Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
- Ministerie : het Ministerie van Middenstand en Landbouw, met inbegrip van de wetenschappelijke instellingen die ervan afhangen;
- Minister : de Minister die bevoegd is voor middenstand, landbouw of een van deze materies.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
18 JUNI 1998. - Koninklijk besluit tot oprichting en regeling van de sociale dienst van het Ministerie van Middenstand en Landbouw, en vaststelling van de samenstelling van zijn sociaal comité.
Titre
18 JUIN 1998. - Arrêté royal créant et organisant le service social du Ministère des Classes moyennes et de l'Agriculture et fixant la composition de son comité social.
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
Table des matières
Tekst (22)
Texte (22)
Algemene Bepalingen.
Dispositions générales.
Article 1. Pour l'application du présent arrêté, on entend par :
- Ministère : le Ministère des Classes moyennes et de l'Agriculture, y compris les établissements scientifiques qui en relèvent;
- Ministre : le ministre qui a dans ses attributions l'agriculture, les classes moyennes ou l'une de ces matières.
- Ministère : le Ministère des Classes moyennes et de l'Agriculture, y compris les établissements scientifiques qui en relèvent;
- Ministre : le ministre qui a dans ses attributions l'agriculture, les classes moyennes ou l'une de ces matières.
Art. 2. Bij het Bestuur der Algemene Diensten van het Ministerie van Middenstand en Landbouw wordt een sociale dienst opgericht.
Art. 2. Il est créé un service social auprès de l'Administration des Services généraux du Ministère des Classes moyennes et de l'Agriculture.
Art. 3. De werking van de sociale dienst heeft betrekking op de volgende personen, voorzover deze geen voordelen van een andere sociale dienst of werkgever kunnen verkrijgen :
1° de personeelsleden van het Ministerie, zonder onderscheid van statuut of dienstverbintenis;
2° de kabinetsleden van de Minister, aan wie in deze hoedanigheid als wedde geldende toelagen, kabinetstoelagen of vergoedingen worden toegekend, zoals bepaald bij art. 9, 13 en 18 van het koninklijk besluit van 20 mei 1965 betreffende de samenstelling en de werking van de ministeriële kabinetten en betreffende het personeel van de ministeries aangewezen om van het kabinet van de voorzitter of van een lid van de Regering van een Gemeenschap of een Gewest deel uit te maken;
3° de personeelsleden van de instellingen en rechtspersonen die rechtstreeks meewerken aan de opdracht van het Ministerie en aangewezen zijn door de Minister, voor zover deze instellingen en rechtspersonen de financiële lasten dragen van de sociale prestaties waarop die personeelsleden recht hebben en voor zover deze anderzijds geen geldelijke of andere voordelen krijgen van hun eigen werkgever voor dezelfde sociale prestaties;
4° de personeelsleden die op het ogenblik van hun pensionering personeelsleden van het Ministerie waren;
5° de weduwen en de weduwnaars van wie de echtgenoot op het ogenblik van zijn overlijden tot een van de sub 1° tot 4° vermelde categorieën behoorde, alsook de wezen van deze overleden echtgenoot;
6° de echtgenoten en de kinderen ten laste van de personen die tot een van de sub 1° tot en met 4° bedoelde categorieën behoren; de personen van het andere geslacht die kunnen aantonen dat hun echtelijk samenleven met het personeelslid erkend is door de fiscale administratie, zijn met echtgenoten gelijkgesteld.
1° de personeelsleden van het Ministerie, zonder onderscheid van statuut of dienstverbintenis;
2° de kabinetsleden van de Minister, aan wie in deze hoedanigheid als wedde geldende toelagen, kabinetstoelagen of vergoedingen worden toegekend, zoals bepaald bij art. 9, 13 en 18 van het koninklijk besluit van 20 mei 1965 betreffende de samenstelling en de werking van de ministeriële kabinetten en betreffende het personeel van de ministeries aangewezen om van het kabinet van de voorzitter of van een lid van de Regering van een Gemeenschap of een Gewest deel uit te maken;
3° de personeelsleden van de instellingen en rechtspersonen die rechtstreeks meewerken aan de opdracht van het Ministerie en aangewezen zijn door de Minister, voor zover deze instellingen en rechtspersonen de financiële lasten dragen van de sociale prestaties waarop die personeelsleden recht hebben en voor zover deze anderzijds geen geldelijke of andere voordelen krijgen van hun eigen werkgever voor dezelfde sociale prestaties;
4° de personeelsleden die op het ogenblik van hun pensionering personeelsleden van het Ministerie waren;
5° de weduwen en de weduwnaars van wie de echtgenoot op het ogenblik van zijn overlijden tot een van de sub 1° tot 4° vermelde categorieën behoorde, alsook de wezen van deze overleden echtgenoot;
6° de echtgenoten en de kinderen ten laste van de personen die tot een van de sub 1° tot en met 4° bedoelde categorieën behoren; de personen van het andere geslacht die kunnen aantonen dat hun echtelijk samenleven met het personeelslid erkend is door de fiscale administratie, zijn met echtgenoten gelijkgesteld.
Art. 3. L'action du service social s'étend aux personnes suivantes, pour autant qu'elles ne bénéficient pas d'avantages accordés par un autre service social ou employeur :
1° les membres du personnel du Ministère, sans distinction de statut ou de régime d'engagement;
2° les membres du cabinet du Ministre qui percoivent en tant que tels les allocations tenant lieu de traitement, allocations de cabinet ou indemnités prévues aux articles 9, 13 et 18 de l'arrêté royal du 20 mai 1965 relatif à la composition et au fonctionnement des cabinets ministériels et au personnel des ministères appelé à faire partie du cabinet du président ou d'un membre du Gouvernement d'une Communauté ou d'une Région;
3° les membres du personnel des institutions et personnes morales apportant directement leur concours à l'exécution des missions du Ministère et désignées par le Ministre, pour autant que ces institutions et personnes morales supportent la charge financière des prestations sociales dont bénéficient ces membres du personnel et que ceux-ci ne reçoivent pas par ailleurs des avantages pécuniaires ou autres de leur propre employeur pour les mêmes prestations sociales;
4° les agents admis à la retraite alors qu'ils étaient membres du personnel du Ministère;
5° les veuves et veufs dont le conjoint appartenait au moment de son décès à l'une des catégories visée aux points 1° à 4°, ainsi que les orphelins de ce conjoint décédé;
6° les conjoints et enfants à charge des personnes appartenant à une des catégories citées aux points 1° à 4° ci-dessus. Sont assimilées aux conjoints les personnes de l'autre sexe qui peuvent établir que leur cohabitation conjugale avec le membre du personnel est reconnue par l'administration fiscale.
1° les membres du personnel du Ministère, sans distinction de statut ou de régime d'engagement;
2° les membres du cabinet du Ministre qui percoivent en tant que tels les allocations tenant lieu de traitement, allocations de cabinet ou indemnités prévues aux articles 9, 13 et 18 de l'arrêté royal du 20 mai 1965 relatif à la composition et au fonctionnement des cabinets ministériels et au personnel des ministères appelé à faire partie du cabinet du président ou d'un membre du Gouvernement d'une Communauté ou d'une Région;
3° les membres du personnel des institutions et personnes morales apportant directement leur concours à l'exécution des missions du Ministère et désignées par le Ministre, pour autant que ces institutions et personnes morales supportent la charge financière des prestations sociales dont bénéficient ces membres du personnel et que ceux-ci ne reçoivent pas par ailleurs des avantages pécuniaires ou autres de leur propre employeur pour les mêmes prestations sociales;
4° les agents admis à la retraite alors qu'ils étaient membres du personnel du Ministère;
5° les veuves et veufs dont le conjoint appartenait au moment de son décès à l'une des catégories visée aux points 1° à 4°, ainsi que les orphelins de ce conjoint décédé;
6° les conjoints et enfants à charge des personnes appartenant à une des catégories citées aux points 1° à 4° ci-dessus. Sont assimilées aux conjoints les personnes de l'autre sexe qui peuvent établir que leur cohabitation conjugale avec le membre du personnel est reconnue par l'administration fiscale.
Art. 4. De sociale dienst heeft tot doel aan de personen bedoeld in artikel 3 materiële en niet-materiële hulp te verschaffen, en dit onder de vorm van individuele of collectieve voordelen. Het algemeen kader en de toepassingsmodaliteiten van deze voordelen worden door de Minister bepaald, na raadpleging of op voorstel van het sociaal comité bedoeld in artikel 8.
Deze voordelen kunnen onder meer betrekking hebben op :
1° de toekenning van een financiële hulp in geval van ziekte, tegenspoed, familiale tegenslag of andere uitzonderlijke of onvoorziene omstandigheden;
2° de toekenning van een financiële hulp aan weduwen, weduwnaars, wezen en gepensioneerden die over een klein inkomen beschikken;
3° de toekenning van individuele leningen zonder interest om tegemoet te komen aan een tijdelijke, persoonlijke of familiale moeilijkheid of tot het scheppen van voorwaarden voor een duurzame verbetering van de materiële toestand van de begunstigden;
4° het aanbod om een aanvullende groepsverzekering aan te gaan inzake opneming in het ziekenhuis bij ziekte of ongeval;
5° maatregelen ter ondersteuning van het gezinsleven, inzonderheid ten gunste van jonge ouders en kinderen;
6° de preventie en de begeleiding ter bestrijding van overkreditering evenals alcoholisme, druggebruik en enige andere verslaving;
7° het aanwenden en het toekennen van middelen, zodat de personeelsleden die het wensen hun middagmaal kunnen nemen of een dorstlessende drank in de nabijheid van hun werk kunnen gebruiken;
8° het organiseren en ondersteunen van collectieve activiteiten i.v.m. vrijetijdsbesteding, cultuur en sport.
De financiële tussenkomsten worden verleend binnen de perken van de beschikbare kredieten.
Deze voordelen kunnen onder meer betrekking hebben op :
1° de toekenning van een financiële hulp in geval van ziekte, tegenspoed, familiale tegenslag of andere uitzonderlijke of onvoorziene omstandigheden;
2° de toekenning van een financiële hulp aan weduwen, weduwnaars, wezen en gepensioneerden die over een klein inkomen beschikken;
3° de toekenning van individuele leningen zonder interest om tegemoet te komen aan een tijdelijke, persoonlijke of familiale moeilijkheid of tot het scheppen van voorwaarden voor een duurzame verbetering van de materiële toestand van de begunstigden;
4° het aanbod om een aanvullende groepsverzekering aan te gaan inzake opneming in het ziekenhuis bij ziekte of ongeval;
5° maatregelen ter ondersteuning van het gezinsleven, inzonderheid ten gunste van jonge ouders en kinderen;
6° de preventie en de begeleiding ter bestrijding van overkreditering evenals alcoholisme, druggebruik en enige andere verslaving;
7° het aanwenden en het toekennen van middelen, zodat de personeelsleden die het wensen hun middagmaal kunnen nemen of een dorstlessende drank in de nabijheid van hun werk kunnen gebruiken;
8° het organiseren en ondersteunen van collectieve activiteiten i.v.m. vrijetijdsbesteding, cultuur en sport.
De financiële tussenkomsten worden verleend binnen de perken van de beschikbare kredieten.
Art. 4. Le Service social a pour objectif de fournir aux personnes visées à l'article 3, une aide matérielle et une aide morale, et ce, sous la forme d'avantages individuels ou collectifs. Le cadre général et les modalités d'application de ces avantages sont fixés par le Ministre, après consultation ou sur proposition du comité social visé à l'article 8.
Ces avantages peuvent porter notamment sur :
1° l'octroi d'une aide financière en cas de maladie, de revers, de malheur familial ou autres circonstances exceptionnelles et imprévues;
2° l'octroi d'une aide financière aux veuves, veufs, orphelins et pensionnés disposant de faibles revenus;
3° l'octroi de prêts individuels sans intérêt destinés à rencontrer une difficulté personnelle ou familiale temporaire, ou à créer les conditions d'une amélioration durable de la situation matérielle des bénéficiaires;
4° l'offre de la souscription à une assurance collective complémentaire en matière d'hospitalisation pour maladie ou accident;
5° des mesures visant à soutenir la vie de famille, notamment en faveur des jeunes parents et des enfants;
6° la prévention et la guidance pour lutter contre le surendettement ainsi que l'alcoolisme, la consommation de drogues et toute autre assuétude;
7° la mise en oeuvre ou l'octroi de moyens afin de permettre aux agents qui le désirent de prendre leur repas de midi ou de consommer une boisson désaltérante à proximité des lieux de travail;
8° l'organisation et le soutien d'activités collectives de loisirs, culturelles ou sportives.
Les interventions financières sont accordées dans la limite des crédits disponibles.
Ces avantages peuvent porter notamment sur :
1° l'octroi d'une aide financière en cas de maladie, de revers, de malheur familial ou autres circonstances exceptionnelles et imprévues;
2° l'octroi d'une aide financière aux veuves, veufs, orphelins et pensionnés disposant de faibles revenus;
3° l'octroi de prêts individuels sans intérêt destinés à rencontrer une difficulté personnelle ou familiale temporaire, ou à créer les conditions d'une amélioration durable de la situation matérielle des bénéficiaires;
4° l'offre de la souscription à une assurance collective complémentaire en matière d'hospitalisation pour maladie ou accident;
5° des mesures visant à soutenir la vie de famille, notamment en faveur des jeunes parents et des enfants;
6° la prévention et la guidance pour lutter contre le surendettement ainsi que l'alcoolisme, la consommation de drogues et toute autre assuétude;
7° la mise en oeuvre ou l'octroi de moyens afin de permettre aux agents qui le désirent de prendre leur repas de midi ou de consommer une boisson désaltérante à proximité des lieux de travail;
8° l'organisation et le soutien d'activités collectives de loisirs, culturelles ou sportives.
Les interventions financières sont accordées dans la limite des crédits disponibles.
Art. 5. De Minister kan, op voorstel of na raadpleging van het sociaal comité bedoeld in artikel 8, beslissen om het leveren van bepaalde prestaties, met uitsluiting van die bedoeld in artikel 4, 1° tot en met 4°, toe te vertrouwen aan één of meer instellingen.
Om hiervoor in aanmerking te komen, moet een instelling aan de volgende voorwaarden voldoen :
- opgericht zijn als vereniging zonder winstoogmerk, openbare instelling of instelling van openbaar nut, met als voornaamste doelstelling het verwezenlijken van de opdrachten van de sociale dienst;
- hoofdzakelijk ten gunste van het personeel uit de federale openbare sector zijn opgericht en beschikken over de organen van beheer die deze specificiteit tot uiting brengen;
- zonder onderscheid aan alle begunstigden opgesomd in artikel 3 de toegang verlenen tot de georganiseerde diensten of activiteiten;
- zich onderwerpen aan werkingsregels en aan administratieve en budgettaire controleprocedures vastgelegd in een bijzondere overeenkomst afgesloten met de minister.
Om hiervoor in aanmerking te komen, moet een instelling aan de volgende voorwaarden voldoen :
- opgericht zijn als vereniging zonder winstoogmerk, openbare instelling of instelling van openbaar nut, met als voornaamste doelstelling het verwezenlijken van de opdrachten van de sociale dienst;
- hoofdzakelijk ten gunste van het personeel uit de federale openbare sector zijn opgericht en beschikken over de organen van beheer die deze specificiteit tot uiting brengen;
- zonder onderscheid aan alle begunstigden opgesomd in artikel 3 de toegang verlenen tot de georganiseerde diensten of activiteiten;
- zich onderwerpen aan werkingsregels en aan administratieve en budgettaire controleprocedures vastgelegd in een bijzondere overeenkomst afgesloten met de minister.
Art. 5. Le Ministre peut, sur proposition ou après consultation du comité social visé à l'article 8, décider de confier l'accomplissement de certaines prestations à une ou plusieurs institutions, à l'exception de celles prévues à l'article 4, 1° à 4°.
Afin d'entrer en ligne de compte, une institution doit satisfaire aux conditions suivantes :
- avoir été créée en tant qu'association sans but lucratif, organisme public ou établissement d'utilité publique, ayant pour objectif principal la réalisation des missions du service social;
- avoir été constituée au profit principal du personnel du secteur public fédéral, et posséder des organes de gestion traduisant cette spécificité;
- permettre à tous les bénéficiaires cités à l'article 3, sans aucune discrimination, d'avoir accès aux services ou activités mis sur pied;
- se soumettre à des règles de fonctionnement et à des procédures de contrôle administratif et budgétaire fixées dans une convention particulière conclue avec le ministre.
Afin d'entrer en ligne de compte, une institution doit satisfaire aux conditions suivantes :
- avoir été créée en tant qu'association sans but lucratif, organisme public ou établissement d'utilité publique, ayant pour objectif principal la réalisation des missions du service social;
- avoir été constituée au profit principal du personnel du secteur public fédéral, et posséder des organes de gestion traduisant cette spécificité;
- permettre à tous les bénéficiaires cités à l'article 3, sans aucune discrimination, d'avoir accès aux services ou activités mis sur pied;
- se soumettre à des règles de fonctionnement et à des procédures de contrôle administratif et budgétaire fixées dans une convention particulière conclue avec le ministre.
Art. 6. De sociale dienst stelt met betrekking tot zijn werking een vademecum op waarin de sociale voordelen met bedragen en toekenningsvoorwaarden worden opgenomen. Dit vademecum wordt ter beschikking gesteld van iedere persoon bedoeld in artikel 3.
Art. 6. Le service social rédige, au sujet de son action, un vade-mecum faisant état des avantages sociaux ainsi que de leurs taux et de leurs modalités d'octroi. Ce vade-mecum est mis à la disposition de toute personne visée à l'article 3.
Art. 7. De sociale dienst ontvangt de aanvragen tot het verkrijgen van voordelen, stelt de dossiers samen, en volgt elke zaak op.
Art. 7. Le service social reçoit les demandes d'obtention des avantages, constitue les dossiers et assure le suivi de chaque affaire.
Het sociaal comité.
Le comité social.
Art. 8. Bij de sociale dienst wordt een sociaal comité opgericht dat als taak heeft om te beslissen omtrent de aanvragen tot het verkrijgen van de voordelen bedoeld in dit besluit.
De aanvrager kan bij de Minister beroep instellen tegen de beslissing over zijn aanvraag. Dit beroep heeft geen schorsende werking.
De Minister beslist na het sociaal comité te hebben geraadpleegd.
De aanvrager kan bij de Minister beroep instellen tegen de beslissing over zijn aanvraag. Dit beroep heeft geen schorsende werking.
De Minister beslist na het sociaal comité te hebben geraadpleegd.
Art. 8. Il est institué auprès du service social un comité social qui a pour tâche de statuer sur les demandes d'obtention des avantages prévus par le présent arrêté.
Le demandeur a la faculté d'introduire un recours auprès du Ministre contre la décision prise à l'égard de sa demande. Ce recours n'est pas suspensif.
Le Ministre statue après avoir consulté le comité social.
Le demandeur a la faculté d'introduire un recours auprès du Ministre contre la décision prise à l'égard de sa demande. Ce recours n'est pas suspensif.
Le Ministre statue après avoir consulté le comité social.
Art. 9. De Minister bepaalt het aantal effectieve en plaatsvervangende leden van het sociaal comité.
De leden worden voor drie jaar benoemd door de Minister, voor de ene helft op voordracht van de administratie van het Ministerie, voor de andere helft op voordracht van de vakbondsorganisaties die vertegenwoordigd zijn in de basisoverlegcomités van het Ministerie.
De leden worden benoemd onder de personeelsleden die ten minste één jaar dienst hebben bij het Ministerie. In de mate van het mogelijke weerspiegelt de samenstelling van het sociaal comité de verscheidenheid van de bestuurseenheden van het Ministerie.
Er wordt tevens rekening gehouden met de bepalingen van de wet van 20 juli 1990 ter bevordering van de evenwichtige aanwezigheid van mannen en vrouwen in organen met adviserende bevoegdheid.
De leden worden voor drie jaar benoemd door de Minister, voor de ene helft op voordracht van de administratie van het Ministerie, voor de andere helft op voordracht van de vakbondsorganisaties die vertegenwoordigd zijn in de basisoverlegcomités van het Ministerie.
De leden worden benoemd onder de personeelsleden die ten minste één jaar dienst hebben bij het Ministerie. In de mate van het mogelijke weerspiegelt de samenstelling van het sociaal comité de verscheidenheid van de bestuurseenheden van het Ministerie.
Er wordt tevens rekening gehouden met de bepalingen van de wet van 20 juli 1990 ter bevordering van de evenwichtige aanwezigheid van mannen en vrouwen in organen met adviserende bevoegdheid.
Art. 9. Le Ministre détermine le nombre de membres effectifs et suppléants du comité social.
Les membres sont nommés par le Ministre pour trois ans, pour moitié sur présentation de l'administration du Ministère, et pour moitié sur présentation des organisations syndicales représentées au sein des comités de concertation de base du Ministère.
Les membres sont nommés parmi les membres du personnel qui comptent au moins un an de service au Ministère. Dans la mesure du possible, la composition du comité social reflétera la diversité des entités administratives du Ministère.
Il est également tenu compte des dispositions de la loi du 20 juillet 1990 visant à promouvoir la présence équilibrée d'hommes et de femmes dans les organes possédant une compétence d'avis.
Les membres sont nommés par le Ministre pour trois ans, pour moitié sur présentation de l'administration du Ministère, et pour moitié sur présentation des organisations syndicales représentées au sein des comités de concertation de base du Ministère.
Les membres sont nommés parmi les membres du personnel qui comptent au moins un an de service au Ministère. Dans la mesure du possible, la composition du comité social reflétera la diversité des entités administratives du Ministère.
Il est également tenu compte des dispositions de la loi du 20 juillet 1990 visant à promouvoir la présence équilibrée d'hommes et de femmes dans les organes possédant une compétence d'avis.
Art. 10. De voorzitter en ondervoorzitter van het sociaal comité worden voor drie jaar benoemd door de Minister, beurtelings de ene voorgedragen door de administratie, de andere door de vakbondsorganisaties bedoeld in artikel 9.
Indien de voorzitter of de ondervoorzitter zijn mandaat niet kan voltooien, wordt hij opgevolgd door een lid van het sociaal comité, voorgedragen op dezelfde wijze als zijn voorganger.
Indien de voorzitter of de ondervoorzitter zijn mandaat niet kan voltooien, wordt hij opgevolgd door een lid van het sociaal comité, voorgedragen op dezelfde wijze als zijn voorganger.
Art. 10. Le président et le vice-président du comité social sont nommés pour trois ans par le Ministre, sur présentation en alternance de l'administration et des organisations syndicales visées à l'article 9.
Au cas où le président ou le vice-président ne peuvent terminer leur mandat, celui-ci est achevé par un membre du comité social, présenté de la même manière que son prédécesseur.
Au cas où le président ou le vice-président ne peuvent terminer leur mandat, celui-ci est achevé par un membre du comité social, présenté de la même manière que son prédécesseur.
Art. 11. Het sociaal comité stelt een huishoudelijk reglement op, dat het ter goedkeuring aan de Minister voorlegt. In geval van staking van de stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend.
Het secretariaat van de vergaderingen van het sociaal comité wordt waargenomen door de maatschappelijke assistenten van het Ministerie, die de op de agenda geplaatste zaken hebben onderzocht. Zij nemen zonder stemrecht aan de vergaderingen deel.
Het secretariaat van de vergaderingen van het sociaal comité wordt waargenomen door de maatschappelijke assistenten van het Ministerie, die de op de agenda geplaatste zaken hebben onderzocht. Zij nemen zonder stemrecht aan de vergaderingen deel.
Art. 11. Le comité social rédige un règlement d'ordre intérieur, qu'il soumet à l'approbation du Ministre.
En cas de partage des voix, la voix du président est prépondérante.
Le secrétariat des réunions du comité social est assuré par les assistants sociaux du Ministère qui ont examiné les affaires mises à l'ordre du jour. Ils participent aux réunions, sans voix délibérative.
En cas de partage des voix, la voix du président est prépondérante.
Le secrétariat des réunions du comité social est assuré par les assistants sociaux du Ministère qui ont examiné les affaires mises à l'ordre du jour. Ils participent aux réunions, sans voix délibérative.
Art. 12. Het sociaal comité deelt zijn beslissingen en adviezen aan de Minister mee. Het legt hem jaarlijks een werkingsverslag en een voorstel van begroting voor. De Minister geeft gevolg aan de adviezen en voorstellen van het comité binnen dertig dagen na de mededeling ervan, en geeft het comité kennis van zijn beslissing.
Art. 12. Le comité social communique ses décisions et avis au Ministre. Il lui soumet chaque année un rapport d'activité et une proposition de budget. Le Ministre donne suite aux avis et propositions du comité dans les trente jours de leur communication et informe le comité de sa décision.
Overgangs- en slotbepalingen.
Dispositions transitoires et finales.
Art. 13. Het eerste mandaat van voorzitter wordt vervuld door een lid voorgedragen door het bestuur; dat van ondervoorzitter wordt vervuld gedurende dezelfde periode door een lid voorgedragen door de vakbondsorganisaties.
Art. 13. Le premier mandat de président est accompli par un membre proposé par l'administration; celui de vice-président est accompli pendant le même terme par un membre proposé par les organisations syndicales.
Art. 14. Bij wijze van overgangsmaatregel worden de personeelsleden die op het ogenblik van hun pensionering deel uitmaakten van een van de volgende, vroegere overheidsinstellingen, gelijkgeschakeld met de gepensioneerde personeelsleden bedoeld in artikel 3, 4° :
- het Ministerie van Middenstand;
- het Ministerie van Landbouw;
- de Nationale Dienst voor de Afzet van Land- en Tuinbouwprodukten;
- het Economisch en Sociaal Instituut voor de Middenstand;
- de Nationale Zuiveldienst.
Voor de eerste vier overheidsinstellingen waarvan sprake in vorig lid, komen ook de gepensioneerden, weduwen en weduwnaars van de voor 1 januari 1995 geregionaliseerde diensten in aanmerking.
- het Ministerie van Middenstand;
- het Ministerie van Landbouw;
- de Nationale Dienst voor de Afzet van Land- en Tuinbouwprodukten;
- het Economisch en Sociaal Instituut voor de Middenstand;
- de Nationale Zuiveldienst.
Voor de eerste vier overheidsinstellingen waarvan sprake in vorig lid, komen ook de gepensioneerden, weduwen en weduwnaars van de voor 1 januari 1995 geregionaliseerde diensten in aanmerking.
Art. 14. A titre transitoire, sont assimilés aux agents retraités visés à l'article 3, 4°, les agents admis à la retraite alors qu'ils faisaient partie de l'une des anciennes institutions suivantes :
- le Ministère des Classes moyennes;
- le Ministère de l'Agriculture;
- l'Office national des Débouchés agricoles et horticoles;
- l'Institut économique et social des Classes moyennes;
- l'Office national du Lait et de ses Dérivés.
Pour les quatre premiers organismes cités à l'alinéa précédent, sont également pris en considération les pensionnés, veuves et veufs relevant des services régionalisés avant 1995.
- le Ministère des Classes moyennes;
- le Ministère de l'Agriculture;
- l'Office national des Débouchés agricoles et horticoles;
- l'Institut économique et social des Classes moyennes;
- l'Office national du Lait et de ses Dérivés.
Pour les quatre premiers organismes cités à l'alinéa précédent, sont également pris en considération les pensionnés, veuves et veufs relevant des services régionalisés avant 1995.
Art. 15. Ter uitvoering van artikel 9 wordt wat de duur van de dienst betreft rekening gehouden met de diensttijd als personeelslid in een van de vroegere overheidsinstellingen opgesomd in artikel 14, alsook in :
- de Belgische Dienst voor Bedrijfsleven en Landbouw;
- het Instituut tot Aanmoediging van het Wetenschappelijk Onderzoek in Nijverheid en Landbouw.
- de Belgische Dienst voor Bedrijfsleven en Landbouw;
- het Instituut tot Aanmoediging van het Wetenschappelijk Onderzoek in Nijverheid en Landbouw.
Art. 15. Pour l'exécution de l'article 9, la durée des fonctions prend en compte le temps passé en qualité d'agent de l'une des anciennes institutions énumérées à l'article 14, ainsi que de :
- l'Office Belge pour l'Economie et l'Agriculture;
- l'Institut pour l'Encouragement de la Recherche dans l'Industrie et l'Agriculture.
- l'Office Belge pour l'Economie et l'Agriculture;
- l'Institut pour l'Encouragement de la Recherche dans l'Industrie et l'Agriculture.
Art. 16. Het besluit van de Regent van 26 juli 1947 houdende oprichting van een sociale dienst bij het Ministerie van Economische Zaken en Middenstand en het ministerieel besluit van 1 december 1948 houdende de regeling van de organisatie en de werking van de sociale dienst bij het Ministerie van Economische Zaken en Middenstand worden opgeheven.
Art. 16. L'arrêté du Régent du 26 juillet 1947 portant création d'un service social au sein du Ministère des Affaires économiques et des Classes moyennes et l'arrêté ministériel du 1er décembre 1948 réglant l'organisation et le fonctionnement du service social du Ministère des Affaires économiques et des Classes moyennes sont abrogés.
Art. 17. Het besluit van de Regent van 15 maart 1949 houdende oprichting van een sociale dienst bij het Ministerie van Landbouw en het ministerieel besluit van 16 maart 1949 tot regeling der inrichting en werking van de sociale dienst bij het Ministerie van Landbouw worden opgeheven.
Art. 17. L'arrêté du Régent du 15 mars 1949 portant création d'un service social au Ministère de l'Agriculture et l'arrêté ministériel du 16 mars 1949 réglant l'organisation et le fonctionnement du service social au Ministère de l'Agriculture sont abrogés.
Art. 18. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 1996.
Art. 18. Le présent arrêté produit ses effets le 1er janvier 1996.
Art. 19. De Minister van Landbouw en de Kleine en Middelgrote Ondernemingen is belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te Brussel, 18 juni 1998.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Landbouw en de Kleine en Middelgrote Ondernemingen,
K. PINXTEN
Gegeven te Brussel, 18 juni 1998.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Landbouw en de Kleine en Middelgrote Ondernemingen,
K. PINXTEN
Art. 19. Le Ministre de l'Agriculture et des Petites et Moyennes Entreprises est chargé de l'exécution du présent arrêté.
Donné à Bruxelles, le 18 juin 1998.
ALBERT
Par le Roi :
Le Ministre de l'Agriculture et des Petites et Moyennes Entreprises,
K. PINXTEN
Donné à Bruxelles, le 18 juin 1998.
ALBERT
Par le Roi :
Le Ministre de l'Agriculture et des Petites et Moyennes Entreprises,
K. PINXTEN