Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
10 FEBRUARI 1998. - Programmawet tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap. - (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 21-02-1998 en tekstbijwerking tot 03-10-2025)
Titre
10 FEVRIER 1998. - Loi-programme pour la promotion de l'entreprise indépendante. - (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 21-02-1998 et mise à jour au 03-10-2025)
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
TITEL I. - Algemene bepalingen.
TITEL II. - Ondernemersvaardigheden.
HOOFDSTUK I. - Vestigingsvoorwaarden.
HOOFDSTUK II. - (Opgeheven)
HOOFDSTUK III. - Wijziging van de wetten betref...
HOOFDSTUK IV. - Educatief verlof voor werknemer...
TITEL III. - Versterking van de financiële draa...
HOOFDSTUK I. - Nieuwe opdrachten van het Partic...
HOOFDSTUK II. - Vrijstelling voor bijkomend per...
HOOFDSTUK III. - Verbetering van het sociaal st...
HOOFDSTUK IV. - Exportsteun voor ondernemingen.
HOOFDSTUK V. - Bevordering van het risicokapita...
TITEL IV. - (Dienst voor de Administratieve Ver...
HOOFDSTUK I. - Erkende Centra voor de begeleidi...
HOOFDSTUK II. - Dienst voor de Administratieve ...
HOOFDSTUK III. - Diverse bepalingen. (Ingetrokken)
TITEL V. - Diverse bepalingen met betrekking to...
HOOFDSTUK I. - Wijziging van de kaderwet van 1 ...
HOOFDSTUK II. - Wijziging van de wet van 6 augu...
HOOFDSTUK III. - Wijziging van de wet van 26 ju...
HOOFDSTUK IV. - Maatschappijen voor onderlinge ...
TITEL VI. - Inwerkingtreding.
Table des matières
TITRE I. - Dispositions générales.
TITRE II. - Capacités entrepreneuriales.
CHAPITRE I. - Conditions d'établissement.
CHAPITRE II. - (Abrogé)
CHAPITRE III. - Modification des lois relatives...
CHAPITRE IV. - Congé-éducation pour les travail...
TITRE III. - Renforcement des capacités financi...
CHAPITRE I. - Des nouvelles missions du Fonds d...
CHAPITRE II. - Exonération pour personnel suppl...
CHAPITRE III. - Amélioration du statut social d...
CHAPITRE IV. - L'aide à l'exportation aux entre...
CHAPITRE V. - Promotion du capital à risque par...
TITRE IV. - (De l'Agence pour la Simplification...
CHAPITRE I. - Des Centres Agréés d'Accompagneme...
CHAPITRE II. - De l'Agence pour la Simplificati...
CHAPITRE III. - Dispositions diverses. (Rapporté)
TITRE V. - Dispositions diverses relatives à la...
CHAPITRE I. - Modification de la loi cadre du 1...
CHAPITRE II. - Modification de la loi du 6 août...
CHAPITRE III. - Modification de la loi du 26 ju...
CHAPITRE IV. - Sociétés de cautionnement mutuel.
TITRE VI. - Entrée en vigueur.
Tekst (110)
Texte (110)
TITEL I. - Algemene bepalingen.
TITRE I. - Dispositions générales.
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Article 1. La présente loi règle une matière visée à l'article 78 de la Constitution.
Art. 2. Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder : 1° KMO's : de ondernemingen waarvan :
- het gemiddeld aantal werknemers op jaarbasis niet meer dan 50 bedraagt;
- niet meer dan 25 % van de aandelen of deelbewijzen die het maatschappelijk kapitaal vertegenwoordigen of van de eraan verbonden stemrechten in het bezit is van één of meerdere ondernemingen, andere dan KMO's;
- en waarvan ofwel de jaaromzet 7 miljoen ECU niet overschrijdt, ofwel het jaarlijks balanstotaal 5 miljoen ECU niet overschrijdt.
Het gemiddeld aantal werknemers op jaarbasis wordt berekend in jaar-arbeidseenheden, zijnde het aantal gedurende een jaar voltijds werkende werknemers, waarbij deeltijdsen en seizoenarbeiders in fracties van jaar-arbeidseenheden worden uitgedrukt. Het in aanmerking te nemen referentiejaar is, net als voor de drempels voor de jaaromzet en het balanstotaal, het laatste afgesloten volledige boekjaar.
Een onderneming verliest de hoedanigheid van KMO pas indien ze gedurende twee opeenvolgende boekjaren niet meer beantwoordt aan het criterium van tewerkstelling, jaaromzet of balanstotaal.
Behoudens bewijs van het tegendeel, wordt het bewijs dat de onderneming aan deze definitie beantwoordt, geacht geleverd te zijn door een verklaring op eer;
2° koninklijk besluit nr. 38 : het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen.
- het gemiddeld aantal werknemers op jaarbasis niet meer dan 50 bedraagt;
- niet meer dan 25 % van de aandelen of deelbewijzen die het maatschappelijk kapitaal vertegenwoordigen of van de eraan verbonden stemrechten in het bezit is van één of meerdere ondernemingen, andere dan KMO's;
- en waarvan ofwel de jaaromzet 7 miljoen ECU niet overschrijdt, ofwel het jaarlijks balanstotaal 5 miljoen ECU niet overschrijdt.
Het gemiddeld aantal werknemers op jaarbasis wordt berekend in jaar-arbeidseenheden, zijnde het aantal gedurende een jaar voltijds werkende werknemers, waarbij deeltijdsen en seizoenarbeiders in fracties van jaar-arbeidseenheden worden uitgedrukt. Het in aanmerking te nemen referentiejaar is, net als voor de drempels voor de jaaromzet en het balanstotaal, het laatste afgesloten volledige boekjaar.
Een onderneming verliest de hoedanigheid van KMO pas indien ze gedurende twee opeenvolgende boekjaren niet meer beantwoordt aan het criterium van tewerkstelling, jaaromzet of balanstotaal.
Behoudens bewijs van het tegendeel, wordt het bewijs dat de onderneming aan deze definitie beantwoordt, geacht geleverd te zijn door een verklaring op eer;
2° koninklijk besluit nr. 38 : het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen.
Art. 2. Pour l'application de la présente loi on entend par : 1° P.M.E. : les entreprises dont :
- le personnel occupé ne dépasse pas une moyenne annuelle de 50 travailleurs;
- un maximum de 25 % des actions ou des parts représentatives du capital social ou des droits de vote y attachés sont en possession d'une ou plusieurs entreprises autres que des P.M.E.;
- et dont, soit le chiffre d'affaires annuel n'excède pas 7 millions d'écus, soit le total du bilan annuel n'excède pas 5 millions d'écus.
Le nombre moyen de travailleurs salariés sur base annuelle est calculé en unités de travail annuelles, à savoir le nombre de travailleurs salariés occupés à temps plein pendant un an, les travailleurs à temps partiel et saisonniers étant exprimés en fractions d'unités de travail annuelles. L'année de référence à prendre en compte est, à l'instar des seuils pour le chiffre d'affaires annuel et le total du bilan, le dernier exercice comptable complet clôturé.
Une entreprise ne perd sa qualité de P.M.E. que si elle ne répond plus au critère d'emploi, de chiffre d'affaires annuel ou de total du bilan au cours de deux exercices comptables successifs.
Sauf preuve du contraire, la preuve que l'entreprise répond à cette définition est censée être apportée par une déclaration sur l'honneur;
2° arrêté royal n° 38 : l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants.
- le personnel occupé ne dépasse pas une moyenne annuelle de 50 travailleurs;
- un maximum de 25 % des actions ou des parts représentatives du capital social ou des droits de vote y attachés sont en possession d'une ou plusieurs entreprises autres que des P.M.E.;
- et dont, soit le chiffre d'affaires annuel n'excède pas 7 millions d'écus, soit le total du bilan annuel n'excède pas 5 millions d'écus.
Le nombre moyen de travailleurs salariés sur base annuelle est calculé en unités de travail annuelles, à savoir le nombre de travailleurs salariés occupés à temps plein pendant un an, les travailleurs à temps partiel et saisonniers étant exprimés en fractions d'unités de travail annuelles. L'année de référence à prendre en compte est, à l'instar des seuils pour le chiffre d'affaires annuel et le total du bilan, le dernier exercice comptable complet clôturé.
Une entreprise ne perd sa qualité de P.M.E. que si elle ne répond plus au critère d'emploi, de chiffre d'affaires annuel ou de total du bilan au cours de deux exercices comptables successifs.
Sauf preuve du contraire, la preuve que l'entreprise répond à cette définition est censée être apportée par une déclaration sur l'honneur;
2° arrêté royal n° 38 : l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants.
Art. 2_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder : 1° KMO's : de ondernemingen waarvan :
- het gemiddeld aantal werknemers op jaarbasis niet meer dan 50 bedraagt;
- niet meer dan 25 % van de aandelen of deelbewijzen die het maatschappelijk kapitaal vertegenwoordigen of van de eraan verbonden stemrechten in het bezit is van één of meerdere ondernemingen, andere dan KMO's;
- en waarvan ofwel de jaaromzet 7 miljoen ECU niet overschrijdt, ofwel het jaarlijks balanstotaal 5 miljoen ECU niet overschrijdt.
Het gemiddeld aantal werknemers op jaarbasis wordt berekend in jaar-arbeidseenheden, zijnde het aantal gedurende een jaar voltijds werkende werknemers, waarbij deeltijdsen en seizoenarbeiders in fracties van jaar-arbeidseenheden worden uitgedrukt. Het in aanmerking te nemen referentiejaar is, net als voor de drempels voor de jaaromzet en het balanstotaal, het laatste afgesloten volledige boekjaar.
Een onderneming verliest de hoedanigheid van KMO pas indien ze gedurende twee opeenvolgende boekjaren niet meer beantwoordt aan het criterium van tewerkstelling, jaaromzet of balanstotaal.
Behoudens bewijs van het tegendeel, wordt het bewijs dat de onderneming aan deze definitie beantwoordt, geacht geleverd te zijn door een verklaring op eer;
[1 1° /1 onderneming:
a) de natuurlijke persoon die zelfstandig een beroepsactiviteit uitoefent, met uitzondering van de vennoten van een vennootschap en de natuurlijke persoon waarvan de zelfstandige beroepsactiviteit bestaat uit het uitoefenen van één of meerdere bestuursmandaten;
b) de vennootschap, met uitzondering van de publiekrechtelijke vennootschappen en de coöperatieve vennootschappen die erkend zijn als sociale onderneming met toepassing van artikel 8:5 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen;]1
2° koninklijk besluit nr. 38 : het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen.
- het gemiddeld aantal werknemers op jaarbasis niet meer dan 50 bedraagt;
- niet meer dan 25 % van de aandelen of deelbewijzen die het maatschappelijk kapitaal vertegenwoordigen of van de eraan verbonden stemrechten in het bezit is van één of meerdere ondernemingen, andere dan KMO's;
- en waarvan ofwel de jaaromzet 7 miljoen ECU niet overschrijdt, ofwel het jaarlijks balanstotaal 5 miljoen ECU niet overschrijdt.
Het gemiddeld aantal werknemers op jaarbasis wordt berekend in jaar-arbeidseenheden, zijnde het aantal gedurende een jaar voltijds werkende werknemers, waarbij deeltijdsen en seizoenarbeiders in fracties van jaar-arbeidseenheden worden uitgedrukt. Het in aanmerking te nemen referentiejaar is, net als voor de drempels voor de jaaromzet en het balanstotaal, het laatste afgesloten volledige boekjaar.
Een onderneming verliest de hoedanigheid van KMO pas indien ze gedurende twee opeenvolgende boekjaren niet meer beantwoordt aan het criterium van tewerkstelling, jaaromzet of balanstotaal.
Behoudens bewijs van het tegendeel, wordt het bewijs dat de onderneming aan deze definitie beantwoordt, geacht geleverd te zijn door een verklaring op eer;
[1 1° /1 onderneming:
a) de natuurlijke persoon die zelfstandig een beroepsactiviteit uitoefent, met uitzondering van de vennoten van een vennootschap en de natuurlijke persoon waarvan de zelfstandige beroepsactiviteit bestaat uit het uitoefenen van één of meerdere bestuursmandaten;
b) de vennootschap, met uitzondering van de publiekrechtelijke vennootschappen en de coöperatieve vennootschappen die erkend zijn als sociale onderneming met toepassing van artikel 8:5 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen;]1
2° koninklijk besluit nr. 38 : het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen.
Modifications
Art. 2 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
Pour l'application de la présente loi on entend par : 1° P.M.E. : les entreprises dont :
- le personnel occupé ne dépasse pas une moyenne annuelle de 50 travailleurs;
- un maximum de 25 % des actions ou des parts représentatives du capital social ou des droits de vote y attachés sont en possession d'une ou plusieurs entreprises autres que des P.M.E.;
- et dont, soit le chiffre d'affaires annuel n'excède pas 7 millions d'écus, soit le total du bilan annuel n'excède pas 5 millions d'écus.
Le nombre moyen de travailleurs salariés sur base annuelle est calculé en unités de travail annuelles, à savoir le nombre de travailleurs salariés occupés à temps plein pendant un an, les travailleurs à temps partiel et saisonniers étant exprimés en fractions d'unités de travail annuelles. L'année de référence à prendre en compte est, à l'instar des seuils pour le chiffre d'affaires annuel et le total du bilan, le dernier exercice comptable complet clôturé.
Une entreprise ne perd sa qualité de P.M.E. que si elle ne répond plus au critère d'emploi, de chiffre d'affaires annuel ou de total du bilan au cours de deux exercices comptables successifs.
Sauf preuve du contraire, la preuve que l'entreprise répond à cette définition est censée être apportée par une déclaration sur l'honneur;
[1 1° /1 entreprise:
a) la personne physique qui exerce une activité professionnelle à titre indépendant, à l'exception des associés d'une société et de la personne physique dont l'activité professionnelle à titre indépendant consiste en l'exercice d'un ou de plusieurs mandats d'administration;
b) la société, à l'exception des sociétés de droit public et des sociétés coopératives agréées comme entreprise sociale en application de l'article 8:5 du Code des sociétés et des associations;]1
2° arrêté royal n° 38 : l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants.
Pour l'application de la présente loi on entend par : 1° P.M.E. : les entreprises dont :
- le personnel occupé ne dépasse pas une moyenne annuelle de 50 travailleurs;
- un maximum de 25 % des actions ou des parts représentatives du capital social ou des droits de vote y attachés sont en possession d'une ou plusieurs entreprises autres que des P.M.E.;
- et dont, soit le chiffre d'affaires annuel n'excède pas 7 millions d'écus, soit le total du bilan annuel n'excède pas 5 millions d'écus.
Le nombre moyen de travailleurs salariés sur base annuelle est calculé en unités de travail annuelles, à savoir le nombre de travailleurs salariés occupés à temps plein pendant un an, les travailleurs à temps partiel et saisonniers étant exprimés en fractions d'unités de travail annuelles. L'année de référence à prendre en compte est, à l'instar des seuils pour le chiffre d'affaires annuel et le total du bilan, le dernier exercice comptable complet clôturé.
Une entreprise ne perd sa qualité de P.M.E. que si elle ne répond plus au critère d'emploi, de chiffre d'affaires annuel ou de total du bilan au cours de deux exercices comptables successifs.
Sauf preuve du contraire, la preuve que l'entreprise répond à cette définition est censée être apportée par une déclaration sur l'honneur;
[1 1° /1 entreprise:
a) la personne physique qui exerce une activité professionnelle à titre indépendant, à l'exception des associés d'une société et de la personne physique dont l'activité professionnelle à titre indépendant consiste en l'exercice d'un ou de plusieurs mandats d'administration;
b) la société, à l'exception des sociétés de droit public et des sociétés coopératives agréées comme entreprise sociale en application de l'article 8:5 du Code des sociétés et des associations;]1
2° arrêté royal n° 38 : l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants.
Modifications
TITEL II. - Ondernemersvaardigheden.
TITRE II. - Capacités entrepreneuriales.
HOOFDSTUK I. - Vestigingsvoorwaarden.
CHAPITRE I. - Conditions d'établissement.
Art. 3. Onder ondernemersvaardigheden dient, voor de toepassing van deze wet, te worden verstaan :
1° de basiskennis van het bedrijfsbeheer, waarvan het programma door de Koning wordt bepaald, op vraag of na advies van de (Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de Kleine en Middelgrote Ondernemingen); <W 2003-05-11/39, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
2° (De beroepsbekwaamheid, zoals vastgesteld door de Koning op intersectoraal of sectoraal niveau, op vraag of na advies van de Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de Kleine en Middelgrote Ondernemingen.) <W 2003-12-22/42, art. 503, 008; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
(Onder intersectorale beroepsbekwaamheid wordt verstaan de gemeenschappelijke eisen voor de uitoefening van verwante beroepsactiviteiten, die behoren tot een intersectorale categorie die wordt vastgesteld door de Koning.) <W 2003-05-11/39, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
Onder sectorale beroepsbekwaamheid wordt verstaan het geheel van de specifieke eisen, die in aanvulling van de intersectorale beroepsbekwaamheid, verbonden zijn aan de uitoefening van een welbepaalde beroepsactiviteit.
1° de basiskennis van het bedrijfsbeheer, waarvan het programma door de Koning wordt bepaald, op vraag of na advies van de (Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de Kleine en Middelgrote Ondernemingen); <W 2003-05-11/39, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
2° (De beroepsbekwaamheid, zoals vastgesteld door de Koning op intersectoraal of sectoraal niveau, op vraag of na advies van de Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de Kleine en Middelgrote Ondernemingen.) <W 2003-12-22/42, art. 503, 008; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
(Onder intersectorale beroepsbekwaamheid wordt verstaan de gemeenschappelijke eisen voor de uitoefening van verwante beroepsactiviteiten, die behoren tot een intersectorale categorie die wordt vastgesteld door de Koning.) <W 2003-05-11/39, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
Onder sectorale beroepsbekwaamheid wordt verstaan het geheel van de specifieke eisen, die in aanvulling van de intersectorale beroepsbekwaamheid, verbonden zijn aan de uitoefening van een welbepaalde beroepsactiviteit.
Art. 3. Par capacités entrepreneuriales, il faut comprendre pour l'application de la présente loi :
1° les connaissances de gestion de base dont le programme est fixé par le Roi sur demande ou après avis du (Conseil supérieur des Indépendants et des Petites et Moyennes Entreprises); <L 2003-05-11/39, art. 2, 007; En vigueur : 01-07-2003>
2° (La compétence professionnelle telle que fixée par le Roi au niveau intersectoriel ou sectoriel sur demande ou après avis du Conseil Supérieur des Indépendants et des PME.) <L 2003-12-22/42, art. 503, 008; En vigueur : 10-01-2004>
(Par compétence professionnelle intersectorielle, on entend les exigences communes pour l'exercice des activités professionnelles connexes qui appartiennent à une catégorie intersectorielle, telle qu'elle est fixée par le Roi.) <L 2003-05-11/39, art. 2, 007; En vigueur : 01-07-2003>
Par compétence professionnelle sectorielle on entend l'ensemble des exigences spécifiques qui sont liées à l'exercice d'une activité professionnelle déterminée en complément de la compétence professionnelle intersectorielle.
1° les connaissances de gestion de base dont le programme est fixé par le Roi sur demande ou après avis du (Conseil supérieur des Indépendants et des Petites et Moyennes Entreprises); <L 2003-05-11/39, art. 2, 007; En vigueur : 01-07-2003>
2° (La compétence professionnelle telle que fixée par le Roi au niveau intersectoriel ou sectoriel sur demande ou après avis du Conseil Supérieur des Indépendants et des PME.) <L 2003-12-22/42, art. 503, 008; En vigueur : 10-01-2004>
(Par compétence professionnelle intersectorielle, on entend les exigences communes pour l'exercice des activités professionnelles connexes qui appartiennent à une catégorie intersectorielle, telle qu'elle est fixée par le Roi.) <L 2003-05-11/39, art. 2, 007; En vigueur : 01-07-2003>
Par compétence professionnelle sectorielle on entend l'ensemble des exigences spécifiques qui sont liées à l'exercice d'une activité professionnelle déterminée en complément de la compétence professionnelle intersectorielle.
Art. 3_WAALS_GEWEST. Onder ondernemersvaardigheden dient, voor de toepassing van deze wet, te worden verstaan :
1° [1 ...]1
2° (De beroepsbekwaamheid, zoals vastgesteld door de Koning op intersectoraal of sectoraal niveau, op vraag of na advies van de Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de Kleine en Middelgrote Ondernemingen.) <W 2003-12-22/42, art. 503, 008; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
(Onder intersectorale beroepsbekwaamheid wordt verstaan de gemeenschappelijke eisen voor de uitoefening van verwante beroepsactiviteiten, die behoren tot een intersectorale categorie die wordt vastgesteld door de Koning.) <W 2003-05-11/39, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
Onder sectorale beroepsbekwaamheid wordt verstaan het geheel van de specifieke eisen, die in aanvulling van de intersectorale beroepsbekwaamheid, verbonden zijn aan de uitoefening van een welbepaalde beroepsactiviteit.
1° [1 ...]1
2° (De beroepsbekwaamheid, zoals vastgesteld door de Koning op intersectoraal of sectoraal niveau, op vraag of na advies van de Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de Kleine en Middelgrote Ondernemingen.) <W 2003-12-22/42, art. 503, 008; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
(Onder intersectorale beroepsbekwaamheid wordt verstaan de gemeenschappelijke eisen voor de uitoefening van verwante beroepsactiviteiten, die behoren tot een intersectorale categorie die wordt vastgesteld door de Koning.) <W 2003-05-11/39, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
Onder sectorale beroepsbekwaamheid wordt verstaan het geheel van de specifieke eisen, die in aanvulling van de intersectorale beroepsbekwaamheid, verbonden zijn aan de uitoefening van een welbepaalde beroepsactiviteit.
Modifications
Art. 3 _REGION_WALLONNE.
Par capacités entrepreneuriales, il faut comprendre pour l'application de la présente loi :
1° [1 ...]1
2° (La compétence professionnelle telle que fixée par le Roi au niveau intersectoriel ou sectoriel sur demande ou après avis du Conseil Supérieur des Indépendants et des PME.) <L 2003-12-22/42, art. 503, 008; En vigueur : 10-01-2004>
(Par compétence professionnelle intersectorielle, on entend les exigences communes pour l'exercice des activités professionnelles connexes qui appartiennent à une catégorie intersectorielle, telle qu'elle est fixée par le Roi.) <L 2003-05-11/39, art. 2, 007; En vigueur : 01-07-2003>
Par compétence professionnelle sectorielle on entend l'ensemble des exigences spécifiques qui sont liées à l'exercice d'une activité professionnelle déterminée en complément de la compétence professionnelle intersectorielle.
Par capacités entrepreneuriales, il faut comprendre pour l'application de la présente loi :
1° [1 ...]1
2° (La compétence professionnelle telle que fixée par le Roi au niveau intersectoriel ou sectoriel sur demande ou après avis du Conseil Supérieur des Indépendants et des PME.) <L 2003-12-22/42, art. 503, 008; En vigueur : 10-01-2004>
(Par compétence professionnelle intersectorielle, on entend les exigences communes pour l'exercice des activités professionnelles connexes qui appartiennent à une catégorie intersectorielle, telle qu'elle est fixée par le Roi.) <L 2003-05-11/39, art. 2, 007; En vigueur : 01-07-2003>
Par compétence professionnelle sectorielle on entend l'ensemble des exigences spécifiques qui sont liées à l'exercice d'une activité professionnelle déterminée en complément de la compétence professionnelle intersectorielle.
Modifications
Art. 3_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. Onder ondernemersvaardigheden dient, voor de toepassing van deze wet, te worden verstaan :
1° [2 ...]2
2° (De beroepsbekwaamheid, zoals vastgesteld door de Koning op intersectoraal of sectoraal niveau, op vraag of na advies van [1 de Economische en Sociale Raad voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest]1.) <W 2003-12-22/42, art. 503, 008; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
(Onder intersectorale beroepsbekwaamheid wordt verstaan de gemeenschappelijke eisen voor de uitoefening van verwante beroepsactiviteiten, die behoren tot een intersectorale categorie die wordt vastgesteld door de Koning.) <W 2003-05-11/39, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
Onder sectorale beroepsbekwaamheid wordt verstaan het geheel van de specifieke eisen, die in aanvulling van de intersectorale beroepsbekwaamheid, verbonden zijn aan de uitoefening van een welbepaalde beroepsactiviteit.
1° [2 ...]2
2° (De beroepsbekwaamheid, zoals vastgesteld door de Koning op intersectoraal of sectoraal niveau, op vraag of na advies van [1 de Economische en Sociale Raad voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest]1.) <W 2003-12-22/42, art. 503, 008; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
(Onder intersectorale beroepsbekwaamheid wordt verstaan de gemeenschappelijke eisen voor de uitoefening van verwante beroepsactiviteiten, die behoren tot een intersectorale categorie die wordt vastgesteld door de Koning.) <W 2003-05-11/39, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
Onder sectorale beroepsbekwaamheid wordt verstaan het geheel van de specifieke eisen, die in aanvulling van de intersectorale beroepsbekwaamheid, verbonden zijn aan de uitoefening van een welbepaalde beroepsactiviteit.
Art. 3 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
Par capacités entrepreneuriales, il faut comprendre pour l'application de la présente loi :
1° [2 ...]2
2° (La compétence professionnelle telle que fixée par le Roi au niveau intersectoriel ou sectoriel sur demande ou après avis du [1 Conseil économique et social de la Région de Bruxelles-Capitale]1.) <L 2003-12-22/42, art. 503, 008; En vigueur : 10-01-2004>
(Par compétence professionnelle intersectorielle, on entend les exigences communes pour l'exercice des activités professionnelles connexes qui appartiennent à une catégorie intersectorielle, telle qu'elle est fixée par le Roi.) <L 2003-05-11/39, art. 2, 007; En vigueur : 01-07-2003>
Par compétence professionnelle sectorielle on entend l'ensemble des exigences spécifiques qui sont liées à l'exercice d'une activité professionnelle déterminée en complément de la compétence professionnelle intersectorielle.
Par capacités entrepreneuriales, il faut comprendre pour l'application de la présente loi :
1° [2 ...]2
2° (La compétence professionnelle telle que fixée par le Roi au niveau intersectoriel ou sectoriel sur demande ou après avis du [1 Conseil économique et social de la Région de Bruxelles-Capitale]1.) <L 2003-12-22/42, art. 503, 008; En vigueur : 10-01-2004>
(Par compétence professionnelle intersectorielle, on entend les exigences communes pour l'exercice des activités professionnelles connexes qui appartiennent à une catégorie intersectorielle, telle qu'elle est fixée par le Roi.) <L 2003-05-11/39, art. 2, 007; En vigueur : 01-07-2003>
Par compétence professionnelle sectorielle on entend l'ensemble des exigences spécifiques qui sont liées à l'exercice d'une activité professionnelle déterminée en complément de la compétence professionnelle intersectorielle.
Art. 3_VLAAMS_GEWEST. Onder ondernemersvaardigheden dient, voor de toepassing van deze wet, te worden verstaan :
1° [2 ]2
2° (De beroepsbekwaamheid, zoals vastgesteld door de Koning op intersectoraal of sectoraal niveau, op vraag of na advies van [1 de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen]1.) <W 2003-12-22/42, art. 503, 008; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
(Onder intersectorale beroepsbekwaamheid wordt verstaan de gemeenschappelijke eisen voor de uitoefening van verwante beroepsactiviteiten, die behoren tot een intersectorale categorie die wordt vastgesteld door de Koning.) <W 2003-05-11/39, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
Onder sectorale beroepsbekwaamheid wordt verstaan het geheel van de specifieke eisen, die in aanvulling van de intersectorale beroepsbekwaamheid, verbonden zijn aan de uitoefening van een welbepaalde beroepsactiviteit.
1° [2 ]2
2° (De beroepsbekwaamheid, zoals vastgesteld door de Koning op intersectoraal of sectoraal niveau, op vraag of na advies van [1 de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen]1.) <W 2003-12-22/42, art. 503, 008; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
(Onder intersectorale beroepsbekwaamheid wordt verstaan de gemeenschappelijke eisen voor de uitoefening van verwante beroepsactiviteiten, die behoren tot een intersectorale categorie die wordt vastgesteld door de Koning.) <W 2003-05-11/39, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
Onder sectorale beroepsbekwaamheid wordt verstaan het geheel van de specifieke eisen, die in aanvulling van de intersectorale beroepsbekwaamheid, verbonden zijn aan de uitoefening van een welbepaalde beroepsactiviteit.
Art. 3 _REGION_FLAMANDE.
Par capacités entrepreneuriales, il faut comprendre pour l'application de la présente loi :
1° [2 ...]2
2° (La compétence professionnelle telle que fixée par le Roi au niveau intersectoriel ou sectoriel sur demande ou après avis du [1 " Sociaal Economische Raad van Vlaanderen "]1.) <L 2003-12-22/42, art. 503, 008; En vigueur : 10-01-2004>
(Par compétence professionnelle intersectorielle, on entend les exigences communes pour l'exercice des activités professionnelles connexes qui appartiennent à une catégorie intersectorielle, telle qu'elle est fixée par le Roi.) <L 2003-05-11/39, art. 2, 007; En vigueur : 01-07-2003>
Par compétence professionnelle sectorielle on entend l'ensemble des exigences spécifiques qui sont liées à l'exercice d'une activité professionnelle déterminée en complément de la compétence professionnelle intersectorielle.
Par capacités entrepreneuriales, il faut comprendre pour l'application de la présente loi :
1° [2 ...]2
2° (La compétence professionnelle telle que fixée par le Roi au niveau intersectoriel ou sectoriel sur demande ou après avis du [1 " Sociaal Economische Raad van Vlaanderen "]1.) <L 2003-12-22/42, art. 503, 008; En vigueur : 10-01-2004>
(Par compétence professionnelle intersectorielle, on entend les exigences communes pour l'exercice des activités professionnelles connexes qui appartiennent à une catégorie intersectorielle, telle qu'elle est fixée par le Roi.) <L 2003-05-11/39, art. 2, 007; En vigueur : 01-07-2003>
Par compétence professionnelle sectorielle on entend l'ensemble des exigences spécifiques qui sont liées à l'exercice d'une activité professionnelle déterminée en complément de la compétence professionnelle intersectorielle.
Art. 4. § 1. Elke KMO, natuurlijke persoon of rechtspersoon die een activiteit uitoefent die in het handels- of ambachtsregister moet worden ingeschreven, moet bewijzen over de basiskennis van het bedrijfsbeheer te beschikken.
(De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na advies van de Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de Kleine en Middelgrote Ondernemingen, bepalen dat de bepaling van het eerste lid niet van toepassing is op de uitoefening van de beroepsactiviteiten die Hij aanwijst. In afwijking van het eerste lid, wordt elke K.M.O., natuurlijke of rechtspersoon, tijdelijk vrijgesteld van het voorleggen van het bewijs van de basiskennis van het bedrijfsbeheer wanneer zij zich onderwerpt aan een begeleiding in bedrijfsbeheer, georganiseerd door een erkende privé- of publieke begeleidingsstructuur die werd erkend, hetzij door het Participatiefonds, hetzij door de overheden die bevoegd zijn voor steun bij het oprichten van een onderneming, hetzij door de Koning in uitvoering van deze wet. De duur van deze vrijstelling is beperkt tot de duur van de vereiste ervaring om te voldoen aan § 3, 2°, van dit artikel. Na deze periode wordt de praktijkervaring bedoeld in § 3, 2°, van artikel, als volbracht beschouwd.
In geval van erkenning van de in het vorige lid bedoelde structuur door het Participatiefonds of door de overheden die bevoegd zijn voor steun bij het oprichten van een onderneming, bepaalt de Koning bij in Ministerraad overlegd besluit de duur, de minimale inhoud van de begeleiding in bedrijfsbeheer en de wijze waarop die wordt bevestigd. Wanneer de Koning zelf de erkenning geeft, bepaalt hij voorafgaandelijk ook de erkenningsvoorwaarden, de erkenningsprocedure, het verloop van de begeleidingsstructuur en het toezicht erop.) <W 2003-05-11/39, art. 4, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
Het eerste lid is (...) niet van toepassing op de beoefenaars van een beroep dat gereglementeerd is op het vlak van de basiskennis van het bedrijfsbeheer door een wet of krachtens de kaderwet van 1 maart 1976 tot reglementering van de bescherming van de beroepstitel en van de uitoefening van de dienstverlenende intellectuele beroepen. <W 2003-05-11/39, art. 3, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
§ 2. Aan (de in § 1, eerste lid, bedoelde verplichting) is voldaan als het bewijs van de basiskennis van het bedrijfsbeheer geleverd wordt door het zelfstandig ondernemingshoofd, door zijn echtgenoot (of de wettelijk samenwonende,) of door de partner met wie hij minstens (zes maanden) samenwoont of door de natuurlijke persoon die het dagelijks bestuur daadwerkelijk uitoefent. Dit bewijs van samenwonen (blijkt uit het Rijksregister van de natuurlijke personen, opgericht bij wet van 8 augustus 1983). <W 2003-05-11/39, art. 3, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
Als de betrokken activiteit wordt uitgeoefend door een rechtspersoon, kan het bewijs van de basiskennis van het bedrijfsbeheer geleverd worden door de natuurlijke persoon die daarin het dagelijks bestuur daadwerkelijk uitoefent, of die het dagelijks bestuur uitoefent in een andere rechtspersoon die de eerste rechtspersoon bestuurt.
(§ 3. Het bewijs van de basiskennis van het bedrijfsbeheer wordt geleverd door één van de volgende elementen :
1° één van de akten die daartoe door de Koning worden aangewezen;
2° een voldoende praktijkervaring onder de door de Koning vastgestelde voorwaarden;
3° een gelijkwaardige akte van bekwaamheid, uitgereikt door de gefederaliseerde overheden die bevoegd zijn voor de voortdurende beroepsopleiding;
4° een ander bewijsmiddel, waarvan de bewijswaarde volgt uit internationale verplichtingen.) <W 2003-05-11/39, art. 3, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
(De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na advies van de Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de Kleine en Middelgrote Ondernemingen, bepalen dat de bepaling van het eerste lid niet van toepassing is op de uitoefening van de beroepsactiviteiten die Hij aanwijst. In afwijking van het eerste lid, wordt elke K.M.O., natuurlijke of rechtspersoon, tijdelijk vrijgesteld van het voorleggen van het bewijs van de basiskennis van het bedrijfsbeheer wanneer zij zich onderwerpt aan een begeleiding in bedrijfsbeheer, georganiseerd door een erkende privé- of publieke begeleidingsstructuur die werd erkend, hetzij door het Participatiefonds, hetzij door de overheden die bevoegd zijn voor steun bij het oprichten van een onderneming, hetzij door de Koning in uitvoering van deze wet. De duur van deze vrijstelling is beperkt tot de duur van de vereiste ervaring om te voldoen aan § 3, 2°, van dit artikel. Na deze periode wordt de praktijkervaring bedoeld in § 3, 2°, van artikel, als volbracht beschouwd.
In geval van erkenning van de in het vorige lid bedoelde structuur door het Participatiefonds of door de overheden die bevoegd zijn voor steun bij het oprichten van een onderneming, bepaalt de Koning bij in Ministerraad overlegd besluit de duur, de minimale inhoud van de begeleiding in bedrijfsbeheer en de wijze waarop die wordt bevestigd. Wanneer de Koning zelf de erkenning geeft, bepaalt hij voorafgaandelijk ook de erkenningsvoorwaarden, de erkenningsprocedure, het verloop van de begeleidingsstructuur en het toezicht erop.) <W 2003-05-11/39, art. 4, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
Het eerste lid is (...) niet van toepassing op de beoefenaars van een beroep dat gereglementeerd is op het vlak van de basiskennis van het bedrijfsbeheer door een wet of krachtens de kaderwet van 1 maart 1976 tot reglementering van de bescherming van de beroepstitel en van de uitoefening van de dienstverlenende intellectuele beroepen. <W 2003-05-11/39, art. 3, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
§ 2. Aan (de in § 1, eerste lid, bedoelde verplichting) is voldaan als het bewijs van de basiskennis van het bedrijfsbeheer geleverd wordt door het zelfstandig ondernemingshoofd, door zijn echtgenoot (of de wettelijk samenwonende,) of door de partner met wie hij minstens (zes maanden) samenwoont of door de natuurlijke persoon die het dagelijks bestuur daadwerkelijk uitoefent. Dit bewijs van samenwonen (blijkt uit het Rijksregister van de natuurlijke personen, opgericht bij wet van 8 augustus 1983). <W 2003-05-11/39, art. 3, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
Als de betrokken activiteit wordt uitgeoefend door een rechtspersoon, kan het bewijs van de basiskennis van het bedrijfsbeheer geleverd worden door de natuurlijke persoon die daarin het dagelijks bestuur daadwerkelijk uitoefent, of die het dagelijks bestuur uitoefent in een andere rechtspersoon die de eerste rechtspersoon bestuurt.
(§ 3. Het bewijs van de basiskennis van het bedrijfsbeheer wordt geleverd door één van de volgende elementen :
1° één van de akten die daartoe door de Koning worden aangewezen;
2° een voldoende praktijkervaring onder de door de Koning vastgestelde voorwaarden;
3° een gelijkwaardige akte van bekwaamheid, uitgereikt door de gefederaliseerde overheden die bevoegd zijn voor de voortdurende beroepsopleiding;
4° een ander bewijsmiddel, waarvan de bewijswaarde volgt uit internationale verplichtingen.) <W 2003-05-11/39, art. 3, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
Art. 4. § 1er. Toute P.M.E., personne physique ou personne morale, qui exerce une activité exigeant une inscription au registre du commerce ou de l'artisanat doit prouver les connaissances de gestion de base.
(Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres et après avis du Conseil supérieur des Indépendants et des Petites et Moyennes Entreprises, décider que la disposition de l'alinéa premier n'est pas applicable à l'exercice des activités professionnelles qu'Il détermine. Par dérogation à l'alinéa 1er, toute P.M.E., personne physique ou morale, se soumettant à un accompagnement à la gestion, organisé par une structure d'accompagnement privée ou publique agréée soit par le Fonds de participation, soit par les autorités compétentes en matière d'aide à la création d'entreprise, soit par le Roi en application de la présente loi, est dispensée temporairement de la preuve des connaissances de gestion de base. La durée de cette dispense est limitée à la durée de l'expérience requise pour satisfaire au § 3, 2°, du présent article. Au terme de cette période, l'expérience pratique visée au § 3, 2°, du présent article est réputée acquise.
Lorsque l'agrément de la structure visée à l'alinéa précédent est effectué par le Fonds de participation ou par les autorités compétentes en matière d'aide à la création d'entreprise, le Roi fixe par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, la durée, le contenu minimum de l'accompagnement à la gestion et la manière dont il est attesté. Lorsque le Roi procède lui-même à l'agrément, il fixe en outre préalablement les conditions d'agrément, la procédure d'agrément, le fonctionnement de la structure d'accompagnement et son contrôle.) <L 2003-05-11/39, art. 3, 007; En vigueur : 01-07-2003>
L'alinéa premier n'est (...) pas applicable aux titulaires d'une profession qui est réglementée en matière des connaissances de gestion de base par une loi ou en vertu de la loi-cadre du 1er mars 1976 réglementant la protection du titre professionnel et l'exercice des professions intellectuelles prestataires de services. <L 2003-05-11/39, art. 3, 007; En vigueur : 01-07-2003>
§ 2. Il est satisfait à l'(obligation visée au § 1er, premier alinéa) si la preuve des connaissances de base en matière de gestion est fournie par le chef d'entreprise indépendante, par son conjoint (ou le cohabitant légal,) ou par son partenaire avec lequel il cohabite depuis au moins (six mois) ou par la personne physique qui exerce effectivement la gestion journalière. La preuve de cette cohabitation (résulte du Registre national des personnes physiques, organisé par la loi du 8 août 1983). <L 2003-05-11/39, art. 3, 007; En vigueur : 01-07-2003>
Si l'activité en question est exercée par une personne morale, la preuve des connaissances de gestion de base est fournie par la personne physique qui exerce effectivement la gestion journalière dans cette personne morale ou dans une autre personne morale qui exerce la gestion de la première personne morale.
(§ 3. La preuve des connaissances de gestion de base est fournie par l'un des éléments suivants :
1° un des titres retenus à cette fin par le Roi;
2° une expérience pratique suffisante dans les conditions fixées par le Roi;
3° un titre de compétence adéquat délivré par les autorités fédérées compétentes en matière de formation professionnelle continue;
4° un autre mode de preuve dont la validité découle d'obligations internationales.) <L 2003-05-11/39, art. 3, 007; En vigueur : 01-07-2003>
(Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres et après avis du Conseil supérieur des Indépendants et des Petites et Moyennes Entreprises, décider que la disposition de l'alinéa premier n'est pas applicable à l'exercice des activités professionnelles qu'Il détermine. Par dérogation à l'alinéa 1er, toute P.M.E., personne physique ou morale, se soumettant à un accompagnement à la gestion, organisé par une structure d'accompagnement privée ou publique agréée soit par le Fonds de participation, soit par les autorités compétentes en matière d'aide à la création d'entreprise, soit par le Roi en application de la présente loi, est dispensée temporairement de la preuve des connaissances de gestion de base. La durée de cette dispense est limitée à la durée de l'expérience requise pour satisfaire au § 3, 2°, du présent article. Au terme de cette période, l'expérience pratique visée au § 3, 2°, du présent article est réputée acquise.
Lorsque l'agrément de la structure visée à l'alinéa précédent est effectué par le Fonds de participation ou par les autorités compétentes en matière d'aide à la création d'entreprise, le Roi fixe par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, la durée, le contenu minimum de l'accompagnement à la gestion et la manière dont il est attesté. Lorsque le Roi procède lui-même à l'agrément, il fixe en outre préalablement les conditions d'agrément, la procédure d'agrément, le fonctionnement de la structure d'accompagnement et son contrôle.) <L 2003-05-11/39, art. 3, 007; En vigueur : 01-07-2003>
L'alinéa premier n'est (...) pas applicable aux titulaires d'une profession qui est réglementée en matière des connaissances de gestion de base par une loi ou en vertu de la loi-cadre du 1er mars 1976 réglementant la protection du titre professionnel et l'exercice des professions intellectuelles prestataires de services. <L 2003-05-11/39, art. 3, 007; En vigueur : 01-07-2003>
§ 2. Il est satisfait à l'(obligation visée au § 1er, premier alinéa) si la preuve des connaissances de base en matière de gestion est fournie par le chef d'entreprise indépendante, par son conjoint (ou le cohabitant légal,) ou par son partenaire avec lequel il cohabite depuis au moins (six mois) ou par la personne physique qui exerce effectivement la gestion journalière. La preuve de cette cohabitation (résulte du Registre national des personnes physiques, organisé par la loi du 8 août 1983). <L 2003-05-11/39, art. 3, 007; En vigueur : 01-07-2003>
Si l'activité en question est exercée par une personne morale, la preuve des connaissances de gestion de base est fournie par la personne physique qui exerce effectivement la gestion journalière dans cette personne morale ou dans une autre personne morale qui exerce la gestion de la première personne morale.
(§ 3. La preuve des connaissances de gestion de base est fournie par l'un des éléments suivants :
1° un des titres retenus à cette fin par le Roi;
2° une expérience pratique suffisante dans les conditions fixées par le Roi;
3° un titre de compétence adéquat délivré par les autorités fédérées compétentes en matière de formation professionnelle continue;
4° un autre mode de preuve dont la validité découle d'obligations internationales.) <L 2003-05-11/39, art. 3, 007; En vigueur : 01-07-2003>
Art. 4_WAALS_GEWEST. [1 ...]1
Modifications
Art. 4 _REGION_WALLONNE. [1 ...]1
Modifications
Art. 4_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. Opgeheven art. 16 van 14 DECEMBER 2023. - Ordonnantie tot vereenvoudiging van de regels inzake toegang tot het beroep
Art. 4 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
Abrogé art. 16 van 14 DECEMBER 2023. - Ordonnantie tot vereenvoudiging van de regels inzake toegang tot het beroep
Abrogé art. 16 van 14 DECEMBER 2023. - Ordonnantie tot vereenvoudiging van de regels inzake toegang tot het beroep
Art. 5. § 1. Elke KMO, natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroepsactiviteit uitoefent waarvoor de beroepsbekwaamheid is vastgesteld, moet bewijzen over deze beroepsbekwaamheid te beschikken.
§ 2. Aan de in § 1 bedoelde verplichting is voldaan als het bewijs van de beroepsbekwaamheid geleverd wordt door het zelfstandig ondernemingshoofd, door zijn echtgenoot (of de wettelijk samenwonende,) of door de partner met wie hij minstens (zes maanden) samenwoont of door de natuurlijke persoon die daarin de dagelijkse technische leiding van de onderneming of van de beroepsactiviteit waarvoor beroepsbekwaamheid is vastgesteld, daadwerkelijk uitoefent. Dit bewijs van samenwonen (blijkt uit het Rijksregister van de natuurlijke personen, opgericht bij wet van 8 augustus 1983). <W 2003-05-11/39, art. 4, 007; Ed : 01-07-2003>
Als de betrokken beroepsactiviteit wordt uitgeoefend door een rechtspersoon, kan het bewijs van beroepsbekwaamheid geleverd worden door de natuurlijke persoon die daarin de dagelijkse technische leiding van de onderneming of van de beroepsactiviteit waarvoor beroepsbekwaamheid is vastgesteld, daadwerkelijk uitoefent.
Wanneer de onderneming meer dan één gereglementeerde activiteit uitoefent, kunnen verschillende personen voldoen aan de eisen inzake beroepsbekwaamheid eigen aan ieder van deze activiteiten.
(§ 3. Het bewijs van de beroepsbekwaamheid, zowel intersectoraal als sectoraal, wordt geleverd door één van de volgende elementen :
1° één van de akten die daartoe door de Koning worden aangewezen;
2° een voldoende praktijkervaring onder de door de Koning vastgestelde voorwaarden;
3° een ander bewijsmiddel, waarvan de bewijswaarde volgt uit internationale verplichtingen.) <W 2003-05-11/39, art. 4, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
§ 2. Aan de in § 1 bedoelde verplichting is voldaan als het bewijs van de beroepsbekwaamheid geleverd wordt door het zelfstandig ondernemingshoofd, door zijn echtgenoot (of de wettelijk samenwonende,) of door de partner met wie hij minstens (zes maanden) samenwoont of door de natuurlijke persoon die daarin de dagelijkse technische leiding van de onderneming of van de beroepsactiviteit waarvoor beroepsbekwaamheid is vastgesteld, daadwerkelijk uitoefent. Dit bewijs van samenwonen (blijkt uit het Rijksregister van de natuurlijke personen, opgericht bij wet van 8 augustus 1983). <W 2003-05-11/39, art. 4, 007; Ed : 01-07-2003>
Als de betrokken beroepsactiviteit wordt uitgeoefend door een rechtspersoon, kan het bewijs van beroepsbekwaamheid geleverd worden door de natuurlijke persoon die daarin de dagelijkse technische leiding van de onderneming of van de beroepsactiviteit waarvoor beroepsbekwaamheid is vastgesteld, daadwerkelijk uitoefent.
Wanneer de onderneming meer dan één gereglementeerde activiteit uitoefent, kunnen verschillende personen voldoen aan de eisen inzake beroepsbekwaamheid eigen aan ieder van deze activiteiten.
(§ 3. Het bewijs van de beroepsbekwaamheid, zowel intersectoraal als sectoraal, wordt geleverd door één van de volgende elementen :
1° één van de akten die daartoe door de Koning worden aangewezen;
2° een voldoende praktijkervaring onder de door de Koning vastgestelde voorwaarden;
3° een ander bewijsmiddel, waarvan de bewijswaarde volgt uit internationale verplichtingen.) <W 2003-05-11/39, art. 4, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
Art. 5. § 1er. Toute P.M.E., personne physique ou personne morale, qui exerce une activité professionnelle pour laquelle la compétence professionnelle est fixée, doit prouver qu'elle dispose de cette compétence professionnelle.
§ 2. Il est satisfait à l'obligation visée au § 1er si la preuve de la compétence professionnelle est fournie par le chef d'entreprise individuelle, par son conjoint (ou le cohabitant légal,) ou par son partenaire avec lequel il cohabite depuis au moins (six mois) ans ou par la personne physique qui exerce effectivement la direction technique journalière de l'entreprise ou de l'activité professionnelle pour laquelle la compétence professionnelle est fixée. La preuve de cette cohabitation (résulte du Registre national des personnes physiques, organisé par la loi du 8 août 1983). <L 2003-05-11/39, art. 4, 007; En vigueur : 01-07-2003>
Si l'activité professionnelle en question est exercée par une personne morale, la preuve de la compétence professionnelle est fournie par la personne physique qui y exerce effectivement la direction technique journalière de l'entreprise ou de l'activité professionnelle pour laquelle la compétence professionnelle est fixée.
Lorsque l'entreprise exerce plus d'une activité réglementée, des personnes différentes peuvent répondre aux exigences en matière de compétence professionnelle propres à chacune de ces activités.
(§ 3. La preuve de la compétence professionnelle, tant intersectorielle que sectorielle, est apportée par l'un des éléments suivants :
1° un des titres retenus à cette fin par le Roi;
2° une expérience pratique suffisante dans les conditions fixées par le Roi;
3° un autre mode de preuve dont la validité découle d'obligations internationales.) <L 2003-05-11/39, art. 4, 007; En vigueur : 01-07-2003>
§ 2. Il est satisfait à l'obligation visée au § 1er si la preuve de la compétence professionnelle est fournie par le chef d'entreprise individuelle, par son conjoint (ou le cohabitant légal,) ou par son partenaire avec lequel il cohabite depuis au moins (six mois) ans ou par la personne physique qui exerce effectivement la direction technique journalière de l'entreprise ou de l'activité professionnelle pour laquelle la compétence professionnelle est fixée. La preuve de cette cohabitation (résulte du Registre national des personnes physiques, organisé par la loi du 8 août 1983). <L 2003-05-11/39, art. 4, 007; En vigueur : 01-07-2003>
Si l'activité professionnelle en question est exercée par une personne morale, la preuve de la compétence professionnelle est fournie par la personne physique qui y exerce effectivement la direction technique journalière de l'entreprise ou de l'activité professionnelle pour laquelle la compétence professionnelle est fixée.
Lorsque l'entreprise exerce plus d'une activité réglementée, des personnes différentes peuvent répondre aux exigences en matière de compétence professionnelle propres à chacune de ces activités.
(§ 3. La preuve de la compétence professionnelle, tant intersectorielle que sectorielle, est apportée par l'un des éléments suivants :
1° un des titres retenus à cette fin par le Roi;
2° une expérience pratique suffisante dans les conditions fixées par le Roi;
3° un autre mode de preuve dont la validité découle d'obligations internationales.) <L 2003-05-11/39, art. 4, 007; En vigueur : 01-07-2003>
Art. 5_WAALS_GEWEST. § 1. Elke KMO, natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroepsactiviteit uitoefent waarvoor de beroepsbekwaamheid is vastgesteld, moet bewijzen over deze beroepsbekwaamheid te beschikken.
[1 De erkende ondernemingsloketten bedoeld in artikel III.59 van het Wetboek van Economisch Recht erkennen de beroepsbekwaamheid.]1
§ 2. Aan de in § 1 bedoelde verplichting is voldaan als het bewijs van de beroepsbekwaamheid geleverd wordt door het zelfstandig ondernemingshoofd, door zijn echtgenoot (of de wettelijk samenwonende,) of door de partner met wie hij minstens (zes maanden) samenwoont of door de natuurlijke persoon die daarin de dagelijkse technische leiding van de onderneming of van de beroepsactiviteit waarvoor beroepsbekwaamheid is vastgesteld, daadwerkelijk uitoefent. Dit bewijs van samenwonen (blijkt uit het Rijksregister van de natuurlijke personen, opgericht bij wet van 8 augustus 1983). <W 2003-05-11/39, art. 4, 007; Ed : 01-07-2003>
Als de betrokken beroepsactiviteit wordt uitgeoefend door een rechtspersoon, kan het bewijs van beroepsbekwaamheid geleverd worden door de natuurlijke persoon die daarin de dagelijkse technische leiding van de onderneming of van de beroepsactiviteit waarvoor beroepsbekwaamheid is vastgesteld, daadwerkelijk uitoefent.
Wanneer de onderneming meer dan één gereglementeerde activiteit uitoefent, kunnen verschillende personen voldoen aan de eisen inzake beroepsbekwaamheid eigen aan ieder van deze activiteiten.
(§ 3. Het bewijs van de beroepsbekwaamheid, zowel intersectoraal als sectoraal, wordt geleverd door één van de volgende elementen :
1° één van de akten die daartoe door de Koning worden aangewezen;
2° een voldoende praktijkervaring onder de door de Koning vastgestelde voorwaarden;
3° een ander bewijsmiddel, waarvan de bewijswaarde volgt uit internationale verplichtingen.) <W 2003-05-11/39, art. 4, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
[1 De erkende ondernemingsloketten bedoeld in artikel III.59 van het Wetboek van Economisch Recht erkennen de beroepsbekwaamheid.]1
§ 2. Aan de in § 1 bedoelde verplichting is voldaan als het bewijs van de beroepsbekwaamheid geleverd wordt door het zelfstandig ondernemingshoofd, door zijn echtgenoot (of de wettelijk samenwonende,) of door de partner met wie hij minstens (zes maanden) samenwoont of door de natuurlijke persoon die daarin de dagelijkse technische leiding van de onderneming of van de beroepsactiviteit waarvoor beroepsbekwaamheid is vastgesteld, daadwerkelijk uitoefent. Dit bewijs van samenwonen (blijkt uit het Rijksregister van de natuurlijke personen, opgericht bij wet van 8 augustus 1983). <W 2003-05-11/39, art. 4, 007; Ed : 01-07-2003>
Als de betrokken beroepsactiviteit wordt uitgeoefend door een rechtspersoon, kan het bewijs van beroepsbekwaamheid geleverd worden door de natuurlijke persoon die daarin de dagelijkse technische leiding van de onderneming of van de beroepsactiviteit waarvoor beroepsbekwaamheid is vastgesteld, daadwerkelijk uitoefent.
Wanneer de onderneming meer dan één gereglementeerde activiteit uitoefent, kunnen verschillende personen voldoen aan de eisen inzake beroepsbekwaamheid eigen aan ieder van deze activiteiten.
(§ 3. Het bewijs van de beroepsbekwaamheid, zowel intersectoraal als sectoraal, wordt geleverd door één van de volgende elementen :
1° één van de akten die daartoe door de Koning worden aangewezen;
2° een voldoende praktijkervaring onder de door de Koning vastgestelde voorwaarden;
3° een ander bewijsmiddel, waarvan de bewijswaarde volgt uit internationale verplichtingen.) <W 2003-05-11/39, art. 4, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
Modifications
Art. 5 _REGION_WALLONNE.
§ 1er. Toute P.M.E., personne physique ou personne morale, qui exerce une activité professionnelle pour laquelle la compétence professionnelle est fixée, doit prouver qu'elle dispose de cette compétence professionnelle.
[1 Les guichets d'entreprises agréés, visés à l'article III.59 du Code de droit économique, reconnaissent la compétence professionnelle.]1
§ 2. Il est satisfait à l'obligation visée au § 1er si la preuve de la compétence professionnelle est fournie par le chef d'entreprise individuelle, par son conjoint (ou le cohabitant légal,) ou par son partenaire avec lequel il cohabite depuis au moins (six mois) ans ou par la personne physique qui exerce effectivement la direction technique journalière de l'entreprise ou de l'activité professionnelle pour laquelle la compétence professionnelle est fixée. La preuve de cette cohabitation (résulte du Registre national des personnes physiques, organisé par la loi du 8 août 1983). <L 2003-05-11/39, art. 4, 007; En vigueur : 01-07-2003>
Si l'activité professionnelle en question est exercée par une personne morale, la preuve de la compétence professionnelle est fournie par la personne physique qui y exerce effectivement la direction technique journalière de l'entreprise ou de l'activité professionnelle pour laquelle la compétence professionnelle est fixée.
Lorsque l'entreprise exerce plus d'une activité réglementée, des personnes différentes peuvent répondre aux exigences en matière de compétence professionnelle propres à chacune de ces activités.
(§ 3. La preuve de la compétence professionnelle, tant intersectorielle que sectorielle, est apportée par l'un des éléments suivants :
1° un des titres retenus à cette fin par le Roi;
2° une expérience pratique suffisante dans les conditions fixées par le Roi;
3° un autre mode de preuve dont la validité découle d'obligations internationales.) <L 2003-05-11/39, art. 4, 007; En vigueur : 01-07-2003>
§ 1er. Toute P.M.E., personne physique ou personne morale, qui exerce une activité professionnelle pour laquelle la compétence professionnelle est fixée, doit prouver qu'elle dispose de cette compétence professionnelle.
[1 Les guichets d'entreprises agréés, visés à l'article III.59 du Code de droit économique, reconnaissent la compétence professionnelle.]1
§ 2. Il est satisfait à l'obligation visée au § 1er si la preuve de la compétence professionnelle est fournie par le chef d'entreprise individuelle, par son conjoint (ou le cohabitant légal,) ou par son partenaire avec lequel il cohabite depuis au moins (six mois) ans ou par la personne physique qui exerce effectivement la direction technique journalière de l'entreprise ou de l'activité professionnelle pour laquelle la compétence professionnelle est fixée. La preuve de cette cohabitation (résulte du Registre national des personnes physiques, organisé par la loi du 8 août 1983). <L 2003-05-11/39, art. 4, 007; En vigueur : 01-07-2003>
Si l'activité professionnelle en question est exercée par une personne morale, la preuve de la compétence professionnelle est fournie par la personne physique qui y exerce effectivement la direction technique journalière de l'entreprise ou de l'activité professionnelle pour laquelle la compétence professionnelle est fixée.
Lorsque l'entreprise exerce plus d'une activité réglementée, des personnes différentes peuvent répondre aux exigences en matière de compétence professionnelle propres à chacune de ces activités.
(§ 3. La preuve de la compétence professionnelle, tant intersectorielle que sectorielle, est apportée par l'un des éléments suivants :
1° un des titres retenus à cette fin par le Roi;
2° une expérience pratique suffisante dans les conditions fixées par le Roi;
3° un autre mode de preuve dont la validité découle d'obligations internationales.) <L 2003-05-11/39, art. 4, 007; En vigueur : 01-07-2003>
Modifications
Art. 5_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. § 1. Elke KMO [1 ...]1 die een beroepsactiviteit uitoefent waarvoor de beroepsbekwaamheid is vastgesteld, moet bewijzen over deze beroepsbekwaamheid te beschikken.
[1 De erkende ondernemingsloketten bedoeld in artikel III.59 van het Wetboek van Economisch Recht erkennen de beroepsbekwaamheid.]1
§ 2. Aan de in § 1 bedoelde verplichting is voldaan als het bewijs van de beroepsbekwaamheid geleverd wordt door het zelfstandig ondernemingshoofd, door zijn echtgenoot (of de wettelijk samenwonende,) of door de partner met wie hij minstens (zes maanden) samenwoont of door de natuurlijke persoon die daarin de dagelijkse technische leiding van de onderneming of van de beroepsactiviteit waarvoor beroepsbekwaamheid is vastgesteld, daadwerkelijk uitoefent. Dit bewijs van samenwonen (blijkt uit het Rijksregister van de natuurlijke personen, opgericht bij wet van 8 augustus 1983). <W 2003-05-11/39, art. 4, 007; Ed : 01-07-2003>
Als de betrokken beroepsactiviteit wordt uitgeoefend door een [1 vennootschap]1, kan het bewijs van beroepsbekwaamheid geleverd worden door de natuurlijke persoon die daarin de dagelijkse technische leiding van de onderneming of van de beroepsactiviteit waarvoor beroepsbekwaamheid is vastgesteld, daadwerkelijk uitoefent.
Wanneer de onderneming meer dan één gereglementeerde activiteit uitoefent, kunnen verschillende personen voldoen aan de eisen inzake beroepsbekwaamheid eigen aan ieder van deze activiteiten.
(§ 3. Het bewijs van de beroepsbekwaamheid, zowel intersectoraal als sectoraal, wordt geleverd door één van de volgende elementen :
1° één van de akten die daartoe door de Koning worden aangewezen;
2° een voldoende praktijkervaring onder de door de Koning vastgestelde voorwaarden;
3° een ander bewijsmiddel, waarvan de bewijswaarde volgt uit internationale verplichtingen.) <W 2003-05-11/39, art. 4, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
[1 § 4. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering bepaalt:
1° de procedure voor de erkenning van de beroepsbekwaamheid;
2° het tarief dat het ondernemingsloket int voor het beheer van de erkenningsaanvraag;
3° de dienst die de erkende ondernemingsloketten controleert op de erkenningen.]1
[1 De erkende ondernemingsloketten bedoeld in artikel III.59 van het Wetboek van Economisch Recht erkennen de beroepsbekwaamheid.]1
§ 2. Aan de in § 1 bedoelde verplichting is voldaan als het bewijs van de beroepsbekwaamheid geleverd wordt door het zelfstandig ondernemingshoofd, door zijn echtgenoot (of de wettelijk samenwonende,) of door de partner met wie hij minstens (zes maanden) samenwoont of door de natuurlijke persoon die daarin de dagelijkse technische leiding van de onderneming of van de beroepsactiviteit waarvoor beroepsbekwaamheid is vastgesteld, daadwerkelijk uitoefent. Dit bewijs van samenwonen (blijkt uit het Rijksregister van de natuurlijke personen, opgericht bij wet van 8 augustus 1983). <W 2003-05-11/39, art. 4, 007; Ed : 01-07-2003>
Als de betrokken beroepsactiviteit wordt uitgeoefend door een [1 vennootschap]1, kan het bewijs van beroepsbekwaamheid geleverd worden door de natuurlijke persoon die daarin de dagelijkse technische leiding van de onderneming of van de beroepsactiviteit waarvoor beroepsbekwaamheid is vastgesteld, daadwerkelijk uitoefent.
Wanneer de onderneming meer dan één gereglementeerde activiteit uitoefent, kunnen verschillende personen voldoen aan de eisen inzake beroepsbekwaamheid eigen aan ieder van deze activiteiten.
(§ 3. Het bewijs van de beroepsbekwaamheid, zowel intersectoraal als sectoraal, wordt geleverd door één van de volgende elementen :
1° één van de akten die daartoe door de Koning worden aangewezen;
2° een voldoende praktijkervaring onder de door de Koning vastgestelde voorwaarden;
3° een ander bewijsmiddel, waarvan de bewijswaarde volgt uit internationale verplichtingen.) <W 2003-05-11/39, art. 4, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
[1 § 4. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering bepaalt:
1° de procedure voor de erkenning van de beroepsbekwaamheid;
2° het tarief dat het ondernemingsloket int voor het beheer van de erkenningsaanvraag;
3° de dienst die de erkende ondernemingsloketten controleert op de erkenningen.]1
Modifications
Art. 5 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
§ 1er. Toute P.M.E. [1 ...]1 qui exerce une activité professionnelle pour laquelle la compétence professionnelle est fixée, doit prouver qu'elle dispose de cette compétence professionnelle.
[1 Les guichets d'entreprises agréés visés à l'article III.59 du Code de droit économique reconnaissent la compétence professionnelle.]1
§ 2. Il est satisfait à l'obligation visée au § 1er si la preuve de la compétence professionnelle est fournie par le chef d'entreprise individuelle, par son conjoint (ou le cohabitant légal,) ou par son partenaire avec lequel il cohabite depuis au moins (six mois) ans ou par la personne physique qui exerce effectivement la direction technique journalière de l'entreprise ou de l'activité professionnelle pour laquelle la compétence professionnelle est fixée. La preuve de cette cohabitation (résulte du Registre national des personnes physiques, organisé par la loi du 8 août 1983). <L 2003-05-11/39, art. 4, 007; En vigueur : 01-07-2003>
Si l'activité professionnelle en question est exercée par une [1 société ]1, la preuve de la compétence professionnelle est fournie par la personne physique qui y exerce effectivement la direction technique journalière de l'entreprise ou de l'activité professionnelle pour laquelle la compétence professionnelle est fixée.
Lorsque l'entreprise exerce plus d'une activité réglementée, des personnes différentes peuvent répondre aux exigences en matière de compétence professionnelle propres à chacune de ces activités.
(§ 3. La preuve de la compétence professionnelle, tant intersectorielle que sectorielle, est apportée par l'un des éléments suivants :
1° un des titres retenus à cette fin par le Roi;
2° une expérience pratique suffisante dans les conditions fixées par le Roi;
3° un autre mode de preuve dont la validité découle d'obligations internationales.) <L 2003-05-11/39, art. 4, 007; En vigueur : 01-07-2003>
[1 § 4. Le Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale détermine:
1° la procédure de reconnaissance de la compétence professionnelle;
2° le tarif perçu par le guichet d'entreprises pour la gestion de la demande de reconnaissance.
3° le service qui contrôle les guichets d'entreprises agréés sur les reconnaissances.]1
§ 1er. Toute P.M.E. [1 ...]1 qui exerce une activité professionnelle pour laquelle la compétence professionnelle est fixée, doit prouver qu'elle dispose de cette compétence professionnelle.
[1 Les guichets d'entreprises agréés visés à l'article III.59 du Code de droit économique reconnaissent la compétence professionnelle.]1
§ 2. Il est satisfait à l'obligation visée au § 1er si la preuve de la compétence professionnelle est fournie par le chef d'entreprise individuelle, par son conjoint (ou le cohabitant légal,) ou par son partenaire avec lequel il cohabite depuis au moins (six mois) ans ou par la personne physique qui exerce effectivement la direction technique journalière de l'entreprise ou de l'activité professionnelle pour laquelle la compétence professionnelle est fixée. La preuve de cette cohabitation (résulte du Registre national des personnes physiques, organisé par la loi du 8 août 1983). <L 2003-05-11/39, art. 4, 007; En vigueur : 01-07-2003>
Si l'activité professionnelle en question est exercée par une [1 société ]1, la preuve de la compétence professionnelle est fournie par la personne physique qui y exerce effectivement la direction technique journalière de l'entreprise ou de l'activité professionnelle pour laquelle la compétence professionnelle est fixée.
Lorsque l'entreprise exerce plus d'une activité réglementée, des personnes différentes peuvent répondre aux exigences en matière de compétence professionnelle propres à chacune de ces activités.
(§ 3. La preuve de la compétence professionnelle, tant intersectorielle que sectorielle, est apportée par l'un des éléments suivants :
1° un des titres retenus à cette fin par le Roi;
2° une expérience pratique suffisante dans les conditions fixées par le Roi;
3° un autre mode de preuve dont la validité découle d'obligations internationales.) <L 2003-05-11/39, art. 4, 007; En vigueur : 01-07-2003>
[1 § 4. Le Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale détermine:
1° la procédure de reconnaissance de la compétence professionnelle;
2° le tarif perçu par le guichet d'entreprises pour la gestion de la demande de reconnaissance.
3° le service qui contrôle les guichets d'entreprises agréés sur les reconnaissances.]1
Modifications
Art. 6. <W 2003-05-11/39, art. 5, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2003> De Koning kan onder meer, op verzoek van of na advies van de Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de Kleine en Middelgrote Ondernemingen, de koninklijke besluiten wijzigen of opheffen, die genomen zijn ter uitvoering van de wet van 24 december 1958 waarbij beroepsuitoefeningsvoorwaarden kunnen worden ingevoerd in de ambachts-, de kleine en middelgrote handels- en de kleine nijverheidsondernemingen en van de wet van 15 december 1970 op de uitoefening van beroepswerkzaamheden in de kleine en middelgrote handels- en ambachtsondernemingen.
Art. 6. <L 2003-05-11/39, art. 5, 007; En vigueur : 01-07-2003> Le Roi peut notamment, à la demande ou après avis du Conseil supérieur des Indépendants et des Petites et Moyennes Entreprises, modifier ou abroger les arrêtés royaux pris en exécution de la loi du 24 décembre 1958 permettant d'instituer des conditions d'exercice de la profession dans les entreprises de l'artisanat, du petit et du moyen commerce et de la petite industrie et de la loi du 15 décembre 1970 sur l'exercice des activités professionnelles dans les petites et moyennes entreprises du commerce et de l'artisanat.
Art. 6_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. <W 2003-05-11/39, art. 5, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2003> De Koning kan onder meer, op verzoek van of na advies van [1 [2 Brupartners]2]1, de koninklijke besluiten wijzigen of opheffen, die genomen zijn ter uitvoering van de wet van 24 december 1958 waarbij beroepsuitoefeningsvoorwaarden kunnen worden ingevoerd in de ambachts-, de kleine en middelgrote handels- en de kleine nijverheidsondernemingen en van de wet van 15 december 1970 op de uitoefening van beroepswerkzaamheden in de kleine en middelgrote handels- en ambachtsondernemingen.
Art. 6 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
<L 2003-05-11/39, art. 5, 007; En vigueur : 01-07-2003> Le Roi peut notamment, à la demande ou après avis [1 [2 de Brupartners]2]1, modifier ou abroger les arrêtés royaux pris en exécution de la loi du 24 décembre 1958 permettant d'instituer des conditions d'exercice de la profession dans les entreprises de l'artisanat, du petit et du moyen commerce et de la petite industrie et de la loi du 15 décembre 1970 sur l'exercice des activités professionnelles dans les petites et moyennes entreprises du commerce et de l'artisanat.
<L 2003-05-11/39, art. 5, 007; En vigueur : 01-07-2003> Le Roi peut notamment, à la demande ou après avis [1 [2 de Brupartners]2]1, modifier ou abroger les arrêtés royaux pris en exécution de la loi du 24 décembre 1958 permettant d'instituer des conditions d'exercice de la profession dans les entreprises de l'artisanat, du petit et du moyen commerce et de la petite industrie et de la loi du 15 décembre 1970 sur l'exercice des activités professionnelles dans les petites et moyennes entreprises du commerce et de l'artisanat.
Art. 6_VLAAMS_GEWEST. <W 2003-05-11/39, art. 5, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2003> De Koning kan onder meer, op verzoek van of na advies van [1 de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen]1, de koninklijke besluiten wijzigen of opheffen, die genomen zijn ter uitvoering van de wet van 24 december 1958 waarbij beroepsuitoefeningsvoorwaarden kunnen worden ingevoerd in de ambachts-, de kleine en middelgrote handels- en de kleine nijverheidsondernemingen en van de wet van 15 december 1970 op de uitoefening van beroepswerkzaamheden in de kleine en middelgrote handels- en ambachtsondernemingen.
Modifications
Art. 6 _REGION_FLAMANDE.
<L 2003-05-11/39, art. 5, 007; En vigueur : 01-07-2003> Le Roi peut notamment, à la demande ou après avis du [1 " Sociaal Economische Raad van Vlaanderen "]1, modifier ou abroger les arrêtés royaux pris en exécution de la loi du 24 décembre 1958 permettant d'instituer des conditions d'exercice de la profession dans les entreprises de l'artisanat, du petit et du moyen commerce et de la petite industrie et de la loi du 15 décembre 1970 sur l'exercice des activités professionnelles dans les petites et moyennes entreprises du commerce et de l'artisanat.
<L 2003-05-11/39, art. 5, 007; En vigueur : 01-07-2003> Le Roi peut notamment, à la demande ou après avis du [1 " Sociaal Economische Raad van Vlaanderen "]1, modifier ou abroger les arrêtés royaux pris en exécution de la loi du 24 décembre 1958 permettant d'instituer des conditions d'exercice de la profession dans les entreprises de l'artisanat, du petit et du moyen commerce et de la petite industrie et de la loi du 15 décembre 1970 sur l'exercice des activités professionnelles dans les petites et moyennes entreprises du commerce et de l'artisanat.
Modifications
Art. 7. § 1. De akten bedoeld in artikel 4, § 3, 1°, en in artikel 5, § 3, 1°, kunnen maar worden in overweging genomen als zij zijn uitgereikt door een onderwijs- of vormingsinstelling die ingericht, erkend of gesubsidieerd wordt door de Staat, de Gemeenschappen of de Gewesten, of zijn uitgereikt door een jury, daartoe ingericht door de Staat of de Gemeenschappen, of door een centrale examencommissie, bedoeld in artikel 8.
§ 2. De Koning bepaalt onder welke voorwaarden buitenlandse akten kunnen worden aanvaard.
§ 2. De Koning bepaalt onder welke voorwaarden buitenlandse akten kunnen worden aanvaard.
Art. 7. § 1er. Les titres visés à l'article 4, § 3, 1° età l'article 5, § 3, 1° ne peuvent être pris en considération que pour autant qu'ils aient été délivrés par un établissement d'enseignement ou de formation organisé, reconnu ou subventionné par l'Etat, les Communautés ou les Régions ou qu'ils aient été délivrés par un jury, organisé à cet effet par l'Etat ou les Communautés, ou par un jury central d'examen, visé à l'article 8.
§ 2. Le Roi détermine les conditions auxquelles les titres étrangers peuvent être acceptés.
§ 2. Le Roi détermine les conditions auxquelles les titres étrangers peuvent être acceptés.
Art. 7_WAALS_GEWEST. § 1. De akten bedoeld [1 ...]1 in artikel 5, § 3, 1°, kunnen maar worden in overweging genomen als zij zijn uitgereikt door een onderwijs- of vormingsinstelling die ingericht, erkend of gesubsidieerd wordt door de Staat, de Gemeenschappen of de Gewesten, of zijn uitgereikt door een jury, daartoe ingericht door de Staat of de Gemeenschappen, of door een centrale examencommissie, bedoeld in artikel 8.
§ 2. De Koning bepaalt onder welke voorwaarden buitenlandse akten kunnen worden aanvaard.
§ 2. De Koning bepaalt onder welke voorwaarden buitenlandse akten kunnen worden aanvaard.
Modifications
Art. 7 _REGION_WALLONNE.
§ 1er. Les titres visés [1 ...]1 à l'article 5, § 3, 1° ne peuvent être pris en considération que pour autant qu'ils aient été délivrés par un établissement d'enseignement ou de formation organisé, reconnu ou subventionné par l'Etat, les Communautés ou les Régions ou qu'ils aient été délivrés par un jury, organisé à cet effet par l'Etat ou les Communautés, ou par un jury central d'examen, visé à l'article 8.
§ 2. Le Roi détermine les conditions auxquelles les titres étrangers peuvent être acceptés.
§ 1er. Les titres visés [1 ...]1 à l'article 5, § 3, 1° ne peuvent être pris en considération que pour autant qu'ils aient été délivrés par un établissement d'enseignement ou de formation organisé, reconnu ou subventionné par l'Etat, les Communautés ou les Régions ou qu'ils aient été délivrés par un jury, organisé à cet effet par l'Etat ou les Communautés, ou par un jury central d'examen, visé à l'article 8.
§ 2. Le Roi détermine les conditions auxquelles les titres étrangers peuvent être acceptés.
Modifications
Art. 7_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. § 1. De akten bedoeld in artikel 4, § 3, 1°, [1 ...]1 kunnen maar worden in overweging genomen als zij zijn uitgereikt door een onderwijs- of vormingsinstelling die ingericht, erkend of gesubsidieerd wordt door de Staat, de Gemeenschappen of de Gewesten, of zijn uitgereikt door een jury, daartoe ingericht door de Staat of de Gemeenschappen, of door een centrale examencommissie, bedoeld in artikel 8.
§ 2. De Koning bepaalt onder welke voorwaarden buitenlandse akten kunnen worden aanvaard.
§ 2. De Koning bepaalt onder welke voorwaarden buitenlandse akten kunnen worden aanvaard.
Modifications
Art. 7 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
§ 1er. Les titres visés à l'article 4, § 3, 1° [1 ...]1 ne peuvent être pris en considération que pour autant qu'ils aient été délivrés par un établissement d'enseignement ou de formation organisé, reconnu ou subventionné par l'Etat, les Communautés ou les Régions ou qu'ils aient été délivrés par un jury, organisé à cet effet par l'Etat ou les Communautés, ou par un jury central d'examen, visé à l'article 8.
§ 2. Le Roi détermine les conditions auxquelles les titres étrangers peuvent être acceptés.
§ 1er. Les titres visés à l'article 4, § 3, 1° [1 ...]1 ne peuvent être pris en considération que pour autant qu'ils aient été délivrés par un établissement d'enseignement ou de formation organisé, reconnu ou subventionné par l'Etat, les Communautés ou les Régions ou qu'ils aient été délivrés par un jury, organisé à cet effet par l'Etat ou les Communautés, ou par un jury central d'examen, visé à l'article 8.
§ 2. Le Roi détermine les conditions auxquelles les titres étrangers peuvent être acceptés.
Modifications
Art. 7_VLAAMS_GEWEST. § 1. De akten bedoeld [1 ...]1in artikel 5, § 3, 1°, kunnen maar worden in overweging genomen als zij zijn uitgereikt door een onderwijs- of vormingsinstelling die ingericht, erkend of gesubsidieerd wordt door de Staat, de Gemeenschappen of de Gewesten, of zijn uitgereikt door een jury, daartoe ingericht door de Staat of de Gemeenschappen, of door een centrale examencommissie, bedoeld in artikel 8.
§ 2. De Koning bepaalt onder welke voorwaarden buitenlandse akten kunnen worden aanvaard.
§ 2. De Koning bepaalt onder welke voorwaarden buitenlandse akten kunnen worden aanvaard.
Modifications
Art. 7 _REGION_FLAMANDE.
§ 1er. Les titres visés [1 ...]1 à l'article 5, § 3, 1° ne peuvent être pris en considération que pour autant qu'ils aient été délivrés par un établissement d'enseignement ou de formation organisé, reconnu ou subventionné par l'Etat, les Communautés ou les Régions ou qu'ils aient été délivrés par un jury, organisé à cet effet par l'Etat ou les Communautés, ou par un jury central d'examen, visé à l'article 8.
§ 2. Le Roi détermine les conditions auxquelles les titres étrangers peuvent être acceptés.
§ 1er. Les titres visés [1 ...]1 à l'article 5, § 3, 1° ne peuvent être pris en considération que pour autant qu'ils aient été délivrés par un établissement d'enseignement ou de formation organisé, reconnu ou subventionné par l'Etat, les Communautés ou les Régions ou qu'ils aient été délivrés par un jury, organisé à cet effet par l'Etat ou les Communautés, ou par un jury central d'examen, visé à l'article 8.
§ 2. Le Roi détermine les conditions auxquelles les titres étrangers peuvent être acceptés.
Modifications
Art. 8. De ondernemersvaardigheden kunnen worden bewezen door middel van een akte waaruit blijkt dat de betrokkene is geslaagd voor een examen [1 georganiseerd in het kader van]1 de centrale examencommissies die daartoe zijn opgericht en waarvan de leden zijn benoemd door de Minister die de Middenstand onder zijn bevoegdheid heeft.
[1 De Koning bepaalt de organisatie van de examens en de voorwaarden en het inschrijvingsrecht voor de deelname aan deze examens.]1
[1 De Koning bepaalt de organisatie van de examens en de voorwaarden en het inschrijvingsrecht voor de deelname aan deze examens.]1
Modifications
Art. 8. Les capacités entrepreneuriales peuvent être prouvées par un titre établissant que l'intéressé a réussi un examen [1 organisé dans le cadre]1 des jurys centraux instaurés à cet effet et dont les membres sont nommés par le Ministre qui a les Classes moyennes dans ses attributions.
[1 Le Roi détermine l'organisation, les conditions et le droit d'inscription relatifs à la participation à ces examens.]1
[1 Le Roi détermine l'organisation, les conditions et le droit d'inscription relatifs à la participation à ces examens.]1
Modifications
Art. 9. <W 2003-01-16/34, art. 76, 006; Inwerkingtreding : 01-07-2003> De inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen als handels- of ambachtsonderneming geldt als bewijs dat aan de gestelde eisen inzake ondernemersvaardigheden werd voldaan, behoudens bewijs van het tegendeel.
Art. 9. <L 2003-01-16/34, art. 76, 006; En vigueur : 01-07-2003> L'inscription dans la Banque-Carrefour des Entreprises en tant qu'entreprise commerciale ou artisanale constitue la preuve qu'il a été satisfait aux exigences en matière de capacités entrepreneuriales, sauf preuve du contraire.
Art. 9_WAALS_GEWEST. <W 2003-01-16/34, art. 76, 006; Inwerkingtreding : 01-07-2003> De inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen [1 ...]1 geldt als bewijs dat aan de gestelde eisen inzake ondernemersvaardigheden werd voldaan, behoudens bewijs van het tegendeel.
Modifications
Art. 9 _REGION_WALLONNE.
<L 2003-01-16/34, art. 76, 006; En vigueur : 01-07-2003> L'inscription dans la Banque-Carrefour des Entreprises [1 ...]1 constitue la preuve qu'il a été satisfait aux exigences en matière de capacités entrepreneuriales, sauf preuve du contraire.
<L 2003-01-16/34, art. 76, 006; En vigueur : 01-07-2003> L'inscription dans la Banque-Carrefour des Entreprises [1 ...]1 constitue la preuve qu'il a été satisfait aux exigences en matière de capacités entrepreneuriales, sauf preuve du contraire.
Modifications
Art. 9_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. <W 2003-01-16/34, art. 76, 006; Inwerkingtreding : 01-07-2003> De inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen [1 ...]1 geldt als bewijs dat aan de gestelde eisen inzake ondernemersvaardigheden werd voldaan, behoudens bewijs van het tegendeel.
Modifications
Art. 9 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
<L 2003-01-16/34, art. 76, 006; En vigueur : 01-07-2003> L'inscription dans la Banque-Carrefour des Entreprises [1 ...]1 constitue la preuve qu'il a été satisfait aux exigences en matière de capacités entrepreneuriales, sauf preuve du contraire.
<L 2003-01-16/34, art. 76, 006; En vigueur : 01-07-2003> L'inscription dans la Banque-Carrefour des Entreprises [1 ...]1 constitue la preuve qu'il a été satisfait aux exigences en matière de capacités entrepreneuriales, sauf preuve du contraire.
Modifications
Art. 10. <W 2003-05-11/39, art. 6, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2003> De volgende personen worden vrijgesteld van bewijs van ondernemersvaardigheden :
1° de overlevende echtgenoot, de wettelijk samenwonende of de overlevende partner als meewerkende echtgenoot onderworpen aan het sociaal statuut der zelfstandigen geregeld bij het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967, hetzij in een eerste fase tot 1 januari 2006 enkel op basis van de verplichte regeling voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, sector der uitkeringen en uitgevoerd bij het koninklijk besluit van 13 januari 2003 tot wijziging van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 houdende instelling van een verzekering tegen arbeidsongeschiktheid ten voordele van de zelfstandigen, hetzij tot 1 januari 2006 op vrijwillige basis en vanaf dezelfde datum op verplichte basis aan het volledige statuut der zelfstandigen en die de beroepsactiviteit voortzet van een ondernemingshoofd dat zelf voldeed aan de gestelde eisen of er definitief van vrijgesteld was;
2° de vennootschap die aan de gestelde eisen voldeed in hoofde van een overleden zaakvoerder of orgaan, wanneer diens overlevende echtgenoot, de wettelijk samenwonende of diens overlevende partner zaakvoerder of orgaan is geworden van de vennootschap. Gaat het om een partner, andere dan echtgenoot of wettelijk samenwonende, dan moet uit het Rijksregister van de natuurlijke personen, opgericht bij wet van 8 augustus 1983, een samenwonen blijken van minstens zes maanden.
1° de overlevende echtgenoot, de wettelijk samenwonende of de overlevende partner als meewerkende echtgenoot onderworpen aan het sociaal statuut der zelfstandigen geregeld bij het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967, hetzij in een eerste fase tot 1 januari 2006 enkel op basis van de verplichte regeling voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, sector der uitkeringen en uitgevoerd bij het koninklijk besluit van 13 januari 2003 tot wijziging van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 houdende instelling van een verzekering tegen arbeidsongeschiktheid ten voordele van de zelfstandigen, hetzij tot 1 januari 2006 op vrijwillige basis en vanaf dezelfde datum op verplichte basis aan het volledige statuut der zelfstandigen en die de beroepsactiviteit voortzet van een ondernemingshoofd dat zelf voldeed aan de gestelde eisen of er definitief van vrijgesteld was;
2° de vennootschap die aan de gestelde eisen voldeed in hoofde van een overleden zaakvoerder of orgaan, wanneer diens overlevende echtgenoot, de wettelijk samenwonende of diens overlevende partner zaakvoerder of orgaan is geworden van de vennootschap. Gaat het om een partner, andere dan echtgenoot of wettelijk samenwonende, dan moet uit het Rijksregister van de natuurlijke personen, opgericht bij wet van 8 augustus 1983, een samenwonen blijken van minstens zes maanden.
Art. 10. <L 2003-05-11/39, art. 6, 007; En vigueur : 01-07-2003> Les personnes suivantes sont dispensées de la preuve des capacités entrepreneuriales :
1° le conjoint survivant, le cohabitant légal ou le partenaire survivant, en tant que conjoint aidant assujetti au statut social des travailleurs indépendants réglementé par l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967, soit dans une première phase allant jusqu'au 1er janvier 2006 à l'assurance obligatoire pour maladie-invalidité, secteur indemnités et exécuté par l'arrêté royal du 13 janvier 2003 modifiant l'arrêté royal du 20 juillet 1971 portant instauration d'une assurance contre les incapacités de travail en faveur des indépendants, soit jusqu'au 1er janvier 2006 sur base volontaire et à partir de la même date sur base obligatoire au statut complet des travailleurs indépendants et qui poursuivent l'activité professionnelle d'un dirigeant d'entreprise qui répondait lui-même aux conditions prévues ou qui en était définitivement dispensé;
2° la société qui satisfaisait aux conditions dans le chef d'un gérant ou d'un organe décédé lorsque le conjoint survivant, le cohabitant légal ou le partenaire survivant, est devenu gérant ou organe de la société. Pour ce qui est du partenaire, autre que l'époux ou le cohabitant légal, une cohabitation d'au moins six mois doit résulter du Registre national des personnes physiques, organisé par la loi du 8 août 1983.
1° le conjoint survivant, le cohabitant légal ou le partenaire survivant, en tant que conjoint aidant assujetti au statut social des travailleurs indépendants réglementé par l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967, soit dans une première phase allant jusqu'au 1er janvier 2006 à l'assurance obligatoire pour maladie-invalidité, secteur indemnités et exécuté par l'arrêté royal du 13 janvier 2003 modifiant l'arrêté royal du 20 juillet 1971 portant instauration d'une assurance contre les incapacités de travail en faveur des indépendants, soit jusqu'au 1er janvier 2006 sur base volontaire et à partir de la même date sur base obligatoire au statut complet des travailleurs indépendants et qui poursuivent l'activité professionnelle d'un dirigeant d'entreprise qui répondait lui-même aux conditions prévues ou qui en était définitivement dispensé;
2° la société qui satisfaisait aux conditions dans le chef d'un gérant ou d'un organe décédé lorsque le conjoint survivant, le cohabitant légal ou le partenaire survivant, est devenu gérant ou organe de la société. Pour ce qui est du partenaire, autre que l'époux ou le cohabitant légal, une cohabitation d'au moins six mois doit résulter du Registre national des personnes physiques, organisé par la loi du 8 août 1983.
Art. 11. § 1. (De volgende personen worden voorlopig vrijgesteld van het bewijs van ondernemersvaardigheden :) <W 2003-01-16/34, art. 78, 006; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
1° de overnemers van een onderneming gedurende een jaar volgend op deze overdracht;
2° de kinderen van een overleden ondernemingshoofd dat zelf voldeed aan de gestelde eisen of er definitief van vrijgesteld was, gedurende drie jaar volgend op dit overlijden; indien het om minderjarige kinderen gaat, bedraagt de termijn drie jaar vanaf hun meerderjarigheid. Wanneer een van deze gerechtigden overlijdt voor het ondernemingshoofd zullen zijn kinderen aanspraak kunnen maken op dezelfde rechten en dezelfde termijnen.
§ 2. (Als de natuurlijke persoon, die overeenkomstig de artikelen 4, § 2, en/of 5, § 2, het bewijs levert van de basiskennis van het bedrijfsbeheer en/of van de beroeps bekwaamheid, de onderneming verlaat, beschikt de onderneming over zes maanden om opnieuw te voldoen aan de vereisten bepaald in de artikelen 4, § 1, en/of 5, § 1.) <W 2003-01-16/34, art. 78, 006; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
1° de overnemers van een onderneming gedurende een jaar volgend op deze overdracht;
2° de kinderen van een overleden ondernemingshoofd dat zelf voldeed aan de gestelde eisen of er definitief van vrijgesteld was, gedurende drie jaar volgend op dit overlijden; indien het om minderjarige kinderen gaat, bedraagt de termijn drie jaar vanaf hun meerderjarigheid. Wanneer een van deze gerechtigden overlijdt voor het ondernemingshoofd zullen zijn kinderen aanspraak kunnen maken op dezelfde rechten en dezelfde termijnen.
§ 2. (Als de natuurlijke persoon, die overeenkomstig de artikelen 4, § 2, en/of 5, § 2, het bewijs levert van de basiskennis van het bedrijfsbeheer en/of van de beroeps bekwaamheid, de onderneming verlaat, beschikt de onderneming over zes maanden om opnieuw te voldoen aan de vereisten bepaald in de artikelen 4, § 1, en/of 5, § 1.) <W 2003-01-16/34, art. 78, 006; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
Art. 11. § 1er. (Les personnes suivantes sont provisoirement dispensées de la preuve des capacités entrepreneuriales :) <L 2003-01-16/34, art. 78, 006; En vigueur : 01-07-2003>
1° les cessionnaires d'une entreprise durant un an à partir de la cession;
2° les enfants d'un chef d'entreprise décédé qui répondait lui-même aux conditions prévues ou qui en était définitivement dispensé, durant trois ans à partir de ce décès. S'il s'agit d'enfants mineurs le délai est de trois ans à partir de leur majorité. Lorsqu'un de ces bénéficiaires décède avant le chef d'entreprise, ses enfants disposent du même droit et du même délai.
§ 2. (Lorsque la personne physique qui, conformément aux articles 4, § 2, et/ou 5, § 2, fournit la preuve des connaissances de gestion de base et/ou de la compétence professionnelle quitte l'entreprise, cette dernière dispose d'un délai de six mois pour satisfaire à nouveau aux exigences fixées aux articles 4, § 1er, et/ou 5, § 1.) <L 2003-01-16/34, art. 78, 006; En vigueur : 01-07-2003>
1° les cessionnaires d'une entreprise durant un an à partir de la cession;
2° les enfants d'un chef d'entreprise décédé qui répondait lui-même aux conditions prévues ou qui en était définitivement dispensé, durant trois ans à partir de ce décès. S'il s'agit d'enfants mineurs le délai est de trois ans à partir de leur majorité. Lorsqu'un de ces bénéficiaires décède avant le chef d'entreprise, ses enfants disposent du même droit et du même délai.
§ 2. (Lorsque la personne physique qui, conformément aux articles 4, § 2, et/ou 5, § 2, fournit la preuve des connaissances de gestion de base et/ou de la compétence professionnelle quitte l'entreprise, cette dernière dispose d'un délai de six mois pour satisfaire à nouveau aux exigences fixées aux articles 4, § 1er, et/ou 5, § 1.) <L 2003-01-16/34, art. 78, 006; En vigueur : 01-07-2003>
Art. 11_WAALS_GEWEST. § 1. (De volgende personen worden voorlopig vrijgesteld van het bewijs van ondernemersvaardigheden :) <W 2003-01-16/34, art. 78, 006; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
1° de overnemers van een onderneming gedurende een jaar volgend op deze overdracht;
2° de kinderen van een overleden ondernemingshoofd dat zelf voldeed aan de gestelde eisen of er definitief van vrijgesteld was, gedurende drie jaar volgend op dit overlijden; indien het om minderjarige kinderen gaat, bedraagt de termijn drie jaar vanaf hun meerderjarigheid. Wanneer een van deze gerechtigden overlijdt voor het ondernemingshoofd zullen zijn kinderen aanspraak kunnen maken op dezelfde rechten en dezelfde termijnen.
§ 2. [1 Als de natuurlijke persoon die conform artikel 5, § 2, het bewijs van de beroepsbekwaamheid levert, de onderneming verlaat, beschikt deze laatste over zes maanden om opnieuw te voldoen aan de vereisten, vermeld in artikel 5, § 1.]1
1° de overnemers van een onderneming gedurende een jaar volgend op deze overdracht;
2° de kinderen van een overleden ondernemingshoofd dat zelf voldeed aan de gestelde eisen of er definitief van vrijgesteld was, gedurende drie jaar volgend op dit overlijden; indien het om minderjarige kinderen gaat, bedraagt de termijn drie jaar vanaf hun meerderjarigheid. Wanneer een van deze gerechtigden overlijdt voor het ondernemingshoofd zullen zijn kinderen aanspraak kunnen maken op dezelfde rechten en dezelfde termijnen.
§ 2. [1 Als de natuurlijke persoon die conform artikel 5, § 2, het bewijs van de beroepsbekwaamheid levert, de onderneming verlaat, beschikt deze laatste over zes maanden om opnieuw te voldoen aan de vereisten, vermeld in artikel 5, § 1.]1
Modifications
Art. 11 _REGION_WALLONNE.
§ 1er. (Les personnes suivantes sont provisoirement dispensées de la preuve des capacités entrepreneuriales :) <L 2003-01-16/34, art. 78, 006; En vigueur : 01-07-2003>
1° les cessionnaires d'une entreprise durant un an à partir de la cession;
2° les enfants d'un chef d'entreprise décédé qui répondait lui-même aux conditions prévues ou qui en était définitivement dispensé, durant trois ans à partir de ce décès. S'il s'agit d'enfants mineurs le délai est de trois ans à partir de leur majorité. Lorsqu'un de ces bénéficiaires décède avant le chef d'entreprise, ses enfants disposent du même droit et du même délai.
§ 2. [1 Lorsque la personne physique qui, conformément à l'article 5, § 2, fournit la preuve de la compétence professionnelle, quitte l'entreprise, cette dernière dispose d'un délai de six mois pour satisfaire à nouveau aux exigences fixées à l'article 5, § 1er.]1
§ 1er. (Les personnes suivantes sont provisoirement dispensées de la preuve des capacités entrepreneuriales :) <L 2003-01-16/34, art. 78, 006; En vigueur : 01-07-2003>
1° les cessionnaires d'une entreprise durant un an à partir de la cession;
2° les enfants d'un chef d'entreprise décédé qui répondait lui-même aux conditions prévues ou qui en était définitivement dispensé, durant trois ans à partir de ce décès. S'il s'agit d'enfants mineurs le délai est de trois ans à partir de leur majorité. Lorsqu'un de ces bénéficiaires décède avant le chef d'entreprise, ses enfants disposent du même droit et du même délai.
§ 2. [1 Lorsque la personne physique qui, conformément à l'article 5, § 2, fournit la preuve de la compétence professionnelle, quitte l'entreprise, cette dernière dispose d'un délai de six mois pour satisfaire à nouveau aux exigences fixées à l'article 5, § 1er.]1
Modifications
Art. 11_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. § 1. (De volgende personen worden voorlopig vrijgesteld van het bewijs van ondernemersvaardigheden :) <W 2003-01-16/34, art. 78, 006; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
1° de overnemers van een onderneming gedurende een jaar volgend op deze overdracht;
2° de kinderen van een overleden ondernemingshoofd dat zelf voldeed aan de gestelde eisen of er definitief van vrijgesteld was, gedurende drie jaar volgend op dit overlijden; indien het om minderjarige kinderen gaat, bedraagt de termijn drie jaar vanaf hun meerderjarigheid. Wanneer een van deze gerechtigden overlijdt voor het ondernemingshoofd zullen zijn kinderen aanspraak kunnen maken op dezelfde rechten en dezelfde termijnen.
§ 2. [1 Als de natuurlijke persoon die conform artikel 5, § 2, het bewijs van de beroepsbekwaamheid levert, de onderneming verlaat, beschikt de onderneming over zes maanden om opnieuw te voldoen aan de vereisten, vermeld in artikel 5, § 1.]1
1° de overnemers van een onderneming gedurende een jaar volgend op deze overdracht;
2° de kinderen van een overleden ondernemingshoofd dat zelf voldeed aan de gestelde eisen of er definitief van vrijgesteld was, gedurende drie jaar volgend op dit overlijden; indien het om minderjarige kinderen gaat, bedraagt de termijn drie jaar vanaf hun meerderjarigheid. Wanneer een van deze gerechtigden overlijdt voor het ondernemingshoofd zullen zijn kinderen aanspraak kunnen maken op dezelfde rechten en dezelfde termijnen.
§ 2. [1 Als de natuurlijke persoon die conform artikel 5, § 2, het bewijs van de beroepsbekwaamheid levert, de onderneming verlaat, beschikt de onderneming over zes maanden om opnieuw te voldoen aan de vereisten, vermeld in artikel 5, § 1.]1
Modifications
Art. 11 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
§ 1er. (Les personnes suivantes sont provisoirement dispensées de la preuve des capacités entrepreneuriales :) <L 2003-01-16/34, art. 78, 006; En vigueur : 01-07-2003>
1° les cessionnaires d'une entreprise durant un an à partir de la cession;
2° les enfants d'un chef d'entreprise décédé qui répondait lui-même aux conditions prévues ou qui en était définitivement dispensé, durant trois ans à partir de ce décès. S'il s'agit d'enfants mineurs le délai est de trois ans à partir de leur majorité. Lorsqu'un de ces bénéficiaires décède avant le chef d'entreprise, ses enfants disposent du même droit et du même délai.
§ 2. [1 § 2. Lorsque la personne physique qui, conformément à l'article 5, § 2, fournit la preuve de compétence professionnelle quitte l'entreprise, cette dernière dispose d'un délai de six mois pour satisfaire à nouveau aux exigences visées à l'article 5, § 1er.]1
§ 1er. (Les personnes suivantes sont provisoirement dispensées de la preuve des capacités entrepreneuriales :) <L 2003-01-16/34, art. 78, 006; En vigueur : 01-07-2003>
1° les cessionnaires d'une entreprise durant un an à partir de la cession;
2° les enfants d'un chef d'entreprise décédé qui répondait lui-même aux conditions prévues ou qui en était définitivement dispensé, durant trois ans à partir de ce décès. S'il s'agit d'enfants mineurs le délai est de trois ans à partir de leur majorité. Lorsqu'un de ces bénéficiaires décède avant le chef d'entreprise, ses enfants disposent du même droit et du même délai.
§ 2. [1 § 2. Lorsque la personne physique qui, conformément à l'article 5, § 2, fournit la preuve de compétence professionnelle quitte l'entreprise, cette dernière dispose d'un délai de six mois pour satisfaire à nouveau aux exigences visées à l'article 5, § 1er.]1
Modifications
Art. 11_VLAAMS_GEWEST. § 1. (De volgende personen worden voorlopig vrijgesteld van het bewijs van ondernemersvaardigheden :) <W 2003-01-16/34, art. 78, 006; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
1° de overnemers van een onderneming gedurende een jaar volgend op deze overdracht;
2° de kinderen van een overleden ondernemingshoofd dat zelf voldeed aan de gestelde eisen of er definitief van vrijgesteld was, gedurende drie jaar volgend op dit overlijden; indien het om minderjarige kinderen gaat, bedraagt de termijn drie jaar vanaf hun meerderjarigheid. Wanneer een van deze gerechtigden overlijdt voor het ondernemingshoofd zullen zijn kinderen aanspraak kunnen maken op dezelfde rechten en dezelfde termijnen.
§ 2. [1 Als de natuurlijke persoon die conform artikel 5, § 2, het bewijs van de beroepsbekwaamheid levert, de onderneming verlaat, beschikt de onderneming over zes maanden om opnieuw te voldoen aan de vereisten, vermeld in artikel 5, § 1.]1.
1° de overnemers van een onderneming gedurende een jaar volgend op deze overdracht;
2° de kinderen van een overleden ondernemingshoofd dat zelf voldeed aan de gestelde eisen of er definitief van vrijgesteld was, gedurende drie jaar volgend op dit overlijden; indien het om minderjarige kinderen gaat, bedraagt de termijn drie jaar vanaf hun meerderjarigheid. Wanneer een van deze gerechtigden overlijdt voor het ondernemingshoofd zullen zijn kinderen aanspraak kunnen maken op dezelfde rechten en dezelfde termijnen.
§ 2. [1 Als de natuurlijke persoon die conform artikel 5, § 2, het bewijs van de beroepsbekwaamheid levert, de onderneming verlaat, beschikt de onderneming over zes maanden om opnieuw te voldoen aan de vereisten, vermeld in artikel 5, § 1.]1.
Modifications
Art. 11 _REGION_FLAMANDE.
§ 1er. (Les personnes suivantes sont provisoirement dispensées de la preuve des capacités entrepreneuriales :) <L 2003-01-16/34, art. 78, 006; En vigueur : 01-07-2003>
1° les cessionnaires d'une entreprise durant un an à partir de la cession;
2° les enfants d'un chef d'entreprise décédé qui répondait lui-même aux conditions prévues ou qui en était définitivement dispensé, durant trois ans à partir de ce décès. S'il s'agit d'enfants mineurs le délai est de trois ans à partir de leur majorité. Lorsqu'un de ces bénéficiaires décède avant le chef d'entreprise, ses enfants disposent du même droit et du même délai.
§ 2. [1 Lorsque la personne physique qui, conformément à l'article 5, § 2, fournit la preuve de compétence professionnelle quitte l'entreprise, cette dernière dispose d'un délai de six mois pour satisfaire à nouveau aux exigences visées à l'article 5, § 1er.]1.
§ 1er. (Les personnes suivantes sont provisoirement dispensées de la preuve des capacités entrepreneuriales :) <L 2003-01-16/34, art. 78, 006; En vigueur : 01-07-2003>
1° les cessionnaires d'une entreprise durant un an à partir de la cession;
2° les enfants d'un chef d'entreprise décédé qui répondait lui-même aux conditions prévues ou qui en était définitivement dispensé, durant trois ans à partir de ce décès. S'il s'agit d'enfants mineurs le délai est de trois ans à partir de leur majorité. Lorsqu'un de ces bénéficiaires décède avant le chef d'entreprise, ses enfants disposent du même droit et du même délai.
§ 2. [1 Lorsque la personne physique qui, conformément à l'article 5, § 2, fournit la preuve de compétence professionnelle quitte l'entreprise, cette dernière dispose d'un délai de six mois pour satisfaire à nouveau aux exigences visées à l'article 5, § 1er.]1.
Modifications
Art. 12. (Opgeheven) <W 2003-01-16/34, art. 79, 006; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
Art. 12. (Abrogé) <L 2003-01-16/34, art. 79, 006; En vigueur : 01-07-2003>
Art. 12_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 In geval van weigering van de erkenning van de beroepsbekwaamheid, kan de onderneming bij de ambtenaar aangewezen door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering een met redenen omkleed beroep indienen.
De Brusselse Hoofdstedelijke Regering bepaalt de schriftelijke beroepsprocedure en de vormvereisten en voorwaarden voor de indiening van het verzoek.]1
De Brusselse Hoofdstedelijke Regering bepaalt de schriftelijke beroepsprocedure en de vormvereisten en voorwaarden voor de indiening van het verzoek.]1
Modifications
Art. 12 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
[1 En cas de refus de la reconnaissance de la compétence professionnelle, l'entreprise peut introduire un recours motivé auprès du fonctionnaire désigné par le Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale.
Le Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale détermine la procédure écrite de recours, ainsi que les formes et conditions pour l'introduction de la requête.]1
[1 En cas de refus de la reconnaissance de la compétence professionnelle, l'entreprise peut introduire un recours motivé auprès du fonctionnaire désigné par le Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale.
Le Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale détermine la procédure écrite de recours, ainsi que les formes et conditions pour l'introduction de la requête.]1
Modifications
Art. 13. <W 2003-05-11/39, art. 7, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2003> Voor het vaststellen van de beroepsbekwaamheid, bedoeld in artikel 3, neemt de Koning minstens de volgende criteria in overweging :
1° de noodzaak aan kwaliteitsgaranties voor de consument;
2° de bestaande onderwijs- en vormingsmogelijkheden, inzonderheid op het vlak van permanente vorming, en hun geografische spreiding;
3° de technologische evolutie binnen de sector;
4° de bestaande beroepsreglementering in de andere lid-Staten van de Europese Unie;
5° de wetten en besluiten die niet genomen zijn in uitvoering van deze wet, en die specifiek van toepassing zijn op de betrokken sector.
1° de noodzaak aan kwaliteitsgaranties voor de consument;
2° de bestaande onderwijs- en vormingsmogelijkheden, inzonderheid op het vlak van permanente vorming, en hun geografische spreiding;
3° de technologische evolutie binnen de sector;
4° de bestaande beroepsreglementering in de andere lid-Staten van de Europese Unie;
5° de wetten en besluiten die niet genomen zijn in uitvoering van deze wet, en die specifiek van toepassing zijn op de betrokken sector.
Art. 13. <L 2003-05-11/39, art. 7, 007; En vigueur : 01-07-2003> Pour la fixation de la compétence professionnelle, prévue à l'article 3, le Roi prend en considération au moins les critères suivants :
1° la nécessité de garanties de qualité pour le consommateur;
2° les possibilités existantes en matière de formation et d'enseignement, en particulier au niveau de la formation permanente, et leur répartition géographique;
3° l'évolution technologique dans le secteur;
4° les réglementations existantes dans les autres Etats membres de l'Union européenne;
5° les lois et arrêtés réglementaires qui ne sont pas pris en exécution de la présente loi et qui sont d'application spécifique pour le secteur concerné.
1° la nécessité de garanties de qualité pour le consommateur;
2° les possibilités existantes en matière de formation et d'enseignement, en particulier au niveau de la formation permanente, et leur répartition géographique;
3° l'évolution technologique dans le secteur;
4° les réglementations existantes dans les autres Etats membres de l'Union européenne;
5° les lois et arrêtés réglementaires qui ne sont pas pris en exécution de la présente loi et qui sont d'application spécifique pour le secteur concerné.
Art. 13/1_WAALS_GEWEST. [1 § 1. De verwerkingen van persoonsgegevens voorzien in het kader van deze wet en haar uitvoeringsmaatregelen hebben tot doel het volgende mogelijk te maken:
1° het beheer en de behandeling van de procedures voor de erkenning van de beroepsbekwaamheid;
2° het beheer door de griffie van de beroepsprocedure bij de Vestigingsraad, ingesteld bij de wet van 26 juni 2002 betreffende de oprichting van de Vestigingsraad;
3° de organisatie van de centrale examencommissies bedoeld in artikel 8;
4° de controle op de naleving van de bepalingen van deze wet en haar uitvoeringsmaatregelen;
5° de controle op de uitvoering van de taken van de erkende ondernemingsloketten;
6° het voorkomen van dubbele gegevensverzameling, de bestrijding van het "forum shoppen" en het gebruik van vervalste documenten, de uitwisseling van gegevens tussen erkende ondernemingsloketten en de administratie bevoegd voor economie, alsook de uitwisseling van gegevens met andere deelgebieden voor de door hen nagestreefde doeleinden, via het gebruik van een database die de beslissingen met betrekking tot de beroepsbekwaamheid van natuurlijke personen bevat;
7° het opstellen van anonieme statistieken;
8° de uitwisseling van informatie tussen de erkende ondernemingsloketten en de administratie bevoegd voor economie voor de doeleinden bedoeld in 2° tot en met 6°.
§ 2. De categorieën persoonsgegevens die nodig zijn om de in paragraaf 1 genoemde doeleinden te verwezenlijken en de categorieën betrokken personen zijn de volgende:
1° de identificatie-, contact- en beroepsgegevens van de ondernemingen die een beroepsactiviteit uitoefenen waarvoor de beroepsbekwaamheid is vastgesteld en van hun vertegenwoordigers en gevolmachtigden;
2° de identificatie-, contact-, opleidings- en beroepsgegevens van de natuurlijke personen die het bewijs leveren van de beroepsbekwaamheid;
3° de identificatie-, contact- en beroepsgegevens van de personen die, in eender welke hoedanigheid, tussenkomen in het kader van de opdrachten en procedures bedoeld in § 1, 1° tot en met 6°, en de gegevens die volgen uit die opdrachten en procedures.
§ 3. De erkende ondernemingsloketten zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de in paragraaf 1, 1°, bedoelde verwerkingen. Zij sluiten een overeenkomst over hun respectieve verplichtingen om te voldoen aan de vereisten van Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming).
De administratie die bevoegd is voor economie is verantwoordelijk voor de verwerkingen bedoeld in paragraaf 1, 2° tot 7°.
§ 4. In het kader van deze bepaling zijn de erkende ondernemingsloketten en de administratie die bevoegd is voor economie gemachtigd om, uitsluitend voor identificatiedoeleinden, rijksregisternummers op te vragen en te gebruiken, overeenkomstig artikel 8, § 1, derde lid, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen.
§ 5. De persoonsgegevens met betrekking tot de ondernemingen, hun vertegenwoordigers en gevolmachtigden die in het kader van deze wet en haar uitvoeringsmaatregelen worden verzameld en verwerkt, worden bewaard gedurende de gehele duur van hun beroepsactiviteit. Ze worden gewist of geanonimiseerd binnen zes maanden na het einde van die activiteit.
De persoonsgegevens met betrekking tot de natuurlijke personen die het bewijs leveren van de beroepsbekwaamheid en die in het kader van deze wet en haar uitvoeringsmaatregelen worden verzameld en verwerkt, worden bewaard tot het overlijden van die personen.
De persoonsgegevens met betrekking tot de andere personen bedoeld in paragraaf 2, die in het kader van deze wet en haar uitvoeringsmaatregelen worden verzameld en verwerkt, worden maximaal vijf jaar bewaard indien deze gegevens noodzakelijk blijken te zijn voor de verwezenlijking van de in paragraaf 1 bedoelde doeleinden.
Persoonsgegevens die nodig zijn voor de behandeling van een geschil in het kader van deze regeling worden echter bewaard gedurende de tijd die nodig is om dat geschil te behandelen en eventuele daaropvolgende rechterlijke beslissingen uit te voeren.
De bewaartermijnen van de gegevens bedoeld in de leden 1 tot en met 4 worden vastgesteld onverminderd de wettelijke bepalingen inzake archieven.]1
1° het beheer en de behandeling van de procedures voor de erkenning van de beroepsbekwaamheid;
2° het beheer door de griffie van de beroepsprocedure bij de Vestigingsraad, ingesteld bij de wet van 26 juni 2002 betreffende de oprichting van de Vestigingsraad;
3° de organisatie van de centrale examencommissies bedoeld in artikel 8;
4° de controle op de naleving van de bepalingen van deze wet en haar uitvoeringsmaatregelen;
5° de controle op de uitvoering van de taken van de erkende ondernemingsloketten;
6° het voorkomen van dubbele gegevensverzameling, de bestrijding van het "forum shoppen" en het gebruik van vervalste documenten, de uitwisseling van gegevens tussen erkende ondernemingsloketten en de administratie bevoegd voor economie, alsook de uitwisseling van gegevens met andere deelgebieden voor de door hen nagestreefde doeleinden, via het gebruik van een database die de beslissingen met betrekking tot de beroepsbekwaamheid van natuurlijke personen bevat;
7° het opstellen van anonieme statistieken;
8° de uitwisseling van informatie tussen de erkende ondernemingsloketten en de administratie bevoegd voor economie voor de doeleinden bedoeld in 2° tot en met 6°.
§ 2. De categorieën persoonsgegevens die nodig zijn om de in paragraaf 1 genoemde doeleinden te verwezenlijken en de categorieën betrokken personen zijn de volgende:
1° de identificatie-, contact- en beroepsgegevens van de ondernemingen die een beroepsactiviteit uitoefenen waarvoor de beroepsbekwaamheid is vastgesteld en van hun vertegenwoordigers en gevolmachtigden;
2° de identificatie-, contact-, opleidings- en beroepsgegevens van de natuurlijke personen die het bewijs leveren van de beroepsbekwaamheid;
3° de identificatie-, contact- en beroepsgegevens van de personen die, in eender welke hoedanigheid, tussenkomen in het kader van de opdrachten en procedures bedoeld in § 1, 1° tot en met 6°, en de gegevens die volgen uit die opdrachten en procedures.
§ 3. De erkende ondernemingsloketten zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de in paragraaf 1, 1°, bedoelde verwerkingen. Zij sluiten een overeenkomst over hun respectieve verplichtingen om te voldoen aan de vereisten van Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming).
De administratie die bevoegd is voor economie is verantwoordelijk voor de verwerkingen bedoeld in paragraaf 1, 2° tot 7°.
§ 4. In het kader van deze bepaling zijn de erkende ondernemingsloketten en de administratie die bevoegd is voor economie gemachtigd om, uitsluitend voor identificatiedoeleinden, rijksregisternummers op te vragen en te gebruiken, overeenkomstig artikel 8, § 1, derde lid, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen.
§ 5. De persoonsgegevens met betrekking tot de ondernemingen, hun vertegenwoordigers en gevolmachtigden die in het kader van deze wet en haar uitvoeringsmaatregelen worden verzameld en verwerkt, worden bewaard gedurende de gehele duur van hun beroepsactiviteit. Ze worden gewist of geanonimiseerd binnen zes maanden na het einde van die activiteit.
De persoonsgegevens met betrekking tot de natuurlijke personen die het bewijs leveren van de beroepsbekwaamheid en die in het kader van deze wet en haar uitvoeringsmaatregelen worden verzameld en verwerkt, worden bewaard tot het overlijden van die personen.
De persoonsgegevens met betrekking tot de andere personen bedoeld in paragraaf 2, die in het kader van deze wet en haar uitvoeringsmaatregelen worden verzameld en verwerkt, worden maximaal vijf jaar bewaard indien deze gegevens noodzakelijk blijken te zijn voor de verwezenlijking van de in paragraaf 1 bedoelde doeleinden.
Persoonsgegevens die nodig zijn voor de behandeling van een geschil in het kader van deze regeling worden echter bewaard gedurende de tijd die nodig is om dat geschil te behandelen en eventuele daaropvolgende rechterlijke beslissingen uit te voeren.
De bewaartermijnen van de gegevens bedoeld in de leden 1 tot en met 4 worden vastgesteld onverminderd de wettelijke bepalingen inzake archieven.]1
Modifications
Art. 13/1 _REGION_WALLONNE. [1 § 1er. Les traitements de données à caractère personnel, prévus dans le cadre de la présente loi et de ses mesures d'exécution, ont pour finalité de permettre :
1° la gestion et le traitement des procédures de reconnaissance de la compétence professionnelle ;
2° la gestion par le greffe de la procédure de recours auprès du Conseil d'Etablissement, instauré par la loi du 26 juin 2002 relative à l'instauration du Conseil d'Etablissement ;
3° l'organisation des jurys centraux visés à l'article 8 ;
4° le contrôle du respect des dispositions de la présente loi et de ses mesures d'exécution ;
5° le contrôle de l'exécution des missions des guichets d'entreprises agréés ;
6° la prévention d'une collecte redondante de données, la lutte contre le " forum shopping " et l'utilisation de documents falsifiés, l'échange de données entre les guichets d'entreprises agréés et l'administration en charge de l'économie, ainsi que l'échange de données avec d'autres entités aux fins poursuivies par elles, via l'utilisation d'une base de données qui reprend les décisions relatives aux compétences professionnelles des personnes physiques ;
7° la réalisation de statistiques anonymes ;
8° l'échange d'informations entre les guichets d'entreprises agréés et l'administration en charge de l'économie pour les finalités visées aux 2° à 6°.
§ 2. Les catégories de données à caractère personnel nécessaires pour atteindre les finalités visées au paragraphe 1er et les catégories de personnes concernées sont les suivantes :
1° les données d'identification, de contact et professionnelles des entreprises qui exercent une activité professionnelle pour laquelle la compétence professionnelle est fixée, ainsi que de leurs représentants et mandataires ;
2° les données d'identification, de contact, de formation et professionnelles des personnes physiques qui fournissent la preuve de la compétence professionnelle ;
3° les données d'identification, de contact et professionnelles des personnes qui interviennent, à quelque titre que ce soit, dans le cadre des missions et procédures visées au paragraphe 1er, 1° à 6°, et les données résultant de ces missions et procédures.
§ 3. Les guichets d'entreprises agréés sont les responsables conjoints des traitements visés au paragraphe 1er, 1°. Ils concluent un accord sur leurs obligations respectives afin d'assurer le respect des exigences du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données).
L'administration en charge de l'économie est la responsable des traitements visés au paragraphe 1er, 2° à 7°.
§ 4. Dans le cadre de la présente disposition, les guichets d'entreprises agréés et l'administration en charge de l'économie sont autorisés à demander, à des fins d'identification uniquement, les numéros de registre national et à les utiliser, conformément à l'article 8, § 1er, alinéa 3, de la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques.
§ 5. Les données à caractère personnel relatives aux entreprises, à leurs représentants et mandataires, collectées et traitées dans le cadre de la présente loi et de ses mesures d'exécution, sont conservées pendant toute la durée de leur activité professionnelle. Elles sont effacées ou anonymisées dans les six mois de la fin de ladite activité.
Les données à caractère personnel relatives aux personnes physiques qui fournissent la preuve de la compétence professionnelle, collectées et traitées dans le cadre de la présente loi et de ses mesures d'exécution, sont conservées jusqu'au décès de ces personnes.
Les données à caractère personnel relatives aux autres personnes visées au paragraphe 2, collectées et traitées dans le cadre de la présente loi et de ses mesures d'exécution, sont conservées pendant une durée maximale de cinq ans si ces données s'avèrent nécessaires à la réalisation des finalités visées au paragraphe 1er.
Les données à caractère personnel nécessaires pour le traitement d'un litige dans le cadre du présent dispositif sont toutefois conservées pour la durée du traitement de ce litige et de l'exécution des éventuelles décisions de justice subséquentes.
Les durées de conservation des données, visées aux alinéas 1er à 4, sont établies sans préjudice des dispositions légales relatives aux archives.]1
1° la gestion et le traitement des procédures de reconnaissance de la compétence professionnelle ;
2° la gestion par le greffe de la procédure de recours auprès du Conseil d'Etablissement, instauré par la loi du 26 juin 2002 relative à l'instauration du Conseil d'Etablissement ;
3° l'organisation des jurys centraux visés à l'article 8 ;
4° le contrôle du respect des dispositions de la présente loi et de ses mesures d'exécution ;
5° le contrôle de l'exécution des missions des guichets d'entreprises agréés ;
6° la prévention d'une collecte redondante de données, la lutte contre le " forum shopping " et l'utilisation de documents falsifiés, l'échange de données entre les guichets d'entreprises agréés et l'administration en charge de l'économie, ainsi que l'échange de données avec d'autres entités aux fins poursuivies par elles, via l'utilisation d'une base de données qui reprend les décisions relatives aux compétences professionnelles des personnes physiques ;
7° la réalisation de statistiques anonymes ;
8° l'échange d'informations entre les guichets d'entreprises agréés et l'administration en charge de l'économie pour les finalités visées aux 2° à 6°.
§ 2. Les catégories de données à caractère personnel nécessaires pour atteindre les finalités visées au paragraphe 1er et les catégories de personnes concernées sont les suivantes :
1° les données d'identification, de contact et professionnelles des entreprises qui exercent une activité professionnelle pour laquelle la compétence professionnelle est fixée, ainsi que de leurs représentants et mandataires ;
2° les données d'identification, de contact, de formation et professionnelles des personnes physiques qui fournissent la preuve de la compétence professionnelle ;
3° les données d'identification, de contact et professionnelles des personnes qui interviennent, à quelque titre que ce soit, dans le cadre des missions et procédures visées au paragraphe 1er, 1° à 6°, et les données résultant de ces missions et procédures.
§ 3. Les guichets d'entreprises agréés sont les responsables conjoints des traitements visés au paragraphe 1er, 1°. Ils concluent un accord sur leurs obligations respectives afin d'assurer le respect des exigences du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données).
L'administration en charge de l'économie est la responsable des traitements visés au paragraphe 1er, 2° à 7°.
§ 4. Dans le cadre de la présente disposition, les guichets d'entreprises agréés et l'administration en charge de l'économie sont autorisés à demander, à des fins d'identification uniquement, les numéros de registre national et à les utiliser, conformément à l'article 8, § 1er, alinéa 3, de la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques.
§ 5. Les données à caractère personnel relatives aux entreprises, à leurs représentants et mandataires, collectées et traitées dans le cadre de la présente loi et de ses mesures d'exécution, sont conservées pendant toute la durée de leur activité professionnelle. Elles sont effacées ou anonymisées dans les six mois de la fin de ladite activité.
Les données à caractère personnel relatives aux personnes physiques qui fournissent la preuve de la compétence professionnelle, collectées et traitées dans le cadre de la présente loi et de ses mesures d'exécution, sont conservées jusqu'au décès de ces personnes.
Les données à caractère personnel relatives aux autres personnes visées au paragraphe 2, collectées et traitées dans le cadre de la présente loi et de ses mesures d'exécution, sont conservées pendant une durée maximale de cinq ans si ces données s'avèrent nécessaires à la réalisation des finalités visées au paragraphe 1er.
Les données à caractère personnel nécessaires pour le traitement d'un litige dans le cadre du présent dispositif sont toutefois conservées pour la durée du traitement de ce litige et de l'exécution des éventuelles décisions de justice subséquentes.
Les durées de conservation des données, visées aux alinéas 1er à 4, sont établies sans préjudice des dispositions légales relatives aux archives.]1
Modifications
Art. 13/1_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 § 1. De verwerkingen van persoonsgegevens voorzien in het kader van deze wet en haar uitvoeringsmaatregelen hebben tot doel het volgende mogelijk te maken:
1° het beheer en de behandeling van de procedures voor de erkenning van de beroepsbekwaamheid;
2° het beheer en de behandeling van de beroepsprocedure bedoeld in artikel 12;
3° de organisatie van de centrale examencommissies bedoeld in artikel 8;
4° de controle op de naleving van de bepalingen van deze wet en haar uitvoeringsmaatregelen;
5° de controle op de uitvoering van de taken van de erkende ondernemingsloketten;
6° het beheer van een databank die de gegevens betreffende de erkenningen van de beroepsbekwaamheden bevat;
7° het opstellen van anonieme statistieken;
8° de uitwisseling van informatie tussen de erkende ondernemingsloketten en de diensten aangewezen door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering voor de doelen bedoeld in 2° tot en met 6°.
§ 2. De categorieën persoonsgegevens die noodzakelijk zijn voor het bereiken van de doelen bedoeld in paragraaf 1, en de categorieën van de personen, zijn de volgende:
1° de identificatie-, contact- en beroepsgegevens van de ondernemingen die een beroepsactiviteit uitoefenen waarvoor de beroepsbekwaamheid is vastgesteld en van hun aangestelden en lasthebbers;
2° de identificatie-, contact-, opleidings- en beroepsgegevens van de natuurlijke personen die het bewijs leveren van de beroepsbekwaamheid;
3° de identificatie-, contact- en beroepsgegevens van de personen die, in eender welke hoedanigheid, tussenkomen in het kader van de opdrachten en procedures bedoeld in § 1, 1° tot en met 6°, en de gegevens die volgen uit die opdrachten en procedures;
4° de door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering bepaalde gegevens die noodzakelijk zijn om de naleving van de voorwaarden en verplichtingen bedoeld in deze wet en haar uitvoeringsmaatregelen na te gaan.
§ 3. De erkende ondernemingsloketten zijn gezamenlijk de verantwoordelijke voor de in paragraaf 1, 1°, bedoelde verwerkingen. Zij stellen op transparante wijze hun respectieve verantwoordelijkheden vast voor de nakoming van de verplichtingen uit hoofde van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), door middel van een onderlinge regeling.
De diensten aangewezen door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering zijn de verantwoordelijke voor de in paragraaf 1, 2° tot en met 7° bedoelde verwerkingen.
§ 4. In het kader van deze bepaling, zijn de erkende ondernemingsloketten en de diensten aangewezen door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering gemachtigd om rijksregisternummers op te vragen en te gebruiken, overeenkomstig artikel 8, § 1, derde lid, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen.
§ 5. De persoonsgegevens met betrekking tot de ondernemingen en hun aangestelden en mandatarissen en die in het kader van deze wet en haar uitvoeringsmaatregelen worden verzameld en verwerkt, worden bewaard gedurende de gehele duur van hun beroepsactiviteit. Ze worden verwijderd of geanonimiseerd binnen zes maanden na het einde van die activiteit.
De persoonsgegevens met betrekking tot de natuurlijke personen die het bewijs leveren van de beroepsbekwaamheid en die in het kader van deze wet en haar uitvoeringsmaatregelen worden verzameld en verwerkt, worden bewaard tot hun overlijden.
De persoonsgegevens met betrekking tot de andere personen bedoeld in paragraaf 2 en die in het kader van deze wet en haar uitvoeringsmaatregelen worden verzameld en verwerkt, worden bewaard in de mate dat en zolang die gegevens noodzakelijk blijken om de in paragraaf 1 bedoelde doeleinden te verwezenlijken. Onder voorbehoud van het eerste, tweede en vierde lid worden deze gegevens niet langer dan vijf jaar bewaard.
Persoonsgegevens die nodig zijn voor de behandeling van een geschil in het kader van dit dispositief worden echter bewaard gedurende de tijd die nodig is om een dergelijk geschil te behandelen en eventuele daaropvolgende rechterlijke beslissingen uit te voeren.]1
1° het beheer en de behandeling van de procedures voor de erkenning van de beroepsbekwaamheid;
2° het beheer en de behandeling van de beroepsprocedure bedoeld in artikel 12;
3° de organisatie van de centrale examencommissies bedoeld in artikel 8;
4° de controle op de naleving van de bepalingen van deze wet en haar uitvoeringsmaatregelen;
5° de controle op de uitvoering van de taken van de erkende ondernemingsloketten;
6° het beheer van een databank die de gegevens betreffende de erkenningen van de beroepsbekwaamheden bevat;
7° het opstellen van anonieme statistieken;
8° de uitwisseling van informatie tussen de erkende ondernemingsloketten en de diensten aangewezen door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering voor de doelen bedoeld in 2° tot en met 6°.
§ 2. De categorieën persoonsgegevens die noodzakelijk zijn voor het bereiken van de doelen bedoeld in paragraaf 1, en de categorieën van de personen, zijn de volgende:
1° de identificatie-, contact- en beroepsgegevens van de ondernemingen die een beroepsactiviteit uitoefenen waarvoor de beroepsbekwaamheid is vastgesteld en van hun aangestelden en lasthebbers;
2° de identificatie-, contact-, opleidings- en beroepsgegevens van de natuurlijke personen die het bewijs leveren van de beroepsbekwaamheid;
3° de identificatie-, contact- en beroepsgegevens van de personen die, in eender welke hoedanigheid, tussenkomen in het kader van de opdrachten en procedures bedoeld in § 1, 1° tot en met 6°, en de gegevens die volgen uit die opdrachten en procedures;
4° de door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering bepaalde gegevens die noodzakelijk zijn om de naleving van de voorwaarden en verplichtingen bedoeld in deze wet en haar uitvoeringsmaatregelen na te gaan.
§ 3. De erkende ondernemingsloketten zijn gezamenlijk de verantwoordelijke voor de in paragraaf 1, 1°, bedoelde verwerkingen. Zij stellen op transparante wijze hun respectieve verantwoordelijkheden vast voor de nakoming van de verplichtingen uit hoofde van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), door middel van een onderlinge regeling.
De diensten aangewezen door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering zijn de verantwoordelijke voor de in paragraaf 1, 2° tot en met 7° bedoelde verwerkingen.
§ 4. In het kader van deze bepaling, zijn de erkende ondernemingsloketten en de diensten aangewezen door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering gemachtigd om rijksregisternummers op te vragen en te gebruiken, overeenkomstig artikel 8, § 1, derde lid, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen.
§ 5. De persoonsgegevens met betrekking tot de ondernemingen en hun aangestelden en mandatarissen en die in het kader van deze wet en haar uitvoeringsmaatregelen worden verzameld en verwerkt, worden bewaard gedurende de gehele duur van hun beroepsactiviteit. Ze worden verwijderd of geanonimiseerd binnen zes maanden na het einde van die activiteit.
De persoonsgegevens met betrekking tot de natuurlijke personen die het bewijs leveren van de beroepsbekwaamheid en die in het kader van deze wet en haar uitvoeringsmaatregelen worden verzameld en verwerkt, worden bewaard tot hun overlijden.
De persoonsgegevens met betrekking tot de andere personen bedoeld in paragraaf 2 en die in het kader van deze wet en haar uitvoeringsmaatregelen worden verzameld en verwerkt, worden bewaard in de mate dat en zolang die gegevens noodzakelijk blijken om de in paragraaf 1 bedoelde doeleinden te verwezenlijken. Onder voorbehoud van het eerste, tweede en vierde lid worden deze gegevens niet langer dan vijf jaar bewaard.
Persoonsgegevens die nodig zijn voor de behandeling van een geschil in het kader van dit dispositief worden echter bewaard gedurende de tijd die nodig is om een dergelijk geschil te behandelen en eventuele daaropvolgende rechterlijke beslissingen uit te voeren.]1
Modifications
Art. 13/1 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
[1 § 1er. Les traitements de données à caractère personnel prévus dans le cadre de la présente loi et de ses mesures d'exécution ont pour finalité de permettre:
1° la gestion et le traitement des procédures de reconnaissance de la compétence professionnelle;
2° la gestion et le traitement de la procédure de recours prévue à l'article 12;
3° l'organisation des jurys centraux visés à l'article 8;
4° le contrôle du respect des dispositions de la présente loi et de ses mesures d'exécution;
5° le contrôle de l'exécution des missions des guichets d'entreprises agréés;
6° la gestion d'une base de données reprenant les données relatives aux reconnaissances des compétences professionnelles;
7° la réalisation de statistiques anonymes;
8° l'échange d'informations entre les guichets d'entreprises agréés et les services désignés par le Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale pour les finalités visées aux 2° à 6°.
§ 2. Les catégories de données à caractère personnel qui sont nécessaires pour atteindre les finalités visées au paragraphe 1er, ainsi que les catégories de personnes concernées, sont les suivantes:
1° les données d'identification, de contact et professionnelles des entreprises qui exercent une activité professionnelle pour laquelle la compétence professionnelle est fixée et de leurs préposés et mandataires;
2° les données d'identification, de contact, de formation et professionnelles des personnes physiques qui fournissent la preuve de la compétence professionnelle;
3° les données d'identification, de contact et professionnelles des personnes qui interviennent, à quelque titre que ce soit, dans le cadre des missions et procédures visées au § 1er, 1° à 6°, et les données résultant de ces missions et procédures;
4° les données, déterminées par le Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale, nécessaires à la vérification du respect des conditions et des obligations visées à la présente loi et ses mesures d'exécution.
§ 3. Les guichets d'entreprises agréés sont les responsables conjoints des traitements visés au paragraphe 1er, 1°. Ils définissent de manière transparente leurs obligations respectives aux fins d'assurer le respect des exigences du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données), par voie d'accord entre eux.
Les services désignés par le Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale sont le responsable des traitements visés au paragraphe 1er, 2° à 7°.
§ 4. Dans le cadre de la présente disposition, les guichets d'entreprises agréés et les services désignés par le Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale sont autorisés à demander les numéros de registre national et à les utiliser, conformément à l'article 8, § 1er, alinéa 3, de la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques.
§ 5. Les données à caractère personnel relatives aux entreprises et à leurs préposés et mandataires et qui sont collectées et traitées dans le cadre de la présente loi et de ses mesures d'exécution sont conservées pendant toute la durée de leur activité professionnelle. Elles sont effacées ou anonymisées dans les six mois de la fin de ladite activité.
Les données à caractère personnel relatives aux personnes physiques qui fournissent la preuve de la compétence professionnelle et qui sont collectées et traitées dans le cadre de la présente loi et de ses mesures d'exécution sont conservées jusqu'au décès de ces personnes.
Les données à caractère personnel relatives aux autres personnes visées au paragraphe 2 et qui ont été collectées et traitées dans le cadre de la présente loi et de ses mesures d'exécution sont conservées tant et pour autant que ces données s'avèrent nécessaires à la réalisation des finalités visées au paragraphe 1er. Sous réserve des alinéas 1er, 2 et 4, ces données ne sont pas conservées pour plus de cinq ans.
Les données à caractère personnel nécessaires pour le traitement d'un litige dans le cadre du présent dispositif sont toutefois conservées pour la durée du traitement de ce litige et de l'exécution des éventuelles décisions de justice subséquentes. ]1
[1 § 1er. Les traitements de données à caractère personnel prévus dans le cadre de la présente loi et de ses mesures d'exécution ont pour finalité de permettre:
1° la gestion et le traitement des procédures de reconnaissance de la compétence professionnelle;
2° la gestion et le traitement de la procédure de recours prévue à l'article 12;
3° l'organisation des jurys centraux visés à l'article 8;
4° le contrôle du respect des dispositions de la présente loi et de ses mesures d'exécution;
5° le contrôle de l'exécution des missions des guichets d'entreprises agréés;
6° la gestion d'une base de données reprenant les données relatives aux reconnaissances des compétences professionnelles;
7° la réalisation de statistiques anonymes;
8° l'échange d'informations entre les guichets d'entreprises agréés et les services désignés par le Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale pour les finalités visées aux 2° à 6°.
§ 2. Les catégories de données à caractère personnel qui sont nécessaires pour atteindre les finalités visées au paragraphe 1er, ainsi que les catégories de personnes concernées, sont les suivantes:
1° les données d'identification, de contact et professionnelles des entreprises qui exercent une activité professionnelle pour laquelle la compétence professionnelle est fixée et de leurs préposés et mandataires;
2° les données d'identification, de contact, de formation et professionnelles des personnes physiques qui fournissent la preuve de la compétence professionnelle;
3° les données d'identification, de contact et professionnelles des personnes qui interviennent, à quelque titre que ce soit, dans le cadre des missions et procédures visées au § 1er, 1° à 6°, et les données résultant de ces missions et procédures;
4° les données, déterminées par le Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale, nécessaires à la vérification du respect des conditions et des obligations visées à la présente loi et ses mesures d'exécution.
§ 3. Les guichets d'entreprises agréés sont les responsables conjoints des traitements visés au paragraphe 1er, 1°. Ils définissent de manière transparente leurs obligations respectives aux fins d'assurer le respect des exigences du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données), par voie d'accord entre eux.
Les services désignés par le Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale sont le responsable des traitements visés au paragraphe 1er, 2° à 7°.
§ 4. Dans le cadre de la présente disposition, les guichets d'entreprises agréés et les services désignés par le Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale sont autorisés à demander les numéros de registre national et à les utiliser, conformément à l'article 8, § 1er, alinéa 3, de la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques.
§ 5. Les données à caractère personnel relatives aux entreprises et à leurs préposés et mandataires et qui sont collectées et traitées dans le cadre de la présente loi et de ses mesures d'exécution sont conservées pendant toute la durée de leur activité professionnelle. Elles sont effacées ou anonymisées dans les six mois de la fin de ladite activité.
Les données à caractère personnel relatives aux personnes physiques qui fournissent la preuve de la compétence professionnelle et qui sont collectées et traitées dans le cadre de la présente loi et de ses mesures d'exécution sont conservées jusqu'au décès de ces personnes.
Les données à caractère personnel relatives aux autres personnes visées au paragraphe 2 et qui ont été collectées et traitées dans le cadre de la présente loi et de ses mesures d'exécution sont conservées tant et pour autant que ces données s'avèrent nécessaires à la réalisation des finalités visées au paragraphe 1er. Sous réserve des alinéas 1er, 2 et 4, ces données ne sont pas conservées pour plus de cinq ans.
Les données à caractère personnel nécessaires pour le traitement d'un litige dans le cadre du présent dispositif sont toutefois conservées pour la durée du traitement de ce litige et de l'exécution des éventuelles décisions de justice subséquentes. ]1
Modifications
Art. 14. Wanneer een inbreuk op de bepalingen van dit hoofdstuk is vastgesteld, kan de met toepassing van artikel 15, § 1, aangewezen ambtenaar een waarschuwing richten tot de overtreder waarbij die tot stopzetting van deze handeling wordt aangemaand.
De waarschuwing wordt de overtreder ter kennis gebracht binnen een termijn van drie weken volgend op de vaststelling van de feiten, bij een ter post aangetekende brief met ontvangstmelding of door de overhandiging van een afschrift van het proces-verbaal waarin de feiten zijn vastgesteld.
De waarschuwing vermeldt :
1° de ten laste gelegde feiten en de geschonden wetsbepaling of -bepalingen;
2° de termijn waarbinnen zij dienen te worden stopgezet;
3° dat, indien aan de waarschuwing geen gevolg wordt gegeven, de met toepassing van artikel 15, § 1 aangewezen ambtenaren, of de met toepassing van artikel 16, § 3 aangewezen ambtenaren respectievelijk de procureur des Konings kunnen inlichten of het voorstel bedoeld in artikel 16, § 3, kunnen doen.
De waarschuwing wordt de overtreder ter kennis gebracht binnen een termijn van drie weken volgend op de vaststelling van de feiten, bij een ter post aangetekende brief met ontvangstmelding of door de overhandiging van een afschrift van het proces-verbaal waarin de feiten zijn vastgesteld.
De waarschuwing vermeldt :
1° de ten laste gelegde feiten en de geschonden wetsbepaling of -bepalingen;
2° de termijn waarbinnen zij dienen te worden stopgezet;
3° dat, indien aan de waarschuwing geen gevolg wordt gegeven, de met toepassing van artikel 15, § 1 aangewezen ambtenaren, of de met toepassing van artikel 16, § 3 aangewezen ambtenaren respectievelijk de procureur des Konings kunnen inlichten of het voorstel bedoeld in artikel 16, § 3, kunnen doen.
Art. 14. Lorsqu'une infraction aux dispositions du présent chapitre est constatée, l'agent désigné en application de l'article 15, § 1er, peut adresser au contrevenant un avertissement le mettant en demeure de mettre fin à cet acte.
L'avertissement est notifié au contrevenant dans un délai de trois semaines à dater de la constatation des faits, par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception ou par la remise d'une copie du procès-verbal de constatation des faits.
L'avertissement mentionne :
1° les faits imputés et la ou les dispositions légales enfreintes;
2° le délai dans lequel il doit y être mis fin;
3° qu'au cas où il n'est pas donné suite à l'avertissement, les agents désignés en application de l'article 15, § 1er ou les agents désignés en application de l'article 16, § 3 pourront respectivement aviser le procureur du Roi ou faire la proposition visée à l'article 16, § 3.
L'avertissement est notifié au contrevenant dans un délai de trois semaines à dater de la constatation des faits, par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception ou par la remise d'une copie du procès-verbal de constatation des faits.
L'avertissement mentionne :
1° les faits imputés et la ou les dispositions légales enfreintes;
2° le délai dans lequel il doit y être mis fin;
3° qu'au cas où il n'est pas donné suite à l'avertissement, les agents désignés en application de l'article 15, § 1er ou les agents désignés en application de l'article 16, § 3 pourront respectivement aviser le procureur du Roi ou faire la proposition visée à l'article 16, § 3.
Art. 15. § 1. Onverminderd de ambtsbevoegdheid van de officieren van de gerechtelijke politie zijn de gerechtelijke agenten bij de parketten, de (federale politie), de (lokale politie) alsmede de door de Koning hiertoe aangewezen ambtenaren bevoegd om de inbreuken op de bepalingen van dit hoofdstuk op te sporen en vast te stellen. <W 2003-05-11/39, art. 8, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
De ambtenaren maken proces-verbaal op dat bewijskracht heeft tot het tegendeel is bewezen. Een afschrift wordt binnen dertig dagen bij aangetekende brief aan de overtreder gestuurd.
§ 2. In de uitoefening van hun ambt mogen de in § 1 genoemde ambtenaren :
1° tijdens de openings- of werkuren binnentreden in de inrichtingen, gebouwen, belendende binnenplaatsen en besloten ruimten waar zij voor het vervullen van hun opdracht toegang moeten hebben;
2° alle dienstige vaststellingen doen, zich op eerste vordering ter plaatse de documenten, stukken of boeken die zij voor hun opsporingen en vaststellingen nodig hebben, doen voorleggen en daarvan afschrift nemen;
3° tegen ontvangstbewijs, beslag leggen op de onder punt 2 opgesomde documenten, noodzakelijk voor bewijs van een inbreuk of om de mededaders of medeplichtigen van de overtreders op te sporen;
4° indien zij redenen hebben te geloven aan het bestaan van een inbreuk, in de bewoonde lokalen binnentreden met voorafgaande machtiging van de rechter bij de politierechtbank; de bezoeken in bewoonde lokalen moeten tussen acht en achttien uur en door minstens twee ambtenaren gezamenlijk geschieden.
§ 3. In de uitoefening van hun ambt kunnen de in § 1 genoemde ambtenaren bijstand van de (lokale politie) of van de (federale politie) vorderen. <W 2003-05-11/39, art. 8, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
§ 4. De gemachtigde ambtenaren oefenen de hun door dit artikel verleende bevoegdheden uit onder het toezicht van de Procureur-generaal, onverminderd hun ondergeschiktheid aan hun meerderen in het bestuur.
De ambtenaren maken proces-verbaal op dat bewijskracht heeft tot het tegendeel is bewezen. Een afschrift wordt binnen dertig dagen bij aangetekende brief aan de overtreder gestuurd.
§ 2. In de uitoefening van hun ambt mogen de in § 1 genoemde ambtenaren :
1° tijdens de openings- of werkuren binnentreden in de inrichtingen, gebouwen, belendende binnenplaatsen en besloten ruimten waar zij voor het vervullen van hun opdracht toegang moeten hebben;
2° alle dienstige vaststellingen doen, zich op eerste vordering ter plaatse de documenten, stukken of boeken die zij voor hun opsporingen en vaststellingen nodig hebben, doen voorleggen en daarvan afschrift nemen;
3° tegen ontvangstbewijs, beslag leggen op de onder punt 2 opgesomde documenten, noodzakelijk voor bewijs van een inbreuk of om de mededaders of medeplichtigen van de overtreders op te sporen;
4° indien zij redenen hebben te geloven aan het bestaan van een inbreuk, in de bewoonde lokalen binnentreden met voorafgaande machtiging van de rechter bij de politierechtbank; de bezoeken in bewoonde lokalen moeten tussen acht en achttien uur en door minstens twee ambtenaren gezamenlijk geschieden.
§ 3. In de uitoefening van hun ambt kunnen de in § 1 genoemde ambtenaren bijstand van de (lokale politie) of van de (federale politie) vorderen. <W 2003-05-11/39, art. 8, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
§ 4. De gemachtigde ambtenaren oefenen de hun door dit artikel verleende bevoegdheden uit onder het toezicht van de Procureur-generaal, onverminderd hun ondergeschiktheid aan hun meerderen in het bestuur.
Art. 15. § 1er. Sans préjudice de la compétence des officiers de la police judiciaire, les agents judiciaires près les parquets, la (police fédérale), la (police locale), ainsi que les agents désignés par le Roi à cet effet, sont habilités à rechercher et à constater les infractions aux dispositions du présent chapitre. <L 2003-05-11/39, art. 8, 007; En vigueur : 01-07-2003>
Les agents dressent un procès-verbal qui fait foi jusqu'à preuve du contraire. Une copie est envoyée dans les trente jours au contrevenant par lettre recommandée.
§ 2. Dans l'exercice de leur fonction, les agents visés au § 1er peuvent :
1° pénétrer, pendant les heures d'ouverture ou de travail, dans les établissements, bâtiments, cours adjacentes et enclos dont l'accès est nécessaire à l'accomplissement de leur mission;
2° faire toutes les constatations utiles, se faire produire sur première réquisition et sans déplacement les documents, pièces ou livres nécessaires à leurs recherches et constatations et en prendre copie;
3° saisir, contre récépissé, les documents visés au point 2 qui sont nécessaires pour la preuve d'une infraction ou pour rechercher les coauteurs ou complices des contrevenants;
4° s'ils ont des raisons de croire à l'existence d'une infraction, pénétrer dans les locaux habités avec autorisation préalable du juge du tribunal de police; les visites dans les locaux habités doivent s'effectuer entre huit et dix-huit heures et être faites conjointement par deux agents au moins.
§ 3. Dans l'exercice de leur fonction, les agents mentionnés au § 1er peuvent requérir l'assistance de la (police locale) ou de la (police fédérale). <L 2003-05-11/39, art. 8, 007; En vigueur : 01-07-2003>
§ 4. Les agents commissionnés exercent les pouvoirs qui leur sont accordés par le présent article sous la surveillance du Procureur général, sans préjudice de leur subordination à l'égard de leurs supérieurs dans l'administration.
Les agents dressent un procès-verbal qui fait foi jusqu'à preuve du contraire. Une copie est envoyée dans les trente jours au contrevenant par lettre recommandée.
§ 2. Dans l'exercice de leur fonction, les agents visés au § 1er peuvent :
1° pénétrer, pendant les heures d'ouverture ou de travail, dans les établissements, bâtiments, cours adjacentes et enclos dont l'accès est nécessaire à l'accomplissement de leur mission;
2° faire toutes les constatations utiles, se faire produire sur première réquisition et sans déplacement les documents, pièces ou livres nécessaires à leurs recherches et constatations et en prendre copie;
3° saisir, contre récépissé, les documents visés au point 2 qui sont nécessaires pour la preuve d'une infraction ou pour rechercher les coauteurs ou complices des contrevenants;
4° s'ils ont des raisons de croire à l'existence d'une infraction, pénétrer dans les locaux habités avec autorisation préalable du juge du tribunal de police; les visites dans les locaux habités doivent s'effectuer entre huit et dix-huit heures et être faites conjointement par deux agents au moins.
§ 3. Dans l'exercice de leur fonction, les agents mentionnés au § 1er peuvent requérir l'assistance de la (police locale) ou de la (police fédérale). <L 2003-05-11/39, art. 8, 007; En vigueur : 01-07-2003>
§ 4. Les agents commissionnés exercent les pouvoirs qui leur sont accordés par le présent article sous la surveillance du Procureur général, sans préjudice de leur subordination à l'égard de leurs supérieurs dans l'administration.
Art. 15_WAALS_GEWEST. [1 Onverminderd de ambtsbevoegdheid van de officieren van de gerechtelijke politie zijn de gerechtelijke agenten bij de parketten, de federale politie, de lokale politie alsmede de door de Regering hiertoe aangewezen ambtenaren bevoegd om de inbreuken op de bepalingen van dit hoofdstuk op te sporen en vast te stellen.
De ambtenaren bedoeld in lid 1 oefenen bedoeld toezicht uit overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 28 februari 2019 betreffende de controle van de wetgevingen en reglementeringen inzake het economisch beleid, het tewerkstellingsbeleid en het wetenschappelijk onderzoek alsook de invoering van administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op deze wetgevingen en reglementeringen.
In de uitoefening van hun ambt kunnen de ambtenaren bedoeld in lid 1 de bijstand vragen van de lokale en van de federale politie. ]1.
De ambtenaren bedoeld in lid 1 oefenen bedoeld toezicht uit overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 28 februari 2019 betreffende de controle van de wetgevingen en reglementeringen inzake het economisch beleid, het tewerkstellingsbeleid en het wetenschappelijk onderzoek alsook de invoering van administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op deze wetgevingen en reglementeringen.
In de uitoefening van hun ambt kunnen de ambtenaren bedoeld in lid 1 de bijstand vragen van de lokale en van de federale politie. ]1.
Modifications
Art. 15 _REGION_WALLONNE.
[1 Sans préjudice de la compétence des officiers de la police judiciaire, les agents judiciaires près les parquets, la police fédérale, la police locale, ainsi que les fonctionnaires désignés par le Gouvernement, sont habilités à rechercher et à constater les infractions aux dispositions du présent chapitre.
Les fonctionnaires visés à l'alinéa 1er exercent ce contrôle conformément aux dispositions du décret du 28 février 2019 relatif au contrôle des législations et réglementations relatives à la politique économique, à la politique de l'emploi et à la recherche scientifique ainsi qu'à l'instauration d'amendes administratives applicables en cas d'infraction à ces législations et réglementations.
Dans l'exercice de leurs fonctions, les fonctionnaires visés à l'alinéa 1er peuvent requérir l'assistance de la police locale ou de la police fédérale]1.
[1 Sans préjudice de la compétence des officiers de la police judiciaire, les agents judiciaires près les parquets, la police fédérale, la police locale, ainsi que les fonctionnaires désignés par le Gouvernement, sont habilités à rechercher et à constater les infractions aux dispositions du présent chapitre.
Les fonctionnaires visés à l'alinéa 1er exercent ce contrôle conformément aux dispositions du décret du 28 février 2019 relatif au contrôle des législations et réglementations relatives à la politique économique, à la politique de l'emploi et à la recherche scientifique ainsi qu'à l'instauration d'amendes administratives applicables en cas d'infraction à ces législations et réglementations.
Dans l'exercice de leurs fonctions, les fonctionnaires visés à l'alinéa 1er peuvent requérir l'assistance de la police locale ou de la police fédérale]1.
Modifications
Art. 15_VLAAMS_GEWEST. § 1. Onverminderd de ambtsbevoegdheid van de officieren van de gerechtelijke politie zijn de gerechtelijke agenten bij de parketten, de (federale politie), de (lokale politie) alsmede de door de Koning hiertoe aangewezen ambtenaren bevoegd om de inbreuken op de bepalingen van dit hoofdstuk op te sporen en vast te stellen. <W 2003-05-11/39, art. 8, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
De ambtenaren maken proces-verbaal op dat bewijskracht heeft tot het tegendeel is bewezen. Een afschrift wordt binnen dertig dagen bij aangetekende brief aan de overtreder gestuurd.
§ 2. In de uitoefening van hun ambt mogen de in § 1 genoemde ambtenaren :
1° tijdens de openings- of werkuren binnentreden in de inrichtingen, gebouwen, belendende binnenplaatsen en besloten ruimten waar zij voor het vervullen van hun opdracht toegang moeten hebben;
2° alle dienstige vaststellingen doen, zich op eerste vordering ter plaatse de documenten, stukken of boeken die zij voor hun opsporingen en vaststellingen nodig hebben, doen voorleggen en daarvan afschrift nemen;
3° tegen ontvangstbewijs, beslag leggen op de onder punt 2 opgesomde documenten, noodzakelijk voor bewijs van een inbreuk of om de mededaders of medeplichtigen van de overtreders op te sporen;
4° indien zij redenen hebben te geloven aan het bestaan van een inbreuk, in de bewoonde lokalen binnentreden met voorafgaande machtiging van de rechter bij de politierechtbank; de bezoeken in bewoonde lokalen moeten tussen acht en achttien uur en door minstens twee ambtenaren gezamenlijk geschieden.
§ 3. In de uitoefening van hun ambt kunnen de in § 1 genoemde ambtenaren bijstand van de (lokale politie) of van de (federale politie) vorderen. <W 2003-05-11/39, art. 8, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
§ 4. De gemachtigde ambtenaren oefenen de hun door dit artikel verleende bevoegdheden uit onder het toezicht van de Procureur-generaal, onverminderd hun ondergeschiktheid aan hun meerderen in het bestuur.
[1 § 5. [2 Met toepassing van artikel 23, lid 1, e) en h), van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) kunnen de ambtenaren, vermeld in paragraaf 1, beslissen om de verplichtingen en de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, niet toe te passen bij de verwerkingen van persoonsgegevens in het kader van een onderzoek dat betrekking heeft op een welbepaalde natuurlijke persoon, als voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in het tweede tot en met het tiende lid.
De afwijkingsmogelijkheid, vermeld in het eerste lid, geldt alleen gedurende de periode waarin de betrokkene het voorwerp uitmaakt van een controle, een onderzoek of de voorbereidende werkzaamheden die daarmee verband houden, in het kader van de decretale en reglementaire opdrachten van de ambtenaren, vermeld in paragraaf 1, op voorwaarde dat het voor het goede verloop van het onderzoek noodzakelijk is of kan zijn dat de verplichtingen en de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, niet worden toegepast. De duur van de voorbereidende werkzaamheden mag in voorkomend geval niet meer bedragen dan een jaar vanaf de ontvangst van een verzoek tot uitoefening van een van de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening.
De persoonsgegevens, vermeld in het eerste lid, worden niet langer bewaard dan nodig is voor de doeleinden waarvoor ze worden verwerkt.
De afwijkingsmogelijkheid, vermeld in het eerste lid, heeft geen betrekking op de gegevens die losstaan van het voorwerp van het onderzoek dat of van de controle die de weigering of beperking van de rechten, vermeld in het eerste lid, rechtvaardigt.
Als de betrokkene in het geval, vermeld in het eerste lid, tijdens de periode, vermeld in het tweede lid, een verzoek indient op basis van artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, bevestigt de bevoegde functionaris voor gegevensbescherming de ontvangst daarvan.
De bevoegde functionaris voor gegevensbescherming brengt de betrokkene schriftelijk, zo snel mogelijk en in elk geval binnen een maand vanaf de dag die volgt op de dag waarop hij het verzoek heeft ontvangen, op de hoogte van elke weigering of beperking van de rechten, vermeld in het eerste lid. De verdere informatie over de nadere redenen voor die weigering of die beperking hoeft niet te worden verstrekt als dat de decretale en reglementaire opdrachten van de ambtenaren, vermeld in paragraaf 1, zou ondermijnen, met behoud van de toepassing van het achtste lid. Als het nodig is, kan de voormelde termijn met twee maanden worden verlengd, rekening houdend met het aantal aanvragen en de complexiteit ervan. De verwerkingsverantwoordelijke brengt de betrokkene binnen een maand vanaf de dag die volgt op de dag waarop hij het verzoek heeft ontvangen, op de hoogte van die verlenging en van de redenen voor het uitstel.
De bevoegde functionaris voor gegevensbescherming informeert de betrokkene ook over de mogelijkheid om een verzoek in te dienen bij de Vlaamse toezichtcommissie voor de verwerking van persoonsgegevens conform artikel 10/5 van het decreet van 18 juli 2008 betreffende het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer en om een beroep in rechte in te stellen.
De bevoegde functionaris voor gegevensbescherming noteert de feitelijke of juridische gronden waarop de beslissing is gebaseerd. Die informatie houdt hij ter beschikking van de voormelde Vlaamse toezichtcommissie.
Nadat het onderzoek afgesloten is, worden de rechten, vermeld in artikel 13 tot en met 22 van de voormelde verordening, in voorkomend geval, conform artikel 12 van de voormelde verordening opnieuw toegepast.
Als een dossier dat persoonsgegevens als vermeld in het eerste lid, bevat, naar het Openbaar Ministerie is gestuurd en kan leiden tot activiteiten onder leiding van het Openbaar Ministerie of een onderzoeksrechter, en er onduidelijkheid is over het geheim van het onderzoek onder leiding van het Openbaar Ministerie of een onderzoeksrechter, mag de bevoegde functionaris voor gegevensbescherming op verzoek van de betrokkene overeenkomstig artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening pas antwoorden nadat het Openbaar Ministerie of, in voorkomend geval, de onderzoeksrechter heeft bevestigd dat een antwoord het onderzoek niet in het gedrang brengt of kan brengen.]2]1
De ambtenaren maken proces-verbaal op dat bewijskracht heeft tot het tegendeel is bewezen. Een afschrift wordt binnen dertig dagen bij aangetekende brief aan de overtreder gestuurd.
§ 2. In de uitoefening van hun ambt mogen de in § 1 genoemde ambtenaren :
1° tijdens de openings- of werkuren binnentreden in de inrichtingen, gebouwen, belendende binnenplaatsen en besloten ruimten waar zij voor het vervullen van hun opdracht toegang moeten hebben;
2° alle dienstige vaststellingen doen, zich op eerste vordering ter plaatse de documenten, stukken of boeken die zij voor hun opsporingen en vaststellingen nodig hebben, doen voorleggen en daarvan afschrift nemen;
3° tegen ontvangstbewijs, beslag leggen op de onder punt 2 opgesomde documenten, noodzakelijk voor bewijs van een inbreuk of om de mededaders of medeplichtigen van de overtreders op te sporen;
4° indien zij redenen hebben te geloven aan het bestaan van een inbreuk, in de bewoonde lokalen binnentreden met voorafgaande machtiging van de rechter bij de politierechtbank; de bezoeken in bewoonde lokalen moeten tussen acht en achttien uur en door minstens twee ambtenaren gezamenlijk geschieden.
§ 3. In de uitoefening van hun ambt kunnen de in § 1 genoemde ambtenaren bijstand van de (lokale politie) of van de (federale politie) vorderen. <W 2003-05-11/39, art. 8, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
§ 4. De gemachtigde ambtenaren oefenen de hun door dit artikel verleende bevoegdheden uit onder het toezicht van de Procureur-generaal, onverminderd hun ondergeschiktheid aan hun meerderen in het bestuur.
[1 § 5. [2 Met toepassing van artikel 23, lid 1, e) en h), van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) kunnen de ambtenaren, vermeld in paragraaf 1, beslissen om de verplichtingen en de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, niet toe te passen bij de verwerkingen van persoonsgegevens in het kader van een onderzoek dat betrekking heeft op een welbepaalde natuurlijke persoon, als voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in het tweede tot en met het tiende lid.
De afwijkingsmogelijkheid, vermeld in het eerste lid, geldt alleen gedurende de periode waarin de betrokkene het voorwerp uitmaakt van een controle, een onderzoek of de voorbereidende werkzaamheden die daarmee verband houden, in het kader van de decretale en reglementaire opdrachten van de ambtenaren, vermeld in paragraaf 1, op voorwaarde dat het voor het goede verloop van het onderzoek noodzakelijk is of kan zijn dat de verplichtingen en de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, niet worden toegepast. De duur van de voorbereidende werkzaamheden mag in voorkomend geval niet meer bedragen dan een jaar vanaf de ontvangst van een verzoek tot uitoefening van een van de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening.
De persoonsgegevens, vermeld in het eerste lid, worden niet langer bewaard dan nodig is voor de doeleinden waarvoor ze worden verwerkt.
De afwijkingsmogelijkheid, vermeld in het eerste lid, heeft geen betrekking op de gegevens die losstaan van het voorwerp van het onderzoek dat of van de controle die de weigering of beperking van de rechten, vermeld in het eerste lid, rechtvaardigt.
Als de betrokkene in het geval, vermeld in het eerste lid, tijdens de periode, vermeld in het tweede lid, een verzoek indient op basis van artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, bevestigt de bevoegde functionaris voor gegevensbescherming de ontvangst daarvan.
De bevoegde functionaris voor gegevensbescherming brengt de betrokkene schriftelijk, zo snel mogelijk en in elk geval binnen een maand vanaf de dag die volgt op de dag waarop hij het verzoek heeft ontvangen, op de hoogte van elke weigering of beperking van de rechten, vermeld in het eerste lid. De verdere informatie over de nadere redenen voor die weigering of die beperking hoeft niet te worden verstrekt als dat de decretale en reglementaire opdrachten van de ambtenaren, vermeld in paragraaf 1, zou ondermijnen, met behoud van de toepassing van het achtste lid. Als het nodig is, kan de voormelde termijn met twee maanden worden verlengd, rekening houdend met het aantal aanvragen en de complexiteit ervan. De verwerkingsverantwoordelijke brengt de betrokkene binnen een maand vanaf de dag die volgt op de dag waarop hij het verzoek heeft ontvangen, op de hoogte van die verlenging en van de redenen voor het uitstel.
De bevoegde functionaris voor gegevensbescherming informeert de betrokkene ook over de mogelijkheid om een verzoek in te dienen bij de Vlaamse toezichtcommissie voor de verwerking van persoonsgegevens conform artikel 10/5 van het decreet van 18 juli 2008 betreffende het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer en om een beroep in rechte in te stellen.
De bevoegde functionaris voor gegevensbescherming noteert de feitelijke of juridische gronden waarop de beslissing is gebaseerd. Die informatie houdt hij ter beschikking van de voormelde Vlaamse toezichtcommissie.
Nadat het onderzoek afgesloten is, worden de rechten, vermeld in artikel 13 tot en met 22 van de voormelde verordening, in voorkomend geval, conform artikel 12 van de voormelde verordening opnieuw toegepast.
Als een dossier dat persoonsgegevens als vermeld in het eerste lid, bevat, naar het Openbaar Ministerie is gestuurd en kan leiden tot activiteiten onder leiding van het Openbaar Ministerie of een onderzoeksrechter, en er onduidelijkheid is over het geheim van het onderzoek onder leiding van het Openbaar Ministerie of een onderzoeksrechter, mag de bevoegde functionaris voor gegevensbescherming op verzoek van de betrokkene overeenkomstig artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening pas antwoorden nadat het Openbaar Ministerie of, in voorkomend geval, de onderzoeksrechter heeft bevestigd dat een antwoord het onderzoek niet in het gedrang brengt of kan brengen.]2]1
Art. 15 _REGION_FLAMANDE.
§ 1er. Sans préjudice de la compétence des officiers de la police judiciaire, les agents judiciaires près les parquets, la (police fédérale), la (police locale), ainsi que les agents désignés par le Roi à cet effet, sont habilités à rechercher et à constater les infractions aux dispositions du présent chapitre. <L 2003-05-11/39, art. 8, 007; En vigueur : 01-07-2003>
Les agents dressent un procès-verbal qui fait foi jusqu'à preuve du contraire. Une copie est envoyée dans les trente jours au contrevenant par lettre recommandée.
§ 2. Dans l'exercice de leur fonction, les agents visés au § 1er peuvent :
1° pénétrer, pendant les heures d'ouverture ou de travail, dans les établissements, bâtiments, cours adjacentes et enclos dont l'accès est nécessaire à l'accomplissement de leur mission;
2° faire toutes les constatations utiles, se faire produire sur première réquisition et sans déplacement les documents, pièces ou livres nécessaires à leurs recherches et constatations et en prendre copie;
3° saisir, contre récépissé, les documents visés au point 2 qui sont nécessaires pour la preuve d'une infraction ou pour rechercher les coauteurs ou complices des contrevenants;
4° s'ils ont des raisons de croire à l'existence d'une infraction, pénétrer dans les locaux habités avec autorisation préalable du juge du tribunal de police; les visites dans les locaux habités doivent s'effectuer entre huit et dix-huit heures et être faites conjointement par deux agents au moins.
§ 3. Dans l'exercice de leur fonction, les agents mentionnés au § 1er peuvent requérir l'assistance de la (police locale) ou de la (police fédérale). <L 2003-05-11/39, art. 8, 007; En vigueur : 01-07-2003>
§ 4. Les agents commissionnés exercent les pouvoirs qui leur sont accordés par le présent article sous la surveillance du Procureur général, sans préjudice de leur subordination à l'égard de leurs supérieurs dans l'administration.
[1 § 5. [2 En application de l'article 23, paragraphe 1, e) et h), du règlement (UE) n° 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données), les agents visés au paragraphe 1er peuvent décider de ne pas appliquer les obligations et droits énoncés aux articles 12 à 22 dudit règlement au traitement des données à caractère personnel dans le cadre d'une enquête qui concerne une personne physique déterminée, si les conditions énoncées aux alinéas 2 à 10 sont remplies.
La possibilité de dérogation visée à l'alinéa premier ne s'applique que pendant la période au cours de laquelle l'intéressé fait l'objet d'un contrôle, d'une enquête ou des activités préparatoires y afférentes, dans le cadre des missions décrétales et réglementaires des agents visés au paragraphe 1er, à condition qu'il soit ou puisse être nécessaire pour le bon déroulement de l'enquête que les obligations et droits visés aux articles 12 à 22 dudit règlement ne soient pas appliqués. La durée des activités préparatoires ne peut, le cas échéant, dépasser un an à compter de la date de réception d'une demande d'exercice d'un des droits visés aux articles 12 à 22 dudit règlement.
Les données à caractère personnel visées à l'alinéa 1er ne seront pas conservées plus longtemps que les finalités pour lesquelles elles sont traitées le requièrent.
La possibilité de dérogation visée à l'alinéa premier ne s'applique pas aux données qui ne sont pas liées à l'objet de l'enquête ou du contrôle justifiant le refus ou la restriction des droits, visés à l'alinéa premier.
Si, dans le cas visé à l'alinéa premier, l'intéressé soumet une demande sur la base des articles 12 à 22 dudit règlement au cours de la période visée au deuxième alinéa, le fonctionnaire à la protection des données compétent en accuse réception.
Le fonctionnaire à la protection des données compétent informe l'intéressé par écrit de tout refus ou restriction des droits, visés à l'alinéa premier, dans les meilleurs délais et en tout état de cause dans un délai d'un mois à compter du jour suivant celui de la réception de la demande. Il n'est pas nécessaire de fournir des informations complémentaires sur les motifs détaillés d'un tel refus ou d'une telle restriction lorsque cela porterait atteinte aux missions décrétales et réglementaires des agents visés au paragraphe 1er, sans préjudice de l'application de l'alinéa 8. Si nécessaire, le délai précité peut être prolongé de deux mois, compte tenu du nombre de demandes et de leur complexité. Le responsable du traitement informe l'intéressé de cette prolongation et des raisons du report dans un délai d'un mois à compter du jour suivant celui où il a reçu la demande.
Le fonctionnaire à la protection des données compétent informe également l'intéressé sur la possibilité d'introduire une demande auprès de la commission de contrôle flamande pour le traitement des données à caractère personnel conformément à l'article 10/5 du décret du 18 juillet 2008 relatif à l'échange électronique de données administratives, et de former un recours en justice.
Le fonctionnaire à la protection des données compétent consigne les motifs factuels ou juridiques sur lesquels la décision est fondée. Il tient ces informations à la disposition de la commission de contrôle flamande précitée.
Une fois l'enquête terminée, les droits énoncés aux articles 13 à 22 du règlement précité sont, le cas échéant, appliqués à nouveau conformément à l'article 12 du règlement précité.
Si un dossier contenant des données à caractère personnel visées à l'alinéa premier a été transmis au Ministère public et peut conduire à des activités sous la direction du Ministère public ou d'un juge d'instruction, et qu'il existe une incertitude quant au secret de l'enquête sous la direction du Ministère public ou d'un juge d'instruction, le fonctionnaire à la protection des données compétent ne peut répondre à la demande de l'intéressé conformément aux articles 12 à 22 du règlement précité qu'après que le Ministère public ou, le cas échéant, le juge d'instruction, a confirmé qu'une réponse ne compromet pas ou n'est pas susceptible de compromettre l'enquête.]2]1
§ 1er. Sans préjudice de la compétence des officiers de la police judiciaire, les agents judiciaires près les parquets, la (police fédérale), la (police locale), ainsi que les agents désignés par le Roi à cet effet, sont habilités à rechercher et à constater les infractions aux dispositions du présent chapitre. <L 2003-05-11/39, art. 8, 007; En vigueur : 01-07-2003>
Les agents dressent un procès-verbal qui fait foi jusqu'à preuve du contraire. Une copie est envoyée dans les trente jours au contrevenant par lettre recommandée.
§ 2. Dans l'exercice de leur fonction, les agents visés au § 1er peuvent :
1° pénétrer, pendant les heures d'ouverture ou de travail, dans les établissements, bâtiments, cours adjacentes et enclos dont l'accès est nécessaire à l'accomplissement de leur mission;
2° faire toutes les constatations utiles, se faire produire sur première réquisition et sans déplacement les documents, pièces ou livres nécessaires à leurs recherches et constatations et en prendre copie;
3° saisir, contre récépissé, les documents visés au point 2 qui sont nécessaires pour la preuve d'une infraction ou pour rechercher les coauteurs ou complices des contrevenants;
4° s'ils ont des raisons de croire à l'existence d'une infraction, pénétrer dans les locaux habités avec autorisation préalable du juge du tribunal de police; les visites dans les locaux habités doivent s'effectuer entre huit et dix-huit heures et être faites conjointement par deux agents au moins.
§ 3. Dans l'exercice de leur fonction, les agents mentionnés au § 1er peuvent requérir l'assistance de la (police locale) ou de la (police fédérale). <L 2003-05-11/39, art. 8, 007; En vigueur : 01-07-2003>
§ 4. Les agents commissionnés exercent les pouvoirs qui leur sont accordés par le présent article sous la surveillance du Procureur général, sans préjudice de leur subordination à l'égard de leurs supérieurs dans l'administration.
[1 § 5. [2 En application de l'article 23, paragraphe 1, e) et h), du règlement (UE) n° 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données), les agents visés au paragraphe 1er peuvent décider de ne pas appliquer les obligations et droits énoncés aux articles 12 à 22 dudit règlement au traitement des données à caractère personnel dans le cadre d'une enquête qui concerne une personne physique déterminée, si les conditions énoncées aux alinéas 2 à 10 sont remplies.
La possibilité de dérogation visée à l'alinéa premier ne s'applique que pendant la période au cours de laquelle l'intéressé fait l'objet d'un contrôle, d'une enquête ou des activités préparatoires y afférentes, dans le cadre des missions décrétales et réglementaires des agents visés au paragraphe 1er, à condition qu'il soit ou puisse être nécessaire pour le bon déroulement de l'enquête que les obligations et droits visés aux articles 12 à 22 dudit règlement ne soient pas appliqués. La durée des activités préparatoires ne peut, le cas échéant, dépasser un an à compter de la date de réception d'une demande d'exercice d'un des droits visés aux articles 12 à 22 dudit règlement.
Les données à caractère personnel visées à l'alinéa 1er ne seront pas conservées plus longtemps que les finalités pour lesquelles elles sont traitées le requièrent.
La possibilité de dérogation visée à l'alinéa premier ne s'applique pas aux données qui ne sont pas liées à l'objet de l'enquête ou du contrôle justifiant le refus ou la restriction des droits, visés à l'alinéa premier.
Si, dans le cas visé à l'alinéa premier, l'intéressé soumet une demande sur la base des articles 12 à 22 dudit règlement au cours de la période visée au deuxième alinéa, le fonctionnaire à la protection des données compétent en accuse réception.
Le fonctionnaire à la protection des données compétent informe l'intéressé par écrit de tout refus ou restriction des droits, visés à l'alinéa premier, dans les meilleurs délais et en tout état de cause dans un délai d'un mois à compter du jour suivant celui de la réception de la demande. Il n'est pas nécessaire de fournir des informations complémentaires sur les motifs détaillés d'un tel refus ou d'une telle restriction lorsque cela porterait atteinte aux missions décrétales et réglementaires des agents visés au paragraphe 1er, sans préjudice de l'application de l'alinéa 8. Si nécessaire, le délai précité peut être prolongé de deux mois, compte tenu du nombre de demandes et de leur complexité. Le responsable du traitement informe l'intéressé de cette prolongation et des raisons du report dans un délai d'un mois à compter du jour suivant celui où il a reçu la demande.
Le fonctionnaire à la protection des données compétent informe également l'intéressé sur la possibilité d'introduire une demande auprès de la commission de contrôle flamande pour le traitement des données à caractère personnel conformément à l'article 10/5 du décret du 18 juillet 2008 relatif à l'échange électronique de données administratives, et de former un recours en justice.
Le fonctionnaire à la protection des données compétent consigne les motifs factuels ou juridiques sur lesquels la décision est fondée. Il tient ces informations à la disposition de la commission de contrôle flamande précitée.
Une fois l'enquête terminée, les droits énoncés aux articles 13 à 22 du règlement précité sont, le cas échéant, appliqués à nouveau conformément à l'article 12 du règlement précité.
Si un dossier contenant des données à caractère personnel visées à l'alinéa premier a été transmis au Ministère public et peut conduire à des activités sous la direction du Ministère public ou d'un juge d'instruction, et qu'il existe une incertitude quant au secret de l'enquête sous la direction du Ministère public ou d'un juge d'instruction, le fonctionnaire à la protection des données compétent ne peut répondre à la demande de l'intéressé conformément aux articles 12 à 22 du règlement précité qu'après que le Ministère public ou, le cas échéant, le juge d'instruction, a confirmé qu'une réponse ne compromet pas ou n'est pas susceptible de compromettre l'enquête.]2]1
Art. 16. § 1. (Met een geldboete van 250 tot 10.000 euro wordt gestraft ieder die zonder te beschikken over de basiskennis van het bedrijfsbeheer en/of de beroepsbekwaamheid een beroepsactiviteit uitoefent waarvan de uitoefening overeenkomstig dit hoofdstuk is geregeld.) <W 2003-01-16/34, art. 80, 006; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
Bij herhaling worden deze straffen gebracht op een boete van 500 tot 20 000 frank.
§ 2. De rechtbank kan bovendien de sluiting bevelen van een inrichting of van een gedeelte van een inrichting welke zonder bovenvermeld getuigschrift of bovenvermelde vrijstelling in bedrijf is genomen.
De bepalingen van boek I van het Strafwetboek, met inbegrip van hoofdstuk VII en van artikel 85, zijn van toepassing op de inbreuken bedoeld in dit hoofdstuk.
§ 3. De hiertoe door de bevoegde minister aangestelde ambtenaren kunnen, na inzage van de processen-verbaal waarin een overtreding tegen de bepalingen van dit hoofdstuk wordt vastgesteld en die opgemaakt zijn door de in artikel 15, § 1, bedoelde ambtenaren, aan de overtreders een som voorstellen waarvan de betaling de strafvordering doet vervallen.
De Koning stelt de tarieven alsook de modaliteiten van betaling en inning vast.
§ 4. Na kennisneming van de processen-verbaal opgemaakt op grond van artikel 15, § 1, kan het Openbaar Ministerie beslag bevelen van de producten die het voorwerp van de inbreuk uitmaken.
Wanneer zij, ingevolge de hun door artikel 15, § 1, toegekende bevoegdheden, een inbreuk vaststellen, kunnen de aangewezen ambtenaren overgaan tot het bewarend beslag van de producten die het voorwerp van de inbreuk uitmaken. Dit beslag moet, overeenkomstig de bepalingen van het eerste lid, door het Openbaar Ministerie bevestigd worden binnen een termijn van acht dagen.
De persoon bij wie beslag op de producten wordt gelegd, kan als gerechtelijk bewaarder van deze producten aangesteld worden.
Het beslag wordt van rechtswege opgeheven door het vonnis dat een einde maakt aan de vervolging, zodra dit in kracht van gewijsde is gegaan, of door seponering van de zaak of door betaling van de som bedoeld in § 3.
Het Openbaar Ministerie kan het beslag dat het bevolen of bevestigd heeft, opheffen als de overtreder ervan afziet de producten aan te bieden in de omstandigheden die tot vervolging aanleiding hebben gegeven; deze verzaking houdt generlei erkenning van de gegrondheid van die vervolging in.
Bij herhaling worden deze straffen gebracht op een boete van 500 tot 20 000 frank.
§ 2. De rechtbank kan bovendien de sluiting bevelen van een inrichting of van een gedeelte van een inrichting welke zonder bovenvermeld getuigschrift of bovenvermelde vrijstelling in bedrijf is genomen.
De bepalingen van boek I van het Strafwetboek, met inbegrip van hoofdstuk VII en van artikel 85, zijn van toepassing op de inbreuken bedoeld in dit hoofdstuk.
§ 3. De hiertoe door de bevoegde minister aangestelde ambtenaren kunnen, na inzage van de processen-verbaal waarin een overtreding tegen de bepalingen van dit hoofdstuk wordt vastgesteld en die opgemaakt zijn door de in artikel 15, § 1, bedoelde ambtenaren, aan de overtreders een som voorstellen waarvan de betaling de strafvordering doet vervallen.
De Koning stelt de tarieven alsook de modaliteiten van betaling en inning vast.
§ 4. Na kennisneming van de processen-verbaal opgemaakt op grond van artikel 15, § 1, kan het Openbaar Ministerie beslag bevelen van de producten die het voorwerp van de inbreuk uitmaken.
Wanneer zij, ingevolge de hun door artikel 15, § 1, toegekende bevoegdheden, een inbreuk vaststellen, kunnen de aangewezen ambtenaren overgaan tot het bewarend beslag van de producten die het voorwerp van de inbreuk uitmaken. Dit beslag moet, overeenkomstig de bepalingen van het eerste lid, door het Openbaar Ministerie bevestigd worden binnen een termijn van acht dagen.
De persoon bij wie beslag op de producten wordt gelegd, kan als gerechtelijk bewaarder van deze producten aangesteld worden.
Het beslag wordt van rechtswege opgeheven door het vonnis dat een einde maakt aan de vervolging, zodra dit in kracht van gewijsde is gegaan, of door seponering van de zaak of door betaling van de som bedoeld in § 3.
Het Openbaar Ministerie kan het beslag dat het bevolen of bevestigd heeft, opheffen als de overtreder ervan afziet de producten aan te bieden in de omstandigheden die tot vervolging aanleiding hebben gegeven; deze verzaking houdt generlei erkenning van de gegrondheid van die vervolging in.
Art. 16. § 1er. (Sera puni d'une amende de 250 à 10.000 euros quiconque exerce une activité professionnelle, dont l'exercice est réglementé conformément au présent chapitre, sans disposer des connaissances de gestion de base et/ou de la compétence professionnelle.) <L 2003-01-16/34, art. 80, 006; En vigueur : 01-07-2003>
En cas de récidive, le montant de ces amendes est porté à une somme de 500 à 20 000 francs.
§ 2. Le tribunal peut en outre ordonner la fermeture de tout ou partie de l'établissement exploité sans l'attestation ou la dispense mentionnée ci-avant.
Les dispositions du livre Ier du Code pénal, y compris le chapitre VII et l'article 85, sont applicables aux infractions prévues par le présent chapitre.
§ 3. Les agents commissionnés à cet effet par le ministre compétent peuvent, au vu des procès-verbaux constatant une des infractions aux dispositions du présent chapitre, établis par les agents visés à l'article 15, § 1er, proposer aux contrevenants le paiement d'une somme qui éteint l'action publique.
Les tarifs ainsi que les modalités de paiement et de perception sont fixés par le Roi.
§ 4. Le Ministère public, au vu des procès-verbaux dressés en exécution de l'article 15, § 1er, peut ordonner la saisie des produits faisant l'objet de l'infraction.
Les agents commissionnés, lorsqu'ils constatent une infraction en vertu des pouvoirs qui leur sont conférés par l'article 15, § 1er, peuvent procéder à titre conservatoire, à la saisie des produits faisant l'objet de l'infraction. Cette saisie devra être confirmée par le Ministère public dans un délai de huit jours, conformément aux dispositions du premier alinéa.
La personne entre les mains de laquelle les produits sont saisis, peut en être constituée gardien judiciaire.
La saisie est levée de plein droit par le jugement mettant fin à la poursuite, lorsque ce jugement est passé en force de chose jugée, ou par le classement sans suite ou par le paiement de la somme visée au § 3.
Le Ministère public peut donner mainlevée de la saisie qu'il a ordonnée ou confirmée, si le contrevenant renonce à offrir les produits dans les conditions ayant donné lieu à la poursuite; cette renonciation n'implique aucune reconnaissance du bien-fondé de cette poursuite.
En cas de récidive, le montant de ces amendes est porté à une somme de 500 à 20 000 francs.
§ 2. Le tribunal peut en outre ordonner la fermeture de tout ou partie de l'établissement exploité sans l'attestation ou la dispense mentionnée ci-avant.
Les dispositions du livre Ier du Code pénal, y compris le chapitre VII et l'article 85, sont applicables aux infractions prévues par le présent chapitre.
§ 3. Les agents commissionnés à cet effet par le ministre compétent peuvent, au vu des procès-verbaux constatant une des infractions aux dispositions du présent chapitre, établis par les agents visés à l'article 15, § 1er, proposer aux contrevenants le paiement d'une somme qui éteint l'action publique.
Les tarifs ainsi que les modalités de paiement et de perception sont fixés par le Roi.
§ 4. Le Ministère public, au vu des procès-verbaux dressés en exécution de l'article 15, § 1er, peut ordonner la saisie des produits faisant l'objet de l'infraction.
Les agents commissionnés, lorsqu'ils constatent une infraction en vertu des pouvoirs qui leur sont conférés par l'article 15, § 1er, peuvent procéder à titre conservatoire, à la saisie des produits faisant l'objet de l'infraction. Cette saisie devra être confirmée par le Ministère public dans un délai de huit jours, conformément aux dispositions du premier alinéa.
La personne entre les mains de laquelle les produits sont saisis, peut en être constituée gardien judiciaire.
La saisie est levée de plein droit par le jugement mettant fin à la poursuite, lorsque ce jugement est passé en force de chose jugée, ou par le classement sans suite ou par le paiement de la somme visée au § 3.
Le Ministère public peut donner mainlevée de la saisie qu'il a ordonnée ou confirmée, si le contrevenant renonce à offrir les produits dans les conditions ayant donné lieu à la poursuite; cette renonciation n'implique aucune reconnaissance du bien-fondé de cette poursuite.
Art. 16_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. § 1. (Met een geldboete van 250 tot 10.000 euro wordt gestraft ieder die zonder te beschikken over [1 ...]1 de beroepsbekwaamheid een beroepsactiviteit uitoefent waarvan de uitoefening overeenkomstig dit hoofdstuk is geregeld.) <W 2003-01-16/34, art. 80, 006; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
Bij herhaling worden deze straffen gebracht op een boete van 500 tot 20 000 frank.
§ 2. De rechtbank kan bovendien de sluiting bevelen van een inrichting of van een gedeelte van een inrichting welke zonder bovenvermeld getuigschrift of bovenvermelde vrijstelling in bedrijf is genomen.
De bepalingen van boek I van het Strafwetboek, met inbegrip van hoofdstuk VII en van artikel 85, zijn van toepassing op de inbreuken bedoeld in dit hoofdstuk.
§ 3. De hiertoe door de bevoegde minister aangestelde ambtenaren kunnen, na inzage van de processen-verbaal waarin een overtreding tegen de bepalingen van dit hoofdstuk wordt vastgesteld en die opgemaakt zijn door de in artikel 15, § 1, bedoelde ambtenaren, aan de overtreders een som voorstellen waarvan de betaling de strafvordering doet vervallen.
De Koning stelt de tarieven alsook de modaliteiten van betaling en inning vast.
§ 4. Na kennisneming van de processen-verbaal opgemaakt op grond van artikel 15, § 1, kan het Openbaar Ministerie beslag bevelen van de producten die het voorwerp van de inbreuk uitmaken.
Wanneer zij, ingevolge de hun door artikel 15, § 1, toegekende bevoegdheden, een inbreuk vaststellen, kunnen de aangewezen ambtenaren overgaan tot het bewarend beslag van de producten die het voorwerp van de inbreuk uitmaken. Dit beslag moet, overeenkomstig de bepalingen van het eerste lid, door het Openbaar Ministerie bevestigd worden binnen een termijn van acht dagen.
De persoon bij wie beslag op de producten wordt gelegd, kan als gerechtelijk bewaarder van deze producten aangesteld worden.
Het beslag wordt van rechtswege opgeheven door het vonnis dat een einde maakt aan de vervolging, zodra dit in kracht van gewijsde is gegaan, of door seponering van de zaak of door betaling van de som bedoeld in § 3.
Het Openbaar Ministerie kan het beslag dat het bevolen of bevestigd heeft, opheffen als de overtreder ervan afziet de producten aan te bieden in de omstandigheden die tot vervolging aanleiding hebben gegeven; deze verzaking houdt generlei erkenning van de gegrondheid van die vervolging in.
Bij herhaling worden deze straffen gebracht op een boete van 500 tot 20 000 frank.
§ 2. De rechtbank kan bovendien de sluiting bevelen van een inrichting of van een gedeelte van een inrichting welke zonder bovenvermeld getuigschrift of bovenvermelde vrijstelling in bedrijf is genomen.
De bepalingen van boek I van het Strafwetboek, met inbegrip van hoofdstuk VII en van artikel 85, zijn van toepassing op de inbreuken bedoeld in dit hoofdstuk.
§ 3. De hiertoe door de bevoegde minister aangestelde ambtenaren kunnen, na inzage van de processen-verbaal waarin een overtreding tegen de bepalingen van dit hoofdstuk wordt vastgesteld en die opgemaakt zijn door de in artikel 15, § 1, bedoelde ambtenaren, aan de overtreders een som voorstellen waarvan de betaling de strafvordering doet vervallen.
De Koning stelt de tarieven alsook de modaliteiten van betaling en inning vast.
§ 4. Na kennisneming van de processen-verbaal opgemaakt op grond van artikel 15, § 1, kan het Openbaar Ministerie beslag bevelen van de producten die het voorwerp van de inbreuk uitmaken.
Wanneer zij, ingevolge de hun door artikel 15, § 1, toegekende bevoegdheden, een inbreuk vaststellen, kunnen de aangewezen ambtenaren overgaan tot het bewarend beslag van de producten die het voorwerp van de inbreuk uitmaken. Dit beslag moet, overeenkomstig de bepalingen van het eerste lid, door het Openbaar Ministerie bevestigd worden binnen een termijn van acht dagen.
De persoon bij wie beslag op de producten wordt gelegd, kan als gerechtelijk bewaarder van deze producten aangesteld worden.
Het beslag wordt van rechtswege opgeheven door het vonnis dat een einde maakt aan de vervolging, zodra dit in kracht van gewijsde is gegaan, of door seponering van de zaak of door betaling van de som bedoeld in § 3.
Het Openbaar Ministerie kan het beslag dat het bevolen of bevestigd heeft, opheffen als de overtreder ervan afziet de producten aan te bieden in de omstandigheden die tot vervolging aanleiding hebben gegeven; deze verzaking houdt generlei erkenning van de gegrondheid van die vervolging in.
Modifications
Art. 16 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
§ 1er. (Sera puni d'une amende de 250 à 10.000 euros quiconque exerce une activité professionnelle, dont l'exercice est réglementé conformément au présent chapitre, sans disposer [1 ...]1 de la compétence professionnelle.) <L 2003-01-16/34, art. 80, 006; En vigueur : 01-07-2003>
En cas de récidive, le montant de ces amendes est porté à une somme de 500 à 20 000 francs.
§ 2. Le tribunal peut en outre ordonner la fermeture de tout ou partie de l'établissement exploité sans l'attestation ou la dispense mentionnée ci-avant.
Les dispositions du livre Ier du Code pénal, y compris le chapitre VII et l'article 85, sont applicables aux infractions prévues par le présent chapitre.
§ 3. Les agents commissionnés à cet effet par le ministre compétent peuvent, au vu des procès-verbaux constatant une des infractions aux dispositions du présent chapitre, établis par les agents visés à l'article 15, § 1er, proposer aux contrevenants le paiement d'une somme qui éteint l'action publique.
Les tarifs ainsi que les modalités de paiement et de perception sont fixés par le Roi.
§ 4. Le Ministère public, au vu des procès-verbaux dressés en exécution de l'article 15, § 1er, peut ordonner la saisie des produits faisant l'objet de l'infraction.
Les agents commissionnés, lorsqu'ils constatent une infraction en vertu des pouvoirs qui leur sont conférés par l'article 15, § 1er, peuvent procéder à titre conservatoire, à la saisie des produits faisant l'objet de l'infraction. Cette saisie devra être confirmée par le Ministère public dans un délai de huit jours, conformément aux dispositions du premier alinéa.
La personne entre les mains de laquelle les produits sont saisis, peut en être constituée gardien judiciaire.
La saisie est levée de plein droit par le jugement mettant fin à la poursuite, lorsque ce jugement est passé en force de chose jugée, ou par le classement sans suite ou par le paiement de la somme visée au § 3.
Le Ministère public peut donner mainlevée de la saisie qu'il a ordonnée ou confirmée, si le contrevenant renonce à offrir les produits dans les conditions ayant donné lieu à la poursuite; cette renonciation n'implique aucune reconnaissance du bien-fondé de cette poursuite.
§ 1er. (Sera puni d'une amende de 250 à 10.000 euros quiconque exerce une activité professionnelle, dont l'exercice est réglementé conformément au présent chapitre, sans disposer [1 ...]1 de la compétence professionnelle.) <L 2003-01-16/34, art. 80, 006; En vigueur : 01-07-2003>
En cas de récidive, le montant de ces amendes est porté à une somme de 500 à 20 000 francs.
§ 2. Le tribunal peut en outre ordonner la fermeture de tout ou partie de l'établissement exploité sans l'attestation ou la dispense mentionnée ci-avant.
Les dispositions du livre Ier du Code pénal, y compris le chapitre VII et l'article 85, sont applicables aux infractions prévues par le présent chapitre.
§ 3. Les agents commissionnés à cet effet par le ministre compétent peuvent, au vu des procès-verbaux constatant une des infractions aux dispositions du présent chapitre, établis par les agents visés à l'article 15, § 1er, proposer aux contrevenants le paiement d'une somme qui éteint l'action publique.
Les tarifs ainsi que les modalités de paiement et de perception sont fixés par le Roi.
§ 4. Le Ministère public, au vu des procès-verbaux dressés en exécution de l'article 15, § 1er, peut ordonner la saisie des produits faisant l'objet de l'infraction.
Les agents commissionnés, lorsqu'ils constatent une infraction en vertu des pouvoirs qui leur sont conférés par l'article 15, § 1er, peuvent procéder à titre conservatoire, à la saisie des produits faisant l'objet de l'infraction. Cette saisie devra être confirmée par le Ministère public dans un délai de huit jours, conformément aux dispositions du premier alinéa.
La personne entre les mains de laquelle les produits sont saisis, peut en être constituée gardien judiciaire.
La saisie est levée de plein droit par le jugement mettant fin à la poursuite, lorsque ce jugement est passé en force de chose jugée, ou par le classement sans suite ou par le paiement de la somme visée au § 3.
Le Ministère public peut donner mainlevée de la saisie qu'il a ordonnée ou confirmée, si le contrevenant renonce à offrir les produits dans les conditions ayant donné lieu à la poursuite; cette renonciation n'implique aucune reconnaissance du bien-fondé de cette poursuite.
Modifications
Art. 16_WAALS_GEWEST. § 1. [1 Met een geldboete van 50 tot 500 euro of een administratieve geldboete van 25 tot 250 euro wordt gestraft ieder die zonder te beschikken over [2 ...]2 de beroepsbekwaamheid een beroepsactiviteit uitoefent waarvan de uitoefening overeenkomstig dit hoofdstuk is geregeld.
Bij herhaling wordt het bedrag van de strafrechtelijke geldboete bedoeld in lid 1 op een som van 100 tot 1.000 euro gebracht.]1
§ 2. De rechtbank kan bovendien de sluiting bevelen van een inrichting of van een gedeelte van een inrichting welke zonder bovenvermeld getuigschrift of bovenvermelde vrijstelling in bedrijf is genomen.
[Voor de strafrechtelijke straffen zijn alle1 ]1 van boek I van het Strafwetboek, met inbegrip van hoofdstuk VII en van artikel 85, [1 ...]1 van toepassing op de inbreuken bedoeld in dit hoofdstuk.
§ 3. De hiertoe door de bevoegde minister aangestelde ambtenaren kunnen, na inzage van de processen-verbaal waarin een overtreding tegen de bepalingen van dit hoofdstuk wordt vastgesteld en die opgemaakt zijn door de in artikel 15, § 1, bedoelde ambtenaren, aan de overtreders een som voorstellen waarvan de betaling de strafvordering doet vervallen.
De Koning stelt de tarieven alsook de modaliteiten van betaling en inning vast.
§ 4. Na kennisneming van de processen-verbaal opgemaakt op grond van artikel 15, § 1, kan het Openbaar Ministerie beslag bevelen van de producten die het voorwerp van de inbreuk uitmaken.
Wanneer zij, ingevolge de hun door artikel 15, § 1, toegekende bevoegdheden, een inbreuk vaststellen, kunnen de aangewezen ambtenaren overgaan tot het bewarend beslag van de producten die het voorwerp van de inbreuk uitmaken. Dit beslag moet, overeenkomstig de bepalingen van het eerste lid, door het Openbaar Ministerie bevestigd worden binnen een termijn van acht dagen.
De persoon bij wie beslag op de producten wordt gelegd, kan als gerechtelijk bewaarder van deze producten aangesteld worden.
Het beslag wordt van rechtswege opgeheven door het vonnis dat een einde maakt aan de vervolging, zodra dit in kracht van gewijsde is gegaan, of door seponering van de zaak of door betaling van de som bedoeld in § 3.
Het Openbaar Ministerie kan het beslag dat het bevolen of bevestigd heeft, opheffen als de overtreder ervan afziet de producten aan te bieden in de omstandigheden die tot vervolging aanleiding hebben gegeven; deze verzaking houdt generlei erkenning van de gegrondheid van die vervolging in.
[1 § 5. De bepalingen van hoofdstuk 9 van het decreet van 28 februari 2019 betreffende de controle van de wetgevingen en reglementeringen inzake het economisch beleid, het tewerkstellingsbeleid en het wetenschappelijk onderzoek alsook de invoering van administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op deze wetgevingen en reglementeringen zijn van toepassing op de administratieve geldboeten bepaald bij paragraaf 1.]1
Bij herhaling wordt het bedrag van de strafrechtelijke geldboete bedoeld in lid 1 op een som van 100 tot 1.000 euro gebracht.]1
§ 2. De rechtbank kan bovendien de sluiting bevelen van een inrichting of van een gedeelte van een inrichting welke zonder bovenvermeld getuigschrift of bovenvermelde vrijstelling in bedrijf is genomen.
[Voor de strafrechtelijke straffen zijn alle1 ]1 van boek I van het Strafwetboek, met inbegrip van hoofdstuk VII en van artikel 85, [1 ...]1 van toepassing op de inbreuken bedoeld in dit hoofdstuk.
§ 3. De hiertoe door de bevoegde minister aangestelde ambtenaren kunnen, na inzage van de processen-verbaal waarin een overtreding tegen de bepalingen van dit hoofdstuk wordt vastgesteld en die opgemaakt zijn door de in artikel 15, § 1, bedoelde ambtenaren, aan de overtreders een som voorstellen waarvan de betaling de strafvordering doet vervallen.
De Koning stelt de tarieven alsook de modaliteiten van betaling en inning vast.
§ 4. Na kennisneming van de processen-verbaal opgemaakt op grond van artikel 15, § 1, kan het Openbaar Ministerie beslag bevelen van de producten die het voorwerp van de inbreuk uitmaken.
Wanneer zij, ingevolge de hun door artikel 15, § 1, toegekende bevoegdheden, een inbreuk vaststellen, kunnen de aangewezen ambtenaren overgaan tot het bewarend beslag van de producten die het voorwerp van de inbreuk uitmaken. Dit beslag moet, overeenkomstig de bepalingen van het eerste lid, door het Openbaar Ministerie bevestigd worden binnen een termijn van acht dagen.
De persoon bij wie beslag op de producten wordt gelegd, kan als gerechtelijk bewaarder van deze producten aangesteld worden.
Het beslag wordt van rechtswege opgeheven door het vonnis dat een einde maakt aan de vervolging, zodra dit in kracht van gewijsde is gegaan, of door seponering van de zaak of door betaling van de som bedoeld in § 3.
Het Openbaar Ministerie kan het beslag dat het bevolen of bevestigd heeft, opheffen als de overtreder ervan afziet de producten aan te bieden in de omstandigheden die tot vervolging aanleiding hebben gegeven; deze verzaking houdt generlei erkenning van de gegrondheid van die vervolging in.
[1 § 5. De bepalingen van hoofdstuk 9 van het decreet van 28 februari 2019 betreffende de controle van de wetgevingen en reglementeringen inzake het economisch beleid, het tewerkstellingsbeleid en het wetenschappelijk onderzoek alsook de invoering van administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op deze wetgevingen en reglementeringen zijn van toepassing op de administratieve geldboeten bepaald bij paragraaf 1.]1
Art. 16 _REGION_WALLONNE.
§ 1er [1 Est puni d'une amende pénale de 50 à 500 euros ou d'une amende administrative de 25 à 250 euros, quiconque exerce une activité professionnelle, dont l'exercice est réglementé conformément au présent chapitre, sans disposer [2 ...]2 de la compétence professionnelle.
En cas de récidive, le montant de l'amende pénale visée à l'alinéa 1er est porté à une somme de 100 à 1.000 euros]1
§ 2. Le tribunal peut en outre ordonner la fermeture de tout ou partie de l'établissement exploité sans l'attestation ou la dispense mentionnée ci-avant.
[1 Pour les sanctions pénales, les dispositions]1 du livre Ier du Code pénal, y compris le chapitre VII et l'article 85, sont applicables aux infractions prévues par le présent chapitre.
§ 3. Les agents commissionnés à cet effet par le ministre compétent peuvent, au vu des procès-verbaux constatant une des infractions aux dispositions du présent chapitre, établis par les agents visés à l'article 15, § 1er, proposer aux contrevenants le paiement d'une somme qui éteint l'action publique.
Les tarifs ainsi que les modalités de paiement et de perception sont fixés par le Roi.
§ 4. Le Ministère public, au vu des procès-verbaux dressés en exécution de l'article 15, § 1er, peut ordonner la saisie des produits faisant l'objet de l'infraction.
Les agents commissionnés, lorsqu'ils constatent une infraction en vertu des pouvoirs qui leur sont conférés par l'article 15, § 1er, peuvent procéder à titre conservatoire, à la saisie des produits faisant l'objet de l'infraction. Cette saisie devra être confirmée par le Ministère public dans un délai de huit jours, conformément aux dispositions du premier alinéa.
La personne entre les mains de laquelle les produits sont saisis, peut en être constituée gardien judiciaire.
La saisie est levée de plein droit par le jugement mettant fin à la poursuite, lorsque ce jugement est passé en force de chose jugée, ou par le classement sans suite ou par le paiement de la somme visée au § 3.
Le Ministère public peut donner mainlevée de la saisie qu'il a ordonnée ou confirmée, si le contrevenant renonce à offrir les produits dans les conditions ayant donné lieu à la poursuite; cette renonciation n'implique aucune reconnaissance du bien-fondé de cette poursuite.
[1 § 5. Les dispositions du chapitre 9 du décret du 28 février 2019 relatif au contrôle des législations et réglementations relatives à la politique économique, à la politique de l'emploi et à la recherche scientifique ainsi qu'à l'instauration d'amendes administratives applicables en cas d'infraction à ces législations et réglementations s'appliquent aux amendes administratives déterminées par le paragraphe 1er. ]1
§ 1er [1 Est puni d'une amende pénale de 50 à 500 euros ou d'une amende administrative de 25 à 250 euros, quiconque exerce une activité professionnelle, dont l'exercice est réglementé conformément au présent chapitre, sans disposer [2 ...]2 de la compétence professionnelle.
En cas de récidive, le montant de l'amende pénale visée à l'alinéa 1er est porté à une somme de 100 à 1.000 euros]1
§ 2. Le tribunal peut en outre ordonner la fermeture de tout ou partie de l'établissement exploité sans l'attestation ou la dispense mentionnée ci-avant.
[1 Pour les sanctions pénales, les dispositions]1 du livre Ier du Code pénal, y compris le chapitre VII et l'article 85, sont applicables aux infractions prévues par le présent chapitre.
§ 3. Les agents commissionnés à cet effet par le ministre compétent peuvent, au vu des procès-verbaux constatant une des infractions aux dispositions du présent chapitre, établis par les agents visés à l'article 15, § 1er, proposer aux contrevenants le paiement d'une somme qui éteint l'action publique.
Les tarifs ainsi que les modalités de paiement et de perception sont fixés par le Roi.
§ 4. Le Ministère public, au vu des procès-verbaux dressés en exécution de l'article 15, § 1er, peut ordonner la saisie des produits faisant l'objet de l'infraction.
Les agents commissionnés, lorsqu'ils constatent une infraction en vertu des pouvoirs qui leur sont conférés par l'article 15, § 1er, peuvent procéder à titre conservatoire, à la saisie des produits faisant l'objet de l'infraction. Cette saisie devra être confirmée par le Ministère public dans un délai de huit jours, conformément aux dispositions du premier alinéa.
La personne entre les mains de laquelle les produits sont saisis, peut en être constituée gardien judiciaire.
La saisie est levée de plein droit par le jugement mettant fin à la poursuite, lorsque ce jugement est passé en force de chose jugée, ou par le classement sans suite ou par le paiement de la somme visée au § 3.
Le Ministère public peut donner mainlevée de la saisie qu'il a ordonnée ou confirmée, si le contrevenant renonce à offrir les produits dans les conditions ayant donné lieu à la poursuite; cette renonciation n'implique aucune reconnaissance du bien-fondé de cette poursuite.
[1 § 5. Les dispositions du chapitre 9 du décret du 28 février 2019 relatif au contrôle des législations et réglementations relatives à la politique économique, à la politique de l'emploi et à la recherche scientifique ainsi qu'à l'instauration d'amendes administratives applicables en cas d'infraction à ces législations et réglementations s'appliquent aux amendes administratives déterminées par le paragraphe 1er. ]1
Art. 16_VLAAMS_GEWEST. § 1. (Met een geldboete van 250 tot 10.000 euro wordt gestraft ieder die zonder te beschikken over [1 ...]1 en/of de beroepsbekwaamheid een beroepsactiviteit uitoefent waarvan de uitoefening overeenkomstig dit hoofdstuk is geregeld.) <W 2003-01-16/34, art. 80, 006; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
Bij herhaling worden deze straffen gebracht op een boete van 500 tot 20 000 frank.
§ 2. De rechtbank kan bovendien de sluiting bevelen van een inrichting of van een gedeelte van een inrichting welke zonder bovenvermeld getuigschrift of bovenvermelde vrijstelling in bedrijf is genomen.
De bepalingen van boek I van het Strafwetboek, met inbegrip van hoofdstuk VII en van artikel 85, zijn van toepassing op de inbreuken bedoeld in dit hoofdstuk.
§ 3. De hiertoe door de bevoegde minister aangestelde ambtenaren kunnen, na inzage van de processen-verbaal waarin een overtreding tegen de bepalingen van dit hoofdstuk wordt vastgesteld en die opgemaakt zijn door de in artikel 15, § 1, bedoelde ambtenaren, aan de overtreders een som voorstellen waarvan de betaling de strafvordering doet vervallen.
De Koning stelt de tarieven alsook de modaliteiten van betaling en inning vast.
§ 4. Na kennisneming van de processen-verbaal opgemaakt op grond van artikel 15, § 1, kan het Openbaar Ministerie beslag bevelen van de producten die het voorwerp van de inbreuk uitmaken.
Wanneer zij, ingevolge de hun door artikel 15, § 1, toegekende bevoegdheden, een inbreuk vaststellen, kunnen de aangewezen ambtenaren overgaan tot het bewarend beslag van de producten die het voorwerp van de inbreuk uitmaken. Dit beslag moet, overeenkomstig de bepalingen van het eerste lid, door het Openbaar Ministerie bevestigd worden binnen een termijn van acht dagen.
De persoon bij wie beslag op de producten wordt gelegd, kan als gerechtelijk bewaarder van deze producten aangesteld worden.
Het beslag wordt van rechtswege opgeheven door het vonnis dat een einde maakt aan de vervolging, zodra dit in kracht van gewijsde is gegaan, of door seponering van de zaak of door betaling van de som bedoeld in § 3.
Het Openbaar Ministerie kan het beslag dat het bevolen of bevestigd heeft, opheffen als de overtreder ervan afziet de producten aan te bieden in de omstandigheden die tot vervolging aanleiding hebben gegeven; deze verzaking houdt generlei erkenning van de gegrondheid van die vervolging in.
Bij herhaling worden deze straffen gebracht op een boete van 500 tot 20 000 frank.
§ 2. De rechtbank kan bovendien de sluiting bevelen van een inrichting of van een gedeelte van een inrichting welke zonder bovenvermeld getuigschrift of bovenvermelde vrijstelling in bedrijf is genomen.
De bepalingen van boek I van het Strafwetboek, met inbegrip van hoofdstuk VII en van artikel 85, zijn van toepassing op de inbreuken bedoeld in dit hoofdstuk.
§ 3. De hiertoe door de bevoegde minister aangestelde ambtenaren kunnen, na inzage van de processen-verbaal waarin een overtreding tegen de bepalingen van dit hoofdstuk wordt vastgesteld en die opgemaakt zijn door de in artikel 15, § 1, bedoelde ambtenaren, aan de overtreders een som voorstellen waarvan de betaling de strafvordering doet vervallen.
De Koning stelt de tarieven alsook de modaliteiten van betaling en inning vast.
§ 4. Na kennisneming van de processen-verbaal opgemaakt op grond van artikel 15, § 1, kan het Openbaar Ministerie beslag bevelen van de producten die het voorwerp van de inbreuk uitmaken.
Wanneer zij, ingevolge de hun door artikel 15, § 1, toegekende bevoegdheden, een inbreuk vaststellen, kunnen de aangewezen ambtenaren overgaan tot het bewarend beslag van de producten die het voorwerp van de inbreuk uitmaken. Dit beslag moet, overeenkomstig de bepalingen van het eerste lid, door het Openbaar Ministerie bevestigd worden binnen een termijn van acht dagen.
De persoon bij wie beslag op de producten wordt gelegd, kan als gerechtelijk bewaarder van deze producten aangesteld worden.
Het beslag wordt van rechtswege opgeheven door het vonnis dat een einde maakt aan de vervolging, zodra dit in kracht van gewijsde is gegaan, of door seponering van de zaak of door betaling van de som bedoeld in § 3.
Het Openbaar Ministerie kan het beslag dat het bevolen of bevestigd heeft, opheffen als de overtreder ervan afziet de producten aan te bieden in de omstandigheden die tot vervolging aanleiding hebben gegeven; deze verzaking houdt generlei erkenning van de gegrondheid van die vervolging in.
Modifications
Art. 16 _REGION_FLAMANDE.
§ 1er. (Sera puni d'une amende de 250 à 10.000 euros quiconque exerce une activité professionnelle, dont l'exercice est réglementé conformément au présent chapitre, sans disposer [1 ...]1 de la compétence professionnelle.) <L 2003-01-16/34, art. 80, 006; En vigueur : 01-07-2003>
En cas de récidive, le montant de ces amendes est porté à une somme de 500 à 20 000 francs.
§ 2. Le tribunal peut en outre ordonner la fermeture de tout ou partie de l'établissement exploité sans l'attestation ou la dispense mentionnée ci-avant.
Les dispositions du livre Ier du Code pénal, y compris le chapitre VII et l'article 85, sont applicables aux infractions prévues par le présent chapitre.
§ 3. Les agents commissionnés à cet effet par le ministre compétent peuvent, au vu des procès-verbaux constatant une des infractions aux dispositions du présent chapitre, établis par les agents visés à l'article 15, § 1er, proposer aux contrevenants le paiement d'une somme qui éteint l'action publique.
Les tarifs ainsi que les modalités de paiement et de perception sont fixés par le Roi.
§ 4. Le Ministère public, au vu des procès-verbaux dressés en exécution de l'article 15, § 1er, peut ordonner la saisie des produits faisant l'objet de l'infraction.
Les agents commissionnés, lorsqu'ils constatent une infraction en vertu des pouvoirs qui leur sont conférés par l'article 15, § 1er, peuvent procéder à titre conservatoire, à la saisie des produits faisant l'objet de l'infraction. Cette saisie devra être confirmée par le Ministère public dans un délai de huit jours, conformément aux dispositions du premier alinéa.
La personne entre les mains de laquelle les produits sont saisis, peut en être constituée gardien judiciaire.
La saisie est levée de plein droit par le jugement mettant fin à la poursuite, lorsque ce jugement est passé en force de chose jugée, ou par le classement sans suite ou par le paiement de la somme visée au § 3.
Le Ministère public peut donner mainlevée de la saisie qu'il a ordonnée ou confirmée, si le contrevenant renonce à offrir les produits dans les conditions ayant donné lieu à la poursuite; cette renonciation n'implique aucune reconnaissance du bien-fondé de cette poursuite.
§ 1er. (Sera puni d'une amende de 250 à 10.000 euros quiconque exerce une activité professionnelle, dont l'exercice est réglementé conformément au présent chapitre, sans disposer [1 ...]1 de la compétence professionnelle.) <L 2003-01-16/34, art. 80, 006; En vigueur : 01-07-2003>
En cas de récidive, le montant de ces amendes est porté à une somme de 500 à 20 000 francs.
§ 2. Le tribunal peut en outre ordonner la fermeture de tout ou partie de l'établissement exploité sans l'attestation ou la dispense mentionnée ci-avant.
Les dispositions du livre Ier du Code pénal, y compris le chapitre VII et l'article 85, sont applicables aux infractions prévues par le présent chapitre.
§ 3. Les agents commissionnés à cet effet par le ministre compétent peuvent, au vu des procès-verbaux constatant une des infractions aux dispositions du présent chapitre, établis par les agents visés à l'article 15, § 1er, proposer aux contrevenants le paiement d'une somme qui éteint l'action publique.
Les tarifs ainsi que les modalités de paiement et de perception sont fixés par le Roi.
§ 4. Le Ministère public, au vu des procès-verbaux dressés en exécution de l'article 15, § 1er, peut ordonner la saisie des produits faisant l'objet de l'infraction.
Les agents commissionnés, lorsqu'ils constatent une infraction en vertu des pouvoirs qui leur sont conférés par l'article 15, § 1er, peuvent procéder à titre conservatoire, à la saisie des produits faisant l'objet de l'infraction. Cette saisie devra être confirmée par le Ministère public dans un délai de huit jours, conformément aux dispositions du premier alinéa.
La personne entre les mains de laquelle les produits sont saisis, peut en être constituée gardien judiciaire.
La saisie est levée de plein droit par le jugement mettant fin à la poursuite, lorsque ce jugement est passé en force de chose jugée, ou par le classement sans suite ou par le paiement de la somme visée au § 3.
Le Ministère public peut donner mainlevée de la saisie qu'il a ordonnée ou confirmée, si le contrevenant renonce à offrir les produits dans les conditions ayant donné lieu à la poursuite; cette renonciation n'implique aucune reconnaissance du bien-fondé de cette poursuite.
Modifications
Art. 17. § 1. Van het bewijs bedoeld in artikel 4, § 1, zijn vrijgesteld de personen die op het ogenblik van de bekendmaking van deze wet zijn ingeschreven overeenkomstig de gecoördineerde wetten op het handelsregister of volgens de wet van 18 maart 1965 op het ambachtsregister.
(Lid 2 opgeheven) <W 2003-05-11/39, art. 9, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
§ 2. Van het bewijs bedoeld in artikel 5, § 1, zijn vrijgesteld de personen die op het ogenblik van de bekendmaking van een besluit waarbij een beroepsbekwaamheid wordt opgelegd, waren ingeschreven overeenkomstig de gecoördineerde wetten op het handelsregister of volgens de wet van 18 maart 1965 op het ambachtsregister; de inschrijving moet melding maken van een van de door dit besluit vastgestelde beroepsactiviteiten.
§ 3. Zolang de reglementeringsbesluiten genomen in uitvoering van de wetten van 24 december 1958 en 15 december 1970 niet gewijzigd zijn (overeenkomstig artikel 6), wordt voldaan aan de voorwaarden die worden opgelegd door deze besluiten met de middelen die erin worden voorgeschreven. <W 2003-05-11/39, art. 9, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
§ 4. De natuurlijke personen die een attest bezitten, uitgereikt bij toepassing van artikel 18, § 1 of § 2 van de wet van 24 december 1958 of van artikel 19, § 3 van de wet van 15 december 1970, mogen hun werkzaamheden voortzetten binnen de vennootschap waarin zij hun onderneming hebben ingebracht en waarvan zij het dagelijks bestuur waarnemen.
(Tweede lid opgeheven) <W 2003-01-16/34, art. 81, 006; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
(§ 5. De rechtspersoon die houder is van een getuigschrift op zijn naam, mag zijn beroepswerkzaamheden blijven uitoefenen zolang de natuurlijke persoon die bewezen heeft te beschikken over de basiskennis van het bedrijfsbeheer en/of over de beroepsbekwaamheid, de onderneming niet verlaat.
Zodra de bedoelde natuurlijke persoon de onderneming verlaat, beschikt de rechtspersoon over zes maanden om te voldoen aan de vereisten bepaald in de artikelen 4, § 1 en/of 5, § 1.) <W 2003-01-16/34, art. 81, 006; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
(Lid 2 opgeheven) <W 2003-05-11/39, art. 9, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
§ 2. Van het bewijs bedoeld in artikel 5, § 1, zijn vrijgesteld de personen die op het ogenblik van de bekendmaking van een besluit waarbij een beroepsbekwaamheid wordt opgelegd, waren ingeschreven overeenkomstig de gecoördineerde wetten op het handelsregister of volgens de wet van 18 maart 1965 op het ambachtsregister; de inschrijving moet melding maken van een van de door dit besluit vastgestelde beroepsactiviteiten.
§ 3. Zolang de reglementeringsbesluiten genomen in uitvoering van de wetten van 24 december 1958 en 15 december 1970 niet gewijzigd zijn (overeenkomstig artikel 6), wordt voldaan aan de voorwaarden die worden opgelegd door deze besluiten met de middelen die erin worden voorgeschreven. <W 2003-05-11/39, art. 9, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
§ 4. De natuurlijke personen die een attest bezitten, uitgereikt bij toepassing van artikel 18, § 1 of § 2 van de wet van 24 december 1958 of van artikel 19, § 3 van de wet van 15 december 1970, mogen hun werkzaamheden voortzetten binnen de vennootschap waarin zij hun onderneming hebben ingebracht en waarvan zij het dagelijks bestuur waarnemen.
(Tweede lid opgeheven) <W 2003-01-16/34, art. 81, 006; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
(§ 5. De rechtspersoon die houder is van een getuigschrift op zijn naam, mag zijn beroepswerkzaamheden blijven uitoefenen zolang de natuurlijke persoon die bewezen heeft te beschikken over de basiskennis van het bedrijfsbeheer en/of over de beroepsbekwaamheid, de onderneming niet verlaat.
Zodra de bedoelde natuurlijke persoon de onderneming verlaat, beschikt de rechtspersoon over zes maanden om te voldoen aan de vereisten bepaald in de artikelen 4, § 1 en/of 5, § 1.) <W 2003-01-16/34, art. 81, 006; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
Art. 17. § 1er. Sont dispensées de la preuve visée à l'article 4, § 1er, les personnes qui, au moment de la publication de la présente loi, sont immatriculées conformément aux lois coordonnées sur le registre du commerce ou à la loi du 18 mars 1965 sur le registre de l'artisanat.
(Alinéa 2 abrogé) <L 2003-05-11/39, art. 9, 007; En vigueur : 01-07-2003>
§ 2. Sont dispensées de la preuve visée à l'article 5, § 1er, les personnes qui, au moment de la publication d'un arrêté imposant une compétence professionnelle, étaient immatriculés conformément aux lois cordonnées sur le registre du commerce ou à la loi du 18 mars 1965 sur le registre de l'artisanat; l'immatriculation doit mentionner une des activités professionnelles déterminées par cet arrêté.
§ 3. A défaut de modification, (conformément à l'article 6), des arrêtés de réglementation pris en exécution des lois du 24 décembre 1958 et du 15 décembre 1970, la preuve qu'il est satisfait aux conditions que ces arrêtés prescrivent doit être apportée selon les moyens qu'ils déterminent. <L 2003-05-11/39, art. 9, 007; En vigueur : 01-07-2003>
§ 4. Les personnes physiques qui détiennent une attestation délivrée en application de l'article 18, § 1er ou § 2 de la loi du 24 décembre 1958 ou de l'article 19, § 3 de la loi du 15 décembre 1970, peuvent poursuivre leurs activités au sein de la société à laquelle elles ont fait apport de leur entreprise et dont elles assurent la gestion journalière.
(Alinéa 2 abrogé) <L 2003-01-16/34, art. 81, 006; En vigueur : 01-07-2003>
(§ 5. La personne morale qui est titulaire d'une attestation à son nom peut poursuivre ses activités professionnelles aussi longtemps que la personne physique qui a prouvé disposer des connaissances de gestion de base et/ou de la compétence professionnelle ne quitte pas l'entreprise.
Dès que la personne physique en question quitte l'entreprise, la personne morale dispose d'un délai de six mois pour satisfaire aux exigences fixées aux articles 4, § 1er, et/ou 5, § 1.) <L 2003-01-16/34, art. 81, 006; En vigueur : 01-07-2003>
(Alinéa 2 abrogé) <L 2003-05-11/39, art. 9, 007; En vigueur : 01-07-2003>
§ 2. Sont dispensées de la preuve visée à l'article 5, § 1er, les personnes qui, au moment de la publication d'un arrêté imposant une compétence professionnelle, étaient immatriculés conformément aux lois cordonnées sur le registre du commerce ou à la loi du 18 mars 1965 sur le registre de l'artisanat; l'immatriculation doit mentionner une des activités professionnelles déterminées par cet arrêté.
§ 3. A défaut de modification, (conformément à l'article 6), des arrêtés de réglementation pris en exécution des lois du 24 décembre 1958 et du 15 décembre 1970, la preuve qu'il est satisfait aux conditions que ces arrêtés prescrivent doit être apportée selon les moyens qu'ils déterminent. <L 2003-05-11/39, art. 9, 007; En vigueur : 01-07-2003>
§ 4. Les personnes physiques qui détiennent une attestation délivrée en application de l'article 18, § 1er ou § 2 de la loi du 24 décembre 1958 ou de l'article 19, § 3 de la loi du 15 décembre 1970, peuvent poursuivre leurs activités au sein de la société à laquelle elles ont fait apport de leur entreprise et dont elles assurent la gestion journalière.
(Alinéa 2 abrogé) <L 2003-01-16/34, art. 81, 006; En vigueur : 01-07-2003>
(§ 5. La personne morale qui est titulaire d'une attestation à son nom peut poursuivre ses activités professionnelles aussi longtemps que la personne physique qui a prouvé disposer des connaissances de gestion de base et/ou de la compétence professionnelle ne quitte pas l'entreprise.
Dès que la personne physique en question quitte l'entreprise, la personne morale dispose d'un délai de six mois pour satisfaire aux exigences fixées aux articles 4, § 1er, et/ou 5, § 1.) <L 2003-01-16/34, art. 81, 006; En vigueur : 01-07-2003>
Art. 17_WAALS_GEWEST. § 1. [1 ...]1
§ 2. Van het bewijs bedoeld in artikel 5, § 1, zijn vrijgesteld de personen die op het ogenblik van de bekendmaking van een besluit waarbij een beroepsbekwaamheid wordt opgelegd, waren ingeschreven overeenkomstig de gecoördineerde wetten op het handelsregister of volgens de wet van 18 maart 1965 op het ambachtsregister; de inschrijving moet melding maken van een van de door dit besluit vastgestelde beroepsactiviteiten.
§ 3. Zolang de reglementeringsbesluiten genomen in uitvoering van de wetten van 24 december 1958 en 15 december 1970 niet gewijzigd zijn (overeenkomstig artikel 6), wordt voldaan aan de voorwaarden die worden opgelegd door deze besluiten met de middelen die erin worden voorgeschreven. <W 2003-05-11/39, art. 9, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
§ 4. De natuurlijke personen die een attest bezitten, uitgereikt bij toepassing van artikel 18, § 1 of § 2 van de wet van 24 december 1958 of van artikel 19, § 3 van de wet van 15 december 1970, mogen hun werkzaamheden voortzetten binnen de vennootschap waarin zij hun onderneming hebben ingebracht en waarvan zij het dagelijks bestuur waarnemen.
(Tweede lid opgeheven) <W 2003-01-16/34, art. 81, 006; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
(§ 5. [1 De rechtspersoon die houder is van een getuigschrift op zijn naam, mag zijn beroepswerkzaamheden blijven uitoefenen zolang de natuurlijke persoon die bewezen heeft te beschikken over de beroepsbekwaamheid, de onderneming niet verlaat.
Zodra de betrokken natuurlijke persoon de onderneming verlaat, beschikt de rechtspersoon over zes maanden om te voldoen aan de vereisten vastgesteld in artikel 5, § 1.]1
§ 2. Van het bewijs bedoeld in artikel 5, § 1, zijn vrijgesteld de personen die op het ogenblik van de bekendmaking van een besluit waarbij een beroepsbekwaamheid wordt opgelegd, waren ingeschreven overeenkomstig de gecoördineerde wetten op het handelsregister of volgens de wet van 18 maart 1965 op het ambachtsregister; de inschrijving moet melding maken van een van de door dit besluit vastgestelde beroepsactiviteiten.
§ 3. Zolang de reglementeringsbesluiten genomen in uitvoering van de wetten van 24 december 1958 en 15 december 1970 niet gewijzigd zijn (overeenkomstig artikel 6), wordt voldaan aan de voorwaarden die worden opgelegd door deze besluiten met de middelen die erin worden voorgeschreven. <W 2003-05-11/39, art. 9, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
§ 4. De natuurlijke personen die een attest bezitten, uitgereikt bij toepassing van artikel 18, § 1 of § 2 van de wet van 24 december 1958 of van artikel 19, § 3 van de wet van 15 december 1970, mogen hun werkzaamheden voortzetten binnen de vennootschap waarin zij hun onderneming hebben ingebracht en waarvan zij het dagelijks bestuur waarnemen.
(Tweede lid opgeheven) <W 2003-01-16/34, art. 81, 006; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
(§ 5. [1 De rechtspersoon die houder is van een getuigschrift op zijn naam, mag zijn beroepswerkzaamheden blijven uitoefenen zolang de natuurlijke persoon die bewezen heeft te beschikken over de beroepsbekwaamheid, de onderneming niet verlaat.
Zodra de betrokken natuurlijke persoon de onderneming verlaat, beschikt de rechtspersoon over zes maanden om te voldoen aan de vereisten vastgesteld in artikel 5, § 1.]1
Art. 17 _REGION_WALLONNE.
§ 1er. [1 ...]1
§ 2. Sont dispensées de la preuve visée à l'article 5, § 1er, les personnes qui, au moment de la publication d'un arrêté imposant une compétence professionnelle, étaient immatriculés conformément aux lois cordonnées sur le registre du commerce ou à la loi du 18 mars 1965 sur le registre de l'artisanat; l'immatriculation doit mentionner une des activités professionnelles déterminées par cet arrêté.
§ 3. A défaut de modification, (conformément à l'article 6), des arrêtés de réglementation pris en exécution des lois du 24 décembre 1958 et du 15 décembre 1970, la preuve qu'il est satisfait aux conditions que ces arrêtés prescrivent doit être apportée selon les moyens qu'ils déterminent. <L 2003-05-11/39, art. 9, 007; En vigueur : 01-07-2003>
§ 4. Les personnes physiques qui détiennent une attestation délivrée en application de l'article 18, § 1er ou § 2 de la loi du 24 décembre 1958 ou de l'article 19, § 3 de la loi du 15 décembre 1970, peuvent poursuivre leurs activités au sein de la société à laquelle elles ont fait apport de leur entreprise et dont elles assurent la gestion journalière.
(Alinéa 2 abrogé) <L 2003-01-16/34, art. 81, 006; En vigueur : 01-07-2003>
(§ 5. [1 La personne morale, qui est titulaire d'une attestation à son nom, peut poursuivre ses activités professionnelles aussi longtemps que la personne physique, qui a prouvé la compétence professionnelle, ne quitte pas l'entreprise.
Dès que la personne physique en question quitte l'entreprise, la personne morale dispose d'un délai de six mois pour satisfaire aux exigences fixées à l'article 5, § 1er.]1
§ 1er. [1 ...]1
§ 2. Sont dispensées de la preuve visée à l'article 5, § 1er, les personnes qui, au moment de la publication d'un arrêté imposant une compétence professionnelle, étaient immatriculés conformément aux lois cordonnées sur le registre du commerce ou à la loi du 18 mars 1965 sur le registre de l'artisanat; l'immatriculation doit mentionner une des activités professionnelles déterminées par cet arrêté.
§ 3. A défaut de modification, (conformément à l'article 6), des arrêtés de réglementation pris en exécution des lois du 24 décembre 1958 et du 15 décembre 1970, la preuve qu'il est satisfait aux conditions que ces arrêtés prescrivent doit être apportée selon les moyens qu'ils déterminent. <L 2003-05-11/39, art. 9, 007; En vigueur : 01-07-2003>
§ 4. Les personnes physiques qui détiennent une attestation délivrée en application de l'article 18, § 1er ou § 2 de la loi du 24 décembre 1958 ou de l'article 19, § 3 de la loi du 15 décembre 1970, peuvent poursuivre leurs activités au sein de la société à laquelle elles ont fait apport de leur entreprise et dont elles assurent la gestion journalière.
(Alinéa 2 abrogé) <L 2003-01-16/34, art. 81, 006; En vigueur : 01-07-2003>
(§ 5. [1 La personne morale, qui est titulaire d'une attestation à son nom, peut poursuivre ses activités professionnelles aussi longtemps que la personne physique, qui a prouvé la compétence professionnelle, ne quitte pas l'entreprise.
Dès que la personne physique en question quitte l'entreprise, la personne morale dispose d'un délai de six mois pour satisfaire aux exigences fixées à l'article 5, § 1er.]1
Modifications
Modifications
Art. 17_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. § 1. [1 ...]1
§ 2. Van het bewijs bedoeld in artikel 5, § 1, zijn vrijgesteld de personen die op het ogenblik van de bekendmaking van een besluit waarbij een beroepsbekwaamheid wordt opgelegd, waren ingeschreven overeenkomstig de gecoördineerde wetten op het handelsregister of volgens de wet van 18 maart 1965 op het ambachtsregister; de inschrijving moet melding maken van een van de door dit besluit vastgestelde beroepsactiviteiten.
[1 Zijn eveneens vrijgesteld, de ondernemingen die, op het ogenblik van de inwerkingtreding van artikel 14 van de ordonnantie van [...] 2023 tot vereenvoudiging van de regels inzake toegang tot het beroep, reeds een beroepsactiviteit uitoefenen waarvoor de beroepsbekwaamheid is vastgesteld, die ingeschreven is in de Kruispuntbank van Ondernemingen overeenkomstig de toepasselijke regelgeving, maar voor deze inwerkingtreding niet vielen onder het toepassingsgebied van artikel 5, § 1.]1
§ 3. Zolang de reglementeringsbesluiten genomen in uitvoering van de wetten van 24 december 1958 en 15 december 1970 niet gewijzigd zijn (overeenkomstig artikel 6), wordt voldaan aan de voorwaarden die worden opgelegd door deze besluiten met de middelen die erin worden voorgeschreven. <W 2003-05-11/39, art. 9, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
§ 4. De natuurlijke personen die een attest bezitten, uitgereikt bij toepassing van artikel 18, § 1 of § 2 van de wet van 24 december 1958 of van artikel 19, § 3 van de wet van 15 december 1970, mogen hun werkzaamheden voortzetten binnen de vennootschap waarin zij hun onderneming hebben ingebracht en waarvan zij het dagelijks bestuur waarnemen.
(Tweede lid opgeheven) <W 2003-01-16/34, art. 81, 006; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
(§ 5. [1 § De vennootschap die houder is van een getuigschrift op zijn naam, mag zijn beroepswerkzaamheden blijven uitoefenen zolang de natuurlijke persoon die bewezen heeft dat hij beschikt over de beroepsbekwaamheid, de onderneming niet verlaat.
Zodra de voormelde natuurlijke persoon de onderneming verlaat, beschikt de voormelde vennootschap over zes maanden om te voldoen aan de vereisten, vermeld in artikel 5, § 1.]1
§ 2. Van het bewijs bedoeld in artikel 5, § 1, zijn vrijgesteld de personen die op het ogenblik van de bekendmaking van een besluit waarbij een beroepsbekwaamheid wordt opgelegd, waren ingeschreven overeenkomstig de gecoördineerde wetten op het handelsregister of volgens de wet van 18 maart 1965 op het ambachtsregister; de inschrijving moet melding maken van een van de door dit besluit vastgestelde beroepsactiviteiten.
[1 Zijn eveneens vrijgesteld, de ondernemingen die, op het ogenblik van de inwerkingtreding van artikel 14 van de ordonnantie van [...] 2023 tot vereenvoudiging van de regels inzake toegang tot het beroep, reeds een beroepsactiviteit uitoefenen waarvoor de beroepsbekwaamheid is vastgesteld, die ingeschreven is in de Kruispuntbank van Ondernemingen overeenkomstig de toepasselijke regelgeving, maar voor deze inwerkingtreding niet vielen onder het toepassingsgebied van artikel 5, § 1.]1
§ 3. Zolang de reglementeringsbesluiten genomen in uitvoering van de wetten van 24 december 1958 en 15 december 1970 niet gewijzigd zijn (overeenkomstig artikel 6), wordt voldaan aan de voorwaarden die worden opgelegd door deze besluiten met de middelen die erin worden voorgeschreven. <W 2003-05-11/39, art. 9, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
§ 4. De natuurlijke personen die een attest bezitten, uitgereikt bij toepassing van artikel 18, § 1 of § 2 van de wet van 24 december 1958 of van artikel 19, § 3 van de wet van 15 december 1970, mogen hun werkzaamheden voortzetten binnen de vennootschap waarin zij hun onderneming hebben ingebracht en waarvan zij het dagelijks bestuur waarnemen.
(Tweede lid opgeheven) <W 2003-01-16/34, art. 81, 006; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
(§ 5. [1 § De vennootschap die houder is van een getuigschrift op zijn naam, mag zijn beroepswerkzaamheden blijven uitoefenen zolang de natuurlijke persoon die bewezen heeft dat hij beschikt over de beroepsbekwaamheid, de onderneming niet verlaat.
Zodra de voormelde natuurlijke persoon de onderneming verlaat, beschikt de voormelde vennootschap over zes maanden om te voldoen aan de vereisten, vermeld in artikel 5, § 1.]1
Art. 17 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
§ 1er. [1 ...]1
§ 2. Sont dispensées de la preuve visée à l'article 5, § 1er, les personnes qui, au moment de la publication d'un arrêté imposant une compétence professionnelle, étaient immatriculés conformément aux lois cordonnées sur le registre du commerce ou à la loi du 18 mars 1965 sur le registre de l'artisanat; l'immatriculation doit mentionner une des activités professionnelles déterminées par cet arrêté.
[1 Sont aussi dispensées, les entreprises qui, au moment de l'entrée en vigueur de l'article 14 de l'ordonnance du [...] 2023 simplifiant les règles de l'accès à la profession, exercent déjà une activité professionnelle pour laquelle la compétence professionnelle est fixée, inscrite à la Banque-Carrefour des Entreprises conformément aux réglementations applicables, mais qui ne tombaient pas sous le champ d'application de l'article 5, § 1er, avant cette entrée en vigueur.]1
§ 3. A défaut de modification, (conformément à l'article 6), des arrêtés de réglementation pris en exécution des lois du 24 décembre 1958 et du 15 décembre 1970, la preuve qu'il est satisfait aux conditions que ces arrêtés prescrivent doit être apportée selon les moyens qu'ils déterminent. <L 2003-05-11/39, art. 9, 007; En vigueur : 01-07-2003>
§ 4. Les personnes physiques qui détiennent une attestation délivrée en application de l'article 18, § 1er ou § 2 de la loi du 24 décembre 1958 ou de l'article 19, § 3 de la loi du 15 décembre 1970, peuvent poursuivre leurs activités au sein de la société à laquelle elles ont fait apport de leur entreprise et dont elles assurent la gestion journalière.
(Alinéa 2 abrogé) <L 2003-01-16/34, art. 81, 006; En vigueur : 01-07-2003>
(§ 5. [1 La société qui est titulaire d'une attestation à son nom peut continuer à exercer ses activités professionnelles aussi longtemps que la personne physique qui a prouvé qu'elle dispose de la compétence professionnelle ne quitte pas l'entreprise.
Dès que la personne physique précitée quitte l'entreprise, la société précitée dispose d'un délai de six mois pour satisfaire aux exigences visées à l'article 5, § 1er.]1
§ 1er. [1 ...]1
§ 2. Sont dispensées de la preuve visée à l'article 5, § 1er, les personnes qui, au moment de la publication d'un arrêté imposant une compétence professionnelle, étaient immatriculés conformément aux lois cordonnées sur le registre du commerce ou à la loi du 18 mars 1965 sur le registre de l'artisanat; l'immatriculation doit mentionner une des activités professionnelles déterminées par cet arrêté.
[1 Sont aussi dispensées, les entreprises qui, au moment de l'entrée en vigueur de l'article 14 de l'ordonnance du [...] 2023 simplifiant les règles de l'accès à la profession, exercent déjà une activité professionnelle pour laquelle la compétence professionnelle est fixée, inscrite à la Banque-Carrefour des Entreprises conformément aux réglementations applicables, mais qui ne tombaient pas sous le champ d'application de l'article 5, § 1er, avant cette entrée en vigueur.]1
§ 3. A défaut de modification, (conformément à l'article 6), des arrêtés de réglementation pris en exécution des lois du 24 décembre 1958 et du 15 décembre 1970, la preuve qu'il est satisfait aux conditions que ces arrêtés prescrivent doit être apportée selon les moyens qu'ils déterminent. <L 2003-05-11/39, art. 9, 007; En vigueur : 01-07-2003>
§ 4. Les personnes physiques qui détiennent une attestation délivrée en application de l'article 18, § 1er ou § 2 de la loi du 24 décembre 1958 ou de l'article 19, § 3 de la loi du 15 décembre 1970, peuvent poursuivre leurs activités au sein de la société à laquelle elles ont fait apport de leur entreprise et dont elles assurent la gestion journalière.
(Alinéa 2 abrogé) <L 2003-01-16/34, art. 81, 006; En vigueur : 01-07-2003>
(§ 5. [1 La société qui est titulaire d'une attestation à son nom peut continuer à exercer ses activités professionnelles aussi longtemps que la personne physique qui a prouvé qu'elle dispose de la compétence professionnelle ne quitte pas l'entreprise.
Dès que la personne physique précitée quitte l'entreprise, la société précitée dispose d'un délai de six mois pour satisfaire aux exigences visées à l'article 5, § 1er.]1
Modifications
Modifications
Art. 17_VLAAMS_GEWEST. § 1. [1 ...]1
§ 2. Van het bewijs bedoeld in artikel 5, § 1, zijn vrijgesteld de personen die op het ogenblik van de bekendmaking van een besluit waarbij een beroepsbekwaamheid wordt opgelegd, waren ingeschreven overeenkomstig de gecoördineerde wetten op het handelsregister of volgens de wet van 18 maart 1965 op het ambachtsregister; de inschrijving moet melding maken van een van de door dit besluit vastgestelde beroepsactiviteiten.
§ 3. Zolang de reglementeringsbesluiten genomen in uitvoering van de wetten van 24 december 1958 en 15 december 1970 niet gewijzigd zijn (overeenkomstig artikel 6), wordt voldaan aan de voorwaarden die worden opgelegd door deze besluiten met de middelen die erin worden voorgeschreven. <W 2003-05-11/39, art. 9, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
§ 4. De natuurlijke personen die een attest bezitten, uitgereikt bij toepassing van artikel 18, § 1 of § 2 van de wet van 24 december 1958 of van artikel 19, § 3 van de wet van 15 december 1970, mogen hun werkzaamheden voortzetten binnen de vennootschap waarin zij hun onderneming hebben ingebracht en waarvan zij het dagelijks bestuur waarnemen.
(Tweede lid opgeheven) <W 2003-01-16/34, art. 81, 006; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
(§ 5. [1 . De rechtspersoon die houder is van een getuigschrift op zijn naam, mag zijn beroepswerkzaamheden blijven uitoefenen zolang de natuurlijke persoon die bewezen heeft dat hij beschikt over de beroepsbekwaamheid, de onderneming niet verlaat.
Zodra de voormelde natuurlijke persoon de onderneming verlaat, beschikt de voormelde rechtspersoon over zes maanden om te voldoen aan de vereisten, vermeld in artikel 5, § 1]1.
§ 2. Van het bewijs bedoeld in artikel 5, § 1, zijn vrijgesteld de personen die op het ogenblik van de bekendmaking van een besluit waarbij een beroepsbekwaamheid wordt opgelegd, waren ingeschreven overeenkomstig de gecoördineerde wetten op het handelsregister of volgens de wet van 18 maart 1965 op het ambachtsregister; de inschrijving moet melding maken van een van de door dit besluit vastgestelde beroepsactiviteiten.
§ 3. Zolang de reglementeringsbesluiten genomen in uitvoering van de wetten van 24 december 1958 en 15 december 1970 niet gewijzigd zijn (overeenkomstig artikel 6), wordt voldaan aan de voorwaarden die worden opgelegd door deze besluiten met de middelen die erin worden voorgeschreven. <W 2003-05-11/39, art. 9, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
§ 4. De natuurlijke personen die een attest bezitten, uitgereikt bij toepassing van artikel 18, § 1 of § 2 van de wet van 24 december 1958 of van artikel 19, § 3 van de wet van 15 december 1970, mogen hun werkzaamheden voortzetten binnen de vennootschap waarin zij hun onderneming hebben ingebracht en waarvan zij het dagelijks bestuur waarnemen.
(Tweede lid opgeheven) <W 2003-01-16/34, art. 81, 006; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
(§ 5. [1 . De rechtspersoon die houder is van een getuigschrift op zijn naam, mag zijn beroepswerkzaamheden blijven uitoefenen zolang de natuurlijke persoon die bewezen heeft dat hij beschikt over de beroepsbekwaamheid, de onderneming niet verlaat.
Zodra de voormelde natuurlijke persoon de onderneming verlaat, beschikt de voormelde rechtspersoon over zes maanden om te voldoen aan de vereisten, vermeld in artikel 5, § 1]1.
Modifications
Art. 17 _REGION_FLAMANDE.
§ 1er. [1 ...]1
§ 2. Sont dispensées de la preuve visée à l'article 5, § 1er, les personnes qui, au moment de la publication d'un arrêté imposant une compétence professionnelle, étaient immatriculés conformément aux lois cordonnées sur le registre du commerce ou à la loi du 18 mars 1965 sur le registre de l'artisanat; l'immatriculation doit mentionner une des activités professionnelles déterminées par cet arrêté.
§ 3. A défaut de modification, (conformément à l'article 6), des arrêtés de réglementation pris en exécution des lois du 24 décembre 1958 et du 15 décembre 1970, la preuve qu'il est satisfait aux conditions que ces arrêtés prescrivent doit être apportée selon les moyens qu'ils déterminent. <L 2003-05-11/39, art. 9, 007; En vigueur : 01-07-2003>
§ 4. Les personnes physiques qui détiennent une attestation délivrée en application de l'article 18, § 1er ou § 2 de la loi du 24 décembre 1958 ou de l'article 19, § 3 de la loi du 15 décembre 1970, peuvent poursuivre leurs activités au sein de la société à laquelle elles ont fait apport de leur entreprise et dont elles assurent la gestion journalière.
(Alinéa 2 abrogé) <L 2003-01-16/34, art. 81, 006; En vigueur : 01-07-2003>
(§ 5. [1 La personne morale qui est titulaire d'une attestation à son nom peut poursuivre ses activités professionnelles aussi longtemps que la personne physique qui a prouvé qu'elle dispose de la compétence professionnelle ne quitte pas l'entreprise.
Dès que la personne physique précitée quitte l'entreprise, la personne morale précitée dispose d'un délai de six mois pour satisfaire aux exigences visées à l'article 5, § 1er]1.
§ 1er. [1 ...]1
§ 2. Sont dispensées de la preuve visée à l'article 5, § 1er, les personnes qui, au moment de la publication d'un arrêté imposant une compétence professionnelle, étaient immatriculés conformément aux lois cordonnées sur le registre du commerce ou à la loi du 18 mars 1965 sur le registre de l'artisanat; l'immatriculation doit mentionner une des activités professionnelles déterminées par cet arrêté.
§ 3. A défaut de modification, (conformément à l'article 6), des arrêtés de réglementation pris en exécution des lois du 24 décembre 1958 et du 15 décembre 1970, la preuve qu'il est satisfait aux conditions que ces arrêtés prescrivent doit être apportée selon les moyens qu'ils déterminent. <L 2003-05-11/39, art. 9, 007; En vigueur : 01-07-2003>
§ 4. Les personnes physiques qui détiennent une attestation délivrée en application de l'article 18, § 1er ou § 2 de la loi du 24 décembre 1958 ou de l'article 19, § 3 de la loi du 15 décembre 1970, peuvent poursuivre leurs activités au sein de la société à laquelle elles ont fait apport de leur entreprise et dont elles assurent la gestion journalière.
(Alinéa 2 abrogé) <L 2003-01-16/34, art. 81, 006; En vigueur : 01-07-2003>
(§ 5. [1 La personne morale qui est titulaire d'une attestation à son nom peut poursuivre ses activités professionnelles aussi longtemps que la personne physique qui a prouvé qu'elle dispose de la compétence professionnelle ne quitte pas l'entreprise.
Dès que la personne physique précitée quitte l'entreprise, la personne morale précitée dispose d'un délai de six mois pour satisfaire aux exigences visées à l'article 5, § 1er]1.
Modifications
Art. 18. De wet van 15 december 1970 op de uitoefening van beroepswerkzaamheden in de kleine en middelgrote handels- en ambachtsondernemingen, gewijzigd bij de wetten van 22 februari 1977, 4 augustus 1978, 25 februari 1987, 23 december 1994 en 6 april 1995, wordt opgeheven.
Art. 18. La loi du 15 décembre 1970 sur l'exercice des activités professionnelles dans les petites et moyennes entreprises du commerce et de l'artisanat, modifiée par les lois des 22 février 1977, 4 août 1978, 25 février 1987, 23 décembre 1994 et 6 avril 1995, est abrogée.
HOOFDSTUK II. - (Opgeheven)
CHAPITRE II. - (Abrogé)
Art. 19. (Opgeheven) <W 2003-05-11/39, art. 10, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
Art. 19. (Abrogé) <L 2003-05-11/39, art. 10, 007; En vigueur : 01-07-2003>
Art. 20. (Opgeheven) <W 2003-05-11/39, art. 10, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
Art. 20. (Abrogé) <L 2003-05-11/39, art. 10, 007; En vigueur : 01-07-2003>
Art. 21. (Opgeheven) <W 2003-05-11/39, art. 10, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
Art. 21. (Abrogé) <L 2003-05-11/39, art. 10, 007; En vigueur : 01-07-2003>
Art. 22. (Opgeheven) <W 2003-05-11/39, art. 10, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
Art. 22. (Abrogé) <L 2003-05-11/39, art. 10, 007; En vigueur : 01-07-2003>
HOOFDSTUK III. - Wijziging van de wetten betreffende de organisatie van de Middenstand, gecoördineerd op 28 mei 1979.
CHAPITRE III. - Modification des lois relatives à l'organisation des Classes moyennes, coordonnées le 28 mai 1979.
Art. 23. In artikel 2 van de wetten betreffende de organisatie van de Middenstand, gecoördineerd op 28 mei 1979, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° een § 2bis wordt ingevoegd, luidend als volgt :
"§ 2bis. De nationale interprofessionele federaties, erkend overeenkomstig artikel 7 worden eveneens toegelaten om vertegenwoordigers aan te wijzen voor de Kamer van Ambachten en Neringen, bevoegd voor de provincie waarin ze actief zijn.";
2° in § 3 worden de woorden "de in § 1 en 2 bedoelde" vervangen door de woorden "de in de §§ 1, 2 en 2bis bedoelde";
3° in § 4 worden de woorden "de in § 1 bedoelde" vervangen door de woorden "de in § 1 en § 2bis bedoelde".".
1° een § 2bis wordt ingevoegd, luidend als volgt :
"§ 2bis. De nationale interprofessionele federaties, erkend overeenkomstig artikel 7 worden eveneens toegelaten om vertegenwoordigers aan te wijzen voor de Kamer van Ambachten en Neringen, bevoegd voor de provincie waarin ze actief zijn.";
2° in § 3 worden de woorden "de in § 1 en 2 bedoelde" vervangen door de woorden "de in de §§ 1, 2 en 2bis bedoelde";
3° in § 4 worden de woorden "de in § 1 bedoelde" vervangen door de woorden "de in § 1 en § 2bis bedoelde".".
Art. 23. A l'article 2 des lois relatives à l'organisation des Classes moyennes, coordonnées le 28 mai 1979, sont apportées les modifications suivantes :
1° il est inséré un § 2bis, rédigé comme suit :
" § 2bis. Sont également admises à désigner des représentants dans la Chambre des métiers et négoces, compétente pour la province où elles sont actives, les fédérations nationales interprofessionnelles, agréées conformément à l'article 7. ";
2° dans le § 3, les mots " visées aux §§ 1er et 2 " sont remplacés par les mots " visées aux §§ 1er, 2 et 2bis ";
3° dans le § 4, les mots " visées au § 1er " sont remplacés par les mots " visées aux § 1er et § 2bis ".
1° il est inséré un § 2bis, rédigé comme suit :
" § 2bis. Sont également admises à désigner des représentants dans la Chambre des métiers et négoces, compétente pour la province où elles sont actives, les fédérations nationales interprofessionnelles, agréées conformément à l'article 7. ";
2° dans le § 3, les mots " visées aux §§ 1er et 2 " sont remplacés par les mots " visées aux §§ 1er, 2 et 2bis ";
3° dans le § 4, les mots " visées au § 1er " sont remplacés par les mots " visées aux § 1er et § 2bis ".
Art. 24. Artikel 4 van dezelfde wetten wordt vervangen door de volgende bepaling :
"De Kamers van Ambachten en Neringen worden bestuurd door een bureau dat voor de helft is samengesteld uit afgevaardigden van de beroepsfederaties en van de verenigingen van ambachtslieden en handelaars, bedoeld in artikel 2, §§ 1 en 2, en voor de helft uit vertegenwoordigers van de nationale interprofessionele federaties, bedoeld in artikel 2, § 2bis, volgens de modaliteiten door de Koning bepaald.".
"De Kamers van Ambachten en Neringen worden bestuurd door een bureau dat voor de helft is samengesteld uit afgevaardigden van de beroepsfederaties en van de verenigingen van ambachtslieden en handelaars, bedoeld in artikel 2, §§ 1 en 2, en voor de helft uit vertegenwoordigers van de nationale interprofessionele federaties, bedoeld in artikel 2, § 2bis, volgens de modaliteiten door de Koning bepaald.".
Art. 24. L'article 4 des mêmes lois est remplacé par la disposition suivante :
" Les Chambres des métiers et négoces sont dirigées par un bureau composé pour la moitié de délégués des fédérations professionnelles et des associations constituées entre artisans et commercants visées à l'article 2, §§ 1er et 2, et pour la moitié de représentants des fédérations nationales interprofessionnelles, visées à l'article 2, § 2bis, suivant les modalités fixées par le Roi. ".
" Les Chambres des métiers et négoces sont dirigées par un bureau composé pour la moitié de délégués des fédérations professionnelles et des associations constituées entre artisans et commercants visées à l'article 2, §§ 1er et 2, et pour la moitié de représentants des fédérations nationales interprofessionnelles, visées à l'article 2, § 2bis, suivant les modalités fixées par le Roi. ".
Art. 25. In artikel 5 van dezelfde wetten worden volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid van § 1 worden de woorden "dat onder het gezag staat van het bureau en" geschrapt;
2° het tweede lid van § 1 wordt vervangen door de volgende bepaling :
"De secretaris wordt, na advies van het bureau en volgens de voorwaarden en modaliteiten door de Koning vastgesteld, benoemd door de Minister die de Middenstand onder zijn bevoegdheid heeft, die hij binnen zijn Kamer vertegenwoordigt.";
3° § 2 wordt vervangen door de volgende bepaling :
"§ 2. De Minister die de Middenstand onder zijn bevoegdheid heeft, benoemt, op voorstel van het bureau, de andere personeelsleden van de Kamers van Ambachten en Neringen, volgens de modaliteiten door de Koning bepaald.".
1° in het eerste lid van § 1 worden de woorden "dat onder het gezag staat van het bureau en" geschrapt;
2° het tweede lid van § 1 wordt vervangen door de volgende bepaling :
"De secretaris wordt, na advies van het bureau en volgens de voorwaarden en modaliteiten door de Koning vastgesteld, benoemd door de Minister die de Middenstand onder zijn bevoegdheid heeft, die hij binnen zijn Kamer vertegenwoordigt.";
3° § 2 wordt vervangen door de volgende bepaling :
"§ 2. De Minister die de Middenstand onder zijn bevoegdheid heeft, benoemt, op voorstel van het bureau, de andere personeelsleden van de Kamers van Ambachten en Neringen, volgens de modaliteiten door de Koning bepaald.".
Art. 25. A l'article 5 des mêmes lois, sont apportées les modifications suivantes :
1° au premier alinéa du § 1er, les mots " placé sous l'autorité du bureau et " sont supprimés;
2° le deuxième alinéa du § 1er est remplacé par la disposition suivante :
" Le secrétaire est nommé, après avis du bureau et selon les conditions et modalités fixées par le Roi, par le Ministre qui a les Classes moyennes dans ses attributions, qu'il représente dans sa Chambre. ";
3° le § 2 est remplacé par la disposition suivante :
" § 2. Le Ministre qui a les Classes moyennes dans ses attributions nomme, sur proposition du bureau, les autres membres du personnel des Chambres des métiers et négoces, selon les modalités fixées par le Roi. ".
1° au premier alinéa du § 1er, les mots " placé sous l'autorité du bureau et " sont supprimés;
2° le deuxième alinéa du § 1er est remplacé par la disposition suivante :
" Le secrétaire est nommé, après avis du bureau et selon les conditions et modalités fixées par le Roi, par le Ministre qui a les Classes moyennes dans ses attributions, qu'il représente dans sa Chambre. ";
3° le § 2 est remplacé par la disposition suivante :
" § 2. Le Ministre qui a les Classes moyennes dans ses attributions nomme, sur proposition du bureau, les autres membres du personnel des Chambres des métiers et négoces, selon les modalités fixées par le Roi. ".
HOOFDSTUK IV. - Educatief verlof voor werknemers in KMO's.
CHAPITRE IV. - Congé-éducation pour les travailleurs salariés dans les P.M.E..
Art. 26. In de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen wordt een artikel 119bis toegevoegd, luidend als volgt :
"Art. 119bis. - De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, en na advies te hebben ingewonnen bij de Nationale Arbeidsraad, bijzondere toepassingsregels en modaliteiten vastleggen in het stelsel van betaald educatief verlof, voor de werknemers van KMO's, zoals bedoeld in artikel 2 van de programmawet van 10 februari 1998 tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap. Deze toepassingsregels en modaliteiten zullen betrekking hebben op :
- de werknemers die per kwartaal minstens 51 % van het aantal arbeidsuren of -dagen, zoals voorzien in de collectieve arbeidsovereenkomst die op hen van toepassing is, presteren;
- de opleidingen waardoor de werknemer zijn beroepskwalificatie binnen de onderneming kan verhogen en die worden gevolgd buiten de normale arbeidsuren met toestemming van de werkgever.
Voor deze opleidingen zal de werknemer enkel recht hebben op een vergoeding ten laste van de werkgever ten belope van het geplafonneerd loon gedurende het aantal uren dat overeenstemt met dat van de effectief gevolgde opleidingen. Op deze vergoedingen zijn sociale bijdragen verschuldigd.
De werknemer kan voor dezelfde opleidingen de bepalingen van het betaald educatief verlof niet genieten.
De werkgevers kunnen bij het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid de terugbetaling verkrijgen van de helft van de ter uitvoering van deze bepalingen betaalde vergoedingen en de erop betrekking hebbende sociale bijdragen, op basis van de door de Koning bepaalde bewijsstukken.
Deze toepassingsregels en modaliteiten voor de werknemers van KMO's zullen gelden voor een duur van 2 jaar vanaf hun inwerkingtreding. De Koning kan, na evaluatie en bij een in Ministerraad overlegd besluit, deze duur verlengen.".
"Art. 119bis. - De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, en na advies te hebben ingewonnen bij de Nationale Arbeidsraad, bijzondere toepassingsregels en modaliteiten vastleggen in het stelsel van betaald educatief verlof, voor de werknemers van KMO's, zoals bedoeld in artikel 2 van de programmawet van 10 februari 1998 tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap. Deze toepassingsregels en modaliteiten zullen betrekking hebben op :
- de werknemers die per kwartaal minstens 51 % van het aantal arbeidsuren of -dagen, zoals voorzien in de collectieve arbeidsovereenkomst die op hen van toepassing is, presteren;
- de opleidingen waardoor de werknemer zijn beroepskwalificatie binnen de onderneming kan verhogen en die worden gevolgd buiten de normale arbeidsuren met toestemming van de werkgever.
Voor deze opleidingen zal de werknemer enkel recht hebben op een vergoeding ten laste van de werkgever ten belope van het geplafonneerd loon gedurende het aantal uren dat overeenstemt met dat van de effectief gevolgde opleidingen. Op deze vergoedingen zijn sociale bijdragen verschuldigd.
De werknemer kan voor dezelfde opleidingen de bepalingen van het betaald educatief verlof niet genieten.
De werkgevers kunnen bij het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid de terugbetaling verkrijgen van de helft van de ter uitvoering van deze bepalingen betaalde vergoedingen en de erop betrekking hebbende sociale bijdragen, op basis van de door de Koning bepaalde bewijsstukken.
Deze toepassingsregels en modaliteiten voor de werknemers van KMO's zullen gelden voor een duur van 2 jaar vanaf hun inwerkingtreding. De Koning kan, na evaluatie en bij een in Ministerraad overlegd besluit, deze duur verlengen.".
Art. 26. Dans la loi de rétablissement du 22 janvier 1985 portant des dispositions sociales, un article 119bis est ajouté, rédigé comme suit :
" Art. 119bis. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres et après avoir demandé l'avis du Conseil national du Travail, fixer des règles et des modalités d'application spéciales dans le régime du congé-éducation payé pour les travailleurs salariés dans les P.M.E., telles que définies à l'article 2 de la loi-programme du 10 février 1998 pour la promotion de l'entreprise indépendante. Ces règles et modalités d'application concerneront :
- les travailleurs salariés qui, par trimestre, prestent au moins 51 % du nombre d'heures ou de jours de travail prévus par la convention collective de travail applicable;
- les formations permettant au travailleur d'accroître sa qualification professionnelle dans l'entreprise et qui sont suivies en dehors des heures de travail normales avec l'accord de l'employeur.
Pour ces formations le travailleur aura seulement droit à une indemnité à charge de l'employeur égale au salaire plafonné pendant le nombre d'heures correspondant au nombre d'heures des formations effectivement suivies. Des cotisations sociales sont dues sur ces indemnités.
Le travailleur salarié ne peut pas, pour ces formations, bénéficier des dispositions relatives au congé-éducation payé.
Les employeurs peuvent obtenir auprès du Ministère de l'Emploi et du Travail le remboursement de la moitié des indemnités et des cotisations sociales s'y rapportant, payées en exécution des présentes dispositions, sur la base des preuves fixées par le Roi.
Ces règles et modalités d'application pour les travailleurs salariés dans les P.M.E. auront cours pour une durée de 2 ans à partir de leur entrée en vigueur. Le Roi peut, après évaluation et par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, prolonger cette durée. ".
" Art. 119bis. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres et après avoir demandé l'avis du Conseil national du Travail, fixer des règles et des modalités d'application spéciales dans le régime du congé-éducation payé pour les travailleurs salariés dans les P.M.E., telles que définies à l'article 2 de la loi-programme du 10 février 1998 pour la promotion de l'entreprise indépendante. Ces règles et modalités d'application concerneront :
- les travailleurs salariés qui, par trimestre, prestent au moins 51 % du nombre d'heures ou de jours de travail prévus par la convention collective de travail applicable;
- les formations permettant au travailleur d'accroître sa qualification professionnelle dans l'entreprise et qui sont suivies en dehors des heures de travail normales avec l'accord de l'employeur.
Pour ces formations le travailleur aura seulement droit à une indemnité à charge de l'employeur égale au salaire plafonné pendant le nombre d'heures correspondant au nombre d'heures des formations effectivement suivies. Des cotisations sociales sont dues sur ces indemnités.
Le travailleur salarié ne peut pas, pour ces formations, bénéficier des dispositions relatives au congé-éducation payé.
Les employeurs peuvent obtenir auprès du Ministère de l'Emploi et du Travail le remboursement de la moitié des indemnités et des cotisations sociales s'y rapportant, payées en exécution des présentes dispositions, sur la base des preuves fixées par le Roi.
Ces règles et modalités d'application pour les travailleurs salariés dans les P.M.E. auront cours pour une durée de 2 ans à partir de leur entrée en vigueur. Le Roi peut, après évaluation et par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, prolonger cette durée. ".
TITEL III. - Versterking van de financiële draagkracht.
TITRE III. - Renforcement des capacités financières.
HOOFDSTUK I. - Nieuwe opdrachten van het Participatiefonds.
CHAPITRE I. - Des nouvelles missions du Fonds de Participation.
Art. 27. Artikel 73 van de wet van 28 juli 1992 houdende fiscale en financiële bepalingen wordt aangevuld met het volgende lid :
"De raad kan personeel bij arbeidsovereenkomst in dienst nemen. De bepalingen van artikel 11, § 4, van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut, zijn van toepassing.".
"De raad kan personeel bij arbeidsovereenkomst in dienst nemen. De bepalingen van artikel 11, § 4, van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut, zijn van toepassing.".
Art. 27. L'article 73 de la loi du 28 juillet 1992 portant des dispositions fiscales et financières est complété par l'alinéa suivant :
" Le conseil peut engager du personnel par contrat de travail. Les dispositions de l'article 11, § 4, de la loi du 16 mars 1954 relative au contrôle de certains organismes d'intérêt public, sont d'application. ".
" Le conseil peut engager du personnel par contrat de travail. Les dispositions de l'article 11, § 4, de la loi du 16 mars 1954 relative au contrôle de certains organismes d'intérêt public, sont d'application. ".
Art. 28. Artikel 74 van dezelfde wet wordt als volgt gewijzigd :
1° het eerste lid wordt § 1 en wordt aangevuld met een 5° en een 6°, luidend als volgt :
"5° rechtstreeks of onrechtstreeks, eventueel door toedoen van tussenpersonen, bij te dragen tot de toegang van de KMO's tot nieuwe markten door het verstrekken van leningen of andere gelijksoortige vormen van voorschotten ter financiering van verzekeringen tegen exportrisico's.
De Koning stelt een algemeen reglement op, waarin de modaliteiten van de financiële, economische en technische controle op de kredietinstellingen en op de begunstigden van deze tussenkomsten worden vastgelegd;
6° rechtstreeks of onrechtstreeks, eventueel door toedoen van andere kredietinstellingen, die daartoe voorafgaandelijk met de Raad van Bestuur van het Participatiefonds een overeenkomst, binnen de grenzen en volgens de modaliteiten door de Koning bepaald, hebben afgesloten, de toegang tot de markt van de beroepskredieten bevorderen voor startende KMO's en voor zelfstandigen in hoofdberoep die het bewijs leveren te voldoen aan de voorwaarden bedoeld in § 3, alsook voor de door deze zelfstandigen opgerichte vennootschappen, door middel van leningen of van andere gelijksoortige vormen van voorschotten of van waarborgen op kredieten ten behoeve van hun beroepswerkzaamheden.
Deze tussenkomsten van het Participatiefonds waarvan het maximum bedrag door de Koning wordt bepaald, kunnen niet tot gevolg hebben dat de kredietinstellingen minder dan de helft ten laste nemen van het door het Fonds niet gerecupereerde bedrag in geval van mislukking, na uitputting van alle zekerheden.
De Koning stelt een algemeen reglement op, waarin de modaliteiten van de financiële, economische en technische controle op de kredietinstellingen en op de begunstigden van deze tussenkomsten worden vastgelegd.
De Koning bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, een globaal plafond voor de waarborgen.";
2° het tweede lid wordt vervangen door het volgende lid :
"§ 2. Voor de diverse opdrachten als bedoeld in § 1 worden in de boekhouding en de jaarrekening van het Fonds de desbetreffende tegoeden, verplichtingen, opbrengsten en kosten afzonderlijk geboekt.";
3° een § 3 wordt toegevoegd, luidend als volgt :
"§ 3. De Koning bepaalt, na advies van de Hoge Raad voor de Middenstand, de voorwaarden op het vlak van de permanente vorming waaraan zelfstandigen moeten voldoen om in aanmerking te komen voor de waarborgregeling, voorzien in § 1, 6°.
In dit geval kunnen door de Raad van Bestuur van het Participatiefonds waarborgen worden verstrekt ten belope van maximum vijf miljoen frank. Dit laatste bedrag kan door de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, worden gewijzigd.".
1° het eerste lid wordt § 1 en wordt aangevuld met een 5° en een 6°, luidend als volgt :
"5° rechtstreeks of onrechtstreeks, eventueel door toedoen van tussenpersonen, bij te dragen tot de toegang van de KMO's tot nieuwe markten door het verstrekken van leningen of andere gelijksoortige vormen van voorschotten ter financiering van verzekeringen tegen exportrisico's.
De Koning stelt een algemeen reglement op, waarin de modaliteiten van de financiële, economische en technische controle op de kredietinstellingen en op de begunstigden van deze tussenkomsten worden vastgelegd;
6° rechtstreeks of onrechtstreeks, eventueel door toedoen van andere kredietinstellingen, die daartoe voorafgaandelijk met de Raad van Bestuur van het Participatiefonds een overeenkomst, binnen de grenzen en volgens de modaliteiten door de Koning bepaald, hebben afgesloten, de toegang tot de markt van de beroepskredieten bevorderen voor startende KMO's en voor zelfstandigen in hoofdberoep die het bewijs leveren te voldoen aan de voorwaarden bedoeld in § 3, alsook voor de door deze zelfstandigen opgerichte vennootschappen, door middel van leningen of van andere gelijksoortige vormen van voorschotten of van waarborgen op kredieten ten behoeve van hun beroepswerkzaamheden.
Deze tussenkomsten van het Participatiefonds waarvan het maximum bedrag door de Koning wordt bepaald, kunnen niet tot gevolg hebben dat de kredietinstellingen minder dan de helft ten laste nemen van het door het Fonds niet gerecupereerde bedrag in geval van mislukking, na uitputting van alle zekerheden.
De Koning stelt een algemeen reglement op, waarin de modaliteiten van de financiële, economische en technische controle op de kredietinstellingen en op de begunstigden van deze tussenkomsten worden vastgelegd.
De Koning bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, een globaal plafond voor de waarborgen.";
2° het tweede lid wordt vervangen door het volgende lid :
"§ 2. Voor de diverse opdrachten als bedoeld in § 1 worden in de boekhouding en de jaarrekening van het Fonds de desbetreffende tegoeden, verplichtingen, opbrengsten en kosten afzonderlijk geboekt.";
3° een § 3 wordt toegevoegd, luidend als volgt :
"§ 3. De Koning bepaalt, na advies van de Hoge Raad voor de Middenstand, de voorwaarden op het vlak van de permanente vorming waaraan zelfstandigen moeten voldoen om in aanmerking te komen voor de waarborgregeling, voorzien in § 1, 6°.
In dit geval kunnen door de Raad van Bestuur van het Participatiefonds waarborgen worden verstrekt ten belope van maximum vijf miljoen frank. Dit laatste bedrag kan door de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, worden gewijzigd.".
Art. 28. L'article 74 de la même loi est modifié comme suit :
1° le premier alinéa devient le § 1er et est complété par un 5° et un 6°, rédigés comme suit :
" 5° de contribuer directement ou indirectement, éventuellement en passant par des intermédiaires, à l'accès des P.M.E. à de nouveaux marchés par l'octroi de prêts ou d'autres formes d'avances de ce type pour le financement de polices d'assurance à l'exportation.
Le Roi établit un règlement général fixant les modalités du contrôle financier, économique et technique sur les établissements de crédit et sur les bénéficiaires de ces interventions;
6° de promouvoir directement ou indirectement, éventuellement en passant par d'autres établissements de crédit qui, à cette fin, ont conclu une convention, dans les limites et selon les modalités fixées par le Roi, avec le Conseil d'Administration du Fonds de Participation, l'accès au marché des crédits professionnels pour les P.M.E. débutantes et pour les indépendants à titre principal qui apportent la preuve qu'ils remplissent les conditions visées au § 3, ainsi que pour les sociétés créées par ces indépendants, au moyen de prêts ou d'autres formes d'avances de ce type ou de garanties sur des crédits, pour les besoins de leurs activités professionnelles.
Ces interventions du Fonds de Participation dont le montant maximum est fixé par le Roi, ne peuvent avoir pour conséquence que les établissements de crédit supportent moins de la moitié du montant non récupéré par le Fonds en cas d'échec, après réalisation de toutes les sûretés.
Le Roi établit un règlement général fixant les modalités du contrôle financier, économique et technique sur les établissements de crédit et sur les bénéficiaires de ces interventions.
Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, un plafond global pour les garanties. ";
2° le deuxième alinéa est remplacé par l'alinéa suivant :
" § 2. Les diverses missions visées au § 1er font l'objet, dans la comptabilité et les comptes annuels du Fonds, d'une comptabilisation distincte des avoirs, engagements, produits et charges se rapportant à ces missions. ";
3° un § 3 est ajouté, rédigé comme suit :
" § 3. Le Roi détermine, après avis du Conseil supérieur des Classes moyennes, les conditions en matière de formation permanente auxquelles les travailleurs indépendants doivent répondre pour bénéficier du régime de garantie prévu au § 1er, 6°. Dans ce cas, le Conseil d'administration du Fonds de Participation peut octroyer des garanties à concurrence d'un maximum de cinq millions de francs.
Ce dernier montant peut être adapté par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres. ".
1° le premier alinéa devient le § 1er et est complété par un 5° et un 6°, rédigés comme suit :
" 5° de contribuer directement ou indirectement, éventuellement en passant par des intermédiaires, à l'accès des P.M.E. à de nouveaux marchés par l'octroi de prêts ou d'autres formes d'avances de ce type pour le financement de polices d'assurance à l'exportation.
Le Roi établit un règlement général fixant les modalités du contrôle financier, économique et technique sur les établissements de crédit et sur les bénéficiaires de ces interventions;
6° de promouvoir directement ou indirectement, éventuellement en passant par d'autres établissements de crédit qui, à cette fin, ont conclu une convention, dans les limites et selon les modalités fixées par le Roi, avec le Conseil d'Administration du Fonds de Participation, l'accès au marché des crédits professionnels pour les P.M.E. débutantes et pour les indépendants à titre principal qui apportent la preuve qu'ils remplissent les conditions visées au § 3, ainsi que pour les sociétés créées par ces indépendants, au moyen de prêts ou d'autres formes d'avances de ce type ou de garanties sur des crédits, pour les besoins de leurs activités professionnelles.
Ces interventions du Fonds de Participation dont le montant maximum est fixé par le Roi, ne peuvent avoir pour conséquence que les établissements de crédit supportent moins de la moitié du montant non récupéré par le Fonds en cas d'échec, après réalisation de toutes les sûretés.
Le Roi établit un règlement général fixant les modalités du contrôle financier, économique et technique sur les établissements de crédit et sur les bénéficiaires de ces interventions.
Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, un plafond global pour les garanties. ";
2° le deuxième alinéa est remplacé par l'alinéa suivant :
" § 2. Les diverses missions visées au § 1er font l'objet, dans la comptabilité et les comptes annuels du Fonds, d'une comptabilisation distincte des avoirs, engagements, produits et charges se rapportant à ces missions. ";
3° un § 3 est ajouté, rédigé comme suit :
" § 3. Le Roi détermine, après avis du Conseil supérieur des Classes moyennes, les conditions en matière de formation permanente auxquelles les travailleurs indépendants doivent répondre pour bénéficier du régime de garantie prévu au § 1er, 6°. Dans ce cas, le Conseil d'administration du Fonds de Participation peut octroyer des garanties à concurrence d'un maximum de cinq millions de francs.
Ce dernier montant peut être adapté par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres. ".
HOOFDSTUK II. - Vrijstelling voor bijkomend personeel.
CHAPITRE II. - Exonération pour personnel supplémentaire.
Art. 29. § 1. Winst van nijverheids-, handels- of landbouwbedrijven die op 31 december 1997 of op het einde van het jaar waarin de exploitatie is aangevangen, als die aanvang op een latere datum valt, minder dan elf werknemers, in de zin van artikel 30, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, tewerkstellen, en baten, onder welke naam ook, van vrije beroepen, ambten of posten, en van elke winstgevende bezigheid die niet bedoeld is in artikel 23, § 1, 1° en 4°, van hetzelfde Wetboek, worden van de personenbelasting, van de vennootschapsbelasting of van de belasting der niet-verblijfhouders vrijgesteld tot een bedrag gelijk aan (3 720 EUR) per in België bijkomend tewerkgestelde personeelseenheid, waarvan het bruto dag- of uurloon niet hoger is dan het bedrag bepaald door de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit. <L 2004-07-04/61, art. 2, 1°, 009; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
§ 2. (De vrijstelling is van toepassing op de winst en op de baten van de belastbare tijdperken die samen vallen met de jaren 1998, 1999, 2000, 2001, 2002, 2003, 2004, 2005, 2006 en 2007 of, wanneer de belastingplichtigen anders dan per kalenderjaar boekhouden, met het eerste boekjaar dat wordt afgesloten respectievelijk na 31 december 1998, 1999, 2000, 2001, 2002, 2003, 2004, 2005, 2006 en 2007.) <W 2004-07-04/61, art. 2, 2°, 009; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
§ 3. (Het aantal in België bijkomend tewerkgestelde personeelseenheden wordt vastgesteld door het gemiddeld personeelsbestand van de belastingplichtige tijdens de jaren 1998, 1999, 2000, 2001, 2002, 2003, 2004, 2005, 2006 en 2007 respectievelijk te vergelijken met dat van de jaren 1997, 1998, 1999, 2000, 2001, 2002, 2003, 2004, 2005 en 2006.) <W 2004-07-04/61, art. 2, 3°, 009; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
Er wordt evenwel geen rekening gehouden met de personeelsaangroei die het gevolg is van een overname van werknemers welke reeds vóór 1 januari 1998 waren aangeworven, ofwel door een onderneming waarmede de belastingplichtige zich rechtstreeks in enigerlei band van wederzijdse afhankelijkheid bevindt, ofwel door een belastingplichtige waarvan hij de beroepswerkzaamheid geheel of gedeeltelijk voortzet ingevolge een gebeurtenis die niet bedoeld is in § 6.
§ 4. Indien het gemiddeld personeelsbestand tijdens het jaar volgend op de vrijstelling is verminderd ten opzichte van het jaar van vrijstelling, wordt het totaal bedrag van de voordien krachtens paragraaf 1 vrijgestelde winsten of baten echter verminderd met (3 720 EUR) per afgevloeid personeelslid; de voordien vrijgestelde winst of baten worden in dat geval als winst of baten van het volgende belastbare tijdperk beschouwd. <W 2004-07-04/61, art. 2, 1°, 009; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
Het eerste lid vindt geen toepassing indien en in de mate dat de betrokkene aantoont dat de bijkomende tewerkstelling het erop volgende jaar behouden is gebleven bij de werkgever die zijn personeel heeft overgenomen in omstandigheden bedoeld in § 3, tweede lid.
§ 5. Dit artikel is niet van toepassing wanneer de belastingplichtige voor dezelfde bijkomende personeelseenheden de toepassing vraagt van artikel 67 van hetzelfde Wetboek.
§ 6. Ten aanzien van de belastingplichtigen betrokken bij verrichtingen als bedoeld in de artikelen 46 en 211 van hetzelfde Wetboek, blijven de bepalingen van dit artikel van toepassing alsof die verrichtingen niet hadden plaatsgevonden.
§ 2. (De vrijstelling is van toepassing op de winst en op de baten van de belastbare tijdperken die samen vallen met de jaren 1998, 1999, 2000, 2001, 2002, 2003, 2004, 2005, 2006 en 2007 of, wanneer de belastingplichtigen anders dan per kalenderjaar boekhouden, met het eerste boekjaar dat wordt afgesloten respectievelijk na 31 december 1998, 1999, 2000, 2001, 2002, 2003, 2004, 2005, 2006 en 2007.) <W 2004-07-04/61, art. 2, 2°, 009; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
§ 3. (Het aantal in België bijkomend tewerkgestelde personeelseenheden wordt vastgesteld door het gemiddeld personeelsbestand van de belastingplichtige tijdens de jaren 1998, 1999, 2000, 2001, 2002, 2003, 2004, 2005, 2006 en 2007 respectievelijk te vergelijken met dat van de jaren 1997, 1998, 1999, 2000, 2001, 2002, 2003, 2004, 2005 en 2006.) <W 2004-07-04/61, art. 2, 3°, 009; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
Er wordt evenwel geen rekening gehouden met de personeelsaangroei die het gevolg is van een overname van werknemers welke reeds vóór 1 januari 1998 waren aangeworven, ofwel door een onderneming waarmede de belastingplichtige zich rechtstreeks in enigerlei band van wederzijdse afhankelijkheid bevindt, ofwel door een belastingplichtige waarvan hij de beroepswerkzaamheid geheel of gedeeltelijk voortzet ingevolge een gebeurtenis die niet bedoeld is in § 6.
§ 4. Indien het gemiddeld personeelsbestand tijdens het jaar volgend op de vrijstelling is verminderd ten opzichte van het jaar van vrijstelling, wordt het totaal bedrag van de voordien krachtens paragraaf 1 vrijgestelde winsten of baten echter verminderd met (3 720 EUR) per afgevloeid personeelslid; de voordien vrijgestelde winst of baten worden in dat geval als winst of baten van het volgende belastbare tijdperk beschouwd. <W 2004-07-04/61, art. 2, 1°, 009; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
Het eerste lid vindt geen toepassing indien en in de mate dat de betrokkene aantoont dat de bijkomende tewerkstelling het erop volgende jaar behouden is gebleven bij de werkgever die zijn personeel heeft overgenomen in omstandigheden bedoeld in § 3, tweede lid.
§ 5. Dit artikel is niet van toepassing wanneer de belastingplichtige voor dezelfde bijkomende personeelseenheden de toepassing vraagt van artikel 67 van hetzelfde Wetboek.
§ 6. Ten aanzien van de belastingplichtigen betrokken bij verrichtingen als bedoeld in de artikelen 46 en 211 van hetzelfde Wetboek, blijven de bepalingen van dit artikel van toepassing alsof die verrichtingen niet hadden plaatsgevonden.
Art. 29. § 1er. Les bénéfices des entreprises industrielles, commerciales ou agricoles qui, au 31 décembre 1997 ou à la fin de l'année au cours de laquelle a commencé l'exploitation lorsque celle-ci a débuté à une date ultérieure, occupent moins de onze travailleurs au sens de l'article 30, 1°, du Code des impôts sur les revenus 1992, et les profits, quelle que soit leur dénomination, de professions libérales, charges ou offices et de toutes occupations lucratives, non visées à l'article 23, § 1er, 1° et 4°, du même Code, sont exonérés de l'impôt des personnes physiques, de l'impôt des sociétés ou de l'impôt des non-résidents à concurrence d'un montant égal à (3 720 EUR) par unité de personnel supplémentaire occupé en Belgique, dont le salaire journalier ou horaire brut n'excède pas le montant déterminé par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres. <L 2004-07-04/61, art. 2, 1°, 009; En vigueur : 01-01-2004>
§ 2. (L'exonération s'applique aux bénéfices et aux profits des périodes imposables qui coïncident avec les années 1998, 1999, 2000, 2001, 2002, 2003, 2004, 2005, 2006 et 2007 ou, pour les contribuables qui tiennent leur comptabilité autrement que par année civile, avec le premier exercice comptable clos respectivement après le 31 décembre 1998, 1999, 2000, 2001, 2002, 2003, 2004, 2005, 2006 et 2007.) <L 2004-07-04/61, art. 2, 2°, 009; En vigueur : 01-01-2004>
§ 3. (Le nombre d'unités de personnel supplémentaire occupé en Belgique est déterminé par la comparaison entre la moyenne des travailleurs occupés par le contribuable au cours des années 1998, 1999, 2000, 2001, 2002, 2003, 2004, 2005, 2006 et 2007 et respectivement celle des années 1997, 1998, 1999, 2000, 2001, 2002, 2003, 2004, 2005 et 2006.) <L 2004-07-04/61, art. 2, 3°, 009; En vigueur : 01-01-2004>
Toutefois, il n'est pas tenu compte de l'accroissement de personnel qui résulte de la reprise de travailleurs qui étaient déjà engagés avant le 1er janvier 1998, soit par une entreprise avec laquelle le contribuable se trouve directement dans des liens quelconques d'interdépendance, soit par un contribuable dont il continue l'activité en tout ou en partie à la suite d'un événement non visé au § 6.
§ 4. Toutefois, si la moyenne des travailleurs occupés est réduite au cours de l'année suivant l'exonération par rapport à l'année de l'exonération, le montant total des bénéfices ou profits antérieurement exonérés en vertu du § 1er est réduit, par unité en moins, de (3 720 EUR); dans ce cas, les bénéfices ou profits antérieurement exonérés sont considérés comme des bénéfices ou profits de la période imposable suivante. <L 2004-07-04/61, art. 2, 1°, 009; En vigueur : 01-01-2004>
L'alinéa premier n'est pas applicable lorsque et dans la mesure où l'intéressé démontre que l'emploi supplémentaire a été maintenu l'année suivante par l'employeur qui a repris son personnel dans des circonstances visées au § 3, alinéa 2.
§ 5. Le présent article n'est pas applicable lorsque le contribuable a demandé, pour les mêmes unités de personnel supplémentaire, l'application de l'article 67 du même Code.
§ 6. En ce qui concerne les contribuables qui prennent part à des opérations visées aux articles 46 et 211 du même Code, les dispositions du présent article restent applicables comme si ces opérations n'avaient pas eu lieu.
§ 2. (L'exonération s'applique aux bénéfices et aux profits des périodes imposables qui coïncident avec les années 1998, 1999, 2000, 2001, 2002, 2003, 2004, 2005, 2006 et 2007 ou, pour les contribuables qui tiennent leur comptabilité autrement que par année civile, avec le premier exercice comptable clos respectivement après le 31 décembre 1998, 1999, 2000, 2001, 2002, 2003, 2004, 2005, 2006 et 2007.) <L 2004-07-04/61, art. 2, 2°, 009; En vigueur : 01-01-2004>
§ 3. (Le nombre d'unités de personnel supplémentaire occupé en Belgique est déterminé par la comparaison entre la moyenne des travailleurs occupés par le contribuable au cours des années 1998, 1999, 2000, 2001, 2002, 2003, 2004, 2005, 2006 et 2007 et respectivement celle des années 1997, 1998, 1999, 2000, 2001, 2002, 2003, 2004, 2005 et 2006.) <L 2004-07-04/61, art. 2, 3°, 009; En vigueur : 01-01-2004>
Toutefois, il n'est pas tenu compte de l'accroissement de personnel qui résulte de la reprise de travailleurs qui étaient déjà engagés avant le 1er janvier 1998, soit par une entreprise avec laquelle le contribuable se trouve directement dans des liens quelconques d'interdépendance, soit par un contribuable dont il continue l'activité en tout ou en partie à la suite d'un événement non visé au § 6.
§ 4. Toutefois, si la moyenne des travailleurs occupés est réduite au cours de l'année suivant l'exonération par rapport à l'année de l'exonération, le montant total des bénéfices ou profits antérieurement exonérés en vertu du § 1er est réduit, par unité en moins, de (3 720 EUR); dans ce cas, les bénéfices ou profits antérieurement exonérés sont considérés comme des bénéfices ou profits de la période imposable suivante. <L 2004-07-04/61, art. 2, 1°, 009; En vigueur : 01-01-2004>
L'alinéa premier n'est pas applicable lorsque et dans la mesure où l'intéressé démontre que l'emploi supplémentaire a été maintenu l'année suivante par l'employeur qui a repris son personnel dans des circonstances visées au § 3, alinéa 2.
§ 5. Le présent article n'est pas applicable lorsque le contribuable a demandé, pour les mêmes unités de personnel supplémentaire, l'application de l'article 67 du même Code.
§ 6. En ce qui concerne les contribuables qui prennent part à des opérations visées aux articles 46 et 211 du même Code, les dispositions du présent article restent applicables comme si ces opérations n'avaient pas eu lieu.
HOOFDSTUK III. - Verbetering van het sociaal statuut van de starters.
CHAPITRE III. - Amélioration du statut social des débutants.
Art. 30. Artikel 11, § 4 van het koninklijk besluit nr. 38, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 18 november 1996, wordt aangevuld als volgt :
"Voor de berekening van de bijdragen respectievelijk verschuldigd voor de jaren 1997, 1998 en 1999 door personen die vóór 1 januari 1997 meewerkend echtgenoot waren van een werkend vennoot en niet verplicht aan dit besluit onderworpen waren en die, uitsluitend ingevolge de wijziging, bij het koninklijk besluit van 20 december 1996, van artikel 86, eerste lid van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, vanaf 1 januari 1997 onderworpen zijn aan dit besluit, worden, onder de voorwaarden en volgens de modaliteiten door de Koning te bepalen, de inkomsten die hen respectievelijk in 1994, 1995 en 1996 werden toebedeeld door hun echtgenoot, werkend vennoot, in mindering gebracht op hun beroepsinkomsten die als basis dienen voor de berekening van de bijdragen die verschuldigd zijn voor respectievelijk de jaren 1997, 1998 en 1999. Deze bepaling doet geen afbreuk aan de toepassing van artikel 12, § 1, tweede lid.".
"Voor de berekening van de bijdragen respectievelijk verschuldigd voor de jaren 1997, 1998 en 1999 door personen die vóór 1 januari 1997 meewerkend echtgenoot waren van een werkend vennoot en niet verplicht aan dit besluit onderworpen waren en die, uitsluitend ingevolge de wijziging, bij het koninklijk besluit van 20 december 1996, van artikel 86, eerste lid van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, vanaf 1 januari 1997 onderworpen zijn aan dit besluit, worden, onder de voorwaarden en volgens de modaliteiten door de Koning te bepalen, de inkomsten die hen respectievelijk in 1994, 1995 en 1996 werden toebedeeld door hun echtgenoot, werkend vennoot, in mindering gebracht op hun beroepsinkomsten die als basis dienen voor de berekening van de bijdragen die verschuldigd zijn voor respectievelijk de jaren 1997, 1998 en 1999. Deze bepaling doet geen afbreuk aan de toepassing van artikel 12, § 1, tweede lid.".
Art. 30. L'article 11, § 4, de l'arrêté royal no 38, modifié par l'arrêté royal du 18 novembre 1996, est complété comme suit :
" Pour le calcul des cotisations dues respectivement pour les années 1997, 1998 et 1999 par les personnes qui avant le 1er janvier 1997 étaient des conjoints aidants d'associés actifs, non assujettis de manière obligatoire au présent arrêté, et qui sont assujettis au présent arrêté à partir du 1er janvier 1997, uniquement par suite de la modification, par l'arrêté royal du 20 décembre 1996, de l'article 86, alinéa 1er du Code des impôts sur les revenus 1992, les revenus, qui leur ont été attribués respectivement en 1994, 1995 et 1996, par leur conjoint associé actif sont, sous les conditions et suivant les modalités déterminées par le Roi, portes en déduction de leurs revenus professionnels qui servent de base pour le calcul des cotisations qui sont dues respectivement pour les années 1997, 1998 et 1999. Cette disposition ne porte pas préjudice à l'application de l'article 12, § 1er, alinéa 2. ".
" Pour le calcul des cotisations dues respectivement pour les années 1997, 1998 et 1999 par les personnes qui avant le 1er janvier 1997 étaient des conjoints aidants d'associés actifs, non assujettis de manière obligatoire au présent arrêté, et qui sont assujettis au présent arrêté à partir du 1er janvier 1997, uniquement par suite de la modification, par l'arrêté royal du 20 décembre 1996, de l'article 86, alinéa 1er du Code des impôts sur les revenus 1992, les revenus, qui leur ont été attribués respectivement en 1994, 1995 et 1996, par leur conjoint associé actif sont, sous les conditions et suivant les modalités déterminées par le Roi, portes en déduction de leurs revenus professionnels qui servent de base pour le calcul des cotisations qui sont dues respectivement pour les années 1997, 1998 et 1999. Cette disposition ne porte pas préjudice à l'application de l'article 12, § 1er, alinéa 2. ".
Art. 31. In artikel 12 van het koninklijk besluit nr. 38, gewijzigd bij de wetten van 12 juli 1972, 23 december 1974, 6 februari 1976, 13 juni 1985, 30 december 1988, 26 juni 1992 en 30 maart 1994 en bij het koninklijk besluit van 18 november 1996, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° In § 1 worden de woorden "de uitzondering bedoeld in § 2" vervangen door de woorden "de uitzonderingen bedoeld in de §§ 1bis en 2";
2° Een § 1bis wordt ingevoegd, luidend als volgt :
"§ 1bis. In geval van een eerste vestiging als zelfstandige van onderworpenen bedoeld in § 1, worden de bijdragen van elk van de vier kwartalen van het jaar volgend op het derde volledig kalenderjaar onderwerping verminderd met een bedrag dat, volgens de door de Koning te bepalen modaliteiten en in functie van de beroepsinkomsten van het eerste volledig kalenderjaar onderwerping, varieert tussen 2 000 frank en 5 000 frank.
De onderworpene die, voor een bepaald kwartaal, een in toepassing van het eerste lid verminderde bijdrage betaalt, wordt geacht, voor dat kwartaal, een bijdrage betaald te hebben die minstens gelijk is aan de bijdrage bedoeld in § 1, tweede lid.
De Koning bepaalt wat dient te worden verstaan onder eerste vestiging.".
1° In § 1 worden de woorden "de uitzondering bedoeld in § 2" vervangen door de woorden "de uitzonderingen bedoeld in de §§ 1bis en 2";
2° Een § 1bis wordt ingevoegd, luidend als volgt :
"§ 1bis. In geval van een eerste vestiging als zelfstandige van onderworpenen bedoeld in § 1, worden de bijdragen van elk van de vier kwartalen van het jaar volgend op het derde volledig kalenderjaar onderwerping verminderd met een bedrag dat, volgens de door de Koning te bepalen modaliteiten en in functie van de beroepsinkomsten van het eerste volledig kalenderjaar onderwerping, varieert tussen 2 000 frank en 5 000 frank.
De onderworpene die, voor een bepaald kwartaal, een in toepassing van het eerste lid verminderde bijdrage betaalt, wordt geacht, voor dat kwartaal, een bijdrage betaald te hebben die minstens gelijk is aan de bijdrage bedoeld in § 1, tweede lid.
De Koning bepaalt wat dient te worden verstaan onder eerste vestiging.".
Art. 31. A l'article 12 de l'arrêté royal n° 38, modifié par les lois des 12 juillet 1972, 23 décembre 1974, 6 février 1976, 13 juin 1985, 30 décembre 1988, 26 juin 1992 et 30 mars 1994 et par l'arrêté royal du 18 novembre 1996, les modifications suivantes sont apportées :
1° au § 1er, les mots " de l'exception visée au § 2 " sont remplacés par les mots " des exceptions visées aux §§ 1erbis et 2 ";
2° un § 1erbis est inséré, rédigé comme suit :
" § 1bis. Dans le cas d'un premier établissement en tant que travailleur indépendant d'assujettis visés au § 1er, les cotisations de chacun des quatre trimestres de l'année qui suit la troisième année civile complète d'assujettissement sont diminuées d'un montant qui, selon les modalités fixées par le Roi et en fonction des revenus professionnels de la première année civile complète d'assujettissement, varie entre 2 000 francs et 5 000 francs.
L'assujetti qui, pour un trimestre déterminé, paie une cotisation, diminuée en application de l'alinéa 1er, est censé avoir payé, pour ce trimestre, une cotisation au moins égale à la cotisation visée au § 1er, alinéa 2.
Le Roi détermine ce qu'il faut entendre par premier établissement. ".
1° au § 1er, les mots " de l'exception visée au § 2 " sont remplacés par les mots " des exceptions visées aux §§ 1erbis et 2 ";
2° un § 1erbis est inséré, rédigé comme suit :
" § 1bis. Dans le cas d'un premier établissement en tant que travailleur indépendant d'assujettis visés au § 1er, les cotisations de chacun des quatre trimestres de l'année qui suit la troisième année civile complète d'assujettissement sont diminuées d'un montant qui, selon les modalités fixées par le Roi et en fonction des revenus professionnels de la première année civile complète d'assujettissement, varie entre 2 000 francs et 5 000 francs.
L'assujetti qui, pour un trimestre déterminé, paie une cotisation, diminuée en application de l'alinéa 1er, est censé avoir payé, pour ce trimestre, une cotisation au moins égale à la cotisation visée au § 1er, alinéa 2.
Le Roi détermine ce qu'il faut entendre par premier établissement. ".
HOOFDSTUK IV. - Exportsteun voor ondernemingen.
CHAPITRE IV. - L'aide à l'exportation aux entreprises.
Art. 32. <NOTA : Bij arrest nr 49/99 van 29-04-1999, (B.B. 24-06-1999, p.23880), heeft het Arbitragehof dit artikel vernietigd; Opheffing : 24-06-1999> Teneinde de toegang aan de ondernemingen tot de Centraal- en Oosteuropese markten te vergemakkelijken en er de uitvoer van hun goederen en diensten te bevorderen, wordt een gesplitst krediet van 20 miljoen frank ingeschreven op B.A. 51.12.31.02 - "toelagen of andere tegemoetkomingen ten bezwarende of kosteloze titel ter bevordering van de export" - van de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking.
Dit krediet wordt besteed aan de cofinanciering van technische vormingsstages van staatsburgers van de Centraal- en Oosteuropese landen die aan de bevordering van de export van ondernemingen naar deze markten kunnen bijdragen, met name distributeurs, agenten of vertegenwoordigers, eindgebruikers (bij levering van uitrustingen), technisch personeel belast met de "after sales" service, het personeel van plaatselijke vestigingen van ondernemingen.
De financiële steun bestaat in de betaling van 75 % van de kosten verbonden aan de vorming met inbegrip van de reis-, verblijfs- en onderhoudskosten van de stagiairs en de eigenlijke vormingskosten (prestaties van de opleiders, handboeken, vertaling,...). De duur van de stages bedraagt maximaal vier weken.
Zijn gerechtigd om op het cofinancieringsprogramma beroep te doen de ondernemingen die minder dan 100 personen in dienst hebben in de productiesector (minder dan 50 personen in de dienstensector), met een zakencijfer dat de 14 miljoen ECU niet overschrijdt, met een totale balanswaarde die de 10 miljoen ECU niet overschrijdt en die beantwoorden aan de in deze wet bepaalde autonomieregel.
De aanwending van dit krediet wordt beslist op voorstel van de Adviescommissie voor de toekenning van subsidies voor de exportbevordering.
Dit krediet wordt besteed aan de cofinanciering van technische vormingsstages van staatsburgers van de Centraal- en Oosteuropese landen die aan de bevordering van de export van ondernemingen naar deze markten kunnen bijdragen, met name distributeurs, agenten of vertegenwoordigers, eindgebruikers (bij levering van uitrustingen), technisch personeel belast met de "after sales" service, het personeel van plaatselijke vestigingen van ondernemingen.
De financiële steun bestaat in de betaling van 75 % van de kosten verbonden aan de vorming met inbegrip van de reis-, verblijfs- en onderhoudskosten van de stagiairs en de eigenlijke vormingskosten (prestaties van de opleiders, handboeken, vertaling,...). De duur van de stages bedraagt maximaal vier weken.
Zijn gerechtigd om op het cofinancieringsprogramma beroep te doen de ondernemingen die minder dan 100 personen in dienst hebben in de productiesector (minder dan 50 personen in de dienstensector), met een zakencijfer dat de 14 miljoen ECU niet overschrijdt, met een totale balanswaarde die de 10 miljoen ECU niet overschrijdt en die beantwoorden aan de in deze wet bepaalde autonomieregel.
De aanwending van dit krediet wordt beslist op voorstel van de Adviescommissie voor de toekenning van subsidies voor de exportbevordering.
Art. 32. En vue de faciliter l'accès des entreprises aux marchés d'Europe centrale et orientale et d'y stimuler l'exportation de leur produits et prestations, un crédit dissocié de 20 millions de francs est inscrit à l'A.B. 51.12.31.02 - " subsides et autres interventions à titre onéreux ou gratuit en vue d'assurer la promotion des exportations " - du budget du Ministère des Affaires étrangères, du Commerce extérieur et de la Coopération au développement.
Ce crédit est affecté au cofinancement de stage de formation technique de ressortissants des pays d'Europe centrale et orientale pouvant contribuer à la promotion des exportations des entreprises vers ces marchés, à savoir des distributeurs, des agents ou représentants, des utilisateurs finals (en cas de fournitures d'équipements), du personnel technique en charge du service après-vente, du personnel d'implantations locales des entreprises.
L'aide financière consiste en la prise en charge de 75 % des frais liés à la formation et comprenant les frais de voyage, de logement, de subsistance des stagiaires, ainsi que les frais de formation proprement dite (prestations des formateurs, manuels, traduction,...). La durée des stages est de quatre semaines au maximum.
Peuvent prétendre au bénéfice de ce programme de cofinancement les entreprises occupant moins de 100 personnes dans le secteur de la production (moins de cinquante personnes dans le secteur des services), ayant un chiffre d'affaires ne dépassant pas les 14 millions ECU, dont le total bilantaire n'excède pas les 10 millions ECU et qui répondent à la règle d'autonomie définie par ailleurs dans la présente loi.
L'utilisation de ce crédit est décidée sur proposition de la Commission d'avis pour l'octroi de subsides pour la promotion des exportations.
Ce crédit est affecté au cofinancement de stage de formation technique de ressortissants des pays d'Europe centrale et orientale pouvant contribuer à la promotion des exportations des entreprises vers ces marchés, à savoir des distributeurs, des agents ou représentants, des utilisateurs finals (en cas de fournitures d'équipements), du personnel technique en charge du service après-vente, du personnel d'implantations locales des entreprises.
L'aide financière consiste en la prise en charge de 75 % des frais liés à la formation et comprenant les frais de voyage, de logement, de subsistance des stagiaires, ainsi que les frais de formation proprement dite (prestations des formateurs, manuels, traduction,...). La durée des stages est de quatre semaines au maximum.
Peuvent prétendre au bénéfice de ce programme de cofinancement les entreprises occupant moins de 100 personnes dans le secteur de la production (moins de cinquante personnes dans le secteur des services), ayant un chiffre d'affaires ne dépassant pas les 14 millions ECU, dont le total bilantaire n'excède pas les 10 millions ECU et qui répondent à la règle d'autonomie définie par ailleurs dans la présente loi.
L'utilisation de ce crédit est décidée sur proposition de la Commission d'avis pour l'octroi de subsides pour la promotion des exportations.
HOOFDSTUK V. - Bevordering van het risicokapitaal door de toegang tot de beurs te vergemakkelijken.
CHAPITRE V. - Promotion du capital à risque par l'encouragement de l'entrée en bourse.
Art. 33. Artikel 269, derde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, ingevoegd door de wet van 30 maart 1994 en gewijzigd bij de wet van 20 december 1995, wordt aangevuld als volgt :
"d) dividenden van aandelen uitgekeerd door vennootschappen die op een beurs voor roerende waarden genoteerd zijn of waarvan een deel van het kapitaal is ingebracht door een PRIVAK en die de voorwaarden, vermeld in artikel 201, eerste lid, 1°, vervullen :
- voor de periode tussen 1 juli 1997 en de datum waarop de eerste toekenning of betaalbaarstelling van de dividenden na die datum plaats heeft, wanneer het gaat om vennootschappen die reeds op een beurs voor roerende waarden waren genoteerd vóór 1 juli 1997;
- voor de periode tussen de datum van hun toelating op een beurs voor roerende waarden en de datum van de eerste toekenning of betaalbaarstelling van de dividenden die na die datum plaats heeft, wanneer het gaat om andere vennootschappen.".
"d) dividenden van aandelen uitgekeerd door vennootschappen die op een beurs voor roerende waarden genoteerd zijn of waarvan een deel van het kapitaal is ingebracht door een PRIVAK en die de voorwaarden, vermeld in artikel 201, eerste lid, 1°, vervullen :
- voor de periode tussen 1 juli 1997 en de datum waarop de eerste toekenning of betaalbaarstelling van de dividenden na die datum plaats heeft, wanneer het gaat om vennootschappen die reeds op een beurs voor roerende waarden waren genoteerd vóór 1 juli 1997;
- voor de periode tussen de datum van hun toelating op een beurs voor roerende waarden en de datum van de eerste toekenning of betaalbaarstelling van de dividenden die na die datum plaats heeft, wanneer het gaat om andere vennootschappen.".
Art. 33. L'article 269, alinéa 3, du Code des impôts sur les revenus 1992, inséré par la loi du 30 mars 1994 et modifié par la loi du 20 décembre 1995, est complété comme suit :
" d) les dividendes d'actions ou parts distribués par des sociétés qui sont cotées à une bourse de valeurs mobilières ou dont une partie du capital est apportée par une PRICAF et qui remplissent les conditions visées à l'article 201, alinéa 1er, 1° :
- lorsqu'il s'agit de sociétés déjà cotées à une bourse de valeurs mobilières à la date du 1er juillet 1997, durant la période comprise entre le 1er juillet 1997 et la date de la première attribution ou mise en paiement de dividendes qui a lieu après cette date;
- lorsqu'il s'agit d'autres sociétés, durant la période comprise entre la date de leur admission à une bourse de valeurs mobilières et la date de la première attribution ou mise en paiement de dividendes qui a lieu après cette date. ".
" d) les dividendes d'actions ou parts distribués par des sociétés qui sont cotées à une bourse de valeurs mobilières ou dont une partie du capital est apportée par une PRICAF et qui remplissent les conditions visées à l'article 201, alinéa 1er, 1° :
- lorsqu'il s'agit de sociétés déjà cotées à une bourse de valeurs mobilières à la date du 1er juillet 1997, durant la période comprise entre le 1er juillet 1997 et la date de la première attribution ou mise en paiement de dividendes qui a lieu après cette date;
- lorsqu'il s'agit d'autres sociétés, durant la période comprise entre la date de leur admission à une bourse de valeurs mobilières et la date de la première attribution ou mise en paiement de dividendes qui a lieu après cette date. ".
Art. 34. Artikel 33 is van toepassing op de vanaf 1 juli 1997 toegekende of betaalbaar gestelde dividenden.
Art. 34. L'article 33 est applicable aux dividendes attribués ou mis en paiement à partir du 1er juillet 1997.
Art. 35. Artikel 123 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, opgeheven door artikel 14 van de wet van 14 april 1965, wordt opnieuw opgenomen in de volgende lezing :
"Art. 123. Onder voorbehoud van de bepalingen van de artikelen 44 en 120 wordt van het evenredig recht vrijgesteld, de vermeerdering van het statutair kapitaal, met nieuwe inbreng, door een vennootschap bedoeld in artikel 201. eerste lid, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, mits aandelen of andere met aandelen gelijk te stellen waardepapieren van die vennootschap ter notering op een Belgische effectenbeurs zijn toegelaten.
Deze vrijstelling is alleen toepasselijk indien in de akte of in een vóór de registratie bij de akte te voegen geschrift wordt bevestigd dat de toepassingsvoorwaarden ervan zijn vervuld.
In geval van onjuistheid van die vermelding verbeurt de vennootschap een boete gelijk aan het ontdoken recht.".
"Art. 123. Onder voorbehoud van de bepalingen van de artikelen 44 en 120 wordt van het evenredig recht vrijgesteld, de vermeerdering van het statutair kapitaal, met nieuwe inbreng, door een vennootschap bedoeld in artikel 201. eerste lid, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, mits aandelen of andere met aandelen gelijk te stellen waardepapieren van die vennootschap ter notering op een Belgische effectenbeurs zijn toegelaten.
Deze vrijstelling is alleen toepasselijk indien in de akte of in een vóór de registratie bij de akte te voegen geschrift wordt bevestigd dat de toepassingsvoorwaarden ervan zijn vervuld.
In geval van onjuistheid van die vermelding verbeurt de vennootschap een boete gelijk aan het ontdoken recht.".
Art. 35. L'article 123 du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe, abrogé par l'article 14 de la loi du 14 avril 1965, est rétabli dans la rédaction suivante :
" Art. 123. Sous réserve des dispositions des articles 44 et 120, est exempté du droit proportionnel l'augmentation de capital statutaire, avec apport nouveau, d'une société visée à l'article 201, alinéa 1er, 1°, du Code des impôts sur les revenus 1992, pour autant que des actions de cette société ou autres valeurs mobilières assimilables à des actions, soient admises à la cotation auprès d'une bourse de valeurs mobilières belge.
Cette exonération n'est applicable que pour autant qu'il soit énoncé dans l'acte ou dans un écrit joint à l'acte avant l'enregistrement que les conditions d'application sont remplies.
En cas d'inexactitude de cette mention la société encourt une amende égale au droit éludé. ".
" Art. 123. Sous réserve des dispositions des articles 44 et 120, est exempté du droit proportionnel l'augmentation de capital statutaire, avec apport nouveau, d'une société visée à l'article 201, alinéa 1er, 1°, du Code des impôts sur les revenus 1992, pour autant que des actions de cette société ou autres valeurs mobilières assimilables à des actions, soient admises à la cotation auprès d'une bourse de valeurs mobilières belge.
Cette exonération n'est applicable que pour autant qu'il soit énoncé dans l'acte ou dans un écrit joint à l'acte avant l'enregistrement que les conditions d'application sont remplies.
En cas d'inexactitude de cette mention la société encourt une amende égale au droit éludé. ".
Art. 36. In artikel 209 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de artikelen 28 van de wet van 23 december 1958 en 184 van de wet van 22 december 1989, en, wat de Nederlandse tekst betreft, bij artikel 22 van de wet van 13 augustus 1947, wordt een als volgt luidend 5° ingevoegd :
"5° de bij toepassing van de artikelen 115, 115bis,116 en 120 aan het tarief van 0,5 % geheven rechten naar aanleiding van een vermeerdering van het statutair kapitaal, met nieuwe inbreng, door een vennootschap bedoeld in artikel 201, eerste lid, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, mits die vermeerdering van het statutair kapitaal is geschied binnen het jaar vóór de datum van de toelating tot de notering op een Belgische effectenbeurs van aandelen of met aandelen gelijk te stellen waardepapieren van de vennootschap.".
"5° de bij toepassing van de artikelen 115, 115bis,116 en 120 aan het tarief van 0,5 % geheven rechten naar aanleiding van een vermeerdering van het statutair kapitaal, met nieuwe inbreng, door een vennootschap bedoeld in artikel 201, eerste lid, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, mits die vermeerdering van het statutair kapitaal is geschied binnen het jaar vóór de datum van de toelating tot de notering op een Belgische effectenbeurs van aandelen of met aandelen gelijk te stellen waardepapieren van de vennootschap.".
Art. 36. Dans l'article 209 du même Code, modifié par les articles 28 de la loi du 23 décembre 1958 et 184 de la loi du 22 décembre 1989, et, en ce qui concerne le texte néerlandais, par l'article 22 de la loi du 13 août 1947, il est inséré un 5° rédigé comme suit :
" 5° les droits perçus au tarif de 0,5 % en application des articles 115, 115bis, 116 et 120, par suite d'une augmentation de capital statutaire, avec apport nouveau, d'une société visée à l'article 201, alinéa 1er, 1°, du Code des impôts sur les revenus 1992, pour autant que cette augmentation du capital statutaire ait lieu dans l'année précédant la date de l'autorisation de cotation auprès d'une bourse de valeurs mobilières belge d'actions de la société ou de valeurs mobilières assimilables à des actions. ".
" 5° les droits perçus au tarif de 0,5 % en application des articles 115, 115bis, 116 et 120, par suite d'une augmentation de capital statutaire, avec apport nouveau, d'une société visée à l'article 201, alinéa 1er, 1°, du Code des impôts sur les revenus 1992, pour autant que cette augmentation du capital statutaire ait lieu dans l'année précédant la date de l'autorisation de cotation auprès d'une bourse de valeurs mobilières belge d'actions de la société ou de valeurs mobilières assimilables à des actions. ".
TITEL IV. - (Dienst voor de Administratieve Vereenvoudiging).
TITRE IV. - (De l'Agence pour la Simplification Administrative).
HOOFDSTUK I. - Erkende Centra voor de begeleiding van en de Administratieve Vereenvoudiging voor de KMO's.
CHAPITRE I. - Des Centres Agréés d'Accompagnement et de Simplification Administrative pour les P.M.E..
Art. 37. (Ingetrokken) <W 2003-01-16/34, art. 83, 006; Inwerkingtreding : 19-05-2003>
Art. 37. (Rapporté) <L 2003-01-16/34, art. 83, 006; En vigueur : 19-05-2003>
Art. 38. (Ingetrokken) <W 2003-01-16/34, art. 83, 006; Inwerkingtreding : 19-05-2003>
Art. 38. (Rapporté)
Art. 39. (Ingetrokken) <W 2003-01-16/34, art. 83, 006; Inwerkingtreding : 19-05-2003>
Art. 39. (Rapporté) <L 2003-01-16/34, art. 83, 006; En vigueur : 19-05-2003>
HOOFDSTUK II. - Dienst voor de Administratieve Vereenvoudiging. (Geschrapt)
CHAPITRE II. - De l'Agence pour la Simplification Administrative. (Intitulé supprimé)
Art. 43. Artikel 22bis van de wetten betreffende de organisatie van de Middenstand, gecoördineerd op 28 mei 1979, wordt opgeheven.
Art. 43. L'article 22bis des lois relatives à l'organisation des Classes moyennes, coordonnées le 28 mai 1979, est abrogé.
HOOFDSTUK III. - Diverse bepalingen. (Ingetrokken)
CHAPITRE III. - Dispositions diverses. (Rapporté)
Art. 44. (Ingetrokken) <W 2003-01-16/34, art. 85, 006; Inwerkingtreding : 19-05-2003>
Art. 44. (Rapporté) <L 2003-01-16/34, art. 85, 006; En vigueur : 19-05-2003>
TITEL V. - Diverse bepalingen met betrekking tot de reglementering van de vrije en dienstverlenende intellectuele beroepen.
TITRE V. - Dispositions diverses relatives à la réglementation des professions libérales et intellectuelles prestataires de services.
HOOFDSTUK I. - Wijziging van de kaderwet van 1 maart 1976 tot reglementering van de bescherming van de beroepstitel en van de uitoefening van de dienstverlenende intellectuele beroepen.
CHAPITRE I. - Modification de la loi cadre du 1er mars 1976 réglementant la protection du titre professionnel et l'exercice des professions intellectuelles prestataires de services.
Art. 45. Artikel 1 van de wet van 1 maart 1976 tot reglementering van de bescherming van de beroepstitel en van de uitoefening van de dienstverlenende intellectuele beroepen, gewijzigd bij de wetten van 15 juli 1985 en 30 december 1992 wordt vervangen door de volgende bepaling :
"Artikel 1. De Koning kan op verzoek van één of meer belanghebbende beroepsverbonden en minstens twee nationale interprofessionele federaties en na advies van de Hoge Raad, voor de Middenstand beslissen de beroepstitel van een dienstverlenend intellectueel beroep te beschermen en de uitoefeningsvoorwaarden voor dat beroep vast te stellen.
De Koning kan op regelmatige tijdstippen en minstens om de 7 jaar de reglementeringen, vastgesteld krachtens deze wet, actualiseren.
Als belanghebbende beroepsverbonden worden aanzien, de verbonden die de voorwaarden vervullen, bepaald bij artikel 6 van de wetten betreffende de organisatie van de Middenstand, gecoördineerd op 28 mei 1979. Als nationale interprofessionele federaties worden aangezien, de federaties die de voorwaarden vervullen, bepaald bij artikel 7 van dezelfde wetten.".
"Artikel 1. De Koning kan op verzoek van één of meer belanghebbende beroepsverbonden en minstens twee nationale interprofessionele federaties en na advies van de Hoge Raad, voor de Middenstand beslissen de beroepstitel van een dienstverlenend intellectueel beroep te beschermen en de uitoefeningsvoorwaarden voor dat beroep vast te stellen.
De Koning kan op regelmatige tijdstippen en minstens om de 7 jaar de reglementeringen, vastgesteld krachtens deze wet, actualiseren.
Als belanghebbende beroepsverbonden worden aanzien, de verbonden die de voorwaarden vervullen, bepaald bij artikel 6 van de wetten betreffende de organisatie van de Middenstand, gecoördineerd op 28 mei 1979. Als nationale interprofessionele federaties worden aangezien, de federaties die de voorwaarden vervullen, bepaald bij artikel 7 van dezelfde wetten.".
Art. 45. L'article 1er de la loi du 1er mars 1976 réglementant la protection du titre professionnel et l'exercice des professions intellectuelles prestataires de services, modifiée par les lois des 15 juillet 1985 et 30 décembre 1992 est remplacé par la disposition suivante :
" Article 1. A la demande d'une ou de plusieurs fédérations professionnelles intéressées et d'au moins deux fédérations nationales interprofessionnelles et après avis du Conseil supérieur des Classes moyennes, le Roi peut décider de protéger le titre professionnel et d'arrêter les conditions d'exercice d'une profession intellectuelle prestataire de services.
Le Roi peut, à intervalles réguliers et au moins tous les sept ans, actualiser les réglementations arrêtées en vertu de la présente loi.
Sont considérées comme fédérations professionnelles intéressées les fédérations qui répondent aux conditions prévues à l'article 6 des lois relatives à l'organisation des Classes moyennes, coordonnées le 28 mai 1979. Sont considérées comme fédérations nationales interprofessionnelles les fédérations qui remplissent les conditions fixées à l'article 7 des mêmes lois. ".
" Article 1. A la demande d'une ou de plusieurs fédérations professionnelles intéressées et d'au moins deux fédérations nationales interprofessionnelles et après avis du Conseil supérieur des Classes moyennes, le Roi peut décider de protéger le titre professionnel et d'arrêter les conditions d'exercice d'une profession intellectuelle prestataire de services.
Le Roi peut, à intervalles réguliers et au moins tous les sept ans, actualiser les réglementations arrêtées en vertu de la présente loi.
Sont considérées comme fédérations professionnelles intéressées les fédérations qui répondent aux conditions prévues à l'article 6 des lois relatives à l'organisation des Classes moyennes, coordonnées le 28 mai 1979. Sont considérées comme fédérations nationales interprofessionnelles les fédérations qui remplissent les conditions fixées à l'article 7 des mêmes lois. ".
Art. 46. In artikel 2 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° § 1 wordt vervangen door de volgende bepaling :
"§ 1. 1° Elk verzoekschrift tot reglementering wordt gericht tot de Minister tot wiens bevoegdheid de Middenstand behoort.
2° De verzoekers vermelden in het verzoekschrift de te beschermen titel en omschrijven de beroepswerkzaamheid of -werkzaamheden welke ze gereglementeerd wensen te zien. Ze motiveren hun verzoek.
3° In het verzoekschrift wordt eveneens het programma en het niveau van de vereiste beroepskennis bepaald. De vereiste beroepskennis moet kunnen verworven worden in de door het Rijk, de Gemeenschappen of de Gewesten georganiseerde, erkende of gesubsidieerde onderwijs- of vormingsinstellingen.
4° De verzoekers vermelden in hun verzoekschrift eveneens de basiselementen van de plichtenleer welke zij gereglementeerd wensen te zien, alsook de basiselementen en de maximum duur van de stageperiode.
5° Het verzoekschrift voorziet eveneens in de oprichting van een Beroepsinstituut met rechtspersoonlijkheid dat voornamelijk tot opdracht zal hebben de plichtenleer nader te preciseren of aan te vullen en te waken over de naleving ervan.".
2° In § 3, tweede lid worden de woorden "het verbond" vervangen door "de verzoekers".
3° In § 4, eerste lid worden de woorden "de verbonden" vervangen door "de verzoekers".
4° In § 4 worden het tweede en derde lid vervangen door de volgende leden :
"Wanneer de Hoge Raad voor de Middenstand geen advies uitbrengt binnen de gestelde periode kunnen de verzoekers de bevoegde Minister verzoeken alsnog wijzigingen aan het verzoekschrift aan te brengen.
Zij kunnen eveneens de door de Minister tot wiens bevoegdheid de Middenstand behoort voorgestelde wijzigingen aanbrengen.
De aanpassing van een verzoekschrift op basis van dit artikel mag in geen geval de uitbreiding van de oorspronkelijk voorgestelde reglementering van de beroepswerkzaamheid, noch het verstrengen van de oorspronkelijk voorgestelde voorwaarden inzake programma, het niveau van de vereiste beroepskennis en stageduur tot gevolg hebben.".
5° § 7 wordt aangevuld met een tweede en derde lid, luidend als volgt :
"De Koning kan eveneens het reglementeringsbesluit wijzigen na advies van de Nationale Raad van het beroepsinstituut en van de Hoge Raad voor de Middenstand.
De Koning kan, na advies van de Hoge Raad voor de Middenstand, het reglementeringsbesluit opheffen. In het opheffingsbesluit wordt eveneens de ontbinding van het beroepsinstituut geregeld en de aanwending van de saldi bepaald.".
1° § 1 wordt vervangen door de volgende bepaling :
"§ 1. 1° Elk verzoekschrift tot reglementering wordt gericht tot de Minister tot wiens bevoegdheid de Middenstand behoort.
2° De verzoekers vermelden in het verzoekschrift de te beschermen titel en omschrijven de beroepswerkzaamheid of -werkzaamheden welke ze gereglementeerd wensen te zien. Ze motiveren hun verzoek.
3° In het verzoekschrift wordt eveneens het programma en het niveau van de vereiste beroepskennis bepaald. De vereiste beroepskennis moet kunnen verworven worden in de door het Rijk, de Gemeenschappen of de Gewesten georganiseerde, erkende of gesubsidieerde onderwijs- of vormingsinstellingen.
4° De verzoekers vermelden in hun verzoekschrift eveneens de basiselementen van de plichtenleer welke zij gereglementeerd wensen te zien, alsook de basiselementen en de maximum duur van de stageperiode.
5° Het verzoekschrift voorziet eveneens in de oprichting van een Beroepsinstituut met rechtspersoonlijkheid dat voornamelijk tot opdracht zal hebben de plichtenleer nader te preciseren of aan te vullen en te waken over de naleving ervan.".
2° In § 3, tweede lid worden de woorden "het verbond" vervangen door "de verzoekers".
3° In § 4, eerste lid worden de woorden "de verbonden" vervangen door "de verzoekers".
4° In § 4 worden het tweede en derde lid vervangen door de volgende leden :
"Wanneer de Hoge Raad voor de Middenstand geen advies uitbrengt binnen de gestelde periode kunnen de verzoekers de bevoegde Minister verzoeken alsnog wijzigingen aan het verzoekschrift aan te brengen.
Zij kunnen eveneens de door de Minister tot wiens bevoegdheid de Middenstand behoort voorgestelde wijzigingen aanbrengen.
De aanpassing van een verzoekschrift op basis van dit artikel mag in geen geval de uitbreiding van de oorspronkelijk voorgestelde reglementering van de beroepswerkzaamheid, noch het verstrengen van de oorspronkelijk voorgestelde voorwaarden inzake programma, het niveau van de vereiste beroepskennis en stageduur tot gevolg hebben.".
5° § 7 wordt aangevuld met een tweede en derde lid, luidend als volgt :
"De Koning kan eveneens het reglementeringsbesluit wijzigen na advies van de Nationale Raad van het beroepsinstituut en van de Hoge Raad voor de Middenstand.
De Koning kan, na advies van de Hoge Raad voor de Middenstand, het reglementeringsbesluit opheffen. In het opheffingsbesluit wordt eveneens de ontbinding van het beroepsinstituut geregeld en de aanwending van de saldi bepaald.".
Art. 46. A l'article 2 de la même loi sont apportées les modifications suivantes :
1° le § 1er est remplacé par la disposition suivante :
" § 1er. 1° Toute requête en réglementation est adressée au Ministre qui a les Classes moyennes dans ses attributions.
2° Les requérants mentionnent dans la requête le titre à protéger et définissent la ou les activités professionnelles qu'ils entendent voir réglementer. Ils motivent leur requête.
3° Le programme et le niveau des connaissances professionnelles exigées sont déterminés dans la requête. Les connaissances professionnelles requises doivent pouvoir être acquises dans des établissements d'enseignement ou de formation organisés, reconnus ou subventionnés par l'Etat, les Communautés ou les Régions.
4° Les requérants mentionnent également dans leur requête les éléments de base des règles de déontologie qu'ils désirent voir réglementer, ainsi que les éléments de base et la durée maximale de la période de stage.
5° La requête prévoit également la création d'un Institut professionnel doté de la personnalité civile qui aura essentiellement pour mission de préciser ou de compléter les règles de déontologie et d'en assurer le respect. ";
2° au § 3, alinéa 2 les mots " à la fédération " sont remplacés par " aux requérants ";
3° au § 4, alinéa 1er les mots " les fédérations " sont remplacés par " les requérants ";
4° au § 4 les alinéas 2 et 3 sont remplacés par les alinéas suivants :
" Lorsque le Conseil supérieur des Classes moyennes ne rend pas d'avis dans le délai imparti, les requérants peuvent également demander au Ministre compétent d'apporter encore des modifications à la requête.
Elle peuvent également procéder à des modifications proposées par le Ministre qui a les Classes moyennes dans ses attributions.
L'adaptation d'une requête sur base du présent article ne peut en aucun cas avoir pour conséquence l'élargissement de la réglementation des activités professionnelles, initialement proposée, ni le renforcement des conditions proposées initialement en matière de programme, de niveau des connaissances professionnelles exigées et de durée du stage. ";
5° le § 7 est complété par un alinéa 2 et 3, rédigés comme suit :
" Après avis du Conseil national de l'institut professionnel et du Conseil supérieur des Classes moyennes, le Roi peut également modifier l'arrêté de réglementation.
Après avis du Conseil supérieur des Classes moyennes, le Roi peut abroger l'arrêté de réglementation. L'arrêté d'abrogation détermine également les modalités de dissolution de l'institut professionnel ainsi que la destination du solde de dissolution. ".
1° le § 1er est remplacé par la disposition suivante :
" § 1er. 1° Toute requête en réglementation est adressée au Ministre qui a les Classes moyennes dans ses attributions.
2° Les requérants mentionnent dans la requête le titre à protéger et définissent la ou les activités professionnelles qu'ils entendent voir réglementer. Ils motivent leur requête.
3° Le programme et le niveau des connaissances professionnelles exigées sont déterminés dans la requête. Les connaissances professionnelles requises doivent pouvoir être acquises dans des établissements d'enseignement ou de formation organisés, reconnus ou subventionnés par l'Etat, les Communautés ou les Régions.
4° Les requérants mentionnent également dans leur requête les éléments de base des règles de déontologie qu'ils désirent voir réglementer, ainsi que les éléments de base et la durée maximale de la période de stage.
5° La requête prévoit également la création d'un Institut professionnel doté de la personnalité civile qui aura essentiellement pour mission de préciser ou de compléter les règles de déontologie et d'en assurer le respect. ";
2° au § 3, alinéa 2 les mots " à la fédération " sont remplacés par " aux requérants ";
3° au § 4, alinéa 1er les mots " les fédérations " sont remplacés par " les requérants ";
4° au § 4 les alinéas 2 et 3 sont remplacés par les alinéas suivants :
" Lorsque le Conseil supérieur des Classes moyennes ne rend pas d'avis dans le délai imparti, les requérants peuvent également demander au Ministre compétent d'apporter encore des modifications à la requête.
Elle peuvent également procéder à des modifications proposées par le Ministre qui a les Classes moyennes dans ses attributions.
L'adaptation d'une requête sur base du présent article ne peut en aucun cas avoir pour conséquence l'élargissement de la réglementation des activités professionnelles, initialement proposée, ni le renforcement des conditions proposées initialement en matière de programme, de niveau des connaissances professionnelles exigées et de durée du stage. ";
5° le § 7 est complété par un alinéa 2 et 3, rédigés comme suit :
" Après avis du Conseil national de l'institut professionnel et du Conseil supérieur des Classes moyennes, le Roi peut également modifier l'arrêté de réglementation.
Après avis du Conseil supérieur des Classes moyennes, le Roi peut abroger l'arrêté de réglementation. L'arrêté d'abrogation détermine également les modalités de dissolution de l'institut professionnel ainsi que la destination du solde de dissolution. ".
Art. 47. In het artikel 3, tweede lid van dezelfde wet wordt het woord "vennootschap" vervangen door het woord "rechtspersoon".
Art. 47. A l'article 3, alinéa 2 de la même loi, le mot " société " est remplacé par les mots " personne moral ".
Art. 48. In artikel 6 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 3, tweede lid wordt het getal "zes" vervangen door "vier";
2° § 4 wordt aangevuld met de volgende leden :
"De bijdragen worden onderworpen aan de goedkeuring van de Minister tot wiens bevoegdheid de Middenstand behoort.
Bij weigering van betaling van de bijdrage door een lid binnen de door de Raad vastgestelde termijn, kan de Uitvoerende Kamer, na het lid aangemaand te hebben om binnen een door de Kamer bepaalde termijn de bijdrage alsnog te betalen, het betrokken lid tijdens de duur van de procedure tot invordering van de bijdrage schorsen, bij wijze van tuchtstraf overeenkomstig artikel 9, eerste lid, c). De bijdrage is niet verschuldigd indien de belanghebbende voor het verstrijken van de vastgestelde termijnen om zijn schrapping van de lijst van de stagiairs of het tableau van de beroepsbeoefenaars heeft verzocht.
De Koning bepaalt op welke wijze toezicht wordt gehouden op de jaarrekeningen, begrotingen en boekhouding van de beroepsinstituten zal geschieden.".
1° in § 3, tweede lid wordt het getal "zes" vervangen door "vier";
2° § 4 wordt aangevuld met de volgende leden :
"De bijdragen worden onderworpen aan de goedkeuring van de Minister tot wiens bevoegdheid de Middenstand behoort.
Bij weigering van betaling van de bijdrage door een lid binnen de door de Raad vastgestelde termijn, kan de Uitvoerende Kamer, na het lid aangemaand te hebben om binnen een door de Kamer bepaalde termijn de bijdrage alsnog te betalen, het betrokken lid tijdens de duur van de procedure tot invordering van de bijdrage schorsen, bij wijze van tuchtstraf overeenkomstig artikel 9, eerste lid, c). De bijdrage is niet verschuldigd indien de belanghebbende voor het verstrijken van de vastgestelde termijnen om zijn schrapping van de lijst van de stagiairs of het tableau van de beroepsbeoefenaars heeft verzocht.
De Koning bepaalt op welke wijze toezicht wordt gehouden op de jaarrekeningen, begrotingen en boekhouding van de beroepsinstituten zal geschieden.".
Art. 48. A l'article 6 de la même loi sont apportées les modifications suivantes :
1° au § 3, alinéa 2, le mot " six " est remplacé par " quatre ";
2° le § 4 est complété par les alinéas suivants :
" Les cotisations sont soumises à l'approbation du Ministre qui a les Classes moyennes dans ses attributions.
En cas de refus de paiement de la cotisation par un membre dans le délai fixé par le Conseil, la chambre exécutive peut, après avoir sommé le membre de payer encore la cotisation dans un délai fixé par la chambre, suspendre l'intéressé pendant la durée de la procédure de récupération de la cotisation, à titre de peine disciplinaire conformément à l'article 9, alinéa 1er, c). La cotisation n'est pas due si l'intéressé a demandé sa radiation de la liste des stagiaires ou du tableau des titulaires avant l'expiration du délai fixé.
Le Roi fixe la façon dont s'opère le contrôle sur les comptes annuels, les budgets et la comptabilité des instituts professionnels. ".
1° au § 3, alinéa 2, le mot " six " est remplacé par " quatre ";
2° le § 4 est complété par les alinéas suivants :
" Les cotisations sont soumises à l'approbation du Ministre qui a les Classes moyennes dans ses attributions.
En cas de refus de paiement de la cotisation par un membre dans le délai fixé par le Conseil, la chambre exécutive peut, après avoir sommé le membre de payer encore la cotisation dans un délai fixé par la chambre, suspendre l'intéressé pendant la durée de la procédure de récupération de la cotisation, à titre de peine disciplinaire conformément à l'article 9, alinéa 1er, c). La cotisation n'est pas due si l'intéressé a demandé sa radiation de la liste des stagiaires ou du tableau des titulaires avant l'expiration du délai fixé.
Le Roi fixe la façon dont s'opère le contrôle sur les comptes annuels, les budgets et la comptabilité des instituts professionnels. ".
Art. 49. In artikel 7 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° § 1, eerste lid, wordt vervangen door de volgende leden :
"De Nationale Raad kan de voorschriften van de plichtenleer, zoals bepaald krachtens artikel 2 van deze wet, nader uitwerken, aanpassen of vervolledigen en stelt het stagereglement op. De voorschriften inzake de plichtenleer en het stagereglement hebben slechts bindende kracht nadat zij door de Koning zijn goedgekeurd, bij een in Ministerraad overlegd besluit.
Indien de Nationale Raad in gebreke blijft, na een verzoek van de Minister die de Middenstand onder zijn bevoegdheid heeft, kan de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit en na advies van de Nationale Raad van het Beroepsinstituut en de Hoge Raad voor de Middenstand, voorschriften inzake plichtenleer en stage opleggen.";
2° in § 1, tweede lid, worden 3° en 4° vervangen door de volgende bepalingen :
"3° het opmaken en bijhouden van de lijst van de stagemeesters, die als opdracht hebben de stagiairs te adviseren en bij te staan en een evaluatierapport op te maken;
4° maatregelen te nemen inzake beroepsvervolmaking en bijscholing van de leden.";
3° een § 1bis wordt toegevoegd, luidend als volgt :
"§ 1bis. De Nationale Raad kan alle maatregelen nemen om zijn taak, vervat in § 1 te verwezenlijken.
De Nationale Raad legt het reglement van inwendige orde ter goedkeuring voor aan de Minister die de Middenstand onder zijn bevoegdheid heeft.";
4° in § 2, tweede lid, worden de woorden "plaatsvervangende voorzitter" vervangen door "ondervoorzitter".
5° in § 3 worden het tweede lid en volgende vervangen door de volgende leden :
"Beiden worden op voordracht van de Minister die de Middenstand onder zijn bevoegdheid heeft uit de ambtenaren van zijn departement benoemd door de Koning.
De regeringscommissaris beschikt over een termijn van vijftien werkdagen om bij de Minister beroep in te stellen tegen de uitvoering van elke beslissing van de Nationale Raad, die strijdig is met de wetten en verordeningen of die niet tot de opdracht behoort van de Nationale Raad zoals bepaald in artikel 7, § 1 van deze wet, die de solvabiliteit van het instituut in gevaar kan brengen of die strijdig is met de goedgekeurde begroting van het instituut.
Deze termijn gaat in op de dag waarop de regeringscommissaris in kennis gesteld wordt van het proces-verbaal van de beslissing.
Het beroep heeft schorsende kracht.
Indien de Minister de nietigverklaring niet heeft uitgesproken binnen een termijn van vijftien werkdagen, te rekenen van de ontvangst van het beroep, wordt de beslissing definitief.".
1° § 1, eerste lid, wordt vervangen door de volgende leden :
"De Nationale Raad kan de voorschriften van de plichtenleer, zoals bepaald krachtens artikel 2 van deze wet, nader uitwerken, aanpassen of vervolledigen en stelt het stagereglement op. De voorschriften inzake de plichtenleer en het stagereglement hebben slechts bindende kracht nadat zij door de Koning zijn goedgekeurd, bij een in Ministerraad overlegd besluit.
Indien de Nationale Raad in gebreke blijft, na een verzoek van de Minister die de Middenstand onder zijn bevoegdheid heeft, kan de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit en na advies van de Nationale Raad van het Beroepsinstituut en de Hoge Raad voor de Middenstand, voorschriften inzake plichtenleer en stage opleggen.";
2° in § 1, tweede lid, worden 3° en 4° vervangen door de volgende bepalingen :
"3° het opmaken en bijhouden van de lijst van de stagemeesters, die als opdracht hebben de stagiairs te adviseren en bij te staan en een evaluatierapport op te maken;
4° maatregelen te nemen inzake beroepsvervolmaking en bijscholing van de leden.";
3° een § 1bis wordt toegevoegd, luidend als volgt :
"§ 1bis. De Nationale Raad kan alle maatregelen nemen om zijn taak, vervat in § 1 te verwezenlijken.
De Nationale Raad legt het reglement van inwendige orde ter goedkeuring voor aan de Minister die de Middenstand onder zijn bevoegdheid heeft.";
4° in § 2, tweede lid, worden de woorden "plaatsvervangende voorzitter" vervangen door "ondervoorzitter".
5° in § 3 worden het tweede lid en volgende vervangen door de volgende leden :
"Beiden worden op voordracht van de Minister die de Middenstand onder zijn bevoegdheid heeft uit de ambtenaren van zijn departement benoemd door de Koning.
De regeringscommissaris beschikt over een termijn van vijftien werkdagen om bij de Minister beroep in te stellen tegen de uitvoering van elke beslissing van de Nationale Raad, die strijdig is met de wetten en verordeningen of die niet tot de opdracht behoort van de Nationale Raad zoals bepaald in artikel 7, § 1 van deze wet, die de solvabiliteit van het instituut in gevaar kan brengen of die strijdig is met de goedgekeurde begroting van het instituut.
Deze termijn gaat in op de dag waarop de regeringscommissaris in kennis gesteld wordt van het proces-verbaal van de beslissing.
Het beroep heeft schorsende kracht.
Indien de Minister de nietigverklaring niet heeft uitgesproken binnen een termijn van vijftien werkdagen, te rekenen van de ontvangst van het beroep, wordt de beslissing definitief.".
Art. 49. A l'article 7 de la même loi sont apportées les modifications suivantes :
1° le § 1er, alinéa 1er, est remplacé par les alinéas suivants :
" Le Conseil national peut détailler, adapter ou compléter les règles de déontologie comme fixées en vertu de l'article 2 de la présente loi, et établit le règlement de stage. Les règles de déontologie et le règlement de stage n'ont force obligatoire qu'après leur approbation par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres.
Si le Conseil national néglige une requête du Ministre qui a les Classes moyennes dans ses attributions, le Roi peut, après avis du Conseil national de l'Institut professionnel et du Conseil supérieur des Classes moyennes et par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, imposer des règles en matière de déontologie et de stage. ";
2° au § 1er, alinéa 2, les 3° et 4° sont remplacés par les dispositions suivantes :
" 3° l'établissement et la mise à jour de la liste des maîtres de stage, qui ont pour mission de conseiller et d'assister les stagiaires et d'établir un rapport d'évaluation;
4° prendre des mesures relatives au perfectionnement professionnel et à la formation des membres. ";
3° un § 1erbis est inséré, rédigé comme suit :
" § 1bis. Le Conseil national peut prendre toute mesure nécessaire à la réalisation de son objet, défini au § 1er.
Le Conseil national soumet le règlement d'ordre intérieur à l'approbation du Ministre qui a les Classes moyennes dans ses attributions. ";
4° au § 2, alinéa 2, les mots " président suppléant " sont remplacés par " vice-président ";
5° au § 3 les alinéas 2 et suivants sont remplacés par les alinéas suivants :
" L'un et l'autre sont nommés par le Roi, sur proposition du Ministre qui a les Classes moyennes dans ses attributions, parmi les fonctionnaires de son département.
Le commissaire du gouvernement dispose d'un délai de quinze jours ouvrables pour prendre son recours auprès du Ministre contre l'exécution de toute décision du Conseil national qui est contraire aux lois et règlements ou qui ne fait pas partie de la mission du Conseil national telle que définie à l'article 7, § 1er de la présente loi, qui est de nature à compromettre la solvabilité de l'institut ou qui est contraire au budget approuvé de l'Institut.
Ce délai court à partir du jour où le commissaire du gouvernement a eu connaissance du procès-verbal de la décision.
Le recours est suspensif.
Si le Ministre n'a pas prononcé l'annulation dans un délai de quinze jours ouvrables à partir de la réception du recours, la décision devient définitive. ".
1° le § 1er, alinéa 1er, est remplacé par les alinéas suivants :
" Le Conseil national peut détailler, adapter ou compléter les règles de déontologie comme fixées en vertu de l'article 2 de la présente loi, et établit le règlement de stage. Les règles de déontologie et le règlement de stage n'ont force obligatoire qu'après leur approbation par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres.
Si le Conseil national néglige une requête du Ministre qui a les Classes moyennes dans ses attributions, le Roi peut, après avis du Conseil national de l'Institut professionnel et du Conseil supérieur des Classes moyennes et par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, imposer des règles en matière de déontologie et de stage. ";
2° au § 1er, alinéa 2, les 3° et 4° sont remplacés par les dispositions suivantes :
" 3° l'établissement et la mise à jour de la liste des maîtres de stage, qui ont pour mission de conseiller et d'assister les stagiaires et d'établir un rapport d'évaluation;
4° prendre des mesures relatives au perfectionnement professionnel et à la formation des membres. ";
3° un § 1erbis est inséré, rédigé comme suit :
" § 1bis. Le Conseil national peut prendre toute mesure nécessaire à la réalisation de son objet, défini au § 1er.
Le Conseil national soumet le règlement d'ordre intérieur à l'approbation du Ministre qui a les Classes moyennes dans ses attributions. ";
4° au § 2, alinéa 2, les mots " président suppléant " sont remplacés par " vice-président ";
5° au § 3 les alinéas 2 et suivants sont remplacés par les alinéas suivants :
" L'un et l'autre sont nommés par le Roi, sur proposition du Ministre qui a les Classes moyennes dans ses attributions, parmi les fonctionnaires de son département.
Le commissaire du gouvernement dispose d'un délai de quinze jours ouvrables pour prendre son recours auprès du Ministre contre l'exécution de toute décision du Conseil national qui est contraire aux lois et règlements ou qui ne fait pas partie de la mission du Conseil national telle que définie à l'article 7, § 1er de la présente loi, qui est de nature à compromettre la solvabilité de l'institut ou qui est contraire au budget approuvé de l'Institut.
Ce délai court à partir du jour où le commissaire du gouvernement a eu connaissance du procès-verbal de la décision.
Le recours est suspensif.
Si le Ministre n'a pas prononcé l'annulation dans un délai de quinze jours ouvrables à partir de la réception du recours, la décision devient définitive. ".
Art. 50. In artikel 8 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 1, 3° worden de woorden "het stagereglement en" ingevoegd tussen de woorden "de toepassing van" en "de voorschriften van de plichtenleer".
2° in § 2 wordt een derde lid toegevoegd, luidend als volgt :
"De persoon die niet over een voldoende kennis beschikt van de taal van de procedure van de Kamer waarvoor hij moet verschijnen in disciplinaire aangelegenheden of betreffende honoraria, kan zich tijdens de zitting laten bijstaan door een tolk naar zijn keuze.".
1° in § 1, 3° worden de woorden "het stagereglement en" ingevoegd tussen de woorden "de toepassing van" en "de voorschriften van de plichtenleer".
2° in § 2 wordt een derde lid toegevoegd, luidend als volgt :
"De persoon die niet over een voldoende kennis beschikt van de taal van de procedure van de Kamer waarvoor hij moet verschijnen in disciplinaire aangelegenheden of betreffende honoraria, kan zich tijdens de zitting laten bijstaan door een tolk naar zijn keuze.".
Art. 50. A l'article 8 de la même loi sont apportées les modifications suivantes :
1° au § 1er, 3°, les mots " du règlement de stage et " sont insérés entre les mots " veiller à l'application " et " des règles de la déontologie ";
2° au § 2 est ajouté un alinéa 3, rédigé comme suit :
" La personne qui ne possède pas une connaissance suffisante de la langue de la procédure utilisée par la chambre devant laquelle elle est citée à comparaître en matière disciplinaire ou d'honoraires peut se faire assister à l'audience par un interprète de son choix. ".
1° au § 1er, 3°, les mots " du règlement de stage et " sont insérés entre les mots " veiller à l'application " et " des règles de la déontologie ";
2° au § 2 est ajouté un alinéa 3, rédigé comme suit :
" La personne qui ne possède pas une connaissance suffisante de la langue de la procédure utilisée par la chambre devant laquelle elle est citée à comparaître en matière disciplinaire ou d'honoraires peut se faire assister à l'audience par un interprète de son choix. ".
Art. 51. In artikel 12, tweede lid van dezelfde wet worden de woorden "vier vrije dagen" vervangen door "zeven werkdagen".
Art. 51. A l'article 12, alinéa 2, de la même loi les mots " quatre jours francs " sont remplacés par " sept jours ouvrables ".
Art. 52. In artikel 17 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° § 5 wordt vervangen door de volgende leden :
"De Raden van Erkenning stellen de lijsten van de beroepsbeoefenaars vast nadat ze over de beroepen uitspraak hebben gedaan en een beslissing hebben genomen inzake de aanvragen, bedoeld in § 4, vijfde lid en inzake de gevallen bedoeld in § 4, zevende lid.
De Raden maken deze lijsten over aan de Minister tot wiens bevoegdheid de Middenstand behoort.
De personen die op deze lijsten voorkomen nemen deel aan de oprichting van het beroepsinstituut en worden op het tableau van de beroepsbeoefenaars ingeschreven zonder het bewijs te moeten leveren van hun beroepskennis en van de stageperiode.";
2° in § 6 wordt in de Nederlandse tekst het woord "oprichting" vervangen door "installatie";
3° een § 7 en § 8 worden toegevoegd, luidend als volgt :
"§ 7. Personen die, op de datum waarop een ter uitvoering van deze wet genomen eerste reglementeringsbesluit in werking treedt, voldeden aan de voorwaarden vastgesteld door de Koning in uitvoering van artikel 17, § 1, in dit reglementeringsbesluit, kunnen ten alle tijde het beroepsinstituut verzoeken ingeschreven te worden op de lijst van de stagiairs zonder het bewijs te moeten leveren van hun beroepskennis.
§ 8. Personen, die op de datum waarop een ter uitvoering van deze wet genomen eerste reglementeringsbesluit in werking treedt, het beroep gedurende tenminste drie jaar hebben uitgeoefend, hetzij als zelfstandige, hetzij in het kader van een arbeidsovereenkomst, in de loop van de tien voorafgaande jaren kunnen ten alle tijde het beroepsinstituut verzoeken ingeschreven te worden op de lijst van de stagiairs, op voorwaarde dat zij het bewijs leveren van hun uitoefening van het beroep.".
1° § 5 wordt vervangen door de volgende leden :
"De Raden van Erkenning stellen de lijsten van de beroepsbeoefenaars vast nadat ze over de beroepen uitspraak hebben gedaan en een beslissing hebben genomen inzake de aanvragen, bedoeld in § 4, vijfde lid en inzake de gevallen bedoeld in § 4, zevende lid.
De Raden maken deze lijsten over aan de Minister tot wiens bevoegdheid de Middenstand behoort.
De personen die op deze lijsten voorkomen nemen deel aan de oprichting van het beroepsinstituut en worden op het tableau van de beroepsbeoefenaars ingeschreven zonder het bewijs te moeten leveren van hun beroepskennis en van de stageperiode.";
2° in § 6 wordt in de Nederlandse tekst het woord "oprichting" vervangen door "installatie";
3° een § 7 en § 8 worden toegevoegd, luidend als volgt :
"§ 7. Personen die, op de datum waarop een ter uitvoering van deze wet genomen eerste reglementeringsbesluit in werking treedt, voldeden aan de voorwaarden vastgesteld door de Koning in uitvoering van artikel 17, § 1, in dit reglementeringsbesluit, kunnen ten alle tijde het beroepsinstituut verzoeken ingeschreven te worden op de lijst van de stagiairs zonder het bewijs te moeten leveren van hun beroepskennis.
§ 8. Personen, die op de datum waarop een ter uitvoering van deze wet genomen eerste reglementeringsbesluit in werking treedt, het beroep gedurende tenminste drie jaar hebben uitgeoefend, hetzij als zelfstandige, hetzij in het kader van een arbeidsovereenkomst, in de loop van de tien voorafgaande jaren kunnen ten alle tijde het beroepsinstituut verzoeken ingeschreven te worden op de lijst van de stagiairs, op voorwaarde dat zij het bewijs leveren van hun uitoefening van het beroep.".
Art. 52. A l'article 17 de la même loi sont apportées les modifications suivantes :
1° le § 5 est remplacé par les alinéas suivants :
" Les Conseils d'agréation établissent les listes des titulaires après s'être prononcés sur les recours et après avoir pris une décision concernant les demandes visées au § 4, cinquième alinéa ainsi que les cas visés au § 4, septième alinéa.
Les Conseils transmettent ces listes au Ministre qui a les Classes moyennes dans ses attributions.
Les personnes qui figurent sur ces listes participent à la constitution de l'institut professionnel et sont inscrites au tableau des titulaires sans devoir justifier de leurs connaissances professionnelles ni de la période de stage. ";
2° au § 6 dans le texte néerlandais le mot " oprichting " est remplacé par " installatie ";
3° un § 7 et § 8 sont ajoutés, rédigés comme suit :
" § 7. Les personnes qui, à la date de l'entrée en vigueur d'un premier arrêté de réglementation pris en exécution de la présente loi, satisfaisaient aux conditions fixées par le Roi en exécution de l'(article 17), § 1er, dans cet arrêté de réglementation peuvent à tout moment demander à l'institut professionnel leur inscription sur la liste des stagiaires sans devoir prouver leurs connaissances professionnelles. § 8. Les personnes qui, à la date d'entrée en vigueur d'un premier arrêté de réglementation pris en exécution de la présente loi, ont exercé la profession, soit comme travailleur indépendant, soit dans les liens d'un contrat de travail, pendant au moins trois ans au cours des dix années y précédentes, peuvent à tout moment demander à l'institut professionnel leur inscription sur la liste des stagiaires, à condition d'apporter la preuve de leur exercice de la profession. ".
1° le § 5 est remplacé par les alinéas suivants :
" Les Conseils d'agréation établissent les listes des titulaires après s'être prononcés sur les recours et après avoir pris une décision concernant les demandes visées au § 4, cinquième alinéa ainsi que les cas visés au § 4, septième alinéa.
Les Conseils transmettent ces listes au Ministre qui a les Classes moyennes dans ses attributions.
Les personnes qui figurent sur ces listes participent à la constitution de l'institut professionnel et sont inscrites au tableau des titulaires sans devoir justifier de leurs connaissances professionnelles ni de la période de stage. ";
2° au § 6 dans le texte néerlandais le mot " oprichting " est remplacé par " installatie ";
3° un § 7 et § 8 sont ajoutés, rédigés comme suit :
" § 7. Les personnes qui, à la date de l'entrée en vigueur d'un premier arrêté de réglementation pris en exécution de la présente loi, satisfaisaient aux conditions fixées par le Roi en exécution de l'(article 17), § 1er, dans cet arrêté de réglementation peuvent à tout moment demander à l'institut professionnel leur inscription sur la liste des stagiaires sans devoir prouver leurs connaissances professionnelles.
Art. 53. Aan dezelfde wet wordt een artikel 18 toegevoegd, luidend als volgt :
"Art. 18. Alle instanties die in het kader van deze wet, om advies verzocht worden, brengen dit advies uit binnen een termijn van drie maanden.
Wanneer binnen die termijn geen advies is uitgebracht, mag aan de adviesverplichting worden voorbijgegaan.".
"Art. 18. Alle instanties die in het kader van deze wet, om advies verzocht worden, brengen dit advies uit binnen een termijn van drie maanden.
Wanneer binnen die termijn geen advies is uitgebracht, mag aan de adviesverplichting worden voorbijgegaan.".
Art. 53. Dans la même loi il est ajouté un article 18, rédigé comme suit :
" Art. 18. Toutes les instances priées d'émettre un avis dans le cadre de la présente loi émettent cet avis dans un délai de trois mois.
Si l'avis n'est pas émis dans ce délai, il n'est plus obligatoire d'obtenir cet avis. "
" Art. 18. Toutes les instances priées d'émettre un avis dans le cadre de la présente loi émettent cet avis dans un délai de trois mois.
Si l'avis n'est pas émis dans ce délai, il n'est plus obligatoire d'obtenir cet avis. "
HOOFDSTUK II. - Wijziging van de wet van 6 augustus 1993 tot opheffing van het koninklijk besluit van 31 juli 1825 betreffende de bepalingen inzake uitoefening van het beroep van landmeter.
CHAPITRE II. - Modification de la loi du 6 août 1993 abrogeant arrêté royal du 31 juillet 1825 concernant les dispositions relatives à l'exercice de la profession d'arpenteur.
Art. 54. In artikel 2 van de wet van 6 augustus 1993 tot opheffing van het koninklijk besluit van 31 juli 1825 betreffende de bepalingen inzake uitoefening van het beroep van landmeter, wordt tussen het tweede en het derde lid het volgende lid ingevoegd :
"De onderdanen van de Lid-Staten van de Europese Gemeenschap of van een andere Staat die partij is bij het Akkoord betreffende de Europese Economische Ruimte, die hun woonplaats niet in België hebben, leggen de eed af bij de rechtbank van eerste aanleg van hun keuze.".
"De onderdanen van de Lid-Staten van de Europese Gemeenschap of van een andere Staat die partij is bij het Akkoord betreffende de Europese Economische Ruimte, die hun woonplaats niet in België hebben, leggen de eed af bij de rechtbank van eerste aanleg van hun keuze.".
Art. 54. A l'article 2 de la loi du 6 août 1993 abrogeant l'arrêté royal du 31 juillet 1825 concernant les dispositions relatives à l'exercice de la profession d'arpenteur, l'alinéa suivant est inséré entre l'alinéa 2 et l'alinéa 3 :
" Les ressortissants des Etats membres de la Communauté européenne ou d'un autre Etat partie à l'Accord sur l'Espace économique européen qui ne sont pas domiciliés en Belgique, prestent le serment auprès du tribunal de première instance de leur choix. ".
" Les ressortissants des Etats membres de la Communauté européenne ou d'un autre Etat partie à l'Accord sur l'Espace économique européen qui ne sont pas domiciliés en Belgique, prestent le serment auprès du tribunal de première instance de leur choix. ".
HOOFDSTUK III. - Wijziging van de wet van 26 juni 1963 tot instelling van een Orde van Architecten.
CHAPITRE III. - Modification de la loi du 26 juin 1963 créant un Ordre des Architectes.
Art. 55. In de artikelen 8, 11, 21 en 52 van de wet van 26 juni 1963 tot instelling van een Orde van Architecten worden de woorden "van de Europese Economische Gemeenschap" vervangen door de woorden "van de Europese Economische Gemeenschap of een andere Staat die partij is bij het Akkoord betreffende de Europese Economische Ruimte".
Art. 55. Aux articles 8, 11, 21 et 52 de la loi du 26 juin 1963 créant un Ordre des Architectes, les mots " de la Communauté économique européenne " sont remplacés par les mots " de la Communauté économique européenne ou un autre Etat partie à l'Accord concernant l'Espace économique européen ".
Art. 56. In artikel 34 van dezelfde wet worden het tweede en derde lid vervangen door de volgende leden :
"De nationale raad van de Orde wordt bijgestaan door een rechtskundig bijzitter en een plaatsvervangend rechtskundig bijzitter, die door de Koning worden benoemd. De rechtskundige bijzitter heeft raadgevende stem.
Hij wordt gekozen onder de voorzitters en de raadsheren, werkende magistraten of eremagistraten, bij het Hof van Beroep te Brussel, of onder de advocaten van de balie te Brussel, die sedert ten minste tien jaar op een tabel van de Orde van Advocaten zijn ingeschreven. Hij heeft een grondige kennis van de beide landstalen.".
"De nationale raad van de Orde wordt bijgestaan door een rechtskundig bijzitter en een plaatsvervangend rechtskundig bijzitter, die door de Koning worden benoemd. De rechtskundige bijzitter heeft raadgevende stem.
Hij wordt gekozen onder de voorzitters en de raadsheren, werkende magistraten of eremagistraten, bij het Hof van Beroep te Brussel, of onder de advocaten van de balie te Brussel, die sedert ten minste tien jaar op een tabel van de Orde van Advocaten zijn ingeschreven. Hij heeft een grondige kennis van de beide landstalen.".
Art. 56. A l'article 34 de la même loi, les alinéas 2 et 3 sont remplacés par les alinéas suivants :
" Le conseil national de l'Ordre est assisté par un assesseur juridique et un assesseur juridique suppléant, nommés par le Roi. L'assesseur juridique a voix consultative.
Il est choisi parmi les présidents et conseillers, magistrats effectifs ou honoraires, de la Cour d'appel de Bruxelles, ou parmi les avocats du barreau de Bruxelles inscrits depuis dix ans au moins à un tableau de l'Ordre des Avocats. Il a une connaissance approfondie des deux langues nationales. ".
" Le conseil national de l'Ordre est assisté par un assesseur juridique et un assesseur juridique suppléant, nommés par le Roi. L'assesseur juridique a voix consultative.
Il est choisi parmi les présidents et conseillers, magistrats effectifs ou honoraires, de la Cour d'appel de Bruxelles, ou parmi les avocats du barreau de Bruxelles inscrits depuis dix ans au moins à un tableau de l'Ordre des Avocats. Il a une connaissance approfondie des deux langues nationales. ".
HOOFDSTUK IV. - Maatschappijen voor onderlinge borgstelling.
CHAPITRE IV. - Sociétés de cautionnement mutuel.
Art. 57. Bij een in Ministerraad overlegd besluit, kan de Koning de controle organiseren op de vennootschappen die zijn opgericht onder de vorm van coöperatieve vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid, bedoeld in artikel 59, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wet van 24 december 1996 tot organisatie van de openbare kredietsector en van het bezit van de deelnemingen van de openbare sector in bepaalde privaatrechtelijke financiële vennootschappen, die borg staan, overeenkomstig de bepalingen van [1 artikelen 9.1.10 tot 9.1.33]1 van het Burgerlijk Wetboek, voor een coöperatief lid, teneinde voor deze laatste de toegang tot het krediet te vergemakkelijken.
Modifications
Art. 57. Par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, le Roi peut organiser le contrôle des sociétés constituées sous forme de sociétés coopératives à responsabilité limitée, visées à l'article 59, premier alinéa, 2°, de la loi coordonnée du 24 décembre 1996 portant organisation du secteur public du crédit et de la détention de participations du secteur public dans certaines sociétés financières de droit privé, qui se portent caution d'un coopérateur conformément aux [1 articles 9.1.10 à 9.1.33]1 du Code Civil, en vue de faciliter l'accès de celui-ci au crédit.
Modifications
TITEL VI. - Inwerkingtreding.
TITRE VI. - Entrée en vigueur.
Art. 58. De Koning bepaalt de datum van de inwerkingtreding van de bepalingen van deze wet. Artikel 26 van deze wet heeft uitwerking vanaf de publicatie van de wet in het Belgisch Staatsbladen houdt op van kracht te zijn zes maanden na deze datum.
(NOTA : Inwerkingtreding van artikelen 23, 24, 25 en 12 § 2 vastgesteld op 30-05-1998 door KB 1998-05-26/33, art.16)
(NOTA : Inwerkingtreding van artikelen 1 tot 18 vastgesteld op 19-11-1998 met uitzondering van artikel 4 § 1 dat in werking treedt op 01-01-1999 door KB 1998-10-21/30, art. 34)
(NOTA : Inwerkingtreding van artikel 26 § 1, eerste lid vastgesteld op 01-01-1999 door KB 1998-10-21/30, art. 34)
(NOTA : Inwerkingtreding van artikel 27 vastgesteld op 29-07-1998 door 1998-07-08/31, art. 1)
(NOTA : Inwerkingtreding van artikelen 45 tot 53 vastgesteld op 19-11-1998 met uitzondering van artikel 47 dat in werking treedt op 01-05-1999 en van artikel 48, 1° dat in werking treedt op 5555-55-55 door KB 1998-10-12/36, art. 8)
(NOTA : Inwerkingtreding van artikel 30 vastgesteld op 01-01-1997 door KB 1998-09-28/38, art. 3)
(NOTA : Inwerkingtreding van artikel 31 vastgesteld op 01-01-1998 door KB 1998-09-28/38, art. 4)
(NOTA : Inwerkingtreding van artikelen 40 tot 43 vastgesteld op 08-01-1999 door KB 1998-12-23/31, art. 22)
(NOTA : Inwerkingtreding van artikel 28 vastgesteld op 01-01-1999 door KB 1998-12-01/45, art. 2)
(NOTA : Inwerkingtreding van artikelen 35 en 36 vastgesteld op 20-06-1999 door Kb 1999-05-28/31, art. 1)
(NOTA : Inwerkingtreding van artikelen 19 tot 22 vastgesteld op 01-01-1999 door KB 1998-08-10/38, art. 17)
(NOTA : Inwerkingtreding van artikel 57 vastgesteld op 06-08-1999 door KB 1999-04-30/64, art. 71)
(NOTA : Inwerkingtreding van artikelen 55 en 56 vastgesteld op 11-10-2000 door KB 2000-09-17/46, art. 9)
(NOTA : Inwerkingtreding van artikelen 23, 24, 25 en 12 § 2 vastgesteld op 30-05-1998 door KB 1998-05-26/33, art.16)
(NOTA : Inwerkingtreding van artikelen 1 tot 18 vastgesteld op 19-11-1998 met uitzondering van artikel 4 § 1 dat in werking treedt op 01-01-1999 door KB 1998-10-21/30, art. 34)
(NOTA : Inwerkingtreding van artikel 26 § 1, eerste lid vastgesteld op 01-01-1999 door KB 1998-10-21/30, art. 34)
(NOTA : Inwerkingtreding van artikel 27 vastgesteld op 29-07-1998 door 1998-07-08/31, art. 1)
(NOTA : Inwerkingtreding van artikelen 45 tot 53 vastgesteld op 19-11-1998 met uitzondering van artikel 47 dat in werking treedt op 01-05-1999 en van artikel 48, 1° dat in werking treedt op 5555-55-55 door KB 1998-10-12/36, art. 8)
(NOTA : Inwerkingtreding van artikel 30 vastgesteld op 01-01-1997 door KB 1998-09-28/38, art. 3)
(NOTA : Inwerkingtreding van artikel 31 vastgesteld op 01-01-1998 door KB 1998-09-28/38, art. 4)
(NOTA : Inwerkingtreding van artikelen 40 tot 43 vastgesteld op 08-01-1999 door KB 1998-12-23/31, art. 22)
(NOTA : Inwerkingtreding van artikel 28 vastgesteld op 01-01-1999 door KB 1998-12-01/45, art. 2)
(NOTA : Inwerkingtreding van artikelen 35 en 36 vastgesteld op 20-06-1999 door Kb 1999-05-28/31, art. 1)
(NOTA : Inwerkingtreding van artikelen 19 tot 22 vastgesteld op 01-01-1999 door KB 1998-08-10/38, art. 17)
(NOTA : Inwerkingtreding van artikel 57 vastgesteld op 06-08-1999 door KB 1999-04-30/64, art. 71)
(NOTA : Inwerkingtreding van artikelen 55 en 56 vastgesteld op 11-10-2000 door KB 2000-09-17/46, art. 9)
Art. 58. Le Roi détermine la date d'entrée en vigueur des dispositions de la présente loi. L'article 26 de la présente loi entre en vigueur dès la publication de la loi au Moniteur belge et cesse d'être d'application six mois après cette date.
(NOTE : Entrée en vigueur des articles 23, 24, 25 et 12 § 2 fixée le 30-05-1998 par AR 1998-05-26/33, art. 16)
(NOTE : Entrée en vigueur des articles 1 à 18 fixée le 19-11-1998 excepté l'article 4 § 1 qui entre en vigueur le 01-09-1999 par AR 1998-10-21/30, art. 34)
(NOTE : Entrée en vigueur de l'article 26 § 1, alinéa 1 fixée le 01-09-1999 par AR 1998-10-21/30, art. 34)
(NOTE : Entrée en vigueur de l'article 27 fixée le 29-07-1998 par AR 1998-07-08/31, art. 1)
(NOTE : Entrée en vigueur des articles 45 à 53 fixée le 19-11-1998 excepté l'article 47 qui entre en vigueur le 01-05-1999 et l'article 48, 1° qui entre en vigueur le 5555-55-55 par AR 1998-10-12/36, art. 8)
(NOTE : Entrée en vigueur de l'article 30 fixée le 01-01-1997 par AR 1998-09-28/38, art. 3)
(NOTE : Entrée en vigueur de l'article 31 fixée le 01-01-1998 par AR 1998-09-28/38, art. 4)
(NOTE : Entrée en vigueur des articles 40 à 43 fixée le 08-01-1999 par AR 1998-12-23/31, art. 22)
(NOTE : Entrée en vigueur de l'article 28 fixée le 01-01-1999 par AR 1998-12-01/45, art. 2)
(NOTE : Entrée en vigueur des articles 35 et 36 fixée le 20-06-1999 par AR 1999-05-28/31, art. 1)
(NOTE : Entrée en vigueur des articles 19 à 22 fixée le 01-01-1999 par AR 1998-08-10/38, art. 17)
(NOTE : Entrée en vigueur de l'article 57 fixée le 06-08-1999 par AR 1999-04-30/64, art. 71)
((NOTE : Entrée en vigueur des articles 55 et 56 fixée le 11-10-2000 par AR 2000-09-17/46, art. 9)
(NOTE : Entrée en vigueur des articles 23, 24, 25 et 12 § 2 fixée le 30-05-1998 par AR 1998-05-26/33, art. 16)
(NOTE : Entrée en vigueur des articles 1 à 18 fixée le 19-11-1998 excepté l'article 4 § 1 qui entre en vigueur le 01-09-1999 par AR 1998-10-21/30, art. 34)
(NOTE : Entrée en vigueur de l'article 26 § 1, alinéa 1 fixée le 01-09-1999 par AR 1998-10-21/30, art. 34)
(NOTE : Entrée en vigueur de l'article 27 fixée le 29-07-1998 par AR 1998-07-08/31, art. 1)
(NOTE : Entrée en vigueur des articles 45 à 53 fixée le 19-11-1998 excepté l'article 47 qui entre en vigueur le 01-05-1999 et l'article 48, 1° qui entre en vigueur le 5555-55-55 par AR 1998-10-12/36, art. 8)
(NOTE : Entrée en vigueur de l'article 30 fixée le 01-01-1997 par AR 1998-09-28/38, art. 3)
(NOTE : Entrée en vigueur de l'article 31 fixée le 01-01-1998 par AR 1998-09-28/38, art. 4)
(NOTE : Entrée en vigueur des articles 40 à 43 fixée le 08-01-1999 par AR 1998-12-23/31, art. 22)
(NOTE : Entrée en vigueur de l'article 28 fixée le 01-01-1999 par AR 1998-12-01/45, art. 2)
(NOTE : Entrée en vigueur des articles 35 et 36 fixée le 20-06-1999 par AR 1999-05-28/31, art. 1)
(NOTE : Entrée en vigueur des articles 19 à 22 fixée le 01-01-1999 par AR 1998-08-10/38, art. 17)
(NOTE : Entrée en vigueur de l'article 57 fixée le 06-08-1999 par AR 1999-04-30/64, art. 71)
((NOTE : Entrée en vigueur des articles 55 et 56 fixée le 11-10-2000 par AR 2000-09-17/46, art. 9)