Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
1 APRIL 2007. - Wet tot wijziging van de wet van 24 maart 2003 tot instelling van een basis-bankdienst.
Titre
1 AVRIL 2007. - Loi modifiant la loi du 24 mars 2003 instaurant un service bancaire de base.
Informations sur le document
Info du document
Tekst (7)
Texte (7)
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Article 1. La présente loi règle une matière visée à l'article 78 de la Constitution.
Art. 2. Artikel 5 van de wet van 24 maart 2003 tot instelling van een basis-bankdienst, wordt aangevuld als volgt :
" § 7. De oprichting van een Compensatiefonds kan niet plaatsvinden dan na een evaluatie die zal worden gerealiseerd ten vroegste in 2008. "
" § 7. De oprichting van een Compensatiefonds kan niet plaatsvinden dan na een evaluatie die zal worden gerealiseerd ten vroegste in 2008. "
Art. 2. L'article 5 de la loi du 24 mars 2003 instaurant un service bancaire de base, est complété comme suit :
" § 7. La création d'un Fonds de compensation ne peut avoir lieu qu'après une évaluation qui sera réalisée au plus tôt en 2008. "
" § 7. La création d'un Fonds de compensation ne peut avoir lieu qu'après une évaluation qui sera réalisée au plus tôt en 2008. "
Art. 3. In artikel 6, van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° § 1 wordt aangevuld met het volgende lid :
" De beschikking van toelaatbaarheid van een verzoek tot collectieve schuldenregeling kan geen reden zijn om een rekening te weigeren of op te zeggen. ";
2° er wordt een § 4 ingevoegd, luidende :
" § 4. De kredietinstelling zendt elk jaar aan het bevoegde orgaan, bedoeld in artikel 7, informatie over betreffende het aantal geopende rekeningen, het aantal weigeringen en opzeggingen alsook over de motivering ervan. De informatie over het afgelopen kalenderjaar wordt ten laatste op 31 januari van het daaropvolgend jaar overgezonden. "
1° § 1 wordt aangevuld met het volgende lid :
" De beschikking van toelaatbaarheid van een verzoek tot collectieve schuldenregeling kan geen reden zijn om een rekening te weigeren of op te zeggen. ";
2° er wordt een § 4 ingevoegd, luidende :
" § 4. De kredietinstelling zendt elk jaar aan het bevoegde orgaan, bedoeld in artikel 7, informatie over betreffende het aantal geopende rekeningen, het aantal weigeringen en opzeggingen alsook over de motivering ervan. De informatie over het afgelopen kalenderjaar wordt ten laatste op 31 januari van het daaropvolgend jaar overgezonden. "
Art. 3. A l'article 6, de la même loi, sont apportées les modifications suivantes :
1° le § 1er est complété par l'alinéa suivant :
" La décision d'admissibilité d'une requête en règlement collectif de dettes ne peut constituer un motif pour refuser un compte ou le résilier. ";
2° il est inséré un § 4, rédigé comme suit :
" § 4. L'établissement de crédit transmet chaque année à l'organisme compétent visé à l'article 7 des informations sur le nombre de comptes ouverts, le nombre de refus et de résiliations ainsi que leur motivation. Les informations sur l'année civile écoulée sont transmises au plus tard le 31 janvier de l'année qui suit. "
1° le § 1er est complété par l'alinéa suivant :
" La décision d'admissibilité d'une requête en règlement collectif de dettes ne peut constituer un motif pour refuser un compte ou le résilier. ";
2° il est inséré un § 4, rédigé comme suit :
" § 4. L'établissement de crédit transmet chaque année à l'organisme compétent visé à l'article 7 des informations sur le nombre de comptes ouverts, le nombre de refus et de résiliations ainsi que leur motivation. Les informations sur l'année civile écoulée sont transmises au plus tard le 31 janvier de l'année qui suit. "
Art. 4. Artikel 7, eerste lid, van dezelfde wet, wordt aangevuld als volgt :
" Alvorens zich tot dit orgaan te richten, moet de consument zijn vraag richten tot de kredietinstelling. Iedere kredietinstelling wijst in haar midden een orgaan aan belast met het onderzoeken van de vraag. "
" Alvorens zich tot dit orgaan te richten, moet de consument zijn vraag richten tot de kredietinstelling. Iedere kredietinstelling wijst in haar midden een orgaan aan belast met het onderzoeken van de vraag. "
Art. 4. L'article 7, alinéa 1er, de la même loi, est complété comme suit :
" Avant de s'adresser à cet organisme, le consommateur doit adresser sa demande à l'établissement de crédit. Chaque établissement désigne en son sein un organe chargé d'examiner la demande. "
" Avant de s'adresser à cet organisme, le consommateur doit adresser sa demande à l'établissement de crédit. Chaque établissement désigne en son sein un organe chargé d'examiner la demande. "
Art. 5. In dezelfde wet wordt een artikel 8bis ingevoegd, luidende :
" Art. 8bis. - § 1. Onverminderd de bevoegdheden van de officieren van gerechtelijke politie, zijn de door de minister die bevoegd is voor Economie aangestelde ambtenaren bevoegd om de in artikel 8 vermelde inbreuken op te sporen en vast te stellen. De processen-verbaal welke door die ambtenaren worden opgesteld, hebben bewijskracht tot het tegendeel is bewezen. Een afschrift ervan wordt bij een ter post aangetekende brief met ontvangstvermelding binnen dertig dagen na de datum van de vaststellingen, aan de overtreder toegezonden.
§ 2. In de uitoefening van hun ambt mogen de in § 1 bedoelde ambtenaren :
1° binnentreden tijdens de gewone openings- of werkuren in de lokalen en vertrekken voor professioneel gebruik waar zij voor het vervullen van hun opdracht toegang moeten hebben;
2° alle dienstige vaststellingen doen, zich op eerste vordering en ter plaatse de bescheiden, stukken of boeken die zij voor hun opsporingen en vaststellingen nodig hebben, doen voorleggen en daarvan afschrift nemen;
3° tegen ontvangstbewijs beslag leggen op de in het 2° bedoelde documenten, noodzakelijk voor het bewijs van een inbreuk of om de mededaders of medeplichtigen van de overtreders op te sporen; bij ontstentenis van een bevestiging door de procureur des Konings binnen tien werkdagen is het beslag van rechtswege opgeheven;
§ 3. In de uitoefening van hun ambt kunnen de in § 1 bedoelde ambtenaren de bijstand van de lokale en federale politie vorderen.
§ 4. De gemachtigde ambtenaren oefenen de hun door dit artikel verleende bevoegdheden uit onder het toezicht van de procureur-generaal. "
" Art. 8bis. - § 1. Onverminderd de bevoegdheden van de officieren van gerechtelijke politie, zijn de door de minister die bevoegd is voor Economie aangestelde ambtenaren bevoegd om de in artikel 8 vermelde inbreuken op te sporen en vast te stellen. De processen-verbaal welke door die ambtenaren worden opgesteld, hebben bewijskracht tot het tegendeel is bewezen. Een afschrift ervan wordt bij een ter post aangetekende brief met ontvangstvermelding binnen dertig dagen na de datum van de vaststellingen, aan de overtreder toegezonden.
§ 2. In de uitoefening van hun ambt mogen de in § 1 bedoelde ambtenaren :
1° binnentreden tijdens de gewone openings- of werkuren in de lokalen en vertrekken voor professioneel gebruik waar zij voor het vervullen van hun opdracht toegang moeten hebben;
2° alle dienstige vaststellingen doen, zich op eerste vordering en ter plaatse de bescheiden, stukken of boeken die zij voor hun opsporingen en vaststellingen nodig hebben, doen voorleggen en daarvan afschrift nemen;
3° tegen ontvangstbewijs beslag leggen op de in het 2° bedoelde documenten, noodzakelijk voor het bewijs van een inbreuk of om de mededaders of medeplichtigen van de overtreders op te sporen; bij ontstentenis van een bevestiging door de procureur des Konings binnen tien werkdagen is het beslag van rechtswege opgeheven;
§ 3. In de uitoefening van hun ambt kunnen de in § 1 bedoelde ambtenaren de bijstand van de lokale en federale politie vorderen.
§ 4. De gemachtigde ambtenaren oefenen de hun door dit artikel verleende bevoegdheden uit onder het toezicht van de procureur-generaal. "
Art. 5. Il est inséré dans la même loi un article 8bis, rédigé comme suit :
" Art. 8bis. § 1er. Sous réserve des compétences des officiers de police judiciaire, les agents commissionnés par le ministre qui a l'Economie dans ses attributions sont compétents pour rechercher et constater les infractions mentionnées à l'article 8. Les procès-verbaux dressés par ces agents font foi jusqu'à preuve du contraire. Une copie en est adressée au contrevenant, par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception, dans les trente jours de la date des constatations.
§ 2. Dans l'exercice de leurs fonctions, les agents visés au § 1er peuvent :
1° pénétrer, pendant les heures habituelles d'ouverture ou de travail, dans les locaux et pièces à usage professionnel dont l'accès est nécessaire à l'accomplissement de leur mission;
2° faire toutes les constatations utiles, se faire produire, sur première réquisition et sans déplacement, les documents, pièces ou livres nécessaires à leurs recherches et constatations et en prendre copie;
3° saisir, contre récépissé, les documents visés au 2°, qui sont nécessaires pour faire la preuve d'une infraction ou pour rechercher les coauteurs ou complices des contrevenants; la saisie est levée de plein droit à défaut de confirmation par le procureur du Roi dans les dix jours ouvrables;
§ 3. Dans l'exercice de leurs fonctions, les agents visés au § 1er peuvent requérir l'assistance de la police locale et fédérale.
§ 4. Les agents exercent les pouvoirs qui leur sont accordés par le présent article sous la surveillance du procureur général. "
" Art. 8bis. § 1er. Sous réserve des compétences des officiers de police judiciaire, les agents commissionnés par le ministre qui a l'Economie dans ses attributions sont compétents pour rechercher et constater les infractions mentionnées à l'article 8. Les procès-verbaux dressés par ces agents font foi jusqu'à preuve du contraire. Une copie en est adressée au contrevenant, par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception, dans les trente jours de la date des constatations.
§ 2. Dans l'exercice de leurs fonctions, les agents visés au § 1er peuvent :
1° pénétrer, pendant les heures habituelles d'ouverture ou de travail, dans les locaux et pièces à usage professionnel dont l'accès est nécessaire à l'accomplissement de leur mission;
2° faire toutes les constatations utiles, se faire produire, sur première réquisition et sans déplacement, les documents, pièces ou livres nécessaires à leurs recherches et constatations et en prendre copie;
3° saisir, contre récépissé, les documents visés au 2°, qui sont nécessaires pour faire la preuve d'une infraction ou pour rechercher les coauteurs ou complices des contrevenants; la saisie est levée de plein droit à défaut de confirmation par le procureur du Roi dans les dix jours ouvrables;
§ 3. Dans l'exercice de leurs fonctions, les agents visés au § 1er peuvent requérir l'assistance de la police locale et fédérale.
§ 4. Les agents exercent les pouvoirs qui leur sont accordés par le présent article sous la surveillance du procureur général. "
Art. 6. In dezelfde wet wordt een artikel 8ter ingevoegd, luidende :
" Art. 8ter. Wanneer vastgesteld wordt dat een handeling een inbreuk is zoals bedoeld in artikel 8, kan de minister die bevoegd is voor Economie, of de krachtens artikel 8bis aangestelde ambtenaar, een waarschuwing richten tot de overtreder, waarbij die tot de stopzetting van die handeling wordt aangemaand.
De waarschuwing wordt ter kennis gebracht aan de overtreder, hetzij bij een overhandiging van een kopie van het proces-verbaal tijdens de vaststelling der feiten hetzij bij een aangetekend schrijven met ontvangstbewijs binnen een termijn van drie weken vanaf de vaststelling der feiten.
De waarschuwing vermeldt :
1° de ten laste gelegde feiten en de overtreden wetsbepaling of -bepalingen;
2° de termijn waarbinnen zij dienen te worden stopgezet;
3° dat, indien aan de waarschuwing geen gevolg wordt gegeven, de feiten aan de procureur des Konings bekendgemaakt zullen worden. "
" Art. 8ter. Wanneer vastgesteld wordt dat een handeling een inbreuk is zoals bedoeld in artikel 8, kan de minister die bevoegd is voor Economie, of de krachtens artikel 8bis aangestelde ambtenaar, een waarschuwing richten tot de overtreder, waarbij die tot de stopzetting van die handeling wordt aangemaand.
De waarschuwing wordt ter kennis gebracht aan de overtreder, hetzij bij een overhandiging van een kopie van het proces-verbaal tijdens de vaststelling der feiten hetzij bij een aangetekend schrijven met ontvangstbewijs binnen een termijn van drie weken vanaf de vaststelling der feiten.
De waarschuwing vermeldt :
1° de ten laste gelegde feiten en de overtreden wetsbepaling of -bepalingen;
2° de termijn waarbinnen zij dienen te worden stopgezet;
3° dat, indien aan de waarschuwing geen gevolg wordt gegeven, de feiten aan de procureur des Konings bekendgemaakt zullen worden. "
Art. 6. Il est inséré dans la même loi un article 8ter, rédigé comme suit :
" Art. 8ter. Lorsqu'il est constaté qu'un acte constitue une infraction visée à l'article 8, le ministre qui a l'Economie dans ses attributions, ou l'agent commissionné en application de l'article 8bis, peut adresser au contrevenant un avertissement le mettant en demeure de mettre fin à cet acte.
L'avertissement est notifié au contrevenant, soit par la remise d'une copie du procès-verbal lors de la constatation des faits, soit par lettre recommandée avec accusé de réception, dans un délai de trois semaines à dater de la constatation des faits.
L'avertissement mentionne :
1° les faits imputés et la ou les dispositions légales enfreintes;
2° le délai dans lequel il doit y être mis fin;
3° qu'au cas où il n'est pas donné suite à l'avertissement, les faits seront dénoncés au procureur du Roi. "
" Art. 8ter. Lorsqu'il est constaté qu'un acte constitue une infraction visée à l'article 8, le ministre qui a l'Economie dans ses attributions, ou l'agent commissionné en application de l'article 8bis, peut adresser au contrevenant un avertissement le mettant en demeure de mettre fin à cet acte.
L'avertissement est notifié au contrevenant, soit par la remise d'une copie du procès-verbal lors de la constatation des faits, soit par lettre recommandée avec accusé de réception, dans un délai de trois semaines à dater de la constatation des faits.
L'avertissement mentionne :
1° les faits imputés et la ou les dispositions légales enfreintes;
2° le délai dans lequel il doit y être mis fin;
3° qu'au cas où il n'est pas donné suite à l'avertissement, les faits seront dénoncés au procureur du Roi. "
Art. 7. In dezelfde wet wordt een artikel 8quater ingevoegd, luidende :
" Art. 8quater. De daartoe door de minister die bevoegd is voor Economie aangestelde ambtenaren kunnen op inzage van de processen-verbaal die een inbreuk bedoeld in artikel 8 vaststellen en die opgemaakt zijn door de in artikel 8bis bedoelde ambtenaren, aan de overtreders voorstellen binnen zes maanden te rekenen vanaf de datum van het proces-verbaal, een bedrag te betalen waarvan de betaling de strafvordering doet vervallen.
Het voorstel vermeldt de termijn waarbinnen de betaling moet worden gedaan. Deze termijn is ten minste acht dagen en ten hoogste drie maanden.
De Koning stelt de tarieven alsook de wijze van betaling en inning vast.
Het in het eerste lid bedoelde bedrag mag niet meer belopen dan het maximum van de bij artikel 8 van deze wet bepaalde geldboete, verhoogd met de opdeciemen.
De binnen de aangegeven termijn uitgevoerde betaling doet de strafvordering vervallen, behalve indien tevoren een klacht gericht werd aan de procureur des Konings, de onderzoeksrechter verzocht werd een onderzoek in te stellen of indien het feit bij de rechtbank aanhangig gemaakt werd. In deze gevallen worden de betaalde bedragen aan de overtreder teruggestort.
De eventueel aan een ander veroorzaakte schade dient geheel vergoed te zijn vooraleer de minnelijke schikking kan worden voorgesteld. In ieder geval kan het slachtoffer zijn rechten doen gelden voor de bevoegde rechtbank. In dat geval is het aanvaarden van de minnelijke schikking door de overtreder een onweerlegbaar vermoeden van fout. "
Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 1 april 2007.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Financiën,
D. REYNDERS
De Minister van Consumentenzaken,
Mevr. F. VAN DEN BOSSCHE
De Minister van Economie,
M. VERWILGHEN
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
Mevr. L. ONKELINX.
" Art. 8quater. De daartoe door de minister die bevoegd is voor Economie aangestelde ambtenaren kunnen op inzage van de processen-verbaal die een inbreuk bedoeld in artikel 8 vaststellen en die opgemaakt zijn door de in artikel 8bis bedoelde ambtenaren, aan de overtreders voorstellen binnen zes maanden te rekenen vanaf de datum van het proces-verbaal, een bedrag te betalen waarvan de betaling de strafvordering doet vervallen.
Het voorstel vermeldt de termijn waarbinnen de betaling moet worden gedaan. Deze termijn is ten minste acht dagen en ten hoogste drie maanden.
De Koning stelt de tarieven alsook de wijze van betaling en inning vast.
Het in het eerste lid bedoelde bedrag mag niet meer belopen dan het maximum van de bij artikel 8 van deze wet bepaalde geldboete, verhoogd met de opdeciemen.
De binnen de aangegeven termijn uitgevoerde betaling doet de strafvordering vervallen, behalve indien tevoren een klacht gericht werd aan de procureur des Konings, de onderzoeksrechter verzocht werd een onderzoek in te stellen of indien het feit bij de rechtbank aanhangig gemaakt werd. In deze gevallen worden de betaalde bedragen aan de overtreder teruggestort.
De eventueel aan een ander veroorzaakte schade dient geheel vergoed te zijn vooraleer de minnelijke schikking kan worden voorgesteld. In ieder geval kan het slachtoffer zijn rechten doen gelden voor de bevoegde rechtbank. In dat geval is het aanvaarden van de minnelijke schikking door de overtreder een onweerlegbaar vermoeden van fout. "
Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 1 april 2007.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Financiën,
D. REYNDERS
De Minister van Consumentenzaken,
Mevr. F. VAN DEN BOSSCHE
De Minister van Economie,
M. VERWILGHEN
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
Mevr. L. ONKELINX.
Art. 7. Il est inséré dans la même loi un article 8quater, rédigé comme suit :
" Art. 8quater. Les agents commissionnés à cette fin par le ministre qui a l'Economie dans ses attributions, peuvent, au vu des procès-verbaux constatant une infraction visée à l'article 8 et dressés par les agents visés à l'article 8bis, proposer aux contrevenants le paiement d'une somme dans un délai de six mois à compter de la date du procès-verbal qui éteint l'action publique.
La proposition mentionne le délai dans lequel le paiement doit être effectué. Ce délai est de huit jours au moins et de trois mois au plus.
Les tarifs ainsi que les modalités de paiement et de perception sont fixés par le Roi.
La somme prévue à l'alinéa 1er ne peut être supérieure au maximum de l'amende prévue à l'article 8 de la présente loi, majorée des décimes additionnels.
Le paiement effectué dans le délai indiqué éteint l'action publique sauf si auparavant, une plainte a été adressée au procureur du Roi, le juge d'instruction a été requis d'instruire ou le tribunal a été saisi du fait. Dans ces cas, les sommes payées sont restituées au contrevenant.
Le dommage éventuellement causé à autrui doit être entièrement réparé avant que la transaction puisse être proposée. En tout état de cause, la victime pourra faire valoir ses droits devant le tribunal compétent. Dans ce cas, l'acceptation de la transaction par le contrevenant constitue une présomption irréfragable de sa faute. "
Promulguons la présente loi, ordonnons qu'elle soi revêtue du sceau de l'Etat et publiée par le Moniteur belge.
Donné à Bruxelles, le 1er avril 2007.
ALBERT
Par le Roi :
Le Ministre des Finances,
D. REYNDERS
La Ministre de la Protection de la consommation,
Mme F. VAN DEN BOSSCHE
Le Ministre de l'Economie,
M. VERWILGHEN
Scellé du sceau de l'Etat :
La ministre de la Justice,
Mme L. ONKELINX.
" Art. 8quater. Les agents commissionnés à cette fin par le ministre qui a l'Economie dans ses attributions, peuvent, au vu des procès-verbaux constatant une infraction visée à l'article 8 et dressés par les agents visés à l'article 8bis, proposer aux contrevenants le paiement d'une somme dans un délai de six mois à compter de la date du procès-verbal qui éteint l'action publique.
La proposition mentionne le délai dans lequel le paiement doit être effectué. Ce délai est de huit jours au moins et de trois mois au plus.
Les tarifs ainsi que les modalités de paiement et de perception sont fixés par le Roi.
La somme prévue à l'alinéa 1er ne peut être supérieure au maximum de l'amende prévue à l'article 8 de la présente loi, majorée des décimes additionnels.
Le paiement effectué dans le délai indiqué éteint l'action publique sauf si auparavant, une plainte a été adressée au procureur du Roi, le juge d'instruction a été requis d'instruire ou le tribunal a été saisi du fait. Dans ces cas, les sommes payées sont restituées au contrevenant.
Le dommage éventuellement causé à autrui doit être entièrement réparé avant que la transaction puisse être proposée. En tout état de cause, la victime pourra faire valoir ses droits devant le tribunal compétent. Dans ce cas, l'acceptation de la transaction par le contrevenant constitue une présomption irréfragable de sa faute. "
Promulguons la présente loi, ordonnons qu'elle soi revêtue du sceau de l'Etat et publiée par le Moniteur belge.
Donné à Bruxelles, le 1er avril 2007.
ALBERT
Par le Roi :
Le Ministre des Finances,
D. REYNDERS
La Ministre de la Protection de la consommation,
Mme F. VAN DEN BOSSCHE
Le Ministre de l'Economie,
M. VERWILGHEN
Scellé du sceau de l'Etat :
La ministre de la Justice,
Mme L. ONKELINX.