na ontvangst van de afwijzende beslissing aan de veiligheidsinstantie vragen om haar beslissing te herzien.
   Dat verzoek wordt gemotiveerd. De veiligheidsinstantie heeft vanaf de ontvangst van het verzoek om herziening twee maanden de tijd om haar beslissing te bevestigen of te herroepen.
   § 11. Onverminderd de voorgaande paragrafen, kan de Koning de procedure voor de indienststelling van vaste installaties "besturing en seingeving" bepalen.]1

  
Art.179/1. [1 § 1er. Les nouveaux sous-systèmes "contrôle-commande et signalisation au sol", "énergie" et "infrastructure" ne sont mis en service que s'ils sont conçus, construits et installés de façon à satisfaire aux exigences essentielles, et que si l'autorisation correspondante est délivrée conformément aux paragraphes 3 et 5.
   § 2. L'autorité de sécurité autorise la mise en service des sous-systèmes "énergie", "infrastructure" et "contrôle-commande et signalisation au sol" situés ou exploités sur le territoire belge.
   § 3. L'autorité de sécurité donne des informations détaillées sur les modalités d'obtention des autorisations et coopère avec l'Agence pour diffuser ces informations.
   Elle met gratuitement à la disposition des demandeurs sur son site internet, un guide décrivant et expliquant les exigences concernant lesdites autorisations et énumérant les documents requis.
   § 4. Avant la phase de réalisation du projet et la demande d'autorisation de mise en service visée au paragraphe 5, le demandeur introduit un dossier préliminaire auprès de l'autorité de sécurité.
   Le contenu de ce dossier est fixé dans l'annexe 30.
   L'autorité de sécurité rend un avis sur le concept technique et le référentiel applicable dans les quatre mois de l'introduction du dossier préliminaire.
   En l'absence d'un avis dans le délai prescrit, le demandeur peut poursuivre son projet.
   L'absence d'avis n'entraîne aucune présomption d'avis favorable.
   En cas d'avis négatif, le demandeur adapte son projet et introduit un nouveau dossier préliminaire conforme à l'alinéa 1er.
   § 5. Après l'obtention d'un avis positif ou en l'absence d'avis de l'autorité de sécurité conformément au paragraphe 4, le demandeur présente à l'autorité de sécurité une demande d'autorisation de mise en service d'installations fixes accompagnée d'un dossier comprenant les preuves documentaires concernant:
   1° les déclarations de vérification visées à l'article 172;
   2° la compatibilité technique des sous-systèmes avec le système dans lequel ils s'intègrent, établie sur la base des STI, des règles nationales et des registres concernés;
   3° l'intégration en sécurité des sous-systèmes, établie sur la base des STI correspondantes, des règles nationales et des MSC;
   4° dans le cas de sous-systèmes "contrôle-commande et signalisation au sol" faisant intervenir le système européen de contrôle des trains (ETCS) et/ou le système global de communication mobile - ferroviaire (GSM-R), la décision positive de l'Agence délivrée conformément à l'article 19 de la directive 2016/797/UE; et, dans le cas d'une modification du projet de cahier des charges ou de la description des solutions techniques envisagées intervenue après la décision positive, la conformité avec le résultat de la procédure visée à l'article 30, paragraphe 2, du Règlement 2016/796/UE.
   Le demandeur transmet la demande complète par envoi recommandé avec accusé de réception ou par remise en mains propres contre accusé de réception et en version électronique.
   Si la version électronique n'est pas compatible avec le système de lecture de l'autorité de sécurité, celle-ci en informe le demandeur qui lui fournit alors gratuitement le logiciel nécessaire.
   § 6. Dans un délai d'un mois à compter de la réception de la demande, l'autorité de sécurité informe le demandeur que le dossier est complet ou lui demande des informations supplémentaires utiles en fixant un délai raisonnable à cette fin.
   L'autorité de sécurité vérifie si le dossier est complet, pertinent et cohérent et, dans le cas d'équipements au sol ERTMS, la conformité avec la décision positive de l'Agence délivrée conformément à l'article 19 de la directive 2016/797/UE et, le cas échéant, la conformité avec le résultat de la procédure visée à l'article 30, paragraphe 2, du Règlement 2016/796/UE.
   A l'issue de cette vérification, l'autorité de sécurité délivre l'autorisation de mise en service d'installations fixes ou informe le demandeur de sa décision négative, dans le délai visé à l'article 77, alinéa 4.
   § 7. Le demandeur conserve un exemplaire du dossier complet de la demande de mise en service ainsi que de l'autorisation délivrée pendant toute la durée de vie du sous-système.
   § 8. En cas de renouvellement ou de réaménagement de sous-systèmes existants, le cas échéant, préalablement au dossier préliminaire visé au paragraphe 4, le demandeur introduit auprès de l'autorité de sécurité, un dossier de conception décrivant le projet.
   Le contenu de ce dossier est fixé dans l'annexe 31.
   Dans un délai d'un mois à compter de la réception du dossier, l'autorité de sécurité informe le demandeur que le dossier est complet ou lui demande des informations supplémentaires utiles en fixant un délai raisonnable à cette fin.
   L'autorité de sécurité examine, en étroite coopération avec l'Agence dans le cas de projets d'équipements au sol ERTMS, le dossier et décide si une nouvelle autorisation de mise en service est requise sur la base des critères suivants:
   1° le niveau global de sécurité du sous-système concerné risque d'être affecté négativement par les travaux envisagés;
   2° l'autorisation est requise par la STI concernée;
   3° l'autorisation est requise par les plans d'exécution nationaux; ou
   4° des modifications sont apportées aux valeurs des paramètres sur la base desquels l'autorisation a déjà été accordée.
   Dans le cas de projets d'équipements au sol ERTMS, l'autorité de sécurité et le demandeur appliquent l'annexe 29.
   § 9. Si, à l'une ou l'autre étape de la procédure, l'autorité de sécurité estime que la procédure nécessite des informations ou documents complémentaires, elle le notifie au demandeur qui lui transmet ces pièces.
   Le délai visé à l'article 77, alinéa 4 est suspendu à partir de la notification jusqu'à la date de réception des pièces demandées.
   § 10. Dans un délai d'un mois à compter de la réception de la décision négative, le demandeur peut demander à l'autorité de sécurité de revoir sa décision.
   Cette demande est motivée. L'autorité de sécurité dispose de deux mois à compter de la date de réception de la demande de révision pour confirmer ou infirmer sa décision.
   § 11. Sans préjudice des paragraphes précédents, le Roi peut adopter la procédure d'autorisation de mise en service d'installations fixes "contrôle-commande et signalisation.]1

  
Art.179/2. [1 Overeenkomstig bijlage 29 kan de veiligheidsinstantie een advies over het verzoek om goedkeuring bedoeld in artikel 19, paragraaf 3 van de richtlijn 2016/797/EU afleveren via het éénloketsysteem bedoeld in artikel 12 van de Verordening 2016/796/EU in elke fase van de procedure, met inbegrip van de fase van het oorspronkelijk engagement betreffende de technische aspecten en de planning.]1
  
Art.179/2. [1 Conformément à l'annexe 29, l'autorité de sécurité peut rendre un avis sur la demande d'approbation visée à l'article 19, paragraphe 3 de la directive 2016/797/UE, par l'intermédiaire du guichet unique visé à l'article 12 du Règlement 2016/796/UE à tout moment de la procédure, y compris durant la phase d'engagement initial, concernant les aspects techniques et la planification.]1
  
Afdeling 2. [1 - In de handel brengen van mobiele subsystemen]1
Section 2. [1 - Mise sur le marché de sous-systèmes mobiles]1
Art.179/3. [1 § 1. De aanvrager brengt een mobiel subsysteem in de handel op voorwaarde dat het zodanig ontworpen, geconstrueerd en geïnstalleerd is dat het beantwoordt aan de essentiële eisen.
   § 2. De aanvrager dient er in het bijzonder voor te zorgen dat de "EG"-keuringsverklaring zoals bedoeld in artikel 172 afgeleverd is.]1

  
Art.179/3. [1 § 1er. Le demandeur met sur le marché un sous-système mobile à condition que ce dernier soit conçu, construit et installé de façon à satisfaire aux exigences essentielles.
   § 2. Le demandeur s'assure, en particulier, que la déclaration "CE" de vérification visée à l'article 172, a été fournie.]1

  
Afdeling 3. [1 - Voertuigen]1
Section 3. [1 - Véhicules]1
Art.179/4. [1 De aanvrager brengt een voertuig pas in de handel nadat het Bureau overeenkomstig artikel 21, paragrafen 5, 6 en 7 van de richtlijn 2016/797/EU, of de veiligheidsinstantie overeenkomstig artikel 179/9, een vergunning heeft afgegeven om dat voertuig in de handel te brengen.]1
  
Art.179/4. [1 Le demandeur ne met un véhicule sur le marché qu'après avoir reçu l'autorisation de mise sur le marché du véhicule délivrée par l'Agence conformément à l'article 21, paragraphes 5, 6 et 7 de la directive 2016/797/UE, ou par l'autorité de sécurité conformément à l'article 179/9.]1
  
Art.179/5. [1 Teneinde een vergunning om een voertuig in de handel te brengen of een voertuigtypegoedkeuring te bekomen, houdt de aanvrager zich aan de procedure en modaliteiten die zijn aangenomen in de Uitvoeringsverordening (EU) 2018/545 van de Commissie van 4 april 2018 tot vaststelling van de praktische regelingen voor het proces voor de afgifte van typegoedkeuringen en vergunningen voor spoorvoertuigen overeenkomstig richtlijn (EU) 2016/797 van het Europees Parlement en de Raad.
   Onverminderd voormelde Verordening omvat het dossier dat de aanvraag voor een vergunning om een voertuig of een typevoertuig in de handel te brengen vergezelt, ook de bewijsstukken van het in de handel brengen van mobiele subsystemen waaruit het voertuig overeenkomstig artikel 179/3 is samengesteld op grond van de "EG"-keuringsverklaring.]1

  
Art.179/5. [1 Afin d'obtenir une autorisation de mise sur le marché d'un véhicule ou d'un type de véhicule, le demandeur se conforme à la procédure et aux modalités reprises au sein du Règlement d'exécution (UE) 2018/545 de la Commission du 4 avril 2018 établissant les modalités pratiques du processus d'autorisation des véhicules ferroviaires et d'autorisation par type de véhicule ferroviaire conformément à la directive (UE) 2016/797 du Parlement européen et du Conseil.
   Sans préjudice dudit Règlement, le dossier d'accompagnement de la demande d'autorisation de mise sur le marché d'un véhicule ou d'un type de véhicule contient également, les justificatifs de la mise sur le marché des sous-systèmes mobiles dont est composé le véhicule conformément à l'article 179/3, sur la base de la déclaration "CE" de vérification.]1

  
Art.179/6. [1 Wanneer er tests nodig zijn om materiaal te verkrijgen ter staving van de technische compatibiliteit bedoeld in artikel 21, paragraaf 3, b) en d) van de richtlijn 2016/797/EU, doet de infrastructuurbeheerder, in overleg met de aanvrager, al het mogelijke om eventuele tests binnen een termijn van drie maanden na ontvangst van de volledige aanvraag van de aanvrager te laten plaatsvinden, onverminderd artikel 8.
   Indien nodig treft de veiligheidsinstantie maatregelen om te waarborgen dat de tests plaatsvinden.]1

  
Art.179/6. [1 Sans préjudice de l'article 8, chaque fois qu'il est nécessaire de procéder à des essais pour obtenir les documents attestant de la compatibilité technique visée à l'article 21, paragraphe 3, b) et d) de la directive 2016/797/UE, le gestionnaire de l'infrastructure, en concertation avec le demandeur, met tout en oeuvre pour assurer que les essais éventuels puissent avoir lieu dans un délai de trois mois à compter de la réception de la demande complète.
   Le cas échéant, l'autorité de sécurité prend des mesures afin que les essais aient lieu.]1

  
Art.179/7. [1 Het Bureau of de veiligheidsinstantie mogen, als onderdeel van de beoordelingen op grond van artikel 21, paragraaf 5, eerste lid van de richtlijn 2016/797/EU en in geval van gerede twijfel, vragen om tests op het netwerk.]1
  
Art.179/7. [1 Dans le cadre des examens visés à l'article 21, paragraphe 5, alinéa 1er de la directive 2016/797/UE et en cas de doutes justifiés, l'Agence ou l'autorité de sécurité peuvent demander que des essais soient réalisés sur le réseau.]1
  
Art.179/8. [1 § 1. Wanneer het Bureau het niet eens is met een negatieve beoordeling door de veiligheidsinstantie naar aanleiding van een onderzoek uitgevoerd overeenkomstig artikel 21, paragraaf 5, b) van de richtlijn 2016/797/EU, werkt de veiligheidsinstantie samen met het Bureau om te komen tot een wederzijds aanvaardbare beoordeling.
   Indien het Bureau en de veiligheidsinstantie het in onderling overleg nodig achten, wordt de aanvrager bij dit proces betrokken.
   § 2. Wanneer binnen één maand vanaf het ogenblik waarop het Bureau de veiligheidsinstantie op de hoogte heeft gebracht dat het niet akkoord is met de afwijzende beslissing, geen wederzijds aanvaardbare beoordeling wordt gevonden, kan de veiligheidsinstantie de vraag voorleggen aan de kamer van beroep opgericht op grond van artikel 55 van de Verordening 2016/796/EU.]1

  
Art.179/8. [1 § 1er. Lorsque l'Agence n'est pas d'accord avec une conclusion de l'autorité de sécurité à l'issue d'une vérification effectuée conformément à l'article 21, paragraphe 5, b) de la directive 2016/797/UE, l'autorité de sécurité coopère avec l'Agence en vue de convenir d'une conclusion mutuellement acceptable.
   Si l'Agence et l'autorité de sécurité le jugent de commun accord nécessaire, cette coopération inclut aussi le demandeur.
   § 2. S'il ne peut être convenu d'une conclusion mutuellement acceptable dans un délai d'un mois à compter du moment où l'Agence a informé l'autorité de sécurité de son désaccord concernant une conclusion négative, l'autorité de sécurité peut soumettre la question à l'arbitrage de la chambre de recours établie en vertu de l'article 55 du Règlement 2016/796/UE.]1

  
Art.179/9. [1 § 1. Wanneer het gebruiksgebied is beperkt tot een of meer netwerken op Belgisch grondgebied, kan de veiligheidsinstantie op verzoek van de aanvrager de vergunning om een voertuig in de handel te brengen afgeven.
   Voor de afgifte van dergelijke vergunningen beoordeelt de veiligheidsinstantie de aanvraag overeenkomstig de Uitvoeringsverordening (EU) 2018/545 van de Commissie van 4 april 2018 tot vaststelling van de praktische regelingen voor het proces voor de afgifte van typegoedkeuringen en vergunningen voor spoorvoertuigen overeenkomstig richtlijn (EU) 2016/797 van het Europees Parlement en de Raad.
   De vergunning geldt ook zonder uitbreiding van het gebruiksgebied voor voertuigen die reizen naar stations in aangrenzende lidstaten met soortgelijke netwerkkenmerken, wanneer deze stations dicht bij de grens liggen en na raadpleging van de bevoegde veiligheidsinstanties overeenkomstig de Uitvoeringsverordening (EU) 2018/545 van de Commissie van 4 april 2018 tot vaststelling van de praktische regelingen voor het proces voor de afgifte van typegoedkeuringen en vergunningen voor spoorvoertuigen overeenkomstig richtlijn (EU) 2016/797 van het Europees Parlement en de Raad.
   Deze raadpleging kan per geval geschieden of worden vastgesteld in een grensoverschrijdend akkoord tussen de veiligheidsinstanties.
   De Koning kan nadere uitvoeringsregels vaststellen die betrekking hebben op aanvragen voor het in de handel brengen van een voertuig als bedoeld in het derde lid.
   § 2. Overeenkomstig de Uitvoeringsverordening (EU) 2018/545 van de Commissie van 4 april 2018 tot vaststelling van de praktische regelingen voor het proces voor de afgifte van typegoedkeuringen en vergunningen voor spoorvoertuigen overeenkomstig richtlijn (EU) 2016/797 van het Europees Parlement en de Raad, geldt de vergunning afgeleverd door een veiligheidsinstantie van een aangrenzende lidstaat ook zonder uitbreiding van het gebruiksgebied voor voertuigen die reizen naar stations gelegen op het Belgisch grondgebied met soortgelijke netwerkkenmerken en exploitatievoorschriften, wanneer deze stations dicht bij de grens liggen en na raadpleging van de veiligheidsinstantie.
   Deze raadpleging kan per geval geschieden of worden vastgelegd in een grensoverschrijdende overeenkomst tussen de veiligheidsinstanties.
   § 3. Wanneer het gebruiksgebied beperkt is tot het Belgisch grondgebied en in geval van niet-toepassing van een TSI of meerdere TSI's of delen ervan, bedoeld in artikel 159, geeft de veiligheidsinstantie de vergunning voor het voertuig pas af nadat de in dat artikel bepaalde procedure is toegepast.
   § 4. De veiligheidsinstantie is verantwoordelijkheid voor de vergunningen die zij afgeeft.]1

  
Art.179/9. [1 § 1er. Lorsque le domaine d'utilisation est limité à un ou à plusieurs réseaux sur le territoire belge, l'autorité de sécurité peut sur requête du demandeur, délivrer l'autorisation de mise sur le marché du véhicule.
   Pour délivrer ces autorisations, l'autorité de sécurité examine la demande, conformément au Règlement d'exécution 2018/545/UE de la Commission du 4 avril 2018 établissant les modalités pratiques du processus d'autorisation des véhicules ferroviaires et d'autorisation par type de véhicule ferroviaire conformément à la directive (UE) 2016/797 du Parlement européen et du Conseil.
   L'autorisation est également valide sans extension du domaine d'utilisation pour les véhicules se rendant dans les gares des Etats membres voisins dont les caractéristiques de réseau sont similaires, lorsque ces gares sont à proximité de la frontière, après consultation des autorités de sécurité compétentes conformément au Règlement d'exécution 2018/545/UE de la Commission du 4 avril 2018 établissant les modalités pratiques du processus d'autorisation des véhicules ferroviaires et d'autorisation par type de véhicule ferroviaire conformément à la directive (UE) 2016/797 du Parlement européen et du Conseil.
   Cette consultation peut se faire au cas par cas ou rentrer dans un accord transfrontalier conclu entre les autorités de sécurité.
   Le Roi peut adopter les modalités d'exécution en ce qui concerne les demandes d'autorisation de mise sur le marché d'un véhicule visée à l'alinéa 3.
   § 2. Conformément au Règlement d'exécution 2018/545/UE de la Commission du 4 avril 2018 établissant les modalités pratiques du processus d'autorisation des véhicules ferroviaires et d'autorisation par type de véhicule ferroviaire conformément à la directive (UE) 2016/797 du Parlement européen et du Conseil, l'autorisation délivrée par une autorité de sécurité d'un Etat membre voisin peut également être valable sans extension du domaine d'exploitation pour les véhicules se rendant dans des gares situées sur le territoire belge dont les caractéristiques de réseau et les règles d'exploitation sont similaires, lorsque ces gares sont à proximité de la frontière, après consultation de l'autorité de sécurité.
   Cette consultation peut se faire au cas par cas ou rentrer dans un accord transfrontalier conclu entre les autorités de sécurité.
   § 3. Lorsque le domaine d'utilisation est limité au territoire belge et en cas de non-application d'une ou de plusieurs STI ou de certaines de leurs parties visées à l'article 159, l'autorité de sécurité ne délivre l'autorisation de véhicule qu'au terme de la procédure définie dans ledit article.
   § 4. L'autorité de sécurité est responsable des autorisations qu'elle délivre.]1

  
Art.179/10. [1 Voor het vernieuwen of verbeteren van bestaande voertuigen waarvoor reeds een vergunning voor het in de handel brengen is afgegeven, is een nieuwe vergunning voor het in de handel brengen ervan vereist als:
   1° er wijzigingen worden aangebracht in de waarden van de parameters, bedoeld in artikel 21, paragraaf 10, b), van de richtlijn 2016/797/EU waardoor deze waarden zich niet langer binnen de grenzen van in de TSI's bepaalde aanvaardbare parameters bevinden;
   2° het algemene veiligheidsniveau van het betrokken voertuig door de geplande werkzaamheden kan worden aangetast; of
   3° dat door de desbetreffende TSI's wordt vereist.]1

  
Art.179/10. [1 En cas de renouvellement ou de réaménagement de véhicules existants qui sont déjà munis d'une autorisation de mise sur le marché, une nouvelle autorisation de mise sur le marché est requise si:
   1° des modifications sont apportées aux valeurs des paramètres visées à l'article 21, paragraphe 10, b) de la directive 2016/797/UE, qui sont en dehors de l'éventail de paramètres acceptables définis dans les STI;
   2° le niveau global de sécurité du véhicule concerné risque d'être affecté négativement par les travaux envisagés; ou
   3° elle est requise par les STI concernées.]1

  
Art.179/11. [1 Als de aanvrager een vergunning heeft ontvangen overeenkomstig artikel 179/9 en het gebruiksgebied op Belgisch grondgebied wenst uit te breiden, vult hij het dossier aan met de bijkomende pertinente documenten bedoeld in artikel 21, paragraaf 3 van de richtlijn 2016/797/EU betreffende het bijkomende gebruiksgebied.
   Hij dient het dossier in bij de veiligheidsinstantie, die na het volgen van de procedure in artikel 179/9 een geactualiseerde vergunning voor het uitgebreide gebruiksgebied afgeeft.]1

  
Art.179/11. [1 Si le demandeur a reçu une autorisation de véhicule conformément à l'article 179/9 et s'il souhaite en étendre le domaine d'utilisation sur le territoire belge, il verse au dossier les documents supplémentaires pertinents visés à l'article 21, paragraphe 3 de la directive 2016/797/UE, concernant le domaine d'utilisation supplémentaire.
   Il soumet le dossier à l'autorité de sécurité, qui, après avoir suivi les procédures décrites à l'article 179/9, délivre une autorisation actualisée couvrant le domaine d'utilisation élargi.]1

  
Art.179/12. [1 § 1. Voordat een infrastructuurgebruiker een voertuig gebruikt in het gebruiksgebied dat in de vergunning voor het in de handel brengen is vermeld, controleert hij of:
   1° voor het voertuig een vergunning voor het in de handel brengen, is afgegeven overeenkomstig de artikelen 179/4 tot 179/11 en of het voorwerp uitmaakt van een geldige registratie;
   2° het voertuig compatibel is met het traject op basis van het infrastructuurregister, de desbetreffende TSI's of iedere andere relevante informatie die de infrastructuurbeheerder gratis en binnen een redelijke termijn moet verstrekken als een dergelijk register niet bestaat of niet volledig is; en
   3° het voertuig correct is geïntegreerd in de samenstelling van de trein waarin het bedoeld is te functioneren, rekening houdend met het veiligheidsbeheersysteem bedoeld in de artikelen 89, 90, 91 en 92 en de TSI inzake exploitatie en verkeersleiding.
   § 2. Voor de toepassing van paragraaf 1 mag de spoorwegonderneming tests uitvoeren in samenwerking met de infrastructuurbeheerder, onverminderd artikel 8.
   De infrastructuurbeheerder doet, in overleg met de betrokken spoorwegonderneming, al het mogelijke om eventuele tests binnen drie maanden na ontvangst van het verzoek van de aanvrager te laten plaatsvinden.]1

  
Art.179/12. [1 § 1er. Avant qu'un utilisateur de l'infrastructure utilise un véhicule dans le domaine d'utilisation spécifié dans son autorisation de mise sur le marché, il vérifie:
   1° que le véhicule est muni d'une autorisation de mise sur le marché délivrée conformément aux articles 179/4 à 179/11 et qu'il fait l'objet d'un enregistrement valide;
   2° que le véhicule est compatible avec l'itinéraire, sur la base du registre de l'infrastructure, des STI applicables ou de toute information pertinente que le gestionnaire de l'infrastructure lui fournit gratuitement et dans un délai raisonnable lorsque ce registre n'existe pas ou est incomplet;
   3° que le véhicule est convenablement intégré dans la composition du train au sein duquel il doit être utilisé, en prenant en compte le système de gestion de la sécurité visé aux articles 89, 90, 91 et 92 et la STI relative à l'exploitation et à la gestion du trafic.
   § 2. Aux fins du paragraphe 1er, et sans préjudice de l'article 8, l'entreprise ferroviaire peut effectuer des essais en coopération avec le gestionnaire de l'infrastructure.
   Le gestionnaire de l'infrastructure, en concertation avec l'entreprise ferroviaire concernée, met tout en oeuvre pour assurer que les essais éventuels puissent avoir lieu dans un délai de trois mois à compter de la réception de la demande.]1

  
Art.179/13. [1 § 1. Wanneer een infrastructuurgebruiker bij de exploitatie vaststelt dat een voertuig dat hij gebruikt niet aan een van de geldende essentiële eisen voldoet, neemt hij de noodzakelijke corrigerende maatregelen om het voertuig met de eisen in overeenstemming te brengen.
   Voorts stelt hij het Bureau en de betrokken veiligheidsinstanties in kennis van de genomen maatregelen.
   § 2. Indien de infrastructuurgebruiker over aanwijzingen beschikt waaruit blijkt dat niet aan de eisen werd voldaan op het moment waarop:
   1° de toelating voor het in dienst stellen is afgegeven overeenkomstig hoofdstuk 5, van titel 6, zoals dat in werking was voor de inwerkingtreding van de wet van 20 januari 2021 tot wijziging van de Spoorcodex; of
   2° de vergunning voor het in de handel brengen is afgegeven,
   stelt hij het Bureau en alle andere betrokken veiligheidsinstanties daarvan in kennis.]1

  
Art.179/13. [1 § 1er. Lorsqu'un utilisateur de l'infrastructure constate durant l'exploitation qu'un véhicule qu'il utilise ne répond pas à l'une des exigences essentielles applicables, il prend les mesures correctrices nécessaires pour mettre le véhicule en conformité.
   En outre, il informe l'Agence et toute autorité de sécurité concernée des mesures prises.
   § 2. Si l'utilisateur de l'infrastructure dispose d'éléments démontrant que la non-conformité existait déjà au moment où:
   1° l'autorisation de mise en service a été délivrée conformément au chapitre 5, du titre 6 tel qu'il était en vigueur avant l'entrée en vigueur de la loi du 20 janvier 2021 modifiant le Code ferroviaire; ou
   2° l'autorisation de mise sur le marché a été délivrée,
   il en informe l'Agence et toutes les autres autorités de sécurité concernées.]1

  
Art.179/14. [1 Wanneer de veiligheidsinstantie verneemt dat een voertuig of voertuigtype waarvoor:
   1° een toelating voor het in dienst stellen is afgegeven overeenkomstig hoofdstuk 5, van titel 6, zoals dat in werking was voor de inwerkingtreding van de wet van 20 januari 2021 tot wijziging van de Spoorcodex; of
   2° een vergunning voor het in de handel brengen is verleend, zij het door het Bureau, zij het door haar zelf, overeenkomstig de artikelen 179/4 tot 179/11 of 179/20,
   wanneer het gebruikt wordt op de bedoelde wijze, niet voldoet aan één van de geldende essentiële eisen, stelt zij de infrastructuurgebruiker die het voertuig of het voertuigtype gebruikt daarvan in kennis en verzoekt hem de noodzakelijke corrigerende maatregelen te nemen om het voertuig of de voertuigen met de eisen in overeenstemming te brengen binnen een door haar bepaalde termijn.
   De veiligheidsinstantie stelt het Bureau en de andere betrokken veiligheidsinstanties in kennis wanneer zij over informatie beschikt waaruit blijkt dat deze laatsten betrokken zijn, met name omdat zij een verzoek behandelen voor het in de handel brengen van eenzelfde voertuigtype.]1

  
Art.179/14. [1 Lorsque l'autorité de sécurité apprend qu'un véhicule ou un type de véhicule, pour lequel,
   1° une autorisation de mise en service a été délivrée conformément au chapitre 5, du titre 6 tel qu'il était en vigueur avant l'entrée en vigueur de la loi du 20 janvier 2021 modifiant le Code ferroviaire; ou
   2° une autorisation de mise sur le marché a été accordée soit par l'Agence, soit par elle-même, conformément aux articles 179/4 à 179/11 ou 179/20,
   lorsqu'il est utilisé conformément à sa destination, ne satisfait pas à l'une des exigences essentielles applicables, elle en informe l'utilisateur de l'infrastructure utilisant le véhicule ou le type de véhicule et lui demande de prendre les mesures correctrices nécessaires pour mettre le ou les véhicules en conformité dans un délai qu'elle détermine.
   L'autorité de sécurité informe l'Agence et les autres autorités de sécurité concernées, si elle dispose d'informations selon lesquelles ces dernières sont impliquées, notamment parce qu'elles traitent une demande d'autorisation de mise sur le marché d'un véhicule du même type.]1

  
Art.179/15. [1 § 1. Wanneer in de gevallen bedoeld in de artikelen 179/13 en 179/14, de infrastructuurgebruiker er zich binnen de gegeven termijn niet van verzekert dat de genomen corrigerende maatregelen conform zijn met de geldende essentiële eisen leidt en de non-conformiteit een ernstig veiligheidsrisico vormt, kan de veiligheidsinstantie tijdelijke veiligheidsmaatregelen toepassen in het kader van haar toezichttaken overeenkomstig artikel 74/1, paragraaf 7.
   Er kunnen tijdelijke veiligheidsmaatregelen in de vorm van schorsing van de voertuigtypegoedkeuring worden toegepast door de veiligheidsinstantie of het Bureau tegelijkertijd.
   § 2. In de gevallen bedoeld in paragraaf 1 en onverminderd artikel 26, paragraaf 4 van de richtlijn 2016/797/EU, kan de veiligheidsinstantie die de vergunning heeft afgegeven, na toetsing van de effectiviteit van de maatregelen die zijn genomen om het ernstige veiligheidsrisico weg te nemen, beslissen de vergunning of de typegoedkeuring in te trekken of aan te passen indien er bewijs wordt geleverd dat ten tijde van de afgifte van de vergunning niet was voldaan aan een essentiële eis.
   Zij brengt haar beslissing ter kennis van de houder van:
   1° de toelating voor het in dienst stellen die is afgegeven overeenkomstig hoofdstuk 5, van titel 6, zoals dat in werking was voor de inwerkingtreding van de wet van 20 januari 2021 tot wijziging van de Spoorcodex; of
   2° de vergunning voor het in de handel brengen of de vergunning voor een voertuigtypegoedkeuring.
   De houder kan binnen een maand na ontvangst van de beslissing van de veiligheidsinstantie vragen om de beslissing te herzien.
   In dat geval wordt de beslissing tot intrekking opgeschort.
   De veiligheidsinstantie heeft vanaf de datum van ontvangst van het verzoek om herziening een maand de tijd om haar beslissing te bevestigen of te herroepen.
   § 3. In voorkomend geval, wanneer het Bureau en de veiligheidsinstantie het met elkaar oneens zijn over de noodzaak de vergunning te beperken of in te trekken, wordt de arbitrageprocedure bedoeld in artikel 179/8, paragraaf 2 gevolgd.
   Indien het resultaat van die procedure is dat de voertuigvergunning niet wordt beperkt of ingetrokken, worden de in paragraaf 1 van dit artikel bedoelde tijdelijke veiligheidsmaatregelen opgeschort.]1

  
Art.179/15. [1 § 1er. Lorsque, dans les situations visées aux articles 179/13 et 179/14, l'utilisateur de l'infrastructure ne s'assure pas, dans le délai imparti, de la conformité des mesures correctrices appliquées avec les exigences essentielles applicables et que la non-conformité se traduit par un risque grave pour la sécurité, l'autorité de sécurité peut appliquer des mesures de sécurité temporaires dans le cadre de sa mission de surveillance, conformément à l'article 74/1, paragraphe 7.
   Des mesures de sécurité temporaires prenant la forme d'une suspension de l'autorisation par type d'un véhicule peuvent être appliquées en parallèle par l'autorité de sécurité ou par l'Agence.
   § 2. Sans préjudice de l'article 26, paragraphe 4, de la directive 2016/797/UE, dans les situations visées au paragraphe 1er, l'autorité de sécurité qui a délivré l'autorisation, après un examen de l'efficacité de toute mesure prise pour remédier au risque grave pour la sécurité, peut décider de retirer ou de modifier l'autorisation lorsqu'il est prouvé qu'il n'était pas satisfait à une exigence essentielle au moment de la délivrance de l'autorisation.
   Elle notifie sa décision au titulaire de:
   1° l'autorisation de mise en service délivrée conformément au chapitre 5, du titre 6 tel qu'il était en vigueur avant l'entrée en vigueur de la loi du 20 janvier 2021 modifiant le Code ferroviaire; ou
   2° l'autorisation de mise sur le marché ou de l'autorisation par type de véhicule.
   Le titulaire peut, dans un délai d'un mois à compter de la réception de la décision de l'autorité de sécurité, demander que la décision soit revue.
   Dans ce cas, la décision de retrait est suspendue.
   L'autorité de sécurité dispose d'un mois à compter de la réception de la demande de révision pour confirmer ou infirmer sa décision.
   § 3. Si nécessaire, en cas de désaccord entre l'Agence et l'autorité de sécurité à propos de la nécessité de restreindre ou de retirer l'autorisation, il y a lieu de suivre la procédure d'arbitrage visée à l'article 179/8, paragraphe 2.
   Si le résultat de cette procédure est que l'autorisation du véhicule ne peut être ni restreinte ni retirée, les mesures de sécurité temporaires visée au paragraphe 1er sont suspendues.]1

  
Art.179/16. [1 Wanneer de veiligheidsinstantie beslist tot intrekking van:
   1° een toelating voor het in dienst stellen die is afgegeven overeenkomstig hoofdstuk 5, van titel 6, zoals dat in werking was voor de inwerkingtreding van de wet van 20 januari 2021 tot wijziging van de Spoorcodex; of
   2° een vergunning voor het in de handel brengen die zij heeft verleend,
   brengt zij het Bureau daarvan onmiddellijk op de hoogte met opgave van de redenen voor haar beslissing.]1

  
Art.179/16. [1 Lorsque l'autorité de sécurité décide de retirer:
   1° une autorisation de mise en service délivrée conformément au chapitre 5, du titre 6 tel qu'il était en vigueur avant l'entrée en vigueur de la loi du 20 janvier 2021 modifiant le Code ferroviaire; ou
   2° une autorisation de mise sur le marché qu'elle a accordée,
   elle en informe immédiatement l'Agence et donne les raisons de sa décision.]1

  
Art.179/17. [1 § 1. De beslissing van de veiligheidsinstantie om de vergunning in te trekken, wordt verwerkt in het voertuigregister, overeenkomstig artikel 210, of in het geval van een voertuigtypegoedkeuring, in het Europees register van goedgekeurde typen voertuigen, overeenkomstig artikel 179/20, paragraaf 6.
   § 2. De veiligheidsinstantie licht de infrastructuurgebruikers die voertuigen gebruiken van hetzelfde type als het voertuig of voertuigtype die ingetrokken is, in.
   Deze infrastructuurgebruikers controleren eerst of het probleem van niet voldoen aan de eisen zich ook bij hen voordoet. In voorkomend geval is de procedure van de artikelen 179/14 en volgende van toepassing.]1

  
Art.179/17. [1 § 1er. La décision de l'autorité de sécurité visant à retirer l'autorisation est prise en compte dans le registre des véhicules, conformément à l'article 210, ou, dans le cas d'une autorisation par type de véhicule, dans le registre européen des types de véhicules autorisés, conformément à l'article 179/20, paragraphe 6.
   § 2. L'autorité de sécurité informe les utilisateurs de l'infrastructure qui utilisent des véhicules du même type que le véhicule ou type faisant l'objet du retrait.
   Ces utilisateurs de l'infrastructure vérifient tout d'abord si le même problème de non-conformité existe. Le cas échéant, la procédure prévue aux articles 179/14 et suivants s'applique.]1

  
Art.179/18. [1 § 1. Wanneer een toelating voor het in dienst stellen die is afgegeven overeenkomstig hoofdstuk 5, van titel 6, zoals dat in werking was voor de inwerkingtreding van de wet van 20 januari 2021 tot wijziging van de Spoorcodex, wordt ingetrokken, wordt het voertuig in kwestie niet langer gebruikt.
   § 2. Wanneer een vergunning voor het in de handel brengen wordt ingetrokken, wordt het voertuig in kwestie niet langer gebruikt en wordt het gebruiksgebied ervan niet uitgebreid.
   § 3. Wanneer een voertuigtypegoedkeuring wordt ingetrokken, worden de op basis van die typegoedkeuring gebouwde voertuigen niet meer in de handel gebracht of worden zij, indien ze reeds in de handel waren gebracht, uit de handel genomen.
   § 4. Er kan om een nieuwe vergunning worden verzocht volgens de procedure voorzien in:
   1° de artikelen 179/4 tot 179/11 voor afzonderlijke voertuigen; of
   2° artikel 179/20, paragrafen 1, 2, 4, eerste en tweede lid, en paragrafen 5 en 6 voor een voertuigtype.]1

  
Art.179/18. [1 § 1er. Lorsqu'une autorisation de mise en service délivrée conformément au chapitre 5, du titre 6 tel qu'il était en vigueur avant l'entrée en vigueur de la loi du 20 janvier 2021 modifiant le Code ferroviaire, est retirée, le véhicule concerné n'est plus utilisé.
   § 2. Lorsqu'une autorisation de mise sur le marché est retirée, le véhicule concerné n'est plus utilisé et son domaine d'utilisation n'est pas élargi.
   § 3. Lorsqu'une autorisation par type de véhicule est retirée, les véhicules construits sur la base de cette autorisation ne sont pas mis sur le marché ou, s'ils l'avaient déjà été, en sont retirés.
   § 4. Une nouvelle autorisation peut être demandée selon la procédure prévue:
   1° aux articles 179/4 à 179/11 pour des véhicules individuels; ou
   2° à l'article 179/20, paragraphes 1er, 2, 4, alinéas 1er et 2, et paragraphes 5 et 6 pour un type de véhicule.]1

  
Art.179/19. [1 Indien in de gevallen bedoeld in de artikelen 179/13 en 179/14 het niet voldoen aan de essentiële eisen beperkt blijft tot een deel van het gebruiksgebied van het betrokken voertuig en die situatie reeds bestond ten tijde van de afgifte van de vergunning of de typegoedkeuring voor het in de handel brengen, wordt die vergunning of typegoedkeuring gewijzigd ten einde de betrokken delen van het gebruiksgebied uit te sluiten.]1
  
Art.179/19. [1 Lorsque, dans les situations visées aux articles 179/13 et 179/14, la non-conformité avec les exigences essentielles est limitée à une partie du domaine d'utilisation du véhicule concerné et que ladite non-conformité existait déjà au moment où l'autorisation de mise sur le marché a été délivrée, celle-ci est modifiée afin d'exclure les parties du domaine d'utilisation concerné.]1
  
Afdeling 4. [1 - Voertuigtypegoedkeuringen]1
Section 4. [1 - Autorisations par type de véhicule]1
Art.179/20. [1 § 1. De veiligheidsinstantie kan overeenkomstig de procedure van de artikelen 179/4 tot 179/20 voertuigtypegoedkeuringen verlenen.
   De aanvraag voor een voertuigtypegoedkeuring en de informatie over alle aanvragen, de fasen van de relevante procedures en de uitkomst ervan, en, in voorkomend geval, de verzoeken en beslissingen van de kamer van beroep worden ingediend via het in artikel 12 van de Verordening 2016/796/EU bedoelde éénloketsysteem.
   § 2. Als de veiligheidsinstantie een vergunning om een voertuig in de handel te brengen afgeeft, geeft zij tegelijkertijd op verzoek van de aanvrager de typegoedkeuring van het voertuig af, die betrekking heeft op hetzelfde gebruiksgebied van het voertuig.
   § 3. Een voertuig dat of een reeks voertuigen die in overeenstemming is/zijn met een goedgekeurd voertuigtype, krijgt/ krijgen zonder verdere controles een voertuigvergunning overeenkomstig de artikelen 179/4 tot 179/20 op basis van een door de aanvrager overgelegde verklaring van conformiteit met dit voertuigtype.
   § 4. Indien de typegoedkeuring moet worden hernieuwd, beperkt de veiligheidsinstantie haar controles tot de gewijzigde voorschriften.
   De hernieuwing van de typegoedkeuring van een voertuig doet geen afbreuk aan vergunningen om voertuigen in de handel te brengen die reeds zijn verleend op basis van de eerdere vergunning voor het in de handel brengen van dat voertuigtype.
   § 5. De verklaring van conformiteit met het type wordt opgesteld volgens:
   1° de keuringsprocedures van de desbetreffende TSI's, of
   2° indien er geen TSI's van toepassing zijn, de conformiteitsbeoordelingsprocedures als omschreven in de modules B + D, B + F en H1 van Besluit nr. 768/2008/EG van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 betreffende een gemeenschappelijk kader voor het verhandelen van producten en tot intrekking van Besluit 93/465/EEG.
   § 6. De veiligheidsinstantie registreert de typegoedkeuring van voertuigen in het Europees register van goedgekeurde voertuigtypen als bedoeld in artikel 48 van de richtlijn 2016/797/EU.]1

  
Art.179/20. [1 § 1er. L'autorité de sécurité peut délivrer des autorisations par type de véhicule conformément à la procédure prévue aux articles 179/4 à 179/11.
   La demande d'autorisation par type de véhicule et les informations relatives à toutes les demandes, l'état d'avancement des procédures concernées et leur issue et, le cas échéant, les demandes et décisions de la chambre des recours sont présentés au travers du guichet unique visé à l'article 12 du Règlement 2016/796/UE.
   § 2. Si l'autorité de sécurité délivre une autorisation de mise sur le marché d'un véhicule, elle délivre en même temps, à la demande du demandeur, l'autorisation par type de véhicule, qui porte sur le même domaine d'utilisation du véhicule.
   § 3. Un véhicule ou une série de véhicules conformes à un type de véhicule autorisé reçoivent, sans vérification, une autorisation de véhicule prévue aux articles 179/4 à 179/11, sur la base d'une déclaration de conformité audit type de véhicule présentée par le demandeur.
   § 4. En cas de renouvellement d'une autorisation par type de véhicule, l'autorité de sécurité limite son contrôle aux règles modifiées.
   Le renouvellement d'une autorisation par type de véhicule n'affecte pas les autorisations de mise sur le marché de véhicules délivrées sur la base de la précédente autorisation de mise sur le marché du type de véhicule en question.
   § 5. La déclaration de conformité avec le type est établie en conformité avec:
   1° les procédures de vérification des STI pertinentes;
   2° si aucune STI n'est applicable, les procédures d'évaluation de la conformité définies aux modules B+D, B+F et H1 de la Décision n° 768/2008/CE du Parlement européen et du Conseil du 9 juillet 2008 relative à un cadre commun pour la commercialisation des produits et abrogeant la Décision n° 93/465/CEE.
   § 6. L'autorité de sécurité enregistre les autorisations par type de véhicule dans le registre européen des types de véhicules autorisés visé à l'article 48 de la directive 2016/797/UE.]1

  
HOOFDSTUK 5.
CHAPITRE 5.
Afdeling 1.
Section 1re.
Afdeling 2.
Section 2.
Onderafdeling 1.
Sous-section 1re.
Onderafdeling 2.
Sous-section 2.
Afdeling 3.
Section 3.
Onderafdeling 1.
Sous-section 1re.
Onderafdeling 2.
Sous-section 2.
Afdeling 4.
Section 4.
Afdeling 5.
Section 5.
HOOFDSTUK 6. [1 - Conformiteitsbeoordelingsinstanties]1
CHAPITRE 6. [1 - Organismes d'évaluation de la conformité]1
Afdeling 0. [1 - Aanmeldende instantie]1
Section 0. [1 - Autorité notifiante]1
Art.200/1. [1 § 1. De Koning wijst de aanmeldende instantie aan die verantwoordelijk is voor het instellen en uitvoeren van de nodige procedures voor de beoordeling, de aanmelding en de aanwijzing van en het toezicht op conformiteitsbeoordelingsinstanties, met inbegrip van de naleving van artikel 204/1.
   § 2. De aanmeldende instantie:
   1° zorgt voor de notificatie aan de Europese Commissie en andere lidstaten van instanties die bevoegd zijn om conformiteitsbeoordelingstaken van derden uit hoofde van artikel 163, tweede lid, en artikel 172, paragraaf 1, te verrichten;
   2° stelt de Europese Commissie en de andere lidstaten in kennis van de aangewezen instanties bedoeld in artikel 172, paragraaf 8.
   § 3. De Koning kan beslissen dat de beoordeling en het toezicht als bedoeld in paragraaf 1 worden uitgevoerd door een nationale accreditatie-instantie in de zin van en overeenkomstig de Verordening (EG) nr. 765/2008.
   § 4. De aanmeldende instantie neemt de verantwoordelijkheid op zich voor de taken die deze instantie verricht.
   § 5. De aanmeldende instantie stelt de Europese Commissie in kennis van de procedures voor de beoordeling en aanmelding van en het toezicht op conformiteitsbeoordelingsinstanties, en van alle wijzigingen daarvan.]1

  
Art.200/1. [1 § 1er. Le Roi désigne l'autorité notifiante chargée de mettre en place et d'appliquer les procédures nécessaires à l'évaluation, à la notification, à la désignation et au contrôle des organismes d'évaluation de la conformité, y compris en ce qui concerne l'article 204/1.
   § 2. L'autorité notifante:
   1° s'assure de la notification à la Commission européenne et aux autres Etats membres des organismes autorisés à effectuer des opérations d'évaluation de la conformité par un tiers prévues par les articles 163, alinéa 2, et 172, paragraphe 1er;
   2° informe la Commission européenne et les autres Etats membres sur les organismes désignés visés à l'article 172, paragraphe 8.
   § 3. Le Roi peut décider que l'évaluation et le contrôle visés au paragraphe 1er sont effectués par un organisme national d'accréditation au sens du Règlement (CE) n° 765/2008 et conformément à celui-ci.
   § 4. L'autorité notifiante assume la responsabilité des tâches accomplies par cet organisme.
   § 5. L'autorité notifiante informe la Commission européenne des procédures d'évaluation, de notification et de contrôle des organismes d'évaluation de la conformité et de toute modification apportée à ces procédures.]1

  
Art.200/2. [1 De aanmeldende instantie:
   1° is zodanig opgericht dat zich geen belangenconflicten met conformiteitsbeoordelingsinstanties voordoen;
   2° is zodanig georganiseerd en functioneert zodanig dat de objectiviteit en onpartijdigheid van haar activiteiten gewaarborgd zijn;
   3° is zodanig georganiseerd dat elke beslissing in verband met de aanmelding van een conformiteitsbeoordelingsinstantie wordt genomen door bekwame personen die de beoordeling niet zelf hebben verricht;
   4° verricht geen activiteiten die worden uitgevoerd door conformiteitsbeoordelingsinstanties en verleent geen adviesdiensten op commerciële basis of in concurrentie en biedt evenmin aan dergelijke activiteiten te verrichten of dergelijke adviezen te verlenen;
   5° waarborgt dat de verkregen informatie vertrouwelijk wordt behandeld;
   6° beschikt over een voldoende aantal bekwame personeelsleden om haar taken naar behoren uit te voeren.]1

  
Art.200/2. [1 L'autorité notifiante:
   1° est établie de manière à éviter tout conflit d'intérêts avec les organismes d'évaluation de la conformité;
   2° est organisée et fonctionne de manière à garantir l'objectivité et l'impartialité de ses activités;
   3° est organisée de telle sorte que chaque décision concernant la notification d'un organisme d'évaluation de la conformité est prise par des personnes compétentes différentes de celles qui ont réalisé l'évaluation;
   4° ne propose ni n'assure aucune des prestations réalisées par les organismes d'évaluation de la conformité, ni aucun service de conseil à des fins commerciales ou concurrentielles;
   5° garantit la confidentialité des informations qu'elle obtient;
   6° dispose d'un effectif compétent et en nombre suffisant pour accomplir correctement leur mandat.]1

  
Art.200/3. [1 § 1. Wanneer de aanmelding wordt beperkt, geschorst of ingetrokken of wanneer de aangemelde instantie haar activiteiten heeft gestaakt, stelt de aangemelde instantie zijn dossier ter beschikking van de aanmeldende instantie en van de bevoegde markttoezichtsautoriteiten wanneer zij hierom verzoeken.
   § 2. De aanmeldende instantie verstrekt de Europese Commissie op verzoek alle informatie over de grondslag van de aanmelding of het op peil houden van de bekwaamheid van de betrokken instantie.]1

  
Art.200/3. [1 § 1er. A la demande de l'autorité notifiante et des autorités de surveillance du marché compétentes, tout organisme notifié tient ses dossiers à leur disposition en cas de restriction, de suspension ou de retrait de sa notification, ou lorsque l'organisme notifié a cessé ses activités.
   § 2. L'autorité notifiante communique à la Commission européenne, sur demande, toutes les informations relatives au fondement de la notification ou au maintien de la compétence de l'organisme concerné.]1

  
Art.200/4. [1 De aanmeldende instantie verzekert de aanmelding van conformiteitsbeoordelingsinstanties die voldoen aan de eisen van de artikelen 202, 203 en de bijlage 21 bij de Europese Commissie en de andere lidstaten door middel van het door de Europese Commissie ontwikkelde en beheerde elektronische aanmeldingssysteem.
   De aanmelding omvat de volledige informatie over de conformiteitsbeoordelingsactiviteiten, de conformiteitsbeoordelingsmodule(s), het product of de producten en het accreditatiecertificaat.
   De aanmeldende instantie stelt de Europese Commissie en de andere lidstaten in kennis van alle relevante latere wijzigingen die van belang zijn voor de aanmelding.]1

  
Art.200/4. [1 L'autorité notifiante s'assure de la notification des organismes d'évaluation de la conformité qui satisfont aux exigences visées aux articles 202, 203 et à l'annexe 21, à la Commission européenne et aux autres Etats membres à l'aide de l'outil de notification électronique mis au point et géré par la Commission européenne.
   La notification comprend des informations complètes sur les activités d'évaluation de la conformité, le ou les modules d'évaluation de la conformité et le ou les produits concernés, ainsi que le certificat d'accréditation.
   L'autorité notifiante informe la Commission européenne et les autres Etats membres de toute modification ultérieure pertinente de la notification.]1

  
Afdeling 1. - Aangemelde instanties
Section 1re. - Organismes notifiés
Art. 201. [1 De instantie die aangemeld wordt, mag de activiteiten van een aangemelde instantie alleen verrichten als de Europese Commissie of de andere lidstaten binnen twee weken na haar aanmelding geen bezwaren hebben ingediend.]1
  
Art. 201. [1 L'organisme qui fait l'objet d'une notification ne peut effectuer les activités propres à un organisme notifié que si la Commission européenne ou les autres Etats membres n'émettent aucune objection dans un délai de deux semaines à compter de sa notification.]1
  
Art. 202. [1 § 1. Om erkend te worden met het oog op hun aanmelding, dienen conformiteitsbeoordelingsinstanties gevestigd in België een verzoek tot erkenning in bij de aanmeldende instantie.
   Dit verzoek:
   1° wordt vergezeld van:
   a) een beschrijving van de conformiteitsbeoordelingsactiviteiten, de conformiteitsbeoordelingsmodule(s) en het product of de producten waarvoor de instantie verklaart bekwaam te zijn;
   b) een accreditatiecertificaat, geldig op het ogenblik van de indiening van het verzoek en op ieder ogenblik volgend op deze indiening, dat is afgegeven door een nationale accreditatie-instantie overeenkomstig de bepalingen van de Verordening (EG) nr. 765/2008, dat attesteert dat de conformiteitsbeoordelingsinstantie voldoet aan de geharmoniseerde normen vermeld in artikel 2(10) van voormelde Verordening en aan de bijkomende vereisten vermeld in de artikelen 202 tot 204;
   2° attesteert dat zij voldoen aan de vereisten opgenomen in de bijlage 21.
   § 2. De Koning bepaalt de nadere regels voor het indienen van een erkenningsdossier, de procedure voor de toekenning van de erkenning en de regels inzake controle, schorsing en intrekking van de erkenning.]1

  
Art. 202. [1 § 1er. Pour pouvoir être agréés en vue de leur notification, les organismes d'évaluation de la conformité établis en Belgique, soumettent une demande d'agrément à l'autorité notifiante.
   Cette demande:
   1° est accompagnée:
   a) d'une description des activités d'évaluation de la conformité, du ou des modules d'évaluation de la conformité et du ou des produits pour lesquels cet organisme se déclare compétent;
   b) d'un certificat d'accréditation valable au moment de l'introduction de la demande et à chaque moment suivant cette introduction, délivré par un organisme national d'accréditation conformément aux dispositions du Règlement (CE) n° 765/2008, qui atteste que l'organisme d'évaluation de la conformité remplit les normes harmonisées mentionnées à l'article 2(10) dudit Règlement ainsi que les exigences supplémentaires définies aux articles 202 à 204;
   2° atteste qu'ils satisfont aux exigences établies à l'annexe 21.
   § 2. Le Roi fixe les modalités d'introduction du dossier d'agrément, la procédure pour la délivrance de l'agrément et les règles en matière de contrôle, de soumission à des restrictions, de suspension ou de retrait de l'agrément.]1

  
Art. 203. [1 § 1. Conformiteitsbeoordelingsinstanties nemen deel aan relevante normalisatieactiviteiten en de activiteiten van de coördinatiegroep van aangemelde conformiteitsbeoordelingsinstanties die is opgericht uit hoofde van de desbetreffende wetgeving van de Unie en zorgen ervoor dat hun beoordelingspersoneel op de hoogte is van deze activiteiten en hanteren de door die groep genomen administratieve beslissingen en geproduceerde documenten als algemene richtsnoeren.
   § 2. Conformiteitsbeoordelingsinstanties die zijn aangemeld voor de subsystemen "baan- en/of boorduitrusting voor besturing" en "seingeving", nemen deel aan of zorgen ervoor dat hun beoordelingspersoneel op de hoogte is van de activiteiten van de in artikel 29 van de Verordening 2016/796/EU bedoelde ERTMS-groep. Zij volgen de op basis van de werkzaamheden van de groep opgestelde richtsnoeren. Wanneer zij van oordeel zijn dat het niet raadzaam of onmogelijk is om deze richtsnoeren toe te passen, leggen zij hun bevindingen met het oog op de permanente verbetering van die richtsnoeren ter bespreking voor aan de ERTMS-groep.]1

  
Art. 203. [1 § 1er. Les organismes d'évaluation de la conformité participent aux activités de normalisation pertinentes et aux activités du groupe de coordination des organismes d'évaluation de la conformité notifiés, établi en application des dispositions juridiques pertinentes de l'Union, et veillent à ce que leur personnel d'évaluation soit informé de ces activités, et appliquent comme lignes directrices les décisions et documents administratifs résultant du travail de ce groupe.
   § 2. Les organismes d'évaluation de la conformité qui sont notifiés pour les sous-systèmes "contrôle-commande et signalisation au sol" ou "contrôle-commande et signalisation à bord" participent aux activités du groupe sur l'ERTMS visé à l'article 29 du Règlement (UE) 2016/796, et veillent à ce que leur personnel d'évaluation soit informé de ces activités. Ils appliquent les lignes directrices résultant des travaux de ce groupe. S'ils jugent qu'il est inapproprié ou impossible de les appliquer, les organismes d'évaluation de la conformité concernés soumettent leurs observations pour discussion au groupe sur l'ERTMS en vue de l'amélioration continue des lignes directrices.]1

  
Art. 204. [1 Wanneer conformiteitsbeoordelingsinstanties aantonen dat zij voldoen aan de criteria van de toepasselijke geharmoniseerde normen of delen ervan waarvan de referentienummers in het Publicatieblad van de Europese Unie zijn bekendgemaakt, worden zij geacht aan de eisen van de artikelen 202, 203 en de bijlage 21 te voldoen, op voorwaarde dat de van toepassing zijnde geharmoniseerde normen deze eisen dekken.]1
  
Art. 204. [1 Les organismes d'évaluation de la conformité qui démontrent leur conformité avec les critères établis dans les normes harmonisées concernées ou dans des parties de normes harmonisées dont les références ont été publiées au Journal officiel de l'Union européenne sont présumés conformes aux exigences établies aux articles 202, 203 et à l'annexe 21, dans la mesure où les normes harmonisées applicables couvrent ces exigences.]1
  
Art.204/1. [1 Wanneer de aangemelde instantie specifieke taken in verband met de conformiteitsbeoordeling uitbesteedt of door een dochteronderneming laat uitvoeren, waarborgt zij dat de onderaannemer of dochteronderneming voortdurend aan de eisen van de artikelen 201, paragraaf 1, eerste lid, 202, 203 en de bijlage 21 voldoet.
   De aangemelde instantie brengt de aanmeldende instantie hiervan op de hoogte.
   Aangemelde instanties nemen de volledige verantwoordelijkheid op zich voor de taken die worden verricht door onderaannemers of dochterondernemingen, ongeacht waar deze gevestigd zijn.
   Activiteiten van aangemelde instanties mogen uitsluitend met instemming van de klant worden uitbesteed of door een dochteronderneming worden uitgevoerd.
   Aangemelde instanties houden alle relevante documenten over de beoordeling van de kwalificaties van de onderaannemer of de dochteronderneming en over de door de onderaannemer of dochteronderneming uit hoofde van de betrokken TSI uitgevoerde werkzaamheden ter beschikking van de aanmeldende instantie.]1

  
Art.204/1. [1 Lorsqu'un organisme notifié sous-traite certaines tâches spécifiques dans le cadre de l'évaluation de la conformité ou a recours à une filiale, il s'assure que le sous-traitant ou la filiale répond de manière continue aux exigences définies aux articles 201, paragraphe 1er, alinéa 1er, 202, 203 et à l'annexe 21.
   L'organisme notifié informe l'autorité notifiante du recours à un sous-traitant ou une filiale.
   Les organismes notifiés assument l'entière responsabilité des tâches accomplies par les sous-traitants ou filiales, quel que soit leur lieu d'établissement.
   Les organismes notifiés ne peuvent sous-traiter leurs activités ou les faire réaliser par une filiale qu'avec l'accord du client.
   Les organismes notifiés tiennent à la disposition de l'autorité notifiante les documents pertinents concernant l'évaluation des qualifications du sous-traitant ou de la filiale et le travail exécuté par ces derniers en application de la STI concernée.]1

  
Art.204/2. [1 § 1. Aangemelde instanties voeren conformiteitsbeoordelingen uit:
   1° volgens de conformiteitsbeoordelingsprocedures van de betrokken TSI;
   2° op evenredige wijze waarbij voorkomen wordt de marktdeelnemers onnodig te belasten;
   3° waarbij zij rekening houden met de omvang van ondernemingen, de sector waarin zij actief zijn, hun structuur, de mate van complexiteit van de producttechnologie in kwestie en het massa- of seriële karakter van het productieproces;
   4° waarbij zij handelen met het oogmerk te beoordelen of het product in overeenstemming is met de vereisten van de relevante TSI's.
   § 2. Wanneer een aangemelde instantie vaststelt dat een fabrikant niet heeft voldaan aan de eisen in de betrokken TSI of aan de overeenkomstige geharmoniseerde normen of technische specificaties, verlangt zij van die fabrikant dat hij passende corrigerende maatregelen neemt en verleent zij geen conformiteitscertificaat.
   § 3. Wanneer een aangemelde instantie bij het toezicht op de conformiteit, na de verlening van een certificaat overeenkomstig het Besluit 2010/713/EU van de Commissie van 9 november 2010 inzake de modules voor de procedure voor de beoordeling van de conformiteit, de geschiktheid voor gebruik en de "EG"-keuring die moeten worden toegepast in het kader van de overeenkomstig richtlijn 2008/57/EG van het Europees Parlement en de Raad vastgestelde technische specificaties inzake interoperabiliteit, vaststelt dat een product niet meer in overeenstemming is met de toepasselijke TSI of de geharmoniseerde normen of technische specificaties, verplicht zij de fabrikant passende corrigerende maatregelen te nemen en gaat zij, indien nodig, over tot schorsing of intrekking van het certificaat.
   § 4. Wanneer geen corrigerende maatregelen werden genomen of de genomen maatregelen niet het vereiste effect hebben, wordt het certificaat door de aangemelde instantie, naargelang het geval, beperkt, geschorst of ingetrokken.]1

  
Art.204/2. [1 § 1er. Les organismes notifiés effectuent des évaluations de la conformité:
   1° selon les procédures d'évaluation de la conformité prévues dans les STI concernées;
   2° de manière proportionnée, en évitant d'imposer des charges inutiles aux opérateurs économiques;
   3° tiennent compte de la taille des entreprises, du secteur dans lequel elles exercent leurs activités, de leur structure, du degré de complexité de la technologie du produit en question et de la nature, en masse ou en série, du processus de production;
   4° agissent dans le but d'évaluer la conformité du produit avec les STI pertinentes.
   § 2. Lorsqu'un organisme notifié constate qu'un fabricant n'a pas rempli les exigences définies dans la STI concernée ou dans les normes harmonisées ou les spécifications techniques correspondantes, il invite celui-ci à prendre les mesures correctives appropriées et ne délivre pas de certificat de conformité.
   § 3. Lorsque, au cours du contrôle de la conformité faisant suite à la délivrance d'un certificat conformément à la Décision 2010/713/UE de la Commission du 9 novembre 2010 relative à des modules pour les procédures concernant l'évaluation de la conformité, l'aptitude à l'emploi et la vérification CE à utiliser dans le cadre des spécifications techniques d'interopérabilité adoptées en vertu de la directive 2008/57/CE du Parlement européen et du Conseil, un organisme notifié constate qu'un produit n'est plus conforme à la STI concernée ou aux normes harmonisées ou spécifications techniques correspondantes, il invite le fabricant à prendre les mesures correctives appropriées et suspend ou retire le certificat si nécessaire.
   § 4. Lorsque les mesures correctives ne sont pas adoptées ou n'ont pas l'effet requis, l'organisme notifié soumet à des restrictions, suspend ou retire le certificat, selon le cas.]1

  
Art.204/3. [1 § 1. Aangemelde instanties brengen de aanmeldende instantie op de hoogte van:
   1° elke weigering, opschorting of intrekking van een certificaat;
   2° alle omstandigheden die van invloed zijn op de werkingssfeer van en de voorwaarden voor hun aanmelding;
   3° alle informatieverzoeken over conformiteitsbeoordelingsactiviteiten die zij van markttoezichtsautoriteiten ontvangen;
   4° op verzoek, de binnen de werkingssfeer van hun aanmelding verrichte conformiteitsbeoordelingsactiviteiten en andere activiteiten, waaronder grensoverschrijdende activiteiten en uitbestede activiteiten.
   De aangemelde instanties brengen ook de bevoegde veiligheidsinstanties op de hoogte gebracht van elke weigering, beperking, schorsing of intrekking van het certificaat bedoeld in 1°.
   § 2. Aangemelde instanties verstrekken de andere uit hoofde van de richtlijn 2016/797/EU aangemelde instanties die vergelijkbare conformiteitsbeoordelingsactiviteiten voor dezelfde producten verrichten, relevante informatie met betrekking tot vragen over negatieve conformiteitsbeoordelingsresultaten en, op verzoek, ook over positieve conformiteitsbeoordelingsresultaten.
   § 3. Aangemelde instanties verstrekken het Bureau de "EG"-certificaten betreffende de keuring van subsystemen, de conformiteit van interoperabiliteitsonderdelen en de geschiktheid voor gebruik van interoperabiliteitsonderdelen.
   § 4. De aangemelde instanties nemen rechtstreeks of via aangestelde vertegenwoordigers deel aan de werkzaamheden van de sectorale groep zoals bedoeld in artikel 44 van de richtlijn 2016/797/EU.]1

  
Art.204/3. [1 § 1er. Les organismes notifiés communiquent à l'autorité notifiante les éléments suivants:
   1° tout refus, restriction, suspension ou retrait d'un certificat;
   2° toute circonstance ayant une incidence sur la portée et les conditions de la notification;
   3° toute demande d'information concernant les activités d'évaluation de la conformité provenant des autorités de surveillance du marché;
   4° sur demande, les activités d'évaluation de la conformité réalisées dans le cadre de leur notification et toute autre activité réalisée, y compris les activités et sous-traitances transfrontalières.
   Les organismes notifiés informent également les autorités de sécurité compétentes, de tout refus, restriction, suspension ou retrait d'un certificat visé au 1°.
   § 2. Les organismes notifiés fournissent aux autres organismes notifiés au titre de la directive 2016/797/UE qui effectuent des activités similaires d'évaluation de la conformité couvrant les mêmes produits, des informations pertinentes sur les questions relatives aux résultats négatifs de l'évaluation de la conformité et, sur demande, aux résultats positifs.
   § 3. Les organismes notifiés fournissent à l'Agence les certificats de vérification "CE" des sous-systèmes, les certificats "CE" de conformité des constituants d'interopérabilité et les certificats "CE" d'aptitude à l'emploi des constituants d'interopérabilité.
   § 4. Les organismes notifiés participent aux travaux du groupe sectoriel visé à l'article 44 de la directive 2016/797/UE, directement ou par l'intermédiaire de mandataires.]1

  
Afdeling 2. - Aangewezen instanties
Section 2. - Organismes désignés
Art. 205. [1 § 1. Om aangewezen te kunnen worden als instantie die belast is met de uitvoering van de keuringsprocedure van conformiteit met betrekking tot nationale voorschriften, moeten de conformiteitsbeoordelingsinstanties:
   1° de verplichtingen bedoeld in de artikelen 203, 204, 204/1 en in bijlage 21 naleven, behalve voor wat betreft documenten die op grond van artikel 204/1, vierde lid, ter beschikking moeten worden gehouden van de aanmeldende instantie, waarin de aangewezen instantie documenten moet toevoegen over het werk dat wordt verricht door dochterondernemingen of onderaannemers overeenkomstig de toepasselijke nationale voorschriften;
   2° beschikken over een geldig accreditatiecertificaat, zowel op het ogenblik van de indiening van het verzoek als tijdens de duur van hun aanwijzing, afgeleverd door een nationale accreditatie-instantie overeenkomstig de bepalingen van de Verordening (EG) nr. 765/2008, dat attesteert dat de conformiteitsbeoordelingsinstantie voldoet aan de vereisten bedoeld in punt 1°.
   § 2. De Koning bepaalt de nadere regels voor het indienen van de aanvraag tot aanwijzing, de procedure van de toekenning en de regels inzake controle, schorsing en intrekking van de aanwijzing.]1

  
Art. 205. [1 § 1er. Pour pouvoir être désigné comme organismes chargés de mettre en oeuvre la procédure de vérification en cas de règles nationales, les organismes d'évaluation de la conformité:
   1° respectent les obligations visées aux articles 203, 204, 204/1 et à l'annexe 21, sauf en ce qui concerne les documents devant être tenus à la disposition de l'autorité notifiante, au titre de l'article 204/1, alinéa 4, lorsque l'organisme désigné détient des documents qui concernent le travail exécuté par des filiales ou des sous-traitants conformément aux règles nationales pertinentes;
   2° disposent d'un certificat d'accréditation valable aussi bien au moment de l'introduction de la demande que pendant la durée de leur désignation, délivré par un organisme national d'accréditation conformément aux dispositions du Règlement (CE) n° 765/2008, qui atteste que l'organisme d'évaluation de la conformité remplit les exigences visées au point 1°.
   § 2. Le Roi fixe les modalités d'introduction de la demande de désignation, la procédure d'octroi et les modalités de contrôle, suspension et retrait de la désignation.]1

  
Art.205/1. [1 De operationele vereisten voorzien in artikel 204/2 zijn van toepassing op de aangewezen instanties op grond van artikel 172, paragraaf 8, behalve wanneer deze vereisten verwijzen naar nationale voorschriften en niet naar TSI's.]1
  
Art.205/1. [1 Les obligations opérationnelles prévues à l'article 204/2 s'appliquent aux organismes désignés au titre de l'article 172, paragraphe 8, sauf lorsque lesdites obligations renvoient aux règles nationales et non aux STI.]1
  
Art.205/2. [1 De informatieverplichting voorzien in artikel 204/3, paragraaf 1, is van toepassing op aangewezen instanties, die de aanmeldende instantie in dit verband informeert.]1
  
Art.205/2. [1 L'obligation en matière d'information prévue à l'article 204/3, paragraphe 1er, s'applique aux organismes désignés, qui informent l'autorité notifiante à cet égard.]1
  
Afdeling 3. [1 - Geaccrediteerde interne instanties]1
Section 3. [1 - Organismes internes accrédités]1
Art.205/3. [1 § 1. De aanvrager mag voor de uitvoering van conformiteitsbeoordelingsactiviteiten met het oog op de toepassing van de in bijlage II bij Besluit nr. 768/2008/EG van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 betreffende een gemeenschappelijk kader voor het verhandelen van producten en tot intrekking van Besluit 93/465/EEG van de Raad uiteengezette modules A1, A2, C1 of C2 en de in bijlage I bij Besluit 2010/713/EU van 9 november 2010 inzake de modules voor de procedure voor de beoordeling van de conformiteit, de geschiktheid voor gebruik en de "EG"-keuring die moeten worden toegepast in het kader van de overeenkomstig richtlijn 2008/57/EG van het Europees Parlement en de Raad vastgestelde technische specificaties inzake interoperabiliteit gedefinieerde modules CA1 en CA2 een beroep doen op een geaccrediteerde interne instantie.
   Deze instantie vormt een afzonderlijk en te onderscheiden deel van de aanvrager en is niet betrokken bij het ontwerp, de productie, de levering, de installatie, het gebruik of het onderhoud van de producten die zij moet beoordelen.
   § 2. Geaccrediteerde interne instanties dienen te voldoen aan de volgende eisen:
   1° zij zijn geaccrediteerd overeenkomstig de Verordening (EG) nr. 765/2008;
   2° samen met hun personeel zijn zij, binnen de onderneming waar zij deel van uitmaken, organisatorisch te onderscheiden en beschikken zij over rapportagemethoden die hun onpartijdigheid waarborgen; zij tonen dit ten overstaan van de bevoegde nationale accreditatie-instantie aan;
   3° de instantie noch haar personeel mag verantwoordelijk zijn voor het ontwerp, de vervaardiging, de levering, de installatie, het gebruik of het onderhoud van de door hen beoordeelde producten en zij oefenen geen activiteiten uit die hun onafhankelijke oordeel of hun integriteit met betrekking tot hun beoordelingsactiviteiten in het gedrang kunnen brengen;
   4° de instantie verleent haar diensten uitsluitend aan de onderneming waar zij deel van uitmaakt.
   § 3. Geaccrediteerde interne instanties worden niet bij de lidstaten of de Commissie aangemeld, maar op verzoek van de aanmeldende instantie wordt door de onderneming waar zij deel van uitmaken of door de nationale accreditatie-instantie informatie over hun accreditatie aan de aanmeldende instantie verstrekt.]1

  
Art.205/3. [1 § 1er. Les demandeurs peuvent faire appel à un organisme interne accrédité pour effectuer des activités d'évaluation de la conformité, aux fins de l'application des procédures prévues aux modules A1, A2, C1 ou C2 établis à l'annexe II de la Décision n° 768/2008/CE du Parlement européen et du Conseil du 9 juillet 2008 relative à un cadre commun pour la commercialisation des produits et abrogeant la Décision 93/465/CEE du Conseil et aux modules CA1 et CA2 établis à l'annexe I de la Décision 2010/713/UE de la Commission du 9 novembre 2010 relative à des modules pour les procédures concernant l'évaluation de la conformité, l'aptitude à l'emploi et la vérification CE à utiliser dans le cadre des STI adoptées en vertu de la directive 2008/57/CE du Parlement européen et du Conseil.
   Cet organisme constitue une entité séparée et distincte du demandeur concerné et ne participe pas à la conception, à la production, à la fourniture, à l'installation, à l'utilisation ou à l'entretien des produits qu'il évalue.
   § 2. Les organismes internes accrédités répondent aux exigences suivantes:
   1° ils sont accrédités conformément au Règlement (CE) n° 765/2008;
   2° avec leur personnel, ils constituent, au sein de l'entreprise dont ils font partie, une unité à l'organisation identifiable et disposent de méthodes d'établissement des rapports qui garantissent leur impartialité, ce dont ils apportent la preuve à l'organisme national d'accréditation compétent;
   3° l'organisme et son personnel ne peuvent être chargés de la conception, de la fabrication, de la fourniture, de l'installation, du fonctionnement ou de l'entretien des produits qu'ils évaluent, ni participer à aucune activité susceptible de nuire à l'indépendance de leur jugement ou à leur intégrité dans le cadre de leurs activités d'évaluation;
   4° l'organisme fournit ses services exclusivement à l'entreprise dont il fait partie.
   § 3. Les organismes internes accrédités ne sont pas notifiés aux Etats membres ou à la Commission européenne, mais des informations sur leur accréditation sont fournies par l'entreprise dont ils font partie ou par l'organisme national d'accréditation à l'autorité notifiante, à la demande de celle-ci.]1

  
HOOFDSTUK 7. - Voertuigen- en infrastructuurregisters
CHAPITRE 7. - Registres des véhicules et de l'infrastructure
Afdeling 1. - Nummeringssysteem voor voertuigen
Section 1re. - Système d'immatriculation des véhicules
Art. 209. [1 De veiligheidsinstantie kent aan elk voertuig dat overeenkomstig artikel 210, paragraaf 5 wordt geregistreerd een Europees voertuignummer (EVN) toe. Het toegekende EVN wordt op elk voertuig vermeld.
   De specificaties van het EVN worden vermeld in de uitvoeringshandelingen aangenomen door de Europese Commissie, overeenkomstig de desbetreffende TSI.
   Aan elk voertuig wordt slechts eenmaal een EVN toegekend, tenzij anders wordt bepaald in de uitvoeringshandelingen aangenomen door de Europese Commissie, overeenkomstig de desbetreffende TSI.
   In afwijking van het eerste lid kunnen voertuigen die worden geëxploiteerd of bestemd zijn om te worden geëxploiteerd vanuit of naar derde landen waarvan de spoorwijdte verschillend is van die van het hoofdspoorwegnetwerk in de Unie, in België aanvaard worden mits die voertuigen duidelijk geïdentificeerd zijn aan de hand van een verschillend codesysteem.]1

  
Art. 209. [1 L'autorité de sécurité attribue un numéro d'immatriculation européen de véhicule (NEV) à tout véhicule lors de son enregistrement effectué conformément à l'article 210, paragraphe 5. Le NEV attribué est indiqué sur chaque véhicule.
   Les spécifications du NEV sont décrites dans les actes d'exécution adoptés par la Commission européenne, conformément aux STI pertinentes.
   Un NEV unique est attribué à chaque véhicule, sauf indication contraire dans les actes d'exécution adoptés par la Commission européenne, conformément aux STI pertinentes.
   Par dérogation à l'alinéa 1er, en cas de véhicules exploités ou destinés à être exploités en provenance ou à destination de pays tiers dont l'écartement des voies est différent de celui du principal réseau ferroviaire de l'Union, des véhicules clairement identifiés selon un système de codification différent peuvent être acceptés en Belgique.]1

  
Afdeling 2. - Nationaal voertuigenregister
Section 2. - Registre national des véhicules
Art. 210. [1 § 1. Er wordt een nationaal voertuigregister van in België toegelaten voertuigen opgesteld tot en met 16 juni 2024.
   § 2. Het register wordt bijgewerkt door de veiligheidsinstantie. Ze neemt in het register, met betrekking tot de gegevens die het Belgische net betreffen, de aanpassingen over die door een andere lidstaat van de Europese Unie werden aangebracht.
   Zolang de nationale voertuigregisters van de lidstaten niet met elkaar zijn verbonden, werkt de veiligheidsinstantie het register bij door met betrekking tot de hem betreffende gegevens de aanpassingen over te nemen die een andere lidstaat in zijn eigen register heeft aangebracht.
   § 3. Het register is toegankelijk voor de veiligheidsinstanties en de onderzoeksorganen die zijn aangewezen in het kader van de artikelen 16 en 22 van de richtlijn 2016/798/EU.
   De toezichthoudende instanties die zijn aangewezen in het kader van artikel 55 van de richtlijn 2012/34/EU, het Bureau, de spoorwegondernemingen, de infrastructuurbeheerders, alsmede personen of organisaties die voertuigen registreren of in het register zijn opgenomen, die een rechtmatig belang laten gelden hebben eveneens toegang tot het register.
   § 4. Het register is in overeenstemming met de gemeenschappelijke specificaties vastgesteld in het kader van het Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/1614 van de Commissie van 25 oktober 2018 tot vaststelling van specificaties voor de voertuigregisters die zijn vermeld in artikel 47 van richtlijn (EU) 2016/797 van het Europees Parlement en de Raad en tot wijziging en intrekking van Beschikking 2007/756/EG van de Commissie.
   Dit register bevat ten minste de volgende elementen:
   1° het EVN;
   2° referenties van de "EG"-keuringsverklaring en van de instantie die deze verklaring heeft afgegeven;
   3° referenties van het Europees register van goedgekeurde voertuigtypen als bedoeld in artikel 179/20, paragraaf 6;
   4° de gegevens van de eigenaar en de houder van het voertuig;
   5° beperkingen ten aanzien van de exploitatiewijze van het voertuig;
   6° de referenties van de met het onderhoud belaste entiteit.
   De veiligheidsinstantie is verantwoordelijk voor de verwerking van persoonsgegevens in de zin van de Verordening 2016/679, voor de gegevens die zijn opgenomen in het register. Deze gegevens zijn voor de houder, de eigenaar en de met het onderhoud van het voertuig belaste entiteit, de volgende: de naam van de contactpersoon, een bedrijfsadres, een telefoonnummer en een e-mail adres.
   De veiligheidsinstantie waakt erover dat het register beveiligd is voor wat betreft de verwerking van deze gegevens waarbij enkel de leden van de veiligheidsinstantie alsook de entiteiten bedoeld in paragraaf 3 gemachtigd zijn er toegang tot te hebben.
   De veiligheidsinstantie hanteert een strikt gebruiks- en toegangsbeleid en neemt technische en organisatorische maatregelen voor de bescherming van de persoonsgegevens.
   De verwerking van persoonsgegevens in het kader van het register beoogt de goede uitvoering te verzekeren van de opdrachten van de veiligheidsinstanties en van de onderzoeksorganen bedoeld in paragraaf 3, eerste lid, of om het wettelijke doel van de entiteiten bedoeld in paragraaf 3, tweede lid, te dienen en dit, met het oog op de traceerbaarheid en veiligheid van voertuigen.
   Personen wier persoonsgegevens opgenomen zijn in het register hebben recht op toegang tot en rectificatie van de gegevens die op hen betrekking hebben.
   In geval van een verzoek om rectificatie stelt de veiligheidsinstantie elke bestemmeling aan wie de persoonsgegevens zijn meegedeeld, in kennis van elke uitgevoerde rectificatie van persoonsgegevens, tenzij een dergelijke kennisgeving onmogelijk is of onevenredige inspanningen vereist.
   De veiligheidsinstantie verstrekt de betrokken persoon informatie over deze bestemmelingen als deze hierom verzoekt.
   De persoonsgegevens verwerkt overeenkomstig deze paragraaf, worden bewaard totdat het voertuig waarvoor de gegevens zijn meegedeeld, wordt vernietigd of de inschrijving ervan definitief wordt opgeheven. Na die termijn worden de persoonsgegevens opgenomen in het register vernietigd of anoniem gemaakt.
   In het kader van de huidige verwerking van persoonsgegevens hebben personen niet het recht om gegevens te wissen, het recht op beperking van de verwerking, het recht op overdraagbaarheid van gegevens, het recht om bezwaar te maken en het recht op geautomatiseerde individuele besluitvorming. Deze rechten zijn inderdaad onverenigbaar met de doeleinden die met de huidige verwerking van persoonsgegevens worden nagestreefd, namelijk de opslag en analyse van gegevens met betrekking tot de veiligheid op het spoor en de manier waarop de betrokken actoren de verplichtingen van het wettelijk kader inzake veiligheid toepassen. Deze doelstellingen hebben inderdaad betrekking op een belangrijke toezichthoudende taak die erop gericht is een belangrijke doelstelling van algemeen openbaar belang te waarborgen, namelijk de veiligheid op het Belgische spoorwegnet.
   § 5. Voordat een voertuig voor het eerst wordt gebruikt en nadat de vergunning voor het in de handel brengen overeenkomstig artikel 179/4 is verleend, en wanneer het gebruiksgebied beperkt is tot het Belgisch grondgebied, vraagt de houder om het voertuig te registreren in het register bedoeld in paragraaf 1.
   Wanneer het gebruiksgebied het Belgisch grondgebied en het grondgebied van andere lidstaten bestrijkt, vraagt de houder om het voertuig te registreren ofwel in het register bedoeld in paragraaf 1 ofwel in het register van één van de andere betrokken lidstaten.
   § 6. De houder informeert onmiddellijk de veiligheidsinstantie, door middel van de formulieren die ter beschikking gesteld worden op haar internetsite van elke eventuele wijziging met betrekking tot de gegevens die in het nationaal voertuigregister zijn ingevoerd, de vernietiging van een voertuig of zijn vraag tot definitieve verwijdering van de registratie van een voertuig uit het register.
   Wanneer de veiligheidsinstantie verneemt of geïnformeerd wordt dat de houder de vereisten bedoeld in het eerste lid niet naleeft, of als zij vaststelt dat een gegeven onvolledig is of ontbreekt, dan schort zij de registratie op.
   Zij stelt de registratiehouder hiervan in kennis en nodigt deze uit de situatie te regulariseren.
   Bij gebrek aan regularisatie binnen de zes maanden na de datum van kennisgeving schrapt de veiligheidsinstantie de registratie definitief.
   Een voertuig waarvan de registratie is opgeschort of afgeschaft, mag niet worden ingezet op het spoorwegnet.
   Om opnieuw te mogen rijden moet een voertuig, waarvan de registratie geschrapt werd, het onderwerp uitmaken van een nieuwe aanvraag tot vergunning voor het in de handel brengen overeenkomstig titel 6 hoofdstuk 4/1.
   § 7. In het geval van voertuigen waarvoor voor het eerst in een derde land een vergunning is afgegeven en die daarna in een lidstaat zijn gebruikt, zorgt die lidstaat ervoor dat de gegevens van het voertuig, waaronder in ieder geval de gegevens over de houder van het betrokken voertuig, de met het onderhoud belaste entiteit en de beperkingen voor het gebruik van het voertuig via een voertuigregister kunnen worden opgevraagd of anderszins onverwijld ter beschikking worden gesteld in een gemakkelijk leesbaar formaat, met inachtneming van dezelfde niet-discriminerende beginselen als die welke van toepassing zijn op soortgelijke gegevens uit een voertuigregister.]1

  
Art. 210. [1 § 1er. Un registre national des véhicules autorisés en Belgique est établi jusqu'au 16 juin 2024.
   § 2. Le registre est tenu à jour par l'autorité de sécurité. Elle intègre dans le registre les modifications apportées par un autre Etat membre de l'Union européenne pour les données qui concernent le réseau belge.
   Tant que les registres nationaux de véhicules des Etats membres ne sont pas reliés, l'autorité de sécurité met à jour le registre en y intégrant les modifications apportées par un autre Etat membre dans son propre registre, pour les données qui le concernent.
   § 3. Le registre est accessible aux autorités de sécurité et aux organismes d'enquête désignés en vertu des articles 16 et 22 de la directive 2016/798/UE.
   Les organes de contrôle désignés en vertu de l'article 55 de la directive 2012/34/UE, l'Agence, les entreprises ferroviaires, les gestionnaires de l'infrastructure ainsi que les personnes ou organismes chargés de l'immatriculation des véhicules ou identifiés dans le registre qui présentent un intérêt légitime ont également accès au registre.
   § 4. Le registre respecte les spécifications communes fixées dans le cadre de la Décision d'exécution (UE) 2018/1614 de la Commission du 26 octobre 2018 établissant les spécifications relatives aux registres des véhicules visés à l'article 47 de la directive (UE) 2016/797 du Parlement européen et du Conseil et modifiant et abrogeant la Décision 2007/756/CE de la Commission.
   Ce registre contient au moins les informations suivantes:
   1° le NEV;
   2° les références de la déclaration "CE" de vérification et de l'entité l'ayant délivrée;
   3° les références du registre européen des types de véhicules autorisés visé à l'article 179/20, paragraphe 6;
   4° l'identification du propriétaire du véhicule et de son détenteur;
   5° les restrictions concernant la manière dont le véhicule peut être utilisé;
   6° les références de l'entité chargée de l'entretien.
   L'autorité de sécurité est responsable du traitement de données à caractère personnel au sens du Règlement (UE) 2016/679, pour les données qui figurent dans le registre. Ces données sont les suivantes, pour le détenteur, le propriétaire et l'entité chargée de l'entretien du véhicule: le nom d'une personne de contact, une adresse professionnelle, un numéro de téléphone et une adresse e-mail.
   L'autorité de sécurité veille à ce que le registre soit sécurisé en ce qui concerne le traitement de ces données auxquelles seuls les membres de l'autorité de sécurité ainsi que les entités visées au paragraphe 3, sont habilités à accéder.
   L'autorité de sécurité applique une stricte gestion des utilisations et des accès et prend des mesures techniques et organisationnelles pour la protection des données à caractère personnel.
   Le traitement des données à caractère personnel dans le cadre du registre, a pour finalité d'assurer la bonne exécution des missions des autorités de sécurité et des organismes d'enquête visés au paragraphe 3, alinéa 1er, ou de servir l'intérêt légitime des entités visées au paragraphe 3, alinéa 2, et ce, en vue d'assurer la traçabilité et la sécurité des véhicules.
   Les personnes dont les données à caractère personnel sont reprises dans le registre, disposent d'un droit d'accès et de rectification des données les concernant.
   En cas de demande de rectification, l'autorité de sécurité notifie à chaque destinataire auquel les données à caractère personnel ont été communiquées toute rectification de données à caractère personnel effectuée, à moins qu'une telle communication se révèle impossible ou exige des efforts disproportionnés.
   L'autorité de sécurité fournit à la personne concernée des informations sur ces destinataires si celle-ci en fait la demande.
   Les données à caractère personnel traitées conformément au présent paragraphe, sont conservées jusqu'au moment où le véhicule à propos duquel elles ont été communiquées, est détruit ou voit son immatriculation supprimée définitivement. Passé ces limites, les données à caractère personnel reprise dans le registre, sont détruites ou anonymisées.
   Dans le cadre du présent traitement des données à caractère personnel, les personnes ne disposent pas du droit à l'effacement, du droit à la limitation du traitement, du droit à la portabilité des données, du droit d'opposition et du droit à la prise de décision individuelle automatisée. Ces droits sont en effet incompatibles avec les finalités poursuivies par le présent traitement de données à caractère personnel, à savoir la conservation et l'analyse des données relatives à la sécurité ferroviaire et à la façon dont les acteurs concernés appliquent les obligations du cadre juridique en matière de sécurité. Ces finalités se rapportent en effet à une importante mission de contrôle visant à garantir un objectif important d'intérêt public général, à savoir la sécurité ferroviaire sur le réseau belge.
   § 5. Avant sa première utilisation et après l'octroi de l'autorisation de mise sur le marché conformément à l'article 179/4, et lorsque le domaine d'utilisation est limité au territoire belge, le détenteur demande l'enregistrement du véhicule dans le registre visé au paragraphe 1er.
   Lorsque le domaine d'utilisation couvre le territoire belge et le territoire d'autres Etats membres, le détenteur demande l'enregistrement du véhicule soit dans le registre visé au paragraphe 1er, soit dans le registre d'un des autres Etats membres concernés.
   § 6. Le détenteur informe immédiatement l'autorité de sécurité, au moyen des formulaires mis à disposition par celle-ci sur son site Internet, de toute modification éventuelle en rapport avec les données introduites dans le registre national des véhicules, la destruction d'un véhicule ou sa demande de suppression définitive de l'immatriculation d'un véhicule.
   Si l'autorité de sécurité apprend ou est informée que le détenteur n'a pas respecté les exigences visées à l'alinéa 1er, ou si elle constate qu'une donnée est incomplète ou manquante, elle suspend l'immatriculation.
   Elle notifie sa décision au titulaire de l'immatriculation en l'invitant à régulariser la situation.
   A défaut d'une telle régularisation dans un délai de six mois à dater de la notification, l'autorité de sécurité supprime définitivement l'immatriculation.
   Un véhicule dont l'immatriculation est suspendue ou supprimée ne peut pas être exploité sur le réseau ferroviaire.
   Pour pouvoir circuler à nouveau, le véhicule ayant fait l'objet d'une suppression d'immatriculation, fait l'objet d'une nouvelle demande d'autorisation de mise sur le marché introduite conformément au titre 6, chapitre 4/1.
   § 7. En cas de véhicules autorisés pour la première fois dans un pays tiers et ensuite exploité sur le territoire belge, l'autorité de sécurité veille à ce que les données relatives au véhicule, qui comprennent au minimum les données sur le détenteur du véhicule concerné, l'entité chargée de son entretien et les restrictions concernant son mode d'exploitation, puissent être retrouvées via le registre des véhicules ou soient disponibles d'une autre manière, sans retard, dans un format aisément lisible et dans le respect des mêmes principes non discriminatoires que ceux qui sont appliqués aux données analogues présentes dans le registre des véhicules.]1

  
Afdeling 3. - Infrastructuurregister
Section 3. - Registre de l'infrastructure
Art. 211. [1 De infrastructuurbeheerder publiceert een infrastructuurregister en werkt dit bij in overeenstemming met de Uitvoeringsverordening (EU) 2019/777 van de Commissie van 16 mei 2019 inzake de gemeenschappelijke specificaties voor het register van de spoorweginfrastructuur en tot intrekking van Uitvoeringsbesluit 2014/880/EU.
   De veiligheidsinstantie controleert dat het register gepubliceerd en bijgehouden wordt.]1

  
Art. 211. [1 Le gestionnaire de l'infrastructure publie un registre de l'infrastructure et le tient à jour conformément au Règlement d'exécution (UE) 2019/777 de la Commission du 16 mai 2019 relatif aux spécifications communes du registre de l'infrastructure ferroviaire et abrogeant la Décision d'exécution 2014/880/UE.
   L'autorité de sécurité contrôle que le registre est publié et mis à jour.]1

  
Art. 212. [1 Het infrastructuurregister vermeldt voor elk betrokken subsysteem of deel daarvan, zoals beschreven in de desbetreffende TSI, de waarden van de netwerkparameters die, in combinatie met de waarden van de parameters opgenomen in de voertuigvergunning voor het in de handel brengen, gebruikt worden voor de controle van de technische compatibiliteit tussen het voertuig en het netwerk.
   Het infrastructuurregister kan voorwaarden voor het gebruik van vaste installaties en andere beperkingen bevatten.]1

  
Art. 212. [1 Le registre d'infrastructure indique, pour chaque sous-système ou partie de sous-système concerné, comme décrit dans la STI concernée, les valeurs des paramètres de réseau qui, en combinaison avec les valeurs indiquées dans l'autorisation de mise sur le marché d'un véhicule, sont utilisées pour vérifier la compatibilité technique entre le véhicule et le réseau.
   Le registre de l'infrastructure peut contenir des conditions pour les installations fixes et d'autres restrictions.]1

  
TITEL 7. - Controle en inspectie van de spoorwegen
TITRE 7. - Contrôle et inspection ferroviaires
HOOFDSTUK 1. - Controle en inspectie van de spoorwegen
CHAPITRE 1er. - Contrôle et inspection ferroviaires
Art. 213. § 1. De Koning wijst de personeelsleden van het Bestuur en de veiligheidsinstantie aan die belast zijn met het toezicht op de naleving van deze Spoorcodex en zijn uitvoeringsbesluiten.
  Zij kunnen :
  1° zich op elk moment, en zonder voorafgaande verwittiging, vrije toegang verschaffen tot al het rollend materieel of materieel bestemd om te rijden op de infrastructuur;
  2° alle vaststellingen doen, informatie inzamelen, verklaringen opnemen, zich documenten, stukken, boeken en voorwerpen doen vertonen en deze in beslag nemen welke nodig zijn bij het toezicht of nodig zijn om aan de inbreuk een einde te maken.
  Zij maken van hun toezichtrechten alleen gebruik voor zover dat redelijkerwijs nuttig wordt geacht voor de vervulling van hun toezichtopdrachten.
  Zij kunnen voor de uitvoering van hun opdrachten een beroep doen op de openbare macht.
  § 2. Ze hebben het recht op toegang :
  1° in de woning van de ondernemingsleiders, bestuurders, zaakvoerders, directeurs en andere personeelsleden van de betrokken onderneming alsook in de woning en de lokalen die gebruikt worden voor professionele doeleinden van natuurlijke en rechtspersonen, intern of extern, belast met het commercieel, boekhoudkundig, administratief, fiscaal en financieel beheer van die onderneming;
  2° in de hoofd- of de exploitatiezetel van de betrokken onderneming.
  Toegang tot de in het eerste lid bedoelde plaatsen kan slechts onder de volgende voorwaarden :
  1° ze hebben de voorafgaande en schriftelijke toestemming gekregen van de bewoner;
  2° ze werden ertoe voorafgaandelijk en schriftelijk gemachtigd door de onderzoeksrechter. In dat geval kunnen ze de woning en de bewoonde lokalen slechts betreden tussen 8 en 18 uur.
  § 3. De in § 1 bedoelde personeelsleden zijn onderworpen aan het beroepsgeheim wat betreft de verkregen informatie bij de uitoefening van hun toezichtopdrachten.
  [1 § 4. De in § 1 bedoelde personeelsleden vertonen bij de uitoefening van hun opdrachten hun legitimatiekaart waarvan de Koning het model bepaalt.]1
  
Art. 213. § 1er. Le Roi désigne les membres du personnel de l'Administration et de l'autorité de sécurité chargés du contrôle du respect du présent Code ferroviaire et de ses arrêtés d'exécution.
  Ils peuvent :
  1° pénétrer librement, à tout moment et sans avertissement préalable, dans tout le matériel roulant ou tout matériel destiné à circuler sur l'infrastructure;
  2° procéder à toutes les constatations, rassembler des informations, prendre des déclarations, se faire présenter des documents, pièces, livres et objets et saisir ceux qui sont nécessaires au contrôle ou nécessaires pour pouvoir mettre fin à l'infraction.
  Ils ne font valoir leurs droits de contrôle que pour autant que cela soit jugé raisonnablement utile pour l'exécution de leurs missions de contrôle.
  Pour les besoins de l'accomplissement de leurs missions, ils peuvent requérir la force publique.
  § 2. Ils ont le droit d'accéder :
  1° au domicile des chefs d'entreprise, administrateurs, gérants, directeurs et autres membres du personnel de l'entreprise concernée ainsi qu'à l'habitation et aux locaux utilisés à des fins professionnelles de personnes physiques et morales, internes ou externes, chargées de la gestion commerciale, comptable, administrative, fiscale et financière de cette entreprise;
  2° au siège social ou d'exploitation de l'entreprise concernée.
  Toutefois, ils n'ont accès aux locaux visés à l'alinéa 1er qu'aux conditions suivantes :
  1° avoir reçu l'autorisation préalable et écrite de l'occupant;
  2° avoir reçu l'habilitation préalable et écrite du juge d'instruction. Dans ce cas, ils ne peuvent accéder à l'habitation et aux locaux habités qu'entre 8 et 18 heures.
  § 3. Les membres du personnel visés au § 1er sont tenus au secret professionnel quant aux informations obtenues dans l'exercice de leurs missions de contrôle.
  [1 § 4. Les membres du personnel visés au § 1er présentent lors de la réalisation de leurs tâches leur carte de légitimation dont le Roi fixe le modèle.]1
  
HOOFDSTUK 2. - Bestuurlijke boetes
CHAPITRE 2. - Amendes administratives
Afdeling 1. [1 - Principes]1
Section 1ère. [1 - Principes]1
Art. 214. [1 § 1. De inbreuken bedoeld in dit hoofdstuk kunnen met een bestuurlijke boete worden bestraft.
   De inbreuken kunnen wegens onachtzaamheid of gebrek aan voorzorg werden begaan.
   § 2. Er zijn inbreuken van drie graden :
   1° De inbreuken van de eerste graad betreffen de feiten en gedragingen die geen impact hebben op de veiligheid van personen en die de werking van de veiligheidsinstantie of het onderzoeksorgaan niet ernstig belemmeren;
   2° De inbreuken van de tweede graad betreffen de feiten en gedragingen, die een directe of indirecte impact hebben op de veiligheid van personen, of die de werking van de veiligheidsinstantie of het onderzoeksorgaan ernstig belemmeren;
   3° De inbreuken van de derde graad betreffen de feiten en gedragingen die van die aard zijn dat ze een ongeval of een ernstig ongeval kunnen veroorzaken.
   De in het eerste lid, 1°, vermelde inbreuken kunnen met een bestuurlijke boete van 100 tot 1.000 euro worden bestraft.
   De in het eerste lid, 2°, vermelde inbreuken kunnen met een bestuurlijke boete van 500 tot 2.000 euro worden bestraft.
   De in het eerste lid, 3°, vermelde inbreuken kunnen met een bestuurlijke boete van 1.000 tot 8.000 euro worden bestraft.]1

  
Art. 214. [1 § 1er. Les infractions visées au présent chapitre peuvent être sanctionnées d'une amende administrative.
   Les infractions peuvent avoir été commises par négligence ou défaut de prévoyance.
   § 2. Les infractions sont réparties en trois degrés :
   1° Les infractions du premier degré concernent les faits et comportements qui n'ont pas d'incidence sur la sécurité des personnes et qui n'entravent pas gravement le fonctionnement de l'autorité de sécurité ou de l'organisme d'enquête;
   2° Les infractions du deuxième degré concernent les faits et comportements qui ont une incidence directe ou indirecte sur la sécurité des personnes ou qui entravent gravement le fonctionnement de l'autorité de sécurité ou de l'organisme d'enquête;
   3° Les infractions du troisième degré concernent les faits et comportements qui sont de nature à pouvoir provoquer un accident ou un accident grave.
   Les infractions visées à l'alinéa 1er, 1°, peuvent être sanctionnées d'une amende administrative de 100 à 1.000 euros.
   Les infractions visées à l'alinéa 1er, 2°, peuvent être sanctionnées d'une amende administrative de 500 à 2.000 euros.
   Les infractions visées à l'alinéa 1er, 3°, peuvent être sanctionnées d'une amende administrative de 1.000 à 8.000 euros.]1

  
Art. 215. [1 § 1. In geval van verzachtende omstandigheden, kan de bestuurlijke boete verminderd worden zonder lager te zijn dan :
   1° 50 euro voor de inbreuken van de eerste graad;
   2° 250 euro voor de inbreuken van de tweede graad;
   3° 500 euro voor de inbreuken van de derde graad.
   § 2. Bij samenloop van verscheidene inbreuken worden alle bestuurlijke boetes gecumuleerd, zonder dat ze evenwel het dubbele van het maximum van de zwaarste bestuurlijke boete te boven mogen gaan.
   § 3. De maximumbedragen van de boetes worden verdubbeld indien de overtreder een bestuurlijke boete bedoeld door of krachtens dit hoofdstuk wordt opgelegd in de twee jaar :
   1° nadat een beslissing tot het opleggen van een bestuurlijke boete definitief is geworden; of
   2° nadat het arrest inzake het beroep tegen een beslissing tot het opleggen van een bestuurlijke boete in kracht van gewijsde is gegaan.
   § 4. De opdecimes bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de wet van 5 maart 1952 betreffende de opdecimes op de strafrechtelijke geldboeten, zijn eveneens van toepassing op de bestuurlijke boetes bedoeld in dit hoofdstuk.
   § 5. De veiligheidsinstantie en het onderzoeksorgaan kunnen in hun beslissing tot het opleggen van een bestuurlijke boete bepalen dat indien de overtreder binnen een termijn van een jaar geen inbreuk meer begaat, de bestuurlijke boete vervalt.]1

  
Art. 215. [1 § 1er. En cas de circonstances atténuantes, l'amende administrative peut être réduite, sans pouvoir être inférieure à :
   1° 50 euros pour les infractions du premier degré;
   2° 250 euros pour les infractions du deuxième degré;
   3° 500 euros pour les infractions du troisième degré.
   § 2. En cas de concours de plusieurs infractions, les amendes administratives sont cumulées sans pouvoir excéder le double du maximum de l'amende administrative la plus élevée.
   § 3. Les montants maximaux des amendes sont doublés si le contrevenant se voit infliger une amende administrative prévue par ou en vertu du présent chapitre dans les deux ans :
   1° après qu'une décision de lui infliger une amende administrative est devenue définitive; ou
   2° après que l'arrêt sur le recours contre une décision de lui infliger une amende administrative est passé en force de chose jugée.
   § 4. Les décimes additionnels visés à l'article 1er, alinéa 1er, de la loi du 5 mars 1952 relative aux décimes additionnels sur les amendes pénales s'appliquent aux amendes administratives visées au présent chapitre.
   § 5. L'autorité de sécurité et l'organisme d'enquête peuvent prévoir dans leur décision d'infliger une amende administrative que, si le contrevenant ne commet plus d'infraction pendant un an l'amende administrative est caduque.]1

  
Art. 216. [1 De overtreder betaalt de bestuurlijke boete binnen een maand nadat de beslissing tot het opleggen van een bestuurlijke boete definitief is geworden of het arrest inzake het beroep tegen deze beslissing in kracht van gewijsde is gegaan.
   De bestuurlijke boete komt toe aan de Schatkist.
   De overtreder stort het bedrag aan de Administratie van het kadaster, registratie en domeinen.
   Indien de overtreder de bestuurlijke boete te laat betaalt, wordt het bedrag van rechtswege verhoogd met de wettelijke rentevoet, met een minimum van vijf procent van het bedrag van de bestuurlijke boete.
   Het recht tot invordering van de bestuurlijke boete verjaart twee jaar na de laatste dag waarop de overtreder diende te betalen.
   Deze termijn wordt geschorst in het geval bedoeld in artikel 215, § 5.]1

  
Art. 216. [1 Le contrevenant s'acquitte de l'amende administrative un mois après que la décision d'infliger une amende administrative est devenue définitive ou que l'arrêt sur le recours contre cette décision est passé en force de chose jugée.
   L'amende administrative revient au Trésor.
   Le contrevenant verse le montant à l'Administration du cadastre, de l'enregistrement et des domaines.
   Si le contrevenant paie l'amende administrative avec retard, le montant est majoré de plein droit du taux d'intérêt légal, avec un minimum de cinq pourcent du montant de l'amende administrative.
   Le droit de percevoir l'amende administrative se prescrit par deux ans à dater du dernier jour où le contrevenant aurait dû payer.
   Ce délai est suspendu dans le cas visé à l'article 215, § 5.]1

  
Afdeling 2. [1 - Inbreuken]1
Section 2. [1 - Infractions]1
Art. 216/1. [1 § 1. Inbreuken van de eerste graad zijn :
   1° het niet tijdig indienen van het verslag bedoeld in artikel 92;
   2° het feit dat de spoorwegonderneming of [4 de infrastructuurbeheerder]4 verzuimt de veiligheidsinstantie in te lichten dat een treinbestuurder niet langer werkt, overeenkomstig artikel 130, eerste lid;
   3° het feit dat de spoorwegonderneming of [4 de infrastructuurbeheerder]4 geen opleiding betreffende haar of zijn veiligheidsbeheersysteem verschaft, overeenkomstig artikel 135, zevende lid, en bijlage II, N, van de Verordening (EU) nr. 1158/2010 van de Commissie van 9 december 2010 betreffende een gemeenschappelijke veiligheidsmethode ter beoordeling van de conformiteit met de vereisten voor de verkrijging van veiligheidscertificaten voor spoorwegen;
   4° [2 het niet binnen de toegestane tijd antwoorden op een auditrapport, inspectieverslag of toezichtsverslag met betrekking tot de naleving van de relevante bepalingen van het regelgevend kader inzake veiligheid of met betrekking tot een veiligheidsvergunning of een [3 uniek veiligheidscertificaat]3;]2
   5° het niet betalen van de retributies bedoeld in titel 4, hoofdstuk 2, afdeling 4, en hoofdstuk 6, afdeling 2/1;
   6° het niet publiceren of bijwerken van het infrastructuurregister bedoeld in artikel 211;
   7° het niet uitvoeren van de onafhankelijke evaluatie zoals bedoeld in artikel 220, § 1, eerste en tweede lid, of het niet op de hoogte brengen van de veiligheidsinstantie van de resultaten overeenkomstig artikel 220, § 2.
   § 2. Onverminderd artikel 214, § 2, tweede lid :
   1° worden de inbreuken bedoeld in paragraaf 1, 1° tot 4°, bestraft met een bestuurlijke boete van 500 tot 1.000 euro;
   2° worden de inbreuken bedoeld in paragraaf 1, 5° tot 7°, bestraft met een bestuurlijke boete van 100 tot 500 euro;
   3° wordt de boete bedoeld in paragraaf 1, 2° toegepast per betrokken treinbestuurder.]1

  
Art. 216/1. [1 § 1er. Constituent des infractions du premier degré :
   1° le dépôt tardif du rapport visé à l'article 92;
   2° le défaut pour l'entreprise ferroviaire ou le [4 gestionnaire de l'infrastructure]4 d'informer l'autorité de sécurité de la cessation d'activité d'un conducteur de train conformément à l'article 130, alinéa 1er;
   3° le défaut pour l'entreprise ferroviaire ou le [4 gestionnaire de l'infrastructure]4 de dispenser une formation en ce qui concerne son système de gestion de la sécurité, conformément à l'article 135, alinéa 7, et à l'annexe II, N, du Règlement (UE) n° 1158/2010 de la Commission du 9 décembre 2010 relatif à une méthode de sécurité commune pour l'évaluation de la conformité aux exigences pour l'obtention de [3 certificats de sécurité unique]3 ferroviaire;
   4° [2 le fait de ne pas répondre dans le délai imparti à un rapport d'audit, d'inspection ou de contrôle relatif au respect des dispositions pertinentes du cadre réglementaire en matière de sécurité, ou relatif à un agrément ou un [3 certificat de sécurité unique]3;]2
   5° le non-paiement des redevances visées au titre 4, chapitre 2, section 4, et chapitre 6, section 2/1;
   6° le fait de ne pas publier ou ne pas tenir à jour le registre de l'infrastructure visé à l'article 211;
   7° le fait de ne pas faire réaliser l'évaluation indépendante visée à l'article 220, § 1er, alinéas 1er et 2 ou de ne pas en communiquer les résultats à l'autorité de sécurité conformément à l'article 220, § 2.
   § 2. Sans préjudice de l'article 214, § 2, alinéa 2 :
   1° les infractions visées au paragraphe 1er, 1° à 4°, sont punies d'une amende administrative de 500 à 1.000 euros;
   2° les infractions visées au paragraphe 1er, 5° à 7°, sont punies d'une amende administrative de 100 à 500 euros;
   3° l'amende visée au paragraphe 1er, 2°, s'applique par conducteur de train concerné.]1

  
Art. 216/2. [1 § 1. Inbreuken van de tweede graad zijn :
   1° het niet meedelen door [2 de infrastructuurbeheerder]2 aan de veiligheidsinstantie dat hij urgentiemaatregelen neemt die kunnen afwijken van [2 de nationale voorschriften]2, overeenkomstig artikel 70, § 1;
   2° het niet meedelen door [2 de infrastructuurbeheerder]2 aan alle spoorwegondernemingen die op het netwerk rijden, van de genomen urgentiemaatregelen, overeenkomstig artikel 70, § 1;
   3° het niet bieden van de in artikel [2 77, zesde lid]2, bedoelde technische bijstand;
   4° het niet nakomen van de in artikel 93 vermelde verplichtingen;
   5° het niet nakomen van de in artikel 94/1 vermelde verplichtingen;
   6° het niet of niet tijdig in kennis stellen door [2 de infrastructuurbeheerder]2 van substantiële wijzigingen bedoeld in artikel [2 96]2;
   7° het niet of niet tijdig in kennis stellen door de houder van een [3 uniek veiligheidscertificaat]3 van de informatie bedoeld in artikel [2 104/2, paragraaf 2]2;
   8° het niet bijhouden door de spoorwegonderneming of [2 de infrastructuurbeheerder]2 van een register van de bevoegdheidsbewijzen, overeenkomstig artikel 140, § 1, 1° ;
   9° het niet samenwerken van de spoorwegonderneming of [2 de infrastructuurbeheerder]2 met de veiligheidsinstantie, overeenkomstig artikel 140, § 1, 2° ;
   10° het niet naleven door de houder van de verplichting om een met het onderhoud belaste entiteit aan elk voertuig toe te wijzen en die entiteit in het NVR in te schrijven of aan te passen, overeenkomstig artikel 105;
   11° het niet of niet tijdig meedelen door de registratiehouder aan de veiligheidsinstantie van de informatie bedoeld in artikel [2 210, paragraaf 6]2;
  [2 12° het niet naleven van de verplichtingen bedoeld in artikel 94/2.]2
   § 2. Onverminderd artikel 214, § 2, derde lid, worden de inbreuken bedoeld in paragraaf 1 bestraft met een bestuurlijke boete van 1.000 tot 2.000 euro.]1

  
Art. 216/2. [1 § 1er. Constituent des infractions du deuxième degré :
   1° le défaut pour le gestionnaire d'infrastructure d'informer l'autorité de sécurité lorsqu'il prend des mesures d'urgence pouvant déroger aux [2 règles nationales]2 conformément à l'article 70, § 1er;
   2° le défaut pour le gestionnaire d'infrastructure de notifier les mesures d'urgence aux entreprises ferroviaires circulant sur le réseau conformément à l'article 70, § 1er;
   3° le refus de fournir l'assistance technique visée à l'article [2 77, alinéa 6]2;
   4° le non-respect des obligations visées à l'article 93;
   5° le non-respect des obligations visées à l'article 94/1;
   6° la non-communication ou la communication tardive par le gestionnaire de l'infrastructure des modifications substantielles visées à l'article [2 96]2;
   7° la non-communication ou la communication tardive par le titulaire d'un [3 certificat de sécurité unique]3 des informations visées à l'article [2 104/2, paragraphe 2]2;
   8° Le défaut pour l'entreprise ferroviaire ou le gestionnaire de l'infrastructure de tenir un registre des attestations conformément à l'article 140, § 1er, 1° ;
   9° Le défaut pour l'entreprise ferroviaire ou le gestionnaire de l'infrastructure de coopérer avec l'autorité de sécurité conformément à l'article 140, § 1er, 2° ;
   10° le non-respect par le détenteur de l'obligation d'assigner à chaque véhicule une entité en charge de l'entretien et d'inscrire et tenir à jour cette dernière dans le RNV conformément à l'article 105;
   11° la non-communication ou la communication tardive par le titulaire d'une immatriculation à l'autorité de sécurité des informations visées à l'article [2 210, paragraphe 6]2;
  [2 12° le non-respect des obligations visées à l'article 94/2.]2
   § 2. Sans préjudice de l'article 214, § 2, alinéa 3, les infractions visées au paragraphe 1er sont punies d'une amende administrative de 1.000 à 2.000 euros.]1

  
Art. 216/3. [1 § 1. Inbreuken van de derde graad zijn :
   1° [2 het niet vaststellen door de infrastructuurbeheerder van de technische specificaties voor gebruik van het netwerk, de operationele procedures en de organisatorische bepalingen betreffende de exploitatieveiligheid van de spoorweginfrastructuur overeenkomstig artikel 68, §§ 3 tot 5;]2
   2° het niet vaststellen door [5 de infrastructuurbeheerder]5 en de spoorwegondernemingen, elk wat hen betreft, van hun interne veiligheidsvoorschriften in het kader van hun veiligheidsbeheersysteem overeenkomstig [2 artikel 68, § 7]2;
   3° [2 het niet vaststellen en het niet bijhouden door de infrastructuurbeheerder en de spoorwegondernemingen van hun veiligheidsbeheersysteem met naleving van de relevante bepalingen van het regelgevend kader inzake veiligheid en onder andere de gemeenschappelijke veiligheidsdoelen, de in de TSI vastgelegde veiligheidseisen en de relevante elementen van de gemeenschappelijke veiligheidsmethoden overeenkomstig artikel 89;]2
   4° het niet indienen van het verslag bedoeld in artikel 92 of het onvolledig indienen van dit verslag;
   5° het niet nakomen van de verplichtingen aangaande de geldigheid van de vergunning van de treinbestuurder en van de bevoegdheidsbewijzen van de treinbestuurders bedoeld in artikel 141, § 1;
   6° het niet intrekken of schorsen van de vergunning van treinbestuurder door [5 de infrastructuurbeheerder]5 of door de spoorwegonderneming in de gevallen bedoeld in artikel 139;
   7° [3 ...]3
   8° [2 het niet binnen de toegestane tijd invoeren van maatregelen tot verbetering, naar aanleiding van een auditrapport, een inspectieverslag of een toezichtverslag met betrekking tot de naleving van de relevante bepalingen van het regelgevend kader inzake veiligheid of met betrekking tot een veiligheidsvergunning of een [4 uniek veiligheidscertificaat]4;]2
   9° het meer dan twee keer per jaar overschrijden van ofwel de waarden "onmiddellijke tussenkomst" van de veiligheidstoleranties van het spoor, overeenkomstig de basisparameters veiligheid in de TSI Infrastructuur, ofwel de veiligheidsprocedures omschreven in de TSI Besturing en Seingeving niet eerbiedigen;
   10° het door een spoorweginfrastructuurgebruiker stellen of niet stellen van een handeling, die een situatie doet ontstaan die van die aard is dat het een ongeval kan veroorzaken;
   11° het niet nakomen door de spoorwegonderneming of [5 de infrastructuurbeheerder]5 van de maatregelen bedoeld in artikel 75;
   12° het niet opstellen en het niet bijhouden van een veiligheidsbeheersysteem door [5 de infrastructuurbeheerder]5 en de spoorwegondernemingen overeenkomstig artikelen 89 tot 91;
   13° het niet respecteren door de met het onderhoud belaste entiteit van de in de artikelen 106 tot 109 voorgeschreven regels betreffende de certificering;
   14° alle belemmeringen bij de uitoefening van de in artikel 113 vermelde bevoegdheden van het onderzoeksorgaan;
   15° het niet invoeren van een permanent opleidingssysteem door [5 de infrastructuurbeheerder]5 en de spoorwegondernemingen overeenkomstig artikel 146, derde lid;
   16° de indienststelling van een voertuig voordat het overeenkomstig [3 artikel 179/4]3 is toegestaan;
   17° het door een spoorweginfrastructuurgebruiker stellen of niet stellen van een handeling, die een situatie doet ontstaan die van die aard is dat een ernstig ongeval veroorzaakt kan worden.
   § 2. Onverminderd artikel 214, § 2, vierde lid, worden :
   1° de inbreuken bedoeld in paragraaf 1, 1° tot 10°, bestraft met een bestuurlijke boete van 2.000 tot 4.000 euro;
   2° de inbreuken bedoeld in paragraaf 1, [2 11° tot 17°]2, bestraft met een bestuurlijke boete van 4.000 tot 8.000 euro.]1

  
Art. 216/3. [1 § 1er. Constituent des infractions du troisième degré :
   1° [2 le défaut pour le gestionnaire de l'infrastructure d'adopter les spécifications techniques d'utilisation du réseau, les procédures opérationnelles et les dispositions organisationnelles relatives à la sécurité d'exploitation de l'infrastructure ferroviaire conformément à l'article 68, §§ 3 à 5;]2
   2° le défaut pour le [5 gestionnaire de l'infrastructure]5 et les entreprises ferroviaires d'adopter, chacun en ce qui le concerne, des règles internes de sécurité dans le cadre de leur système de gestion de la sécurité conformément [2 à l'article 68, § 7]2;
   3° [2 le défaut pour le gestionnaire de l'infrastructure et les entreprises ferroviaires d'établir et de tenir à jour leur système de gestion de la sécurité dans le respect des dispositions pertinentes du cadre réglementaire en matière de sécurité et notamment les objectifs de sécurité communs, les exigences de sécurité définies dans les STI, et les éléments pertinents des méthodes de sécurités communes conformément à l'article 89;]2
   4° le non-dépôt du rapport sur la sécurité visé à l'article 92 ou le dépôt incomplet de ce rapport;
   5° le non-respect des obligations concernant la validité des licences de conducteur de train et des attestations de conducteurs de train, visées à l'article 141, § 1er;
   6° le fait pour le gestionnaire de l'infrastructure ou l'entreprise ferroviaire de ne pas procéder au retrait ou à la suspension de l'attestation d'un conducteur de train dans les cas visés à l'article 139;
   7° [3 ...]3
   8° [2 le fait de ne pas prendre de mesures correctives dans le délai imparti après un rapport d'audit, d'inspection ou de contrôle relatif au respect des dispositions pertinentes du cadre réglementaire en matière de sécurité, ou relatif à un agrément ou un [4 certificat de sécurité unique]4;]2
   9° le fait de dépasser les valeurs " intervention immédiate " des tolérances de sécurité de la voie, conformément aux paramètres fondamentaux sécurité des STI Infrastructure, ou de ne pas respecter les procédures de sécurité des STI Contrôle-commande et signalisation, et ce, plus de deux fois par an;
   10° le fait pour un utilisateur de l'infrastructure ferroviaire, par l'accomplissement ou le non accomplissement d'un acte, de faire naître une situation qui par nature peut provoquer un accident;
   11° le non-respect, par l'entreprise ferroviaire ou le [5 gestionnaire de l'infrastructure]5, des mesures visées à l'article 75;
   12° le défaut pour le [5 gestionnaire de l'infrastructure]5 et les entreprises ferroviaires d'établir et de maintenir leur système de gestion de sécurité conformément aux articles 89 à 91;
   13° le non-respect, par l'entité en charge de l'entretien, des règles mentionnées dans les articles 106 à 109 concernant la certification;
   14° toute obstruction à l'exercice des pouvoirs de l'organisme d'enquête, visés à l'article 113;
   15° le défaut pour le [5 gestionnaire de l'infrastructure]5 et les entreprises ferroviaires de mettre en place un système de formation continue conformément à l'article 146, alinéa 3;
   16° la mise en service d'un véhicule avant qu'il ne soit autorisé conformément à l'[3 article 179/4]3;
   17° le fait pour un utilisateur de l'infrastructure ferroviaire, par l'accomplissement ou le non accomplissement d'un acte, de faire naître une situation qui par nature peut provoquer un accident grave.
   § 2. Sans préjudice de l'article 214, § 2, alinéa 4 :
   1° les infractions visées au paragraphe 1er, 1 à 10°, sont punies d'une amende administrative de 2.000 à 4.000 euros;
   2° les infractions visées au paragraphe 1er, [2 11° à 17°]2, sont punies d'une amende administrative de 4.000 à 8.000 euros.]1

  
Art. 216/4. [1 De Koning kan bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de inbreuken en de boeten vaststellen van de ter uitvoering van deze Codex genomen besluiten die met een bestuurlijke boete kunnen bestraft worden en het bedrag bepalen volgens de graad van ernst.]1
  
Art. 216/4. [1 Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, définir les infractions aux arrêtés pris en exécution du présent Code qui peuvent être sanctionnées d'une amende administrative et en déterminer le montant selon le degré de gravité.]1
  
HOOFDSTUK 3. - Strafbepalingen
CHAPITRE 3. - Dispositions pénales
Art. 217. § 1. Op voordracht van de minister kan de Koning de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie toekennen aan de personeelsleden van het Bestuur en van de veiligheidsinstantie en aan de leden van het [3 toezichthoudend orgaan]3 die belast zijn met de vaststelling bij proces-verbaal van de strafinbreuken bedoeld in artikel 218.
  § 2. In het kader van de uitvoering van hun opdrachten, kunnen de officieren bedoeld in § 1 :
  1° zich op elk moment vrije toegang verschaffen tot al het rollend materieel of materieel bestemd om te rijden op de infrastructuur;
  2° alle vaststellingen doen, informatie inzamelen, verklaringen opnemen, zich documenten, stukken, boeken en voorwerpen doen vertonen en deze in beslag nemen welke nodig zijn bij de opsporing of vaststelling of nodig zijn om aan de inbreuk een einde te maken.
  § 3. Zij kunnen huiszoekingen tussen 8 en 18 uur verrichten, na machtiging van de onderzoeksrechter van de plaats van de huiszoeking :
  1° in de woning van de ondernemingsleiders, bestuurders, zaakvoerders, directeurs en andere personeelsleden van de betrokken onderneming alsook in de woning en de lokalen die gebruikt worden voor professionele doeleinden van natuurlijke en rechtspersonen, intern of extern, belast met het commercieel, boekhoudkundig, administratief, fiscaal en financieel beheer van die onderneming;
  2° in de hoofd- of de exploitatiezetel van de betrokken onderneming.
  § 4. De processen-verbaal van de in § 1 bedoelde officieren worden verzonden aan de procureur des Konings van de plaats van [1 de inbreuk]1.
  § 5. De in § 1 bedoelde officieren kunnen voor de uitvoering van hun opdrachten een beroep doen op de openbare macht.
  § 6. Onder voorbehoud van de bijzondere wetten die de geheimhouding van de verklaringen garanderen, zijn de openbare besturen gehouden hun bijstand te verlenen aan de officieren van gerechtelijke politie in de uitoefening van hun [1 opdrachten]1.
  [2 § 7. De in paragraaf 1 bedoelde personeelsleden vertonen bij de uitoefening van hun opdrachten hun legitimatiekaart waarvan de Koning het model bepaalt.]2
  
Art. 217. § 1er. Sur proposition du ministre, le Roi peut conférer la qualité d'officier de police judiciaire aux membres du personnel de l'Administration et de l'autorité de sécurité et aux membres de l'organe de contrôle chargés de constater par des procès-verbaux les infractions pénales visées à l'article 218.
  § 2. Dans le cadre de l'exercice de leurs missions, les officiers visés au § 1er peuvent :
  1° pénétrer librement, à tout moment, dans tout matériel roulant ou matériel destiné à circuler sur l'infrastructure;
  2° procéder à toutes les constatations, rassembler des informations, prendre des déclarations, se faire présenter des documents, pièces, livres et objets et saisir ceux qui sont nécessaires à la recherche ou à la constatation ou nécessaires pour pouvoir mettre fin à l'infraction.
  § 3. Ils peuvent procéder à des visites entre 8 et 18 heures, après autorisation préalable du juge d'instruction du lieu de la visite :
  1° au domicile des chefs d'entreprise, administrateurs, gérants, directeurs et autres membres du personnel de l'entreprise concernée ainsi qu'au domicile et dans les locaux utilisés à des fins professionnelles de personnes physiques et morales, internes ou externes, chargées de la gestion commerciale, comptable, administrative, fiscale et financière de cette entreprise;
  2° au siège social ou d'exploitation de l'entreprise concernée.
  § 4. Les procès-verbaux des officiers visés au § 1er sont envoyés au procureur du Roi du lieu de l'infraction.
  § 5. Les officiers visés au § 1er peuvent requérir la force publique pour les besoins de l'accomplissement de leurs missions.
  § 6. Sous réserve des lois particulières qui garantissent le secret des déclarations, les administrations publiques sont tenues de prêter leur concours aux officiers de police judiciaire dans l'exécution de leurs missions.
  [1 § 7. Les membres du personnel visés au paragraphe 1er présentent lors de la réalisation de leurs tâches leur carte de légitimation dont le Roi fixe le modèle.]1
  
Art. 218. Met uitzondering van de inbreuken met betrekking tot de netverklaring, de toewijzing van de capaciteit, [1 de heffing voor het gebruik van de infrastructuur]1 en van de bepalingen inzake toegang en onverminderd artikel 110, derde lid, worden de inbreuken op deze Spoorcodex en zijn uitvoeringsbesluiten genomen op grond van deze Spoorcodex, het niet naleven van de beslissingen van de minister, de veiligheidsinstantie en het [3 toezichthoudend orgaan]3, behoudens de beslissingen van dit laatste orgaan inzake het geven van een bestuurlijke boete, alsook het hinderen van vaststellingen en onderzoeken door deze instanties, zijn inbreuken die bestraft worden met een gevangenisstraf van acht dagen tot één jaar en een boete van zesentwintig tot 1.500 euro of met een van deze straffen, onverminderd de eventuele schadevergoeding en interesten.
  De bepalingen van boek I van het Strafwetboek, zijn op deze inbreuken van toepassing.
  Het eerste lid is niet van toepassing op de spoorwegonderneming, de infrastructuurbeheerder en de houder, die een inbreuk begaan die bestaft wordt met een bestuurlijke boete zoals bepaald [2 in de artikelen 216/1 tot 216/3 of krachtens artikel 216/4]2.
  
Art. 218. A l'exception des infractions relatives au document de référence du réseau, à la répartition des capacités, à la tarification de l'infrastructure et aux dispositions en matière d'accès et nonobstant l'article 110, alinéa 3, les manquements au présent Code ferroviaire et aux arrêtés d'exécution pris sur la base de ce Code ferroviaire, le non-respect des décisions prises par le ministre, l'autorité de sécurité et l'organe de contrôle, à l'exception des décisions de cet organe portant amende administrative ainsi que toute obstruction aux vérifications et investigations de ces instances, constituent des infractions punies d'un emprisonnement de huit jours à un an et d'une amende de vingt-six euros à 1.500 euros ou d'une de ces peines seulement sans préjudice des dommages et intérêts s'il y a lieu.
  Les dispositions du livre I du Code pénal sont applicables à ces infractions.
  L'alinéa 1er ne s'applique pas à l'entreprise ferroviaire, au gestionnaire de l'infrastructure et au détenteur qui commettent une infraction sanctionnée par une amende administrative conformément [1 aux articles 216/1 à 216/3 ou en vertu de l'article 216/4]1.
  
HOOFDSTUK 4. [1 - Controle door de veiligheidsinstantie betreffende de certificering bedoeld in titel 5, hoofdstuk 1]1
CHAPITRE 4. [1 - Vérification par l'autorité de sécurité en matière de certification visée au titre 5, chapitre 1er]1
Art. 219. De veiligheidsinstantie ziet erop toe dat er in het kader van een kwaliteitsnormeringssysteem voortdurend controle is op alle activiteiten in verband met de opleiding, de beoordeling van vakbekwaamheid en het bijwerken van vergunningen van treinbestuurders en bevoegdheidsbewijzen. Deze verplichting geldt niet voor activiteiten die reeds gedekt zijn door de veiligheidsbeheersystemen die overeenkomstig titel 4, hoofdstuk 3 zijn ingesteld door de spoorwegondernemingen en [1 de infrastructuurbeheerder]1.
  
Art. 219. L'autorité de sécurité s'assure que toutes les activités de formation, d'évaluation des compétences et de mise à jour des licences de conducteurs de train et des attestations font l'objet d'un contrôle continu dans le cadre d'un système de normes de qualité. Cette obligation ne s'applique pas aux activités qui sont déjà couvertes par les systèmes de gestion de la sécurité que les entreprises ferroviaires et le gestionnaire de l'infrastructure mettent en place conformément au titre 4, chapitre 3.
Art. 220. [1 § 1. Elke opleider of elk opleidingscentrum, erkend door de veiligheidsinstantie voor de taken bedoeld in de artikelen 145, eerste lid, en 146, eerste en tweede lid, laat ten minste elke vijf jaar, en voor de eerste keer uiterlijk op 31 december 2018, een onafhankelijke evaluatie uitvoeren van de procedures voor de verwerving en beoordeling van vakkennis en vakbekwaamheden.
   Elke spoorwegonderneming en elke infrastructuurbeheerder laten ten minste elke vijf jaar, en voor de eerste keer uiterlijk op 31 december 2018, een onafhankelijke evaluatie uitvoeren van het systeem voor afgifte van bevoegdheidsbewijzen zoals bedoeld in artikel 134.
   De veiligheidsinstantie laat ten minste elke vijf jaar en voor de eerste keer uiterlijk op 31 december 2018 een onafhankelijke evaluatie uitvoeren van het systeem van afgifte van vergunningen van treinbestuurders.
   De evaluatie wordt uitgevoerd door gekwalificeerde personen die niet zelf bij de activiteiten in kwestie betrokken zijn.
   Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op activiteiten die reeds gedekt zijn door de veiligheidsbeheerssystemen die de spoorwegondernemingen en de infrastructuurbeheerder instellen in overeenstemming met titel 4, hoofdstuk 3.
   § 2. Elke opleider of elk opleidingscentrum, elke spoorwegonderneming of elke infrastructuurbeheerder die een onafhankelijke evaluatie heeft laten uitvoeren, brengt de veiligheidsinstantie op de hoogte van de resultaten binnen twee weken na ontvangst ervan.
   De veiligheidsinstantie brengt de minister op de hoogte van de resultaten van de verschillende evaluaties.
   § 3. Indien nodig, neemt de minister gepaste maatregelen om eventuele tekortkomingen die bij de onafhankelijke evaluatie aan het licht zijn gekomen recht te zetten.]1

  
Art. 220. [1 § 1er. Tout formateur ou centre de formation reconnu par l'autorité de sécurité aux fins des tâches visées aux articles 145, alinéa 1er, et 146, alinéas 1er et 2, fait réaliser au minimum tous les cinq ans et la première fois au plus tard le 31 décembre 2018 une évaluation indépendante des procédures d'acquisition et d'évaluation des connaissances et des compétences professionnelles.
   Toute entreprise ferroviaire et tout gestionnaire de l'infrastructure font réaliser au minimum tous les cinq ans et la première fois au plus tard le 31 décembre 2018 une évaluation indépendante du système de délivrance d'attestations complémentaires visées à l'article 134.
   L'autorité de sécurité fait réaliser au minimum tous les cinq ans et la première fois au plus tard le 31 décembre 2018 une évaluation indépendante du système de délivrance des licences de conducteurs de train.
   L'évaluation est réalisée par des personnes qualifiées qui ne sont pas elles-mêmes associées aux activités concernées.
   Les alinéas 1er et 2 ne s'appliquent pas aux activités qui sont déjà couvertes par les systèmes de gestion de la sécurité que les entreprises ferroviaires et le gestionnaire d'infrastructure mettent en place conformément au titre 4, chapitre 3.
   § 2. Tout formateur ou centre de formation, toute entreprise ferroviaire ou tout gestionnaire de l'infrastructure qui a fait réaliser une évaluation indépendante en communique les résultats à l'autorité de sécurité dans les deux semaines après la réception de ceux-ci.
   L'autorité de sécurité communique les résultats des différentes évaluations au ministre .
   § 3. Si nécessaire, le ministre prend les mesures appropriées en vue de remédier à toute carence mise à jour par l'évaluation indépendante.]1

  
Art. 221. § 1. De veiligheidsinstantie kan te allen tijde de maatregelen nemen die nodig zijn om aan boord van treinen die op het Belgische [1 net]1 rijden, te controleren of de treinbestuurders in het bezit zijn van de overeenkomstig deze Spoorcodex afgegeven documenten.
  § 2. Los van de in § 1 bedoelde controle kan de veiligheidsinstantie in het geval van een tijdens het werk begane onachtzaamheid, controleren of de betrokken treinbestuurder voldoet aan de in artikel 135, derde en vierde lid, neergelegde eisen.
  § 3. De veiligheidsinstantie kan overgaan tot een onderzoek naar de naleving van deze Spoorcodex en haar uitvoeringsbesluiten door treinbestuurders, spoorwegondernemingen, [2 de infrastructuurbeheerder]2, examinatoren en opleidingscentra.
  § 4. Indien de veiligheidsinstantie van oordeel is dat een treinbestuurder niet langer aan één of meer gestelde eisen voldoet, neemt zij de volgende maatregelen :
  1° indien het een door de veiligheidsinstantie afgegeven vergunning van treinbestuurders betreft, schorst de veiligheidsinstantie de vergunning van treinbestuurders. De schorsing is voorlopig of definitief, al naar gelang van de grootte van het risico voor de spoorwegveiligheid.
  Zij deelt onmiddellijk haar met redenen omklede beslissing mee aan de betrokkene en zijn werkgever. Voorts deelt zij mee welke procedure gevolgd moet worden om opnieuw de vergunning te verkrijgen;
  2° indien het een door een bevoegde autoriteit in een andere lidstaat afgegeven vergunning betreft, kan de veiligheidsinstantie zich tot deze autoriteit wenden met een met redenen omkleed verzoek, hetzij om een aanvullende controle, hetzij tot schorsing van de vergunning van treinbestuurders. De veiligheidsinstantie stelt de Europese Commissie en de andere bevoegde autoriteiten van haar gemotiveerd verzoek in kennis. In afwachting van de kennisgeving van de beslissing van de betrokken autoriteit van afgifte, mag de veiligheidsinstantie een treinbestuurder verbieden om op het Belgische [1 net]1 actief te zijn.
  Indien de veiligheidsinstantie op haar beurt een met redenen omkleed verzoek met betrekking tot een vergunning van treinbestuurders die zij heeft afgegeven, ontvangt, behandelt zij dit verzoek binnen de vier weken en deelt zij haar beslissing mee aan de verzoekende instantie. Ook in dit geval stelt de veiligheidsinstantie de Europese Commissie en andere bevoegde autoriteiten van haar beslissing in kennis;
  3° indien het een bevoegdheidsbewijs betreft, wendt de veiligheidsinstantie zich tot de instantie van afgifte met een verzoek, hetzij om een aanvullende controle, hetzij tot schorsing van het bevoegdheidsbewijs. De instantie van afgifte neemt passende maatregelen en brengt binnen vier weken verslag uit aan de veiligheidsinstantie. In afwachting van het verslag van de instantie van afgifte mag de veiligheidsinstantie een treinbestuurder verbieden om op het Belgische [1 net]1 actief te zijn. Zij stelt de Europese Commissie en de andere bevoegde autoriteiten daarvan in kennis.
  De veiligheidsinstantie neemt een beslissing over het handhaven van haar eventueel verbod om op het Belgische [1 net]1 actief te zijn, binnen de tien dagen na ontvangst van het in het eerste lid, 3°, bedoelde verslag.
  Onverminderd artikel 70, § 2 en volgende, van deze Spoorcodex, onderneemt de veiligheidsinstantie, wanneer zij van oordeel is dat een bepaalde treinbestuurder een ernstige bedreiging vormt voor de veiligheid op het spoor, onmiddellijk de nodige maatregelen, bijvoorbeeld door [2 de infrastructuurbeheerder]2 te verzoeken de trein tot stilstand te brengen en door de treinbestuurder zo lang als nodig te verbieden op het Belgische [1 net]1 actief te zijn. Zij stelt de Europese Commissie en de andere bevoegde autoriteiten daarvan in kennis.
  De veiligheidsinstantie betekent onmiddellijk haar gemotiveerde beslissing aan de belanghebbende en aan zijn werkgever, onder vermelding, in voorkomend geval, van de voorwaarden en de procedure voor het terugkrijgen van het bevoegdheidsbewijs, onverminderd het recht van verhaal waarin artikel 142, § 3 voorziet.
  In al deze gevallen werkt de veiligheidsinstantie het in artikel 132 bedoelde register bij.
  § 5. Als de veiligheidsinstantie de mening is toegedaan dat een besluit genomen door een bevoegde autoriteit van een andere lidstaat in het kader van § 4 niet aan de relevante criteria voldoet, dan wordt de kwestie voorgelegd aan de Europese Commissie. De veiligheidsinstantie kan het aan de treinbestuurder krachtens § 4 opgelegde verbod om op het Belgische grondgebied treinen te besturen, handhaven tot de Europese Commissie haar advies uitbrengt.
  
Art. 221. § 1er. L'autorité de sécurité peut à tout moment prendre les mesures nécessaires pour vérifier, à bord des trains circulant sur le réseau belge, si les conducteurs de train sont munis des documents délivrés en vertu du présent Code ferroviaire.
  § 2. Indépendamment de la vérification prévue au § 1er, en cas de négligence commise au travail, l'autorité de sécurité peut vérifier si le conducteur en question répond aux exigences énoncées à l'article 135, alinéas 3 et 4.
  § 3. L'autorité de sécurité peut procéder à des enquêtes concernant le respect du présent Code ferroviaire et ses arrêtés d'exécution par les conducteurs, les entreprises ferroviaires, le gestionnaire de l'infrastructure, les examinateurs et les centres de formation.
  § 4. Si l'autorité de sécurité estime qu'un conducteur ne remplit plus une ou plusieurs exigences requises, elle prend les mesures suivantes :
  1° s'il s'agit d'une licence de conducteurs de train délivrée par l'autorité de sécurité, l'autorité de sécurité suspend la licence de conducteurs de train. La suspension est provisoire ou définitive en fonction de l'importance du risque engendré pour la sécurité ferroviaire.
  Elle notifie immédiatement sa décision motivée à l'intéressé ainsi qu'à son employeur. Elle indique en outre la procédure à suivre pour récupérer la licence de conducteurs de train;
  2° s'il s'agit d'une licence délivrée par une autorité compétente d'un autre Etat membre, l'autorité de sécurité adresse à cette autorité une demande motivée visant, soit à un contrôle complémentaire, soit à la suspension de la licence de conducteurs de train. L'autorité de sécurité informe la Commission européenne et les autres autorités compétentes de sa demande motivée. L'autorité de sécurité a la faculté d'interdire à un conducteur de train d'opérer sur le réseau belge en attendant la notification de la décision de l'autorité de délivrance concernée.
  Si l'autorité de sécurité reçoit à son tour une demande motivée visant une licence de conducteurs de train qu'elle a elle-même délivrée, elle examine ladite demande dans un délai de quatre semaines et notifie sa décision à l'autorité qui l'a saisie. L'autorité de sécurité informe également dans ce cas la Commission européenne et les autres autorités compétentes de sa décision;
  3° s'il s'agit d'une attestation, l'autorité de sécurité s'adresse à l'émetteur de celle-ci et demande, soit un contrôle complémentaire, soit la suspension de l'attestation. L'émetteur prend les mesures nécessaires et en informe l'autorité de sécurité dans un délai de quatre semaines. L'autorité de sécurité peut interdire à un conducteur de train d'opérer sur le réseau belge en attendant l'information de la part de l'émetteur. Elle en informe la Commission européenne et les autres autorités compétentes.
  L'autorité de sécurité se prononce quant au maintien de son interdiction éventuelle d'opérer sur le réseau belge, dans les dix jours de la réception de l'information visée à l'alinéa 1er, 3°.
  Sans préjudice de l'article 70, § 2 et suivants, du présent Code ferroviaire, si l'autorité de sécurité juge qu'un conducteur déterminé constitue une menace grave pour la sécurité ferroviaire, elle prend immédiatement les dispositions requises, par exemple demander au [1 gestionnaire de l'infrastructure]1 d'arrêter le train et interdire au conducteur concerné d'opérer sur le réseau belge aussi longtemps que cela sera nécessaire. Elle informe la Commission européenne et les autres autorités compétentes d'une telle décision.
  L'autorité de sécurité notifie immédiatement sa décision motivée à l'intéressé ainsi qu'à son employeur, en indiquant, le cas échéant, les conditions et la procédure à suivre pour récupérer l'attestation, sans préjudice du droit de recours prévu à l'article 142, § 3.
  Dans tous ces cas, l'autorité de sécurité met à jour le registre prévu à l'article 132.
  § 5. Si l'autorité de sécurité estime qu'une décision prise par une autorité compétente d'un autre Etat membre en vertu du § 4 ne satisfait pas aux critères pertinents, la Commission européenne est saisie de la question. L'autorité de sécurité peut maintenir l'interdiction prononcée à l'encontre d'un conducteur de train de conduire des trains sur le territoire belge conformément au § 4, jusqu'à ce que la Commission européenne ait rendu son avis.
  
TITEL 7/1. - [1 Rechterlijke toetsing]1
TITRE 7/1. - [1 Contrôle juridictionnel ]1
Art. 221/1. [1 Tegen de beslissingen van het [3 toezichthoudend orgaan]3 die werden genomen in toepassing van de artikelen 63, §§ 2 en 3, en 64, kan een beroep worden ingediend bij het [2 Marktenhof]2 zetelend zoals in kort geding, door elke persoon die een belang aantoont.
   De grond van de zaak wordt voorgelegd aan het [2 Marktenhof]2, dat uitspraak doet met volle rechtsmacht. ]1

  
Art. 221/1. [1 Un recours auprès de la [2 Cour des marchés]2 siégeant comme en référé est ouvert à toute personne justifiant d'un intérêt contre les décisions de l'organe de contrôle prises en application des articles 63, §§ 2 et 3, et 64.
   La [2 Cour des marchés]2 est saisie du fond du litige et dispose d'une compétence de pleine juridiction.]1

  
Art. 221/2. [1 Op straffe van onontvankelijkheid, die door het [2 Marktenhof]2 van rechtswege kan worden uitgesproken, wordt het in het artikel 221/1 bedoelde beroep ingesteld binnen een termijn van een maand vanaf de kennisgeving van de beslissing of, voor de belanghebbende personen aan wie de beslissing niet diende te worden betekend, binnen een termijn van een maand vanaf de bekendmaking, van de bedoelde beslissing in het Belgisch Staatsblad.
   Het Gerechtelijk Wetboek is van toepassing wat de procedure betreft, behalve indien de bepalingen van deze Spoorcodex ervan afwijken.
   Behalve ingeval het beroep gericht is tegen een beslissing van het [3 toezichthoudend orgaan]3 die op grond van artikelen 63, § 3, en 64 een administratieve boete oplegt, heeft het beroep geen schorsende werking, maar het hof kan, ambtshalve of volgend op een behoorlijk gemotiveerd verzoek van een of andere partij in de inleidende dagvaarding, de schorsing van de bestreden beslissing bevelen.
   Het hof doet uitspraak over het verzoek tot schorsing, uiterlijk binnen de tien dagen die volgen op de inleiding van de zaak, behoudens uitzonderlijke, door het hof gemotiveerde, omstandigheden die verband houden met de eerbiediging van de rechten van verdediging.
   Uiterlijk op de dag van de inleiding van de zaak, deelt het [3 toezichthoudend orgaan]3 aan de eiser en aan het hof een kopie mee van het administratief dossier.]1

  
Art. 221/2. [1 Sous peine d'irrecevabilité pouvant être prononcée d'office par la [2 Cour des marchés]2, le recours visé à l'article 221/1 est formé dans un délai d'un mois à partir de la notification de la décision ou, pour les personnes intéressées auxquelles la décision ne devait pas être notifiée, dans un délai d'un mois à dater de la publication au Moniteur belge de la décision concernée.
   Le Code judiciaire est d'application en ce qui concerne la procédure, sauf si les dispositions du présent Code ferroviaire y dérogent.
   Hormis les cas où le recours est dirigé contre une décision de l'organe de contrôle infligeant une amende administrative sur pied des articles 63, § 3, et 64, le recours n'a pas d'effet suspensif, mais la cour peut ordonner, d'office ou à la demande de l'une ou l'autre partie dûment motivée dans la citation introductive d'instance, la suspension de la décision attaquée.
   La cour statue sur la demande de suspension au plus tard dans les dix jours qui suivent l'introduction de la cause, sauf circonstances exceptionnelles, liées au respect des droits de la défense, motivées par la cour.
   Au plus tard le jour de l'introduction de la cause, l'organe de contrôle communique au demandeur et à la cour une copie du dossier administratif.]1

  
Art. 221/3. [1 [3 Tegen de beslissingen van de veiligheidsinstantie die werden genomen in toepassing van deze Spoorcodex, kan een beroep worden ingediend bij het Marktenhof zetelend zoals in kort geding, door elke persoon die een belang aantoont.]3
   Tegen de beslissingen van het onderzoeksorgaan die werden genomen in toepassing van artikel 112, kan een beroep worden ingediend bij het [2 Marktenhof]2 zetelend zoals in kort geding, door elke persoon die een belang aantoont.
   De grond van de zaak wordt voorgelegd aan het [2 Marktenhof]2, dat uitspraak doet met volle rechtsmacht.]1

  
Art. 221/3. [1 [3 Un recours auprès de la Cour des marchés siégeant comme en référé est ouvert à toute personne justifiant d'un intérêt contre les décisions de l'autorité de sécurité prises en application du présent Code ferroviaire.]3
   Un recours auprès de la [2 Cour des marchés]2 siégeant comme en référé est ouvert à toute personne justifiant d'un intérêt contre les décisions de l'organisme d'enquête prises en application de l'article 112.
   La [2 Cour des marchés]2 est saisie du fond du litige et dispose d'une compétence de pleine juridiction.]1

  
Art. 221/4. [1 Op straffe van onontvankelijkheid, die door het Hof van rechtswege kan worden uitgesproken, wordt het in het artikel 221/3 bedoelde beroep ingesteld binnen een termijn van een maand vanaf de kennisgeving van de beslissing of, voor de belanghebbende personen aan wie de beslissing niet diende te worden betekend, binnen een termijn van een maand vanaf het zich voordoen van het feit dat hun belang om tussen te komen aantoont.
   In afwijking van het eerste lid, wordt het beroep tegen de beslissing tot intrekking bedoeld in artikel 179/15, paragraaf 2, ingesteld binnen een termijn van twee maanden.
   Het Gerechtelijk Wetboek is van toepassing wat de procedure betreft, behalve indien de bepalingen van deze Spoorcodex ervan afwijken.
   Het beroep heeft geen schorsende werking, maar het Hof kan, ambtshalve of volgend op een behoorlijk gemotiveerd verzoek van een of andere partij in de inleidende dagvaarding, de schorsing van de bestreden beslissing bevelen.
   Het Hof doet uitspraak over het verzoek tot schorsing, uiterlijk binnen de tien dagen die volgen op de inleiding van de zaak, behoudens uitzonderlijke, door het Hof gemotiveerde, omstandigheden die verband houden met de eerbiediging van de rechten van verdediging.
   Uiterlijk op de dag van het neerleggen van haar eerste conclusies, deelt de veiligheidsinstantie aan de eisers en aan het Hof een kopie mee van het administratief dossier.
   In afwijking van het vierde lid, heeft het beroep tegen een beslissing bedoeld in artikel 74, paragraaf 1, 13°, en in artikel 111, paragraaf 1, 5°, een schorsende werking.]1

  
Art. 221/4. [1 Sous peine d'irrecevabilité pouvant être prononcée d'office par la Cour, le recours visé à l'article 221/3 est formé dans un délai d'un mois à partir de la notification de la décision ou, pour les personnes intéressées auxquelles la décision ne devait pas être notifiée, dans un délai d'un mois à dater de la survenance du fait qui justifie leur intérêt à agir.
   Par dérogation à l'alinéa 1er, lorsque le recours porte sur la décision de retrait visée à l'article 179/15, paragraphe 2, il est formé dans un délai de deux mois.
   Le Code judiciaire est d'application en ce qui concerne la procédure, sauf si les dispositions du présent Code ferroviaire y dérogent.
   Le recours n'a pas d'effet suspensif, mais la Cour peut ordonner, d'office ou à la demande de l'une ou l'autre partie dûment motivée dans la citation introductive d'instance, la suspension de la décision attaquée.
   La Cour statue sur la demande de suspension au plus tard dans les dix jours qui suivent l'introduction de la cause, sauf circonstances exceptionnelles, liées au respect des droits de la défense, motivées par la Cour.
   Au plus tard le jour du dépôt de ses premières conclusions, l'autorité de sécurité communique au demandeur et à la Cour une copie du dossier administratif.
   Par dérogation à l'alinéa 4, le recours contre une décision visée à l'article 74, paragraphe 1er, 13°, et à l'article 111, paragraphe 1er, 5°, a un effet suspensif.]1

  
Art. 221/5. [1 Wanneer met toepassing van artikel 221/3 bij het [2 Marktenhof]2 een beroep werd aanhangig gemaakt tot herziening van een beslissing van de veiligheidsinstantie waarbij deze haar weigering bevestigt om [3 het in de handel brengen]3 van een voertuig toe te laten, dan beslist dat hof, ambtshalve of op vraag van de partijen, binnen de tien dagen die volgen op de indiening van de zaak, of het al dan niet een advies aan het Bureau vraagt.]1
  
Art. 221/5. [1 Lorsque, en application de l'article 221/3, un recours, visant à obtenir la révision d'une décision de l'autorité de sécurité confirmant son refus d'autorisation de [3 mise sur le marché]3 d'un véhicule, a été introduit devant la [2 Cour des marchés]2, celle-ci décide, d'office ou à la demande des parties, au plus tard dans les dix jours qui suivent l'introduction de la cause, si elle demande ou non à l'Agence de rendre un avis.]1
  
TITEL 8. - Opheffings-, overgangs- en slotbepalingen
TITRE 8. - Dispositions abrogatoires, transitoires et finales
HOOFDSTUK 1. - Opheffingsbepalingen
CHAPITRE 1er. - Dispositions abrogatoires
Art. 222. Worden opgeheven :
  1° de wet van 4 december 2006 betreffende het gebruik van de spoorweginfrastructuur, laatst gewijzigd bij de wet van 2 december 2011;
  2° de wet van 19 december 2006 betreffende de exploitatieveiligheid van de spoorwegen, laatst gewijzigd bij de wet van 28 december 2011;
  3° de wet van 26 januari 2010 betreffende de interoperabiliteit van het spoorwegsysteem in de Europese Gemeenschap, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 13 november 2011 en bij de wet van 2 december 2011.
Art. 222. Sont abrogées :
  1° la loi du 4 décembre 2006 relative à l'utilisation de l'infrastructure ferroviaire, modifiée en dernier lieu par la loi du 2 décembre 2011;
  2° la loi du 19 décembre 2006 relative à la sécurité d'exploitation ferroviaire, modifiée en dernier lieu par la loi du 28 décembre 2011;
  3° la loi du 26 janvier 2010 relative à l'interopérabilité du système ferroviaire au sein de la Communauté européenne, modifiée par l'arrêté royal du 13 novembre 2011 et par la loi du 2 décembre 2011.
HOOFDSTUK 2. - Overgangsbepalingen
CHAPITRE 2. - Dispositions transitoires
Art. 223. De procedures die hangende zijn voor [1 de Belgische Mededingingsautoriteit]1, met inbegrip van alle beroepsmiddelen die ingeleid zouden kunnen worden tegen deze beslissingen, zullen voortgezet en afgesloten worden overeenkomstig de toepasselijke regels geldend vóór 2 februari 2007.
  
Art. 223. Les procédures pendantes devant [1 l'Autorité belge de la Concurrence]1, y compris les voies de recours qui pourraient être introduites contre ces décisions, seront poursuivies et clôturées conformément aux règles applicables avant le 2 février 2007.
  
Art. 225. [1 § 1. De veiligheidscertificaten die zijn afgeleverd overeenkomstig de Spoorcodex voor de inwerkingtreding van de wet van 20 januari 2021 tot wijziging van de Spoorcodex zijn geldig tot aan hun vervaldatum.
   De bepalingen van titel 3, hoofdstuk 6, afdeling 4, van titel 4, hoofdstuk 2, afdeling 4, hoofdstuk 3 en hoofdstuk 4, afdeling 2, hoofdstuk 6, afdeling 2/1, van titel 7, hoofdstukken 2 en 3, en de bijlage 5 van deze Codex, zoals deze van kracht waren vóór de inwerkingtreding van de wet van 20 januari 2021 tot wijziging van de Spoorcodex, blijven van toepassing op veiligheidscertificaten als bedoeld in het eerste lid, en dit, tot aan hun vervaldatum.
   § 2. De veiligheidsvergunningen die zijn afgeleverd overeenkomstig de Spoorcodex vóór de inwerkingtreding van de wet van 20 januari 2021 tot wijziging van de Spoorcodex zijn geldig tot aan hun vervaldatum.
   De bepalingen van titel 3, hoofdstuk 6, afdeling 4, van titel 4, hoofdstuk 2, afdeling 4, hoofdstuk 3 en hoofdstuk 4, afdeling 1, hoofdstuk 6, afdeling 2/1, van titel 7, hoofdstukken 2 en 3, en de bijlage 5 van deze Codex, zoals deze van kracht waren vóór de inwerkingtreding van de wet van 20 januari 2021 tot wijziging van de Spoorcodex, blijven van toepassing op veiligheidsvergunningen als bedoeld in het eerste lid, en dit, tot aan hun vervaldatum.]1

  
Art. 225. [1 § 1er. Les certificats de sécurité délivrés conformément au Code ferroviaire avant l'entrée en vigueur de la loi du 20 janvier 2021 modifiant le Code ferroviaire sont valables jusqu'à leur date d'expiration.
   Les dispositions du titre 3, chapitre 6, section 4, du titre 4, chapitre 2, section 4, chapitre 3 et chapitre 4, section 2, chapitre 6, section 2/1, du titre 7, chapitres 2 et 3, et de l'annexe 5 du présent Code, telles qu'elles étaient en vigueur avant l'entrée en vigueur de la loi du 20 janvier 2021 modifiant le Code ferroviaire, restent applicables aux certificats de sécurité visés à l'alinéa 1er, et ce, jusqu'à leur date d'expiration.
   § 2. Les agréments de sécurité délivrés conformément au Code ferroviaire avant l'entrée en vigueur de la loi du 20 janvier 2021 modifiant le Code ferroviaire sont valables jusqu'à leur date d'expiration.
   Les dispositions du titre 3, chapitre 6, section 4, du titre 4, chapitre 2, section 4, chapitre 3 et chapitre 4, section 1re, chapitre 6, section 2/1, du titre 7, chapitres 2 et 3, et de l'annexe 5 du présent Code, telles qu'elles étaient en vigueur avant l'entrée en vigueur de la loi du 20 janvier 2021 modifiant le Code ferroviaire, restent applicables aux agréments de sécurité visés à l'alinéa 1er, et ce, jusqu'à leur date d'expiration.]1

  
Art. 225/1. [1 Treinbestuurders die vóór 1 januari 2016 hun vergunning hebben behaald overeenkomstig deze Codex worden geacht aan de eisen van de bijlagen 8, punt 1.2, 10 en 12, punt 8 te voldoen, zoals deze van kracht waren na de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 20 oktober 2015 tot wijziging van de Spoorcodex.
   Treinbestuurders die na 1 januari 2016 en vóór de inwerkingtreding van de wet van 23 november 2017 tot wijziging van de wet van 30 augustus 2013 houdende de Spoorcodex hun vergunning hebben behaald overeenkomstig deze Codex, worden geacht aan de eisen van de bijlage 12, punt 8 te voldoen, zoals deze van kracht is sinds de inwerkingtreding van de wet van 23 november 2017 tot wijziging van de wet van 30 augustus 2013 houdende de Spoorcodex.]1

  
Art. 225/1. [1 Les conducteurs de train qui ont obtenu leur licence conformément au présent Code avant le 1er janvier 2016 sont considérés comme respectant les exigences contenues aux annexes 8, point 1.2, 10 et 12, point 8, telles qu'elles étaient en vigueur après l'entrée en vigueur de l'arrêté royal du 20 octobre 2015 modifiant le Code ferroviaire.
   Les conducteurs de train qui, ont obtenu leur licence conformément au présent Code après le 1er janvier 2016 et avant l'entrée en vigueur de la loi du 23 novembre 2017 modifiant la loi du 30 août 2013 portant le Code ferroviaire, sont considérés comme satisfaisant aux exigences de l'annexe 12, point 8, tel qu'elle est en vigueur depuis l'entrée en vigueur de la loi du 23 novembre 2017 modifiant la loi du 30 août 2013 portant le Code ferroviaire.]1

  
Art.225/2.[1 De Koning bepaalt, bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de toepassingsdatum:
   1° van de artikelen 68 en 70, § 3 zoals gewijzigd bij de wet van 23 juni 2020 tot wijziging van de wet van 30 augustus 2013 houdende de Spoorcodex en de wet van 20 januari 2021 tot wijziging van de wet van 30 augustus 2013 houdende de Spoorcodex;
   2° van de artikelen 69, 74, § 1, 8°, 94/1 en 94/2 zoals gewijzigd bij de wet van 20 januari 2021 tot wijziging van de wet van 30 augustus 2013 houdende de Spoorcodex;
   3° van artikel 216/3, § 1, 1° en 2° zoals gewijzigd bij de wet 23 juni 2020 tot wijziging van de wet van 30 augustus 2013 houdende de Spoorcodex.
   De infrastructuurgebruikers, de infrastructuurbeheerder, de aangewezen instanties, de Veiligheidsinstantie, en de entiteit door de Koning aangewezen overeenkomstig artikel 69, § 1, derde lid, voldoen aan de bepalingen bedoeld in het eerste lid op de datum vastgesteld door de Koning overeenkomstig het eerste lid.
   Met het oog op de toepassing van het tweede lid, blijven de artikelen 68, 69, 70, § 3, 74, § 1, punt 5°, 94/1 en 216/3, § 1, 1° en 2°, zoals zij van kracht waren vóór de inwerkingtreding van de wet van 23 juni 2020 tot wijziging van de wet van 30 augustus 2013 houdende de Spoorcodex, van toepassing tot en met de dag voorafgaand aan de datum vastgesteld overeenkomstig het eerste lid.]1

  
Art.225/2.[1 Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, la date d'entrée en application:
   1° des articles 68 et 70, § 3 tels que modifiés par la loi du 23 juin 2020 modifiant la loi du 30 août 2013 portant le Code ferroviaire et la loi du 20 janvier 2021 modifiant la loi du 30 août 2013 portant le Code ferroviaire;
   2° des articles 69, 74, § 1er, 8°, 94/1 et 94/2 tels que modifiés par la loi du 20 janvier 2021 modifiant la loi du 30 août 2013 portant le Code ferroviaire;
   3° de l'article 216/3, § 1er, 1° et 2°, tel que modifié par la loi du 23 juin 2020 modifiant la loi du 30 août 2013 portant le Code ferroviaire.
   Les utilisateurs de l'infrastructure, le gestionnaire de l'infrastructure, les organismes désignés, l'Autorité de sécurité et l'entité désignée par le Roi conformément à l'article 69, § 1er, alinéa 3 se mettent en conformité avec les dispositions visées à l'alinéa 1er, à la date déterminée par le Roi conformément à l'alinéa 1er.
   En vue de l'application de l'alinéa 2, les articles 68, 69, 70, § 3, 74, § 1er, 5°, 94/1, et 216/3, § 1er, 1° et 2° tels qu'ils étaient en vigueur avant l'entrée en vigueur de la loi du 23 juin 2020 modifiant la loi du 30 août 2013 portant le Code ferroviaire, continuent à s'appliquer jusqu'au jour précédant la date fixée conformément à l'alinéa 1er.]1

  
Art.225/3. [1 § 1. Toelatingen voor de indienststelling van voertuigen die zijn afgegeven op grond van de Spoorcodex voor de inwerkingtreding van de wet van 20 januari 2021 tot wijziging van de Spoorcodex, met inbegrip van toelatingen die in het kader van internationale overeenkomsten, met name het RIC (Regolamento Internazionale Carrozze) en het RIV (Regolamento Internazionale Veicoli), zijn verleend, blijven geldig overeenkomstig de voorwaarden waaronder de toelatingen zijn verleend.
   § 2. Voertuigen waarvoor een toelating voor indienststelling werd verleend overeenkomstig paragraaf 1 krijgen een nieuwe voertuigvergunning voor het in de handel brengen met het oog op de exploitatie op een of meer netwerken waarvoor hun toelating nog niet geldt.
   Op het in de handel brengen op deze bijkomende netwerken zijn de artikelen 179/4 tot 179/11 van toepassing.]1

  
Art.225/3. [1 § 1er. Les autorisations de mise en service de véhicules qui ont été accordées conformément au Code ferroviaire avant l'entrée en vigueur de la loi du 20 janvier 2021 modifiant le Code ferroviaire, y compris les autorisations délivrées en vertu d'accords internationaux, en particulier le RIC (Regolamento Internazionale Carrozze) et le RIV (Regolamento Internazionale Veicoli), demeurent valables conformément aux conditions auxquelles elles ont été accordées.
   § 2. Les véhicules ayant reçu une autorisation de mise en service en application du paragraphe 1er obtiennent une nouvelle autorisation de mise sur le marché d'un véhicule pour pouvoir être exploités sur un ou plusieurs réseaux qui ne sont pas encore couverts par leur autorisation.
   La mise sur le marché sur ces réseaux supplémentaires est soumise aux articles 179/4 à 179/11.]1

  
Art.225/4. [1 § 1. Bijlage 6 is van toepassing tot en met de datum waarop de in artikel 24, tweede lid, van de richtlijn 2016/798/EU bedoelde uitvoeringshandelingen in werking treden.
   Bijlage 22 is van toepassing tot en met de datum waarop de in artikel 7, paragraaf 5 van de richtlijn 2016/797/EU bedoelde uitvoeringshandeling in werking treedt.]1

  
Art.225/4. [1 § 1er. L'annexe 6 est applicable jusqu'à la date d'entrée en vigueur des actes d'exécution visés à l'article 24, alinéa 2 de la directive 2016/798/UE.
   L'annexe 22 est applicable jusqu'à la date d'entrée en vigueur de l'acte d'exécution visé à l'article 7, paragraphe 5, de la directive 2016/797/UE.]1

  
Art.225/5. [1 § 1. De mogelijkheden voorzien in de contracten die ondertekend zijn vóór 15 juni 2016, betreffende ERTMS-baanuitrusting zijn tot en met 16 juni 2031 niet onderworpen aan de voorafgaande vergunning van het Bureau als bedoeld in artikel 19 van de richtlijn 2016/797/EU, zelfs als zij worden uitgevoerd na 15 juni 2016.
   § 2. Vooraleer de indienststelling van ERTMS-baanuitrusting toe te laten die niet onderworpen werd aan de voorafgaande vergunning van het Bureau als bedoeld in artikel 19 van de richtlijn 2016/797/EU, werkt de veiligheidsinstantie samen met het Bureau om te verzekeren dat de technische oplossingen volledig interoperabel zijn, overeenkomstig artikel 30, paragraaf 3 en artikel 31, paragraaf 2, van de Verordening 2016/796/EU.]1

  
Art.225/5. [1 § 1er. Les options prévues dans les contrats signés avant le 15 juin 2016, concernant des projets relatifs aux équipements au sol ERTMS ne sont pas soumises à l'autorisation préalable de l'Agence visée à l'article 19 de la directive 2016/797/UE, jusqu'au 16 juin 2031, même si elles sont exercées après le 15 juin 2016.
   § 2. Avant d'autoriser la mise en service de tout équipement au sol ERTMS qui n'a pas été soumis à l'autorisation préalable de l'Agence visée à l'article 19 de la directive 2016/797/UE, l'autorité de sécurité coopère avec l'Agence pour garantir que les solutions techniques sont pleinement interopérables, conformément à l'article 30, paragraphe 3, et à l'article 31, paragraphe 2, du Règlement 2016/796/UE.]1

  
HOOFDSTUK 3. - Slotbepalingen
CHAPITRE 3. - Dispositions finales
Art. 226. De Koning kan de bepalingen van deze Spoorcodex coördineren met de bepalingen die daarin uitdrukkelijk of stilzwijgend wijzigingen hebben aangebracht tot aan het tijdstip van de coördinatie.
  Daartoe kan Hij :
  1° de volgorde en de nummering van de te coördineren bepalingen veranderen en, in het algemeen, de teksten naar de vorm wijzigen;
  2° de verwijzingen die voorkomen in de te coördineren bepalingen, veranderen om deze in overeenstemming te brengen met de nieuwe nummering;
  3° zonder afbreuk te doen aan de beginselen die in de te coördineren bepalingen vervat zijn, de redactie ervan wijzigen om ze onderling te doen overeenstemmen en eenheid in de terminologie te brengen.
  De coördinatie zal het volgende opschrift dragen : " Spoorcodex ".
  Ze treedt in werking op de dag van de bekrachtiging ervan bij de wet.
Art. 226. Le Roi peut coordonner les dispositions du présent Code ferroviaire et les dispositions qui l'auraient expressément ou implicitement modifiée au moment où la coordination sera établie.
  A cette fin, Il peut :
  1° modifier l'ordre, la numérotation et, en général, la présentation des dispositions à coordonner;
  2° modifier les références qui seraient contenues dans les dispositions à coordonner en vue de les mettre en concordance avec la numérotation nouvelle;
  3° modifier la rédaction des dispositions à coordonner en vue d'assurer leur concordance et d'en unifier la terminologie sans qu'il puisse être porté atteinte aux principes inscrits dans ces dispositions.
  La coordination portera l'intitulé suivant : " Code ferroviaire ".
  Elle entrera en vigueur à la date de sa confirmation par la loi.
Art. 227. De Koning bepaalt de datum van inwerkingtreding van deze Spoorcodex.
Art. 227. Le Roi fixe la date d'entrée en vigueur du présent Code ferroviaire.
(NOTE : Entrée en vigueur fixée au 01-01-2014 par AR 2013-12-08/14, art. 1, 1°)
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N1. Bijlage 1. - Aan de spoorwegondernemingen te verlenen diensten
  1. Het minimumtoegangspakket omvat :
  a) behandeling van aanvragen voor spoorweginfrastructuurcapaciteit;
  b) het recht gebruik te maken van de toegewezen capaciteit;
  c) gebruik van de spoorweginfrastructuur, inclusief de aansluitingen en wissels op het net;
  d) treinbeheer met inbegrip van seinen, regeling, treindienstleiding en de overdracht en levering van informatie over treinbewegingen;
  e) in voorkomend geval het gebruik van elektrische voedingsinstallaties ten behoeve van de tractie;
  f) alle andere informatie die nodig is om de dienst waarvoor capaciteit aangevraagd is, tot stand te brengen of te exploiteren.
  2. Er wordt toegang verleend, met inbegrip van toegang via het spoor, tot de hiernavolgende dienstvoorzieningen, indien deze bestaan, en tot de diensten verleend in die voorzieningen :
  a) passagiersstations, de gebouwen en andere voorzieningen daarvan, met inbegrip van de weergave van reisinformatie en passende locaties voor diensten in verband met kaartverkoop;
  b) vrachtterminals;
  c) rangeerstations en vormingsstations, met inbegrip van rangeervoorzieningen;
  d) remisestations;
  e) onderhoudsvoorzieningen, met uitzondering van dienstvoorzieningen voor groot onderhoud welke uitsluitend zijn bestemd voor hogesnelheidstreinen of andere typen rollend materieel waarvoor specifieke voorzieningen nodig zijn;
  f) andere technische voorzieningen, met inbegrip van schoonmaak- en wasvoorzieningen;
  g) met de spooractiviteiten verbonden zeehaven- en binnen haven voorzieningen;
  h) hulp- en ondersteuningsvoorzieningen;
  i) tankinstallaties en levering van brandstof in deze voorzieningen, waarbij de [1 retributies]1 voor het gebruik van de tankinstallaties op de factuur afzonderlijk van de heffingen voor de levering van brandstof tot uitdrukking komen.
  3. De aanvullende diensten kunnen omvatten :
  a) tractiestroom, waarvan de prijs op de factuur afzonderlijk van de vergoeding voor het gebruik van de elektrische voedingsinstallatie wordt vermeld, onverminderd de toepassing van de Richtlijn 2009/72/EG;
  b) voorverwarmen van passagierstreinen;
  c) speciaal opgestelde overeenkomsten voor :
  - de controle op het vervoer van gevaarlijke stoffen;
  - ondersteuning bij het laten rijden van speciale treinen.
  4. Ondersteunende diensten kunnen omvatten :
  a) toegang tot het telecommunicatienet;
  b) levering van aanvullende informatie;
  c) technische keuring van het rollende materieel;
  d) diensten in verband met kaartverkoop in passagiersstations;
  e) [2 diensten voor groot onderhoud die worden verleend in onderhoudsvoorzieningen welke zijn bestemd voor hogesnelheidstreinen of andere typen rollend materieel waarvoor specifieke voorzieningen nodig zijn]2.
  Gezien om gevoegd te worden bij de wet van 30 augustus 2013 houdende de Spoorcodex.
  
Art. N1. Annexe 1. - Services à fournir aux entreprises ferroviaires
  1. L'ensemble des prestations minimales comprend :
  a) le traitement des demandes de capacités de l'infrastructure ferroviaire;
  b) le droit d'utiliser les capacités accordées;
  c) l'utilisation de l'infrastructure ferroviaire, y compris les branchements et aiguilles du réseau;
  d) le contrôle de la circulation des trains, y compris la signalisation, la régulation, le dispatching, ainsi que la communication et la fourniture d'informations concernant la circulation des trains;
  e) l'utilisation du système d'alimentation électrique pour le courant de traction, le cas échéant;
  f) toute autre information nécessaire à la mise en oeuvre ou à l'exploitation du service pour lequel les capacités ont été accordées.
  2. L'accès, y compris l'accès aux voies, est fourni aux installations de service suivantes, lorsqu'elles existent, et aux services offerts dans ces installations :
  a) les gares de voyageurs, leurs bâtiments et les autres infrastructures, y compris l'affichage d'informations sur les voyages et les emplacements convenables prévus pour les services de billetterie;
  b) les terminaux de marchandises;
  c) les gares de triage et les gares de formation, y compris les gares de manoeuvre;
  d) les voies de garage;
  e) les installations d'entretien, à l'exception de celles affectées à des services de maintenance lourde et qui sont réservées aux trains à grande vitesse ou à d'autres types de matériel roulant nécessitant des installations spécifiques;
  f) les autres infrastructures techniques, y compris les installations de nettoyage et de lavage;
  g) les infrastructures portuaires maritimes et intérieures liées à des activités ferroviaires;
  h) les infrastructures d'assistance;
  i) les infrastructures de ravitaillement en combustible et la fourniture du combustible dans ces infrastructures, dont les redevances sont indiquées séparément sur les factures.
  3. Les prestations complémentaires peuvent comprendre :
  a) le courant de traction, dont les redevances seront séparées, sur les factures, des redevances d'utilisation du système d'alimentation électrique, sans préjudice de l'application de la Directive 2009/72/CE;
  b) le préchauffage [1 des trains de passagers]1;
  c) des contrats sur mesure pour :
  - le contrôle du transport de marchandises dangereuses;
  - l'assistance à la circulation de convois spéciaux.
  4. Les prestations connexes peuvent comprendre :
  a) l'accès au réseau de télécommunications;
  b) la fourniture d'informations complémentaires;
  c) le contrôle technique du matériel roulant;
  d) les services de billetterie dans les gares de voyageurs;
  e) les services de maintenance lourde fournis dans des installations d'entretien réservées aux trains à grande vitesse ou à d'autres types de matériel roulant nécessitant des installations spécifiques.
  Vu pour être annexé à la loi du 30 août 2013 portant le Code ferroviaire.
  
Art. N2. [1 Bijlage 2. - INHOUD VAN DE NETVERKLARING
   De in artikel 21 bedoelde netverklaring bevat de volgende informatie :
   1. Een hoofdstuk waarin de aard van de voor spoorwegondernemingen beschikbare infrastructuur en de voor toegang tot de spoorweginfrastructuur geldende voorwaarden worden beschreven. De informatie in dit deel dient jaarlijks in overeenstemming te worden gebracht met of te verwijzen naar de overeenkomstig artikel 211 te publiceren infrastructuurregisters.
   2. Een hoofdstuk waarin de heffingsbeginselen en de tarieven opgenomen zijn. Dit zal de nodige details over de heffingsregeling bevatten, alsmede voldoende informatie over gebruiksrechten en alle andere relevante informatie in verband met de toegang tot de in bijlage 1 genoemde diensten die door één leverancier worden verschaft. De voor de toepassing van artikel 23 en 49 tot 60/1 gebruikte methode, voorschriften en, indien van toepassing, schalen voor de bepaling van de kosten en heffingen worden nader omschreven. Voorts bevat dit gedeelte informatie over de reeds vastgestelde of de in de loop van de vijf volgende jaren verwachte wijzigingen van de gebruiksrechten, indien deze informatie beschikbaar is.
   3. Een hoofdstuk over de criteria en voorschriften voor capaciteitstoewijzing. Dit bevat de algemene kenmerken van de infrastructuurcapaciteit die voor spoorwegondernemingen beschikbaar is, en alle beperkingen met betrekking tot het gebruik daarvan, met inbegrip van vermoedelijke beperkingen in verband met onderhoud. In dit gedeelte worden tevens de procedures en termijnen met betrekking tot de capaciteitstoewijzing gepreciseerd. Verder zijn daarin specifieke criteria vervat die bij de capaciteitstoewijzing worden gehanteerd, zoals :
   a) de procedures volgens welke [2 kandidaten]2 bij de infrastructuurbeheerder capaciteit kunnen aanvragen;
   b) de bepalingen waaraan [2 kandidaten]2 moeten voldoen;
   c) de termijnen voor de aanvraag- en toewijzingsprocedures en de procedure die moet worden gevolgd om informatie te vragen over die termijnen, alsmede de procedure voor het programmeren van geplande en niet-geplande onderhoudswerkzaamheden;
   d) de beginselen met betrekking tot de coördinatieprocedure en de in dat kader beschikbare procedure voor de beslechting van geschillen;
   e) de procedures en criteria ingeval de beschikbare capaciteit overbelast is;
   f) bijzonderheden over de beperkingen inzake het gebruik van infrastructuur;
   g) de regels voor het eventueel in aanmerking nemen van vroegere capaciteitsbenuttingsniveaus om de prioriteiten tijdens de toewijzingsprocedure vast te stellen.
   In dit hoofdstuk wordt een nauwkeurige omschrijving gegeven van de maatregelen ter waarborging van een adequate behandeling van goederenvervoersdiensten, internationale diensten en aanvragen volgens de ad-hoc procedure. Het bevat een standaardformulier om capaciteit aan te vragen. De infrastructuurbeheerder publiceert eveneens gedetailleerde informatie over de toewijzingsprocedure voor internationale treinpaden.
   4. Een hoofdstuk over de informatie in verband met de aanvraag van de in artikel 13 van deze Richtlijn bedoelde vergunning en de overeenkomstig [3 richtlijn 2016/798/EU]3 afgegeven spoorweg [4 unieke veiligheidscertificaten]4, of het adres van een website waar die informatie kosteloos in elektronische vorm beschikbaar is.
   5. Een hoofdstuk met informatie over de geschillenbeslechtings- en beroepsprocedures in verband met de toegang tot de spoorweginfrastructuur en -diensten en de in artikel 23 bedoelde prestatieregeling.
   6. Een hoofdstuk met informatie over de toegang tot en de tarieven voor de in bijlage 1 bedoelde voorzieningen. De exploitanten van voorzieningen die niet onder de infrastructuurbeheerder ressorteren, stellen de infrastructuurbeheerder in kennis van de informatie over de tarieven voor de toegang tot de voorziening en de aangeboden diensten en van de informatie inzake de technische toegangsvoorwaarden die in de netverklaring moet worden opgenomen, of van het adres van een website waar die informatie kosteloos in elektronische vorm beschikbaar is.
   7. Een modelovereenkomst voor de sluiting van kaderovereenkomsten tussen een infrastructuurbeheerder en een [2 kandidaat]2 overeenkomstig artikel 24.]1

  
Art. N2. [1 Annexe 2. - CONTENU DU DOCUMENT DE REFERENCE DU RESEAU
   Le document de référence du réseau visé à l'article 21 contient les informations suivantes:
   1. Un chapitre exposant la nature de l'infrastructure qui est mise à la disposition des entreprises ferroviaires et les conditions d'accès à cette infrastructure. Il est fait en sorte que les informations figurant dans ce chapitre concordent, sur une base annuelle, avec les registres d'infrastructures ferroviaires à publier conformément à l'article 211, ou y fassent référence.
   2. Un chapitre relatif aux principes de tarification et aux tarifs. Ce chapitre contient des précisions appropriées concernant le système de tarification ainsi que des informations suffisantes sur les redevances et d'autres informations utiles relatives à l'accès applicables aux services énumérés à l'annexe 1re qui sont offerts par un seul fournisseur. Il décrit en détail la méthode, les règles et, le cas échéant, les barèmes utilisés pour appliquer les articles 23 et 49 à 60/1 en ce qui concerne les coûts et les redevances. Il contient, lorsqu'elles sont disponibles, des informations concernant les modifications de redevances déjà décidées ou prévues au cours des cinq prochaines années.
   3. Un chapitre sur les principes et les critères de répartition des capacités. Ce chapitre expose les grandes caractéristiques des capacités de l'infrastructure mise à la disposition des entreprises ferroviaires et précise les restrictions éventuelles qui en limitent l'utilisation, et notamment les contraintes probables imposées par l'entretien du réseau. Il précise également les procédures et délais relatifs à la répartition des capacités. Il contient les critères spécifiques applicables à cette répartition, et notamment:
   a) les procédures d'introduction des demandes de capacités auprès du gestionnaire de l'infrastructure par les candidats;
   b) les exigences auxquelles les candidats doivent satisfaire;
   c) les délais applicables aux procédures de demande et de répartition, les procédures à suivre pour demander des informations sur la programmation et les procédures de programmation des travaux d'entretien prévus et imprévus;
   d) les principes régissant le processus de coordination et le système de règlement des litiges mis à disposition dans le cadre de ce processus;
   e) les procédures à suivre et les critères à appliquer lorsque l'infrastructure est saturée;
   f) des détails sur les restrictions imposées à l'utilisation des infrastructures;
   g) les règles concernant la prise en compte des niveaux antérieurs d'utilisation des capacités pour déterminer les priorités lors du processus de répartition.
   Ce chapitre détaille les mesures prises pour assurer un traitement adéquat des services de fret, des services internationaux et des demandes soumises à la procédure ad hoc. Il contient un modèle de formulaire pour les demandes de capacité. Le gestionnaire de l'infrastructure publie également des informations détaillées sur les procédures d'allocation des sillons internationaux.
   4. Un chapitre contenant des informations sur la demande de licence visée à l'article 13 et sur les [3 certificats de sécurité unique]3 ferroviaire délivrés conformément à la [2 directive 2016/798/UE]2 ou indiquant un site internet où ces informations sont mises gratuitement à disposition sous forme électronique.
   5. Un chapitre contenant des informations sur les procédures de règlement des litiges et de recours concernant des questions d'accès à l'infrastructure et aux services ferroviaires et le système d'amélioration des performances visé à l'article 23.
   6. Un chapitre contenant des informations sur l'accès aux installations de service visées à l'annexe 1re et la tarification de leur utilisation. Les exploitants d'installations de service qui ne se trouvent pas sous le contrôle du gestionnaire de l'infrastructure fournissent des informations sur les tarifs pratiqués pour l'accès à l'installation et pour la prestation de services ainsi que des informations sur les conditions techniques d'accès, à inclure dans le document de référence du réseau, ou indiquent un site internet où ces informations sont mises gratuitement à disposition sous forme électronique.
   7. Un modèle d'accord pour la conclusion d'accords-cadres entre un gestionnaire de l'infrastructure et un candidat conformément à l'article 24.]1

  
Art. N4. [1 BIJLAGE 4 - GEMEENSCHAPPELIJKE VEILIGHEIDSINDICATOREN
   Deze bijlage stelt de gemeenschappelijke veiligheidsindicatoren (GVI's) vast die dienen opgenomen te zijn in het verslag dat de veiligheidsinstantie publiceert en meedeelt aan het Bureau overeenkomstig artikel 78.
   Als er na de indiening van het verslag nieuwe feiten of fouten aan het licht komen, worden de indicatoren voor een bepaald jaar bij de eerste passende gelegenheid en uiterlijk in het volgende jaarverslag door de nationale veiligheidsinstantie gewijzigd of verbeterd.
   In het aanhangsel staan gemeenschappelijke definities voor GVI's en methoden voor de berekening van de economische gevolgen van ongevallen.
   1. Indicatoren met betrekking tot ongevallen
   1.1. Het totale en relatieve (ten opzichte van het aantal afgelegde treinkilometers) aantal ongevallen en uitsplitsing naar de volgende soorten ongevallen:
   - botsing tussen een trein en een spoorvoertuig;
   - botsing van een trein met een obstakel binnen het vrijeruimteprofiel;
   - ontsporing van een trein;
   - ongeval op een overweg, inclusief ongeval met voetgangers op een overweg, en verdere uitsplitsing naar de vijf soorten overwegen gedefinieerd in punt 6.2;
   - ongeval met personen waarbij rollend materieel in rijdende toestand betrokken is, met uitzondering van zelfmoorden en zelfmoordpogingen;
   - brand in rollend materieel;
   - andere.
   Ieder significant ongeval wordt gemeld onder het type van het primaire ongeval, ook al zijn de gevolgen van het secundaire ongeval ernstiger (bijvoorbeeld brand na een ontsporing).
   1.2. Het totale en relatieve (ten opzichte van het aantal afgelegde treinkilometers) aantal personen dat per soort ongeval zwaargewond is geraakt of is omgekomen, met onderverdeling in de volgende categorieën:
   - reiziger (ook in verhouding tot het totale aantal reizigerskilometers en reizigerstreinkilometers);
   - werknemer of contractant;
   - gebruiker van overwegen;
   - indringer;
   - andere persoon op een perron;
   - andere persoon niet op een perron.
   2. Indicatoren met betrekking tot gevaarlijke goederen
   Het totale en relatieve (ten opzichte van het aantal afgelegde treinkilometers) aantal ongevallen in verband met het vervoer van gevaarlijke goederen per spoor, met onderverdeling in de volgende categorieën:
   - ongeval waarbij ten minste één spoorvoertuig is betrokken dat gevaarlijke goederen vervoert, zoals gedefinieerd in het aanhangsel;
   - aantal dergelijke ongevallen waarbij gevaarlijke goederen vrijkomen.
   3. Indicatoren met betrekking tot zelfmoorden
   Het totale en relatieve (ten opzichte van het aantal afgelegde treinkilometers) aantal zelfmoorden en zelfmoordpogingen.
   4. Indicatoren met betrekking tot voorlopers van ongevallen
   Het totale en relatieve (ten opzichte van het aantal afgelegde treinkilometers) aantal voorlopers van ongevallen en uitsplitsing naar de volgende soorten voorlopers:
   - gebroken rails;
   - knik of andere afwijking in het spoor;
   - foutieve seingeving;
   - ongeoorloofd voorbijrijden van een stoptonend sein waarbij een gevaarpunt wordt overschreden;
   - ongeoorloofd voorbijrijden van een stoptonend sein waarbij een gevaarpunt niet wordt overschreden;
   - gebroken wiel van operationeel rollend materieel;
   - gebroken as van operationeel rollend materieel.
   Alle voorlopers moeten worden gemeld, ongeacht of ze wel of niet een ongeval tot gevolg hadden. (Een voorloper die een significant ongeval tot gevolg had, wordt ook gemeld onder de indicatoren met betrekking tot voorlopers van ongevallen; een voorloper die geen significant ongeval tot gevolg had, wordt alleen gemeld onder de indicatoren met betrekking tot voorlopers van ongevallen).
   5. Indicatoren voor de berekening van de economische gevolgen van ongevallen
   Het/de totale in euro en relatieve (ten opzichte van het aantal afgelegde treinkilometers):
   - aantal doden en ernstig gewonden, vermenigvuldigd met de waarde van het voorkomen van een dodelijk ongeval of ongeval met ernstig gewonden (Value of Preventing a Casualty, VPC);
   - kosten van milieuschade;
   - kosten van materiële schade aan rollend materieel of infrastructuur;
   - kosten van vertragingen als gevolg van ongevallen.
   De veiligheidsinstantie vermeldt de economische gevolgen van significante ongevallen in het jaarverslag bedoeld in artikel 78.
   De VPC is de waarde die de samenleving toekent aan het voorkomen van een dodelijk ongeval of ongeval met ernstig gewonden en vormt als zodanig geen referentie voor schadevergoeding tussen bij ongevallen betrokken partijen.
   6. Indicatoren met betrekking tot de technische veiligheid van de infrastructuur en de invoering daarvan
   6.1. Het percentage sporen met treinbeveiligingssystemen (Train Protection Systems, TPS's) in werking en het percentage treinkilometers waarbij TPS aan boord wordt gebruikt, voor zover deze systemen zorgen voor:
   - waarschuwing;
   - waarschuwing en automatische stop;
   - waarschuwing, automatische stop en plaatsgerelateerde controle op de snelheid;
   - waarschuwing, automatische stop en continue controle op de snelheid.
   6.2. Het aantal overwegen (totaal, per kilometer lijn en per kilometer spoor) uitgesplitst naar de volgende vijf soorten overwegen:
   a) overweg met passieve signalisatie;
   b) overweg met actieve signalisatie:
   i) manueel,
   ii) automatisch, met waarschuwing voor weggebruikers,
   iii) automatisch, met bescherming voor weggebruikers,
   iv) bescherming zijde spoor.
   Aanhangsel
   Gemeenschappelijke definities voor GVI's en methoden voor de berekening van de economische gevolgen van ongevallen
   1. Indicatoren met betrekking tot ongevallen
   1.1. "Significant ongeval": elk ongeval met ten minste één bewegend spoorvoertuig waarbij ten minste één persoon om het leven is gekomen of zwaargewond is geraakt, of dat schade van betekenis aan het materieel, de sporen, andere installaties of het milieu dan wel een ernstige ontregeling van het verkeer heeft veroorzaakt, met uitzondering van ongevallen in werkplaatsen, magazijnen en opslagruimtes.
   1.2. "Schade van betekenis aan het materieel, de sporen, andere installaties of het milieu": schade voor een bedrag van 150 000 EUR of meer.
   1.3. "Ernstige ontregeling van het verkeer": de treindiensten op een hoofdspoorlijn worden gedurende zes uur of langer onderbroken.
   1.4. "Trein": één of meer spoorvoertuigen getrokken door één of meer locomotieven of motorrijtuigen, of één motorrijtuig alleen, die/dat onder een bepaald nummer of een specifieke benaming van een vast beginpunt naar een vast eindpunt rijdt/rijden, met inbegrip van een losse locomotief, m.a.w. een locomotief die alleen rijdt.
   1.5. "Botsing tussen een trein en een spoorvoertuig": een frontale botsing, een kopstaartbotsing of een zijdelingse botsing tussen een deel van een trein en een deel van een andere trein of een ander spoorvoertuig of rangerend rollend materieel.
   1.6. "Botsing van een trein met een obstakel binnen het profiel van vrije ruimte" : een botsing tussen een deel van een trein met vaste of tijdelijk aanwezige objecten op of in de nabijheid van het spoor (behalve door voertuigen of gebruikers op overwegen verloren voorwerpen), met inbegrip van aanrijdingen met bovenleidingen.
   1.7. "Ontsporing van een trein": alle gevallen waarbij ten minste één wiel van een trein uit de rails loopt.
   1.8. "Ongeval op overwegen": elk ongeval op een overweg waarbij ten minste één spoorvoertuig en één of meer overstekende voertuigen, andere overstekende gebruikers, zoals voetgangers, of andere tijdelijk op of nabij het spoor aanwezige voorwerpen, ingeval zij door een overstekend voertuig of een overstekende gebruiker verloren zijn, betrokken zijn.
   1.9. "Ongevallen met personen waarbij rollend materieel in rijdende toestand betrokken is": ongevallen van één of meer personen die door een spoorvoertuig of een aan het spoorvoertuig vastzittend of daarvan losgeraakt voorwerp worden geraakt; dit omvat personen die van spoorvoertuigen vallen en personen die vallen of door losse voorwerpen worden geraakt wanneer zij aan boord van spoorvoertuigen reizen.
   1.10. "Brand in rollend materieel": een brand of explosie die zich tijdens de rit tussen het station van vertrek en de eindbestemming voordoet in spoorvoertuigen (met inbegrip van de lading), ook wanneer de voertuigen stilstaan in het station van vertrek, op de eindbestemming of aan tussenliggende haltes, alsmede tijdens rangeeractiviteiten.
   1.11. "Overige (ongevallen)": elk ander ongeval dan een botsing van een trein met een spoorvoertuig, een botsing van een trein met een obstakel binnen het profiel van vrije ruimte, een ontsporing van een trein, een ongeval op een overweg, een persoonlijk ongeval met rollend materieel in rijdende toestand of een brand in rollend materieel.
   1.12. "Reiziger": elke persoon, met uitzondering van het treinpersoneel, die een reis per spoor maakt, met inbegrip van een reiziger die aan of van boord van een bewegende trein tracht te gaan, uitsluitend voor ongevallenstatistieken.
   1.13. "Werknemer of contractant": elke persoon van wie het werk verband houdt met een spoorweg en die aan het werk is ten tijde van het ongeval, inclusief het personeel van contractanten, zelfstandige contractanten, treinpersoneel en personen die met rollend materieel en infrastructuurinstallaties werken.
   1.14. "Gebruiker van een overweg": elke persoon die te voet of met een vervoermiddel gebruik maakt van een overweg om de sporen over te steken.
   1.15. "Indringer": elke persoon die zich op spoorwegterreinen bevindt terwijl dat verboden is, met uitzondering van gebruikers van overwegen.
   1.16. "Andere persoon op een perron": elke zich op een spoorwegperron bevindend persoon die niet onder de definitie van "reiziger", "werknemer of contractant", "gebruiker van een overweg", "andere persoon niet op een perron" of "indringer" valt.
   1.17. "Andere persoon niet op een perron": elke zich niet op een spoorwegperron bevindend persoon die niet onder de definitie van "reiziger", "werknemer of contractant", "gebruiker van een overweg", "andere persoon op een perron" of "indringer" valt.
   1.18. "Dood (dodelijk slachtoffer)": elke persoon die bij een ongeval om het leven is gekomen of binnen 30 dagen daarna aan de gevolgen ervan overlijdt, met uitzondering van personen die zelfmoord hebben gepleegd.
   1.19. "Zwaargewond (zwaargewonde persoon)": elke persoon die bij een ongeval gewond is geraakt en langer dan vierentwintig uur in het ziekenhuis werd opgenomen ten gevolge van het ongeval, met uitzondering van personen die een poging tot zelfmoord hebben ondernomen.
   2. Indicatoren met betrekking tot gevaarlijke goederen
   2.1. "Ongeval bij het vervoer van gevaarlijke goederen": elk ongeval of incident dat moet worden gemeld overeenkomstig punt 1.8.5 van de RID /ADR-voorschriften.
   2.2. "Gevaarlijke goederen": stoffen en artikelen waarvan het vervoer bij het RID is verboden, of alleen onder daarin vermelde voorwaarden is toegestaan.
   3. Indicatoren met betrekking tot zelfmoorden
   3.1. "Zelfmoord": daad van opzettelijke zelfverwonding met de dood tot gevolg, zoals door de bevoegde nationale instantie geregistreerd en gekwalificeerd.
   3.2. "Poging tot zelfmoord": daad van opzettelijke zelfverwonding met ernstig letsel tot gevolg.
   4. Indicatoren met betrekking tot voorlopers van ongevallen
   4.1. "Gebroken rail": een rail die in twee of meer stukken is gebroken of waarvan een stuk metaal is afgebroken, waardoor een gat van meer dan 50 mm lengte en meer dan 10 mm diepte in het loopvlak van het spoor is ontstaan.
   4.2. "Knik of andere afwijking in het spoor": elke storing die verband houdt met de continuïteit en de geometrie van het spoor, waardoor het spoor buiten bedrijf moet worden gesteld of de toegestane snelheid onmiddellijk moet worden beperkt.
   4.3. "Foutieve seingeving": technische storingen van het seinsysteem (van de infrastructuur of van het rollend materieel), die tot gevolg hebben dat de seininformatie minder restrictief is dan vereist.
   4.4. "Ongeoorloofd voorbijrijden van een stoptonend sein waarbij een gevaarpunt wordt overschreden": iedere keer dat een deel van een trein verder rijdt dan toegestaan en het gevaarpunt overschrijdt.
   4.5. "Ongeoorloofd voorbijrijden van een stoptonend sein waarbij een gevaarpunt niet wordt overschreden": iedere keer dat een deel van een trein verder rijdt dan toegestaan maar het gevaarpunt niet overschrijdt.
   Onder "verder rijden dan toegestaan", zoals vermeld in de bovenstaande punten 4.4 en 4.5, wordt verstaan dat de trein verder rijdt dan:
   - een naast het spoor gelegen sein of seinpaal met gekleurde lichten op een gevaarpunt, of een STOP-teken in gevallen waarin geen automatisch beveiligingssysteem voor treinen (TPS) operationeel is;
   - het einde van een veiligheidsgerelateerd toegestaan eindpunt van een TPS;
   - een in de voorschriften vastgesteld punt dat mondeling of schriftelijk is meegedeeld;
   - stopborden (behalve spoorbuffers) of mobiele seinen.
   Gevallen waarin voertuigen zonder aangekoppelde tractie-eenheid of onbeheerde treinen voorbij een stoptonend sein rijden, worden niet meegeteld. Gevallen waarbij het sein om welke reden dan ook niet tijdig op onveilig is gezet om de machinist in staat te stellen de trein voor het sein te stoppen, worden niet meegeteld.
   De veiligheidsinstantie mag afzonderlijk verslag uitbrengen over de bovenvermelde vier aanwijzingen van niet-toegestane verplaatsing en moet ten minste een geaggregeerde indicator meedelen met gegevens over aanwijzingen voor de vier gevallen samen.
   4.6. "Gebroken wiel van rollend materieel in dienst": een breuk die gevolgen heeft voor het wiel en een risico op een ongeval (ontsporing of botsing) doet ontstaan.
   4.7. "Gebroken as van rollend materieel in dienst": een breuk die gevolgen heeft voor de as en een risico op een ongeval (ontsporing of botsing) doet ontstaan.
   5. Gemeenschappelijke methoden voor de berekening van de economische gevolgen van ongevallen
   5.1. De waarde van het voorkomen van een dodelijk ongeval of ongeval met ernstig gewonden (VPC) bestaat uit:
   1) de waarde van de veiligheid op zich: waarden ten aanzien van de bereidheid te betalen (Willingness to Pay, WTP), gebaseerd op "uitgedrukte voorkeur"-onderzoeken die zijn uitgevoerd in België waarvoor zij worden toegepast;
   2) directe en indirecte economische kosten: kosten die worden geraamd in België en die bestaan uit:
   - medische kosten en kosten voor revalidatie,
   - proceskosten, kosten voor politie, particuliere ongevalsonderzoeken, nooddiensten en administratieve kosten van de verzekering,
   - productieverlies: waarde voor de samenleving van de goederen en diensten die door de persoon hadden kunnen worden geproduceerd als het ongeval niet had plaatsgevonden.
   Bij de berekening van de kosten die slachtoffers veroorzaken, worden doden en ernstig gewonden afzonderlijk beoordeeld (verschillende VPC voor doden en ernstig gewonden).
   5.2. Gemeenschappelijke beginselen om de waarde van de veiligheid op zich en directe en/of indirecte economische kosten te ramen:
   Voor de waarde van de veiligheid op zich wordt de beoordeling van de vraag of de beschikbare ramingen al dan niet passend zijn, op de volgende overwegingen gebaseerd:
   - de ramingen moeten samenhangen met een systeem voor de raming van de vermindering van het mortaliteitsrisico in de transportsector en een WTP-benadering, naargelang van de "uitgedrukte voorkeur"-methoden;
   - de steekproef van respondenten die voor de waarden wordt gebruikt, moet representatief zijn voor de betrokken populatie. De steekproef moet met name de verdeling naar leeftijd, inkomen en andere relevante sociaaleconomische en/of demografische kenmerken van de populatie weerspiegelen;
   - methode voor het verkrijgen van de WTP-waarden: de enquête moet zo zijn opgesteld dat de vragen duidelijk en zinvol zijn voor de respondenten.
   Directe en indirecte economische kosten worden geraamd op basis van de werkelijke door de samenleving gedragen kosten.
   5.3. Definities
   5.3.1. "Kosten van milieuschade": de kosten die door de spoorwegondernemingen en infrastructuurbeheerders moeten worden gedragen, geraamd op basis van hun ervaring, om het beschadigde gebied te herstellen in de staat van vóór het spoorwegongeval.
   5.3.2. "Kosten van materiële schade aan rollend materieel of infrastructuur": de kosten van nieuw rollend materieel of nieuwe infrastructuur, met dezelfde functies en technische parameters als het materieel of de infrastructuur die onherstelbaar zijn beschadigd en de kosten voor het herstel van het rollend materieel of de infrastructuur die kunnen worden hersteld in de staat van vóór het ongeval, geraamd door spoorwegondernemingen en infrastructuurbeheerders op basis van hun ervaring, waaronder ook de kosten in verband met de huur van rollend materieel als gevolg van de niet-beschikbaarheid van beschadigde voertuigen.
   5.3.3. "Kosten van vertragingen als gevolg van ongevallen": de geldwaarde van vertragingen die gebruikers van spoorvervoer (reizigers en vrachtklanten) ondervinden als gevolg van ongevallen, berekend volgens het onderstaande model:
   VT = geldwaarde van reistijdbesparingen
   Waarde van tijd voor een treinreiziger (een uur)
   VTP = [VT van voor het werk reizende reizigers] * [gemiddeld percentage voor het werk reizende reizigers per jaar] + [VT van niet voor het werk reizende reizigers] * [gemiddeld percentage niet voor het werk reizende reizigers]
   VTP wordt gemeten in EUR per reiziger per uur.
   Een "voor het werk reizende reiziger" is een reiziger die reist in verband met zijn beroepsactiviteiten, met uitzondering van woon-werkverkeer.
   Waarde van tijd voor een goederentrein (een uur)
   VTF = [VT van goederentreinen] * [(ton-km)/(trein-km)]
   VTF wordt gemeten in EUR per ton goederen per uur.
   Gemiddeld aantal tonnen goederen die in één jaar per trein worden vervoerd = (ton-km)/(trein-km)
   CM = kosten van 1 minuut vertraging van een trein
   Reizigerstrein
   CMP = K1*(VTP/60) * [(reizigers-km)/(trein-km)]
   Gemiddeld aantal reizigers dat in één jaar per trein wordt vervoerd = (reizigers-km)/(trein-km)
   Goederentrein
   CMF = K2 * (VTF/60)
   De factoren K1 en K2 liggen tussen de waarde van tijd en de waarde van vertraging, zoals geraamd door middel van de "uitgedrukte voorkeur"-onderzoeken, om rekening te houden met het feit dat de als gevolg van vertragingen verloren tijd als aanzienlijk negatiever wordt ervaren dan normale reistijd.
   Kosten van vertragingen als gevolg van een ongeval = CMP * (minuten vertraging van reizigerstreinen) + CMF * (minuten vertraging van goederentreinen)
   Reikwijdte van het model
   De kosten van vertragingen moeten voor significante ongevallen worden berekend op de volgende wijze:
   - werkelijke vertragingen op de spoorlijnen waar de ongevallen hebben plaatsgevonden, gemeten op het eindstation;
   - werkelijke vertragingen of, indien dat niet mogelijk is, geraamde vertragingen op de andere getroffen lijnen.
   6. Indicatoren met betrekking tot de technische veiligheid van de infrastructuur en de invoering daarvan
   6.1. "Beveiligingssysteem voor treinen" (Train Protection System, TPS): een systeem dat ertoe bijdraagt dat seinen en snelheidsbeperkingen worden nageleefd.
   6.2. "Boordsystemen": systemen die de treinbestuurder helpen om de seingeving langs het spoor en in de cabine na te leven en dus zorgen voor bescherming aan gevaarpunten en handhaving van snelheidsbeperkingen. Boord-TPS's worden als volgt beschreven:
   a) waarschuwing, automatische waarschuwing aan de bestuurder;
   b) waarschuwing en automatische stop, automatische waarschuwing aan de bestuurder en automatische stop bij het voorbijrijden van een stoptonend sein;
   c) waarschuwing en automatische stop en plaatsgerelateerde controle op de snelheid, waarbij bescherming wordt geboden aan gevaarpunten; onder "plaatsgerelateerde controle op de snelheid" wordt verstaan dat op bepaalde plaatsen (snelheidsvallen), bij het naderen van een sein, controle wordt gehouden op de snelheid;
   d) waarschuwing en automatische stop en continue controle op de snelheid, waarbij bescherming wordt geboden aan gevaarpunten en continu controle wordt gehouden op de naleving van de snelheidsbeperkingen op de lijn; onder "continue controle op de snelheid" wordt verstaan dat de toegestane maximumsnelheid op alle delen van de lijn permanent wordt aangegeven en gehandhaafd.
   Type d) wordt beschouwd als een automatisch beveiligingssysteem voor treinen (Automatic Train Protection, ATP).
   6.3."Overweg": gelijkvloerse kruising tussen een weg of doorgang en een spoorweg, erkend door de infrastructuurbeheerder en toegankelijk voor openbare of particuliere gebruikers. Doorgangen tussen perrons in een station vallen hier niet onder, evenmin als doorgangen over sporen die uitsluitend bestemd zijn voor gebruik door werknemers.
   6.4. "Weg": met het oog op het opstellen van statistieken over spoorwegongevallen, openbare of particuliere weg, straat of snelweg, met inbegrip van aangrenzende voet- en fietspaden.
   6.5. "Doorgang": elke route, behalve wegen, voor de doorgang van personen, dieren, voertuigen of machines.
   6.6. "Overweg met passieve signalisatie": een overweg zonder enige vorm van waarschuwings- of beschermingssysteem dat wordt geactiveerd wanneer het onveilig is voor de gebruiker om de overweg over te steken.
   6.7. "Overweg met actieve signalisatie": een overweg waar de overstekende gebruikers worden beschermd tegen of gewaarschuwd voor de naderende trein door de activering van inrichtingen wanneer het voor de gebruiker onveilig is de overweg over te steken.
   - Bescherming door middel van fysieke inrichtingen:
   - halve of dubbele slagbomen;
   - hekken.
   - Waarschuwing bij het gebruik van vaste apparatuur bij overwegen:
   - zichtbare apparatuur: lichten;
   - auditieve apparatuur: bellen, hoorns, claxons enz.
   Overwegen met actieve signalisatieoverweg worden als volgt ingedeeld:
   a) manueel: een overweg waar de bescherming of waarschuwing voor de weggebruikers manueel wordt geactiveerd door een spoorwegwerknemer;
   b) automatisch, met waarschuwing voor de weggebruikers: een overweg waar een waarschuwing voor de weggebruikers wordt geactiveerd door de naderende trein;
   c) automatisch, met bescherming voor de weggebruikers: een overweg waar een vorm van bescherming voor de weggebruikers wordt geactiveerd door de naderende trein. Dit omvat ook overwegen met zowel beschermings- als waarschuwingssystemen voor de weggebruikers;
   d) bescherming zijde spoor: een overweg waar een sein of ander treinbeschermingssysteem een trein de toelating geeft door te rijden zodra de overweg volledig is afgeschermd voor de gebruikers en niet meer wordt overschreden.
   7. Definities van de meeteenheden
   7.1. "Trein-kilometer": meeteenheid die de verplaatsing van een trein over een afstand van één kilometer weergeeft. Deze afstand is de werkelijk gereden afstand, indien beschikbaar; zo niet wordt de standaardnetwerkafstand tussen begin- en eindpunt gebruikt. Alleen de afstand op het grondgebied van het rapporterende land wordt in aanmerking genomen.
   7.2. "Reizigers-kilometer": meeteenheid voor het vervoer van een reiziger per spoor over een afstand van één kilometer. Alleen de afstand op het grondgebied van het rapporterende land wordt in aanmerking genomen.
   7.3."Kilometer lijn": de lengte, gemeten in kilometers, van het spoorwegnetwerk van lidstaten, waarvan het toepassingsgebied in artikel 2 van richtlijn 2016/797/EU is vastgesteld. Voor meersporige spoorlijnen wordt alleen de afstand tussen begin- en eindpunt geteld.
   7.4."Kilometer spoor": de lengte, gemeten in kilometers, van het spoorwegnetwerk van lidstaten, waarvan het toepassingsgebied in artikel 2 van richtlijn 2016/797/EU is vastgesteld. Elk spoor van een meersporige spoorlijn wordt geteld.]1

  
Art. N4. [1 ANNEXE 4 - INDICATEURS DE SECURITE COMMUNS
   La présente annexe détermine les indicateurs de sécurité communs (ISC) qui doivent figurer dans le rapport que l'autorité de sécurité publie et communique à l'Agence conformément à l'article 78.
   Si de nouveaux faits ou des erreurs sont découverts après la présentation du rapport, l'autorité de sécurité modifie ou corrige les indicateurs relatifs à une année déterminée à la première occasion et au plus tard dans le rapport annuel suivant.
   Les définitions communes des ISC et les méthodes communes de calcul de l'impact économique des accidents figurent dans l'appendice.
   1. Indicateurs relatifs aux accidents
   1.1.Nombre total et relatif (par train-kilomètre) d'accidents significatifs et ventilation selon les types d'accident suivants:
   - collision de train avec un véhicule ferroviaire,
   - collision de train avec un obstacle à l'intérieur du gabarit,
   - déraillement de train,
   - accident à un passage à niveau, y compris un accident impliquant des piétons à un passage à niveau, et une nouvelle ventilation pour les cinq types de passages à niveau définis au point 6.2,
   - accident de personnes impliquant du matériel roulant en mouvement, à l'exception des suicides et des tentatives de suicide,
   - incendie dans le matériel roulant,
   - autre.
   Chaque accident significatif est signalé selon le type d'accident primaire, même si les conséquences de l'accident secondaire sont plus graves (par exemple un déraillement suivi d'un incendie).
   1.2. Nombre total et relatif (par train-kilomètre) de personnes grièvement blessées et de personnes tuées par type d'accident, les catégories étant les suivantes:
   - voyageur (également relatif au nombre total de voyageurs-kilomètres et de trains de voyageurs-kilomètres),
   - membre du personnel ou contractant,
   - usager des passages à niveau,
   - intrus,
   - autre personne sur un quai,
   - autre personne qui n'est pas sur un quai.
   2. Indicateurs relatifs aux marchandises dangereuses
   Nombre total et relatif (par train-kilomètre) d'accidents lors du transport ferroviaire de marchandises dangereuses, les catégories étant les suivantes:
   - accident mettant en cause au moins un véhicule ferroviaire transportant des marchandises dangereuses, telles que définies dans l'appendice,
   - nombre d'accidents de ce type entraînant la perte de marchandises dangereuses.
   3. Indicateurs relatifs aux suicides
   Nombre total et relatif (par train-kilomètre) de suicides et de tentatives de suicide.
   4. Indicateurs relatifs aux précurseurs d'accidents
   Nombre total et relatif (par train-kilomètre) de précurseurs d'accidents et ventilation selon les types de précurseurs suivants:
   - rupture de rail,
   - gauchissement de la voie et autre défaut d'alignement des rails,
   - panne de signalisation contraire à la sécurité,
   - signal fermé franchi sans autorisation lors d'un passage par un point à risque,
   - signal fermé franchi sans autorisation sans passage par un point à risque,
   - rupture de roue du matériel roulant en service,
   - rupture d'essieu du matériel roulant en service.
   Tous les précurseurs sont notifiés, qu'ils aient entraîné ou non un accident. (Un précurseur ayant entraîné un accident significatif est également notifié dans les indicateurs relatifs aux précurseurs; un précurseur n'ayant pas entraîné d'accident significatif est uniquement notifié dans les indicateurs relatifs aux précurseurs.)
   5. Indicateurs relatifs à l'impact économique des accidents
   Coût total et relatif (par train-kilomètre), en euros:
   - nombre de morts et de blessés graves multiplié par la valeur de prévention d'un mort ou blessé grave (Value of Preventing a Casualty, VPC),
   - coûts des dommages causés à l'environnement,
   - coûts des dommages matériels causés au matériel roulant ou à l'infrastructure,
   - coûts des retards à la suite d'un accident.
   L'autorité de sécurité indique l'impact économique des accidents significatifs dans le rapport de sécurité visé à l'article 78.
   La VPC est la valeur que la société attribue à la prévention d'un mort ou blessé grave et, en tant que telle, ne constitue pas une référence pour l'indemnisation entre les parties impliquées dans un accident.
   6. Indicateurs relatifs à la sécurité technique de l'infrastructure et à sa mise en oeuvre
   6.1. Pourcentage de voies dotées de systèmes de protection des trains (TPS) en service, pourcentage de trains-kilomètres utilisant des TPS embarqués qui prévoient:
   - avertissement,
   - avertissement et arrêt automatique,
   - avertissement et arrêt automatique et contrôle discret de la vitesse,
   - avertissement et arrêt automatique et contrôle continu de la vitesse.
   6.2. Nombre de passages à niveau (total, par kilomètre de ligne et par kilomètre de voie), les cinq catégories étant les suivantes:
   a) passage à niveau passif;
   b) passage à niveau actif:
   i) manuel;
   ii) automatique avec avertissement côté usagers;
   iii) automatique avec protection côté usagers;
   iv) avec protection côté rails.
   Appendice
   Définitions communes des ISC et méthodes communes de calcul de l'impact économique des accidents
   1. Indicateurs relatifs aux accidents
   1.1. " Accident significatif ": tout accident impliquant au moins un véhicule ferroviaire en mouvement et provoquant la mort ou des blessures graves pour au moins une personne ou des dommages significatifs au matériel, aux voies, à d'autres installations ou à l'environnement, ou des interruptions importantes de la circulation, à l'exception des accidents dans les ateliers, les entrepôts et les dépôts.
   1.2. " Dommages significatifs au matériel, aux voies, à d'autres installations ou à l'environnement ": tout dommage équivalent ou supérieur à 150 000 EUR.
   1.3. " Interruptions importantes de la circulation ": la suspension des services ferroviaires sur une ligne de chemin de fer principale pendant six heures ou plus.
   1.4. " Train ": un ou plusieurs véhicules ferroviaires tractés par une ou plusieurs locomotives ou automotrices ou une automotrice circulant seule sous un numéro donné ou une désignation spécifique depuis un point fixe initial jusqu'à un point fixe terminal, y compris une locomotive haut le pied, c'est-à-dire une locomotive circulant seule.
   1.5. " Collision de train avec un véhicule ferroviaire ": une collision frontale, latérale ou par l'arrière entre une partie d'un train et une partie d'un autre train ou d'un véhicule ferroviaire, ou avec du matériel roulant de manoeuvre.
   1.6. " Collision de train avec un obstacle à l'intérieur du gabarit ": une collision entre une partie d'un train et des objets fixes ou temporairement présents sur ou près des voies (sauf ceux qui se trouvent à un passage à niveau s'ils sont perdus par un véhicule ou un usager qui traverse les voies), y compris une collision avec les lignes aériennes de contact.
   1.7. " Déraillement de train ": tout cas de figure dans lequel au moins une roue d'un train sort des rails.
   1.8. " Accident à un passage à niveau ": tout accident survenant à un passage à niveau et impliquant au moins un véhicule ferroviaire et un ou plusieurs véhicules traversant les voies, d'autres usagers traversant les voies, tels que des piétons, ou d'autres objets présents temporairement sur ou près de la voie ferrée s'ils sont perdus par un véhicule ou un usager qui traverse les voies.
   1.9. " Accident de personnes impliquant du matériel roulant en mouvement ": accident subi par une ou plusieurs personnes heurtées par un véhicule ferroviaire ou par un objet qui y est attaché ou qui s'en est détaché, y compris les personnes qui tombent des véhicules ferroviaires, ainsi que les personnes qui tombent ou qui sont heurtées par des objets mobiles lorsqu'elles voyagent à bord de véhicules.
   1.10. " Incendie dans le matériel roulant ": incendie ou explosion qui se produit dans un véhicule ferroviaire (y compris son chargement) lorsqu'il roule entre sa gare de départ et sa gare de destination, y compris lorsqu'il est à l'arrêt dans la gare de départ, dans la gare de destination ou aux arrêts intermédiaires, ainsi que pendant les opérations de triage des wagons.
   1.11. " Autre (accident) ": tout accident autre qu'une collision de train avec un véhicule ferroviaire, qu'une collision avec un obstacle à l'intérieur du gabarit, qu'un déraillement de train, qu'un accident à un passage à niveau, qu'un accident de personnes impliquant du matériel roulant en mouvement ou qu'un incendie dans le matériel roulant.
   1.12. " Voyageur ": toute personne, à l'exception du personnel affecté au service du train, qui effectue un parcours dans un véhicule ferroviaire, y compris un voyageur tentant d'embarquer à bord ou de débarquer d'un train en mouvement, pour les statistiques d'accidents uniquement.
   1.13. " Membre du personnel ou contractant ": toute personne qui travaille en relation avec les chemins de fer et qui est en service au moment de l'accident, y compris le personnel des contractants, les contractants indépendants, le personnel du train et les personnes chargées de la manutention du matériel roulant et de l'infrastructure.
   1.14. " Usager des passages à niveau ": toute personne empruntant un passage à niveau pour traverser la ligne de chemin de fer par tout moyen de transport ou à pied.
   1.15. " Intrus ": toute personne présente dans les emprises ferroviaires, alors qu'une telle présence est interdite, à l'exception de l'usager des passages à niveau.
   1.16. " Autre personne sur un quai ": toute personne sur un quai qui n'est pas définie comme " voyageur ", " membre du personnel ou contractant ", " usager des passages à niveau ", " autre personne qui n'est pas sur un quai " ou " intrus ".
   1.17. " Autre personne qui n'est pas sur un quai ": toute personne qui n'est pas sur un quai qui n'est pas définie comme " voyageur ", " membre du personnel ou contractant ", " usager des passages à niveau ", " autre personne sur un quai " ou " intrus ".
   1.18. " Mort (personne tuée) ": toute personne tuée sur le coup ou décédant dans les trente jours à la suite d'un accident, à l'exception des suicides.
   1.19. " Blessé (personne grièvement blessée) ": toute personne blessée qui a été hospitalisée pendant plus de vingt-quatre heures à la suite d'un accident, à l'exception des tentatives de suicide.
   2. Indicateurs relatifs aux marchandises dangereuses
   2.1. " Accident mettant en cause le transport de marchandises dangereuses ": tout accident ou incident faisant l'objet d'une déclaration conformément au RID /ADR, section 1.8.5.
   2.2. " Marchandises dangereuses ": les substances et objets dont le transport est soit interdit par le RID, soit autorisé uniquement dans les conditions prévues dans le RID.
   3. Indicateurs relatifs aux suicides
   3.1. " Suicide ": acte commis par toute personne qui agit délibérément pour s'infliger un dommage corporel entraînant la mort, tel qu'enregistré et classé par l'autorité nationale compétente.
   3.2. " Tentative de suicide ": acte commis par toute personne qui agit délibérément pour s'infliger un dommage corporel entraînant des blessures graves.
   4. Indicateurs relatifs aux précurseurs d'accidents
   4.1. " Rupture de rail ": tout rail qui se sépare en deux morceaux ou plus, ou tout rail dont un morceau de métal se détache, provoquant ainsi un trou de plus de 50 mm de longueur et de plus de 10 mm de profondeur à la surface de contact du rail.
   4.2. " Gauchissement de la voie ou autre défaut d'alignement des rails ": tout défaut dans le continuum et la géométrie de la voie, nécessitant la fermeture de la voie ou la réduction immédiate de la vitesse autorisée.
   4.3. " Panne de signalisation contraire à la sécurité ": toute défaillance technique d'un système de signalisation (d'infrastructure ou de matériel roulant) qui présente une information moins restrictive que celle requise.
   4.4. " Signal fermé franchi sans autorisation lors d'un passage par un point à risque ": tout cas de figure dans lequel toute partie d'un train dépasse les limites de son mouvement autorisé et traverse un point à risque.
   4.5. " Signal fermé franchi sans autorisation sans passage par un point à risque ": tout cas de figure dans lequel toute partie d'un train dépasse les limites de son mouvement autorisé mais ne traverse pas un point à risque.
   On entend par mouvement non autorisé, tel que visé aux points 4.4 et 4.5 plus haut, le fait de passer:
   - un signal lumineux de couleur latéral ou un sémaphore fermé, ou un ordre de s'arrêter, lorsqu'un système de protection des trains (TPS) n'est pas opérationnel,
   - la fin d'une autorisation de mouvement liée à la sécurité prévue dans un TPS,
   - un point communiqué par autorisation verbale ou écrite prévu dans les règlements,
   - des panneaux d'arrêt (sauf les heurtoirs) ou des signaux à main.
   Ne sont pas inclus les cas de figure dans lesquels un véhicule sans unité de traction ou un train sans conducteur franchissent un signal fermé sans autorisation. Ne sont pas inclus non plus les cas de figure dans lesquels, pour quelque raison que ce soit, le signal n'est pas fermé suffisamment tôt pour permettre au chauffeur d'arrêter le train avant le signal.
   L'autorité de sécurité peut faire rapport séparément sur les quatre points concernant le mouvement non autorisé plus haut et doit notifier au moins un indicateur global regroupant des données sur les quatre éléments.
   4.6. " Rupture de roue du matériel roulant en service ": rupture affectant la roue qui engendre un risque d'accident (déraillement ou collision).
   4.7. " Rupture d'essieu du matériel roulant en service ": rupture affectant l'essieu qui engendre un risque d'accident (déraillement ou collision).
   5. Méthodes communes de calcul de l'impact économique des accidents
   5.1. La valeur de prévention d'un mort ou blessé grave (VPC) se compose des éléments suivants:
   1) la valeur de la sécurité en soi: valeurs de la volonté de payer (Willingness to Pay, WTP) fondées sur des études de " préférence déclarée " réalisées en Belgique pour lequel elles s'appliquent;
   2) les coûts économiques directs et indirects: coûts estimés en Belgique qui se composent de:
   - frais médicaux et de rééducation,
   - frais juridiques, frais de police, enquêtes privées relatives aux accidents, frais des services d'urgence et frais administratifs d'assurances,
   - pertes de production: valeur pour la société des biens et des services qui auraient pu être produits par la personne si l'accident n'était pas survenu.
   Lors du calcul des coûts que représentent les victimes, les morts et les blessés graves sont considérés séparément (la VPC est différente qu'il s'agisse d'un mort ou d'un blessé grave).
   5.2. Principes communs pour l'évaluation de la valeur de la sécurité en soi et coûts économiques directs et/ou indirects:
   En ce qui concerne la valeur de la sécurité en soi, la détermination de l'opportunité ou non des estimations disponibles se fonde sur les considérations suivantes:
   - les estimations concernent un système d'évaluation de la réduction du risque de mortalité dans le secteur des transports et suivent une approche WTP selon des méthodes de préférence déclarée ;
   - l'échantillon de répondants utilisé pour les valeurs est représentatif de la population concernée. L'échantillon doit notamment refléter la répartition de l'âge et des revenus ainsi que les autres caractéristiques socio- économiques et/ou démographiques pertinentes de la population ;
   - la méthode pour obtenir des valeurs de WTP: l'étude est conçue de manière que les questions soient claires et significatives pour les répondants.
   Les coûts économiques directs et indirects sont estimés sur la base des coûts réels supportés par la société.
   5.3. Définitions
   5.3.1. " Coûts des dommages causés à l'environnement ": les coûts qui doivent être supportés par les entreprises ferroviaires ou les gestionnaires de l'infrastructure, évalués sur la base de leur expérience, afin de remettre la zone endommagée dans l'état où elle se trouvait avant l'accident de chemin de fer.
   5.3.2. " Coûts des dommages matériels causés au matériel roulant ou à l'infrastructure ": le coût de la fourniture du nouveau matériel roulant ou de la nouvelle infrastructure ayant les mêmes fonctionnalités et paramètres techniques que ceux irréparablement endommagés, et le coût de la remise du matériel roulant ou de l'infrastructure réparables dans l'état où ils se trouvaient avant l'accident; ces coûts sont estimés par les entreprises ferroviaires et les gestionnaires de l'infrastructure sur la base de leur expérience; ils comprennent également les coûts liés à la location de matériel roulant à la suite de l'indisponibilité des véhicules endommagés.
   5.3.3. " Coûts des retards à la suite d'un accident ": la valeur monétaire des retards encourus par les usagers du transport ferroviaire (voyageurs et clients du fret) à la suite d'accidents, calculée en fonction du modèle suivant:
   VT = valeur monétaire des gains de temps de trajet
   Valeur du temps pour un voyageur ferroviaire (par heure):
   VTP = [VT des voyageurs à titre professionnel] * [pourcentage moyen des voyageurs à titre professionnel par an] + [VT des voyageurs à titre non professionnel] * [pourcentage moyen des voyageurs à titre non professionnel par an]
   La VTP est mesurée en euros par voyageur et par heure.
   " Voyageur à titre professionnel ": une personne voyageant dans le cadre de son activité professionnelle, à l'exclusion de ses déplacements domicile-lieu de travail.
   Valeur du temps pour un train de marchandises (par heure):
   VTF = [VT des trains de marchandises] * [(tonne-km)/(train-km)]
   La VTF est mesurée en euros par tonne de marchandises et par heure.
   Tonnage moyen des marchandises transportées par train par an = (tonne-km)/(train-km)
   CM = coût de 1 minute de retard d'un train
   Train de voyageurs
   CMP = K1 * (VTP/60) * [(voyageur-km)/(train-km)]
   Nombre moyen de voyageurs par train par an = (voyageur-km)/(train-km)
   Train de marchandises
   CMF = K2 * (VTF/60)
   Les facteurs K1 et K2 se situent entre la valeur du temps et la valeur de retard, telles qu'elles ont été estimées par les études de préférence déclarée, afin de tenir compte du fait que la perte de temps à la suite de retards est perçue de manière bien plus négative que la durée normale du trajet.
   Coût des retards à la suite d'un accident = CMP * (minutes de retard des trains de voyageurs) + CMF * (minutes de retard des trains de marchandises)
   Champ d'application du modèle
   Les coûts des retards sont calculés pour les accidents significatifs comme suit:
   - retards réels sur les lignes ferroviaires où l'accident s'est produit, mesurés à la gare terminus,
   - retards réels ou, à défaut, retards estimés sur les autres lignes affectées.
   6. Indicateurs relatifs à la sécurité technique de l'infrastructure et à sa mise en oeuvre
   6.1. " Système de protection des trains " (TPS): système qui contraint à respecter les signaux et les limitations de vitesse.
   6.2. " Systèmes embarqués ": systèmes aidant le conducteur à respecter la signalisation latérale et la signalisation en cabine et qui permet donc une protection des points à risque et le respect des limitations de vitesse. Les différents TPS embarqués sont les suivants:
   a) avertissement, permettant un avertissement automatique du conducteur ;
   b) avertissement et arrêt automatique, permettant un avertissement automatique du conducteur et un arrêt automatique en cas de passage d'un signal fermé sans autorisation ;
   c) avertissement et arrêt automatique et contrôle discret de la vitesse, permettant une protection aux points à risque. On entend par " contrôle discret de la vitesse " le contrôle de la vitesse à certains endroits (zones de contrôle de vitesse) à l'approche d'un signal ;
   d) avertissement et arrêt automatique et contrôle continu de la vitesse, permettant une protection aux points à risque et un contrôle continu des limites de vitesse de la ligne. On entend par " contrôle continu de la vitesse ", une indication continue et le respect de la vitesse maximale autorisée sur tous les tronçons de la ligne.
   Le type d) correspond au système de protection automatique des trains (Automatic Train Protection, ATP).
   6.3 " Passage à niveau ": toute intersection à niveau entre une route ou un passage et une voie ferrée, telle que reconnue par le gestionnaire de l'infrastructure, et ouverte aux usagers publics ou privés. Les passages entre quais de gare sont exclus, ainsi que les passages de voies réservés au seul usage du personnel.
   6.4 " Route ": aux fins des statistiques d'accidents de chemin de fer, toute route, rue ou autoroute, publique ou privée, y compris les chemins et pistes cyclables adjacents.
   6.5 " Passage ": toute voie, autre qu'une route, permettant le passage de personnes, d'animaux, de véhicules ou de machines.
   6.6 " Passage à niveau passif ": passage à niveau sans aucune forme de système d'avertissement ou de protection activée lorsqu'il est dangereux pour l'usager de traverser les voies.
   6.7. " Passage à niveau actif ": passage à niveau où les usagers du passage sont protégés ou avertis de l'approche d'un train par des dispositifs activés lorsqu'il est dangereux pour l'usager de traverser les voies.
   - La protection au moyen de dispositifs physiques comprend:
   - des semi-barrières ou barrières complètes ;
   - des portails.
   - Avertissement au moyen d'équipements fixes installés aux passages à niveau:
   - dispositifs visibles: feux ;
   - dispositifs audibles: cloches, sirènes, klaxons, etc.
   Les passages à niveau actifs sont classés comme suit:
   a) manuel: passage à niveau où la protection ou l'avertissement côté usagers sont activés manuellement par un membre du personnel ferroviaire;
   b) automatique avec avertissement côté usagers: un passage à niveau où l'avertissement côté usagers est activé par l'approche du train;
   c) automatique avec protection côté usagers: un passage à niveau où la protection côté usagers est activée par l'approche du train. Cette catégorie inclut les passages à niveau avec protection et avertissement côté usagers;
   d) avec protection côté rails: un passage à niveau où un signal ou tout autre système de protection des trains permet au train de continuer dès que le passage à niveau assure pleinement la protection des usagers et qu'il est libre d'obstacles.
   7. Définitions des bases d'étalonnage
   7.1. " Train-kilomètre ": unité de mesure correspondant au déplacement d'un train sur un kilomètre. La distance utilisée est la distance effectivement parcourue, si elle est disponible; sinon, la distance standard du réseau entre le point de départ et le point de destination est utilisée. Seule la distance parcourue sur le territoire national du pays déclarant est prise en compte.
   7.2. " Voyageur-kilomètre ": unité de mesure correspondant au transport d'un voyageur par chemin de fer sur un kilomètre. Seule la distance parcourue sur le territoire national du pays déclarant est prise en compte.
   7.3. " Kilomètre de ligne ": longueur en kilomètres du réseau ferroviaire d'Etats membres, dont le champ d'application est défini à l'article 2 de la directive 2016/798/UE. En ce qui concerne les lignes ferroviaires à plusieurs voies, seule la distance entre le point de départ et le point de destination est prise en considération.
   7.4. " Kilomètre de voie ": longueur en kilomètres du réseau ferroviaire d'Etats membres, dont le champ d'application est défini à l'article 2 de la directive 2016/798/UE. Chaque voie d'une ligne ferroviaire à plusieurs voies est prise en considération.]1

  
Art. N5. [1 BIJLAGE 5 - VEILIGHEIDSBEHEERSYSTEEM
   Onverminderd de gedelegeerde Verordening (EU) 2018/762 van de Commissie van 8 maart 2018 tot vaststelling van gemeenschappelijke veiligheidsmethoden inzake de eisen voor veiligheidsbeheersystemen overeenkomstig richtlijn (EU) 2016/798 van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EU) nr. 1158/2010 en (EU) nr. 1169/2010, omvat het veiligheidsbeheersysteem de volgende basiselementen:
   1° een veiligheidsbeleid dat door het hoofd van de organisatie is goedgekeurd en waarmee het personeel bekend is;
   2° kwalitatieve en kwantitatieve doelen van de organisatie voor de handhaving en vergroting van de veiligheid, en plannen en procedures om die doelen te verwezenlijken;
   3° procedures om te voldoen aan bestaande, nieuwe en gewijzigde technische en operationele normen en andere bindende voorwaarden zoals vastgelegd in TSI's, in de nationale voorschriften bedoeld in artikel 68, § 1, 1° , en in andere relevante voorschriften zoals deze bedoeld in artikel 68, § 1, 2° of in besluiten van de veiligheidsinstantie;
   4° procedures om ervoor te zorgen dat gedurende de gehele levenscyclus van installaties en tijdens alle activiteiten de normen en andere bindende voorwaarden worden geëerbiedigd;
   5° procedures en methoden om risico's vast te stellen, risico-evaluaties uit te voeren en risicobeheersmaatregelen te implementeren wanneer er voor de infrastructuur of de interface mens/machine/organisatie nieuwe risico's ontstaan door een verandering in de exploitatieomstandigheden of de introductie van nieuw materiaal;
   6° programma's voor de opleiding van personeel en systemen om ervoor te zorgen dat het personeel ter zake kundig blijft en de taken dienovereenkomstig worden uitgevoerd, met inbegrip van regelingen inzake lichamelijke en psychologische geschiktheid;
   7° regelingen voor een voldoende informatievoorziening binnen de organisatie en, waar nodig, voor een voldoende uitwisseling van informatie tussen organisaties van het spoorwegsysteem;
   8° procedures voor de wijze waarop, alsmede de vorm waarin informatie over veiligheid wordt gedocumenteerd, en de procedure voor de configuratiecontrole van vitale informatie op veiligheidsgebied;
   9° procedures om ervoor te zorgen dat ongevallen, incidenten, bijna-ongelukken en andere gevaarlijke voorvallen worden gemeld, onderzocht en geanalyseerd en dat de nodige preventieve maatregelen worden getroffen;
   10° plannen voor actie, alarmering en voorlichting in noodgevallen, die samen met de bevoegde overheidsinstanties worden vastgesteld, en
   11° voorzieningen voor periodieke interne controles van het veiligheidsbeheersysteem.
   Infrastructuurbeheerders en spoorwegondernemingen nemen eventueel andere elementen op die noodzakelijk zijn om veiligheidsrisico's te dekken, in overeenstemming met de beoordeling van de risico's die uit hun eigen activiteiten voortvloeien.]1

  
Art. N5. [1 ANNEXE 5 - SYSTEME DE GESTION DE LA SECURITE
   Sans préjudice du Règlement délégué (UE) 2018/762 de la Commission du 8 mars 2018 établissant des méthodes de sécurité communes relatives aux exigences en matière de système de gestion de la sécurité conformément à la directive (UE) 2016/798 du Parlement européen et du Conseil et abrogeant les règlements de la Commission (UE) no 1158/2010 et (UE) no 1169/2010, le système de gestion de la sécurité comprend les éléments essentiels suivants :
   1° une politique de sécurité approuvée par la personne en charge de l'organisation et communiquée à l'ensemble du personnel ;
   2° des objectifs qualitatifs et quantitatifs de l'organisation en matière d'entretien et d'amélioration de la sécurité, ainsi que des plans et des procédures destinés à atteindre ces objectifs ;
   3° des procédures pour satisfaire aux normes techniques et opérationnelles existantes, nouvelles et modifiées ou à d'autres prescriptions définies dans les STI, les règles nationales visées à l'article 68, § 1er, 1°, et dans d'autres règles pertinentes telles que celles visées à l'article 68, § 1er, 2° ou dans des décisions de l'autorité de sécurité ;
   4° des procédures pour assurer la conformité avec ces normes et autres prescriptions tout au long du cycle de vie des équipements et des activités ;
   5° des procédures et méthodes d'identification des risques, d'évaluation des risques et de mise en oeuvre de mesures de maîtrise des risques chaque fois qu'un changement des conditions d'exploitation ou l'introduction de nouveau matériel comporte de nouveaux risques pour l'infrastructure ou l'interface homme-machine-organisation ;
   6° la fourniture des programmes de formation du personnel et des systèmes permettant de veiller à ce que les compétences du personnel soient maintenues et que les tâches soient effectuées en conséquence, y compris des dispositions relatives à l'aptitude physique et psychologique ;
   7° des dispositions garantissant la fourniture d'une information suffisante au sein de l'organisation et, le cas échéant, entre les organisations du système ferroviaire ;
   8° des procédures et formats pour la documentation des informations sur la sécurité et la détermination de la procédure de contrôle de la configuration des informations vitales en matière de sécurité ;
   9° des procédures garantissant que les accidents, les incidents survenus ou évités de justesse et les autres événements dangereux soient signalés, fassent l'objet d'une enquête et soient analysés, et que les mesures préventives nécessaires soient prises ;
   10° des dispositions prévoyant des plans d'action, d'alerte et d'information en cas d'urgence, adoptés en accord avec les autorités publiques compétentes ;
   11° des dispositions prévoyant un audit interne régulier du système de gestion de la sécurité.
   Le gestionnaire de l'infrastructure et les entreprises ferroviaires intègrent tout autre élément nécessaire pour couvrir les risques pour la sécurité, selon l'évaluation des risques découlant de leur propre activité.]1

  
Art. N6. Bijlage 6. - Kernpunten van het verslag betreffende het onderzoek naar ongevallen en incidenten
  (1) SAMENVATTING
  De samenvatting bevat een korte beschrijving van het voorval, wanneer en waar het plaatsvond en wat de gevolgen waren. Vermeld moeten worden de directe oorzaken, de factoren die mede tot het voorval hebben geleid, en de onderliggende oorzaken die tijdens het onderzoek zijn vastgesteld. De belangrijkste aanbevelingen worden genoemd en er wordt informatie verstrekt over degenen tot wie de aanbevelingen zijn gericht.
  (2) FEITEN MET BETREKKING TOT HET VOORVAL
  1. Het voorval :
  - datum, exacte tijd en plaats van het voorval;
  - beschrijving van de gebeurtenissen en de plaats van het ongeval, met inbegrip van het optreden van de reddings- en noodhulpdiensten;
  - het besluit een onderzoek in te stellen, de samenstelling van het onderzoeksteam en het onderzoek zelf.
  2. De situatie tijdens het voorval :
  - betrokken personeel en aannemers en andere partijen en getuigen;
  - de treinen en de samenstelling ervan, inclusief het registratienummer van het betrokken rollend materieel;
  - de beschrijving van de infrastructuur en het seingevingssysteem - spoortypen, schakelaars, koppelingen, seinen, treinbeveiliging;
  - de communicatiemiddelen;
  - de werkzaamheden op of in de omgeving van de plaats van het voorval;
  - de inwerkingstelling van het spoorwegnoodplan en de gebeurtenissen die daarop volgden;
  - de inwerkingstelling van het noodplan van de publieke reddingsdiensten, de politie en de medische diensten en de gebeurtenissen die daarop volgden.
  3. Doden, gewonden en materiële schade :
  - reizigers en derden, personeel, met inbegrip van de aannemers;
  - vracht, bagage en andere eigendommen;
  - rollend materieel, infrastructuur en het milieu.
  4. Externe omstandigheden :
  - weersomstandigheden en geografische referenties.
  (3) RAPPORTAGE VAN DE ONDERZOEKEN
  1. Samenvatting van getuigenissen (volgens de regels voor de bescherming van de persoonlijke identiteit) :
  - werknemers bij de spoorwegen, met inbegrip van de aannemers;
  - andere getuigen.
  2. Het veiligheidsbeheersysteem :
  - de kaderorganisatie en de wijze waarop bevelen worden gegeven en uitgevoerd;
  - eisen betreffende het personeel en de wijze waarop de naleving daarvan wordt gewaarborgd;
  - reguliere procedures voor interne controles en de uitkomsten ervan;
  - interface tussen de verschillende actoren op de infrastructuur.
  3. Wet- en regelgeving :
  - toepasselijke communautaire en nationale wet- en regelgeving;
  - andere voorschriften zoals exploitatievoorschriften, lokale instructies. personeelseisen, onderhoudsvoorschriften en toepasselijke normen.
  4. Werking van rollend materieel en technische installaties :
  - seingevings- en besturingssysteem, met inbegrip van opname op automatische datarecorders;
  - infrastructuur;
  - communicatieapparatuur;
  - rollend materieel, met inbegrip van een verslag van de automatische gegevensregistratie
  5. Documentatie over het operationele systeem :
  - maatregelen van het personeel met betrekking tot verkeersregeling en seingeving;
  - uitwisseling van mondelinge boodschappen betreffende het voorval, met inbegrip van documentatie afkomstig van opnamen;
  - maatregelen ter bescherming van de plaats van het voorval.
  6. Interface mens-machine-organisatie :
  - arbeidstijd van het betrokken personeel;
  - medische en persoonlijke omstandigheden die van invloed waren op het voorval, met inbegrip van fysieke of psychologische spanning;
  - ontwerp van installaties die van invloed zijn op de interface mens-machine.
  7. Eerdere soortgelijke voorvallen.
  (4) ANALYSE EN CONCLUSIES
  1. Eindverslag van de reeks gebeurtenissen :
  - conclusie met betrekking tot de toedracht, op basis van de feiten die in het kader van punt (3) zijn vastgesteld.
  2. Discussie :
  - analyse van de in het kader van punt (3) vastgestelde feiten, met als doel conclusies te trekken aangaande de oorzaken van het voorval en het optreden van de reddingsdiensten.
  3. Conclusies :
  - directe en indirecte oorzaken van het voorval, met inbegrip van de factoren die mede tot het voorval hebben geleid en die verband houden met acties die door betrokken personen zijn ondernomen of de staat van onderhoud van het rollend materieel en de technische installaties;
  - fundamentele oorzaken die verband houden met vaardigheden, procedures en onderhoud;
  - fundamentele oorzaken die verband houden met de voorwaarden van het regelgevingskader en de toepassing van het veiligheidsbeheersysteem.
  4. Aanvullende waarnemingen :
  - gebreken en tekortkomingen die tijdens het onderzoek zijn vastgesteld, maar die niet van belang zijn voor de conclusies inzake de oorzaken.
  (5) GENOMEN MAATREGELEN
  - Rapportage van de maatregelen die naar aanleiding van het voorval reeds genomen of vastgesteld zijn.
  (6) AANBEVELINGEN
  Gezien om gevoegd te worden bij de wet van 30 augustus 2013 houdende de Spoorcodex.
Art. N6. Annexe 6. - Contenu des rapports d'enquête sur les accidents et les incidents
  (1) RESUME
  Le résumé contient une brève description de l'événement, avec indication de la date, du lieu et des conséquences. Il énonce les causes directes ainsi que les facteurs qui ont contribué à l'événement et les causes sous-jacentes établies par l'enquête. Les recommandations principales sont indiquées, de même que des informations sur les destinataires de ces recommandations.
  (2) FAITS IMMEDIATS DE L'EVENEMENT
  1. L'événement :
  - date, heure exacte et lieu de l'événement;
  - description des circonstances et du site de l'accident, y compris des efforts des services de secours et d'urgence;
  - décision d'ouvrir une enquête, composition de l'équipe d'enquêteurs et réalisation de l'enquête.
  2. Les circonstances de l'événement :
  - le personnel et les contractants impliqués ainsi que les autres parties et témoins;
  - les trains et leur composition, ainsi que le numéro d'enregistrement du matériel roulant impliqué;
  - la description de l'infrastructure et du système de signalisation - types de voie, aiguillages, enclenchement, signaux, protection des trains;
  - les moyens de communication;
  - les travaux effectués sur le site ou à proximité de celui-ci;
  - le déclenchement du plan d'urgence ferroviaire et sa chaîne d'événements;
  - le déclenchement du plan d'urgence des services publics de secours, de la police et des services médicaux et sa chaîne d'événements.
  3. Pertes humaines, personnes blessées et dommages matériels :
  - passagers et tiers, personnel, y compris les contractants;
  - fret, bagages et autres biens;
  - matériel roulant, infrastructure et environnement.
  4. Circonstances externes :
  - conditions météorologiques et références géographiques.
  (3) COMPTE RENDU DES INVESTIGATIONS ET ENQUETES
  1. Résumé des témoignages (sous réserve de protection de l'identité des personnes) :
  - personnel des chemins de fer, y compris les contractants;
  - autres témoins.
  2. Système de gestion de la sécurité :
  - cadre organisationnel et manière dont les ordres sont donnés et exécutés;
  - exigences applicables au personnel et manière dont leur respect est assuré;
  - routines de contrôle et de vérification interne et leurs résultats;
  - interface entre les différents acteurs présents sur l'infrastructure.
  3. Règles et réglementation :
  - règles et réglementation publique communautaire et nationale applicables;
  - autres règles, telles que les règles d'exploitation, les instructions locales, les exigences applicables au personnel, les prescriptions d'entretien et les normes applicables.
  4. Fonctionnement du matériel roulant et des installations techniques :
  - système de signalisation et de contrôle-commande, y compris les enregistrements des enregistreurs automatiques de données;
  - infrastructure;
  - équipements de communications;
  - matériel roulant, y compris les enregistrements des enregistreurs automatiques de données.
  5. Documentation du système opératoire :
  - mesures prises par le personnel pour le contrôle du trafic et la signalisation;
  - échange de messages verbaux en relation avec l'événement, y compris la documentation provenant des enregistrements;
  - mesures prises pour protéger et sauvegarder le site de l'événement.
  6. Interface homme-machine-organisation :
  - temps de travail du personnel impliqué;
  - circonstances médicales et personnelles ayant influencé l'événement, y compris l'existence de stress physique ou psychologique;
  - conception des équipements ayant un impact sur l'interface homme-machine.
  7. Evénements antérieurs de nature comparable.
  (4) ANALYSE ET CONCLUSIONS
  1. Compte rendu final de la chaîne des événements :
  - établissement des conclusions concernant l'événement, sur la base des faits établis au point.
  2. Discussion :
  - analyse des faits établis au point (3) afin de tirer les conclusions sur les causes de l'événement et l'efficacité des services de secours.
  3. Conclusions :
  - causes immédiates et indirectes de l'événement, y compris les facteurs ayant contribué à l'événement et liés aux mesures prises par les personnes impliquées ou à l'état du matériel roulant ou des installations techniques;
  - causes sous-jacentes liées aux compétences, aux procédures et à l'entretien;
  - causes premières liées aux conditions du cadre réglementaire et à l'application du système de gestion de la sécurité.
  4. Observations complémentaires :
  - déficiences et lacunes établies pendant l'enquête, mais sans incidences sur les conclusions concernant les causes.
  (5) MESURES QUI ONT ETE PRISES
  - Compte rendu des mesures déjà prises ou adoptées à la suite de l'évènement.
  (6) RECOMMANDATIONS
  Vu pour être annexé à la loi du 30 août 2013 portant le Code ferroviaire.
Art. N7. Bijlage 7. - Voorvallen die door de spoorwegondernemingen, [1 de infrastructuurbeheerder]1 en, in voorkomend geval, de veiligheidsinstantie overeenkomstig artikel 93, § 1, moeten worden gemeld
  1. ernstige ongevallen;
  2. ongevallen of incidenten die, onder enigszins andere omstandigheden, tot ernstige ongevallen hadden kunnen leiden, met inbegrip van technische gebreken in de subsystemen van structurele aard of in de interoperabele onderdelen van het hogesnelheids- of conventionele spoorwegsysteem;
  3. een lek of een risico op een lek van gevaarlijke goederen waarbij de omgeving moet worden geëvacueerd en het interventieplan op gemeentelijk, provinciaal of federaal niveau wordt afgekondigd;
  4. elk voorval waarbij de verwachte onderbrekingsduur van de spoorwegvervoerdiensten op een lijn minstens twee uur bedraagt.
  Gezien om gevoegd te worden bij de wet van 30 augustus 2013 houdende de Spoorcodex.
  
Art. N7. Annexe 7. - Evénements à communiquer par les entreprises ferroviaires, le [1 gestionnaire de l'infrastructure]1 et, le cas échéant, l'autorité de sécurité conformément à l'article 93, § 1er
  1. les accidents graves;
  2. les accidents et incidents qui, dans des circonstances légèrement différentes, auraient pu conduire à des accidents graves, y compris les défaillances techniques au niveau des sous-systèmes structurels ou des constituants d'interopérabilité du système ferroviaire transeuropéen à grande vitesse ou conventionnel;
  3. une fuite ou un risque d'une fuite de matières dangereuses entraînant l'évacuation des lieux et le déclenchement du plan d'intervention au niveau communal, provincial ou de l'Etat fédéral;
  4. tout événement impliquant une interruption totale de la circulation ferroviaire sur une ligne pendant une durée estimée à deux heures au moins.
  Vu pour être annexé à la loi du 30 août 2013.
  
Art. N7 /1. [1 Bijlage 7/1. - Communautair model voor de vergunning en het geharmoniseerd aanvullend bevoegdheidsbewijs.
   In de nationale registers opgenomen minimumgegevens :
   a) Gegevens in verband met de vergunning :
   Alle gegevens die op de vergunning staan vermeld, tezamen met de gegevens in verband met de controle op de naleving van de eisen van artikelen 127, 129 en 137.
   b) Gegevens in verband met het bevoegdheidsbewijs :
   Alle gegevens die op het bevoegdheidsbewijs staan vermeld, tezamen met de gegevens in verband met de controle op de naleving van de eisen van artikelen 135, 129 en 137.]1

  
Art. N7 /1. [1 Annexe 7/1. - Modèle communautaire de licence et d'attestation complémentaire harmonisée.
   Données minimales figurant dans les registres nationaux :
   a) Données relatives à la licence :
   Toutes les données figurant sur la licence et les données relatives au contrôle des exigences énoncées aux articles 127, 129 et 137.
   b) Données relatives à l'attestation :
   Toutes les données figurant sur l'attestation et les données relatives au contrôle des exigences énoncées aux articles 135, 129 et 137.]1

  
Art. N8. Bijlage 8. - Medische eisen
  1. Algemene vereisten
  1.1. De treinbestuurders mogen niet lijden aan een medische aandoening en geen medicatie, drugs of stoffen innemen die zouden kunnen leiden tot :
  - plotseling bewustzijnsverlies;
  - vermindering van de waakzaamheid of het concentratievermogen;
  - plotselinge ongeschiktheid;
  - verlies van het evenwichts- of coördinatievermogen;
  - aanzienlijk verlies van de beweeglijkheid.
  1.2. Gezichtsvermogen
  Het gezichtsvermogen dient aan de volgende eisen te voldoen :
  - een gezichtsscherpte veraf, met of zonder hulpmiddelen : 1,0 met minimaal 0,5 voor het minst goede oog;
  - maxima voor corrigerende lenzen : verziendheid : + 5/bijziendheid : - 8. In uitzonderlijke gevallen zijn afwijkingen toegestaan na advies van een oogarts. Het besluit hierover wordt genomen door de arts;
  - een voldoende gezichtsscherpte dichtbij en intermediair, met of zonder hulpmiddelen;
  - contactlenzen en een bril zijn toegestaan indien deze periodiek door een specialist worden gecontroleerd;
  - normale kleurwaarneming, vast te stellen aan de hand van een erkende test zoals Ishihara, zo nodig aangevuld met een andere erkende test;
  - gezichtsveld : volledig;
  - [1 gezichtsvermogen voor beide ogen : doeltreffend;]1
  - binoculair gezichtsvermogen : doeltreffend;
  - herkenning van kleursignalen : de test is gebaseerd op herkenning van enkelvoudige kleuren en niet op relatieve verschillen;
  - contrastwaarneming : goed;
  - afwezigheid van progressieve oogziekten;
  - oogimplantaten, keratotomieën en keratectomieën zijn uitsluitend toegestaan indien zij jaarlijks of met een door de arts vast te stellen frequentie worden gecontroleerd;
  - ongevoeligheid voor verblinding;
  - getinte en fotochromatische contactlenzen zijn niet toegestaan. Lenzen met UV-coating zijn wel toegestaan.
  1.3. Eisen betreffende het gehoor- en spraakvermogen
  Aan de hand van een audiogram dient te blijken dat het gehoorvermogen voldoende is, dat wil zeggen :
  - het gehoorvermogen dient het mogelijk te maken een telefoongesprek te voeren en de waarschuwingssignalen en radioberichten te horen.
  De volgende richtwaarden gelden :
  - het gehoorverlies mag niet hoger zijn dan 40 dB bij 500 en 1 000 Hz;
  - het gehoorverlies mag niet hoger zijn dan 45 dB bij 2 000 Hz voor het oor met de minst goede geleiding van het geluid via de lucht;
  - geen afwijking van de gehoorgang;
  - geen chronische spraakmoeilijkheden (gezien de noodzaak van een luide en duidelijke berichtenuitwisseling);
  - in bijzondere gevallen is het gebruik van gehoorapparaten toegestaan.
  1.4. Zwangerschap
  Bij een lage tolerantie of een pathologische aandoening dient zwangerschap te worden beschouwd als een tijdelijke grond voor schorsing van treinbestuurders. De wettelijke voorschriften ter bescherming van zwangere treinbestuurders moeten worden toegepast.
  2. Minimumomvang van de keuring vóór de aanstelling
  2.1. Medische keuring :
  - algemeen medisch onderzoek;
  - test van de zintuigen (gezichtsvermogen, gehoor, kleurwaarneming);
  - onderzoek van bloed of urine, onder meer op suikerziekte, voor zover noodzakelijk om de lichamelijke geschiktheid van de kandidaat te beoordelen;
  - elektrocardiogram (ECG) in rust;
  - onderzoek naar het gebruik van psychotrope stoffen zoals illegale verdovende middelen of psychotrope medicatie, alsmede naar alcoholmisbruik, waardoor twijfel kan ontstaan over de geschiktheid de betrokken functie uit te oefenen;
  - cognitieve eigenschappen : aandacht en concentratie, geheugen, waarnemingsvermogen, redeneringsvermogen;
  - communicatie;
  - psychomotorische eigenschappen : reactievermogen, bewegingscoördinatie.
  2.2. Bedrijfspsychologische onderzoeken
  Het doel van de bedrijfspsychologische onderzoeken is te helpen bij de werving en het beheer van personeel. Wat betreft de omvang van de psychologische beoordeling : het onderzoek moet nagaan of de kandidaat-treinbestuurder vanuit bedrijfspsychologisch oogpunt geen aandoeningen heeft, in het bijzonder op het gebied van operationele vaardigheden of enige relevante persoonlijkheidsfactor, welke de veilige uitoefening van de taken in de weg kunnen staan.
  3. Periodieke controles na de aanstelling
  3.1. Frequentie van medische onderzoeken
  Medische onderzoeken (lichamelijke geschiktheid) gebeuren tot de leeftijd van 55 jaar, ten minste om de drie jaar, daarna jaarlijks.
  De frequentie van deze controles moet door de overeenkomstig artikel 142, 9°, erkende persoon of instelling worden verhoogd als dit op grond van de gezondheidstoestand van de betrokkene noodzakelijk is.
  Met inachtneming van artikel 137, eerste lid, vindt er een passende medische keuring plaats indien er reden is om aan te nemen dat een houder van een vergunning of bevoegdheidsbewijs niet langer voldoet aan de in in punt 1 van deze bijlage, genoemde medische eisen.
  De lichamelijke geschiktheid wordt regelmatig en na elk arbeidsongeval en ook bij werkonderbrekingen ten gevolge van een ongeval met personen gecontroleerd. De overeenkomstig artikel 142, 9°, erkende persoon of instelling kan besluiten een aanvullende medische controle te verrichten, in het bijzonder na een ziekteverlof van minstens dertig dagen of meer. De werkgever moet de overeenkomstig artikel 142, 9°, erkende persoon of instelling vragen de lichamelijke geschiktheid van de treinbestuurder te controleren, wanneer hij deze om veiligheidsredenen heeft geschorst.
  3.2. Minimuminhoud van de periodieke medische controle
  Indien de treinbestuurder aan de criteria van de medische controle vóór de aanstelling voldoet, dan dienen de periodieke controles ten minste de volgende onderzoeken te omvatten :
  - algemeen medisch onderzoek;
  - test van de zintuigen (gezichtsvermogen, gehoor, kleurwaarneming);
  - onderzoek van bloed of urine op suikerziekte en andere ziektebeelden die bij het klinisch onderzoek naar voren zijn gekomen;
  - onderzoek naar het gebruik van verdovende middelen wanneer daar klinische aanwijzingen voor zijn.
  Voor treinbestuurders van veertig jaar en ouder is een ECG in rust eveneens noodzakelijk.
  3.3. Frequentie van de bedrijfspsychologische onderzoeken
  Bedrijfspsychologische onderzoeken gebeuren om de tien jaar.
  Wat betreft de omvang van de psychologische beoordeling : het onderzoek moet nagaan of de treinbestuurder vanuit bedrijfspsychologisch oogpunt geen aandoeningen heeft, in het bijzonder op het gebied van operationele vaardigheden of enige relevante persoonlijkheidsfactor, welke de veilige uitoefening van de taken in de weg kunnen staan.
  Gezien om gevoegd te worden bij de wet van 30 augustus 2013 houdende de Spoorcodex.
  
Art. N8. Annexe 8. - Exigences médicales
  1. Exigences générales
  1.1. Les conducteurs de train ne doivent être sujets à aucune pathologie ou ne suivre aucun traitement médical ni prendre de médicaments ou substances susceptibles de causer :
  - une perte soudaine de conscience;
  - une baisse d'attention ou de concentration;
  - une incapacité soudaine;
  - une perte d'équilibre ou de coordination;
  - une limitation significative de mobilité.
  1.2. Vision
  Les exigences suivantes en matière de vision doivent être respectées :
  - acuité visuelle de loin, avec ou sans correction : 1,0 avec au minimum 0,5 pour l'oeil le moins performant;
  - lentilles correctives maximales : hypermétropie : + 5/myopie : - 8. Des dérogations sont autorisées dans des cas exceptionnels et après avoir consulté un spécialiste de l'oeil. Le médecin prend ensuite la décision;
  - vision de près et intermédiaire : suffisante, qu'elle soit assistée ou non;
  - les verres de contact et les lunettes sont autorisés s'ils sont contrôlés périodiquement par un spécialiste;
  - vision des couleurs normale : utilisation d'un test reconnu, tel que l'Ishihara, complété par un autre test reconnu si nécessaire;
  - [2 vision des deux yeux : effective;]2
  - vision des deux yeux : effective; non exigé lorsque l'intéressé possède une adaptation adéquate et a acquis une capacité de compensation suffisante. Uniquement dans le cas ou l'intéressé a perdu la vision binoculaire tandis qu'il exerçait déjà ses fonctions;
  - vision binoculaire : effective;
  - reconnaissance des signaux colorés : le test doit être fondé sur la reconnaissance de couleurs particulières et non sur des différences relatives;
  - sensibilité aux contrastes : bonne;
  - absence de maladie évolutive de l'oeil;
  - les implants oculaires, les kératotomies et les kératectomies sont autorisés à condition qu'ils soient vérifiés annuellement ou selon une périodicité fixée par le médecin;
  - capacité de résistance aux éblouissements;
  - les verres de contact colorés et les lentilles photochromatiques ne sont pas autorisés. Les lentilles dotées d'un filtre UV sont autorisées.
  1.3. Exigences en matière d'audition et d'expression verbale
  Audition suffisante confirmée par un audiogramme, c'est-à-dire :
  - audition suffisante pour mener une conversation téléphonique et être capable d'entendre des tonalités d'alerte et des messages radio.
  Les valeurs suivantes sont fournies à titre indicatif :
  - le déficit auditif ne doit pas être supérieur à 40 dB à 500 et 1 000 Hz;
  - le déficit auditif ne doit pas être supérieur à 45 dB à 2 000 Hz pour l'oreille ayant la conduction aérienne du son la moins bonne;
  - absence d'anomalie du système vestibulaire;
  - absence de trouble chronique du langage (à cause de la nécessité d'échanger des messages à haute et intelligible voix);
  - les appareils acoustiques sont autorisés dans des cas particuliers.
  1.4. Grossesse
  En cas de faible tolérance ou d'état pathologique, la grossesse doit être considérée comme une cause temporaire d'exclusion des conducteurs de train. Les dispositions légales protégeant les conductrices enceintes doivent être appliquées.
  2. Contenu minimal de l'examen avant affectation
  2.1. Examens médicaux :
  - examen médical général;
  - examens des fonctions sensorielles (vision, audition, perception des couleurs);
  - analyses de sang ou d'urine, portant notamment sur la détection du diabète sucré, dans la mesure où elles sont nécessaires pour évaluer l'aptitude physique du candidat;
  - électrocardiogramme (ECG) au repos;
  - recherche de substances psychotropes, telles des drogues illicites ou une médication psychotrope, et de l'abus d'alcool mettant en cause l'aptitude à exercer la fonction;
  - aptitudes cognitives : attention et concentration, mémoire, capacité de perception, raisonnement;
  - communication;
  - aptitudes psychomotrices : vitesse de réaction, coordination gestuelle.
  2.2. Examens psychologiques sur le plan professionnel
  Les examens psychologiques sur le plan professionnel ont pour but d'apporter une aide au niveau de l'affectation et de la gestion du personnel. Dans la détermination du contenu de l'évaluation psychologique, l'examen doit permettre de vérifier que le candidat conducteur de train ne présente pas de déficiences psychologiques professionnelles reconnues, en particulier au niveau des aptitudes opérationnelles, ou un facteur affectant sa personnalité, susceptibles de compromettre l'accomplissement de ses tâches en toute sécurité.
  3. Examens périodiques après affectation
  3.1. Fréquence des examens médicaux
  Les examens médicaux (aptitude physique) sont effectués tous les trois ans au moins jusqu'à l'âge de 55 ans, ensuite tous les ans.
  Cette fréquence doit être augmentée par la personne ou l'organisme reconnu en vertu de l'article 142, 9°, si l'état de santé du membre du personnel l'exige.
  Sans préjudice de l'article 137, alinéa 1er, un examen médical approprié est effectué s'il existe une raison de penser que le titulaire de la licence ou de l'attestation ne satisfait plus aux exigences médicales énoncées au point 1 de la présente annexe.
  L'aptitude physique est vérifiée régulièrement et après tout accident du travail ainsi qu'après toute interruption du travail due à un accident impliquant des personnes. La personne ou l'organisme reconnu en vertu de l'article 142, 9°, peut décider d'effectuer un examen médical approprié complémentaire, notamment après une période d'absence d'au moins trente jours pour cause de maladie. L'employeur doit demander à la personne ou à l'organisme reconnu en vertu de l'article 142, 9°, de vérifier l'aptitude physique du conducteur de train s'il a été amené à le relever de ses fonctions pour des raisons de sécurité.
  3.2. Contenu minimal de l'examen périodique médical
  Si le conducteur de train satisfait aux critères exigés lors de l'examen médical qui est effectué avant l'affectation, les examens périodiques doivent inclure au minimum :
  - un examen médical général;
  - un examen des fonctions sensorielles (vision, audition, perception des couleurs);
  - des analyses de sang ou d'urine pour la détection du diabète sucré et d'autres maladies en fonction des indications de l'examen clinique;
  - la recherche de drogues s'il existe des indications cliniques dans ce sens.
  En outre, pour les conducteurs de train âgés de plus de 40 ans, l'ECG au repos est aussi exigé.
  3.3. Fréquence des examens psychologiques [1 sur le plan professionnel]1
  Les examens psychologiques sont effectués tous les dix ans.
  Dans la détermination du contenu de l'évaluation psychologique, l'examen doit permettre de vérifier que le conducteur de train ne présente pas de déficiences psychologiques professionnelles reconnues, en particulier au niveau des aptitudes opérationnelles, ou un facteur affectant sa personnalité, susceptibles de compromettre l'accomplissement de ses tâches en toute sécurité.
  Vu pour être annexé à la loi du 30 août 2013 portant le Code ferroviaire.
  
Art. N9. Bijlage 9. - Opleidingsmethode
  De theoretische opleiding (klassikaal onderricht en demonstraties) en de praktijktraining (werkervaring, al dan niet onder toezicht rijden op [1 afgesloten sporen]1 voor opleidingsdoeleinden) moeten met elkaar in evenwicht zijn.
  Opleiding met behulp van computers is toegestaan voor het individueel aanleren van de exploitatievoorschriften, beveiligingssituaties, enz.
  Het gebruik van simulators is niet verplicht, maar kan nuttig zijn voor een doeltreffende opleiding van treinbestuurders; zij zijn vooral nuttig voor het oefenen in ongewone werkomstandigheden of voor voorschriften die minder vaak worden toegepast. Het bijzondere voordeel ligt in het feit dat zij "al doende leren" mogelijk maken met het reageren op gebeurtenissen die anders niet kunnen worden geoefend. In principe moeten simulators van de nieuwste generatie worden gebruikt.
  Wat betreft de verwerving van lijnkennis, verdient het de voorkeur dat de treinbestuurder door een andere treinbestuurder vergezeld wordt op een voldoende aantal reizen [1 op het betrokken traject]1, zowel overdag als s nachts. Het gebruik van video-opnamen van de trajecten zoals die in de stuurpost van de treinbestuurder te zien zijn, kan naast andere methoden als alternatieve training worden gebruikt.
  Gezien om gevoegd te worden bij de wet van 30 augustus 2013 houdende de Spoorcodex.
  
Art. N9. Annexe 9. - Méthode de formation
  Il convient d'assurer un bon équilibre entre la formation théorique (en classe et sous forme de démonstrations) et pratique (expérience du travail en conditions réelles, conduite sous et sans surveillance sur des voies qui sont bloquées aux fins de la formation).
  La formation assistée par ordinateur est autorisée pour l'apprentissage individuel des règles d'exploitation, des contextes de signalisation, etc.
  Quoique facultative, l'utilisation de simulateurs peut être utile pour une formation efficace des conducteurs de train. Ils sont particulièrement utiles pour former à des conditions de travail anormales ou à des règles qui sont rarement appliquées. Ils ont pour avantage de permettre aux conducteurs de train d'apprendre par la pratique à réagir à des situations qui ne peuvent faire l'objet d'une formation dans la réalité. En principe, les simulateurs de dernière génération doivent être utilisés.
  En ce qui concerne l'acquisition des connaissances sur les itinéraires, il faut privilégier l'approche qui consiste à ce que le conducteur de train accompagne un autre conducteur de train pendant un nombre approprié de voyages sur l'itinéraire concerné, de jour comme de nuit. Une autre forme d'apprentissage parmi d'autres consiste à utiliser des enregistrements vidéo des itinéraires réalisés depuis la cabine du conducteur de train.
  Vu pour être annexé à la loi du 30 août 2013 portant le Code ferroviaire.
Art. N10. [1 BIJLAGE 10 - ALGEMENE VAKKENNIS EN VERGUNNINGSVEREISTEN
   De doelstelling van de "algemene opleiding" is het verwerven van de "algemene" vakkennis over alle relevante aspecten van het beroep van treinbestuurder. In de algemene opleiding ligt de nadruk op de basiskennis en de principes die op alle types rollend materieel en alle infrastructuur van toepassing zijn. Deze opleiding kan zonder praktijkoefeningen worden georganiseerd.
   Kennis over specifieke types rollend materieel of van de veiligheids- en exploitatievoorschriften en -technieken voor specifieke infrastructuur maken geen deel uit van de "algemene" vakkennis. Opleiding over specifieke types rollend materieel of infrastructuur houdt verband met het bevoegdheidsbewijs van de treinbestuurder en is gespecificeerd in de bijlagen 11 en 12.
   De algemene opleiding bestrijkt de hierna in de punten (1) tot en met (7) genoemde onderwerpen. De volgorde daarvan is geen weerspiegeling van een bepaalde prioriteit.
   De in de lijst gebruikte werkwoorden verwijzen naar de aard van de door de leerling te verwerven vaardigheden. Hun betekenis wordt omschreven in de volgende tabel :
Art. N10. [1 ANNEXE 10 - CONNAISSANCES PROFESSIONNELLES GENERALES ET EXIGENCES CONCERNANT LA LICENCE
   L'objectif de la "formation générale" est de fournir aux conducteurs de train une compétence "générale" pour tous les aspects qui présentent de l'intérêt pour l'exercice de leur profession. A cet égard, la formation générale sera centrée sur les connaissances fondamentales et les principes applicables indépendamment du type et de la nature du matériel roulant ou des infrastructures. Elle peut ne pas comprendre d'exercices pratiques.
   Les compétences relatives à des types particuliers de matériel roulant ou aux règles et techniques de sécurité et opérationnelles applicables à une infrastructure donnée ne font pas partie des compétences "générales". La formation portant sur des compétences spécifiques à un matériel roulant ou à une infrastructure concerne les attestations du conducteur de train et est précisée dans les annexes 11 et 12.
   La formation générale couvre les sujets (1) à (7) ci-après. L'ordre dans lequel ils sont présentés n'est pas un ordre de priorité.
   Les verbes utilisés sur la liste indiquent la nature de la compétence que le stagiaire doit posséder. Leur signification est expliquée dans le tableau suivant :
Aard van de bekwaamheid Omschrijving
kennen, beschrijven beschrijft het verwerven van kennis (gegevens, feiten) die nodig is om verbanden te begrijpen
begrijpen, herkennen beschrijft de herkenning en het memoriseren van inhoud, de uitvoering van taken en het oplossen van problemen in een bepaald kader
Aard van de bekwaamheid Omschrijvingkennen, beschrijven beschrijft het verwerven van kennis (gegevens, feiten) die nodig is om verbanden te begrijpenbegrijpen, herkennen beschrijft de herkenning en het memoriseren van inhoud, de uitvoering van taken en het oplossen van problemen in een bepaald kader
(1) De taken van een treinbestuurder, de werkomgeving, de rol en verantwoordelijkheid binnen de spoorwegexploitatie, de professionele en persoonlijke eisen waaraan treinbestuurder dienen te voldoen :
   a) kennis van de algemene beginselen van de regelgeving en de toepasselijke regels inzake spoorwegexploitatie en -veiligheid (eisen en procedures voor de certificering van treinbestuurder, gevaarlijke goederen, milieubescherming, brandbescherming enz.);
   b) inzicht in de specifieke eisen en de professionele en persoonlijke vereisten (voornamelijk zelfstandig werken, ploegendiensten over perioden van meer dan 24 uur, individuele bescherming en veiligheid, lezen en bijwerken van documenten enz.);
   c) inzicht in het gedrag dat conform is met de veiligheidskritieke verantwoordelijkheden (geneesmiddelen, alcohol, drugs en andere psychoactieve stoffen, ziekte, stress, vermoeidheid enz);
   d) kennis van de referentie- en exploitatiedocumenten (bv. regelgevings-, route- en treinbestuurdershandboek enz.);
   e) kennis van de verantwoordelijkheden en functies van de betrokken personen;
   f) inzicht in het belang van nauwkeurigheid bij het uitvoeren van taken en in de werkmethoden;
   g) inzicht inzake veiligheid en gezondheid op het werk (bv. gedragsregels op of in de nabijheid van sporen, regels om tractie-eenheden op een veilige manier te betreden of te verlaten, ergonomie, regels inzake de veiligheid van het personeel, persoonlijke beschermingsmiddelen enz.);
   h) kennis van de gedragsregels en -principes (stressbeheer, extreme situaties enz.);
   i) kennis van de beginselen van milieubescherming (duurzaam rijden enz.).
   (2) Spoorwegtechnologieën, met inbegrip van de veiligheidsbeginselen die aan de exploitatievoorschriften ten grondslag liggen :
   a) kennis van de beginselen, voorschriften en regels inzake de veiligheid van de spoorwegexploitatie;
   b) kennis van de verantwoordelijkheden en functies van de betrokken personen.
   (3) Basisbeginselen van de spoorweginfrastructuur :
   a) kennis van de structurele en systeembeginselen en -parameters;
   b) kennis van de algemene kenmerken van sporen, stations, emplacementen;
   c) kennis op het gebied van spoorweginfrastructuur (bruggen, tunnels, wissels enz.);
   d) kennis inzake exploitatiemodi (enkelspoor, dubbelspoor enz.);
   e) kennis op het gebied van sein- en treinbesturingssystemen;
   f) kennis op het gebied van veiligheidsinstallaties (warmloperdetectoren, rookdetectors in tunnels enz.);
   g) kennis op het gebied van stroomvoorziening (bovenleiding, derde rail enz.).
   (4) Basisbeginselen van operationele communicatie :
   a) kennis van het belang van communicatie en de communicatiemiddelen en -procedures;
   b) inzicht in de personen waarmee de treinbestuurder contact moet opnemen en hun rol en verantwoordelijkheden (personeel van de infrastructuurbeheerder, verplichtingen van ander treinpersoneel enz.);
   c) inzicht in de situaties/voorvallen waarin moet worden gecommuniceerd;
   d) inzicht in communicatiemethoden.
   (5) Treinen, de samenstelling daarvan en de technische eisen voor tractievoertuigen, wagons, rijtuigen en ander rollend materieel :
   a) kennis van de algemene types tractie (elektrisch, diesel, stoom enz.) :
   b) de indeling van een voertuig kunnen beschrijven (bogies, wagenkast, stuurcabine, beveiligingssystemen enz.);
   c) kennis van de inhoud en het systeem van de opschriften;
   d) kennis van de documentatie inzake de treinsamenstelling;
   e) inzicht in het remsysteem en de prestatieberekening;
   f) de treinsnelheid kunnen bepalen;
   g) de maximumbelasting en -krachten op de koppeling kunnen bepalen;
   h) de werking en het doel van het treinbeheersysteem kennen.
   (6) Algemene risico's bij de exploitatie van de spoorwegen :
   a) inzicht in de diverse uitgangspunten van de verkeersveiligheid;
   b) kennis van de risico's van de spoorwegexploitatie en van de verschillende methoden om deze te beperken;
   c) kennis van veiligheidsincidenten en weten hoe men zich dient te gedragen/dient te reageren;
   d) kennis van de procedures die bij ongevallen met personen moeten worden gevolgd (bv. evacuatie).
   (7) Basisbeginselen van de fysica :
   a) inzicht in de op de wielen uitgeoefende krachten;
   b) kennis van de factoren die de acceleratie- en remprestaties beïnvloeden (weersomstandigheden, remuitrusting, adhesieproblemen, zandstrooien enz.);
   c) kennis van de beginselen van elektriciteit (circuits, meten van voltage enz.)".]1
  
Nature de la compétence Description
connaître, décrire décrit l'acquisition des connaissances (données, faits) requises pour comprendre les relations
comprendre, définir décrit la définition et la mémorisation du contexte, de l'exécution des tâches et de la résolution de problèmes dans un cadre défini
Nature de la compétence Descriptionconnaître, décrire décrit l'acquisition des connaissances (données, faits) requises pour comprendre les relationscomprendre, définir décrit la définition et la mémorisation du contexte, de l'exécution des tâches et de la résolution de problèmes dans un cadre défini
(1) Les tâches du conducteur de train, son environnement de travail, son rôle et sa responsabilité dans l'exploitation de transport ferroviaire, les exigences des tâches du conducteur du point de vue professionnel et personnel
   a) connaître les grandes lignes de la législation et des règles applicables en matière d'exploitation et de sécurité ferroviaires (exigences et procédures relatives à la certification des conducteurs de train, aux marchandises dangereuses, à la protection de l'environnement, à la protection contre l'incendie, etc.);
   b) comprendre les exigences spécifiques et les exigences professionnelles et personnelles (travailler en grande partie seul, travail posté sur des périodes de 24 heures, protection et sûreté individuelles, lecture et mise à jour de documents, etc.);
   c) comprendre les comportements qui sont compatibles avec des responsabilités déterminantes pour la sécurité (médicaments, alcool, drogues et autres substances psychoactives, maladie, stress, fatigue, etc.);
   d) recenser les documents de référence et d'exploitation (par exemple, le livret de procédures, le livret de ligne, le manuel du conducteur, etc.);
   e) définir les responsabilités et les fonctions des personnes concernées;
   f) comprendre l'importance de la précision dans l'exécution des tâches et les méthodes de travail;
   g) comprendre la santé et la sécurité au travail (par exemple, le code de conduite sur les voies et à proximité des voies, code de conduite pour monter et descendre des engins moteurs en toute sécurité, ergonomie, règles de sécurité du personnel, équipements de protection individuelle, etc.);
   h) connaître les aptitudes et les principes en matière de comportement (gestion du stress, situations extrêmes, etc.);
   i) connaître les principes de la protection de l'environnement (conduite durable, etc.).
   (2) Technologies ferroviaires, y compris les principes de sécurité qui sous-tendent les règles d'exploitation
   a) connaître les principes, dispositions et règlements concernant la sécurité du transport ferroviaire;
   b) définir les responsabilités et les fonctions des personnes concernées.
   (3) Principes de base de l'infrastructure ferroviaire
   a) connaître les principes et paramètres systémiques et structurels;
   b) connaître les caractéristiques générales des voies, des gares ferroviaires, des gares de triage;
   c) connaître les ouvrages d'art ferroviaires (ponts, tunnels, aiguillages, etc.);
   d) connaître les modes d'exploitation (voie unique ou double voie, etc.);
   e) connaître les systèmes de signalisation et de contrôle des trains;
   f) connaître les installations de sécurité (détecteurs de boîte chaude, détecteurs de fumée dans les tunnels, etc.);
   g) connaître l'alimentation en énergie de traction (caténaire, troisième rail, etc.).
   (4) Principes de base de la communication opérationnelle
   a) connaître l'importance de la communication, ainsi que les moyens et procédures de communication;
   b) identifier les personnes que le conducteur doit contacter, ainsi que leurs rôle et responsabilité (personnel du gestionnaire de l'infrastructure, tâches du personnel des autres trains, etc.);
   c) déterminer les situations/causes qui exigent de mettre en place une communication;
   d) comprendre les méthodes de communication.
   (5) Les trains, leurs éléments constitutifs et les exigences techniques relatives aux engins moteurs, aux wagons, aux voitures et au reste du matériel roulant
   a) connaître les types génériques de systèmes de traction (électrique, diesel, vapeur, etc.);
   b) décrire les caractéristiques d'un véhicule (bogies, organes, cabine de conduite, systèmes de protection, etc.);
   c) connaître le contenu et les systèmes de marquage;
   d) connaître la documentation sur la composition du train;
   e) comprendre les systèmes de freinage et le calcul des performances;
   f) déterminer la vitesse du train;
   g) déterminer la charge maximale et les forces à l'attelage;
   h) connaître le fonctionnement et l'objet du système de gestion du train.
   (6) Risques liés à l'exploitation ferroviaire en général
   a) connaître les principes régissant la sécurité du trafic;
   b) connaître les risques liés à l'exploitation ferroviaire et les différents moyens à déployer pour les maîtriser;
   c) connaître les incidents de sécurité et comprendre le comportement/la réaction requis;
   d) connaître les procédures applicables en cas d'accident impliquant des personnes (par exemple évacuation).
   (7) Principes de base de la physique
   a) comprendre les forces au niveau de la roue;
   b) identifier les facteurs qui influencent les performances d'accélération et de freinage (conditions météorologiques, équipement de freinage, adhérence réduite, sablage, etc.);
   c) comprendre les principes de l'électricité (circuits, tension de mesure, etc.).]1
  
Art. N11. Bijlage 11. - Vakkennis betreffende het rollend materieel en eisen betreffende het bevoegdheidsbewijs
  Na een specifieke opleiding inzake rollend materieel dient een treinbestuurder in staat te zijn de volgende taken naar behoren te verrichten :
  1. Voorgeschreven testen en controles voor het vertrek
  Een treinbestuurder dient in staat te zijn om :
  - zich de benodigde documentatie en uitrusting te verschaffen;
  - de capaciteit van het tractievoertuig te verifiëren;
  - de op de boorddocumenten van het tractievoertuig vermelde gegevens te verifiëren;
  - zich aan de hand van de voorgeschreven controles en testen ervan te vergewissen dat het tractievoertuig over de noodzakelijke trekkracht beschikt en dat de veiligheidsvoorzieningen functioneren;
  - de aanwezigheid en het functioneren van de voorgeschreven voorzieningen voor bescherming en veiligheid bij het overdragen van een tractievoertuig of bij de aanvang van een rit te controleren;
  - het eventueel voorgeschreven en gebruikelijke preventieve onderhoud te verrichten.
  2. Kennis van het rollend materieel
  Om een tractievoertuig te besturen dient een treinbestuurder vertrouwd te zijn met alle bedieningsknoppen, pedalen en meters die hem ter beschikking staan, in het bijzonder die met betrekking tot :
  - de tractie;
  - het remsysteem;
  - de verkeersveiligheidsvoorzieningen.
  Teneinde onregelmatigheden aan het rollend materieel te detecteren en te lokaliseren en deze te rapporteren en te bepalen welke herstellingen noodzakelijk zijn alsmede, in bepaalde gevallen, zelf in te grijpen, dient hij vertrouwd te zijn met wat volgt :
  - mechanische constructies;
  - vering en koppeling;
  - loopwerk;
  - veiligheidsvoorzieningen;
  - brandstofreservoirs, voeding- en brandstofsysteem, uitlaatsysteem;
  - de in en op het rollend materieel aangebrachte merktekens, met name de gebruikte symbolen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen;
  - systemen voor de registratie van ritten;
  - elektrische en pneumatische systemen;
  - stroomafnemers en hoogspanningsinstallaties;
  - communicatiemiddelen (radiosysteem, enz.);
  - de regeling van ritten;
  - de verschillende onderdelen van het rollend materieel, hun functies en de bijzondere voorzieningen van het getrokken materieel, met name het noodremsysteem op basis van het ontluchten van de treinleiding;
  - remsysteem;
  - de voor tractievoertuigen specifieke onderdelen;
  - tractieketen, motoren en transmissie.
  3. Remproef
  Een treinbestuurder dient in staat te zijn om :
  - voor vertrek te verifiëren en te berekenen of [2 het remvermogen]2 van de trein overeenkomt met het voor [2 de lijn]2 voorgeschreven remvermogen, zoals vermeld op de boorddocumenten;
  - de werking van de verschillende onderdelen van het remsysteem van het tractievoertuig en in voorkomend geval van de trein te controleren, vóór het in beweging zetten, bij het eerste vertrek en tijdens de rit.
  4. Bedieningswijze en maximumsnelheid van de trein, afhankelijk van de karakteristieken van de lijn
  Een treinbestuurder dient in staat te zijn om :
  - kennis te nemen van de informatie aan hem vóór elk vertrek verstrekt;
  - de bedieningswijze en de maximumsnelheid van de trein te bepalen op basis van variabele gegevens, bijvoorbeeld snelheidsbeperkingen, weersomstandigheden of wijzigingen aan de seingeving.
  5. Bediening van de trein zonder beschadiging van installaties of rollend materieel
  Een treinbestuurder dient in staat te zijn om :
  - alle aanwezige bedieningsknoppen en pedalen volgens de geldende voorschriften te gebruiken;
  - de trein, rekening houdend met de adhesie- en vermogensbeperkingen in beweging te zetten;
  - de remmen te bedienen voor het afremmen en tot stilstand brengen van de trein met inachtneming van het rollend materieel en de installaties.
  6. Onregelmatigheden
  Een treinbestuurder dient :
  - in staat te zijn om ongebruikelijke gebeurtenissen op te merken met betrekking tot het besturen van de trein;
  - in staat te zijn om de trein te inspecteren en aanwijzingen van onregelmatigheden op te merken en te onderscheiden en ook erop te reageren afhankelijk van de ernst van de zaak en te proberen ze te verhelpen, waarbij altijd voorrang moet worden gegeven aan de veiligheid van personen en het spoorwegverkeer;
  - vertrouwd te zijn met de aanwezige beschermings- en communicatievoorzieningen.
  7. Storingen en exploitatieongevallen, brand en ongevallen met personen
  Een treinbestuurder dient :
  - in staat te zijn om maatregelen te treffen [1 om]1 de trein te beschermen en om assistentie te vragen bij ongevallen met personen in de trein;
  - in staat te zijn om te bepalen of de trein gevaarlijke stoffen vervoert en deze te identificeren aan de hand van de treindocumenten en wagonlijsten;
  - de procedures te kennen om, in geval van nood, een evacuatie van een trein uit te voeren.
  8. Voorwaarden voor de hervatting van de reis na een storing van het rollend materieel
  Na een storing dient een treinbestuurder in staat te zijn om te beoordelen of en in welke omstandigheden de reis met het betrokken materieel kan worden voortgezet, teneinde de infrastructuurbeheerder zo spoedig mogelijk van deze omstandigheden op de hoogte te brengen.
  Treinbestuurders moeten in staat zijn te bepalen of er een deskundig oordeel nodig is alvorens de trein verder kan rijden.
  9. Stilzetten van de trein
  Een treinbestuurder dient in staat te zijn de nodige maatregelen te treffen om te voorkomen dat de trein of een deel daarvan ontijdig in beweging komt, zelfs in de meest ongunstige omstandigheden.
  Bovendien moet een treinbestuurder weten welke maatregelen hij moet nemen om een ontijdig in beweging geraakte trein of een deel daarvan tot stilstand te brengen.
  Gezien om gevoegd te worden bij de wet van 30 augustus 2013 houdende de Spoorcodex.
  
Art. N11. Annexe 11. - Connaissances professionnelles relatives au matériel roulant et exigences concernant l'attestation
  Après avoir suivi la formation spécifique concernant le matériel roulant, le conducteur de train doit être capable d'accomplir les tâches ci-après.
  1. Essais et vérifications prescrits avant le départ
  Le conducteur de train doit être capable :
  - réunir la documentation et les équipements nécessaires;
  - de vérifier les capacités de l'engin moteur;
  - de vérifier les informations consignées dans les documents à bord de l'engin moteur;
  - de s'assurer, en effectuant les vérifications et les essais prescrits, que l'engin moteur est en mesure de fournir l'effort de traction nécessaire et que les équipements de sécurité fonctionnent;
  - de vérifier que les équipements de protection et de sécurité prescrits sont en place et fonctionnent lors des relais de traction et au début du voyage;
  - les opérations courantes d'entretien préventif.
  2. Connaissance du matériel roulant
  Pour conduire une locomotive, le conducteur de train doit connaître l'ensemble des organes de commande et des indicateurs mis à sa disposition, en particulier ceux qui concernent :
  - la traction;
  - le freinage;
  - les éléments liés à la sécurité du trafic.
  Pour pouvoir repérer et localiser une anomalie sur le matériel roulant, la signaler et déterminer les réparations à effectuer et, dans certains cas, intervenir lui-même, il doit connaître :
  - les structures mécaniques;
  - les organes de suspension et de liaison;
  - les organes de roulement;
  - les équipements de sécurité;
  - les réservoirs à combustible, les dispositifs d'alimentation en combustible, les organes d'échappement;
  - le dispositif de marquage, figurant à l'intérieur et à l'extérieur du matériel roulant, notamment les symboles utilisés pour le transport de marchandises dangereuses;
  - les systèmes d'enregistrement des trajets;
  - les systèmes électriques et pneumatiques;
  - les organes de captage du courant et les équipements haute tension;
  - les moyens de communication (radio sol-train, etc.);
  - l'organisation des trajets;
  - les éléments constitutifs du matériel roulant, leur rôle et les dispositifs propres au matériel remorqué, notamment le système d'arrêt du train par la mise à l'atmosphère de la conduite du frein;
  - les organes de freinage;
  - les éléments propres aux engins moteurs;
  - la chaîne de traction, les moteurs et les transmissions.
  3. Essais de frein
  Le conducteur de train doit être capable :
  - de vérifier et de calculer, avant le départ, si la puissance de freinage du train correspond à la puissance de freinage requise pour la ligne, telle que spécifiée dans les documents du véhicule;
  - de vérifier le fonctionnement des différents éléments du dispositif de freinage de l'engin moteur et du train, le cas échéant, avant toute mise en mouvement, lors de la mise en marche et pendant la marche.
  4. Type de marche et vitesse limite du train en fonction des caractéristiques de la ligne
  Le conducteur de train doit être capable :
  - de prendre connaissance des informations qui lui sont transmises avant le départ;
  - de déterminer le type de marche et la vitesse limite de son train en fonction de paramètres tels que les limitations de vitesse, les conditions météorologiques ou tout changement dans la signalisation.
  5. Maîtrise de la conduite du train de façon à ne pas dégrader les installations ou le matériel roulant
  Le conducteur de train doit être capable :
  - d'utiliser l'ensemble des dispositifs de commande qui sont à sa disposition en respectant les règles applicables;
  - de faire démarrer le train en respectant les contraintes d'adhérence et de puissance;
  - d'utiliser le frein pour les ralentissements et les arrêts, en tenant compte du matériel roulant et des installations.
  6. Anomalies
  Le conducteur de train doit :
  - pouvoir être attentif aux événements inhabituels concernant la conduite du train;
  - être capable d'inspecter le train et d'identifier les signes d'anomalies, de les différencier, de réagir selon leur importance relative et d'essayer d'y remédier, en privilégiant, dans tous les cas, la sécurité du trafic ferroviaire et des personnes;
  - connaître les moyens de protection et de communication disponibles.
  7. Incidents et accidents d'exploitation, incendies et accidents affectant des personnes
  Le conducteur de train doit :
  - être capable de prendre des mesures de protection et d'alerte en cas d'accident affectant des personnes à bord du train;
  - être capable de déterminer si le train transporte des matières dangereuses et de les reconnaître sur la base des documents du train ou de la liste des wagons;
  - connaître la procédure d'évacuation d'un train en cas d'urgence.
  8. Conditions de reprise de marche après un incident concernant le matériel roulant
  Après un incident, le conducteur de train doit être capable d'évaluer si le matériel peut continuer à fonctionner et dans quelles conditions, de manière à communiquer dès que possible ces conditions au gestionnaire de l'infrastructure.
  Le conducteur de train doit pouvoir déterminer s'il faut procéder à une expertise avant que le train ne reprenne sa route.
  9. Immobilisation du train
  Le conducteur de train doit être capable de prendre les mesures nécessaires pour que le train, ou des parties de celui-ci, ne se mette pas en mouvement inopinément, même dans les situations les plus délicates.
  En outre, le conducteur de train doit connaître les mesures permettant d'arrêter un train, ou des parties de celui-ci, dans le cas où il a commencé à se mettre en mouvement inopinément.
  Vu pour être annexé à la loi du 30 août 2013 portant le Code ferroviaire.
Art. N12. Bijlage 12. - Vakkennis betreffende infrastructuur en eisen betreffende het bevoegdheidsbewijs
  Infrastructuuraspecten
  1. [2 Remproeven
   Een treinbestuurder dient in staat te zijn om voor vertrek te verifiëren en te berekenen of het remvermogen van de trein overeenkomt met het voor de lijn voorgeschreven remvermogen, zoals vermeld op de boorddocumenten.]2

  2. Bedieningswijze en maximumsnelheid van de trein, afhankelijk van de karakteristieken van de lijn
  Een treinbestuurder dient in staat te zijn om :
  - kennis te nemen van de informatie die hem wordt verstrekt, zoals snelheidsbeperkingen of eventueel wijzigingen aan de seingeving;
  - de bedieningswijze en maximumsnelheid van de trein te bepalen, op basis van de kenmerken van de lijn.
  3. Lijnkennis
  Een treinbestuurder dient in staat te zijn te anticiperen en op adequate wijze te reageren wat veiligheid en andere prestaties betreft, zoals punctualiteit en economische aspecten. Daartoe dient hij te beschikken over een gedegen kennis van de [2 lijnen]2 en de installaties op zijn route en ook van de eventueel vastgestelde omleidingsroutes.
  De volgende elementen zijn van belang :
  - de exploitatievoorschriften (spoorverandering, verkeer op enkelspoor, enz.);
  - kennis te nemen van de uit te voeren opdracht en de bijbehorende documenten;
  - de identificatie van de [2 sporen]2 die voor een bepaalde exploitatiewijze kunnen worden gebruikt;
  - de toepasselijke verkeersvoorschriften en de betekenis van het seingevingssysteem;
  - het exploitatieregime;
  - het type van blokstelsel en de bijbehorende voorschriften;
  - de stationsnamen en de positie en herkenning op afstand van de stations en seinposten, zodat het rijgedrag hierop kan worden afgestemd;
  - de signalering van de overgang op andere exploitatie- of [2 elektrische]2 voedingssystemen;
  - de maximale snelheden voor de verschillende categorieën treinen waarop de treinbestuurder rijdt;
  - het topografische profiel;
  - bijzondere remsituaties, zoals op lijnen met steile afdalingen;
  - bijzonderheden met betrekking tot de exploitatie : bijzondere seinen of borden, voorwaarden voor vertrek, enz.
  4. Veiligheidsvoorschriften
  Een treinbestuurder dient in staat te zijn om :
  - de trein pas in beweging te zetten wanneer aan alle reglementaire voorwaarden is voldaan (dienstregeling, vertrekbevel of sein, het eventuele openen van de seinen, enz.);
  - de seinen langs het spoor en in de stuurpost waar te nemen, onmiddellijk foutloos te interpreteren en de voorgeschreven handelingen uit te voeren;
  - veilig te rijden op grond van de specifieke exploitatievoorschriften : opgelegde bijzondere ritinstructies zoals : tijdelijke snelheidsbeperkingen, tegenspoor rijden, toelating om een gesloten sein te passeren in geval van nood, rangeren, rotaties, rijden op werkspoor, enz.;
  - op de volgens de dienstregeling opgenomen of de bijkomende plaatsen te stoppen en zo nodig de bijkomende taken in verband met de dienstverlening aan de reizigers op deze stopplaatsen uit te voeren, met name het openen en sluiten van de deuren.
  5. Besturing van de trein
  Een treinbestuurder dient in staat te zijn om :
  - op elk moment zijn positie op de bereden [2 lijn]2 te kennen;
  - de remmen te gebruiken voor het afremmen en tot stilstand brengen van de trein met inachtneming van het rollend materieel en de installaties;
  - de rijstijl van de trein af te stemmen op de dienstregeling en de eventuele Richtlijnen om energie te besparen, door rekening te houden met de eigenschappen van het tractievoertuig, de trein, [2 de lijn]2 en de omgeving.
  6. Onregelmatigheden
  Een treinbestuurder dient in staat te zijn om :
  - te letten, voor zover de bediening van de trein dit toelaat, op ongebruikelijke gebeurtenissen met betrekking tot de infrastructuur en in de omgeving : seinen, spoor, bovenleiding, spoorwegovergangen, omgeving van het spoor en overig verkeer;
  - de afstand waarmee obstakels zijn overschreden, in te schatten;
  - de infrastructuurbeheerder zo snel mogelijk op de hoogte te stellen van de plaats en de aard van de geconstateerde onregelmatigheden en zich ervan te vergewissen dat zijn gesprekspartner hem goed begrijpt;
  - met inachtneming van de infrastructuur waar nodig de veiligheid van het verkeer en personen te waarborgen of maatregelen te nemen om ze te waarborgen.
  7. Storingen en ongevallen, brand en ongevallen met personen
  Een treinbestuurder dient in staat te zijn om :
  - maatregelen te treffen om de trein te beschermen en om assistentie te vragen bij ongevallen met personen;
  - te bepalen waar de trein bij brand tot stilstand dient te worden gebracht en zo nodig de evacuatie van de reizigers te bevorderen;
  - zo snel mogelijk bruikbare inlichtingen te verschaffen over de brand in het geval dat hij deze niet zelf kan blussen;
  - de infrastructuurbeheerder zo spoedig mogelijk over deze omstandigheden op de hoogte te brengen;
  - te beoordelen, rekening houdend met de staat van de infrastructuur, of en in welke omstandigheden de reis met het betrokken materieel kan worden voortgezet.
  [2 8. [3 Taal.
   Zie de Verordening (EU) 2019/554 van de Commissie van 5 april 2019 tot wijziging van bijlage VI bij Richtlijn 2007/59/EG van het Europees Parlement en de Raad inzake de certificering van machinisten die locomotieven en treinen op het spoorwegsysteem van de Gemeenschap besturen.]3
]2

  
Art. N12. Annexe 12. - Connaissances professionnelles relatives aux infrastructures et exigences concernant l'attestation
  Questions relatives aux infrastructures
  1. Essais de frein
  Le conducteur de train doit être capable de vérifier et de calculer, avant le départ, que la puissance de freinage du train correspond à la puissance de freinage requise pour la ligne, telle que spécifiée dans les documents du véhicule.
  2. Type de marche et vitesse limite en fonction des caractéristiques de la ligne
  Le conducteur de train doit être capable :
  - de prendre connaissance des informations qui lui sont transmises, telles que les limitations de vitesse ou tout changement dans la signalisation;
  - de déterminer le type de marche et la vitesse limite de son train en fonction des caractéristiques de la ligne.
  3. Connaissance de la ligne
  Le conducteur de train doit être capable d'anticiper et de réagir de manière adaptée en termes de sécurité et d'autres prestations, telles la ponctualité et des éléments d'ordre économique. En conséquence, il doit avoir une bonne connaissance des lignes et des installations ferroviaires parcourues et de tout autre itinéraire convenu.
  Les éléments suivants sont importants :
  - les conditions d'exploitation (changements de voie, circulation dans un seul sens, etc.);
  - la vérification de l'itinéraire et la consultation des documents correspondants;
  - la détermination des voies utilisables pour un mode d'exploitation donné;
  - les règles de circulation applicables et la signification du système de signalisation;
  - le régime d'exploitation;
  - le système de cantonnement et les règles associées;
  - le nom des gares ainsi que la position et le repérage à distance des gares et postes d'aiguillage, afin d'adapter la conduite en conséquence;
  - la signalisation de transition entre différents systèmes d'exploitation ou d'alimentation en énergie;
  - les vitesses limites pour les différentes catégories de trains conduits par l'agent;
  - les profils topographiques;
  - les conditions particulières de freinage telles que celles applicables aux lignes à fortes pentes;
  - les particularités d'exploitation : signaux ou panneaux particuliers, conditions de départ, etc.
  4. Règles de sécurité
  Le conducteur de train doit être capable :
  - de ne mettre le train en marche qu'une fois que les conditions requises sont remplies (horaire, ordre ou signal de départ, ouverture des signaux le cas échéant, etc.);
  - d'observer la signalisation latérale et en cabine, de la décoder sans hésitation ni erreur et d'exécuter les actions prescrites;
  - de conduire le train en toute sécurité, en adéquation avec les modes particuliers d'exploitation : marches particulières sur ordre, limitations temporaires de vitesse, circulation en sens contraire, autorisation de franchissement de signaux fermés en cas d'urgence, manoeuvres, rotations, circulation sur voie de chantier, etc.;
  - de respecter les arrêts prévus à l'horaire et les arrêts supplémentaires, et d'effectuer, si nécessaire, les opérations supplémentaires liées au service des voyageurs lors de ces arrêts, notamment l'ouverture et la fermeture des portes.
  5. Conduite du train
  Le conducteur de train doit être capable :
  - de connaître à tout moment sa position sur la ligne qu'il parcourt;
  - d'utiliser les freins pour les ralentissements et les arrêts, en tenant compte du matériel roulant et des installations;
  - de régler la marche du convoi conformément à l'horaire et aux consignes éventuelles d'économie d'énergie, en tenant compte des caractéristiques de l'engin moteur, du train, de la ligne et de l'environnement.
  6. Anomalies
  Le conducteur de train doit être capable :
  - d'être attentif, dans la mesure où la conduite du train le permet, aux événements inhabituels concernant l'infrastructure et l'environnement : signaux, voie, alimentation en énergie, passages à niveau, abords de la voie, autre matériel en circulation;
  - d'évaluer la distance de franchissement des obstacles;
  - de communiquer au gestionnaire de l'infrastructure, dans les meilleurs délais, l'emplacement et la nature des anomalies constatées, en s'assurant d'être bien compris par son interlocuteur;
  - en tenant compte de l'infrastructure, de garantir la sécurité du trafic et des personnes ou de prendre des mesures pour la garantir, en tant que de besoin.
  7. Incidents et accidents d'exploitation, incendies et accidents affectant des personnes
  Le conducteur de train doit être capable :
  - de prendre des mesures pour protéger le train et de solliciter une assistance en cas d'accident affectant des personnes;
  - de déterminer le lieu d'arrêt du train à la suite d'un incendie et de faciliter l'évacuation des voyageurs si nécessaire;
  - de communiquer, dès que possible, des renseignements utiles sur l'incendie s'il ne peut le maîtriser lui-même;
  - de communiquer, dès que possible, ces conditions au gestionnaire de l'infrastructure;
  - d'évaluer si l'infrastructure permet au véhicule de continuer à rouler et dans quelles conditions.
  [2 8. [4 Langue.
   Voir le Règlement (UE) 2019/554 de la Commission du 5 avril 2019 modifiant l'annexe VI de la directive 2007/59/CE du Parlement européen et du Conseil relative à la certification des conducteurs de train assurant la conduite de locomotives et de trains sur le système ferroviaire dans la Communauté.]4
]2

  
Art. N13. Bijlage 13. - Frequentie van de examens
  De minimumfrequentie van de examens is als volgt :
  a. taalkennis (uitsluitend voor anderstaligen) : om de drie jaar of na elke afwezigheid van meer dan één jaar;
  b. kennis van de infrastructuur (met inbegrip van kennis van de reisweg en de exploitatievoorschriften) : om de drie jaar of na elke afwezigheid van meer dan één jaar op de betrokken reisweg;
  c. kennis van rollend materieel : iedere drie jaar.
  Gezien om gevoegd te worden bij de wet van 30 augustus 2013 houdende de Spoorcodex.
Art. N13. Annexe 13. - Fréquence des examens
  La fréquence minimale des examens est la suivante :
  a. connaissances linguistiques (uniquement dans le cas où il ne s'agit pas de la langue maternelle de l'intéressé) : tous les trois ans ou après toute absence de plus d'un an;
  b. connaissance de l'infrastructure (y compris des itinéraires et des règles d'exploitation) : tous les trois ans ou après toute absence de plus d'un an sur l'itinéraire concerné;
  c. connaissance du matériel roulant : tous les trois ans.
  Vu pour être annexé à la loi du 30 août 2013 portant le Code ferroviaire.
Art. N14. [1 BIJLAGE 14 - ONDERDELEN VAN HET SPOORWEGSYSTEEM VAN DE UNIE
   1. Netwerk
   Voor de toepassing van de Spoorcodex omvat het netwerk van de Unie de volgende onderdelen:
   a) speciaal aangelegde hogesnelheidslijnen die zijn uitgerust voor snelheden van doorgaans 250 km/u of meer;
   b) lijnen die speciaal zijn aangepast en uitgerust voor snelheden van ongeveer 200 km/u;
   c) lijnen die speciaal zijn aangepast voor hoge snelheden en die een specifiek karakter hebben omdat de snelheid per geval moet worden afgestemd op topografische belemmeringen, het reliëf of de bebouwing. Onder deze categorie vallen de verbindingslijnen tussen hogesnelheids- en conventionele netwerken, de lijnen door stations, verbindingslijnen die toegang geven tot terminals, remises, enz. die op conventionele snelheid worden gebruikt door "hogesnelheid" rollend materieel;
   d) conventionele lijnen voor personenvervoer;
   e) conventionele lijnen voor gemengd vervoer (personen en goederen);
   f) conventionele lijnen voor het goederenvervoer;
   g) knooppunten voor het personenvervoer;
   h) knooppunten voor het goederenvervoer, met inbegrip van intermodale terminals;
   i) verbindingslijnen tussen bovengenoemde onderdelen.
   Dit netwerk omvat verkeersleidings-, plaatsbepalings- en navigatiesystemen, technische installaties voor gegevensverwerking en telecommunicatie ten behoeve van het langeafstandsreizigersvervoer en het goederenvervoer over dit netwerk om een veilige en soepele exploitatie van het netwerk en een efficiënte verkeersleiding te waarborgen.
   2. Voertuigen
   Voor de toepassing van de Spoorcodex omvat het begrip Unievoertuigen alle voertuigen die geschikt zijn om te rijden op het gehele spoorwegnetwerk van de Unie of op een gedeelte daarvan:
   a) locomotieven en rollend materieel bestemd voor vervoer van reizigers met inbegrip van al dan niet elektrische treinstellen, al dan niet elektrische motortreinstellen voor het vervoer van reizigers, en rijtuigen voor het vervoer van reizigers;
   b) goederenwagons, met inbegrip van voertuigen met een lage bodem voor het hele netwerk en voertuigen voor het vervoer van vrachtwagens;
   c) bijzondere voertuigen, zoals spoormachines.
   De lijst van voertuigen omvat de voertuigen die speciaal ontworpen zijn om te rijden op de diverse types hogesnelheidslijnen beschreven in punt 1.]1

  
Art. N14. [1 ANNEXE 14 - ELEMENTS DU SYSTEME FERROVIAIRE DE L'UNION
   1. Réseau
   Aux fins du présent Code ferroviaire, le réseau de l'Union comporte les éléments suivants:
   a) lignes spécialement construites pour la grande vitesse, équipées pour des vitesses généralement égales ou supérieures à 250 km/h;
   b) lignes spécialement aménagées pour la grande vitesse, équipées pour des vitesses de l'ordre de 200 km/h;
   c) lignes spécialement aménagées pour la grande vitesse, qui ont un caractère spécifique en raison de contraintes topographiques, de relief ou d'environnement urbain, auxquelles la vitesse doit chaque fois être adaptée. Cette catégorie comporte les lignes d'interconnexion entre les réseaux à grande vitesse et conventionnel, les traversées de gares, les accès aux terminaux, aux dépôts, etc., qui sont parcourues à vitesse conventionnelle par du matériel roulant " grande vitesse ";
   d) lignes conventionnelles prévues pour le trafic des voyageurs;
   e) lignes conventionnelles prévues pour le trafic mixte (voyageurs et marchandises);
   f) lignes conventionnelles prévues pour le trafic des marchandises;
   g) noeuds " voyageurs ";
   h) noeuds " marchandises ", y compris les terminaux intermodaux;
   i) voies de raccordement entre les éléments ci-dessus.
   Ce réseau comporte les systèmes de gestion du trafic, de localisation et de navigation, les installations techniques de traitement des données et de télécommunication prévues pour le transport de voyageurs à longue distance et le transport de marchandises sur ce réseau afin de garantir l'exploitation sûre et harmonieuse du réseau et la gestion efficace du trafic.
   2. Véhicules
   Aux fins du présent Code ferroviaire, les véhicules de l'Union comprennent tous les véhicules aptes à circuler sur tout ou partie du réseau de l'Union:
   a) les locomotives et le matériel roulant destiné au transport de voyageurs, y compris les motrices de traction à moteurs thermiques ou électriques, les rames automotrices à moteurs thermiques ou électriques, ainsi que les voitures,
   b) les wagons de marchandises, y compris les véhicules surbaissés conçus pour l'ensemble du réseau de de l'Union et les véhicules conçus pour le transport de camions,
   c) les véhicules spéciaux, tels que les engins de voie.
   La liste des véhicules comprend ceux qui sont spécialement conçus pour circuler sur les différents types de lignes à grande vitesse décrites au point 1.]1

  
Art. N15. [1 BIJLAGE 15 - SUBSYSTEMEN
   1. Lijst van subsystemen
   Voor de toepassing van de Spoorcodex wordt het spoorwegsysteem van de Unie onderverdeeld in subsystemen die overeenkomen met:
   a) gebieden van structurele aard:
   - infrastructuur,
   - energie,
   - baanuitrusting voor besturing en seingeving,
   - boorduitrusting voor besturing en seingeving,
   - rollend materieel;
   b) gebieden van functionele aard:
   - exploitatie en verkeersleiding,
   - onderhoud,
   - telecommunicatietoepassingen voor personen- en goederenvervoer.
   2. Beschrijving van de subsystemen
   Voor elk subsysteem of onderdeel van een subsysteem stelt het Bureau bij de opstelling van de betrokken ontwerp- TSI de lijst op van de interoperabiliteitsonderdelen en -aspecten. Onder voorbehoud van de vaststelling van deze aspecten en interoperabiliteitsonderdelen of van de volgorde waarin de subsystemen aan TSI's worden onderworpen, omvatten de subsystemen:
   2.1. Infrastructuur
   Spoorbaan, wissels, overwegen, kunstwerken (bruggen, tunnels enz.), spoorgebonden stationselementen (waaronder ingangen, perrons, toegangszones, diensten, toiletten en informatiesystemen, alsmede de toegankelijkheid daarvan voor personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit), veiligheids- en beschermingsinstallaties.
   2.2. Energie
   Het elektrificatiesysteem, met inbegrip van de bovenleiding, de baancomponent van het systeem voor het meten van het verbruik van en de voorziening met elektriciteit.
   2.3. Baanuitrusting voor besturing en seingeving
   Alle uitrusting op en langs de spoorbaan die nodig is om de veiligheid te waarborgen en voor de besturing en controle van de bewegingen van de op het netwerk toegelaten treinen.
   2.4. Boorduitrusting voor besturing en seingeving
   Alle boorduitrusting die nodig is om de veiligheid te waarborgen en voor de besturing en controle van de bewegingen van de op het netwerk toegelaten treinen.
   2.5. Exploitatie en verkeersleiding
   De procedures en bijbehorende uitrusting die zorgen voor een coherente exploitatie van de verschillende structurele subsystemen, zowel bij normaal functioneren als bij gestoord bedrijf, met name inzake de samenstelling en besturing van de trein, verkeersplanning en verkeersleiding.
   Het geheel van vereiste beroepskwalificaties voor alle types spoorvervoerdiensten.
   2.6. Telematicatoepassingen
   Overeenkomstig bijlage 14 omvat dit subsysteem twee delen:
   a) de toepassingen voor personenvervoer, met inbegrip van de informatiesystemen voor reizigers vóór en tijdens de reis, reserveringssystemen, betalingssystemen, het bagagebeheer, het beheer van aansluitingen tussen treinen en andere vervoerswijzen;
   b) toepassingen voor goederenvervoer, met inbegrip van de informatiesystemen (continu volgen van goederen en treinen), rangeer- en samenstellingssystemen, reserverings-, betalings- en factureringssystemen, het beheer van aansluitingen met andere vervoerswijzen, het opstellen van begeleidende elektronische documenten.
   2.7. Rollend materieel
   De structuur, het besturingssysteem van de gehele uitrusting van de trein, de stroomafnemers, de tractie-eenheden en transformatoren, boordapparatuur voor het meten van het verbruik van en voor de voorziening met elektriciteit, het remsysteem, koppeling, loopwerk (draaistellen, assen, enz.) en ophanging, deuren, mens/machine-interface (bestuurder, treinpersoneel, reizigers, toegangsvoorzieningen voor personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit), passieve en actieve beveiliging, voorzieningen voor de gezondheid van reizigers en treinpersoneel.
   2.8. Onderhoud
   De procedures, de betrokken uitrusting, de logistieke onderhoudsinstallaties en de reserves waarmee corrigerende en preventieve onderhoudswerkzaamheden dienen te worden uitgevoerd om de interoperabiliteit van het spoorwegsysteem van de Unie en de vereiste prestaties te garanderen.]1

  
Art. N15. [1 ANNEXE 15 - SOUS-SYSTEMES
   1. Liste des sous-systèmes
   Aux fins du présent Code ferroviaire, le système constituant le système ferroviaire de l'Union peut être subdivisé selon les sous-systèmes suivants, correspondant:
   a) soit à des domaines de nature structurelle:
   - infrastructure,
   - énergie,
   - contrôle-commande et signalisation au sol,
   - contrôle-commande et signalisation à bord,
   - matériel roulant;
   b) soit à des domaines de nature fonctionnelle:
   - exploitation et gestion du trafic,
   - entretien,
   - applications télématiques aux services des voyageurs et au service du fret.
   2. Description des sous-systèmes
   Pour chaque sous-système ou partie de sous-système, la liste des constituants et des aspects liés à l'interopérabilité est proposée par l'Agence lors de l'élaboration du projet de STI correspondant. Sans préjuger la détermination de ces aspects et constituants d'interopérabilité, ni l'ordre dans lequel les sous-systèmes seront soumis à des STI, les sous-systèmes comprennent les éléments suivants:
   2.1. Infrastructure
   La voie courante, les appareils de voies, les passages à niveau, les ouvrages d'art (ponts, tunnels, etc.), les éléments de gare liés au transport ferroviaire (notamment entrées, quais, zones d'accès, espaces de services, toilettes et systèmes d'information, ainsi que leurs caractéristiques en matière d'accessibilité pour les personnes handicapées et les personnes à mobilité réduite), les équipements de sécurité et de protection.
   2.2. Energie
   Le système d'électrification, y compris le matériel aérien et l'équipement au sol du système de mesure et de tarification de la consommation d'électricité.
   2.3. Contrôle-commande et signalisation au sol
   Tous les équipements au sol nécessaires pour assurer la sécurité, la commande et le contrôle des mouvements des trains autorisés à circuler sur le réseau.
   2.4. Contrôle-commande et signalisation à bord
   Tous les équipements à bord nécessaires pour assurer la sécurité, la commande et le contrôle des mouvements des trains autorisés à circuler sur le réseau.
   2.5. Exploitation et gestion du trafic
   Les procédures et les équipements associés permettant d'assurer une exploitation cohérente des différents sous- systèmes structurels, tant lors du fonctionnement normal que lors des fonctionnements dégradés, y compris notamment la composition et la conduite des trains, la planification et la gestion du trafic.
   Les qualifications professionnelles exigibles pour la réalisation de tout type de service ferroviaire.
   2.6. Applications télématique
   Conformément à l'annexe 14, ce sous-système comprend deux parties:
   a) les applications au service des voyageurs, y compris les systèmes d'information des voyageurs avant et pendant le voyage, les systèmes de réservation et de paiement, la gestion des bagages, la gestion des correspondances entre trains et avec d'autres modes de transport;
   b) les applications au service du fret, y compris les systèmes d'information (suivi en temps réel de la marchandise et des trains), les systèmes de triage et d'affectation, les systèmes de réservation, de paiement et de facturation, la gestion des correspondances avec d'autres modes de transport, la production des documents électroniques d'accompagnement.
   2.7. Matériel roulant
   Les structures, le système de commande et de contrôle de l'ensemble des équipements du train, les dispositifs de captage du courant électrique, les équipements de traction et de transformation de l'énergie, l'équipement embarqué de mesure et de tarification de la consommation d'électricité, les équipements de freinage, d'accouplement, les organes de roulement (bogies, essieux, etc.) et la suspension, les portes, les interfaces homme/machine (conducteur, personnel de bord, voyageurs, y compris les éléments facilitant l'accessibilité pour les personnes handicapées et les personnes à mobilité réduite), les dispositifs de sécurité passifs ou actifs, les dispositifs nécessaires à la santé des voyageurs et du personnel de bord.
   2.8. Entretien
   Les procédures, les équipements associés, les installations logistiques d'entretien, les réserves permettant d'assurer les opérations d'entretien correctif et préventif à caractère obligatoire prévues pour assurer l'interopérabilité du système ferroviaire de l'Union et garantir les performances nécessaires.]1

  
Art. N16. [1 BIJLAGE 16 - ESSENTIELE EISEN
   1. Algemene vereisten
   1.1. Veiligheid
   1.1.1. Het ontwerp, de bouw of de fabricage, het onderhoud van en het toezicht op voor de veiligheid kritieke inrichtingen en meer in het bijzonder de bij het treinverkeer betrokken onderdelen moeten de veiligheid waarborgen op het niveau dat beantwoordt aan de voor het netwerk gestelde doelstellingen, ook in de nader omschreven situaties van gestoord bedrijf.
   1.1.2. De parameters die van invloed zijn op het raakpunt wiel/spoorstaaf, moeten voldoen aan de criteria inzake stabiliteitseisen die noodzakelijk zijn om veilig verkeer bij de toegestane maximumsnelheid te waarborgen. De parameters dienen te garanderen dat het mogelijk is om met de toegestane maximumsnelheid binnen de gegeven remafstand te stoppen.
   1.1.3. De gebruikte onderdelen dienen tijdens hun levensduur bestand te zijn tegen alle tijdens hun bedrijfsduur gespecificeerde normale of uitzonderlijke belastingen. De gevolgen van onverwachte storingen op de veiligheid moeten met behulp van geschikte middelen worden beperkt.
   1.1.4. De vaste installaties en het rollend materieel moeten zodanig zijn ontworpen en de gebruikte materialen moeten zodanig zijn gekozen dat bij brand het ontstaan, de verspreiding en de gevolgen van vuur en rook zo veel mogelijk worden beperkt.
   1.1.5. Inrichtingen die zijn bestemd om door de gebruikers te worden bediend, moeten zodanig zijn ontworpen dat het veilig gebruik van de inrichtingen of de gezondheid en de veiligheid van de gebruikers niet in gevaar wordt gebracht wanneer de inrichtingen worden gebruikt op een wijze die wel voorzienbaar is maar niet in overeenstemming is met de aangegeven methode.
   1.2. Betrouwbaarheid en beschikbaarheid
   Het toezicht op en het onderhoud van de vaste of mobiele elementen die bij het treinverkeer zijn betrokken, moeten zodanig worden georganiseerd, uitgevoerd en gekwantificeerd dat zij in te voorziene omstandigheden blijven functioneren.
   1.3. Gezondheid
   1.3.1. Materialen die, bij het beoogde gebruik, de gezondheid van de personen die daartoe toegang hebben, in gevaar kunnen brengen, mogen in de treinen en de spoorweginfrastructuur niet worden toegepast.
   1.3.2. Deze materialen moeten zodanig worden gekozen, aangewend en gebruikt dat de emissie van schadelijke en gevaarlijke rook of gassen, met name bij brand, wordt beperkt.
   1.4. Milieubescherming
   1.4.1. Bij het ontwerpen van het spoorwegsysteem moeten de gevolgen voor het milieu van de aanleg en exploitatie van dat systeem worden beoordeeld en in aanmerking worden genomen overeenkomstig de geldende Unieregels.
   1.4.2. De in de treinen en de infrastructuur gebruikte materialen moeten de emissie van rook of voor het milieu gevaarlijke en schadelijke gassen, met name bij brand, voorkomen.
   1.4.3. Het rollend materieel en de energievoorzieningssystemen moeten zodanig zijn ontworpen en uitgevoerd dat zij uit elektromagnetisch oogpunt compatibel zijn met de installaties, voorzieningen en openbare of particuliere netwerken waarmee zij kunnen interfereren.
   1.4.4. Het ontwerp en gebruik van het spoorwegsysteem mag geen aanleiding geven tot een ontoelaatbaar niveau van geluidsemissies:
   - in de nabijheid van de spoorweginfrastructuur, als omschreven in artikel 3, punt 3, van richtlijn 2012/34/EU, en
   - in de bestuurderscabine.
   1.4.5. De exploitatie van het spoorwegnetwerk mag geen trillingsniveau in de bodem veroorzaken dat ontoelaatbaar is met het oog op de activiteiten en het milieu in de nabijheid van de infrastructuur en in normale staat van onderhoud.
   1.5. Technische compatibiliteit
   De technische eigenschappen van de infrastructuur en de vaste installaties moeten onderling en met die van de treinen die op het spoorwegnetwerk rijden compatibel zijn. Dat houdt ook in dat het subsysteem van het voertuig veilig in de infrastructuur moet kunnen worden geïntegreerd.
   Wanneer het op bepaalde gedeelten van het netwerk moeilijk is om deze technische eigenschappen in acht te nemen, mogen tijdelijke oplossingen, waardoor de compatibiliteit in de toekomst wordt gewaarborgd, ten uitvoer worden gelegd.
   1.6. Toegankelijkheid
   1.6.1. De subsystemen "infrastructuur" en "rollend materieel" moeten toegankelijk zijn voor personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit zodat zij dezelfde toegang hebben als anderen, doordat obstakels zijn voorkomen of verwijderd en door andere passende maatregelen. Dat geldt ook voor het ontwerp, de bouw, de vernieuwing en verbetering, het onderhoud en de exploitatie van de relevante delen van de subsystemen waartoe het publiek toegang heeft.
   1.6.2. De subsystemen "exploitatie" en "telematicatoepassingen voor reizigers" moeten de functionaliteit bieden die nodig is om te bewerkstelligen dat personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit dezelfde toegang hebben als anderen, door middel van het voorkomen of verwijderen van obstakels en andere passende maatregelen.
   2. Bijzondere eisen voor elk subsysteem
   2.1. Infrastructuur
   2.1.1. Veiligheid
   Er moeten passende maatregelen worden getroffen om de toegang tot of ongewenste binnendringing in de installaties te voorkomen.
   Er moeten maatregelen worden getroffen om de gevaren voor personen te beperken, met name bij de doorkomst van treinen in stations.
   Infrastructuur die voor het publiek toegankelijk is, moet zodanig zijn ontworpen en uitgevoerd dat de gevaren voor de veiligheid van personen beperkt zijn (stabiliteit, brand, toegang, ontruiming, perron enz.).
   Er moeten passende maatregelen worden getroffen om rekening te houden met de bijzondere veiligheidsomstandigheden in zeer lange tunnels en op viaducten.
   2.1.2. Toegankelijkheid
   Infrastructuursubsystemen waartoe het publiek toegang heeft, moeten toegankelijk zijn voor personen met een handicap en voor personen met beperkte mobiliteit, overeenkomstig punt 1.6.
   2.2. Energie
   2.2.1. Veiligheid
   Het functioneren van de energievoorzieningsinstallaties mag de veiligheid van treinen of personen (gebruikers, spoorwegpersoneel, aanwonenden en derden) niet in gevaar brengen.
   2.2.2. Milieubescherming
   Het functioneren van de elektrische of thermische energievoorzieningsinstallaties mag geen verstoring van het milieu teweegbrengen die de aangegeven grenzen overschrijdt.
   2.2.3. Technische compatibiliteit
   De elektrische of thermische energievoorzieningssystemen die worden gebruikt, moeten:
   - de treinen in staat stellen de voorgeschreven prestaties te leveren;
   - bij elektrische energievoorziening compatibel zijn met de op de treinen gemonteerde stroomafname-inrichtingen.
   2.3. Besturing en seingeving
   2.3.1. Veiligheid
   De besturings- en seingevingsinstallaties en -handelingen die voor het spoorwegsysteem worden gebruikt, moeten treinverkeer mogelijk maken op het veiligheidsniveau dat beantwoordt aan de doelstellingen voor het netwerk. De besturings- en seingevingsinstallaties moeten te allen tijde zo functioneren dat treinen die bij gestoord bedrijf mogen rijden, volkomen veilig kunnen circuleren.
   2.3.2. Technische compatibiliteit
   Nieuwe infrastructuur en nieuw rollend materieel die zijn ontwikkeld of gebouwd na de invoering van compatibele besturings- en seinsystemen, moeten aan de toepassing van deze systemen worden aangepast.
   Besturings- en seingevingsinstallaties in de stuurcabine van een trein moeten een normale exploitatie in de opgegeven omstandigheden in het spoorwegsysteem mogelijk maken.
   2.4. Rollend materieel
   2.4.1. Veiligheid
   De constructie van het rollend materieel en van de verbindingen tussen de voertuigen moet zodanig zijn ontworpen dat de ruimten voor de reizigers en de bestuurder bij een botsing of ontsporing beschermd zijn.
   De elektrische uitrusting mag het veilig functioneren van de besturings- en seingevingsinstallaties niet in gevaar brengen.
   De remtechnieken en de uitgeoefende krachten moeten compatibel zijn met het ontwerp van de sporen, de kunstwerken en de seinsystemen.
   Er moeten maatregelen worden getroffen met betrekking tot de toegang tot onder spanning staande onderdelen, teneinde de veiligheid van personen niet in gevaar te brengen.
   Er moeten inrichtingen zijn aangebracht die, ingeval van gevaar, het mogelijk maken voor de reizigers om de bestuurder te verwittigen en voor het treinpersoneel om in contact te treden met hen.
   De veiligheid van de passagiers die de trein in- en uitstappen, moet worden gewaarborgd. De toegangsdeuren moeten voorzien zijn van een systeem voor het openen en sluiten dat de veiligheid van de reizigers waarborgt.
   Er moeten nooduitgangen zijn en deze moeten zijn aangegeven.
   Passende maatregelen moeten worden getroffen om rekening te houden met de bijzondere veiligheidsomstandigheden in zeer lange tunnels.
   Een noodverlichtingssysteem van voldoende sterkte en met voldoende eigen voeding is verplicht aan boord van de treinen.
   De treinen moeten zijn voorzien van een geluidsinstallatie waarmee het treinpersoneel berichten kan doorgeven aan de passagiers.
   De passagiers moeten zowel in de stations als in de treinen op een begrijpelijke manier uitvoerige informatie over de op hen toepasselijke voorschriften krijgen.
   2.4.2. Betrouwbaarheid en beschikbaarheid
   Het ontwerp van de vitale rij-, tractie-, rem- en besturingsuitrusting moet het mogelijk maken dat de trein in een nader omschreven situatie van gestoord bedrijf de reis voortzet zonder nadelige gevolgen voor de uitrusting die nog functioneert.
   2.4.3. Technische compatibiliteit
   De elektrische uitrusting moet compatibel zijn met het functioneren van de besturings- en seingevingsinstallaties.
   In het geval van elektrische tractie moeten de eigenschappen van de stroomafname-inrichtingen het treinverkeer met de verschillende energievoorzieningssystemen van het spoorwegsysteem mogelijk maken.
   Het rollend materieel heeft de eigenschappen om te kunnen rijden op alle geplande lijnen, rekening houdend met bestaande klimatologische omstandigheden.
   2.4.4. Bedieningsorganen
   Treinen moeten worden uitgerust met een registratieapparaat. De met dit apparaat verkregen gegevens en de verwerking ervan moeten worden geharmoniseerd.
   2.4.5. Toegankelijkheid
   Subsystemen van rollend materieel waartoe het publiek toegang heeft, moeten toegankelijk zijn voor personen met een handicap en voor personen met beperkte mobiliteit, overeenkomstig punt 1.6.
   2.5. Onderhoud
   2.5.1. Gezondheid en veiligheid
   De technische installaties en de methoden die in de werkplaatsen worden toegepast, moeten een veilig gebruik van het betrokken subsysteem garanderen en mogen geen gevaar vormen voor de gezondheid en de veiligheid.
   2.5.2. Milieubescherming
   De technische installaties en de methoden die in de onderhoudscentra worden toegepast, mogen het toegestane niveau van schadelijke gevolgen voor het omgevingsmilieu niet overschrijden.
   2.5.3. Technische compatibiliteit
   De onderhoudsinstallaties voor het rollend materieel moeten het mogelijk maken op al het materieel de veiligheids-, hygiëne- en comfortbehandelingen te verrichten waarvoor zij zijn ontworpen.
   2.6. Exploitatie en verkeersleiding
   2.6.1. Veiligheid
   Het op elkaar afstemmen van de exploitatievoorschriften van de netwerken en de kwalificatie van de bestuurders, het treinpersoneel en het personeel van de onderhoudscentra moeten een veilige exploitatie waarborgen, rekening houdend met de verschillende eisen van grensoverschrijdende en binnenlandse diensten.
   De periodieke onderhoudsbeurten, de opleiding en de kwalificatie van het onderhoudspersoneel en het personeel van de onderhoudscentra en het kwaliteitsborgingssysteem dat in de controle- en onderhoudscentra van de betrokken exploitanten is opgezet, moeten een hoog veiligheidsniveau waarborgen.
   2.6.2. Betrouwbaarheid en beschikbaarheid
   De periodieke onderhoudsbeurten, de opleiding en de kwalificatie van het onderhoudspersoneel en het personeel van de onderhoudscentra en het kwaliteitsborgingssysteem dat door de betrokken exploitanten in de controle- en onderhoudscentra is opgezet, moeten een hoog niveau van betrouwbaarheid en beschikbaarheid van het systeem waarborgen.
   2.6.3. Technische compatibiliteit
   Het op elkaar afstemmen van de exploitatievoorschriften van de netwerken, alsmede de kwalificatie van de bestuurders, het treinpersoneel en de verkeersleiding moeten de doeltreffendheid van de exploitatie op het spoorwegsysteem waarborgen, rekening houdend met de verschillende eisen van grensoverschrijdende en binnenlandse diensten.
   2.6.4. Toegankelijkheid
   Er moeten passende stappen worden ondernomen om te bewerkstelligen dat de exploitatievoorschriften voorzien in toegankelijkheid voor personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit.
   2.7. Telematicatoepassingen voor goederenvervoer en voor personenvervoer
   2.7.1. Technische compatibiliteit
   De essentiële eisen op het gebied van telematicatoepassingen die een minimumdienstverleningskwaliteit voor de reizigers en de klanten in de goederenvervoersector moeten garanderen, hebben meer bepaald betrekking op de technische compatibiliteit.
   Wat deze toepassingen betreft, moet ervoor worden gezorgd dat:
   - de databanken, de programma's en de communicatieprotocollen voor gegevensoverdracht zodanig worden ontwikkeld dat de mogelijkheden voor gegevensuitwisseling tussen verschillende toepassingen en tussen verschillende exploitanten maximaal zijn, met uitzondering van vertrouwelijke commerciële gegevens;
   - de gebruikers gemakkelijk toegang hebben tot de informatie.
   2.7.2. Betrouwbaarheid en beschikbaarheid
   De wijze van gebruik, het beheer, het bijhouden en het onderhoud van deze databanken, programma's en communicatieprotocollen voor gegevensoverdracht moeten de doelmatigheid van deze systemen en de kwaliteit van de dienstverlening waarborgen.
   2.7.3. Gezondheid
   De interfaces tussen deze systemen en de gebruikers moeten voldoen aan minimumvoorschriften op het gebied van ergonomie en bescherming van de gezondheid.
   2.7.4. Veiligheid
   Voor de opslag en doorgifte van gegevens die verband houden met de veiligheid, zijn adequate integriteits- en betrouwbaarheidsniveaus vereist.
   2.7.5. Toegankelijkheid
   Er moeten passende maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat de subsystemen telematicatoepassingen voor personenvervoer voorzien in de nodige functies om de toegankelijkheid voor personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit te waarborgen.]1

  
Art. N16. [1 ANNEXE 16 - EXIGENCES ESSENTIELLES
   1. Exigences de portée générale
   1.1. Sécurité
   1.1.1. La conception, la construction ou la fabrication, l'entretien et la surveillance des composants critiques pour la sécurité et, plus particulièrement, des éléments participant à la circulation des trains doivent garantir la sécurité au niveau correspondant aux objectifs fixés sur le réseau, y compris dans les situations dégradées spécifiées.
   1.1.2. Les paramètres intervenant dans le contact roue-rail doivent respecter les critères de stabilité de roulement nécessaires pour garantir une circulation en toute sécurité à la vitesse maximale autorisée. Les paramètres des équipements de frein doivent permettre l'arrêt sur une distance de freinage donnée à la vitesse maximale autorisée.
   1.1.3. Les composants utilisés doivent résister aux sollicitations normales ou exceptionnelles spécifiées pendant leur durée de service. Leurs défaillances fortuites doivent être limitées dans leurs conséquences sur la sécurité par des moyens appropriés.
   1.1.4. La conception des installations fixes et des matériels roulants ainsi que le choix des matériaux utilisés doivent viser à limiter la production, la propagation et les effets du feu et des fumées en cas d'incendie.
   1.1.5. Les dispositifs destinés à être manoeuvrés par les usagers doivent être conçus de façon à ne pas compromettre l'exploitation sûre des dispositifs ou la santé et la sécurité des usagers en cas d'utilisation prévisible mais non conforme aux instructions affichées.
   1.2. Fiabilité, disponibilité
   La surveillance et l'entretien des éléments fixes ou mobiles participant à la circulation des trains doivent être organisés, menés et quantifiés de manière à maintenir leur fonction dans les conditions prévues.
   1.3. Santé
   1.3.1. Les matériaux susceptibles, dans leur mode d'utilisation, de mettre en danger la santé des personnes y ayant accès ne doivent pas être utilisés dans les trains et les infrastructures ferroviaires.
   1.3.2. Le choix, la mise en oeuvre et l'utilisation de ces matériaux doivent viser à limiter l'émission de fumées ou de gaz nocifs et dangereux, notamment en cas d'incendie.
   1.4. Protection de l'environnement
   1.4.1. Les incidences sur l'environnement de l'implantation et de l'exploitation du système ferroviaire doivent être évaluées et prises en compte lors de la phase de conception du système conformément au droit de l'Union.
   1.4.2. Les matériaux utilisés dans les trains et dans les infrastructures doivent éviter l'émission de fumées ou de gaz nocifs et dangereux pour l'environnement, notamment en cas d'incendie.
   1.4.3. Les matériels roulants et les systèmes d'alimentation en énergie doivent être conçus et réalisés pour être compatibles, en matière électromagnétique, avec les installations, les équipements et les réseaux publics ou privés avec lesquels ils risquent d'interférer.
   1.4.4. La conception et l'exploitation du système ferroviaire ne doivent pas donner lieu à un niveau inacceptable d'émissions sonores générées par celui-ci:
   - dans des zones proches de l'infrastructure ferroviaire, telle que définie à l'article 3, point 3), de la directive 2012/34/UE, ni
   - dans la cabine de conduite.
   1.4.5. L'exploitation du système ferroviaire ne doit pas être à l'origine, dans le sol, d'un niveau de vibrations inadmissible pour les activités et pour les zones proches de l'infrastructure et normalement entretenues.
   1.5. Compatibilité technique
   Les caractéristiques techniques des infrastructures et des installations fixes doivent être compatibles entre elles et avec celles des trains appelés à circuler sur le système ferroviaire. Cette exigence couvre l'intégration en toute sécurité entre le sous-système du véhicule et l'infrastructure.
   Lorsque le respect de ces caractéristiques se révèle difficile dans certaines parties du réseau, des solutions temporaires, garantissant la compatibilité future, peuvent être mises en oeuvre.
   1.6. Accessibilité
   1.6.1. Les sous-systèmes " infrastructure " et " matériel roulant " doivent être accessibles aux personnes handicapées ainsi qu'aux personnes à mobilité réduite de manière à leur assurer l'accès sur la base de l'égalité avec les autres personnes par la prévention ou l'élimination des obstacles et par d'autres mesures appropriées. Cela inclut la conception, la construction, le renouvellement, le réaménagement, l'entretien et l'exploitation des éléments pertinents des sous-systèmes auxquels le public a accès.
   1.6.2. Les sous-systèmes " exploitation " et " applications télématiques au service des voyageurs " doivent offrir les fonctionnalités nécessaires pour faciliter l'accès des personnes handicapées et des personnes à mobilité réduite sur la base de l'égalité avec les autres personnes, par la prévention ou l'élimination des obstacles et par d'autres mesures appropriées.
   2. Exigences particulières à chaque sous-système
   2.1. Infrastructure
   2.1.1. Sécurité
   Des dispositions adaptées doivent être prises pour éviter l'accès ou les intrusions indésirables dans les installations.
   Des dispositions doivent être prises pour limiter les dangers encourus par les personnes, notamment lors du passage des trains dans les gares.
   Les infrastructures auxquelles le public a accès doivent être conçues et réalisées de manière à limiter les risques pour la sécurité des personnes (stabilité, incendie, accès, évacuation, quais, etc.).
   Des dispositions appropriées doivent être prévues pour prendre en compte les conditions particulières de sécurité dans les tunnels et les viaducs de grande longueur.
   2.1.2. Accessibilité
   Les sous-systèmes " infrastructure " auxquels le public a accès doivent être accessibles aux personnes handicapées et aux personnes à mobilité réduite conformément au point 1.6.
   2.2. Energie
   2.2.1. Sécurité
   Le fonctionnement des installations d'alimentation en énergie ne doit compromettre la sécurité ni des trains ni des personnes (usagers, personnel d'exploitation, riverains et tiers).
   2.2.2. Protection de l'environnement
   Le fonctionnement des installations d'alimentation en énergie électrique ou thermique ne doit pas perturber l'environnement au-delà des limites spécifiées.
   2.2.3. Compatibilité technique
   Les systèmes d'alimentation en énergie électrique/thermique utilisés doivent:
   - permettre aux trains de réaliser les performances spécifiées,
   - dans le cas des systèmes d'alimentation en énergie électrique, être compatibles avec les dispositifs de captage installés sur les trains.
   2.3. Contrôle-commande et signalisation
   2.3.1. Sécurité
   Les installations et les procédures de contrôle-commande et de signalisation utilisées doivent permettre une circulation des trains présentant le niveau de sécurité correspondant aux objectifs fixés sur le réseau. Les systèmes de contrôle-commande et de signalisation doivent continuer à permettre la circulation en toute sécurité des trains autorisés à rouler en situation dégradée.
   2.3.2. Compatibilité technique
   Toute nouvelle infrastructure et tout nouveau matériel roulant construits ou développés après l'adoption de systèmes de contrôle-commande et de signalisation compatibles doivent être adaptés à l'utilisation de ces systèmes.
   Les équipements de contrôle-commande et de signalisation installés au sein des postes de conduite des trains doivent permettre une exploitation normale, dans les conditions spécifiées, sur le système ferroviaire.
   2.4. Matériel roulant
   2.4.1. Sécurité
   Les structures des matériels roulants et des liaisons entre les véhicules doivent être conçues de manière à protéger les espaces où se trouvent les voyageurs et les espaces de conduite en cas de collision ou de déraillement.
   Les équipements électriques ne doivent pas compromettre la sécurité de fonctionnement des installations de contrôle-commande et de signalisation.
   Les techniques de freinage ainsi que les efforts exercés doivent être compatibles avec la conception des voies, des ouvrages d'art et des systèmes de signalisation.
   Des dispositions doivent être prises en matière d'accès aux constituants sous tension pour ne pas mettre en danger la sécurité des personnes.
   En cas de danger, des dispositifs doivent permettre aux voyageurs d'avertir le conducteur et au personnel d'accompagnement d'entrer en contact avec ceux-ci.
   La sécurité des voyageurs lors de la montée et de la descente des trains doit être assurée. Les portes d'accès doivent être dotées d'un système de fermeture et d'ouverture qui garantisse la sécurité des voyageurs.
   Des issues de secours doivent être prévues et signalées.
   Des dispositions appropriées doivent être prévues pour prendre en compte les conditions particulières de sécurité dans les tunnels de grande longueur.
   Un système d'éclairage de secours d'une intensité et d'une autonomie suffisantes est obligatoire à bord des trains.
   Les trains doivent être équipés d'un système de sonorisation permettant au personnel de bord de communiquer avec les voyageurs.
   Des informations aisément compréhensibles et complètes doivent être fournies aux voyageurs sur les règles qui leur sont applicables, aussi bien dans les gares que dans les trains.
   2.4.2. Fiabilité, disponibilité
   La conception des équipements vitaux et des équipements de roulement, de traction et de freinage ainsi que du système de contrôle-commande doit permettre, en situation dégradée spécifiée, la poursuite de la mission du train sans conséquences néfastes pour les équipements restant en service.
   2.4.3. Compatibilité technique
   Les équipements électriques doivent être compatibles avec le fonctionnement des installations de contrôle- commande et de signalisation.
   Dans le cas de la traction électrique, les caractéristiques des dispositifs de captage de courant doivent permettre la circulation des trains à l'aide des systèmes d'alimentation en énergie du système ferroviaire.
   Les caractéristiques du matériel roulant doivent lui permettre de circuler sur toutes les lignes sur lesquelles son exploitation est prévue, compte tenu des conditions climatiques qui prévalent.
   2.4.4. Contrôle
   Les trains doivent être équipés d'un appareil enregistreur. Les données collectées par cet appareil et le traitement des informations doivent être harmonisés.
   2.4.5. Accessibilité
   Les sous-systèmes " matériel roulant " auxquels le public a accès doivent être accessibles aux personnes handicapées et aux personnes à mobilité réduite conformément au point 1.6.
   2.5. Entretien
   2.5.1. Santé et sécurité
   Les installations techniques et les procédures utilisées dans les centres doivent garantir une exploitation sûre du sous-système concerné et ne pas constituer un danger pour la santé et la sécurité.
   2.5.2. Protection de l'environnement
   Les installations techniques et les procédures utilisées dans les centres d'entretien ne doivent pas dépasser les niveaux de nuisance admissibles pour le milieu environnant.
   2.5.3. Compatibilité technique
   Les installations d'entretien du matériel roulant doivent permettre d'effectuer les opérations de sécurité, d'hygiène et de confort sur tout le matériel pour lesquelles elles ont été conçues.
   2.6. Exploitation et gestion du trafic
   2.6.1. Sécurité
   L'alignement des règles d'exploitation des réseaux et des qualifications des conducteurs, du personnel de bord et du personnel des centres de contrôle doit garantir une exploitation sûre, compte tenu des exigences différentes des services transfrontaliers et intérieurs.
   Les opérations et périodicités d'entretien, la formation et la qualification du personnel d'entretien et des centres de contrôle, ainsi que le système d'assurance qualité mis en place dans les centres de contrôle et d'entretien par les exploitants concernés doivent garantir un haut niveau de sécurité.
   2.6.2. Fiabilité, disponibilité
   Les opérations et périodicités d'entretien, la formation et la qualification du personnel d'entretien et des centres de contrôle ainsi que le système d'assurance qualité mis en place par les exploitants concernés dans les centres de contrôle et d'entretien doivent garantir un haut niveau de fiabilité et de disponibilité du système.
   2.6.3. Compatibilité technique
   L'alignement des règles d'exploitation des réseaux et des qualifications des conducteurs, du personnel de bord et du personnel chargé de la gestion de la circulation doivent garantir l'efficacité de l'exploitation sur le système ferroviaire, compte tenu des exigences différentes des services transfrontaliers et intérieurs.
   2.6.4. Accessibilité
   Des mesures appropriées doivent être prises pour faire en sorte que les règles d'exploitation prévoient les fonctionnalités nécessaires pour garantir l'accessibilité aux personnes handicapées et aux personnes à mobilité réduite.
   2.7. Applications télématiques au service des voyageurs et du fret
   2.7.1. Compatibilité technique
   Les exigences essentielles dans le domaine des applications télématiques garantissent une qualité de service minimale aux voyageurs et aux clients du secteur " marchandises ", plus particulièrement en termes de compatibilité technique.
   Pour ces applications, il faut veiller à ce que:
   - les bases de données, les logiciels et les protocoles de communication des données soient élaborés de sorte à garantir un maximum de possibilités d'échanges de données entre applications différentes et entre exploitants différents, à l'exclusion des données commerciales confidentielles,
   - les informations soient aisément accessibles aux utilisateurs.
   2.7.2. Fiabilité, disponibilité
   Les modes d'utilisation, de gestion, de mise à jour et de maintenance de ces bases de données, logiciels et protocoles de communication des données doivent garantir l'efficacité de ces systèmes et la qualité du service.
   2.7.3. Santé
   Les interfaces de ces systèmes avec les utilisateurs doivent respecter les règles minimales en matière d'ergonomie et de protection de la santé.
   2.7.4.Sécurité
   Des niveaux d'intégrité et de fiabilité suffisants doivent être assurés pour le stockage ou la transmission d'informations liées à la sécurité.
   2.7.5. Accessibilité
   Des mesures appropriées doivent être prises pour faire en sorte que les sous-systèmes " applications télématiques au service des voyageurs " offrent les fonctionnalités nécessaires pour garantir l'accessibilité aux personnes handicapées et aux personnes à mobilité réduite.]1

  
Art. N19. [1 BIJLAGE 19 - EG-KEURINGSPROCEDURE VOOR SUBSYSTEMEN
   1. ALGEMENE BEGINSELEN
   De EG-keuring is een procedure die door de aanvrager in de zin van artikel 172 wordt uitgevoerd om aan te tonen dat een subsysteem voldoet aan de eisen van het toepasselijke Unierecht en eventuele nationale voorschriften die relevant zijn voor een subsysteem, en dat toestemming mag worden verleend om het subsysteem in dienst te stellen.
   2. DOOR EEN AANGEMELDE INSTANTIE AFGEGEVEN KEURINGSCERTIFICAAT
   2.1. Inleiding
   In het kader van de Spoorcodex wordt onder keuring aan de hand van TSI's verstaan: de procedure waarbij een aangemelde instantie controleert en certificeert dat het subsysteem voldoet aan de toepasselijke technische specificaties inzake interoperabiliteit (TSI).
   Dit doet geen afbreuk aan de verplichtingen van de aanvrager om te voldoen aan de andere toepasselijke rechtshandelingen van de Unie, en aan iedere keuring die de beoordelingsinstanties moeten uitvoeren uit hoofde van de andere voorschriften.
   2.2. Tussentijdse keuringsverklaring (TKV)
   2.2.1. Beginselen
   Op verzoek van de aanvrager kunnen de keuringen plaatsvinden voor delen van een subsysteem of worden beperkt tot bepaalde stadia van de keuringsprocedure. In deze gevallen kunnen de resultaten van de keuring worden gedocumenteerd in een "tussentijdse keuringsverklaring" (TKV) die wordt afgegeven door de aangemelde instantie die is gekozen door de aanvrager.
   In de TKV wordt vermeld met welke TSI's de overeenstemming is beoordeeld.
   2.2.2. Onderdelen van het subsysteem
   De aanvrager kan een TKV aanvragen voor om het even welk onderdeel waarin hij het subsysteem besluit op te delen. Elk onderdeel wordt gecontroleerd in elk van de in punt 2.2.3 beschreven stadia.
   2.2.3. Stadia van de keuringsprocedure
   Het subsysteem, of bepaalde onderdelen daarvan, wordt gecontroleerd in elk van de volgende stadia:
   a) algemeen ontwerp;
   b) productie: constructie van het subsysteem, met name de uitvoering van civieltechnische werken, de fabricage, de montage van onderdelen en de afregeling van het geheel;
   c) testen van het afgewerkte subsysteem.
   De aanvrager kan een TKV aanvragen voor het ontwerpstadium (met inbegrip van typetests) en voor het productiestadium voor het volledige subsysteem of voor om het even welk onderdeel waarin hij heeft besloten het subsysteem op te delen (zie punt 2.2.2).
   2.3. Keuringscertificaat
   2.3.1. De voor de keuring verantwoordelijke aangemelde instanties beoordelen het ontwerp, de productie en het testen van het afgewerkte subsysteem en stellen een keuringscertificaat op ten behoeve van de aanvrager, die op zijn beurt een EG-keuringsverklaring opstelt. In het keuringscertificaat wordt vermeld met welke TSI's de overeenstemming van het subsysteem is beoordeeld.
   Wanneer het subsysteem niet is beoordeeld op zijn overeenstemming met alle toepasselijke TSI's (bijvoorbeeld wegens een afwijking, gedeeltelijke toepassing van de TSI's in geval van een verbetering of vernieuwing, een overgangsperiode in een TSI of specifiek geval), wordt in het keuringscertificaat exact vermeld met welke TSI's of onderdelen daarvan de aangemelde instantie de conformiteit niet heeft beoordeeld tijdens de keuringsprocedure.
   2.3.2. Een voor de keuring van het subsysteem verantwoordelijke aangemelde instantie houdt rekening met reeds afgegeven TKV en dient voorafgaand aan de afgifte van haar keuringscertificaat:
   a) na te gaan of de TKV de toepasselijke eisen van de TSI('s) volledig dekken;
   b) alle aspecten te controleren die niet door de TKV worden gedekt, en
   c) het testen van het afgewerkte subsysteem als geheel te controleren.
   2.3.3. In geval van een wijziging van een subsysteem waarvoor al een keuringscertificaat is afgegeven, voert de aangemelde instantie alleen die onderzoeken en tests uit die relevant en noodzakelijk zijn, d.w.z. de beoordeling heeft alleen betrekking op de delen van het subsysteem die zijn gewijzigd en op de interfaces tussen deze delen en de ongewijzigde delen van het subsysteem.
   2.3.4. Elke aangemelde instantie die betrokken is bij de keuring van een subsysteem stelt overeenkomstig artikel 172, paragraaf 4, een dossier op dat betrekking heeft op het toepassingsgebied van haar activiteiten.
   2.4. Technisch dossier bij de EG-keuringsverklaring
   Het technisch dossier bij de EG-keuringsverklaring wordt opgesteld door de aanvrager en dient het volgende te bevatten:
   a) de technische kenmerken van het ontwerp, met inbegrip van de voor het betrokken subsysteem relevante algemene en detailplannen zoals die worden uitgevoerd, elektrische en hydraulische schema's, schema's van de besturingscircuits, een voor de uitgevoerde conformiteitsbeoordeling voldoende gedetailleerde beschrijving van de geautomatiseerde systemen, handleidingen voor bediening en onderhoud enz.;
   b) een lijst van de in het subsysteem verwerkte interoperabiliteitsonderdelen als bedoeld in artikel 4, lid 3, onder d) van richtlijn 2016/797/EU;
   c) de in artikel 172, paragraaf 4, bedoelde dossiers, samengesteld door elke aangemelde instantie die betrokken is bij de keuring van het subsysteem, die het volgende bevatten:
   - kopieën van de EG-keuringsverklaringen en in voorkomend geval de voor de interoperabiliteitsonderdelen als bedoeld in artikel 4, lid 3, onder d) van richtlijn 2016/797/EU, opgestelde EG-verklaringen van geschiktheid voor gebruik, waar nodig, vergezeld van de desbetreffende berekeningen en een kopie van de verslagen van de tests en onderzoeken die op grond van de gemeenschappelijke technische specificaties door de aangemelde instanties zijn uitgevoerd;
   - de beschikbare TKV die het keuringscertificaat vergezellen, met inbegrip van het resultaat van de door de aangemelde instantie uitgevoerde keuring met betrekking tot de geldigheid van de TKV;
   - het keuringscertificaat, vergezeld van de desbetreffende berekeningen en ondertekend door de met de keuring belaste aangemelde instantie, waarin wordt bevestigd dat het subsysteem in overeenstemming is met de vereisten van de toepasselijke TSI('s) en met vermelding van een eventueel tijdens de uitvoering van de werkzaamheden gemaakt voorbehoud dat niet is ingetrokken; het keuringscertificaat dient tevens vergezeld te gaan van de inspectie- en auditrapporten die de aangemelde instantie in het kader van haar opdracht heeft opgesteld overeenkomstig de punten 2.5.2 en 2.5.3;
   d) de overeenkomstig andere rechtshandelingen van de Unie afgegeven keuringscertificaten;
   e) wanneer op grond van artikel 179/1, paragraaf 5, 3°, en artikel 21, lid 3, punt c) van de richtlijn 2016/797/EU, een beoordeling vereist is van de veilige integratie, moet het relevante technisch dossier het (de) beoordelingsverslag(en) bevatten betreffende de in artikel 6, lid 1, c), van richtlijn 2016/798/EU bedoelde gemeenschappelijke GVM's inzake risicobeoordeling.
   2.5. Toezicht door aangemelde instanties
   2.5.1. De aangemelde instantie die met het toezicht op de fabricage belast is, moet permanent toegang hebben tot bouwplaatsen, constructiewerkplaatsen, opslagplaatsen, eventuele locaties voor prefabricage, beproevingsinstallaties en meer in het algemeen alle plaatsen die zij noodzakelijk acht voor de vervulling van haar taak. De aanvrager bezorgt de aangemelde instantie alle documenten die daarbij van nut kunnen zijn en met name de uitvoeringsplannen en de technische documentatie betreffende het subsysteem.
   2.5.2. De aangemelde instantie die belast is met het toezicht op de uitvoering, voert periodiek audits uit om na te gaan of de bepalingen van de toepasselijke TSI('s) worden nageleefd. Bij die gelegenheid stelt zij een auditrapport op ten behoeve van de met de uitvoering belaste bedrijven. Haar aanwezigheid kan in bepaalde stadia van de werkzaamheden vereist zijn.
   2.5.3. Daarnaast kan de aangemelde instantie onaangekondigde bezoeken brengen aan de bouwplaats of de constructiewerkplaatsen. Tijdens die bezoeken kan de aangemelde instantie volledige of gedeeltelijke audits uitvoeren. Zij stelt een inspectierapport op ten behoeve van de met de uitvoering belaste bedrijven en, desgevallend, een auditrapport.
   2.5.4. De aangemelde instantie moet in staat zijn toezicht te houden op een subsysteem waarin een interoperabiliteitsonderdeel is gemonteerd teneinde, wanneer de desbetreffende TSI dit voorschrijft, te beoordelen of het subsysteem geschikt is voor gebruik in de spoorwegsector.
   2.6. Indiening
   Een afschrift van het technisch dossier bij de EG-keuringsverklaring dient door de aanvrager bewaard te worden gedurende de volledige levenscyclus van een subsysteem. Het dossier wordt aan iedere lidstaat of aan het Bureau op verzoek toegezonden.
   De documentatie voor een aanvraag van een vergunning tot indienststelling wordt ingediend bij de instantie waarbij de vergunning wordt gevraagd. De nationale veiligheidsinstantie of het Bureau kan vragen dat een deel (delen) van de documenten die samen met de vergunning zijn ingediend, worden vertaald in haar/zijn eigen taal.
   2.7. Publicatie
   Iedere aangemelde instantie publiceert periodiek relevante informatie over:
   a) de ingediende aanvragen voor keuringen en TKV;
   b) de aanvragen voor de beoordeling van de conformiteit en geschiktheid voor gebruik van interoperabiliteitsonderdelen;
   c) de afgegeven of geweigerde TKV;
   d) de afgegeven of geweigerde keuringscertificaten en EG-certificaten van geschiktheid voor gebruik;
   e) de afgegeven of geweigerde keuringscertificaten.
   2.8. Taal
   Het dossier en de briefwisseling met betrekking tot de EG-keuringsprocedure moeten worden opgesteld in een officiële Unietaal van de lidstaat waar de aanvrager is gevestigd of een door de aanvrager aanvaarde officiële Unietaal.
   3. DOOR EEN AANGEWEZEN INSTANTIE AFGEGEVEN KEURINGSCERTIFICAAT
   3.1. Inleiding
   Wanneer nationale voorschriften van toepassing zijn, omvat de keuring een procedure waarbij de overeenkomstig artikel 172, paragraaf 8, aangewezen instantie (de aangewezen instantie) controleert of en certificeert dat het subsysteem voldoet aan de overeenkomstig artikel 14 van richtlijn 2016/797EU aangemelde nationale voorschriften voor elke lidstaat die voornemens is toe te staan dat het subsysteem in dienst wordt gesteld.
   3.2. Keuringscertificaat
   De aangewezen instantie stelt het keuringscertificaat op ten behoeve van de aanvrager. In dat certificaat wordt exact beschreven aan welke nationale voorschriften de aangewezen instantie de conformiteit van het subsysteem in het kader van de keuringsprocedure heeft getoetst. Wanneer nationale voorschriften van toepassing zijn voor subsystemen die deel uitmaken van een voertuig, deelt de aangewezen instantie het certificaat op in twee delen: één deel met de referenties van de nationale voorschriften die strikt verband houden met de technische compatibiliteit tussen het voertuig en het betrokken netwerk, en een ander deel met alle overige nationale voorschriften.
   3.3. Dossier
   Het dossier dat is opgesteld door de aangewezen instantie en dat het keuringscertificaat vergezelt, moet, ingeval van nationale voorschriften, worden opgenomen in het in punt 2.4 bedoelde technisch dossier bij de EG-keuringsverklaring en bevat alle technische gegevens die relevant zijn om te beoordelen of het subsysteem aan die nationale voorschriften voldoet.
   3.4. Taal
   Het dossier en de briefwisseling met betrekking tot de EG-keuringsprocedure moeten worden opgesteld in een officiële Unietaal van de lidstaat waar de aanvrager is gevestigd of een door de aanvrager aanvaarde officiële Unietaal.
   4. KEURING VAN DELEN VAN SUBSYSTEMEN OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 172, PARAGRAAF 7
   Indien een keuringscertificaat wordt afgegeven voor bepaalde delen van een subsysteem, is deze bijlage van overeenkomstige toepassing op die delen van dat subsysteem.]1

  
Art. N19. [1 ANNEXE 19 - PROCEDURE DE VERIFICATION "CE" DES SOUS-SYSTEMES
   1. PRINCIPES GENERAUX
   La vérification " CE " désigne une procédure effectuée par le demandeur au sens de l'article 172 en vue de démontrer que les exigences des dispositions pertinentes du droit de l'Union relatives à un sous-système sont respectées, y compris les éventuelles règles nationales pertinentes, et que la mise en service du sous-système peut être autorisée.
   2. CERTIFICAT DE VERIFICATION DELIVRE PAR UN ORGANISME NOTIFIE
   2.1. Introduction
   Aux fins du présent Code ferroviaire, la vérification au regard des spécifications techniques d'interopérabilité (STI) est la procédure par laquelle un organisme notifié contrôle et atteste que le sous-système est conforme aux STI pertinentes.
   Ceci est sans préjudice des obligations du demandeur de se conformer aux autres actes juridiques applicables de l'Union et à toute vérification que les organismes d'évaluation sont tenus d'effectuer en application des autres règles.
   2.2. Attestation de contrôle intermédiaire (ACI)
   2.2.1. Principes
   Sur requête du demandeur, les vérifications peuvent être menées pour des parties d'un sous-système ou être limitées à certaines étapes de la procédure de vérification. Dans ces cas, les résultats de la vérification peuvent être documentés dans une " attestation de contrôle intermédiaire " (ACI) délivrée par l'organisme notifié choisi par le demandeur.
   L'ACI doit faire référence aux STI avec lesquelles la conformité a été évaluée.
   2.2.2. Parties du sous-système
   Le demandeur peut solliciter une ACI pour n'importe laquelle des parties en lesquelles il décide de scinder le sous-système. Chaque partie est contrôlée à chaque étape, comme décrit au point 2.2.3.
   2.2.3. Etapes de la procédure de vérification
   Le sous-système ou certaines de ses parties sont contrôlés à chacune des étapes suivantes:
   a) la conception d'ensemble;
   b) la production: la construction, comprenant en particulier l'exécution des travaux de génie civil, la fabrication, le montage des constituants, le réglage de l'ensemble;
   c) les essais finals.
   Le demandeur peut solliciter une ACI en ce qui concerne l'étape de la conception (y compris les essais de type) et l'étape de la production pour l'ensemble du sous-système ou pour n'importe laquelle des parties en lesquelles il décide de scinder le sous-système (voir point 2.2.2).
   2.3. Certificat de vérification
   2.3.1. Les organismes notifiés responsables de la vérification évaluent la conception, la production et les essais finals du sous-système et établissent un certificat de vérification à l'intention du demandeur, qui établit ensuite la déclaration " CE " de vérification. Le certificat de vérification doit faire référence aux STI avec lesquelles la conformité a été évaluée.
   Lorsqu'un sous-système n'a pas été évalué pour vérifier sa conformité avec toutes les STI pertinentes (par exemple, en cas de dérogation, d'application partielle des STI à l'occasion d'un réaménagement ou d'un renouvellement, de période de transition dans une STI ou un cas spécifique), le certificat de vérification fait référence avec précision aux STI ou aux éléments de celles-ci pour lesquels la conformité n'a pas été examinée par l'organisme notifié pendant la procédure de vérification.
   2.3.2. Lorsque des ACI ont été délivrées, l'organisme notifié responsable de la vérification du sous-système tient compte de ces ACI et, avant de délivrer son certificat de vérification:
   a) s'assure que les ACI correspondent bien aux exigences pertinentes des STI;
   b) vérifie tous les aspects qui ne sont pas couverts par les ACI; et
   c) vérifie les essais finals du sous-système dans son ensemble.
   2.3.3. Dans le cas d'une modification d'un sous-système déjà couvert par un certificat de vérification, l'organisme notifié ne réalise que les examens et essais nécessaires et appropriés, c'est-à-dire que l'évaluation porte uniquement sur les parties du sous-système qui sont modifiées et sur leurs interfaces avec les parties non modifiées du sous- système.
   2.3.4. Chaque organisme notifié participant à la vérification d'un sous-système constitue un dossier conformément à l'article 172, paragraphe 4, qui couvre le champ d'application de ses activités.
   2.4. Dossier technique accompagnant la déclaration " CE " de vérification
   Le dossier technique accompagnant la déclaration " CE " de vérification est établi par le demandeur et doit contenir les éléments suivants:
   a) les caractéristiques techniques liées à la conception, y compris les plans généraux et de détail relatifs à l'exécution, les schémas électriques et hydrauliques, les schémas des circuits de commande, la description des systèmes informatiques et des automatismes avec un degré de détail suffisant pour étayer la vérification de la conformité effectuée, les notices de fonctionnement et d'entretien, etc., se rapportant au sous-système concerné;
   b) une liste des constituants d'interopérabilité visés à l'article 4, paragraphe 3, point d), de la directive 2016/797/UE, incorporés dans le sous- système;
   c) les dossiers visés à l'article 172, paragraphe 4, constitués par chacun des organismes notifiés participant à la vérification du sous-système, qui comprennent:
   - les copies des déclarations " CE " de vérification et, le cas échéant, des déclarations " CE " d'aptitude à l'emploi établies pour les constituants d'interopérabilité visés à l'article 4, paragraphe 3, point d), de la directive 2016/797/UE, accompagnées, s'il y a lieu, des notes de calculs correspondantes et d'une copie des comptes rendus des essais et examens effectués par les organismes notifiés sur la base des spécifications techniques communes,
   - le cas échéant, les ACI qui accompagnent le certificat de vérification, y compris le résultat de la vérification effectuée par l'organisme notifié concernant la validité des ACI,
   - le certificat de vérification, accompagné des notes de calcul correspondantes et signé par l'organisme notifié chargé de la vérification, déclarant que le sous-système est conforme aux exigences des STI pertinentes et mentionnant les réserves éventuelles qui ont été formulées pendant l'exécution des travaux et qui n'auraient pas été levées; le certificat de vérification est également accompagné des rapports d'inspection et d'audit que l'organisme notifié a établis dans le cadre de sa mission, comme précisé aux points 2.5.2 et 2.5.3;
   d) les certificats de vérification délivrés conformément à d'autres actes juridiques de l'Union;
   e) lorsque la vérification de l'intégration en toute sécurité est requise conformément à l'article 179/1, paragraphe 5, 3°, et à l'article 21, paragraphe 3, point c) de la directive 2016/797/UE, le dossier technique concerné comprend le ou les rapports de l'évaluateur sur les MSC en ce qui concerne l'évaluation des risques visée à l'article 6, paragraphe 1er, c), de la directive 2016/798/UE.
   2.5. Surveillance effectuée par des organismes notifiés
   2.5.1. L'organisme notifié chargé de contrôler la fabrication doit avoir accès en permanence aux chantiers, aux ateliers de fabrication, aux aires de stockage et, s'il y a lieu, de préfabrication, aux installations d'essai, et plus généralement à tous les lieux qu'il pourrait juger nécessaires pour l'accomplissement de sa mission. L'organisme notifié doit recevoir du demandeur tous les documents utiles à cet effet, notamment les plans d'exécution et la documentation technique relative au sous-système.
   2.5.2. L'organisme notifié chargé de contrôler la réalisation doit effectuer périodiquement des audits afin de s'assurer que les STI pertinentes sont respectées. Il doit fournir à cette occasion un rapport d'audit aux professionnels chargés de la réalisation. Sa présence peut être exigée durant certaines phases du chantier.
   2.5.3. En outre, l'organisme notifié peut effectuer des visites inopinées sur le chantier ou dans les ateliers de fabrication. A l'occasion de ces visites, l'organisme notifié peut procéder à des audits complets ou partiels. Il doit fournir un rapport d'inspection et, le cas échéant, un rapport d'audit aux professionnels chargés de la réalisation.
   2.5.4. L'organisme notifié doit être en mesure de contrôler un sous-système dans lequel est incorporé un constituant d'interopérabilité de manière à déterminer, si la STI correspondante le requiert, son aptitude à l'emploi dans l'environnement ferroviaire auquel il est destiné.
   2.6. Dépôt
   Une copie du dossier technique complet accompagnant la déclaration " CE " de vérification doit être conservée par le demandeur pendant toute la durée de vie du sous-système. Elle doit être communiquée à tout Etat membre ou à l'Agence sur demande.
   La documentation présentée pour une demande d'autorisation de mise en service est soumise à l'autorité auprès de laquelle l'autorisation est sollicitée. L'autorité nationale de sécurité ou l'Agence peuvent demander qu'une ou plusieurs parties des documents présentés en même temps que l'autorisation soient traduites dans leur propre langue.
   2.7. Publication
   Chaque organisme notifié publie périodiquement les informations pertinentes concernant:
   a) les demandes de vérification et d'ACI reçues;
   b) la demande d'évaluation de conformité et d'aptitude à l'emploi des constituants d'interopérabilité (CI);
   c) les ACI délivrées ou refusées;
   d) les certificats de conformité et les certificats " CE " d'aptitude à l'emploi délivrés ou refusés;
   e) les certificats de vérification délivrés ou refusés.
   2.8. Langue
   Les dossiers et la correspondance se rapportant aux procédures de vérification " CE " sont rédigés dans une langue officielle de l'Union de l'Etat membre où le demandeur est établi ou dans une langue officielle de l'Union acceptée par le demandeur.
   3. CERTIFICAT DE VERIFICATION DELIVRE PAR UN ORGANISME DESIGNE
   3.1. Introduction
   Dans le cas où des règles nationales s'appliquent, la vérification comprend une procédure par laquelle l'organisme désigné conformément à l'article 172, paragraphe 8, (l'" organisme désigné ") contrôle et atteste que le sous-système est conforme aux règles nationales notifiées conformément à l'article 14 de la directive 2016/797/UE pour chaque Etat membre dans lequel la mise en service du sous-système est destinée à être autorisée.
   3.2. Certificat de vérification
   L'organisme désigné établit le certificat de vérification destiné au demandeur. Ce certificat fait référence avec précision à la règle nationale ou aux règles nationales dont la conformité a été examinée par l'organisme désigné dans le cadre du processus de vérification. En cas de règles nationales se rapportant aux sous-systèmes composant un véhicule, l'organisme désigné subdivise le certificat en deux parties, l'une indiquant les références aux règles nationales se rapportant strictement à la compatibilité technique entre le véhicule et le réseau concernés, l'autre pour toutes les autres règles nationales.
   3.3. Dossier
   Le dossier qui est constitué par l'organisme désigné et accompagne le certificat de vérification en cas de règles nationales est inclus dans le dossier technique accompagnant la déclaration " CE " de vérification visé au point 2.4 et contient les données techniques utiles pour l'évaluation de la conformité du sous-système avec les règles nationales.
   3.4. Langue
   Les dossiers et la correspondance se rapportant aux procédures de vérification " CE " sont rédigés dans une langue officielle de l'Union de l'Etat membre où le demandeur est établi ou dans une langue officielle de l'Union acceptée par le demandeur.
   4. VERIFICATION DE PARTIES DE SOUS-SYSTEMES CONFORMEMENT A L'ARTICLE 172, PARAGRAPHE 7
   Si un certificat de vérification est délivré pour certaines parties d'un sous-système, les dispositions de la présente annexe s'appliquent mutatis mutandis à ces parties.]1

  
Art. N21. [1 Bijlage 21 bij de wet van 30 augustus 2013 houdende de Spoorcodex
   BIJLAGE 21 - CONFORMITEITSBEOORDELINGSINSTANTIES
   1. Conformiteitsbeoordelingsinstanties zijn opgericht krachtens het nationale recht van een lidstaat van de Europese Unie waar zij gevestigd zijn en bezitten rechtspersoonlijkheid.
   2. Conformiteitsbeoordelingsinstantie zijn in staat alle conformiteitsbeoordelingstaken te verrichten die hen in de betrokken TSI of door deze Codex zijn toegewezen en waarvoor zij verzoeken te worden aangemeld of aangewezen, ongeacht of deze taken door de conformiteitsbeoordelingsinstanties zelf of namens hen en onder hun verantwoordelijkheid worden verricht overeenkomstig artikel 204/1.
   3. De conformiteitsbeoordelingsinstanties beschikken te allen tijde, voor elke conformiteitsbeoordelingsprocedure en voor elke soort of elke categorie producten waarvoor zij verzoeken te worden aangemeld of aangewezen, onverminderd artikel 204/1, over:
   a) het nodige personeel met technische kennis en voldoende relevante ervaring om de conformiteitsbeoordelingstaken overeenkomstig punt 8 te verrichten;
   b) relevante beschrijvingen van de procedures voor de uitvoering van de conformiteitsbeoordeling, waarbij de transparantie en de mogelijkheid tot reproductie van deze procedures worden gewaarborgd. Zij voeren een passend beleid en hanteren passende procedures om een onderscheid te maken tussen taken die zij als aangemelde of aangewezen conformiteitsbeoordelingsinstantie verrichten en andere activiteiten;
   c) passende procedures voor de uitoefening van hun activiteiten die naar behoren rekening houden met de omvang van ondernemingen, de sector waarin zij actief zijn, hun structuur, de relatieve complexiteit van de producttechnologie in kwestie en het massa- of seriële karakter van het productieproces.
   4. Zij beschikken over de middelen die nodig zijn om de technische en administratieve taken in verband met de conformiteitsbeoordelingsactiviteiten op passende wijze uit te voeren en hebben toegang tot alle vereiste apparatuur en faciliteiten.
   5. Conformiteitsbeoordelingsinstanties sluiten een aansprakelijkheidsverzekering af.
   6. Conformiteitsbeoordelingsinstanties beschikken over de regelingen die ervoor zorgen dat haar personeel gebonden is aan het beroepsgeheim ten aanzien van alle informatie waarvan het kennis neemt bij de uitoefening van zijn taken, behalve ten opzichte van de aanmeldende instantie.
   7. Conformiteitsbeoordelingsinstanties beschikken over procedures die de eigendomsrechten beschermen.
   8. Het voor de uitvoering van de conformiteitsbeoordelingen verantwoordelijke personeel dient te beschikken over:
   a) een gedegen technische en beroepsopleiding die alle relevante conformiteitsbeoordelingsactiviteiten omvat waarvoor de conformiteitsbeoordelingsinstantie is aangemeld of aangewezen;
   b) een toereikende kennis van de eisen inzake de beoordelingen die het verricht en voldoende bevoegdheden om deze beoordelingen uit te voeren;
   c) voldoende kennis over en inzicht in de essentiële eisen, de toepasselijke geharmoniseerde normen en de toepasselijke bepalingen van het Unierecht of van deze Codex;
   d) de bekwaamheid om certificaten, dossiers en rapporten op te stellen die aantonen dat de beoordelingen zijn verricht.
   9. De verloning van de hoogste leidinggevenden en het beoordelingspersoneel van conformiteitsbeoordelingsinstanties hangt niet af van het aantal uitgevoerde beoordelingen of van de resultaten daarvan.
   10. Conformiteitsbeoordelingsinstanties zijn derde partijen die onafhankelijk zijn van de organisatie of de fabrikant waarvan zij het product beoordelen.
   Een instantie die lid is van een organisatie van ondernemers of van een vakorganisatie die ondernemingen vertegenwoordigt die betrokken zijn bij het ontwerp, de vervaardiging, de levering, de montage, het gebruik of het onderhoud van de door haar beoordeelde producten, kan als een dergelijke instantie worden beschouwd op voorwaarde dat haar onafhankelijkheid en de afwezigheid van belangenconflicten aangetoond worden.
   11. De onpartijdigheid van de conformiteitsbeoordelingsinstanties, hun hoogste leidinggevenden en het beoordelingspersoneel moet worden gewaarborgd.
   12. Conformiteitsbeoordelingsinstanties, hun hoogste leidinggevenden en het personeel dat de conformiteitsbeoordelingstaken verricht, mogen niet de ontwerper, fabrikant, leverancier, installateur, koper, eigenaar, gebruiker of onderhouder zijn van de door hen beoordeelde producten, noch de gemachtigde van één van deze partijen. Dit vormt echter geen beletsel voor het gebruik van beoordeelde producten die nodig zijn voor de activiteiten van de conformiteitsbeoordelingsinstanties of voor het gebruik van de producten voor persoonlijke doeleinden.
   13. Conformiteitsbeoordelingsinstanties, hun hoogste leidinggevenden en het personeel dat de conformiteitsbeoordelingstaken verricht, mogen niet rechtstreeks of als vertegenwoordiger van de betrokken partijen zijn betrokken bij het ontwerpen, vervaardigen of bouwen, verhandelen, installeren, gebruiken of onderhouden van deze producten. Zij oefenen geen activiteiten uit die hun onafhankelijk oordeel of hun integriteit met betrekking tot conformiteitsbeoordelingsactiviteiten waarvoor zij zijn aangemeld of aangewezen, in het gedrang kunnen brengen. Dit verbod geldt in het bijzonder voor adviesdiensten.
   14. Conformiteitsbeoordelingsinstanties zorgen ervoor dat de activiteiten van hun dochterondernemingen of onderaannemers geen afbreuk doen aan de vertrouwelijkheid, objectiviteit of onpartijdigheid van hun conformiteitsbeoordelingen.
   15. Conformiteitsbeoordelingsinstanties en hun personeel voeren de conformiteitsbeoordelingen uit met de grootste mate van beroepsintegriteit en met de vereiste technische bekwaamheid op het specifieke gebied en zij zijn vrij van elke druk en beïnvloeding, met name van financiële aard, die hun oordeel of de resultaten van hun conformiteitsbeoordelingen kunnen beïnvloeden, met name met betrekking tot personen of groepen van personen die belang hebben bij de resultaten van deze activiteiten.]1

  
Art. N21. [1 ANNEXE 21 - EXIGENCES APPLICABLES AUX ORGANISMES D'EVALUATION DE LA CONFORMITE
   1. Les organismes d'évaluation de la conformité sont constitués en vertu du droit national d'un Etat membre de l'Union européenne où ils sont établis et possèdent la personnalité juridique.
   2. Les organismes d'évaluation de la conformité sont capables d'exécuter toutes les tâches d'évaluation de la conformité assignées par la STI concernée ou par le présent Code et pour lesquelles ils demandent à être notifiés ou désignés, que ces tâches soient exécutées par eux-mêmes ou en leur nom et sous leur responsabilité conformément à l'article 204/1.
   3. En toutes circonstances et pour chaque procédure d'évaluation de la conformité et tout type ou toute catégorie de produits pour lesquels il demande à être notifié ou désigné, sans préjudice de l'article 204/1, les organismes d'évaluation de la conformité disposent :
   a) du personnel requis ayant les connaissances techniques et l'expérience suffisante et appropriée pour effectuer les tâches d'évaluation de la conformité, conformément au point 8 ;
   b) des descriptions des procédures devant être utilisées pour évaluer la conformité, garantissant la transparence de ces procédures et la capacité de les appliquer. Les organismes disposent de politiques et de procédures appropriées faisant la distinction entre les tâches qu'ils exécutent en tant qu'organisme d'évaluation de la conformité notifié ou désigné et les autres activités ;
   c) de procédures adéquates pour accomplir leurs activités qui tiennent dûment compte de la taille des entreprises, du secteur dans lequel elles exercent leurs activités, de leur structure, du degré de complexité de la technologie du produit en question et de la nature, en masse ou en série, du processus de production.
   4. Ils disposent des moyens nécessaires à la bonne exécution des tâches techniques et administratives liées aux activités d'évaluation de la conformité et ont accès à tous les équipements ou installations nécessaires.
   5. Les organismes d'évaluation de la conformité souscrivent à une assurance de responsabilité civile.
   6. Les organismes d'évaluation de la conformité disposent de mécanismes garantissant que leur personnel soit lié par le secret professionnel pour toutes les informations dont il prend connaissance dans l'exercice des tâches qu'il exécute, sauf à l'égard de l'autorité notifiante.
   7. Les organismes d'évaluation de la conformité disposent de procédure destinées à protéger les droits de propriété.
   8. Le personnel chargé d'exécuter les tâches d'évaluation de la conformité possède les compétences suivantes:
   a) une solide formation technique et professionnelle couvrant toutes les activités d'évaluation de la conformité pour lesquelles l'organisme d'évaluation de la conformité a été notifié ou désigné ;
   b) une connaissance satisfaisante des exigences applicables aux évaluations qu'il effectue et l'autorité suffisante pour effectuer ces évaluations ;
   c) une connaissance et une compréhension adéquates des exigences essentielles, des normes harmonisées applicables ainsi que des dispositions pertinentes du droit de l'Union ou du présent Code ;
   d) l'aptitude à rédiger les attestations, procès-verbaux et rapports qui constituent la matérialisation des évaluations effectuées.
   9. La rémunération des cadres supérieurs et du personnel d'évaluation des organismes d'évaluation ne dépend pas du nombre d'évaluations effectuées ou des résultats de ces évaluations.
   10. Les organismes d'évaluation de la conformité sont des organismes tiers indépendants de l'organisation ou du fabricant du produit qu'ils évaluent.
   Un organisme appartenant à une association d'entreprises ou à une fédération professionnelle qui représente des entreprises participant à la conception, à la fabrication, à la fourniture, à l'assemblage, à l'utilisation ou à l'entretien des produits qu'il évalue peut, pour autant que son indépendance et que l'absence de tout conflit d'intérêts soient démontrées, être considéré comme un tel organisme.
   11. Les organismes d'évaluation de la conformité garantissent leur impartialité, celle de leurs cadres supérieurs et celle de leur personnel effectuant l'évaluation.
   12. Les organismes d'évaluation de la conformité, leurs cadres supérieurs et leurs personnels chargés d'exécuter les tâches d'évaluation de la conformité ne peuvent être le concepteur, le fabricant, le fournisseur, l'installateur, l'acheteur, le propriétaire, l'utilisateur ou le responsable de l'entretien des produits qu'ils évaluent, ni le mandataire d'aucune de ces parties. Cela n'exclut pas l'utilisation de produits évalués qui sont nécessaires au fonctionnement des organismes d'évaluation de la conformité, ou l'utilisation de ces produits à des fins personnelles.
   13. Les organismes d'évaluation de la conformité, leurs cadres supérieurs et leurs personnels chargés d'exécuter les tâches d'évaluation de la conformité n'interviennent, ni directement ni comme mandataires, dans la conception, la fabrication ou la construction, la commercialisation, l'installation, l'utilisation ou l'entretien de ces produits. Ils ne participent à aucune activité qui puisse entrer en conflit avec l'indépendance de leur jugement ou leur intégrité dans le cadre des activités d'évaluation de la conformité pour lesquelles ils sont notifiés ou désignés. Cette interdiction s'applique en particulier aux services de conseil.
   14. Les organismes d'évaluation de la conformité s'assurent que les activités de leurs filiales et sous-traitants ne compromettent pas la confidentialité, l'objectivité et l'impartialité de leurs activités d'évaluation de la conformité.
   15. Les organismes d'évaluation de la conformité et leur personnel accomplissent les activités d'évaluation de la conformité avec la plus haute intégrité professionnelle et la compétence technique requise dans le domaine spécifique et évitent toute pression et incitation, notamment d'ordre financier, susceptibles d'influencer leur jugement ou les résultats de leurs activités d'évaluation de la conformité, notamment de la part de personnes ou de groupes de personnes intéressés par ces résultats.]1

  
Art. N22. Bijlage 22. - Dossier voor een aanvraag tot afwijking
  De aanvraag tot afwijking wordt vergezeld van de volgende documenten :
  a) een brief waarin het voornemen af te wijken formeel aan de Commissie wordt meegedeeld;
  b) als bijlage bij die brief een dossier dat minstens het volgende bevat :
  - een beschrijving van de werken, goederen en diensten waarop de afwijking betrekking heeft, waarbij de belangrijkste datums, de geografische situatie en het functionele en technische domein worden gepreciseerd;
  - een exacte referentie naar de TSI's (of delen ervan) waarvoor een afwijking wordt aangevraagd;
  - een exacte referentie en de bijzonderheden van de alternatieve bepalingen die zullen worden toegepast;
  - voor aanvragen in het kader van artikel 159, § 1, onder 1° : de verantwoording van het feit dat het project zich in een vergevorderd stadium bevindt;
  - de rechtvaardiging van de afwijking, met de belangrijkste technische, economische, commerciële, operationele en/of administratieve redenen;
  - alle andere elementen die de aanvraag tot afwijking rechtvaardigen;
  - een beschrijving van de maatregelen die de lidstaat voornemens is te nemen om de uiteindelijke interoperabiliteit van het project te bevorderen. Als het om een kleine afwijking gaat, is deze beschrijving niet nodig.
  Om de documenten onder de leden van het comité te kunnen verspreiden, moeten ze zowel op papier als in de vorm van elektronische bestanden worden ingediend.
  Gezien om te worden gevoegd bij de wet van 30 augustus 2013 houdende de Spoorcodex.
Art. N22. Annexe 22. - Dossier de présentation d'une dérogation
  La demande de dérogation comprend les documents suivants :
  a) une lettre formelle communiquant à la Commission la dérogation envisagée;
  b) un dossier, annexé à la lettre, comprenant au moins :
  - une description des travaux, biens et services sujets à la dérogation, précisant les dates clés, la situation géographique ainsi que le domaine fonctionnel et technique;
  - une référence précise aux STI (ou à leurs parties) pour lesquelles une dérogation est demandée;
  - une référence précise et des détails des dispositions de remplacement qui seront appliquées;
  - pour des demandes relevant de l'article 159, paragraphe 1er, point 1°, la justification du stade avancé de développement du projet;
  - la justification de la dérogation, comprenant les raisons principales à caractère technique, économique, commercial, opérationnel et/ou administratif;
  - tout autre élément justifiant la demande de dérogation;
  - une description des mesures que l'Etat membre envisage de prendre afin de promouvoir l'interopérabilité finale du projet. S'il s'agit d'une dérogation mineure, cette description n'est pas requise.
  La documentation doit être fournie tant sous forme papier que sous forme de fichiers électroniques, ce qui permet sa distribution parmi les membres du comité.
  Vu pour être annexé à la loi du 30 août 2013 portant le Code ferroviaire.
Art. N23. [1 Bijlage 23. - LIJST VAN INFRASTRUCTUURELEMENTEN
   De infrastructuur van de spoorwegen omvat de volgende elementen voor zover deze deel uitmaken van de hoofd- en zijlijnen, met uitzondering van die welke gelegen zijn binnen herstelwerkplaatsen en depots of garages voor krachtvoertuigen, alsmede van particuliere spooraansluitingen :
   - terreinen;
   - aardebaan met name ophogingen, afgravingen, drainagewerken, greppels, gemetselde goten, duikers, taludbekledingen en -bepalingen, enz.; passagiers- en goederenperrons, inclusief in passagiersstations en vrachtterminals, laad- en loswegen; bermen en paden; omheiningsmuren, hagen en hekken; brandstroken; wisselverwarmingsinstallaties; wissels, enz.; sneeuwweringen;
   - kunstwerken : bruggen, doorlaten en andere bovengrondse overgangen, tunnels, overwelfde uitgravingen en andere onderdoorgangen; schoormuren en beschermingsgalerijen tegen lawines, vallend gesteente, enz.;
   - [2 overwegen]2, met inbegrip van de inrichtingen ter verzekering van de verkeersveiligheid;
   - bovenbouw, met name : spoorstaven, groefspoorstaven en strijkspoorstaven; dwarsliggers en langsliggers, klein bevestigingsmateriaal, ballastbed, met inbegrip van grint en zand; wissels; draaischijven en rolbruggen (met uitzondering van die welke uitsluitend dienen voor krachtvoertuigen);
   - toegangswegen ten dienste van passagiers en goederen, met inbegrip van toegang over de weg en toegang voor passagiers die te voet arriveren of vertrekken;
   - installaties voor de veiligheid, het seinwezen en de telecommunicatie voor de vrije baan, stations en rangeerstations, met inbegrip van de installaties voor het opwekken, transformeren en distribueren van elektrische stroom ten behoeve van het seinwezen en de telecommunicatie; gebouwen voor voornoemde installaties; railremmen;
   - verlichtingsinstallaties die nodig zijn voor de afwikkeling en de veiligheid van het verkeer;
   - installaties voor het transformeren en overbrengen van elektrische stroom voor tractiedoeleinden : onderstations, voedingskabels tussen de onderstations en de rijdraden, bovenleidingen met portalen, derde rail met steunelementen;
   - dienstgebouwen voor de infrastructuur, met inbegrip van een gedeelte voor installaties voor het innen van vervoersheffingen.]1

  
Art. N23. [1 Annexe 23. - LISTE DES ELEMENTS DE L'INFRASTRUCTURE FERROVIAIRE
   L'infrastructure ferroviaire se compose des éléments suivants, pour autant qu'ils fassent partie des voies principales et des voies de service, à l'exception de celles situées à l'intérieur des ateliers de réparation du matériel et des dépôts ou garages d'engins de traction, ainsi que des embranchements particuliers :
   - terrains;
   - corps et plate-forme de la voie, notamment remblais, tranchées, drains, rigoles, fossés maçonnés, aqueducs, murs de revêtement, plantations de protection des talus, etc.; quais à voyageurs et à marchandises, y compris dans les gares de voyageurs et les terminaux de marchandises; accotements et pistes; murs de clôture, haies vives, palissades; bandes protectrices contre le feu, dispositifs pour le réchauffage des appareils de voie; croisements, etc.; écrans pare-neige;
   - ouvrages d'art: ponts, ponceaux et autres passages supérieurs, tunnels, tranchées couvertes et autres passages inférieurs; murs de soutènement et ouvrages de protection contre les avalanches, les chutes de pierres, etc.;
   - passages à niveau, y compris les installations destinées à assurer la sécurité de la circulation routière;
   - superstructure, notamment: rails, rails à gorge et contre-rails; traverses et longrines, petit matériel d'assemblage, ballast, y compris gravillon et sable; appareils de voie, etc.; plaques tournantes et chariots transbordeurs (à l'exception de ceux exclusivement réservés aux engins de traction);
   - chaussées des cours de voyageurs et de marchandises, y compris les accès par route et les accès pour piétons;
   - installations de sécurité, de signalisation et de télécommunication de pleine voie, de gare et de triage, y compris installations de production, de transformation et de distribution de courant électrique pour le service de la signalisation et des télécommunications; bâtiments affectés auxdites installations; freins de voie;
   - installations d'éclairage destinées à assurer la circulation des véhicules et la sécurité de cette circulation;
   - installations de transformation et de transport de courant électrique pour la traction des trains: sous-stations, lignes d'alimentation entre les sous-stations et les fils de contact, caténaires et supports; troisième rail avec supports;
   - bâtiments affectés au service des infrastructures, y compris une partie des installations destinées au recouvrement des frais de transport.]1

  
Art. N24. [1 Bijlage 24. - EISEN INZAKE INFRASTRUCTUURKOSTEN EN -HEFFINGEN
   1. De infrastructuurbeheerders nemen bij de opstelling van de lijst van marktsegmenten met het oog op de toepassing van extra heffingen overeenkomstig artikel 56, paragraaf 1, ten minste de volgende paren in aanmerking :
   a) passagiers-/goederenvervoer;
   b) treinen die gevaarlijke goederen vervoeren/andere goederentreinen;
   c) binnenlands/internationaal vervoer;
   d) gecombineerd vervoer/rechtstreekse treinen;
   e) stedelijke of regionale treinen/tussenstedelijke passagiersvervoersdiensten;
   f) bloktreinen/treinen met losse wagons;
   g) reguliere/occasionele treindiensten.
   2. De in artikel 23 bedoelde prestatieregeling is gebaseerd op de volgende beginselen :
   a) teneinde het overeengekomen prestatieniveau te bereiken zonder de economische levensvatbaarheid van een dienst in gevaar te brengen, bepaalt de infrastructuurbeheerder, met akkoord van de kandidaten de belangrijkste parameters van de prestatieregeling en met name de waarde van vertragingen, de betalingsdrempels op grond van de prestatieregeling voor zowel individuele treinritten als alle treinritten van een spoorwegonderneming gedurende een bepaalde periode.
   b) de infrastructuurbeheerder stelt de spoorwegondernemingen tenminste vijf dagen voor de treinrit in kennis van de dienstregeling op basis waarvan de vertragingen worden berekend. In geval van overmacht of late wijzigingen van de dienstregeling mag de infrastructuurbeheerder een kortere termijn voor kennisgeving hanteren.
   c) alle vertragingen worden toegeschreven aan een van de volgende vertragingsklassen en -subklassen :
   1. operationeel of planningsbeheer van de infrastructuurbeheerder :
   1.1. opstelling van de dienstregeling;
   1.2. samenstelling van de trein;
   1.3. fouten in de operationele procedures;
   1.4. verkeerde toepassing van de prioriteitsregels;
   1.5. personeel;
   1.6. andere oorzaken;
   2. infrastructuur die onder de verantwoordelijkheid van de infrastructuurbeheerder valt :
   2.1. seinapparatuur;
   2.2. seinen bij overwegen;
   2.3. telecommunicatie-installaties;
   2.4. energievoorziening;
   2.5. spoor;
   2.6. structuren;
   2.7. personeel;
   2.8. andere oorzaken;
   3. civieltechnische problemen die onder de verantwoordelijkheid van de infrastructuurbeheerder vallen :
   3.1. geplande bouwwerkzaamheden;
   3.2. onregelmatigheden bij de uitvoering van bouwwerkzaamheden;
   3.3. snelheidsbeperkingen vanwege schade aan het spoor;
   3.4. andere oorzaken;
   4. problemen bij andere infrastructuurbeheerders :
   4.1. veroorzaakt door de vorige infrastructuurbeheerder;
   4.2. veroorzaakt door de volgende infrastructuurbeheerder;
   5. commerciële problemen bij de spoorwegondernemingen :
   5.1. langere stop dan voorzien;
   5.2. verzoek van de spoorwegonderneming;
   5.3. laadverrichtingen;
   5.4. laadproblemen;
   5.5. commerciële voorbereiding van de trein;
   5.6. personeel;
   5.7. andere oorzaken;
   6. problemen met het rollend materieel van de spoorwegondernemingen :
   6.1. planning van de materieelomloop of wijziging daarvan;
   6.2. samenstelling van de trein door de spoorwegonderneming;
   6.3. problemen met de rijtuigen (passagiersvervoer);
   6.4. problemen met wagons (goederentreinen);
   6.5. problemen met rijtuigen, locomotieven en motorwagens;
   6.6. personeel;
   6.7. andere oorzaken;
   7. problemen bij andere spoorwegondernemingen :
   7.1. veroorzaakt door de volgende spoorwegonderneming;
   7.2. veroorzaakt door de vorige spoorwegonderneming;
   8. externe oorzaken die noch aan de infrastructuurbeheerder, noch aan de spoorwegonderneming zijn te wijten :
   8.1. staking;
   8.2. administratieve formaliteiten;
   8.3. externe problemen;
   8.4. gevolgen van het weer of natuurlijke oorzaken;
   8.5. vertraging door externe oorzaken op het volgende net;
   8.6. andere oorzaken;
   9. secundaire oorzaken die noch aan de infrastructuurbeheerder, noch aan de spoorwegonderneming zijn te wijten :
   9.1. ernstige incidenten, ongevallen en rampen;
   9.2. spoorbezetting door de vertraging van dezelfde trein;
   9.3. spoorbezetting door de vertraging van een andere trein;
   9.4. omloop;
   9.5. aansluitingen;
   9.6. noodzakelijk verder onderzoek;
   d) de vertragingen moeten zoveel mogelijk worden toegeschreven aan één enkele instantie, rekening houdend met de verantwoordelijkheid voor de oorzaak van de storing en de mogelijkheid de normale toestand te herstellen;
   e) bij de berekening van vergoedingen wordt rekening gehouden met de gemiddelde vertraging van treindiensten met vergelijkbare stiptheidseisen;
   f) de infrastructuurbeheerder stelt de spoorwegondernemingen zo snel mogelijk in kennis van de berekening van de op grond van de prestatieregeling verschuldigde vergoedingen. Dat bedrag omvat alle vertraagde treinen in een periode van maximum één maand;
   g) eenmaal per jaar maakt de infrastructuurbeheerder op basis van de belangrijkste parameters die in de prestatieregeling zijn vastgesteld het gemiddelde jaarlijkse prestatieniveau bekend van de verschillende spoorwegondernemingen.]1

  
Art. N24. [1 Annexe 24. - EXIGENCES EN MATIERE DE COUTS ET DE REDEVANCES EN RAPPORT AVEC L'INFRASTRUCTURE FERROVIAIRE
   1. Les paires d'éléments à prendre en compte par les gestionnaires de l'infrastructure, lorsqu'ils établissent la liste des segments de marché en vue d'introduire des majorations dans le système de tarification au sens de l'article 56, paragraphe 1er, sont au minimum les suivantes:
   a) services de transport de voyageurs/services de fret;
   b) trains transportant des marchandises dangereuses/autres trains de marchandises;
   c) services nationaux/services internationaux;
   d) transport combiné/trains directs;
   e) services urbains ou régionaux de transport de voyageurs/services interurbains de transport de voyageurs;
   f) trains complets/trains de wagons isolés;
   g) services ferroviaires réguliers/services ferroviaires occasionnels.
   2. Le système d'amélioration des performances visé à l'article 23 repose sur les principes de base ci-après:
   a) pour parvenir à un niveau de performance convenu sans compromettre la viabilité économique d'un service, le gestionnaire de l'infrastructure arrête, en accord avec les candidats, les principaux paramètres du système d'amélioration des performances, et notamment la valeur des retards et les seuils applicables aux paiements dus au titre du système d'amélioration des performances par rapport à la fois aux mouvements de trains individuels et à l'ensemble des mouvements de trains d'une entreprise ferroviaire au cours d'une période donnée;
   b) le gestionnaire de l'infrastructure communique aux entreprises ferroviaires, cinq jours au moins avant le mouvement de train, l'horaire de service sur la base duquel les retards seront calculés. Le gestionnaire de l'infrastructure peut, en cas de force majeure ou de modification tardive de l'horaire de service, effectuer cette communication dans un délai plus court;
   c) tous les retards sont rangés dans l'une des catégories et sous-catégories de retards suivantes :
   1. gestion de l'exploitation/de la planification relevant du gestionnaire de l'infrastructure :
   1.1. établissement de l'horaire;
   1.2. formation du train;
   1.3. erreurs dans la procédure d'exploitation;
   1.4. application erronée des règles de priorité;
   1.5. personnel;
   1.6. autres causes;
   2. installations de l'infrastructure relevant du gestionnaire de l'infrastructure :
   2.1. installations de signalisation;
   2.2. installations de signalisation aux passages à niveau;
   2.3. installations de télécommunication;
   2.4. équipement d'alimentation électrique;
   2.5. voie;
   2.6. structures;
   2.7. personnel;
   2.8. autres causes;
   3. problèmes d'ingénierie civile imputables au gestionnaire de l'infrastructure :
   3.1. travaux de construction prévus;
   3.2. irrégularités dans l'exécution de travaux de construction;
   3.3. limitation de vitesse en raison d'une voie défectueuse;
   3.4. autres causes;
   4. causes imputables à d'autres gestionnaires de l'infrastructure :
   4.1. causes imputables au gestionnaire de l'infrastructure précédent;
   4.2. causes imputables au gestionnaire de l'infrastructure suivant;
   5. causes de nature commerciale imputables à l'entreprise ferroviaire :
   5.1. durée d'arrêt excessive;
   5.2. demande de l'entreprise ferroviaire;
   5.3. opérations de chargement;
   5.4. irrégularités dans le chargement;
   5.5. préparation commerciale du train;
   5.6. personnel;
   5.7. autres causes;
   6. matériel roulant relevant de la responsabilité de l'entreprise ferroviaire :
   6.1. établissement/modification du tableau de service;
   6.2. formation du train par l'entreprise ferroviaire;
   6.3. problèmes concernant les voitures (transport de voyageurs);
   6.4. problèmes concernant les wagons (transport de marchandises);
   6.5. problèmes concernant les véhicules, locomotives et automotrices;
   6.6. personnel;
   6.7. autres causes;
   7. causes imputables à d'autres entreprises ferroviaires :
   7.1. causes imputables à l'entreprise ferroviaire suivante;
   7.2. causes imputables à l'entreprise ferroviaire précédente;
   8. causes externes qui ne sont imputables ni au gestionnaire de l'infrastructure ni à l'entreprise ferroviaire :
   8.1. grève;
   8.2. formalités administratives;
   8.3. influence extérieure;
   8.4. effets des conditions météorologiques et de causes naturelles;
   8.5. retard dû à des causes externes affectant le réseau suivant;
   8.6. autres causes;
   9. causes secondaires qui ne sont imputables ni au gestionnaire de l'infrastructure ni à l'entreprise ferroviaire :
   9.1. risques, accidents et incidents dangereux;
   9.2. occupation de la voie en raison du retard du train;
   9.3. occupation de la voie en raison du retard d'un autre train;
   9.4. rotation;
   9.5. correspondance;
   9.6. à déterminer après enquête;
   d) dans la mesure du possible, le retard est imputé à une seule organisation, en tenant compte à la fois de la responsabilité pour la perturbation causée et de l'aptitude à rétablir des conditions de circulation normales;
   e) le calcul des paiements tient compte du retard moyen des services ferroviaires soumis à des exigences de ponctualité similaires;
   f) le gestionnaire de l'infrastructure communique, dans les meilleurs délais, aux entreprises ferroviaires un calcul des paiements dus au titre du système d'amélioration des performances. Ce calcul comprend tous les mouvements de trains ayant subi un retard au cours d'une période maximale d'un mois;
   g) une fois par an, le gestionnaire de l'infrastructure publie le niveau moyen annuel de performance auquel sont parvenues les entreprises ferroviaires au regard des principaux paramètres arrêtés dans le système d'amélioration des performances.]1

  
Art. N25. [1 Bijlage 25. - BASISBEGINSELEN EN PARAMETERS VOOR BEHEERSOVEREENKOMSTEN TUSSEN BEVOEGDE INSTANTIES EN INFRASTRUCTUURBEHEERDERS
   In de overeenkomst worden de in artikel 47, paragraaf 3, genoemde aspecten vastgesteld, en worden ten minste de volgende elementen behandeld :
   1) de infrastructuur en de voorzieningen waarop de overeenkomst van toepassing is, in overeenstemming met de structuur van bijlage 1. Voorts worden alle aspecten in verband met het beheer van de infrastructuur, waaronder het onderhoud en de vernieuwing van de bestaande infrastructuur, beschreven. In voorkomend geval kan ook de aanleg van nieuwe infrastructuren worden gedekt;
   2) de structuur van de vergoedingen of toegewezen middelen voor de in bijlage 1 opgesomde infrastructuurdiensten, voor onderhoud en vervanging en voor het wegwerken van de bestaande onderhouds- en vervangingsachterstand. In voorkomend geval kan de structuur van de vergoedingen of toegewezen middelen voor nieuwe infrastructuur worden gedekt;
   3) gebruikersgerichte prestatiedoelstellingen in de vorm van indicatoren en kwaliteitscriteria inzake elementen als :
   a) treinprestaties, onder meer wat betreft baanvaksnelheid en betrouwbaarheid, en klanttevredenheid,
   b) netcapaciteit,
   c) beheer van activa,
   d) omvang van de activiteiten,
   e) veiligheidsniveaus, en
   f) milieubescherming;
   4) de omvang van de onderhoudsachterstand en de activa die buiten bedrijf zullen worden gesteld en waardoor financiële middelen vrijkomen;
   5) de in artikel 47, paragraaf 2, bedoelde prikkels;
   6) verslaggevingsverplichtingen voor de infrastructuurbeheerder met opgave van de inhoud en de rapporteringsfrequentie, met inbegrip van de jaarlijks te publiceren informatie;
   7) de overeengekomen duur van de overeenkomst, die wordt afgestemd op de looptijd van het ondernemingsplan van de infrastructuurbeheerder, de concessie of vergunning, naargelang van het geval, en het door de lidstaat ingestelde heffingskader en de heffingsregels;
   8) regels voor de afhandeling van ernstige storingen en noodsituaties, met inbegrip van noodplannen, de vroegtijdige beëindiging van de overeenkomst en tijdige informatie voor de gebruikers;
   9) te nemen herstelmaatregelen wanneer een van de partijen zijn contractuele verplichtingen niet nakomt, of in uitzonderlijke omstandigheden waarin de beschikbaarheid van overheidsfinanciering in het gedrang komt; dit omvat de voorwaarden en procedures voor nieuwe onderhandelingen en de vroegtijdige beëindiging.]1

  
Art. N25. [1 Annexe 25. - PRINCIPES DE BASE ET PARAMETRES DES CONTRATS ENTRE AUTORITES COMPETENTES ET GESTIONNAIRES DE L'INFRASTRUCTURE
   Le contrat précise les dispositions de l'article 47, paragraphe 3, et comporte au moins les éléments suivants :
   1) le champ d'application du contrat en ce qui concerne l'infrastructure et les installations de service, en conformité avec la structure indiquée à l'annexe 1re. Ce point englobe tous les aspects de la gestion de l'infrastructure, y compris l'entretien et le renouvellement des éléments de l'infrastructure déjà en service. Le cas échéant, la construction de nouvelles infrastructures peut également être mentionnée;
   2) la structure des versements ou des fonds alloués aux différents services d'infrastructure énumérés à l'annexe 1re, à l'entretien et au renouvellement ainsi qu'à la résorption des arriérés d'entretien et de renouvellement existants. Le cas échéant, la structure des versements ou des fonds alloués à une nouvelle infrastructure peut être mentionnée;
   3) les objectifs de performance orientés vers l'utilisateur, sous la forme d'indicateurs et de critères de qualité portant sur des éléments tels que :
   a) les performances des trains, par exemple en termes de rapidité et de fiabilité, et la satisfaction de la clientèle;
   b) la capacité du réseau;
   c) la gestion des actifs;
   d) le volume des activités;
   e) les niveaux de sécurité; et
   f) la protection de l'environnement;
   4) le volume de l'arriéré d'entretien éventuel et les actifs qui seront retirés du service et, partant, généreront des flux financiers différents;
   5) les mesures d'incitation visées à l'article 47, paragraphe 2;
   6) les obligations d'information minimales incombant au gestionnaire de l'infrastructure en ce qui concerne le contenu et la fréquence de présentation des rapports, y compris les informations à publier chaque année;
   7) la durée convenue du contrat, qui est synchronisée et compatible avec la durée du plan d'entreprise, de la concession ou de la licence du gestionnaire de l'infrastructure, le cas échéant, et le cadre et les règles de tarification fixés par l'Etat;
   8) les règles applicables en cas de perturbation importante des activités ou dans les situations d'urgence, y compris des plans d'urgence et de résiliation anticipée du contrat, ainsi que les règles en matière d'information en temps et en heure des utilisateurs;
   9) les mesures de réparation à prendre si l'une des parties manque à ses obligations contractuelles; ou lorsque des circonstances exceptionnelles ont une incidence sur la disponibilité des financements publics; il s'agit notamment de définir les conditions et procédures de renégociation et de résiliation anticipée.]1

  
Art. N26. [1 Bijlage 26. - BOEKHOUDKUNDIGE INFORMATIE DIE OP VERZOEK BIJ DE [3 TOEZICHTHOUDEND ORGAAN]3 MOET WORDEN INGEDIEND
   1. Gescheiden boekhouding :
   a) gescheiden winst-en-verliesrekeningen en balansen voor het goederenvervoer, het passagiersvervoer en de activiteiten op het gebied van het infrastructuurbeheer;
   b) gedetailleerde informatie over individuele bronnen en de besteding van overheidsmiddelen en andere vormen van compensatie op een transparante en gedetailleerde wijze, met inbegrip van een gedetailleerd overzicht van de geldstromen van de onderneming, teneinde te bepalen hoe de overheidsmiddelen en andere vormen van compensatie zijn besteed;
   c) een overzicht van de kosten en individuele winstposten, zodat in overeenstemming met de eisen van de [3 toezichthoudend orgaan]3 kan worden nagegaan of er kruissubsidiëring tussen de verschillende activiteiten heeft plaatsgevonden;
   d) de methode die is gehanteerd om de kosten aan de verschillende activiteiten toe te rekenen;
   e) wanneer de betrokken onderneming deel uitmaakt van een groep, volledige details van betalingen tussen de verschillende onderdelen van de groep.
   2. Toezicht op de spoortoegangsrechten :
   a) een overzicht van de verschillende kostencategorieën, en met name voldoende informatie over de marginale/directe kosten van de verschillende diensten of dienstenpakketten om toezicht op de infrastructuurrechten mogelijk te maken;
   b) voldoende informatie met het oog op het toezicht op de individuele rechten die zijn betaald voor diensten (of dienstenpakketten); indien de [3 toezichthoudend orgaan]3 dat verlangt, wordt informatie opgenomen over de volumes van individuele diensten, prijzen voor individuele diensten en de totale door de interne en externe klanten betaalde inkomsten voor individuele diensten;
   c) een overzicht van de kosten en inkomsten voor individuele diensten (of dienstenpakketten) overeenkomstig de eisen van de [3 toezichthoudend orgaan]3, teneinde te kunnen nagaan of er sprake is van concurrentieverstorende prijszetting (kruissubsidiëring, dumping of woekerwinsten).
   3. Aangeven van de financiële prestaties :
   a) een overzicht van de financiële prestaties;
   b) een uitgavendeclaratie;
   c) een overzicht van de onderhoudsuitgaven;
   d) een overzicht van de operationele uitgaven;
   e) een overzicht van de inkomsten;
   f) begeleidende nota's tot aanvulling van en uitleg bij deze overzichten, indien nodig.]1

  
Art. N26. [1 Annexe 26. - INFORMATIONS COMPTABLES A SOUMETTRE A L'ORGANISME DE CONTROLE SUR DEMANDE
   1. Séparation des comptes :
   a) des comptes de profits et pertes et des bilans distincts pour les activités de fret, de transport de voyageurs et de gestion de l'infrastructure;
   b) des informations détaillées sur chaque source et utilisation de fonds publics et d'autres formes de compensation, présentées d'une manière transparente et précise, y compris une analyse détaillée des flux de trésorerie des entreprises permettant de déterminer de quelle manière ces fonds publics et ces autres formes de compensation ont été utilisés;
   c) des catégories de coûts et profits permettant d'établir si des subventions croisées ont été opérées entre ces différentes activités, conformément aux exigences de l'organisme de contrôle;
   d) la méthode utilisée pour ventiler les coûts entre les différentes activités;
   e) lorsque l'entreprise réglementée appartient à un groupe, des informations complètes sur les paiements interentreprises.
   2. Suivi des redevances d'accès aux voies :
   a) les différentes catégories de coûts, et notamment des informations suffisantes sur les coûts marginaux/directs des différents services ou groupes de services pour permettre le suivi des redevances d'utilisation de l'infrastructure;
   b) des informations suffisantes pour permettre le suivi des redevances individuelles versées pour les services (ou groupes de services); à la demande de l'organisme de contrôle, ces informations comprennent des données sur les volumes de services individuels, les prix des services individuels et les recettes totales afférentes aux services individuels et issues de la clientèle interne et externe;
   c) les coûts et les recettes afférents à chaque service (ou groupe de services), établis à l'aide de la méthode de calcul des coûts appropriée, selon les modalités définies par l'organisme de contrôle, de manière à pouvoir déceler l'existence éventuelle d'une tarification anticoncurrentielle (subventions croisées, pratiques d'éviction et tarifs excessifs).
   3. Indication des performances financières :
   a) un état des performances financières;
   b) un état succinct des dépenses;
   c) un état des dépenses d'entretien;
   d) un état des dépenses d'exploitation;
   e) un compte de résultat;
   f) des notes d'accompagnement développant et expliquant ces informations, s'il y a lieu.]1

  
Art. N27. [1 Bijlage 27 bij de wet van 30 augustus 2013 houdende de Spoorcodex
   BIJLAGE 27 - EISEN EN BEOORDELINGSCRITERIA VOOR ORGANISATIES DIE EEN CERTIFICAAT VAN EEN MET ONDERHOUD BELASTE ENTITEIT (ENTITY IN CHARGE OF MAINTENANCE - ECM) OF EEN CERTIFICAAT VOOR DOOR EEN MET ONDERHOUD BELASTE ENTITEIT UITBESTEDE ONDERHOUDSFUNCTIES AANVRAGEN
   Wat het organisatiebeheer betreft, moeten alle essentiële onderdelen worden gedocumenteerd en wordt in het bijzonder beschreven hoe de verantwoordelijkheden binnen de organisatie en ten aanzien van subcontractanten zijn verdeeld. Daarbij wordt aangegeven hoe het beheer op verschillende niveaus wordt gecontroleerd, hoe het personeel en de vertegenwoordigers ervan op alle niveaus bij het beheer worden betrokken en hoe de voortdurende verbetering ervan wordt gewaarborgd.
   De volgende basisvereisten worden toegepast op de vier taken van een met onderhoud belaste entiteit (ECM) waarin door de organisatie zelf of door contractanten moet worden voorzien:
   1) Leiding - verbintenis inzake de ontwikkeling en invoering van het onderhoudssysteem van de organisatie en inzake de voortdurende verbetering van de doeltreffendheid daarvan;
   2) Risicobeoordeling - een gestructureerde aanpak voor het beoordelen van de risico's bij het onderhoud van voertuigen, met inbegrip van risico's die rechtstreeks voortvloeien uit operationele processen en de activiteiten van andere organisaties of personen, en het bepalen van passende risicobeheersingsmaatregelen;
   3) Monitoring - een gestructureerde aanpak om te waarborgen dat risicobeheersingsmaatregelen bestaan, correct functioneren en de doelstellingen van de organisatie realiseren;
   4) Voortdurende verbetering - een gestructureerde aanpak om de informatie uit regelmatige monitoring, audits en andere relevante bronnen te analyseren en lering te trekken uit de resultaten daarvan om preventieve en corrigerende maatregelen te nemen teneinde het veiligheidsniveau in stand te houden of te verbeteren;
   5) Structuur en verantwoordelijkheden - een gestructureerde aanpak om de verantwoordelijkheden van individuele personen en teams voor de veilige verwezenlijking van de veiligheidsdoelstellingen van de organisatie af te bakenen;
   6) Bekwaamheidsbeheer - een gestructureerde aanpak om ervoor te zorgen dat werknemers over de nodige bekwaamheden beschikken om de doelstellingen van de organisatie in alle omstandigheden op een veilige, doelmatige en efficiënte manier te realiseren;
   7) Informatie - een gestructureerde aanpak om te waarborgen dat belangrijke informatie beschikbaar is voor alle personen binnen de organisatie die oordelen vellen en besluiten nemen, en dat de informatie volledig en adequaat is;
   8) Documentatie - een gestructureerde aanpak om de traceerbaarheid van alle relevante informatie te waarborgen;
   9) Uitbesteding van activiteiten - een gestructureerde aanpak om ervoor te zorgen dat uitbestede activiteiten correct worden beheerd met het oog op de realisatie van de doelstellingen van de organisatie en dat alle bevoegdheden en behoeften worden gedekt;
   10) Onderhoudsactiviteiten - een gestructureerde aanpak om ervoor te zorgen dat:
   a) alle onderhoudsactiviteiten die een invloed hebben op de veiligheid en voor de veiligheid kritieke componenten worden geïdentificeerd en op de juiste wijze worden beheerd, en dat alle nodige wijzigingen in de onderhoudsactiviteiten die een invloed hebben op de veiligheid worden geïdentificeerd, op gepaste wijze worden beheerd op basis van de opgedane ervaring en de toepassing van de gemeenschappelijke veiligheidsmethoden voor risicobeoordeling volgens artikel 6, lid 1, onder a), van richtlijn 2016/798/EU, en naar behoren worden gedocumenteerd,
   b) aan de essentiële eisen inzake interoperabiliteit wordt voldaan,
   c) onderhoudsvoorzieningen, -uitrusting en instrumenten die specifiek ontwikkeld en nodig zijn voor de uitvoering van het onderhoud, toegepast en gecontroleerd worden;
   d) de oorspronkelijke documentatie met betrekking tot het voertuig wordt geanalyseerd met het oog op het opstellen van het eerste onderhoudsdossier, en dat dit dossier correct wordt toegepast bij de opstelling van onderhoudsopdrachten,
   e) componenten (waaronder reserve-onderdelen) en materiaal worden gebruikt overeenkomstig de specificaties in de onderhoudsopdrachten en de documentatie van leveranciers; ze worden opgeslagen, gehanteerd en vervoerd op passende wijze overeenkomstig de in de onderhoudsopdrachten en de documentatie van leveranciers opgenomen specificaties, en voldoen aan de geldende nationale en internationale voorschriften, alsmede aan de eisen van relevante onderhoudsopdrachten,
   f) passende en geschikte voorzieningen, uitrusting en instrumenten worden bepaald, geïdentificeerd, geleverd, bijgehouden en bewaard om de onderhoudswerkzaamheden te kunnen uitvoeren overeenkomstig de onderhoudsopdrachten en andere toepasselijke specificaties, teneinde het veilig verloop van de onderhoudswerkzaamheden, de ergonomie en de bescherming van de gezondheid te waarborgen,
   g) de organisatie beschikt over procedures om te waarborgen dat haar meetapparatuur en alle voorzieningen, uitrusting en instrumenten correct worden gebruikt, geijkt, bewaard en onderhouden overeenkomstig gedocumenteerde processen;
   11) Controleactiviteiten - een gestructureerde aanpak om ervoor te zorgen dat:
   a) voertuigen uit exploitatie worden genomen voor gepland, voorwaardelijk of correctief onderhoud te gepasten tijde, of wanneer defecten of andere behoeften zijn vastgesteld;
   b) de nodige maatregelen inzake kwaliteitscontrole worden getroffen;
   c) onderhoudstaken worden uitgevoerd overeenkomstig de onderhoudsopdrachten en om een voertuig geschikt te verklaren om opnieuw in exploitatie te worden genomen, met vermelding van eventuele gebruiksbeperkingen;
   d) mogelijke gevallen van niet-naleving bij de toepassing van het beheersysteem die tot ongevallen, incidenten, bijna-ongevallen en andere gevaarlijke voorvallen kunnen leiden, worden gemeld, onderzocht en geanalyseerd, en dat de nodige preventieve maatregelen worden getroffen in overeenstemming met de in artikel 6, lid 1, onder c), van richtlijn 2016/798/EU, bedoelde gemeenschappelijke veiligheidsmethode voor de controle;
   e) periodieke interne controle en toezicht plaatsvinden in overeenstemming met de in artikel 6, lid 1, onder c), van richtlijn 2016/798/EU, bedoelde gemeenschappelijke veiligheidsmethode voor de controle.]1

  
Art. N27. [1 ANNEXE 27 - EXIGENCES ET CRITERES D'EVALUATION APPLICABLES AUX ORGANISATIONS DEMANDANT UN CERTIFICAT ECE OU UN CERTIFICAT CONCERNANT DES FONCTIONS D'ENTRETIEN EXTERNALISEES PAR UNE ENTITE CHARGEE DE L'ENTRETIEN
   La gestion de l'organisation doit être documentée dans toutes ses parties et décrire notamment la répartition des responsabilités au sein de l'organisation et avec les sous-traitants. Elle indique comment la direction assure le contrôle aux différents niveaux de l'organisation, comment le personnel et ses représentants à tous les niveaux participent et comment l'amélioration constante est assurée.
   Les exigences de base ci-après s'appliquent aux quatre fonctions de l'entité chargée de l'entretien (ECE) que doit remplir l'organisation par elle-même ou via des accords de sous-traitance:
   1) Rôle directeur - engagement à développer et mettre en oeuvre le système d'entretien de l'organisation et à accroître constamment son efficacité ;
   2) Evaluation des risques - approche structurée pour évaluer les risques liés à l'entretien des véhicules, y compris ceux découlant directement des processus opérationnels et des activités d'autres organisations ou personnes, et pour définir les mesures appropriées de maîtrise des risques ;
   3) Contrôle - approche structurée pour faire en sorte que des mesures de maîtrise des risques soient arrêtées, qu'elles soient efficaces et qu'elles contribuent à la réalisation des objectifs de l'organisation ;
   4) Amélioration constante - approche structurée pour analyser les informations recueillies par des contrôles et audits réguliers ou provenant d'autres sources pertinentes, et pour tirer un enseignement des résultats et arrêter des mesures préventives ou correctrices afin de maintenir ou de relever le niveau de sécurité ;
   5) Structure et responsabilité - approche structurée pour définir les responsabilités individuelles et collectives afin de garantir la réalisation des objectifs de sécurité de l'organisation ;
   6) Gestion des compétences - approche structurée pour faire en sorte que les employés aient les compétences requises afin de garantir la réalisation des objectifs de l'organisation, de façon sûre, effective et efficace, en toutes circonstances ;
   7) Information - approche structurée pour faire en sorte que ceux qui émettent des jugements et prennent des décisions, à tous les niveaux de l'organisation, disposent d'informations utiles et que ces informations soient complètes et pertinentes ;
   8) Documentation - approche structurée pour veiller à la traçabilité de toutes les informations pertinentes ;
   9) Activités de sous-traitance - approche structurée pour faire en sorte que les activités sous-traitées soient gérées de telle façon que les objectifs de l'organisation soient atteints et que toutes les compétences et exigences soient prises en considération ;
   10) Activités d'entretien - approche structurée pour faire en sorte:
   a) que toutes les activités d'entretien touchant à la sécurité et à des éléments essentiels pour la sécurité soient répertoriées et correctement gérées et que tous les changements nécessaires à ces activités d'entretien touchant à la sécurité soient répertoriés, gérés convenablement sur la base du retour d'expérience et de l'application des méthodes de sécurité communes pour l'évaluation des risques visées à l'article 6, paragraphe 1er, point a), de la directive 2016/798/UE, et documentés correctement,
   b) d'assurer la conformité avec les exigences essentielles en matière d'interopérabilité,
   c) d'assurer la mise en oeuvre et le contrôle des installations, équipements et outils nécessaires à l'exécution de l'entretien et spécialement mis au point à cet effet,
   d) d'assurer l'analyse de la documentation d'origine concernant le véhicule pour fournir le premier dossier d'entretien et la mise en oeuvre correcte de ce dossier par l'élaboration de commandes de travaux d'entretien,
   e) que les composants (y compris les pièces détachées) et les matériaux soient utilisés comme indiqué dans les commandes de travaux d'entretien et la documentation du fournisseur; qu'ils soient stockés, manipulés et transportés comme indiqué dans les commandes de travaux d'entretien et la documentation du fournisseur et soient conformes aux règles nationales et internationales applicables ainsi qu'aux exigences figurant dans les commandes de travaux d'entretien pertinentes,
   f) que les installations, équipements et outils appropriés soient déterminés, recensés, fournis, consignés et maintenus à disposition pour permettre de fournir les services d'entretien conformément aux commandes de travaux et aux autres spécifications applicables, en garantissant l'exécution en toute sécurité des mesures en matière d'entretien, d'ergonomie et de protection de la santé,
   g) que l'organisation ait arrêté des procédures pour que ses appareils de mesures et les installations, équipements et outils soient tous correctement utilisés, étalonnés, conservés et entretenus, conformément à des procédures étayées par des documents ;
   11) Activités de contrôle - approche structurée pour faire en sorte:
   a) que les véhicules soient retirés de l'exploitation pour un entretien planifié, conditionnel ou correcteur en temps voulu ou lorsque des défauts ou d'autres besoins ont été constatés,
   b) que les mesures de contrôle de la qualité nécessaires soient mises en oeuvre;
   c) que les tâches d'entretien soient effectuées conformément aux commandes de travaux d'entretien et de délivrer l'avis de remise en exploitation comprenant de possibles restrictions d'utilisation,
   d) que les éventuels cas de non-conformité dans l'application du système de gestion qui pourraient se traduire par des accidents, incidents, survenus ou évités de justesse, et autres événements dangereux soient signalés, examinés et analysés, et que les mesures préventives nécessaires soient prises conformément à la méthode de sécurité commune pour le contrôle prévue à l'article 6, paragraphe 1er, point c), de la directive 2016/798/UE,
   e) d'assurer un processus interne récurrent d'audit et de contrôle qui soit conforme à la méthode de sécurité commune pour le contrôle prévue à l'article 6, paragraphe 1er, point c), de la directive 2016/798/UE.]1

  
Art. N28. [1 Bijlage 28 - Verklaring van afwezigheid van belangenconflicten
   (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 07-03-2019, p. 24473) (Erratum van 07-03-2019, p. 24474)]1

  
Art. N28. [1 Annexe 28 - Déclaration relative aux conflits dintérêts
   (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 07-03-2019, p. 24473) (Erratum du 07-03-2019, p. 24473)]1

  
Art. N29. [1 Bijlage 29 bij de wet van 30 augustus 2013 houdende de Spoorcodex
   BIJLAGE 29 - VEREISTEN EN PROCEDURE INZAKE ERTMS-BAANPROJECTEN
   In het kader van het ERTMS-baanproject, houden de veiligheidsinstantie en de aanvrager zich aan de hierna vastgestelde vereisten en procedure:
   Deel A: Algemene bepalingen
   1. De aanvrager neemt contact op met het Bureau zodra hij voornemens is een aanbesteding uit te schrijven voor ERTMS-baanuitrusting die door het Bureau moet worden goedgekeurd;
   2. De aanvrager dient voldoende gedetailleerde technische documenten in zodat het Bureau kan nagaan of de technische oplossingen die de aanvrager wenst toe te passen volledig interoperabel zijn;
   3. Het Bureau en de veiligheidsinstantie werken samen en wisselen informatie uit om op eventuele technische problemen te anticiperen en deze aan te pakken en vergemakkelijken derhalve de taak van de veiligheidsinstantie voor de afgifte van een vergunning voor het in dienst stellen van het subsysteem. De veiligheidsinstantie kan in elk stadium van de procedure, m.i.v. het voorafgaand overleg, advies uitbrengen via het éénloketsysteem als bedoeld in artikel 12 van de Verordening (EU) 2016/796 (hierna "het loket") over de technische aspecten en het tijdsschema;
   4. De tijdens de goedkeuringsprocedure verstrekte informatie wordt ter beschikking gesteld van de veiligheidsinstantie;
   5. De aanvrager en het Bureau volgen de goedkeuringsprocedure, die bestaat uit de volgende drie stappen:
   a) voorafgaand overleg;
   b) indiening en controle van de volledigheid van het dossier;
   c) beoordeling en beslissing;
   6. De aanvrager dient via het loket, in een zo vroeg mogelijk stadium, het volgende aanvraagdossier in dat voor de goedkeuring vereist is, m.i.v. de beschrijving van de voorgestelde technische oplossing en de bewijsstukken die aantonen dat die oplossing in overeenstemming is met de toepasselijke TSI besturing en seingeving, als genoemd in artikel 19 van de richtlijn (EU) 2016/797:
   a) het ontwerpbestek of de beschrijving van de voorgestelde technische oplossing met:
   - een beschrijving van het project, met vermelding van de lijn, groep van lijnen of het netwerk waarop het project of de combinatie van projecten wordt uitgevoerd: geografische ligging, aantal kilometer enkel- en dubbelspoor, ERTMS-niveau, -baseline en -versie, interoperabiliteitsonderdelen en stations;
   - bewijsstukken waaruit blijkt dat in de aanbesteding en/of het contract wordt verwezen naar de toepasselijke TSI besturing en seingeving, met vermelding van de baseline en versie;
   - een projectplan met opgave van de te leveren resultaten, stappen en te respecteren termijnen;
   - de lijst van de in te voeren ERTMS-functies;
   - de ontwerpvoorschriften en operationele testscenario's als bedoeld in artikel 5 van de Verordening (EU) 2016/919 en punt 6.1.2.3 van de bijlage bij die verordening;
   - de teststrategie en -plannen;
   b) bewijsstukken van de voorwaarden voor de technische en operationele compatibiliteit van het subsysteem met de voertuigen die men op het betrokken netwerk wil laten rijden;
   c) bewijsstukken waaruit blijkt dat de voorgestelde technische oplossing in overeenstemming is met de toepasselijke TSI besturing en seingeving, en alle andere relevante documenten, zoals adviezen van nationale veiligheidsinstanties, keuringsverklaringen of conformiteitscertificaten:
   - indien beschikbaar, een vorige vergunning van een veiligheidsinstantie voor ERTMS-baanuitrusting die relevant is voor de door de aan vrager voorgestelde technische oplossingen;
   - indien beschikbaar, zowel het EG-certificaat van conformiteit als de EG-verklaring van conformiteit van de interoperabiliteitsonderdelen, m.i.v. het model van het Bureau voor de certificering en afwijkingen als gedefinieerd in de richtsnoeren van het Bureau;
   - indien beschikbaar, keuringscertificaten van het subsysteem en, in voorkomend geval, tussentijdse keuringsverklaringen van het ontwerp en de EG-keuringsverklaring van het subsysteem, m.i.v. het model voor de certificering en afwijkingen als gedefinieerd in de relevante richtsnoeren van het Bureau;
   - voor elk knelpunt in het knelpuntenregister bewijsstukken van de manier waarop de risico's voor de interoperabiliteit zijn aangepakt;
   - de nationale voorschriften in verband met ERTMS die op het project van toepassing zijn;
   - indien de aanvrager een afwijking geniet voor de toepassing van één of meer TSI's of delen daarvan, een document van de veiligheidsinstantie waarin die afwijking wordt toegestaan, overeenkomstig artikel 159 van de Spoorcodex;
   7. Alle knelpunten in het knelpuntregister worden ingedeeld in één van de volgende categorieën:
   a) op te lossen;
   b) opgelost;
   c) oplossing aanvaard onder voorwaarden;
   d) gesloten, maar oplossing verworpen;
   8. Het Bureau stelt, via het loket, een lijst voor van knelpunten die in het register zijn aangemerkt als "op te lossen";
   9. De aanvrager legt overeenkomstig het afgesproken tijdsschema als bedoeld in punt 17, onder b), en vóór de beslissingsfase, de nodige bewijsstukken over om aan te tonen dat alle in het register genoemde knelpunten zijn opgelost;
   10. Het Bureau verandert de status van de knelpunten in het register op basis van de door de aanvrager ingediende bewijsstukken in "opgelost", "oplossing aanvaard onder voorwaarden" of "gesloten, maar oplossing verworpen";
   11. De aanvrager en de veiligheidsinstantie moeten kunnen voorstellen om aanvullende knelpunten toe te voegen aan het knelpuntenregister;
   12. Teneinde de procedure te versnellen en overbodige administratie te voorkomen, verstrekt het Bureau de aanvrager richtsnoeren over de manier waarop moet worden aangetoond dat de knelpunten zijn opgelost;
   13. Het Bureau publiceert een geanonimiseerde lijst van knelpunten als instrument om ervaringen uit te wisselen de geharmoniseerde implementatie van ERTMS-baanprojecten te faciliteren;
   Deel B:} Fase 1 - Voorafgaand overleg
   14. Alvorens de aanvrager een formele aanvraag indient, vindt een voorafgaand overleg met het Bureau plaats met het oog op een vlot verloop van de goedkeuringsprocedure;
   15. Het voorafgaand overleg vangt aan vóórdat de aanbesteding voor ERTMS-baanuitrusting wordt gepubliceerd en wanneer de aanvrager het Bureau in kennis stelt van zijn voornemen om een verzoek om goedkeuring in te dienen;
   16. Het voorafgaand overleg blijft beperkt tot een beperkt aantal overlegmomenten tijdens welke de aanvrager het geplande project en de voorgestelde technische oplossingen voorstelt, m.i.v. de in punt 6 genoemde documenten, indien beschikbaar;
   17. Het voorafgaand overleg wordt afgesloten met de ondertekening van een overeenkomst tussen het Bureau en de aanvrager, waarin de volgende elementen worden vermeld:
   a) de reikwijdte van de aanvraag;
   b) het tijdschema, m.i.v. de data voor:
   i) de indiening van de verschillende in punt 6 genoemde documenten;
   ii) de bijwerkingen van het knelpuntenregister;
   iii) de beslissingstermijn;
   c) het knelpuntenregister;
   18. De veiligheidsinstantie neemt deel aan het voorafgaand overleg en brengt advies uit over de voorgestelde afspraken als bedoeld in punt 17;
   19. De aanvrager gebruikt het loket om de in punt 6 genoemde documenten in te dienen;
   Deel C: Fase 2 - Indiening en verificatie of het dossier volledig is
   20. Wanneer de aanvrager bij het loket een aanvraag tot goedkeuring indient, volgt, na de fase van het voorafgaand overleg, de fase van de indiening en verificatie van de volledigheid van een dossier;
   21. De aanvrager dient alle in punt 6 genoemde documenten in. Indien bepaalde documenten in het verleden reeds via het éénloketsysteem werden ingediend, kan de aanvrager naar die documenten verwijzen en verklaren dat die stukken zonder wijzigingen of aanvullingen van toepassing blijven op het project. In geval van eventuele wijzigingen van of aanvullingen op die documenten, dient de aanvrager een geactualiseerde versie in;
   22. Het Bureau controleert of het ingediende dossier volledig is, of het bestand dat via het loket is geüpload alle in punt 6 genoemde documenten bevat en of geen enkel van de in het knelpuntenregister genoemde knelpunten aangemerkt staat als "op te lossen";
   23. Het Bureau beoordeelt de relevantie en samenhang van het dossier in het licht van de in punt 6 genoemde documenten en de tijdens het voorafgaand overleg gemaakte afspraken als bedoeld in punt 17;
   24. Indien de verstrekte informatie niet volledig is, stelt het Bureau de aanvrager daar binnen één maand na de formele ontvangst van het dossier van in kennis via het loket, gestaafd door bewijsstukken en met een overzicht van de relevante documenten die nog moeten worden ingediend tegen de termijn die tijdens het voorafgaand overleg werd vastgelegd in het tijdschema;
   25. Wanneer het Bureau oordeelt dat het dossier volledig, relevant en samenhangend is, stelt het de aanvrager daar via het loket van in kennis;
   Deel D: Fase 3 - Beoordeling en beslissing
   26. De beoordelings- en beslissingsfase volgt op de indiening en de verificatie van de volledigheid van het dossier;
   27. Over het deel van de technische oplossingen die in het verleden nog niet door het Bureau werden goedgekeurd, neemt het Bureau een positieve of negatieve beslissing binnen twee maanden na de aanvang van de beoordelings- en beslissingsfase;
   28. Het Bureau houdt rekening met de adviezen van de veiligheidsinstantie over de aanvraag tot goedkeuring;
   29. Het Bureau neemt een positieve beslissing indien fase 2 met succes is afgerond en alle knelpunten in het knelpuntenregister zijn aangemerkt als "opgelost";
   30. Het Bureau neemt een negatieve beslissing indien één of meer in het knelpuntenregister genoemde punten zijn aangemerkt als "gesloten, maar oplossing verworpen" of indien de beoordeling van fase 2 is afgerond, maar het dossier niet volledig, relevant en/of samenhangend wordt bevonden;
   31. Het Bureau neemt een voorwaardelijke positieve beslissing in de volgende gevallen:
   a) één of meer van de in het knelpuntenregister genoemde punten zijn aangemerkt als "oplossing aanvaard onder voorwaarden"; en
   b) er zijn geen knelpunten aangemerkt als "gesloten, maar oplossing verworpen";
   32. Het Bureau licht toe welke voorwaarden de aanvrager in een latere fase moet vervullen en door de veiligheidsinstantie moeten worden bekeken, aangevuld met een overzicht van de uiteindelijke punten die in verband met het knelpunt zijn geregistreerd;
   33. Indien de aanvrager niet kan voldoen aan een in een positieve beslissing van het Bureau geformuleerde voorwaarde, beveelt de veiligheidsinstantie de aanvrager aan om:
   a) een nieuwe aanvraag tot goedkeuring in te dienen bij het Bureau. In dit geval duidt de aanvrager aan welke documenten uit een eerdere aanvraag tot goedkeuring bij het Bureau nog steeds geldig zijn en beoordeelt deze laatste die documenten niet opnieuw;
   b) artikel 30, lid 2, van Verordening (EU) 2016/796 toe te passen. In dit geval stelt het Bureau voor het knelpuntenregister in het centraal loket bij te werken;
   34. Wanneer het Bureau een negatieve beslissing neemt, heeft de aanvrager het recht om het ontwerp van het project te herzien, een nieuwe aanvraag in te dienen en aan te geven welke delen van het project niet zijn gewijzigd en welke documenten en bewijsstukken geldig blijven;
   35. Wanneer de aanvrager bij het Bureau een met redenen omkleed verzoek tot herziening van zijn beslissing indient overeenkomstig artikel 19, lid 5, van de richtlijn (EU) 2016/797, dient hij dit verzoek in via het loket en rechtvaardigt hij in dat verzoek nauwkeurig welke aspecten het Bureau naar zijn oordeel niet correct heeft beoordeeld. Het Bureau bevestigt of herroept zijn beslissing in het licht van de in die rechtvaardiging genoemde elementen. De bevindingen van de herziening moeten binnen twee maanden vanaf de datum van het verzoek via het éénloketsysteem aan de aanvrager worden meegedeeld;
   36. Indien het Bureau zijn aanvankelijke negatieve beslissing bevestigt, deelt het de aanvrager mee welke motivering aan die beslissing ten grondslag ligt;
   37. Wanneer het Bureau zijn aanvankelijke negatieve beslissing bevestigt, heeft de aanvrager het recht beroep aan te tekenen bij de op grond van artikel 55 van Verordening (EU) 2016/796 opgerichte kamer van beroep;]1

  
Art. N29. [1 ANNEXE 29 - EXIGENCES ET PROCEDURE CONCERNANT LES PROJETS ERTMS AU SOL
   Dans le cadre de projet ERTMS au sol, l'autorité de sécurité et le demandeur se conforment aux exigences et la procédure déterminées ci-après :
   Section A: dispositions générales
   1. le demandeur contacte l'Agence dès qu'il prévoit un appel d'offres concernant des équipements " sol " de l'ERTMS nécessitant l'approbation de l'Agence;
   2. le demandeur fournit des documents techniques suffisamment détaillés pour permettre à l'Agence de vérifier que les solutions techniques qu'il est prévu de mettre en oeuvre sont totalement interopérables;
   3. l'Agence et l'autorité de sécurité collaborent et partagent des informations afin d'anticiper et de résoudre les éventuels problèmes techniques, facilitant dès lors la tâche de l'autorité de sécurité en ce qui concerne l'autorisation de mise en service du sous-système. L'autorité de sécurité peut émettre des avis par l'intermédiaire du guichet unique visé à l'article 12 du règlement (UE) 2016/796 (ci-après le " guichet unique ") à tout moment de la procédure, y compris durant la phase d'engagement initial, sur les aspects techniques et sur la planification;
   4. les informations fournies au cours de la procédure d'approbation sont mises à la disposition de l'autorité de sécurité;
   5. le demandeur et l'Agence suivent la procédure d'approbation comprenant 3 phases:
   a) engagement initial;
   b) présentation et vérification de l'exhaustivité du dossier;
   c) évaluation et décision;
   6. le demandeur fournit le plus tôt possible, via le guichet unique, le dossier de demande suivant nécessaire pour l'approbation, comprenant la description de la solution technique envisagée et les preuves documentaires attestant la conformité de la solution technique envisagée avec la STI " contrôle-commande et signalisation " correspondante, telles qu'énumérées à l'article 19 de la directive (UE) 2016/797:
   a) projet de cahier des charges ou description de la solution technique envisagée:
   - description du projet, comprenant les détails de la ligne, du groupe de lignes ou du réseau qui sont couverts par le projet ou la combinaison de projets: localisation géographique, nombre de kilomètres de voie simple ou double, niveau ERTMS, ligne de base et version, constituants d'interopérabilité et gares;
   - preuve que le marché ou le contrat ou les deux comprennent la STI " contrôle-commande et signalisation " correspondante, la ligne de base et la version;
   - plan du projet, indiquant les éléments livrables, les étapes et les délais à respecter;
   - liste des fonctions ERTMS à mettre en oeuvre;
   - règles d'ingénierie et scénarios d'essais opérationnels, visés à l'article 5 du règlement (UE) 2016/919 et au point 6.1.2.3 de l'annexe dudit règlement;
   - stratégie d'essai et plans d'essai;
   b) documents attestant des conditions nécessaires pour la compatibilité technique et opérationnelle du sous-système avec les véhicules dont l'exploitation est prévue sur le réseau concerné;
   c) documents attestant la conformité de la solution technique envisagée avec la STI " contrôle-commande et signalisation " correspondante, et tout autre document pertinent tel que les avis des autorités nationales de sécurité, les déclarations de vérification ou les certificats de conformité:
   - en cas de disponibilité, une autorisation " sol " de l'ERTMS délivrée précédemment par une autorité de sécurité concernant les solutions techniques envisagées présentées par le demandeur;
   - en cas de disponibilité, certificats de conformité CE des constituants d'interopérabilité et déclaration de conformité CE des constituants d'interopérabilité, y compris le modèle de l'Agence pour la certification et les écarts définis dans les lignes directrices de l'Agence;
   - en cas de disponibilité, certificats de vérification du sous-système et, le cas échéant, déclarations de vérification intermédiaire de la conception et déclaration de vérification " CE " du sous-système, y compris le modèle pour la certification et les écarts définis dans les lignes directrices de l'Agence;
   - démonstration de la manière dont les risques ayant une incidence sur l'interopérabilité ont été pris en compte pour chacun des problèmes figurant dans le registre des problèmes;
   - règles nationales relatives à l'ERTMS qui sont applicables au projet;
   - dans le cas où le demandeur est exempté de l'application d'une ou de plusieurs STI ou de parties de celles-ci, un document fourni par l'autorité de sécurité octroyant la dérogation, conformément à l'article 159 du Code ferroviaire;
   7. chacun des problèmes consignés dans le registre des problèmes est classé dans l'une des catégories suivantes:
   a) interrogation;
   b) problème clos;
   c) problème clos avec conditions;
   d) problème clos mais inacceptable;
   8. l'Agence suggère, par l'intermédiaire du guichet unique, une liste de problèmes figurant dans le registre des problèmes avec le statut " interrogation ";
   9. le demandeur apporte la preuve, conformément au calendrier arrêté visé au point 17 b) et avant la phase de décision, que chacun des problèmes identifiés dans le registre des problèmes a été résolu;
   10. l'Agence actualise le statut des problèmes figurant dans le registre des problèmes selon les éléments de preuve soumis par le demandeur, pour les qualifier de " problème clos ", " problème clos avec conditions " ou " problème clos mais inacceptable ";
   11. le demandeur et l'autorité de sécurité sont en mesure de proposer d'autres problèmes à inclure dans le registre des problèmes;
   12. l'Agence fournit au demandeur des orientations sur la manière d'apporter la preuve que ces problèmes ont été résolus, afin d'accélérer la procédure et d'éviter un travail administratif inutile;
   13. l'Agence publie une liste anonymisée des problèmes, en tant qu'outil permettant de partager les retours d'expérience et de faciliter la mise en oeuvre harmonisée des projets " sol " de l'ERTMS;
   Section B: phase 1 - Engagement initial
   14. le demandeur, avant de soumettre formellement sa demande, engage un dialogue avec l'Agence en vue de faciliter la procédure d'approbation;
   15. la phase d'engagement initial débute avant tout appel d'offres relatif à des équipements " sol " de l'ERTMS et lorsque le demandeur informe l'Agence de son intention de soumettre une demande d'approbation;
   16. l'engagement initial est limité à un nombre restreint de discussions au cours desquelles le demandeur présente le projet prévu et les détails des solutions techniques envisagées, y compris, en cas de disponibilité, les documents énumérés au point 6;
   17. la phase d'engagement initial est conclue avec la signature d'un arrangement entre l'Agence et le demandeur, comprenant:
   a) la portée de la demande;
   b) le calendrier, y compris les dates correspondant à:
   i) la présentation de chacun des documents énumérés au point 6;
   ii) les mises à jour du registre des problèmes;
   iii) la date limite pour la décision;
   c) le registre des problèmes;
   18. l'autorité de sécurité participe à la phase d'engagement initial et rend un avis sur les propositions d'arrangements visés au point 17;
   19. le demandeur utilise le guichet unique pour l'enregistrement des documents énumérés au point 6;
   Section C: phase 2 - Présentation et vérification de l'exhaustivité
   20. la phase de présentation et de vérification de l'exhaustivité succède à la phase d'engagement initial lorsque le demandeur présente, par l'intermédiaire du guichet unique, la demande de décision d'approbation;
   21. le demandeur fournit tous les documents énumérés au point 6. Si certains de ces documents ont été présentés précédemment par l'intermédiaire du guichet unique, le demandeur peut identifier ces documents et confirmer qu'ils demeurent applicables au projet, sans modification ni ajout. En cas de modifications ou d'ajouts à ces documents, le demandeur doit présenter les documents mis à jour;
   22. l'Agence évalue l'exhaustivité du dossier présenté et vérifie que le dossier présenté a été téléchargé dans le guichet unique, qu'il comprend tous les documents énumérés au point 6 et qu'aucun des problèmes consignés dans le registre des problèmes n'a le statut " interrogation ";
   23. l'Agence évalue la pertinence et la cohérence du dossier présenté par rapport aux documents énumérés au point 6 et aux arrangements convenus dans l'engagement initial et visés au point 17;
   24. l'Agence informe le demandeur par l'intermédiaire du guichet unique dans un délai d'un mois à compter de la réception de la présentation officielle dans le cas où les informations fournies ne sont pas complètes, en fournissant les preuves pertinentes et en précisant les documents supplémentaires à présenter dans le délai convenu dans le calendrier durant l'engagement initial;
   25. l'Agence, lorsqu'elle estime que le dossier est complet, pertinent et cohérent, en informe le demandeur en conséquence par l'intermédiaire du guichet unique;
   Section D: phase 3 - Evaluation et décision
   26. la phase d'évaluation et de décision succède à la phase de présentation et de vérification de l'exhaustivité;
   27. l'Agence émet une décision soit favorable soit défavorable, dans un délai de deux mois à compter du début de la phase d'évaluation et de décision, sur la partie des solutions techniques qui n'ont pas été préalablement couvertes par une décision favorable d'approbation par l'Agence;
   28. l'Agence prend en considération tout avis rendu par l'autorité de sécurité sur la demande d'approbation;
   29. l'Agence rend une décision favorable si la phase 2 est achevée avec succès et que tous les problèmes consignés dans le registre des problèmes ont le statut " problème clos ";
   30. l'Agence rend une décision défavorable si un ou plusieurs des problèmes consignés dans le registre des problèmes ont le statut " problème clos mais inacceptable " ou si l'évaluation de la phase 2 est terminée mais que le dossier n'est pas considéré comme complet, pertinent et/ou cohérent;
   31. l'Agence rend une décision favorable assortie de conditions dans les cas suivants:
   a) un ou plusieurs des problèmes consignés dans le registre des problèmes ont le statut " clos avec conditions "; et
   b) aucun problème n'a le statut " clos mais inacceptable ";
   32. l'Agence fournit une explication sur les conditions qui doivent être remplies par le demandeur à un stade ultérieur et examinées par l'autorité de sécurité, ainsi qu'un résumé des problèmes finaux tels que consignés dans le registre des problèmes;
   33. l'autorité de sécurité recommande au demandeur, dans le cas où celui-ci ne pourrait pas satisfaire à une condition énoncée dans la décision favorable de l'Agence:
   a) de présenter une nouvelle fois une demande d'approbation de l'Agence. Dans ce cas, le demandeur indique quels sont les documents encore valables transmis dans une demande antérieure d'approbation de l'Agence, et celle-ci ne recommence pas leur évaluation;
   b) d'appliquer l'article 30, paragraphe 2, du règlement (UE) 2016/796. Dans ce cas, l'Agence lui propose d'actualiser le registre des problèmes par l'intermédiaire du guichet unique;
   34. en cas de décision défavorable de l'Agence, le demandeur a le droit de rectifier la conception du projet, de présenter une nouvelle demande, d'indiquer les parties du projet qui restent inchangées ainsi que les documents et les éléments de preuve qui restent valables;
   35. lorsque le demandeur adresse une demande motivée à l'Agence de réexaminer sa décision conformément à l'article 19, paragraphe 5, de la directive (UE) 2016/797, ladite demande est transmise par l'intermédiaire du guichet unique et est accompagnée d'une justification détaillée des problèmes qui, selon le demandeur, n'ont pas été correctement évalués par l'Agence. L'Agence devrait confirmer ou réexaminer sa décision en se concentrant sur les problèmes mis en évidence dans cette justification. Les conclusions du réexamen devraient être communiquées au demandeur, par l'intermédiaire du guichet unique, dans un délai de deux mois à compter de la date de la demande du demandeur;
   36. l'Agence fournit au demandeur une justification appropriée lorsqu'elle confirme sa décision défavorable initiale;
   37. le demandeur a le droit de former un recours devant la chambre de recours établie en vertu de l'article 55 du règlement (UE) 2016/796, lorsque l'Agence confirme sa décision défavorable initiale.]1

  
Art. N30. [1 Bijlage 30 bij de wet van 30 augustus 2013 houdende de Spoorcodex
   BIJLAGE 30 - INHOUD VAN HET VOORAFGAAND DOSSIER BIJ DE AANVRAAG TOT INDIENSTSTELLING VAN VASTE INSTALLATIES
   § 1. Het voorafgaand dossier bedoeld in artikel 179/1, § 4, bevat :
   1° de beschrijving van het project;
   2° de toepasselijke technische voorschriften: TSI of nationale voorschriften;
   3° in voorkomend geval, de aanvraag tot afwijking bedoeld in artikel 159 van de Spoorcodex vergezeld van het dossier ter rechtvaardiging van de aanvraag met de vermelding van de alternatieve nationale voorschriften of technische normen die vervuld moeten worden om aan de essentiële eisen te voldoen;
   4° in voorkomend geval, de aanvragen tot afwijking van de wettelijke regels die voorzien in de mogelijkheid tot afwijking;
   5° de planning van het project;
   6° de naam en de functie van de persoon verantwoordelijk voor het technische luik van het subsysteem belast met het ondertekenen van de corresponderende keuringsverklaring;
   7° de gegevens met betrekking tot de aangemelde of aangewezen instanties of met betrekking tot de beoordelingsinstanties bedoeld in de Verordening GVM.
   § 2. In geval van een aanvraag voor toelating in het kader van een vernieuwing of verbetering, bevat het voorafgaand dossier eveneens:
   1° het conceptdossier;
   2° het advies van de veiligheidsinstantie over het conceptdossier;
   3° de eventuele beslissingen van de veiligheidsinstantie met betrekking tot eerdere toelatingen tot indienststelling.]1

  
Art. N30. [1 ANNEXE 30 - CONTENU DU DOSSIER PRELIMINAIRE A LA DEMANDE D'AUTORISATION DE MISE EN SERVICE D'INSTALLATIONS FIXES
   § 1er. Le dossier préliminaire visé à l'article 179/1, § 4, contient :
   1° la description du projet ;
   2° les prescriptions techniques d'application : STI ou règles nationales ;
   3° le cas échéant, la demande de dérogation visée à l'article 159 du Code ferroviaire accompagnée du dossier justifiant la demande avec mention des règles nationales alternatives ou des normes techniques à mettre en oeuvre afin de satisfaire aux exigences essentielles ;
   4° le cas échéant, les demandes de dérogation aux règles légales qui prévoient des possibilités de dérogations ;
   5° le planning du projet ;
   6° le nom et la fonction de la personne responsable pour le volet technique du sous-système chargée de signer la déclaration de vérification correspondante ;
   7° les données relatives aux organismes notifiés, désignés ou aux organismes d'évaluation visés dans le Règlement MSC.
   § 2. En cas de demande d'autorisation dans le cadre d'un renouvellement ou un réaménagement, le dossier préliminaire contient également :
   1° le dossier de conception ;
   2° l'avis de l'autorité de sécurité sur le dossier de conception ;
   3° les éventuelles décisions de l'autorité de sécurité relatives aux précédentes autorisations de mise en service.]1

  
Art. N31. [1 Bijlage 31 bij de wet van 30 augustus 2013 houdende de Spoorcodex
   BIJLAGE 31 - INHOUD VAN HET CONCEPTDOSSIER IN GEVAL VAN VERNIEUWING OF VERBETERING VAN VASTE INSTALLATIES
   § 1. Het conceptdossier bevat :
   1° een beschrijving van het project met, in voorkomend geval, een algemene beschrijving van de fasering;
   2° de aard van het project : vernieuwing of verbetering;
   3° alle toelatingen en alle keuringsdocumenten van subsystemen in gebruik;
   4° de lijst van toepasselijke TSI;
   5° de lijst van toepasselijke technische normen en voorschriften;
   6° in geval van een technische wijziging, een technisch verslag voor de beoordeling van de criteria van nieuwigheid en additionaliteit bedoeld in respectievelijk het artikel 4, 2, b) en f), van de Verordening (EU) nr. 402/2013 EUvan de Commissie van 30 april 2013 betreffende de gemeenschappelijke veiligheidsmethode voor risico-evaluatie en -beoordeling en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 352/2009.]1

  
Art. N31. [1 ANNEXE 31 - CONTENU DU DOSSIER DE CONCEPTION EN CAS DE RENOUVELLEMENT OU DE REAMENAGEMENT D'INSTALLATIONS FIXES
   Le dossier de conception contient :
   1° une description du projet avec, le cas échéant, une description générale du phasage;
   2° la nature du projet : renouvellement ou réaménagement;
   3° toutes les autorisations et tous les documents de vérification du sous-système en service;
   4° la liste des STI appliquées;
   5° la liste des normes et spécifications techniques appliquées;
   6° en cas de modification technique, un rapport technique évaluant les critères d'innovation et d'additionnalité visés respectivement à l'article 4, 2, b) et f), du Règlement (UE) n ° 402/2013 de la Commission du 30 avril 2013 concernant la méthode de sécurité commune relative à l'évaluation et à l'appréciation des risques et abrogeant le règlement (CE) n ° 352/2009.]1