Aller au contenu principal

Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
6 SEPTEMBER 2013. - Omzendbrief inzake de wet van 2 juni 2013 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek, de wet van 31 december 1851 met betrekking tot de consulaten en de consulaire rechtsmacht, het Strafwetboek, het Gerechtelijk Wetboek en de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, met het oog op de strijd tegen de schijnhuwelijken en de schijnwettelijke samenwoningen
Titre
6 SEPTEMBRE 2013. - Circulaire relative à la loi du 2 juin 2013 modifiant le Code civil, la loi du 31 décembre 1851 sur les consulats et la juridiction consulaire, le Code pénal, le Code judiciaire et la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, en vue de la lutte contre les mariages de complaisance et les cohabitations légales de complaisance
Tekst (1)
Texte (1)
Article M. HOOFDSTUK I. - Huwelijk.
A. Akte van aangifte
A.1. Indien men een huwelijk wil aangaan moet men hiervan aangifte doen bij de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente waar, op de datum van opmaak van de akte van aangifte, een van de aanstaande echtgenoten zijn inschrijving in het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister heeft. Teneinde het recht op huwelijk te garanderen, is tevens voorzien dat indien geen van beide aanstaande echtgenoten een inschrijving heeft in een van deze registers, of indien de actuele verblijfplaats van één van hen of beiden om gegronde redenen niet met deze inschrijving overeenstemt (b.v. binnenschippers, betrokkene bevindt zich in een ziekenhuis, enz.), de aangifte kan gebeuren bij de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente van de actuele verblijfplaats van een van de aanstaande echtgenoten (geen gegronde redenen zijn b.v. het loutere feit dat uren waarop het in een bepaalde gemeente mogelijk is om te huwen voor betrokkenen beter uitkomen, dat het in bepaalde gemeenten goedkoper is om op een welbepaalde dag te huwen, een mooier kader, enz.).
Voor Belgen die in het buitenland verblijven en die niet zijn ingeschreven in het bevolkingsregister van een Belgische gemeente, bestaat ook de mogelijkheid om in België een aangifte van het huwelijk te doen, en derhalve in België te huwen. Het volstaat dat één van de aanstaande echtgenoten de Belgische nationaliteit bezit.
In deze gevallen kan de aangifte gebeuren bij de ambtenaar van de burgerlijke stand :
- van de gemeente van de laatste inschrijving in het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister van een van de aanstaande echtgenoten
- van de gemeente waar een bloedverwant tot en met de tweede graad van een van de aanstaande echtgenoten zijn inschrijving heeft op de datum van de opmaak van de akte
- of van de geboorteplaats van een van de aanstaande echtgenoten.
Bij ontstentenis hiervan kan de aangifte gebeuren bij de ambtenaar van de burgerlijke stand van de stad Brussel.
Ter verduidelijking dient te worden opgemerkt dat de aangifte in de gemeente van laatste inschrijving in het vreemdelingen- of wachtregister, betrekking heeft op die gevallen waar betrokkene op het ogenblik van het verlaten van het grondgebied nog niet in het bezit was van de Belgische nationaliteit.
Wanneer minstens één van de echtgenoten op de dag van de opmaak van de akte van aangifte zijn inschrijving in het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister of zijn actuele verblijfplaats niet heeft binnen de gemeente waar de aangifte wordt gedaan, dient de ambtenaar van de burgerlijke stand die de akte heeft opgemaakt, onmiddellijk, bij voorkeur door middel van e-mail en bij ontstentenis hiervan door middel van fax of gewone brief een afschrift van de akte over te maken aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente van inschrijving in vermelde registers of van de actuele verblijfplaats van deze aanstaande echtgenoot of echtgenoten. Op deze manier kan ook door deze laatstgenoemde ambtenaar van de burgerlijke stand worden nagegaan of er geen huwelijksbeletselen zijn. In voorkomend geval meldt hij dit binnen de tien dagen aan de ambtenaar van de burgerlijke stand die de akte van aangifte heeft opgemaakt. Zo kan hij bijvoorbeeld ook meedelen dat betrokkenen in zijn gemeente reeds tevergeefs hebben geprobeerd een aangifte te doen of een huwelijk te sluiten. De eventuele melding van het bestaan van huwelijksbeletselen gebeurt schriftelijk bij voorkeur door middel van e-mail en bij ontstentenis hiervan door middel van fax of gewone brief.
A.2. Voor ieder van de aanstaande echtgenoten dienen bij de aangifte van het huwelijk aan de ambtenaar van de burgerlijke stand de in artikel 64 opgesomde documenten te worden voorgelegd. Deze bepaling is er op gericht een einde te maken aan de bestaande rechtsonzekerheid inzake de bij een huwelijk voor te leggen documenten. De voorlegging van de volgende documenten is vereist :
een voor eensluidend verklaard afschrift van de akte van geboorte. Aan de mogelijkheid om, deze te vervangen door een akte van bekendheid zoals bedoeld in de artikelen 70 tot 72ter van het Burgerlijk Wetboek wordt niet geraakt :
- in geval van onmogelijkheid of zware moeilijkheden om de voor het huwelijk vereiste akte van geboorte over te leggen, kan deze vervangen worden door een akte van bekendheid afgegeven door de vrederechter van zijn geboorteplaats of woonplaats;
- de echtgenoot, geboren in het buitenland, die in de onmogelijkheid verkeert zich de akte van geboorte te verschaffen moet evenwel een gelijkwaardig document overleggen, afgegeven door de diplomatieke of consulaire overheden van het land van geboorte : in geval van onmogelijkheid of zware moeilijkheiden om zich dit document te verschaffen, kan hij de akte van geboorte vervangen door een akte van bekendheid afgegeven door de vrederechter van zijn woonplaats;
- indien een van de aanstaande echtgenoten in de onmogelijkheid verkeert zich zodanige akte van bekendheid te verschaffen, kan die akte, met verlof van de rechtbank, vervangen worden door een beëdigde verklaring van de aanstaande echtgenoot zelf;
- de aanstaande echtgenoot die reeds een akte van bekendheid of verlof om een beëdigde verklaring af te leggen werd verkregen, en die aantoont dat hij nog steeds in de onmogelijkheid verkeert de akte van geboorte over te leggen, kan deze vervangen door de akte van bekendheid of door het verlof, voor zover de juistheid van de gegevens die zij bevat, niet wordt weerlegd.
een bewijs van identiteit : een document waaruit de identiteit van de betrokkene blijkt (b.v. een identiteitskaart, een paspoort);
een bewijs van nationaliteit;
een bewijs van de ongehuwde staat, en in voorkomend geval van de ontbinding of nietigverklaring van de vorige huwelijken;
een bewijs van de inschrijving in het bevolkings-, vreemdelingen of wachtregister en/of een bewijs van de actuele verblijfplaats : op basis hiervan kan de ambtenaar van de burgerlijke stand zijn territoriale bevoegdheid nagaan;
in voorkomend geval, een gelegaliseerd schriftelijk bewijs uitgaande van de bij de aangifte van het huwelijk afwezige aanstaande echtgenoot, waaruit diens instemming met de aangifte blijkt : dit document dient enkel te worden overgelegd indien de aangifte slechts door één van de aanstaande echtgenoten wordt gedaan;
ieder ander authentiek stuk waaruit blijkt dat in hoofde van de betrokkene is voldaan aan de door de wet gestelde voorwaarden om een huwelijk te mogen aangaan : het betreft hier o.m. de zogenaamde wetscertificaten die de ambtenaar van de burgerlijke stand moeten toelaten na te gaan of is voldaan aan de door het toepasselijke recht gestelde voorwaarden, of ieder ander document dat de ambtenaar van de burgerlijke stand noodzakelijk vindt om te kunnen nagaan of aan de gestelde voorwaarden is voldaan (b.v. een eventuele ontheffing van de leeftijdsvereiste door de jeugdrechtbank, enz.).
Wanneer de overgelegde documenten in een vreemde taal zijn opgesteld, kan de ambtenaar van de burgerlijke stand om een voor eensluidend verklaarde vertaling ervan verzoeken.
Er dient op te worden toegezien dat de overgelegde vreemde documenten op een afdoende wijze werden gelegaliseerd. In dit kader kan o.m. worden verwezen naar de omzendbrief van 14 december 2006 houdende instructies inzake legalisatie (B.S., 11 januari 2007), en de instructies terzake van de Minister van Buitenlandse Zaken.
De ambtenaar van de burgerlijke stand levert na ontvangst van alle documenten, in voorkomend geval met eensluidend verklaarde vertaling en op afdoende wijze gelegaliseerd, een bericht van ontvangst af aan de aanstaande echtgenoten of aan één van de aanstaande echtgenoten, voor zover deze beschikt over een gelegaliseerd schriftelijk bewijs uitgaande van de bij de aangifte van het huwelijk afwezige aanstaande echtgenoot waaruit diens instemming met de aangifte blijkt, zoals bedoeld in artikel 64, § 1, 6° van het Burgerlijk Wetboek.
Indien niet alle documenten worden voorgelegd, wordt het bericht van ontvangst niet afgeleverd.
Het afleveren van een bericht van ontvangst is niet nodig in de gevallen waar de ambtenaar van de burgerlijke stand de akte van aangifte van huwelijk onmiddellijk opmaakt.
Het bericht van ontvangst dient enkel tot bewijs van afgifte van de documenten met het oog op het doen lopen van de termijn waarbinnen de akte van aangifte moet worden opgemaakt en bewijst niet dat de documenten als geldig of echt aanvaard werden.
A.3. De akte van aangifte moet worden opgemaakt binnen een maand na de afgifte van dit bericht van ontvangst. Deze termijn kan verlengd worden met twee maanden indien de ambtenaar van de burgerlijke stand twijfels heeft over de geldigheid of de echtheid van de overgelegde documenten. In dat geval geeft hij zonder verwijl hiervan kennis aan de aanstaande echtgenoten. Het is aangewezen de met redenen omklede beslissing om de termijn te verlengen door middel van een aangetekend schrijven met ontvangstmelding of door rechtstreekse overhandiging tegen ontvangstbewijs ter kennis van de belanghebbende partijen te brengen. Indien de ambtenaar van de burgerlijke stand binnen deze termijn geen beslissing heeft genomen over de geldigheid of de echtheid van de documenten is hij verplicht de akte van aangifte onverwijld op te stellen.
Het doel van deze verplichting is de opmaak van de akte van aangifte binnen een redelijke termijn en te vermijden dat de partijen verschillende maanden moeten wachten vooraleer de akte van aangifte wordt opgesteld.
A.4. De ambtenaar van de burgerlijke stand weigert de akte van aangifte op te maken :
- indien de belanghebbende partijen in gebreke blijven de in artikel 64 van het Burgerlijk Wetboek opgesomde documenten over te leggen. Hiermee wordt niet enkel het geval bedoeld waarbij de ambtenaar van de burgerlijke stand van mening is dat door betrokkenen niet de nodige documenten worden overgelegd voor de samenstelling van hun huwelijksdossier, doch ook die gevallen waar deze documenten op onvoldoende wijze werden gelegaliseerd. Het komt de ambtenaar van de burgerlijke stand toe om te oordelen of aan de in artikel 64 van het Burgerlijk Wetboek opgesomde voorwaarden is voldaan, en of het huwelijksdossier wat hem betreft volledig is.
- indien de ambtenaar van de burgerlijke stand de geldigheid of echtheid van deze documenten niet erkent.
De partijen wordt zonder verwijl de met redenen omklede weigeringsbeslissing ter kennis gebracht door middel van een aangetekend schrijven met ontvangstmelding of door rechtstreekse overhandiging tegen ontvangstbewijs aan betrokkenen van de gemotiveerde weigeringsbeslissing. Deze kennisgeving dient bovendien melding te maken van de beroepsmogelijkheden waarover betrokkenen beschikken. Tezelfdertijd maakt de ambtenaar van de burgerlijke stand, bij voorkeur door middel van e-mail en bij ontstentenis hiervan door middel van fax of gewone brief een afschrift van zijn beslissing, samen met een kopie van alle nuttige documenten, over aan de procureur des Konings van het gerechtelijk arrondissement waarin de weigering plaatsvond. Hierdoor beschikt de procureur des Konings bij een eventueel beroep tegen de weigeringsbeslissing van de ambtenaar van de burgerlijke stand onmiddellijk over de nodige elementen, en kan hij, indien hij dit noodzakelijk acht, zelf ambtshalve optreden tegen de beslissing van de ambtenaar van de burgerlijke stand. Wanneer één van de aanstaande echtgenoten of beiden op de dag van de weigering door de ambtenaar van de burgerlijke stand om een akte van aangifte op te maken, hun inschrijving in het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister of hun actuele verblijfplaats niet hebben binnen de gemeente, dient de weigeringsbeslissing door de ambtenaar van de burgerlijke stand die heeft geweigerd, bij voorkeur door middel van e-mail en bij ontstentenis hiervan door middel van fax of gewone brief ter kennis te worden gebracht van de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente van inschrijving in vermelde registers of van de actuele verblijfplaats van deze aanstaande echtgenoot of echtgenoten. Wanneer betrokkenen zich nadien in deze laatste gemeente zouden aanbieden, is de ambtenaar van de burgerlijke stand reeds op de hoogte dat er zich eventueel problemen kunnen stellen, en kan contact worden opgenomen met de ambtenaar van de burgerlijke stand van wiens weigering hij in kennis werd gesteld.
Tegen de weigering van de ambtenaar van de burgerlijke stand om een akte van aangifte op te maken, is voorzien in een beroepsmogelijkheid voor de betrokkenen. Een dergelijk beroep kan binnen de maand na de kennisgeving van de weigeringsbeslissing worden ingesteld bij de rechtbank van eerste aanleg.
A.5. De akten van aangifte dienen te worden ingeschreven in een enkel register, dat op het einde van ieder jaar op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg moet worden neergelegd. Voor de akte van aangifte kan de volgende tekst worden voorgesteld : " AKTE VAN AANGIFTE VAN EEN HUWELIJK
Nr. Vandaag (datum + jaar) te (uur), is door ondergetekende, (naam ambtenaar van de burgerlijke stand), ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente (gemeente), de aangifte van een huwelijk geakteerd van (naam, voorna(a)m(en)), geboren te (geboorteplaats) op (geboortedatum), gehuisvest en/of verblijvend (adres), en (naam, voorna(a)m(en)), geboren te (geboorteplaats) op (geboortedatum), gehuisvest en/of verblijvend (adres), die met elkaar in het huwelijk willen treden op (huwelijksdatum).
Op aangifte van (naam en voorna(a)m(en) van de aangever(s)).
(handtekening) "
B. Specifieke nietigheidsgrond
B.1. Artikel 146bis van het Burgerlijk Wetboek voorziet in een specifieke nietigheidsgrond voor schijnhuwelijken. Dit artikel bepaalt uitdrukkelijk dat er geen huwelijk is wanneer, ondanks de gegeven formele toestemmingen tot het huwelijk, uit een geheel van omstandigheden blijkt dat de intentie van minstens één van de echtgenoten kennelijk niet is gericht op het totstandbrengen van een duurzame levensgemeenschap, maar enkel op het bekomen van een verblijfsrechtelijk voordeel dat is verbonden aan de staat van gehuwde.
Artikel 184 van het Burgerlijk Wetboek verwijst bovendien naar artikel 146bis. Hierdoor voorziet de wet expliciet dat de nietigheid van een huwelijk kan worden gevorderd op grond van het feit dat het een schijnhuwelijk betreft. Tegen elk huwelijk dat is aangegaan met overtreding van artikel 146bis van het Burgerlijk Wetboek, kan worden opgekomen door de echtgenoten zelf, door allen die daarbij belang hebben en door het openbaar ministerie. Het openbaar ministerie vordert de nietigheid van dergelijke huwelijken.
B.2. Wanneer een huwelijk werd nietigverklaard door een in kracht van gewijsde gegane vonnis of arrest, stuurt de griffier, onverwijld, een uittreksel bevattende het beschikkende gedeelte en de vermelding van de dag van het in kracht van gewijsde treden van het vonnis of arrest aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de plaats waar huwelijk voltrokken is of, wanneer het huwelijk niet in België voltrokken is, aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van Brussel. Indien het gaat om de nietigverklaring van een huwelijk aangegaan met overtreding van de artikelen 146bis of 146ter stuurt hij het uittreksel tegelijkertijd aan de Dienst Vreemdelingenzaken. De ambtenaar van de burgerlijke stand schrijft het beschikkend gedeelte onverwijld over in zijn registers en hij maakt er melding van op de kant van de akte van huwelijk en van de akten van de burgerlijke stand die betrekking hebben op de kinderen geboren binnen het huwelijk, indien deze in België zijn opgemaakt of overgeschreven.
C. Voltrekking van het huwelijk - weigering door de ambtenaar van de burgerlijke stand
C.1. Artikel 165 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat het huwelijk niet mag worden voltrokken vóór de 14e dag na de datum van de opmaak van de akte van aangifte. Wanneer het huwelijk niet is voltrokken binnen de zes maanden na het verstrijken van deze termijn van 14 dagen, mag het niet meer worden voltrokken dan nadat een nieuwe aangifte werd gedaan. De bevoegde procureur des Konings kan, indien hiervoor gewichtige redenen zijn, vrijstelling verlenen van de aangifte en van elke wachttijd. Om dezelfde redenen kan hij ook de hoger genoemde termijn van zes maanden verlengen. Bepaalde diplomatieke en consulaire ambtenaren beschikken, voor de in hun eigen kanselarij te voltrekken huwelijken, over dezelfde bevoegdheden.
In het kader van een beroep tegen de weigering om het huwelijk te voltrekken, kan de gevatte rechter om een verlenging van de bedoelde termijn van zes maanden worden verzocht. Hierdoor kan worden voorkomen dat partijen voor een tweede maal een aangifte dienen te doen. Het is aangewezen om in de hoger vermelde gevallen van vrijstelling van aangifte of wachttijd, of van verlenging van de vooropgestelde termijnen, steeds een afschrift van de desbetreffende beslissingen te bewaren in het huwelijksdossier.
Het huwelijk dient in het openbaar te worden voltrokken voor de ambtenaar van de burgerlijke stand die de akte van aangifte heeft opgemaakt. Het is aangewezen de aanstaande echtgenoten vanaf het ogenblik van de aangifte op het voorafgaande te wijzen, evenals op het bestaan van de verschillende in de wet voorkomende termijnen.
C.2. Artikel 167 van het Burgerlijk Wetboek voorziet in de uitdrukkelijke mogelijkheid voor de ambtenaar van de burgerlijke stand om de voltrekking van het huwelijk uit te stellen of te weigeren.
Wanneer blijkt dat niet is voldaan aan de hoedanigheden en voorwaarden vereist om een huwelijk te mogen aangaan, of wanneer hij van oordeel is dat de voltrekking van het huwelijk in strijd is met de beginselen van de openbare orde weigert de ambtenaar van de burgerlijke stand het huwelijk te voltrekken. Het Burgerlijk Wetboek biedt de ambtenaar van de burgerlijke stand een wettelijke basis waarop hij kan weigeren het huwelijk te voltrekken. De ambtenaar van de burgerlijke stand moet immers nagaan of alle vorm- en grondvoorwaarden voor het voltrekken van het huwelijk zijn nageleefd. Het is de bedoeling te benadrukken dat de ambtenaar van de burgerlijke stand in het kader van de huwelijksvoltrekking niet enkel een passieve, maar ook een actieve en preventieve rol te vervullen heeft. Het voorafgaand onderzoek om na te gaan of door de aanstaande echtgenoten aan alle grond- en vormvoorwaarden is voldaan, behoort tot de essentie van zijn bevoegdheid. De door de ambtenaar van de burgerlijke stand uitgevoerde controle slaat zowel op de vervulling van de positieve voorwaarden, als op de afwezigheid van eventuele huwelijksbeletselen. Deze controle behelst ook het onderzoek of het geplande huwelijk geen schijnhuwelijk is. Aldus moet de ambtenaar van de burgerlijke stand ook nagaan of is voldaan aan hetgeen is bepaald in artikel 146bis. Er dient echter te worden vermeden dat elk gemengd huwelijk prima facie als verdacht wordt bestempeld. De principiële huwelijksvrijheid vereist dat men op dat vlak enige omzichtigheid aan de dag legt.
Wanneer echter uit een geheel van omstandigheden blijkt dat de intentie van minstens één van de aanstaande echtgenoten kennelijk niet is gericht op het totstandbrengen van een duurzame levensgemeenschap, maar enkel op het bekomen van een verblijfsrechtelijk voordeel dat is verbonden aan de staat van gehuwde, moet de ambtenaar van de burgerlijke stand weigeren het huwelijk te voltrekken. Wanneer men zich beroept op het schijnkarakter van een huwelijk, moet men duidelijke indicaties hebben dat het huwelijk kennelijk niet is gericht op het vormen van hoger vermelde duurzame levensgemeenschap. Een combinatie van o.m. volgende factoren kan een ernstige aanduiding vormen dat een schijnhuwelijk wordt beoogd :
- Partijen verstaan mekaar niet, of kunnen enkel op een gebrekkige wijze met elkaar communiceren, of doen beroep op een tolk;
- Partijen hebben elkaar vóór de aangifte van het huwelijk nooit eerder ontmoet;
- Een van de partijen woont duurzaam samen met iemand anders;
- Partijen kennen elkaars naam of nationaliteit niet;
- Een van de partijen weet niet waar de andere werkt;
- Verklaringen omtrent de omstandigheden van de ontmoeting lopen manifest uiteen;
- Een som geld wordt beloofd bij het aangaan van het huwelijk;
- Het uitoefenen van prostitutie door één van beiden;
- Een van de partijen heeft het recht op gezinshereniging door huwelijk of wettelijke samenwoning reeds geopend voor een of meerdere andere personen;
- Een van de partijen heeft reeds een of meer pogingen gedaan om een schijnhuwelijk of een schijn-wettelijke samenwoning te sluiten;
- Een van de partijen is niet geslaagd in alle wettelijke mogelijkheden om zich in België te vestigen;
- Het optreden van een tussenpersoon;
- Een groot leeftijdsverschil.
In dit kader kan de ambtenaar van de burgerlijke stand zich o.m. baseren op :
- Nagetrokken verklaringen of getuigenissen van de partijen zelf of van derden;
- Bepaalde geschriften van de partijen zelf of van derden;
- Onderzoeken door politiediensten.
Er dient op te worden gewezen dat het recht op huwelijk wordt gegarandeerd door artikel 12 van het Europees Verdrag voor de Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele vrijheden (goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955, B.S., 19 augustus 1955) en artikel 23 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke Rechten. Dit recht is niet verbonden aan de verblijfstoestand van de betrokken partijen. Hieruit volgt dat de ambtenaar van de burgerlijke stand de opmaak van de akte van aangifte en de voltrekking van het huwelijk niet kan weigeren op grond van het loutere feit dat een vreemdeling illegaal in het Rijk verblijft.
C.3. Bij een weigering brengt de ambtenaar van de burgerlijke stand zijn met redenen omklede beslissing zonder verwijl ter kennis van de belanghebbende partijen door middel van een aangetekend schrijven met ontvangstmelding of door rechtstreekse overhandiging tegen ontvangstbewijs aan betrokkenen van de gemotiveerde weigeringsbeslissing. Deze kennisgeving dient bovendien melding te maken van de beroepsmogelijkheden waarover betrokkenen beschikken. Tezelfdertijd zendt hij bij voorkeur door middel van e-mail en bij ontstentenis hiervan door middel van fax of gewone brief, een afschrift, en een kopie van alle nuttige documenten, aan de bevoegde procureur des Konings en aan de Dienst Vreemdelingenzaken. Hierdoor beschikt de procureur des Konings bij een eventueel beroep tegen de weigeringsbeslissing onmiddellijk over de nodige elementen, en kan hij, indien hij dit noodzakelijk acht, zelf ambtshalve optreden tegen de beslissing van de ambtenaar van de burgerlijke stand. Wanneer op de dag van de weigering één van de aanstaande echtgenoten of beiden hun inschrijving in het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister of hun actuele verblijfplaats niet hebben binnen de gemeente, brengt de ambtenaar van de burgerlijke stand zijn weigeringsbeslissing tevens onmiddellijk, bij voorkeur door middel van e-mail en bij ontstentenis hiervan door middel van fax of gewone brief, ter kennis van de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente van inschrijving in deze registers of van de actuele verblijfplaats in België van deze aanstaande echtgenoot of echtgenoten. Hierdoor kan worden voorkomen dat betrokkenen zich daarna tot betreffende gemeente wenden, om alsnog te proberen het huwelijk te laten voltrekken. Tegen de weigering om het huwelijk te voltrekken, kan door de belanghebbende partijen binnen de maand beroep worden aangetekend bij de rechtbank van eerste aanleg.
C.4. Indien er een ernstig vermoeden bestaat dat niet is voldaan aan de hoedanigheden en voorwaarden vereist om een huwelijk aan te gaan, of dat de voltrekking van het huwelijk in strijd zou zijn met de beginselen van de openbare orde, kan de ambtenaar van de burgerlijke stand de voltrekking van het huwelijk uitstellen gedurende ten hoogste twee maanden vanaf de door belanghebbende partijen vooropgestelde huwelijksdatum. Het uitstellen van het huwelijk moet het de ambtenaar van de burgerlijke stand mogelijk maken om, indien hij dit nodig acht de bevoegde procureur des Konings hierover om advies te verzoeken en om bijkomend onderzoek te verrichten om na te gaan of het een mogelijk schijnhuwelijk betreft (b.v. wanneer de voorziene termijn tussen de aangifte en de vooropgestelde huwelijksdatum te kort zou zijn om het onderzoek vóór het huwelijk te verrichten).
De ambtenaar van de burgerlijke stand geeft van het uitstel zonder verwijl kennis aan de belanghebbende partijen. Het is aangewezen de met redenen omklede beslissing om de voltrekking van het huwelijk uit te stellen door middel van een aangetekend schrijven met ontvangstmelding of door rechtstreekse overhandiging tegen ontvangstbewijs ter kennis te brengen van de betrokkenen.
De procureur des Konings kan de termijn van twee maanden verlengen met een periode van drie maanden. In dat geval geeft hij daarvan kennis aan de ambtenaar van de burgerlijke stand. De ambtenaar van de burgerlijke stand stelt de belanghebbende partijen hiervan in kennis. Het is aangewezen de verlenging van de termijn ter kennis te brengen door middel van een aangetekend schrijven met ontvangstmelding of door rechtstreekse overhandiging tegen ontvangstbewijs aan betrokkenen van de beslissing tot verlenging.
Wanneer de ambtenaar van de burgerlijke stand binnen de hierboven vermelde termijn van twee maanden, eventueel verlengd met drie maanden, nog geen definitieve beslissing heeft genomen, dient hij het huwelijk onverwijld te voltrekken, zelfs in die gevallen waar de in artikel 165, § 3 bedoelde termijn van zes maanden reeds is verstreken.
D. Jaarlijkse tabellen
Luidens artikel 63, § 2, laatste lid van het Burgerlijk Wetboek dienen de akten van aangifte slechts in een enkel register te worden ingeschreven, in tegenstelling tot de akten van de burgerlijke stand die, ingevolge artikel 40 van het Burgerlijk Wetboek, in een of meer in dubbel gehouden registers moeten worden ingeschreven. Daarenboven heeft de akte van aangifte als doel vast te stellen dat aan de formaliteit van de aangifte van het huwelijk werd voldaan. Uit het bovenstaande mag worden afgeleid dat het register van akten van aangifte van een huwelijk in wezen geen register van de burgerlijke stand sensu stricto is, en er bijgevolg geen jaarlijkse alfabetische tabel voor dit register dient te worden opgemaakt.
HOOFDSTUK II. - Wettelijke samenwoning
A. Nietigheidsgronden voor de wettelijke samenwoning
A.1. Door de invoeging van een nieuw artikel 1476bis in het Burgerlijk Wetboek wordt voorzien in een nietigheidsgrond voor schijn-wettelijke samenwoningen. Dit artikel bepaalt uitdrukkelijk dat er geen wettelijke samenwoning is wanneer, ondanks de geuite wil van beide partijen om wettelijk samen te wonen, uit een geheel van omstandigheden blijkt dat de intentie van minstens één van beide partijen kennelijk enkel gericht is op het bekomen van een verblijfsrechtelijk voordeel dat is verbonden aan de staat van wettelijk samenwonende.
Daarnaast wordt in een artikel 1476ter een nietigheidsgrond voorzien voor gedwongen wettelijke samenwoningen. Dit artikel bepaalt uitdrukkelijk dat er geen wettelijke samenwoning is wanneer deze wordt aangegaan zonder vrije toestemming of de toestemming van minstens een van de wettelijk samenwonenden werd gegeven onder geweld of bedreiging.
In het nieuwe artikel 1476quinquies van het Burgerlijk Wetboek wordt expliciet voorzien dat de nietigheid van een een wettelijke samenwoning kan worden gevorderd op grond van het feit dat het een schijn-wettelijke samenwoning of een gedwongen wettelijke samenwoning betreft door te verwijzen naar de artikelen 1476bis en 1476ter.
A.2. Tegen elke wettelijke samenwoning die is aangegaan met overtreding van artikel 1476bis of 1476ter van het Burgerlijk Wetboek, kan worden opgekomen door de wettelijk samenwonenden zelf en door allen die daarbij belang hebben. Het openbaar ministerie vordert de nietigheid van dergelijke wettelijke samenwoningen vorderen.
A.3. Wanneer een wettelijke samenwoning werd nietigverklaard door een in kracht van gewijsde gegane vonnis of arrest, stuurt de griffier een uittreksel bevattende het beschikkende gedeelte en de vermelding van de dag van het in kracht van gewijsde treden van het vonnis of arrest aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente van de woonplaats van beide partijen of, indien de partijen geen woonplaats hebben in dezelfde gemeente, aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente van de woonplaats van elke van hen en aan de Dienst Vreemdelingenzaken. De ambtenaar van de burgerlijke stand maakt onverwijld melding van de nietigverklaring van de wettelijke samenwoning in het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister.
B. Verklaring van wettelijke samenwoning - weigering door de ambtenaar van de burgerlijke stand
B.1. Een verklaring van wettelijke samenwoning wordt afgelegd door middel van een geschrift dat tegen ontvangstbewijs wordt overhandigd aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeenschappelijke woonplaats.
Dit ontvangstbewijs dient enkel tot bewijs van afgifte van de verklaring en vormt geen bewijs van het bestaan van de wettelijke samenwoning.
De ambtenaar van de burgerlijke stand gaat na of beide partijen voldoen aan de wettelijke voorwaarden inzake de wettelijke samenwoning en maakt in voorkomend geval melding van de verklaring in het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister.
Het nieuwe artikel 1476quater van het Burgerlijk Wetboek voert de uitdrukkelijke mogelijkheid in voor de ambtenaar van de burgerlijke stand om de melding van de verklaring van wettelijke samenwoning in het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister te weigeren.
Wanneer blijkt dat de verklaring betrekking heeft op een in de artikelen 1476bis en 1476ter bedoelde situatie, en het dus om een schijn-wettelijke samenwoning of een gedwongen wettelijke samenwoning gaat, weigert de ambtenaar van de burgerlijke stand de wettelijke samenwoning te melden in het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister. De nieuwe wet biedt de ambtenaar van de burgerlijke stand dus een wettelijke basis waarop hij kan weigeren de wettelijke samenwoning te melden. De ambtenaar van de burgerlijke stand moet nagaan of alle voorwaarden voor een wettelijke samenwoning zijn nageleefd. Het is de bedoeling te benadrukken dat de ambtenaar van de burgerlijke stand in het kader van de melding van de wettelijke samenwoning niet enkel een passieve, maar ook een actieve en preventieve rol te vervullen heeft. Het voorafgaand onderzoek om na te gaan of door de aanstaande wettelijk samenwonenden aan alle voorwaarden is voldaan, behoort tot de essentie van zijn bevoegdheid. De door de ambtenaar van de burgerlijke stand uitgevoerde controle behelst ook het onderzoek of de wettelijke samenwoning geen schijn-wettelijke samenwoning of een gedwongen wettelijke samenwoning is. Aldus moet de ambtenaar van de burgerlijke stand ook nagaan of is voldaan aan hetgeen is bepaald in artikel 1476bis en 1476ter. Er dient echter te worden vermeden dat elk gemengde wettelijke samenwoning prima facie als verdacht wordt bestempeld. Wanneer echter uit een geheel van omstandigheden blijkt dat de intentie van minstens één van de aanstaande wettelijk samenwonenden kennelijk enkel gericht is op het bekomen van een verblijfsrechtelijk voordeel dat is verbonden aan de staat van wettelijk samenwonende of dat de verklaring van wettelijke samenwoning onder geweld of dreiging wordt afgelegd, moet de ambtenaar van de burgerlijke stand weigeren de wettelijke samenwoning te melden.
De door de ambtenaar van de burgerlijke stand uitgevoerde controle houdt dus ook het nagaan in van de intenties van de aanstaande wettelijk samenwonenden.
Indien de partijen bijvoorbeeld aangeven de intentie te hebben om een duurzame en stabiele partnerrelatie verder te zetten of te beginnen en deze te formaliseren, kan een combinatie van o.m. volgende factoren een ernstige aanduiding vormen dat een schijnwettelijke samenwoning wordt beoogd :
- Partijen verstaan mekaar niet, of kunnen enkel op een gebrekkige wijze met elkaar communiceren, of doen beroep op een tolk;
- Partijen hebben elkaar vóór de verklaring van wettelijke samenwoning nooit eerder ontmoet;
- Een van de partijen woont duurzaam samen met iemand anders;
- Partijen kennen elkaars naam of nationaliteit niet;
- Een van de partijen weet niet waar de andere werkt;
- Verklaringen omtrent de omstandigheden van de ontmoeting lopen manifest uiteen;
- Een som geld wordt beloofd bij het aangaan van de wettelijke samenwoning;
- Het uitoefenen van prostitutie door één van beiden;
- Een van de partijen heeft het recht op gezinshereniging door huwelijk of wettelijke samenwoning reeds geopend voor een of meerdere andere personen;
- Een van de partijen heeft reeds een of meer pogingen gedaan om een schijnhuwelijk of een schijnwettelijke samenwoning in België te sluiten;
- Een van de partijen is niet geslaagd in alle wettelijke mogelijkheden om zich in België te vestigen;
- Het optreden van een tussenpersoon;
- Een groot leeftijdsverschil.
In dit kader kan de ambtenaar van de burgerlijke stand zich o.m. baseren op :
- Nagetrokken verklaringen of getuigenissen van de partijen zelf of van derden;
- Bepaalde geschriften van de partijen zelf of van derden;
- Onderzoeken door politiediensten.
B.2. Bij een weigering brengt de ambtenaar van de burgerlijke stand zijn met redenen omklede beslissing onverwijld ter kennis van de belanghebbende partijen door middel van een aangetekend schrijven met ontvangstmelding of door rechtstreekse overhandiging tegen ontvangstbewijs aan betrokkenen van de gemotiveerde weigeringsbeslissing. Deze kennisgeving dient bovendien melding te maken van de beroepsmogelijkheden waarover betrokkenen beschikken. Tezelfdertijd zendt hij, bij voorkeur door middel van e-mail en bij ontstentenis hiervan door middel van fax of gewone brief, een afschrift, en een kopie van alle nuttige documenten, aan de bevoegde procureur des Konings en aan de Dienst Vreemdelingenzaken. Hierdoor beschikt de procureur des Konings bij een eventueel beroep tegen de weigeringsbeslissing onmiddellijk over de nodige elementen, en kan hij, indien hij dit noodzakelijk acht, zelf ambtshalve optreden tegen de beslissing van de ambtenaar van de burgerlijke stand.
Tegen de weigering door de ambtenaar van de burgerlijke stand om van de verklaring van wettelijke samenwoning melding te maken, kan door de belanghebbende partijen binnen de maand beroep worden aangetekend bij de rechtbank van eerste aanleg.
B.3. Indien er een ernstig vermoeden bestaat dat de verklaring van wettelijke samenwoning betrekking heeft op een in de artikelen 1476bis en 1476ter bedoelde situatie, kan de ambtenaar van de burgerlijke stand de melding van de verklaring van wettelijke samenwoning uitstellen gedurende ten hoogste twee maanden vanaf de afgifte van het ontvangstbewijs zoals bedoeld in artikel 1476, § 1. Het uitstellen van de melding van de verklaring van wettelijke samenwoning moet het de ambtenaar van de burgerlijke stand mogelijk maken om indien hij dit nodig acht de bevoegde procureur des Konings hierover om advies te verzoeken en om bijkomend onderzoek te verrichten om na te gaan of het een eventuele schijn-wettelijke samenwoning of gedwongen wettelijke samenwoning betreft.
De ambtenaar van de burgerlijke stand geeft van het uitstel zonder verwijl kennis aan de belanghebbende partijen. Het is aangewezen de met redenen omklede beslissing om de melding van de verklaring van wettelijke samenwoonst uit te stellen, door middel van een aangetekend schrijven met ontvangstmelding of door rechtstreekse overhandiging tegen ontvangstbewijs ter kennis te brengen van de betrokkenen.
De procureur des Konings kan de termijn van twee maanden verlengen met een periode van drie maanden. In dat geval geeft hij daarvan kennis aan de ambtenaar van de burgerlijke stand. De ambtenaar van de burgerlijke stand stelt de belanghebbende partijen hiervan in kennis. Het is aangewezen de verlenging van de termijn ter kennis te brengen door middel van een aangetekend schrijven met ontvangstmelding of door rechtstreekse overhandiging tegen ontvangstbewijs aan betrokkenen van de beslissing tot verlenging.
Wanneer de ambtenaar van de burgerlijke stand binnen de hierboven vermelde termijn van twee maanden, eventueel verlengd met drie maanden, nog geen definitieve beslissing heeft genomen, dient hij onverwijld melding te maken van de verklaring van de wettelijke samenwoning.
HOOFDSTUK III. - Overgangsbepalingen
Op de aangiften van huwelijk gedaan vóór 3 oktober 2013 en bijgevolg ook op de huwelijken die voltrokken moeten worden ingevolge die aangiften, blijven de oude artikelen 63, 64 en 167 van toepassing.
De voormelde omzendbrief van 17 december 1999 blijft bijgevolg gelden voor de te voltrekken huwelijken waarvan de aangifte werd gedaan vóór 3 oktober 2013.
Article M. CHAPITRE Ier. - Mariage
A. Acte de déclaration
A.1. Si l'on veut contracter mariage, il faut en faire la déclaration à l'officier de l'état civil de la commune où, à la date de l'établissement de l'acte de déclaration, l'un des futurs époux est inscrit dans les registres de la population, le registre des étrangers ou le registre d'attente. Afin de garantir le droit au mariage, il est également prévu que, si aucun des futurs époux n'est inscrit dans l'un de ces registres, ou si la résidence actuelle de l'un d'eux ou des deux ne correspond pas, pour des motifs légitimes, à cette inscription (par exemple dans le cas de bateliers ou lorsque l'intéressé est hospitalisé, etc.), la déclaration peut être faite à l'officier de l'état civil de la commune de la résidence actuelle de l'un des futurs époux (ne sont pas des motifs légitimes par exemple le simple fait que les heures auxquelles il est possible de se marier dans une commune déterminée conviennent mieux aux intéressés, que, dans certaines communes, il est moins onéreux de se marier un jour précis, un plus beau cadre, etc.).
Pour les Belges qui résident à l'étranger et ne sont pas inscrits dans les registres de la population d'une commune belge, existe également la possibilité de faire une déclaration de mariage et, par conséquent, de se marier en Belgique. Il suffit que l'un des futurs époux possède la nationalité belge.
Dans ces hypothèses, la déclaration peut être faite à l'officier de l'état civil :
- de la commune de la dernière inscription dans les registres de la population, le registre des étrangers ou le registre d'attente de l'un des futurs époux
- de la commune où un parent jusqu'au deuxième degré de l'un des futurs époux est inscrit à la date de l'établissement de l'acte
- ou du lieu de naissance de l'un des futurs époux.
A défaut, la déclaration peut être faite à l'officier de l'état civil de la ville de Bruxelles.
A des fins de clarification, il convient de remarquer que la déclaration dans la commune de la dernière inscription dans le registre des étrangers ou le registre d'attente concerne les cas où l'intéressé ne possédait pas encore la nationalité belge au moment où il a quitté le territoire.
Lorsque, à la date de l'établissement de l'acte de déclaration, l'un au moins des futurs époux n'est pas inscrit dans le registre de la population, le registre des étrangers ou le registre d'attente de la commune où la déclaration est faite, ou n'y a pas sa résidence actuelle, l'officier de l'état civil qui a dressé l'acte doit transmettre immédiatement une copie de l'acte, de préférence par e-mail et à défaut par fax ou par simple lettre, à l'officier de l'état civil de la commune où ce ou ces futurs époux sont inscrits dans les registres susmentionnés ou ont leur résidence actuelle. Ainsi, ce dernier officier de l'état civil peut aussi vérifier s'il n'existe pas d'empêchements à mariage. Le cas échéant, il le signale, dans les dix jours, à l'officier de l'état civil qui a dressé l'acte de déclaration. De cette manière, il peut par exemple aussi signaler que les intéressés ont déjà essayé en vain de faire une déclaration ou de contracter mariage dans sa commune. L'avis éventuel de l'existence d'empêchements à mariage est transmis par écrit, de préférence par e-mail et à défaut par fax ou par simple lettre.
A.2. Les documents énumérés à l'article 64 doivent être remis à l'officier de l'état civil, pour chacun des futurs époux, lors de la déclaration du mariage. Cette disposition tend à mettre fin à l'insécurité juridique existant actuellement à propos des documents à déposer pour un mariage. Le dépôt des documents suivants est requis :
une copie conforme de l'acte de naissance. La possibilité subsiste de le remplacer par un acte de notoriété tel que cela est prévu aux articles 70 à 72ter du Code civil :
- en cas d'impossibilité ou de difficultés sérieuses à produire l'acte de naissance requis pour le mariage, celui-ci peut être remplacé par un acte de notoriété délivré par le juge de paix de son lieu de naissance ou par celui de son domicile;
- l'époux né à l'étranger, qui se trouve dans l'impossibilité de se procurer son acte de naissance, doit toutefois produire un document équivalent délivré par les autorités diplomatiques ou consulaires du pays de naissance : en cas d'impossibilité ou de difficultés sérieuses à se procurer un tel document, il peut suppléer à l'acte de naissance en produisant un acte de notoriété délivré par le juge de paix de son domicile;
- si l'un des futurs époux est dans l'impossibilité de se procurer cet acte de notoriété, il peut y être suppléé, avec l'autorisation du tribunal, par une déclaration sous serment du futur époux lui-même;
- le futur époux qui a déjà obtenu un acte de notoriété ou qui a déjà été autorisé à faire une déclaration sous serment et qui établit qu'il est toujours dans l'impossibilité de produire son acte de naissance, peut le suppléer par cet acte de notoriété ou cette autorisation, pour autant que l'exactitude des données qu'il contient ne soit pas réfutée.
une preuve d'identité : un document dont ressort l'identité de l'intéressé (p. ex. une carte d'identité, un passeport);
une preuve de nationalité;
une preuve de célibat, et le cas échéant de la dissolution ou de l'annulation des mariages précédents;
une preuve de l'inscription dans les registres de la population, le registre des étrangers ou le registre d'attente et/ou une preuve de la résidence actuelle : l'officier de l'état civil peut, sur cette base, vérifier sa compétence territoriale;
le cas échéant, une preuve écrite légalisée, émanant du futur époux absent lors de la déclaration du mariage, dont il ressort que celui-ci consent à la déclaration : ce document doit être déposé seulement si la déclaration n'est faite que par un seul des futurs époux;
toute autre pièce authentique dont il ressort que l'intéressé remplit les conditions requises par la loi pour pouvoir contracter mariage : il s'agit notamment ici des " certificats de coutume " qui doivent permettre à l'officier de l'état civil de vérifier si les conditions posées par le droit applicable sont remplies, ou tout autre document que l'officier de l'état civil juge nécessaire pour vérifier si les conditions requises sont remplies (p. ex. une éventuelle dispense d'âge accordée par le tribunal de la jeunesse, etc.).
Lorsque les documents déposés sont établis dans une langue étrangère, l'officier de l'état civil peut en demander une traduction certifiée conforme.
Il convient de veiller à ce que les documents étrangers produits soient dûment légalisés. On peut renvoyer à ce propos à la circulaire du 14 décembre 2006 portant instructions en matière de légalisation (M.B., 11 janvier 2007), et aux instructions données par le Ministre des Affaires étrangères en la matière.
Après réception de tous les documents, le cas échéant avec une traduction certifiée conforme et dûment légalisés, l'officier de l'état civil délivre un accusé de réception aux futurs époux ou à l'un des futurs époux pour autant qu'il dispose de la preuve écrite légalisée émanant du futur époux absent lors de la déclaration du mariage, dont il ressort que celui-ci consent à la déclaration, comme prévu à l'article 64, § 1er, 6° du Code civil.
Si les documents ne sont pas tous produits, l'accusé de réception n'est pas délivré.
La délivrance d'un accusé de réception n'est pas nécessaire dans les cas où l'officier de l'état civil dresse l'acte de déclaration de mariage immédiatement.
L'accusé de réception sert seulement comme preuve de la production des documents en vue de faire courir le délai dans lequel l'acte de déclaration doit être établi et ne prouve pas que les documents sont acceptés comme valides ou authentiques.
A.3. L'acte de déclaration doit être dressé dans le mois de la délivrance de cet accusé de réception. Ce délai peut être prolongé de deux mois si l'officier de l'état civil a des doutes sur la validité ou l'authenticité des documents remis. Dans ce cas, il notifie sans délai sa décision aux futurs époux. Il est recommandé d'aviser les parties intéressées par envoi recommandé avec accusé de réception, ou par remise directe contre récépissé, de la décision motivée de prolonger le délai. Si l'officier de l'état civil n'a pas pris de décision sur la validité ou l'authenticité des documents dans ce délai, il est obligé de dresser l'acte de déclaration sans délai.
Le but de cette obligation est l'établissement de l'acte de déclaration dans un délai raisonnable et d'éviter que les parties doivent attendre plusieurs mois avant que l'acte de déclaration soit établi.
A.4. L'officier de l'état civil refuse de dresser l'acte de déclaration :
- si les parties intéressées restent en défaut de déposer les documents énumérés dans l'article 64 du Code civil. On ne vise pas uniquement ici l'hypothèse où l'officier de l'état civil estime que les intéressés ne lui remettent pas les documents nécessaires pour la composition du dossier du mariage, mais aussi les cas où ces documents sont insuffisamment légalisés. Il appartient à l'officier de l'état civil d'apprécier s'il est satisfait aux conditions énumérées à l'article 64 du Code civil, et si, en ce qui le concerne, le dossier de mariage est complet.
- si l'officier de l'état civil ne reconnaît pas la validité ou l'authenticité de ces documents.
La décision de refus motivée est notifiée sans délai aux parties par envoi recommandé avec accusé de réception, ou leur est remise directement, contre récépissé. Cette notification doit en outre mentionner les possibilités de recours dont disposent les intéressés. L'officier de l'état civil transmet en même temps, de préférence par e-mail et à défaut par fax ou par simple lettre, une copie de sa décision, accompagnée d'une copie de tous documents utiles, au procureur du Roi de l'arrondissement judiciaire dans lequel le refus a été exprimé. De cette manière, le procureur du Roi dispose immédiatement des éléments nécessaires, en cas de recours contre la décision de refus de l'officier de l'état civil, et il peut lui-même, s'il l'estime nécessaire, agir contre cette décision. Lorsque, au jour du refus de l'officier de l'état civil de dresser l'acte de déclaration, l'un des futurs époux ou les deux ne sont pas inscrits dans le registre de la population, le registre des étrangers ou le registre d'attente de la commune, ou n'y ont pas leur résidence actuelle, l'officier de l'état civil qui a refusé de dresser l'acte de déclaration doit aviser de sa décision de refus, de préférence par e-mail et à défaut par fax ou par simple lettre, l'officier de l'état civil de la commune d'inscription dans les registres susmentionnés ou de la résidence actuelle de ce(s) futur(s) époux. Si les intéressés se présentent par après dans cette dernière commune, l'officier de l'état civil est déjà au courant que des problèmes peuvent éventuellement se poser, et il peut prendre contact avec l'officier de l'état civil qui l'a avisé du refus.
Une possibilité de recours est prévue, pour les intéressés, contre le refus de l'officier de l'état civil de dresser un acte de déclaration. Un tel recours peut être introduit dans le mois qui suit la notification de la décision de refus, devant le tribunal de première instance.
A.5. Les actes de déclaration doivent être inscrits dans un registre unique, qui doit être déposé à la fin de chaque année au greffe du tribunal de première instance. Le texte suivant peut être proposé pour l'acte de déclaration : " ACTE DE DECLARATION DE MARIAGE
N° Ce jour, (date + année), à (heure), est actée par (nom de l'officier de l'état civil), soussigné(e), officier de l'état civil de la commune de (commune), la déclaration de mariage de (nom, prénom(s)), né(e) à (lieu de naissance) le (date de naissance), domicilié(e) et/ou résidant (adresse), et (nom, prénom(s)), né(e) à (lieu de naissance) le (date de naissance), domicilié(e) et/ou résidant (adresse), qui désirent contracter mariage le (date de mariage).
Sur la déclaration de (nom et prénom(s) du (des) déclarant(s)).
(signature) "
B. Cause spécifique de nullité
B.1. Une cause spécifique de nullité pour les mariages simulés est prévue par l'article 146bis du Code civil. Cet article dispose expressément qu'il n'y a pas de mariage lorsque, bien que les consentements formels aient été donnés en vue du mariage, il ressort d'une combinaison de circonstances que l'intention de l'un des époux au moins n'est manifestement pas la création d'une communauté de vie durable, mais uniquement l'obtention d'un avantage en matière de séjour, lié au statut d'époux.
L'article 184 du Code civil renvoie en outre à l'article 146bis. Par ce biais, il est expressément prévu dans la loi que la nullité d'un mariage peut être poursuivie sur la base du fait qu'il s'agit d'un mariage simulé. Les époux eux-mêmes, tout intéressé et le ministère public peuvent agir contre tout mariage conclu en violation de l'article 146bis du Code civil. Le ministère public poursuit la nullité de tels mariages.
B.2. Lorsqu'un mariage a été annulé par un jugement ou un arrêt coulé en force de chose jugée, un extrait reprenant le dispositif et la mention du jour où celui-ci a acquis force de chose jugée, est adressé, sans délai, par le greffier à l'officier de l'état civil du lieu où le mariage a été célébré ou, lorsque le mariage n'a pas été célébré en Belgique, à l'officier de l'état civil de Bruxelles. Lorsqu'il s'agit de l'annulation d'un mariage contracté en violation des dispositions contenues aux articles 146bis ou 146ter, il envoie l'extrait en même temps à l'Office des étrangers. L'officier de l'état civil transcrit, sans délai, le dispositif sur ses registres et il le mentionne en marge de l'acte de mariage et des actes d'état civil relatifs aux enfants nés dans le mariage, s'ils ont été dressés ou transcrits en Belgique.
C. Célébration du mariage - refus par l'officier de l'état civil
C.1. L'article 165 du Code civil dispose que le mariage ne peut être célébré avant le 14ème jour qui suit la date de l'établissement de l'acte de déclaration. Lorsque le mariage n'a pas été célébré dans les six mois qui suivent l'expiration de ce délai de 14 jours, il ne peut plus être célébré qu'après une nouvelle déclaration. Le procureur du Roi compétent peut, s'il existe des raisons graves, dispenser de la déclaration et de tout délai d'attente. Il peut également, pour les mêmes raisons, prolonger le délai de six mois susmentionné. Certains agents diplomatiques et consulaires, disposent, pour les mariages à célébrer dans leur chancellerie, des mêmes compétences. Dans le cadre d'un recours contre le refus de célébrer le mariage, une prolongation du délai susvisé de six mois peut être demandée au juge saisi. Il est possible, de cette manière, d'éviter que les parties doivent, une deuxième fois, faire une déclaration. Dans les hypothèses susmentionnées de dispense de déclaration ou de délai d'attente, ou de prolongation des délais prescrits, il est recommandé de conserver toujours une copie des décisions en question dans le dossier de mariage.
Le mariage doit être célébré publiquement devant l'officier de l'état civil qui a dressé l'acte de déclaration. Il est indiqué d'attirer, dès le moment de la déclaration, l'attention des futurs époux sur ce qui précède, ainsi que sur l'existence des divers délais prévus par la loi.
C.2. L'article 167 du Code civil prévoit une possibilité expresse pour l'officier de l'état civil de différer ou de refuser la célébration du mariage.
Lorsqu'il apparaît qu'il n'est pas satisfait aux qualités et conditions requises pour pouvoir contracter mariage, ou lorsqu'il est d'avis que la célébration du mariage est contraire aux principes de l'ordre public, l'officier de l'état civil refuse de célébrer le mariage. Le Code civil offre à l'officier de l'état civil une base légale pour refuser de célébrer le mariage. L'officier de l'état civil doit en effet vérifier que toutes les conditions de forme et de fond requises pour la célébration du mariage sont remplies. Le but est de mettre l'accent sur le fait que l'officier de l'état civil a, dans le cadre de la célébration du mariage, un rôle non seulement passif, mais également actif et préventif à jouer. L'enquête préalable destinée à vérifier si les futurs époux satisfont à toutes les conditions de fond et de forme, relève de l'essence de sa compétence. Le contrôle effectué par l'officier de l'état civil porte aussi bien sur la réunion des conditions positives que sur l'absence d'éventuels empêchements à mariage. Ce contrôle comporte aussi l'examen visant à s'assurer que le mariage projeté n'est pas un mariage simulé. L'officier de l'état civil doit ainsi également vérifier s'il est satisfait au prescrit de l'article 146bis. Il faut toutefois éviter que chaque mariage mixte soit, prima facie, qualifié de suspect. Le principe de la liberté de mariage requiert que l'on fasse preuve à ce niveau d'une certaine prudence.
Lorsque, cependant, il ressort d'une combinaison de circonstances que l'intention de l'un au moins des futurs époux n'est manifestement pas la création d'une communauté de vie durable, mais uniquement l'obtention d'un avantage en matière de séjour, lié au statut d'époux, l'officier de l'état civil doit refuser de célébrer le mariage. Si l'on invoque le caractère simulé du mariage, il faut disposer d'éléments indiquant clairement que le mariage ne vise manifestement pas la création de la communauté de vie durable dont il a été question ci-dessus. Une combinaison des facteurs suivants, entre autres, peut constituer une indication sérieuse qu'on vise un mariage blanc :
- Les parties ne se comprennent pas ou ont des difficultés à dialoguer, ou font appel à un interprète;
- Les parties ne se sont jamais rencontrées avant la déclaration de mariage;
- Une des parties cohabite avec quelqu'un d'autre de manière durable;
- Les parties ne connaissent pas le nom ou la nationalité l'une de l'autre;
- Une des parties ne sait pas où l'autre travaille;
- Il y a une divergence manifeste entre les déclarations relatives aux circonstances de la rencontre;
- Une somme d'argent est promise pour contracter le mariage;
- Un des deux se livre à la prostitution;
- Une des parties a déjà ouvert le droit au regroupement familial par le mariage ou par la cohabitation légale à une ou plusieurs personnes;
- Une des parties a déjà fait une ou plusieurs tentatives de mariage de complaisance ou de cohabitation légale de complaisance;
- Une des parties a échoué dans toutes les tentatives légales de s'établir en Belgique;
- L'intervention d'un intermédiaire;
- Une grande différence d'âge.
Dans ce cadre, l'officier de l'état civil peut se fonder, entre autres, sur :
- Les déclarations ou les témoignages qu'il a vérifiés des parties elles-mêmes ou de tiers;
- Certains écrits des parties elles-mêmes ou de tiers;
- Des enquêtes effectuées par des services de police.
Il convient d'insister sur le fait que le droit au mariage est garanti par l'article 12 de la Convention européenne de Sauvegarde des Droits de l'Homme et des Libertés fondamentales (approuvée par la loi du 13 mai 1955, M.B., 19 août 1955) et l'article 23 du Pacte international relatif aux Droits civils et politiques. Ce droit n'est pas subordonné à la situation de séjour des parties concernées. Il en résulte que l'officier de l'état civil ne peut refuser de dresser l'acte de déclaration et de célébrer le mariage pour le seul motif qu'un étranger séjourne de manière illégale dans le Royaume.
C.3. En cas de refus, l'officier de l'état civil notifie sans délai sa décision motivée aux parties intéressées par envoi recommandé avec accusé de réception, ou la leur remet directement, contre récépissé. Cette notification doit en outre mentionner les possibilités de recours dont disposent les intéressés. En même temps, il en envoie, de préférence par e-mail et à défaut par fax ou par simple lettre, une copie, avec une copie de tous documents utiles, au procureur du Roi compétent et à l'Office des étrangers. De cette manière, le procureur du Roi dispose immédiatement des éléments nécessaires, en cas de recours contre la décision de refus, et il peut lui-même, s'il l'estime nécessaire, agir d'office contre la décision de l'officier de l'état civil. Lorsque, au jour du refus, l'un des futurs époux ou les deux ne sont pas inscrits dans le registre de la population, le registre des étrangers ou le registre d'attente de la commune, ou n'y ont pas leur résidence actuelle, l'officier de l'état civil notifie également immédiatement, de préférence par e-mail et à défaut par fax ou par simple lettre, sa décision de refus à l'officier de l'état civil de la commune dans laquelle ce ou ces futurs époux sont inscrits ou ont leur résidence actuelle. On peut éviter par là que les intéressés se rendent ensuite dans la commune en question pour essayer à nouveau de faire célébrer le mariage. Le refus de célébrer le mariage est susceptible de recours, dans le mois, par les parties intéressées, devant le tribunal de première instance.
C4. S'il existe une présomption sérieuse qu'il n'est pas satisfait aux qualités et conditions requises pour contracter mariage, ou que la célébration du mariage serait contraire aux principes de l'ordre public, l'officier de l'état civil peut surseoir à la célébration du mariage pendant deux mois au plus à partir de la date de mariage prévue par les parties intéressées. Le report du mariage doit permettre à l'officier de l'état civil, s'il l'estime nécessaire, de requérir à ce propos l'avis du procureur du Roi compétent et de procéder à une enquête complémentaire pour vérifier s'il s'agit d'un éventuel mariage simulé (par exemple lorsque le délai entre la déclaration et la date prévue du mariage serait trop court pour procéder à l'enquête avant le mariage).
L'officier de l'état civil avise les parties intéressées sans délai du report. Il est recommandé de notifier aux parties intéressées la décision motivée de reporter le mariage par envoi recommandé avec accusé de réception, ou par remise directe contre récépissé.
Le procureur du Roi peut prolonger de trois mois le délai de deux mois. Dans ce cas, il en informe l'officier de l'état civil. L'officier de l'état civil en informe les parties intéressées. Il est recommandé d'aviser les parties intéressées, par envoi recommandé avec accusé de réception, ou par remise directe avec récépissé, de la décision de prolongation.
Lorsque l'officier de l'état civil n'a pas encore pris de décision définitive dans le délai de deux mois susmentionné, éventuellement prolongé de trois mois, il doit célébrer le mariage sans délai, même dans les cas où le délai de six mois visé à l'article 165, § 3 est déjà expiré.
D. Tables annuelles
Selon l'article 63, § 2, dernier alinéa du Code civil, les actes de déclaration ne doivent être inscrits que dans un registre unique, contrairement aux actes de l'état civil qui, en vertu de l'article 40 du Code civil, doivent être inscrits sur un ou plusieurs registres tenus en double. De plus, l'acte de déclaration a pour objectif de constater qu'il a été satisfait à la formalité de la déclaration du mariage. On peut déduire de ce qui précède que le registre des actes de déclaration de mariage n'est pas par essence un registre de l'état civil au sens strict et, par conséquent, qu'une table alphabétique annuelle ne doit pas être confectionnée pour ce registre.
CHAPITRE II. - Cohabitation légale
A. Causes de nullité de la cohabitation légale
A.1. Une cause de nullité pour les cohabitations légales de complaisance a été introduite par un nouvel article 1476bis du Code civil. Cet article dispose expressément qu'il n'y a pas de cohabitation légale lorsque, bien que la volonté des parties de cohabiter légalement ait été dûment exprimée, il ressort d'une combinaison de circonstances que l'intention d'au moins une des parties vise manifestement uniquement à l'obtention d'un avantage en matière de séjour, lié au statut de cohabitant légal.
En outre, un nouvel article 1476ter prévoit une cause de nullité pour les cohabitations légales forcées. Cet article dispose expressément qu'il n'y a pas de cohabitation légale lorsque celle-ci est contractée sans le libre consentement des deux cohabitants légaux ou que le consentement d'au moins un des cohabitants légaux a été donné sous la violence ou la menace.
Dans le nouvel article 1476quinquies il est expressément prévu que la nullité d'une cohabitation légale peut être poursuivie sur la base du fait qu'il s'agit d'une cohabitation légale de complaisance ou d'une cohabitation légale forcée en renvoyant aux articles 1476bis et 1476ter.
A.2. Les cohabitants légaux eux-mêmes et tout intéressé peuvent agir contre toute cohabitation légale conclue en contravention à l'article 1476bis ou 1476ter du Code civil. Le ministère public poursuit la nullité de telles cohabitations légales.
A.3. Lorsqu'une cohabitation légale a été annulée par un jugement ou un arrêt coulé en force de chose jugée, un extrait reprenant le dispositif et la mention du jour où celui-ci a acquis force de chose jugée, est adressé, sans délai, par le greffier à l'officier de l'état civil de la commune du domicile des deux parties ou, lorsque les deux parties ne sont pas domiciliées dans la même commune, à l'officier de l'état civil de la commune du domicile de chacune des parties et à l'Office des étrangers. L'officier de l'état civil inscrit, sans délai, l'annulation de la cohabitation légale dans le registre de population, le registre des étrangers ou le registre d'attente.
B. Déclaration de cohabitation légale - refus par l'officier de l'état civil
B.1. Une déclaration de cohabitation légale est faite au moyen d'un écrit remis contre récépissé à l'officier de l'état civil du domicile commun.
Ce récépissé sert seulement comme preuve de la délivrance de la déclaration et ne prouve pas l'existence de la cohabitation légale.
L'officier de l'état civil vérifie si les deux parties satisfont aux conditions légales régissant la cohabitation légale et acte, dans l'affirmative, la déclaration dans le registre de population, le registre des étrangers ou le registre d'attente.
L'article 1476quater nouveau du Code civil introduit la possibilité expresse pour l'officier de l'état civil de différer ou de refuser d'acter la cohabitation légale dans le registre de population, le registre des étrangers ou le registre d'attente.
Lorsqu'il apparaît que la déclaration se rapporte à une situation telle que visée aux articles 1476bis et 1476ter et qu'il s'agit donc d'une cohabitation légale de complaisance ou forcée, l'officier de l'état civil refuse d'acter la cohabitation légale dans le registre de population, le registre des étrangers ou le registre d'attente. La nouvelle loi offre à l'officier de l'état civil une base légale pour refuser d'acter la cohabitation légale. L'officier de l'état civil doit en effet vérifier si toutes les conditions requises pour la déclaration de cohabitation légale sont remplies. Le but est de mettre l'accent sur le fait que l'officier de l'état civil a, dans le cadre de la déclaration de cohabitation légale, un rôle non seulement passif, mais également actif et préventif à jouer. L'enquête préalable destinée à vérifier si les futurs cohabitants légaux satisfont à toutes les conditions, relève de l'essence de sa compétence. Le contrôle effectué par l'officier de l'état civil comporte aussi l'examen visant à s'assurer que la cohabitation légale projetée n'est pas une cohabitation légale de complaisance ou forcée. L'officier de l'état civil doit ainsi également vérifier s'il est satisfait au prescrit des articles 1476bis et 1476ter. Il faut toutefois éviter que chaque cohabitation légale mixte soit, prima facie, qualifiée de suspecte. Lorsque, cependant, il ressort d'une combinaison de circonstances que l'intention d'au moins un des futurs cohabitants légaux vise manifestement uniquement à l'obtention d'un avantage en matière de séjour, lié au statut de cohabitant légal, ou lorsque la déclaration de cohabitation légale est faite sous la violence ou la menace, l'officier de l'état civil doit refuser d'acter la cohabitation légale.
Le contrôle effectué par l'officier de l'état civil comporte aussi la vérification des intentions des futurs cohabitants légaux.
Lorsque les parties, par exemple, indiquent qu'elles ont l'intention de poursuivre ou commencer une relation de partenaire durable et stable et de formaliser celle-ci, une combinaison des facteurs suivants, entre autres, peut constituer une indication sérieuse qu'il s'agit d'une cohabitation légale de complaisance :
- Les parties ne se comprennent pas ou ont des difficultés à dialoguer, ou font appel à un interprète;
- Les parties ne se sont jamais rencontrées avant la déclaration de cohabitation légale;
- Une des parties cohabite avec quelqu'un d'autre de manière durable;
- Les parties ne connaissent pas le nom ou la nationalité l'une de l'autre;
- Une des parties ne sait pas où l'autre travaille;
- Il y a une divergence manifeste entre les déclarations relatives aux circonstances de la rencontre;
- Une somme d'argent est promise pour faire la déclaration de cohabitation légale;
- Un des deux se livre à la prostitution;
- Une des parties a déjà ouvert le droit au regroupement familial par le mariage ou par la cohabitation légale à une ou plusieurs personnes;
- Une des parties a déjà fait une ou plusieurs tentatives de mariage de complaisance ou de cohabitation légale de complaisance;
- Une des parties a échoué dans toutes les tentatives légales de s'établir en Belgique;
- L'intervention d'un intermédiaire;
- Une grande différence d'âge.
Dans ce cadre, l'officier de l'état civil peut se fonder, entre autres, sur :
- Les déclarations ou les témoignages qu'il a vérifiés des parties elles-mêmes ou de tiers;
- Certains écrits des parties elles-mêmes ou de tiers;
- Des enquêtes effectuées par des services de police.
B.2. En cas de refus, l'officier de l'état civil notifie sans délai sa décision motivée aux parties intéressées par envoi recommandé avec accusé de réception, ou la leur remet directement, contre récépissé. Cette notification doit en outre mentionner les possibilités de recours dont disposent les intéressés. En même temps, il en envoie, de préférence par e-mail et à défaut par fax ou par simple lettre, une copie, avec une copie de tous les documents utiles, au procureur du Roi compétent et à l'Office des étrangers. De cette manière, le procureur du Roi dispose immédiatement des éléments nécessaires, en cas de recours contre la décision de refus, et il peut lui-même, s'il l'estime nécessaire, agir d'office contre la décision de l'officier de l'état civil.
Le refus d'acter la cohabitation légale est susceptible de recours, dans le mois, par les parties intéressées, devant le tribunal de première instance.
B.3. S'il existe une présomption sérieuse que la déclaration de cohabitation légale se rapporte à une situation telle que visée aux articles 1476bis et 1476ter, l'officier de l'état civil peut surseoir à acter la déclaration de cohabitation légale pendant deux mois au plus à partir de la délivrance du récépissé délivré conformément à l'article 1476, § 1er. Le report de l'inscription de la cohabitation légale doit permettre à l'officier de l'état civil, s'il l'estime nécessaire, de requérir à ce propos l'avis du procureur du Roi compétent et de procéder à une enquête complémentaire pour vérifier s'il s'agit d'une éventuelle cohabitation légale de complaisance ou forcée.
L'officier de l'état civil avise les parties intéressées sans délai du report. Il est recommandé de notifier aux parties intéressées la décision motivée de reporter l'inscription de la cohabitation légale par envoi recommandé avec accusé de réception, ou par remise directe contre récépissé.
Le procureur du Roi peut prolonger de trois mois le délai de deux mois. Dans ce cas, il en informe l'officier de l'état civil. L'officier de l'état civil en informe les parties intéressées. Il est recommandé d'aviser les parties intéressées, par envoi recommandé avec accusé de réception, ou par remise directe contre récépissé, de la décision de prolongation.
Lorsque l'officier de l'état civil n'a pas encore pris de décision définitive dans le délai de deux mois susmentionné, éventuellement prolongé de trois mois, il est tenu d'acter, sans délai, la déclaration de cohabitation légale dans le registre de population.
CHAPITRE III. - Dispositions transitoires
Les anciens articles 63, 64 et 167 restent d'application aux déclarations faites avant le 3 octobre 2013 et par conséquent également aux mariages à célébrer suite à ces déclarations.
La circulaire précitée du 17 décembre 1999 reste par conséquent applicable aux mariages à célébrer dont la déclaration a été faite avant le 3 octobre 2013.
De Minister van Justitie,
Mevr. A. TURTELBOOM
La Ministre de la Justice,
Mme A. TURTELBOOM