Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
30 NOVEMBER 1998. - Wet houdende regeling van de [inlichtingen- en veiligheidsdiensten].<W2017-03-30/11, art. 2, 012; Inwerkingtreding : 08-05-2017> (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 18-12-1998 en tekstbijwerking tot 16-02-2026)
Titre
30 NOVEMBRE 1998. - Loi organique des services de renseignement et de sécurité (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 18-12-1998 et mise à jour au 16-02-2026)
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
HOOFDSTUK II. - Organisatie en opdrachten.
Afdeling 1. - De Veiligheid van de Staat.
Afdeling 2. - [1 Algemene Dienst Inlichting en ...
HOOFDSTUK III. [1 - De uitoefening van de inlic...
Afdeling 1. [1 - Algemene bepalingen.]1
Onderafdeling 1.
Afdeling 2. [1 - De beschermings- en ondersteun...
Onderafdeling 1. [1 Het plegen van strafbare fe...
Onderafdeling 2. [1 Valse naam, valse hoedanigh...
Onderafdeling 3. [1 De oprichting en inzet van ...
Onderafdeling 4. [1 ]1Onderafdeling 3.
Afdeling 3. [1 - De samenloop met een opsporing...
Afdeling 3/1. [1 - Vorderingen tot bewaring.]1
Afdeling 4. [1 - De methoden voor het verzamele...
Onderafdeling 1.]2 - [1 Gewone methoden voor he...
Onderafdeling 2.]2[1 - Specifieke methoden en u...
A. [1 Algemene bepalingen]1
B. [1 Specifieke methoden voor het verzamelen v...
C. [1 Uitzonderlijke methoden voor het verzamel...
Onderafdeling 3. [1 - Gemeenschappelijke bepali...
Afdeling 5.]1 - De mededeling van de gegevens.
Afdeling 6.]1 - De samenwerking tussen de diens...
[1Afdeling 7.]1 - De bewaring en de vernietigin...
HOOFDSTUK III/1. [1 - De bescherming van het pe...
Afdeling 1. [1 - Algemene bepaling.]1
Afdeling 2. [1 - De uitoefening van de opdracht...
Afdeling 3. [1 - De burgerlijke aansprakelijkhe...
HOOFDSTUK IV. - De geheimhouding.
Hoofdstuk IV/1. [1 Het toezicht op de specifiek...
Hoofdstuk IV/2. [1 De controle a posteriori van...
HOOFDSTUK V. [1 - Bijzondere bepalingen betreff...
HOOFDSTUK VI. [1 - Wijzigings- en slotbepalinge...
Table des matières
CHAPITRE I. - Dispositions générales.
CHAPITRE II. - L'organisation et les missions.
Section 1. - De la Sûreté de l'Etat.
Section 2. [1 - Du Service Général du Renseigne...
CHAPITRE III. [1 - L'exercice des missions de r...
Section 1. [1 - Dispositions générales.]1
Sous-section 1.
Section 2. [1 - Mesures de protection et d'appu...
Sous-section 1. [1 Commission d'infractions ]1
Sous-section 2. [1 Faux nom, fausse qualité, id...
Sous-section 3. [1 La création et l'utilisation...
Sous-section 4. [1 Le concours de tiers ]1
Section 3. [1 - Concours avec une information o...
Section 3/1. [1 - Réquisitions de conservation.]1
Section 4. [1 - Des méthodes de recueil de donn...
Sous-section 1.]2 [1 - Des méthodes ordinaires ...
Sous-section 2.]2[1 Des méthodes spécifiques et...
A. [1 Dispositions générales]1
B. [1 Des méthodes spécifiques de recueil des d...
C. [1 Des méthodes exceptionnelles de recueil d...
Sous-section 3. [1 - Disposition commune à cert...
Section 5.]1 - De la communication des données.
Section 6.]1 - De la coopération entre les serv...
[1Section 7.]1 - De la conservation et de la de...
CHAPITRE III/1. [1 - De la protection du person...
Section 1re. [1 - Disposition générale.]1
Section 2. [1 De l'exercice de la fonction de p...
Section 3. [1 - De la responsabilité civile et ...
CHAPITRE IV. - Le secret.
Chapitre IV/1. [1 Le contrôle des méthodes spéc...
Chapitre IV/2. [1 - Du contrôle a posteriori de...
CHAPITRE V. [1 - Dispositions particulières à l...
CHAPITRE VI. [1 - Dispositions modificatives et...
Tekst (133)
Texte (133)
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
CHAPITRE I. - Dispositions générales.
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Article 1. La présente loi règle une matière visée à l'article 78 de la Constitution.
Art. 2. [1 § 1.]1 Deze wet is van toepassing op de Veiligheid van de Staat, burgerlijke inlichtingen- en veiligheidsdienst, en op de [4 Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid]4 van de Krijgsmacht, militaire inlichtingen- en veiligheidsdienst, die de twee inlichtingen- en veiligheidsdiensten van het Koninkrijk zijn.
Bij het vervullen van hun opdrachten zorgen die diensten voor de naleving van, en dragen bij tot de bescherming van de individuele rechten en vrijheden alsook tot de democratische ontwikkeling van de maatschappij.
[1 [6 De methoden voor het verzamelen van gegevens door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten bedoeld in deze wet]6 kunnen niet worden gebruikt met het doel de individuele rechten en vrijheden te verminderen of te belemmeren.
Ieder gebruik van een specifieke of uitzonderlijke methode voor het verzamelen van gegevens impliceert het naleven van de principes van subsidiariteit en proportionaliteit.]1 [6 Bij de evaluatie van het subsidiariteitsprincipe wordt rekening gehouden met de risico's die de uitvoering van de inlichtingenopdracht inhoudt voor de veiligheid van de agenten en van derden.]6
[1 § 2. Het is de inlichtingen- en veiligheidsdiensten verboden gegevens die worden beschermd door ofwel het beroepsgeheim van een advocaat of een arts, ofwel door het bronnengeheim van een journalist te verkrijgen, te analyseren of te exploiteren.
Bij uitzondering en ingeval de betrokken dienst vooraf over ernstige aanwijzingen beschikt dat de advocaat, de arts of de journalist persoonlijk en actief meewerkt of heeft meegewerkt aan het ontstaan of aan de ontwikkeling van de potentiële [3 dreiging]3, zoals bedoeld in de artikelen 7, 1° [5 ...]5 en 11, [6 of aan de activiteiten van buitenlandse inlichtingendiensten op Belgisch grondgebied]6 kunnen deze beschermde gegevens [6 ...]6 verkregen, geanalyseerd of geëxploiteerd worden;]1
[2 § 3. [6 Onverminderd de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen, de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur en de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, en op verzoek van iedere persoon met een persoonlijk en wettig belang die onder de Belgische rechtsmacht valt, informeert het diensthoofd deze persoon schriftelijk dat hij het voorwerp heeft uitgemaakt van een methode bedoeld in de artikelen 18/12, 18/14 of 18/17, op voorwaarde dat:
1° een periode van meer dan tien jaar is verstreken sinds het beëindigen van de methode;
2° door de kennisgeving geen schade kan worden toegebracht aan een inlichtingenonderzoek;
3° geen afbreuk wordt gedaan aan de verplichtingen bedoeld in de artikelen 13, derde lid en 13/4, tweede lid;
4° door de kennisgeving geen schade kan worden toegebracht aan de betrekkingen die België met vreemde Staten en internationale of supranationale instellingen onderhoudt.
In de hypothese dat het verzoek onontvankelijk is of dat de betrokken persoon niet het voorwerp geweest is van een methode bedoeld in de artikelen 18/12, 18/14 of 18/17 of indien de voorwaarden voor de kennisgeving niet vervuld zijn, informeert het diensthoofd de persoon dat er geen gevolg kan gegeven worden aan zijn verzoek in toepassing van deze paragraaf.
In de hypothese dat het verzoek ontvankelijk is, dat de betrokken persoon het voorwerp geweest is van een methode bedoeld in de artikelen 18/12, 18/14 of 18/17 en dat de voorwaarden voor de kennisgeving vervuld zijn, geeft het diensthoofd aan welke methode werd ingezet en op welke wettelijke basis.
Het diensthoofd van de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst informeert het Vast Comité I over elk verzoek om informatie en over het geleverde antwoord, en verstrekt eveneens een beknopte motivatie. De toepassing van deze bepaling maakt het voorwerp uit van het verslag van het Vast Comité I aan de Kamer van volksvertegenwoordigers bedoeld in artikel 35, § 2, van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten en op het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse.
De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, na advies van de Nationale Veiligheidsraad, de nadere regels waaraan het verzoek moet voldoen.]6]2
Bij het vervullen van hun opdrachten zorgen die diensten voor de naleving van, en dragen bij tot de bescherming van de individuele rechten en vrijheden alsook tot de democratische ontwikkeling van de maatschappij.
[1 [6 De methoden voor het verzamelen van gegevens door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten bedoeld in deze wet]6 kunnen niet worden gebruikt met het doel de individuele rechten en vrijheden te verminderen of te belemmeren.
Ieder gebruik van een specifieke of uitzonderlijke methode voor het verzamelen van gegevens impliceert het naleven van de principes van subsidiariteit en proportionaliteit.]1 [6 Bij de evaluatie van het subsidiariteitsprincipe wordt rekening gehouden met de risico's die de uitvoering van de inlichtingenopdracht inhoudt voor de veiligheid van de agenten en van derden.]6
[1 § 2. Het is de inlichtingen- en veiligheidsdiensten verboden gegevens die worden beschermd door ofwel het beroepsgeheim van een advocaat of een arts, ofwel door het bronnengeheim van een journalist te verkrijgen, te analyseren of te exploiteren.
Bij uitzondering en ingeval de betrokken dienst vooraf over ernstige aanwijzingen beschikt dat de advocaat, de arts of de journalist persoonlijk en actief meewerkt of heeft meegewerkt aan het ontstaan of aan de ontwikkeling van de potentiële [3 dreiging]3, zoals bedoeld in de artikelen 7, 1° [5 ...]5 en 11, [6 of aan de activiteiten van buitenlandse inlichtingendiensten op Belgisch grondgebied]6 kunnen deze beschermde gegevens [6 ...]6 verkregen, geanalyseerd of geëxploiteerd worden;]1
[2 § 3. [6 Onverminderd de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen, de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur en de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, en op verzoek van iedere persoon met een persoonlijk en wettig belang die onder de Belgische rechtsmacht valt, informeert het diensthoofd deze persoon schriftelijk dat hij het voorwerp heeft uitgemaakt van een methode bedoeld in de artikelen 18/12, 18/14 of 18/17, op voorwaarde dat:
1° een periode van meer dan tien jaar is verstreken sinds het beëindigen van de methode;
2° door de kennisgeving geen schade kan worden toegebracht aan een inlichtingenonderzoek;
3° geen afbreuk wordt gedaan aan de verplichtingen bedoeld in de artikelen 13, derde lid en 13/4, tweede lid;
4° door de kennisgeving geen schade kan worden toegebracht aan de betrekkingen die België met vreemde Staten en internationale of supranationale instellingen onderhoudt.
In de hypothese dat het verzoek onontvankelijk is of dat de betrokken persoon niet het voorwerp geweest is van een methode bedoeld in de artikelen 18/12, 18/14 of 18/17 of indien de voorwaarden voor de kennisgeving niet vervuld zijn, informeert het diensthoofd de persoon dat er geen gevolg kan gegeven worden aan zijn verzoek in toepassing van deze paragraaf.
In de hypothese dat het verzoek ontvankelijk is, dat de betrokken persoon het voorwerp geweest is van een methode bedoeld in de artikelen 18/12, 18/14 of 18/17 en dat de voorwaarden voor de kennisgeving vervuld zijn, geeft het diensthoofd aan welke methode werd ingezet en op welke wettelijke basis.
Het diensthoofd van de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst informeert het Vast Comité I over elk verzoek om informatie en over het geleverde antwoord, en verstrekt eveneens een beknopte motivatie. De toepassing van deze bepaling maakt het voorwerp uit van het verslag van het Vast Comité I aan de Kamer van volksvertegenwoordigers bedoeld in artikel 35, § 2, van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten en op het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse.
De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, na advies van de Nationale Veiligheidsraad, de nadere regels waaraan het verzoek moet voldoen.]6]2
Art. 2. [1 § 1.]1 La présente loi s'applique à la Sûreté de l'Etat, Service civil de Renseignement et de Sécurité, et au [3 Service Général du Renseignement et de la Sécurité]3, Service militaire de Renseignement et de Sécurité, qui sont les deux services de renseignement et de sécurité du Royaume.
Dans l'exercice de leurs missions, ces services veillent au respect et contribuent à la protection des droits et libertés individuels, ainsi qu'au développement démocratique de la société.
[1 Les méthodes de recueil des données des services de renseignement et de sécurité visées à la présente loi ne peuvent être utilisées dans le but de réduire ou d'entraver les droits et libertés individuels.
Toute mise en oeuvre d'une méthode spécifique ou exceptionnelle de recueil des données implique le respect des principes de subsidiarité et de proportionnalité.]1 [5 Lors de l'évaluation du principe de subsidiarité, il est tenu compte des risques que comporte l'exécution de la mission de renseignement pour la sécurité des agents et des tiers.]5
[1 § 2. Il est interdit aux services de renseignement et de sécurité d'obtenir, d'analyser ou d'exploiter des données protégées par le secret professionnel d'un avocat ou d'un médecin ou par le secret des sources d'un journaliste.
A titre exceptionnel et lorsque le service en question dispose au préalable d'indices sérieux révélant que l'avocat, le médecin ou le journaliste participe ou a participé personnellement et activement à la naissance ou au développement de la menace potentielle, au sens des articles 7, 1° [4 ...]4 et 11, [5 ou aux activités des services de renseignement étrangers sur le territoire belge]5 il est permis d'obtenir, d'analyser ou d'exploiter ces données protégées.]1
[2 § 3. [5 Sans préjudice de la loi du 11 décembre 1998 relative à la classification et aux habilitations, attestations et avis de sécurité, de la loi du 11 avril 1994 relative à la publicité de l'administration et de la loi du 8 décembre 1992 relative à la protection de la vie privée à l'égard des traitements de données à caractère personnel et à la requête de toute personne ayant un intérêt personnel et légitime qui relève de la juridiction belge, le dirigeant du service informe par écrit cette personne qu'elle a fait l'objet d'une méthode visée aux articles 18/12, 18/14 ou 18/17, à condition que:
1° une période de plus de dix ans se soit écoulée depuis la fin de la méthode;
2° la notification ne puisse nuire à une enquête de renseignement;
3° aucun manquement aux obligations visées aux articles 13, alinéa 3 et 13/4, alinéa 2 ne soit commis;
4° la notification ne puisse porter atteinte aux relations que la Belgique entretient avec des Etats étrangers et des institutions internationales ou supranationales.
Dans l'hypothèse où la requête est irrecevable ou que la personne concernée n'a pas fait l'objet d'une méthode visée aux articles 18/12, 18/14 ou 18/17 ou lorsque les conditions pour la notification ne sont pas remplies, le dirigeant du service informe la personne qu'il n'y a pas lieu de donner suite à sa requête en application du présent paragraphe.
Dans l'hypothèse où la requête est recevable, que la personne a fait l'objet d'une méthode visée aux articles 18/12, 18/14 ou 18/17 et que les conditions pour la notification sont remplies, le dirigeant du service lui indique la méthode mise en oeuvre et sa base légale.
Le dirigeant du service de renseignement et de sécurité concerné informe le Comité permanent R de chaque requête d'information et de la réponse fournie, et transmet une motivation succincte. L'application de cette disposition fait l'objet du rapport du Comité permanent R à la Chambre des représentants visé à l'article 35, § 2, de la loi du 18 juillet 1991 organique du contrôle des services de police et de renseignement et de l'Organe de coordination pour l'analyse de la menace.
Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, après avis du Conseil national de sécurité, les modalités auxquelles la requête doit satisfaire.]5]2
Dans l'exercice de leurs missions, ces services veillent au respect et contribuent à la protection des droits et libertés individuels, ainsi qu'au développement démocratique de la société.
[1 Les méthodes de recueil des données des services de renseignement et de sécurité visées à la présente loi ne peuvent être utilisées dans le but de réduire ou d'entraver les droits et libertés individuels.
Toute mise en oeuvre d'une méthode spécifique ou exceptionnelle de recueil des données implique le respect des principes de subsidiarité et de proportionnalité.]1 [5 Lors de l'évaluation du principe de subsidiarité, il est tenu compte des risques que comporte l'exécution de la mission de renseignement pour la sécurité des agents et des tiers.]5
[1 § 2. Il est interdit aux services de renseignement et de sécurité d'obtenir, d'analyser ou d'exploiter des données protégées par le secret professionnel d'un avocat ou d'un médecin ou par le secret des sources d'un journaliste.
A titre exceptionnel et lorsque le service en question dispose au préalable d'indices sérieux révélant que l'avocat, le médecin ou le journaliste participe ou a participé personnellement et activement à la naissance ou au développement de la menace potentielle, au sens des articles 7, 1° [4 ...]4 et 11, [5 ou aux activités des services de renseignement étrangers sur le territoire belge]5 il est permis d'obtenir, d'analyser ou d'exploiter ces données protégées.]1
[2 § 3. [5 Sans préjudice de la loi du 11 décembre 1998 relative à la classification et aux habilitations, attestations et avis de sécurité, de la loi du 11 avril 1994 relative à la publicité de l'administration et de la loi du 8 décembre 1992 relative à la protection de la vie privée à l'égard des traitements de données à caractère personnel et à la requête de toute personne ayant un intérêt personnel et légitime qui relève de la juridiction belge, le dirigeant du service informe par écrit cette personne qu'elle a fait l'objet d'une méthode visée aux articles 18/12, 18/14 ou 18/17, à condition que:
1° une période de plus de dix ans se soit écoulée depuis la fin de la méthode;
2° la notification ne puisse nuire à une enquête de renseignement;
3° aucun manquement aux obligations visées aux articles 13, alinéa 3 et 13/4, alinéa 2 ne soit commis;
4° la notification ne puisse porter atteinte aux relations que la Belgique entretient avec des Etats étrangers et des institutions internationales ou supranationales.
Dans l'hypothèse où la requête est irrecevable ou que la personne concernée n'a pas fait l'objet d'une méthode visée aux articles 18/12, 18/14 ou 18/17 ou lorsque les conditions pour la notification ne sont pas remplies, le dirigeant du service informe la personne qu'il n'y a pas lieu de donner suite à sa requête en application du présent paragraphe.
Dans l'hypothèse où la requête est recevable, que la personne a fait l'objet d'une méthode visée aux articles 18/12, 18/14 ou 18/17 et que les conditions pour la notification sont remplies, le dirigeant du service lui indique la méthode mise en oeuvre et sa base légale.
Le dirigeant du service de renseignement et de sécurité concerné informe le Comité permanent R de chaque requête d'information et de la réponse fournie, et transmet une motivation succincte. L'application de cette disposition fait l'objet du rapport du Comité permanent R à la Chambre des représentants visé à l'article 35, § 2, de la loi du 18 juillet 1991 organique du contrôle des services de police et de renseignement et de l'Organe de coordination pour l'analyse de la menace.
Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, après avis du Conseil national de sécurité, les modalités auxquelles la requête doit satisfaire.]5]2
(NOTA : bij arrest nr. 145/2011 van 22-09-2011, (B.St. 12-12-2011, p. 72500-72559), heeft het Grondwettelijk Hof art. 2, § 3 vernietigd).
(NOTA : bij arrest nr. 41/2019 van 14-03-2019, (B.St. 08-05-2019, p. 44070), heeft het Grondwettelijk Hof art. 2, § 3 vernietigd).
(NOTA : bij arrest nr. 41/2019 van 14-03-2019, (B.St. 08-05-2019, p. 44070), heeft het Grondwettelijk Hof art. 2, § 3 vernietigd).
Modifications
(NOTE : par son arrêt n° 145/2011 du 22-09-2011, (M.B. 12-12-2011, p. 72500-72559), la Cour constitutionnelle a annulé l'art. 2, § 3).
(NOTE : par son arrêt n° 41/2019 du 14-03-2019, (M.B. 08-05-2019, p. 44070), la Cour constitutionnelle a annulé l'art. 2, § 3).
(NOTE : par son arrêt n° 41/2019 du 14-03-2019, (M.B. 08-05-2019, p. 44070), la Cour constitutionnelle a annulé l'art. 2, § 3).
Modifications
Art. 3. In deze wet wordt verstaan onder :
1° [5 "Nationale Veiligheidsraad": de binnen de Regering opgerichte Raad die belast is met de door de Koning vastgestelde taken van nationale veiligheid;]5
2° "agent" : ieder lid van het statutair of contractueel personeel en iedere militair die zijn functie uitoefent binnen één van de in artikel 2 genoemde inlichtingen- en veiligheidsdiensten;
3° [5 "lid van het interventieteam":
a) voor de Veiligheid van de Staat, de agent bedoeld in de artikelen 22 tot 35 die belast is met de bescherming van het personeel, de infrastructuur en de goederen van de Veiligheid van de Staat;
b) voor de Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid, de agent bedoeld in de artikelen 22 tot 35 die belast is met de bescherming van het personeel, de infrastructuur en de goederen van de Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid;]5
4° "[4 Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid]4" : de [4 Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid]4 van de Krijgsmacht.
[1 5° " de Minister " : de Minister van Justitie voor wat de Veiligheid van de Staat betreft, en de Minister van Landsverdediging voor wat de algemene Dienst Inlichting en Veiligheid van de Krijgsmacht betreft;
6° [6 de Commissie]6 : de bestuurlijke commissie belast met het toezicht op de specifieke en uitzonderlijke methoden voor het verzamelen van gegevens door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, die wordt opgericht bij artikel 43/1;
7° " het Vast Comité I " : het Vast Comité van Toezicht op de inlichtingendiensten, zoals bedoeld in de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op de politie- en inlichtingendiensten en op het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse;
8° " het diensthoofd " : enerzijds, de administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat of, bij verhindering, de dienstdoende administrateur-generaal, en anderzijds, het hoofd van de algemene Dienst inlichting en veiligheid van de Krijgsmacht of, bij verhindering, het dienstdoende hoofd;
[6 8° /1 "zijn gedelegeerde": de agent, andere dan de dossierbeheerder, aangesteld door middel van een schriftelijke beslissing van het diensthoofd die overgemaakt werd aan het Vast Comité I, om gewoonlijk bepaalde beslissingen in de plaats van het diensthoofd te nemen;]6
9° [6 " de methodenofficier "]6 :
a) voor de Veiligheid van de Staat, [8 de door het diensthoofd hiertoe aangestelde agent die het niveau A heeft]8;
b) voor de [4 Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid]4 van de Krijgsmacht, de aan deze dienst toegewezen officier, alsook [8 de door het diensthoofd hiertoe aangestelde burgerambtenaar die het niveau A heeft]8;
10° " communicatie " : elke overbrenging, uitzending, of ontvangst van tekens, seinen, geschriften, beelden, klanken of gegevens van alle aard, per draad, radio-elektriciteit, optische seingeving of een ander elektromagnetisch systeem; de communicatie per telefoon, gsm, mobilofoon, telex, telefax of elektronische gegevensoverdracht via computer of computernetwerk, evenals iedere andere privécommunicatie [7 , ongeacht de aard van de afzender of de ontvanger]7;
11° " elektronische communicatienetwerken " : de elektronische communicatienetwerken als bedoeld in artikel 2, 3°, van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie;
[5 11° /1 "verstrekker van een elektronische communicatiedienst": iedereen die binnen het Belgisch grondgebied, op welke wijze ook, een dienst beschikbaar stelt of aanbiedt, die bestaat in het overbrengen van signalen via elektronische communicatienetwerken, of er in bestaat gebruikers toe te laten via een elektronisch communicatienetwerk informatie te verkrijgen, te ontvangen of te verspreiden;]5
12° [5 "voor het publiek toegankelijke plaats": elke plaats, openbaar of privé, waartoe het publiek toegang kan hebben;]5
[5 12° /1 "niet voor het publiek toegankelijke plaats die niet aan het zicht onttrokken is": elke plaats waartoe het publiek geen toegang heeft en die voor iedereen zichtbaar is vanaf de openbare weg zonder hulpmiddel of kunstgreep, met uitzondering van de binnenkant van gebouwen die niet voor het publiek toegankelijk zijn;]5
13° " post " : de postzending zoals gedefinieerd in artikel 131, 6°, 7° en 11°, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven;
14° " technisch [5 middel]5 " : een configuratie van componenten die signalen detecteert, deze overbrengt, hun registratie activeert en de signalen registreert, [5 met uitzondering van:
a) een apparaat dat gebruikt wordt voor het nemen van foto's;
b) een mobiel apparaat dat gebruikt wordt voor de opname van bewegende beelden indien het nemen van foto's de discretie en de veiligheid van de agenten niet kan verzekeren en op voorwaarde dat dit gebruik voorafgaand is toegestaan door het diensthoofd of zijn gedelegeerde. Enkel relevant geachte vaste beelden worden bewaard. De overige beelden worden vernietigd binnen een maand na de dag van de opname;]5;
15° " radicaliseringsproces " : een proces waarbij een individu of een groep van individuen op dusdanige wijze wordt beïnvloed dat dit individu of deze groep van individuen mentaal gevormd wordt of bereid is tot het plegen van terroristische handelingen;
16° " journalist " : een journalist die gerechtigd is de titel van beroepsjournalist te dragen overeenkomstig de wet van 30 december 1963 betreffende de erkenning en de bescherming van de titel van beroepsjournalist;
17° " bronnengeheim " : het geheim zoals omschreven in de wet van 7 april 2005 tot bescherming van de journalistieke bronnen;
18° "[10 ...]10
[5 19° "vergrendeld voorwerp": een voorwerp dat geopend moet worden met behulp van een valse sleutel of via braak;
20° "observatie": het waarnemen van één of meerdere personen, hun aanwezigheid of gedrag, of van zaken, plaatsen of gebeurtenissen;
21° "doorzoeking": het betreden, bezichtigen en onderzoeken van een plaats alsook het bezichtigen en onderzoeken van een voorwerp.]5
[6 "valse naam": een naam die niet toebehoort aan de agent en die niet wordt aangetoond door middel van een identiteitskaart, een paspoort, een vreemdelingenkaart of een verblijfsdocument of door officiële documenten die hieruit voortvloeien;
23° "valse hoedanigheid": een hoedanigheid die niet toekomt aan de agent en waaruit geen rechtsgevolg voortvloeit;
24° "fictieve identiteit": een valse identiteit, die wordt aangetoond door middel van een identiteitskaart, een paspoort, een vreemdelingenkaart of een verblijfsdocument;
25° "fictieve hoedanigheid": een statuut, een titel of een functie die niet toebehoort aan de agent en waaruit rechtsgevolgen voortvloeien;
26° "menselijke bron": een persoon die een inlichting meedeelt aan de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en die geregistreerd is overeenkomstig de procedure bedoeld in de door de Nationale Veiligheidsraad goedgekeurde richtlijn betreffende het beroep op menselijke bronnen;
27° "infiltreren": de handeling waarbij een agent, buiten de gevallen bedoeld in artikel 18, zich doelbewust in een groep of in het leven van een persoon integreert om informatie of gegevens te verzamelen in het kader van een onderzoek van een inlichtingen- en veiligheidsdienst en in het belang van de uitoefening van zijn opdrachten, hetzij in de virtuele wereld, hetzij in de reële wereld. Deze agent verbergt zijn hoedanigheid van agent van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en, voor de agenten van de Algemene Dienst Inlichting- en Veiligheid, van lid van het ministerie van Defensie, en:
a) neemt deel aan de activiteiten of faciliteert deze of ondersteunt actief de overtuigingen of de activiteiten van de persoon of de groep die het voorwerp uitmaakt van het onderzoek, of
b) onderhoudt duurzame contacten met hen;]6
[9 28° "werkdag": alle dagen, behalve zaterdagen, zondagen en wettelijke feestdagen.]9
1° [5 "Nationale Veiligheidsraad": de binnen de Regering opgerichte Raad die belast is met de door de Koning vastgestelde taken van nationale veiligheid;]5
2° "agent" : ieder lid van het statutair of contractueel personeel en iedere militair die zijn functie uitoefent binnen één van de in artikel 2 genoemde inlichtingen- en veiligheidsdiensten;
3° [5 "lid van het interventieteam":
a) voor de Veiligheid van de Staat, de agent bedoeld in de artikelen 22 tot 35 die belast is met de bescherming van het personeel, de infrastructuur en de goederen van de Veiligheid van de Staat;
b) voor de Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid, de agent bedoeld in de artikelen 22 tot 35 die belast is met de bescherming van het personeel, de infrastructuur en de goederen van de Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid;]5
4° "[4 Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid]4" : de [4 Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid]4 van de Krijgsmacht.
[1 5° " de Minister " : de Minister van Justitie voor wat de Veiligheid van de Staat betreft, en de Minister van Landsverdediging voor wat de algemene Dienst Inlichting en Veiligheid van de Krijgsmacht betreft;
6° [6 de Commissie]6 : de bestuurlijke commissie belast met het toezicht op de specifieke en uitzonderlijke methoden voor het verzamelen van gegevens door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, die wordt opgericht bij artikel 43/1;
7° " het Vast Comité I " : het Vast Comité van Toezicht op de inlichtingendiensten, zoals bedoeld in de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op de politie- en inlichtingendiensten en op het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse;
8° " het diensthoofd " : enerzijds, de administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat of, bij verhindering, de dienstdoende administrateur-generaal, en anderzijds, het hoofd van de algemene Dienst inlichting en veiligheid van de Krijgsmacht of, bij verhindering, het dienstdoende hoofd;
[6 8° /1 "zijn gedelegeerde": de agent, andere dan de dossierbeheerder, aangesteld door middel van een schriftelijke beslissing van het diensthoofd die overgemaakt werd aan het Vast Comité I, om gewoonlijk bepaalde beslissingen in de plaats van het diensthoofd te nemen;]6
9° [6 " de methodenofficier "]6 :
a) voor de Veiligheid van de Staat, [8 de door het diensthoofd hiertoe aangestelde agent die het niveau A heeft]8;
b) voor de [4 Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid]4 van de Krijgsmacht, de aan deze dienst toegewezen officier, alsook [8 de door het diensthoofd hiertoe aangestelde burgerambtenaar die het niveau A heeft]8;
10° " communicatie " : elke overbrenging, uitzending, of ontvangst van tekens, seinen, geschriften, beelden, klanken of gegevens van alle aard, per draad, radio-elektriciteit, optische seingeving of een ander elektromagnetisch systeem; de communicatie per telefoon, gsm, mobilofoon, telex, telefax of elektronische gegevensoverdracht via computer of computernetwerk, evenals iedere andere privécommunicatie [7 , ongeacht de aard van de afzender of de ontvanger]7;
11° " elektronische communicatienetwerken " : de elektronische communicatienetwerken als bedoeld in artikel 2, 3°, van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie;
[5 11° /1 "verstrekker van een elektronische communicatiedienst": iedereen die binnen het Belgisch grondgebied, op welke wijze ook, een dienst beschikbaar stelt of aanbiedt, die bestaat in het overbrengen van signalen via elektronische communicatienetwerken, of er in bestaat gebruikers toe te laten via een elektronisch communicatienetwerk informatie te verkrijgen, te ontvangen of te verspreiden;]5
12° [5 "voor het publiek toegankelijke plaats": elke plaats, openbaar of privé, waartoe het publiek toegang kan hebben;]5
[5 12° /1 "niet voor het publiek toegankelijke plaats die niet aan het zicht onttrokken is": elke plaats waartoe het publiek geen toegang heeft en die voor iedereen zichtbaar is vanaf de openbare weg zonder hulpmiddel of kunstgreep, met uitzondering van de binnenkant van gebouwen die niet voor het publiek toegankelijk zijn;]5
13° " post " : de postzending zoals gedefinieerd in artikel 131, 6°, 7° en 11°, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven;
14° " technisch [5 middel]5 " : een configuratie van componenten die signalen detecteert, deze overbrengt, hun registratie activeert en de signalen registreert, [5 met uitzondering van:
a) een apparaat dat gebruikt wordt voor het nemen van foto's;
b) een mobiel apparaat dat gebruikt wordt voor de opname van bewegende beelden indien het nemen van foto's de discretie en de veiligheid van de agenten niet kan verzekeren en op voorwaarde dat dit gebruik voorafgaand is toegestaan door het diensthoofd of zijn gedelegeerde. Enkel relevant geachte vaste beelden worden bewaard. De overige beelden worden vernietigd binnen een maand na de dag van de opname;]5;
15° " radicaliseringsproces " : een proces waarbij een individu of een groep van individuen op dusdanige wijze wordt beïnvloed dat dit individu of deze groep van individuen mentaal gevormd wordt of bereid is tot het plegen van terroristische handelingen;
16° " journalist " : een journalist die gerechtigd is de titel van beroepsjournalist te dragen overeenkomstig de wet van 30 december 1963 betreffende de erkenning en de bescherming van de titel van beroepsjournalist;
17° " bronnengeheim " : het geheim zoals omschreven in de wet van 7 april 2005 tot bescherming van de journalistieke bronnen;
18° "[10 ...]10
[5 19° "vergrendeld voorwerp": een voorwerp dat geopend moet worden met behulp van een valse sleutel of via braak;
20° "observatie": het waarnemen van één of meerdere personen, hun aanwezigheid of gedrag, of van zaken, plaatsen of gebeurtenissen;
21° "doorzoeking": het betreden, bezichtigen en onderzoeken van een plaats alsook het bezichtigen en onderzoeken van een voorwerp.]5
[6 "valse naam": een naam die niet toebehoort aan de agent en die niet wordt aangetoond door middel van een identiteitskaart, een paspoort, een vreemdelingenkaart of een verblijfsdocument of door officiële documenten die hieruit voortvloeien;
23° "valse hoedanigheid": een hoedanigheid die niet toekomt aan de agent en waaruit geen rechtsgevolg voortvloeit;
24° "fictieve identiteit": een valse identiteit, die wordt aangetoond door middel van een identiteitskaart, een paspoort, een vreemdelingenkaart of een verblijfsdocument;
25° "fictieve hoedanigheid": een statuut, een titel of een functie die niet toebehoort aan de agent en waaruit rechtsgevolgen voortvloeien;
26° "menselijke bron": een persoon die een inlichting meedeelt aan de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en die geregistreerd is overeenkomstig de procedure bedoeld in de door de Nationale Veiligheidsraad goedgekeurde richtlijn betreffende het beroep op menselijke bronnen;
27° "infiltreren": de handeling waarbij een agent, buiten de gevallen bedoeld in artikel 18, zich doelbewust in een groep of in het leven van een persoon integreert om informatie of gegevens te verzamelen in het kader van een onderzoek van een inlichtingen- en veiligheidsdienst en in het belang van de uitoefening van zijn opdrachten, hetzij in de virtuele wereld, hetzij in de reële wereld. Deze agent verbergt zijn hoedanigheid van agent van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en, voor de agenten van de Algemene Dienst Inlichting- en Veiligheid, van lid van het ministerie van Defensie, en:
a) neemt deel aan de activiteiten of faciliteert deze of ondersteunt actief de overtuigingen of de activiteiten van de persoon of de groep die het voorwerp uitmaakt van het onderzoek, of
b) onderhoudt duurzame contacten met hen;]6
[9 28° "werkdag": alle dagen, behalve zaterdagen, zondagen en wettelijke feestdagen.]9
Modifications
[10]<W 2026-02-08/04, art. 58, 024; Inwerkingtreding : 26-02-2026>
Art. 3. La présente loi entend par :
1° [5 "Conseil national de sécurité": le Conseil créé au sein du Gouvernement, qui est chargé des tâches de sécurité nationale déterminées par le Roi;]5
2° " agent " : tout membre du personnel statutaire ou contractuel et tout militaire exerçant ses fonctions au sein des services de renseignement et de sécurité visés à l'article 2;
3° [5 3° "membre de l'équipe d'intervention":
a) pour la Sûreté de l'Etat, l'agent visé aux articles 22 à 35 chargé de la protection du personnel, des infrastructures et des biens de la Sûreté de l'Etat;
b) pour le Service Général du Renseignement et de la Sécurité, l'agent visé aux articles 22 à 35 chargé de la protection du personnel, des infrastructures et des biens du Service Général du Renseignement et de la Sécurité;]5
4° " [4 Service Général du Renseignement et de la Sécurité]4 " : le [4 Service Général du Renseignement et de la Sécurité]4 [6 des Forces armées]6.
[1 5° " le Ministre " : le Ministre de la Justice en ce qui concerne la Sûreté de l'Etat, et le Ministre de la Défense en ce qui concerne le [4 Service Général du Renseignement et de la Sécurité]4;
6° " [6 la Commission]6 " : la commission administrative chargée de la surveillance des méthodes spécifiques et exceptionnelles de recueil de données des services de renseignement et de sécurité, créée par l'article 43/1;
7° " le Comité permanent R " : le Comité permanent de contrôle des services de renseignement visé dans la loi du 18 juillet 1991 organique du contrôle des services de police et de renseignements et de l'Organe de coordination pour l'analyse de la menace;
8° " le dirigeant du service " : d'une part, l'administrateur général de la Sûreté de l'Etat ou, en cas d'empêchement, l'administrateur général faisant fonction et, d'autre part, le chef du [4 Service Général du Renseignement et de la Sécurité]4 ou, en cas d'empêchement, le chef faisant fonction;
[6 8° /1 "son délégué": l'agent, autre que le gestionnaire du dossier, désigné par décision écrite du dirigeant du service transmise au Comité permanent R, pour prendre habituellement certaines décisions à la place du dirigeant du service;]6
9° [6 " l'officier des méthodes "]6 :
a) pour la Sûreté de l'Etat, [8 l'agent qui dispose du niveau A, désigné à cet effet par le dirigeant de service]8;
b) pour le [4 Service Général du Renseignement et de la Sécurité]4, l'officier affecté à ce service, ainsi que l'agent civil [8 qui dispose du grade de niveau A, désigné à cet effet par le dirigeant de service]8;
10° " communications " : toute transmission, émission ou réception de signes, de signaux, d'écrits, d'images, de sons ou de données de toute nature, par fil, radio-électricité, signalisation optique ou un autre système électromagnétique; les communications par téléphone, GSM, mobilophone, télex, télécopieur ou la transmission électronique de données par ordinateur ou réseau informatique, ainsi que toute autre communication privée [7 , quelle que soit la nature de l'émetteur ou du récepteur]7;
11° " réseaux de communications électroniques " : les réseaux de communications électroniques visés à l'article 2, 3°, de la loi du 13 juin 2005 relative aux communications électroniques;
[5 11° /1 "fournisseur d'un service de communications électroniques": quiconque qui, de quelque manière que ce soit, met à disposition ou offre, sur le territoire belge, un service qui consiste en la transmission de signaux via des réseaux de communications électroniques ou qui permet aux utilisateurs, via un réseau de communications électroniques, d'obtenir, de recevoir ou de diffuser des informations;]5
12° [5 "lieu accessible au public": tout lieu, public ou privé, auquel le public peut avoir accès;]5
[5 12° /1 "lieu non accessible au public non soustrait à la vue": tout lieu auquel le public n'a pas accès et qui est visible de tous à partir de la voie publique sans moyen ou artifice, à l'exception de l'intérieur des bâtiments non accessibles au public;]5
13° " courrier " : l'envoi postal tel qu'il est défini à l'article 131, 6°, 7° et 11°, de la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques;
14° " moyen technique " : une configuration de composants qui détecte des signaux, les transmet, active leur enregistrement et enregistre les signaux, [5 à l'exception d':
a) un appareil utilisé pour la prise de photographies;
b) un appareil mobile utilisé pour la prise d'images animées lorsque la prise de photographies ne permet pas de garantir la discrétion et la sécurité des agents et à la condition que cette utilisation ait été préalablement autorisée par le dirigeant du service ou son délégué. Seules les images fixes jugées pertinentes sont conservées. Les autres images sont détruites dans le mois qui suit le jour de l'enregistrement;]5
15° " processus de radicalisation " : un processus influençant un individu ou un groupe d'individus de telle sorte que cet individu ou ce groupe d'individus soit mentalement préparé ou disposé à commettre des actes terroristes;
16° " journaliste " : le journaliste admis à porter le titre de journaliste professionnel conformément à la loi du 30 décembre 1963 relative à la reconnaissance et à la protection du titre de journaliste professionnel;
17° " secret des sources " : le secret tel qu'il est défini dans la loi du 7 avril 2005 relative à la protection des sources journalistes;
18° [10 ...]10
[5 19° "objet verrouillé": un objet dont l'ouverture nécessite une fausse clé ou une effraction;
20° "observation": la surveillance d'une ou de plusieurs personnes, de leur présence ou de leur comportement, de choses, lieux ou événements;
21° "inspection": la pénétration, l'examen et la fouille d'un lieu ainsi que l'examen et la fouille d'un objet.]5
[6 22° "faux nom": un nom qui n'appartient pas à l'agent et qui n'est pas attesté par une carte d'identité, un passeport, une carte d'étranger ou un document de séjour ou par des documents officiels en découlant;
23° "fausse qualité": une qualité qui n'appartient pas à l'agent et dont il ne découle aucun effet juridique;
24° "identité fictive": une fausse identité attestée par une carte d'identité, un passeport, une carte d'étranger ou un document de séjour;
25° "qualité fictive": un statut, un titre ou une fonction n'appartenant pas à l'agent dont il découle des effets juridiques;
26° "source humaine": une personne qui donne une information aux services de renseignement et de sécurité et qui est enregistrée conformément à la procédure visée dans la directive portant sur le recours à des sources humaines approuvée par le Conseil national de sécurité;
27° "s'infiltrer": le fait pour un agent, en dehors des cas visés à l'article 18, de s'intégrer délibérément dans un groupe ou dans la vie d'une personne afin de recueillir des informations ou des données, dans le cadre d'une enquête d'un service de renseignement et de sécurité et dans l'intérêt de l'exercice de ses missions, soit dans le monde virtuel, soit dans le monde réel. Cet agent dissimule sa qualité d'agent des services de renseignement et de sécurité et, pour les agents du Service Général du Renseignement et de la Sécurité, de membre du ministère de la Défense, et:
a) participe ou facilite les activités ou soutient activement les convictions ou les activités de la personne ou du groupe qui fait l'objet de l'enquête, ou
b) entretient des relations durables avec ceux-ci;]6
[9 28° "jour ouvrable": tous les jours, sauf les samedis, dimanches et jours fériés.]9
1° [5 "Conseil national de sécurité": le Conseil créé au sein du Gouvernement, qui est chargé des tâches de sécurité nationale déterminées par le Roi;]5
2° " agent " : tout membre du personnel statutaire ou contractuel et tout militaire exerçant ses fonctions au sein des services de renseignement et de sécurité visés à l'article 2;
3° [5 3° "membre de l'équipe d'intervention":
a) pour la Sûreté de l'Etat, l'agent visé aux articles 22 à 35 chargé de la protection du personnel, des infrastructures et des biens de la Sûreté de l'Etat;
b) pour le Service Général du Renseignement et de la Sécurité, l'agent visé aux articles 22 à 35 chargé de la protection du personnel, des infrastructures et des biens du Service Général du Renseignement et de la Sécurité;]5
4° " [4 Service Général du Renseignement et de la Sécurité]4 " : le [4 Service Général du Renseignement et de la Sécurité]4 [6 des Forces armées]6.
[1 5° " le Ministre " : le Ministre de la Justice en ce qui concerne la Sûreté de l'Etat, et le Ministre de la Défense en ce qui concerne le [4 Service Général du Renseignement et de la Sécurité]4;
6° " [6 la Commission]6 " : la commission administrative chargée de la surveillance des méthodes spécifiques et exceptionnelles de recueil de données des services de renseignement et de sécurité, créée par l'article 43/1;
7° " le Comité permanent R " : le Comité permanent de contrôle des services de renseignement visé dans la loi du 18 juillet 1991 organique du contrôle des services de police et de renseignements et de l'Organe de coordination pour l'analyse de la menace;
8° " le dirigeant du service " : d'une part, l'administrateur général de la Sûreté de l'Etat ou, en cas d'empêchement, l'administrateur général faisant fonction et, d'autre part, le chef du [4 Service Général du Renseignement et de la Sécurité]4 ou, en cas d'empêchement, le chef faisant fonction;
[6 8° /1 "son délégué": l'agent, autre que le gestionnaire du dossier, désigné par décision écrite du dirigeant du service transmise au Comité permanent R, pour prendre habituellement certaines décisions à la place du dirigeant du service;]6
9° [6 " l'officier des méthodes "]6 :
a) pour la Sûreté de l'Etat, [8 l'agent qui dispose du niveau A, désigné à cet effet par le dirigeant de service]8;
b) pour le [4 Service Général du Renseignement et de la Sécurité]4, l'officier affecté à ce service, ainsi que l'agent civil [8 qui dispose du grade de niveau A, désigné à cet effet par le dirigeant de service]8;
10° " communications " : toute transmission, émission ou réception de signes, de signaux, d'écrits, d'images, de sons ou de données de toute nature, par fil, radio-électricité, signalisation optique ou un autre système électromagnétique; les communications par téléphone, GSM, mobilophone, télex, télécopieur ou la transmission électronique de données par ordinateur ou réseau informatique, ainsi que toute autre communication privée [7 , quelle que soit la nature de l'émetteur ou du récepteur]7;
11° " réseaux de communications électroniques " : les réseaux de communications électroniques visés à l'article 2, 3°, de la loi du 13 juin 2005 relative aux communications électroniques;
[5 11° /1 "fournisseur d'un service de communications électroniques": quiconque qui, de quelque manière que ce soit, met à disposition ou offre, sur le territoire belge, un service qui consiste en la transmission de signaux via des réseaux de communications électroniques ou qui permet aux utilisateurs, via un réseau de communications électroniques, d'obtenir, de recevoir ou de diffuser des informations;]5
12° [5 "lieu accessible au public": tout lieu, public ou privé, auquel le public peut avoir accès;]5
[5 12° /1 "lieu non accessible au public non soustrait à la vue": tout lieu auquel le public n'a pas accès et qui est visible de tous à partir de la voie publique sans moyen ou artifice, à l'exception de l'intérieur des bâtiments non accessibles au public;]5
13° " courrier " : l'envoi postal tel qu'il est défini à l'article 131, 6°, 7° et 11°, de la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques;
14° " moyen technique " : une configuration de composants qui détecte des signaux, les transmet, active leur enregistrement et enregistre les signaux, [5 à l'exception d':
a) un appareil utilisé pour la prise de photographies;
b) un appareil mobile utilisé pour la prise d'images animées lorsque la prise de photographies ne permet pas de garantir la discrétion et la sécurité des agents et à la condition que cette utilisation ait été préalablement autorisée par le dirigeant du service ou son délégué. Seules les images fixes jugées pertinentes sont conservées. Les autres images sont détruites dans le mois qui suit le jour de l'enregistrement;]5
15° " processus de radicalisation " : un processus influençant un individu ou un groupe d'individus de telle sorte que cet individu ou ce groupe d'individus soit mentalement préparé ou disposé à commettre des actes terroristes;
16° " journaliste " : le journaliste admis à porter le titre de journaliste professionnel conformément à la loi du 30 décembre 1963 relative à la reconnaissance et à la protection du titre de journaliste professionnel;
17° " secret des sources " : le secret tel qu'il est défini dans la loi du 7 avril 2005 relative à la protection des sources journalistes;
18° [10 ...]10
[5 19° "objet verrouillé": un objet dont l'ouverture nécessite une fausse clé ou une effraction;
20° "observation": la surveillance d'une ou de plusieurs personnes, de leur présence ou de leur comportement, de choses, lieux ou événements;
21° "inspection": la pénétration, l'examen et la fouille d'un lieu ainsi que l'examen et la fouille d'un objet.]5
[6 22° "faux nom": un nom qui n'appartient pas à l'agent et qui n'est pas attesté par une carte d'identité, un passeport, une carte d'étranger ou un document de séjour ou par des documents officiels en découlant;
23° "fausse qualité": une qualité qui n'appartient pas à l'agent et dont il ne découle aucun effet juridique;
24° "identité fictive": une fausse identité attestée par une carte d'identité, un passeport, une carte d'étranger ou un document de séjour;
25° "qualité fictive": un statut, un titre ou une fonction n'appartenant pas à l'agent dont il découle des effets juridiques;
26° "source humaine": une personne qui donne une information aux services de renseignement et de sécurité et qui est enregistrée conformément à la procédure visée dans la directive portant sur le recours à des sources humaines approuvée par le Conseil national de sécurité;
27° "s'infiltrer": le fait pour un agent, en dehors des cas visés à l'article 18, de s'intégrer délibérément dans un groupe ou dans la vie d'une personne afin de recueillir des informations ou des données, dans le cadre d'une enquête d'un service de renseignement et de sécurité et dans l'intérêt de l'exercice de ses missions, soit dans le monde virtuel, soit dans le monde réel. Cet agent dissimule sa qualité d'agent des services de renseignement et de sécurité et, pour les agents du Service Général du Renseignement et de la Sécurité, de membre du ministère de la Défense, et:
a) participe ou facilite les activités ou soutient activement les convictions ou les activités de la personne ou du groupe qui fait l'objet de l'enquête, ou
b) entretient des relations durables avec ceux-ci;]6
[9 28° "jour ouvrable": tous les jours, sauf les samedis, dimanches et jours fériés.]9
Modifications
[10]<L 2026-02-08/04, art. 58, 024; En vigueur : 26-02-2026>
HOOFDSTUK II. - Organisatie en opdrachten.
CHAPITRE II. - L'organisation et les missions.
Afdeling 1. - De Veiligheid van de Staat.
Section 1. - De la Sûreté de l'Etat.
Art. 4. De Veiligheid van de Staat vervult haar opdrachten door tussenkomst van de Minister van Justitie, overeenkomstig de richtlijnen van [1 de Nationale Veiligheidsraad]1.
Modifications
Art. 4. A l'intervention du Ministre de la Justice, la Sûreté de l'Etat accomplit ses missions conformément aux directives du [1 Conseil national de sécurité]1.
Modifications
Art. 5. § 1. Voor de uitvoering van haar opdrachten staat de Veiligheid van de Staat onder het gezag van de Minister van Justitie.
§ 2. De Minister van Binnenlandse Zaken kan echter de Veiligheid van de Staat vorderen in verband met de uitvoering van de opdrachten bepaald [1 bij artikel 7, 1°]1, wanneer ze betrekking hebben op de handhaving van de openbare orde en op de bescherming van personen.
In dat geval preciseert de Minister van Binnenlandse Zaken, zonder zich te mengen in de organisatie van de dienst, het voorwerp van de vordering en kan hij aanbevelingen doen en precieze aanwijzingen geven omtrent de in het werk te stellen middelen en aan te wenden geldmiddelen.
Wanneer het niet mogelijk is gevolg te geven aan deze aanbevelingen en aanwijzingen omdat hun uitvoering de uitvoering van andere opdrachten in het gedrang zou brengen, wordt de Minister van Binnenlandse Zaken hierover zo spoedig mogelijk ingelicht. Die ontheft de Veiligheid van de Staat niet van de verplichting om de vorderingen uit te voeren.
§ 3. De Minister van Justitie wordt belast met de organisatie en het algemeen bestuur van de Veiligheid van de Staat, inzonderheid op het vlak van de uitgaven, het beheer en de opleiding van het personeel, de inwendige orde en de tucht, de wedden en de vergoedingen, alsook de uitrusting.
§ 2. De Minister van Binnenlandse Zaken kan echter de Veiligheid van de Staat vorderen in verband met de uitvoering van de opdrachten bepaald [1 bij artikel 7, 1°]1, wanneer ze betrekking hebben op de handhaving van de openbare orde en op de bescherming van personen.
In dat geval preciseert de Minister van Binnenlandse Zaken, zonder zich te mengen in de organisatie van de dienst, het voorwerp van de vordering en kan hij aanbevelingen doen en precieze aanwijzingen geven omtrent de in het werk te stellen middelen en aan te wenden geldmiddelen.
Wanneer het niet mogelijk is gevolg te geven aan deze aanbevelingen en aanwijzingen omdat hun uitvoering de uitvoering van andere opdrachten in het gedrang zou brengen, wordt de Minister van Binnenlandse Zaken hierover zo spoedig mogelijk ingelicht. Die ontheft de Veiligheid van de Staat niet van de verplichting om de vorderingen uit te voeren.
§ 3. De Minister van Justitie wordt belast met de organisatie en het algemeen bestuur van de Veiligheid van de Staat, inzonderheid op het vlak van de uitgaven, het beheer en de opleiding van het personeel, de inwendige orde en de tucht, de wedden en de vergoedingen, alsook de uitrusting.
Art. 5. § 1er. Pour l'exécution de ses missions, la Sûreté de l'Etat est placée sous l'autorité du Ministre de la Justice.
§ 2. Toutefois, le Ministre de l'Intérieur peut requérir la Sûreté de l'Etat pour ce qui concerne l'exécution des missions prévues [1 à l'article 7, 1°]1, lorsqu'elles ont trait au maintien de l'ordre public et à la protection des personnes.
Dans ce cas, le Ministre de l'Intérieur, sans s'immiscer dans l'organisation du service, précise l'objet de la réquisition et peut faire des recommandations et donner des indications précises sur les moyens à mettre en oeuvre et les ressources à utiliser.
Lorsqu'il est impossible de se conformer à ces recommandations et indications parce que leur exécution porterait atteinte à l'exécution d'autres missions, le Ministre de l'Intérieur en est informé dans les meilleurs délais. Cela ne dispense pas la Sûreté de l'Etat de l'obligation d'exécuter les réquisitions.
§ 3. Le Ministre de la Justice est chargé de l'organisation et de l'administration générale de la Sûreté de l'Etat, en particulier en ce qui concerne les dépenses, l'administration du personnel et la formation, l'ordre intérieur et la discipline, les traitements et indemnités, ainsi que l'équipement.
§ 2. Toutefois, le Ministre de l'Intérieur peut requérir la Sûreté de l'Etat pour ce qui concerne l'exécution des missions prévues [1 à l'article 7, 1°]1, lorsqu'elles ont trait au maintien de l'ordre public et à la protection des personnes.
Dans ce cas, le Ministre de l'Intérieur, sans s'immiscer dans l'organisation du service, précise l'objet de la réquisition et peut faire des recommandations et donner des indications précises sur les moyens à mettre en oeuvre et les ressources à utiliser.
Lorsqu'il est impossible de se conformer à ces recommandations et indications parce que leur exécution porterait atteinte à l'exécution d'autres missions, le Ministre de l'Intérieur en est informé dans les meilleurs délais. Cela ne dispense pas la Sûreté de l'Etat de l'obligation d'exécuter les réquisitions.
§ 3. Le Ministre de la Justice est chargé de l'organisation et de l'administration générale de la Sûreté de l'Etat, en particulier en ce qui concerne les dépenses, l'administration du personnel et la formation, l'ordre intérieur et la discipline, les traitements et indemnités, ainsi que l'équipement.
Art. 6. § 1. De Minister van Binnenlandse Zaken wordt, overeenkomstig de §§ 2, 3 en 4, betrokken bij de organisatie en het bestuur van de Veiligheid van de Staat, wanneer die organisatie en dat bestuur een rechtstreekse invloed hebben op de uitvoering van de opdrachten inzake de handhaving van de openbare orde en de bescherming van personen.
Meent de Minister van Justitie geen gevolg te kunnen geven aan een verzoek van de Minister van Binnenlandse Zaken, dan licht hij hem in over de redenen hiervan.
§ 2. De medeondertekening door de Minister van Binnenlandse Zaken is vereist voor :
1° elk wetsontwerp betreffende de Veiligheid van de Staat;
2° elk ontwerp van reglementair besluit betreffende de algemene organisatie van de Veiligheid van de Staat.
§ 3. Het eensluidend advies van de Minister van Binnenlandse Zaken is vereist voor :
1° [1 ...]1
2° elk ontwerp van koninklijk besluit betreffende de benoeming en de aanwijzing van de ambtenaren-generaal van de Veiligheid van de Staat;
3° [1 ...]1
4° [1 ...]1
5° [1 ...]1
6° [1 ...]1
7° elk ontwerp van reglementair besluit betreffende de specifieke bevoegdheden van de ambtenaar die de leiding heeft van de Veiligheid van de Staat.
De Minister van Binnenlandse Zaken verstrekt zijn advies binnen de termijn bepaald door de Minister van Justitie. Deze termijn mag niet minder dan twintig werkdagen bedragen. In geval van gemotiveerde dringende noodzakelijkheid, kan deze termijn tot vijf werkdagen teruggebracht worden. Wanneer deze termijnen verstreken zijn, wordt het advies geacht eensluidend te zijn. Het niet-eensluidend advies wordt met redenen omkleed.
§ 4. De Koning bepaalt de aangelegenheden betreffende de organisatie en het bestuur van de Veiligheid van de Staat, andere dan die bedoeld in de §§ 2 en 3, en die een rechtstreekse invloed hebben op de uitvoering van de opdrachten inzake de handhaving van de openbare orde en de bescherming van personen, en waarvoor de Minister van Justitie de Minister van Binnenlandse Zaken om advies verzoekt of inlicht, alsook de nadere regels in dit verband.
Meent de Minister van Justitie geen gevolg te kunnen geven aan een verzoek van de Minister van Binnenlandse Zaken, dan licht hij hem in over de redenen hiervan.
§ 2. De medeondertekening door de Minister van Binnenlandse Zaken is vereist voor :
1° elk wetsontwerp betreffende de Veiligheid van de Staat;
2° elk ontwerp van reglementair besluit betreffende de algemene organisatie van de Veiligheid van de Staat.
§ 3. Het eensluidend advies van de Minister van Binnenlandse Zaken is vereist voor :
1° [1 ...]1
2° elk ontwerp van koninklijk besluit betreffende de benoeming en de aanwijzing van de ambtenaren-generaal van de Veiligheid van de Staat;
3° [1 ...]1
4° [1 ...]1
5° [1 ...]1
6° [1 ...]1
7° elk ontwerp van reglementair besluit betreffende de specifieke bevoegdheden van de ambtenaar die de leiding heeft van de Veiligheid van de Staat.
De Minister van Binnenlandse Zaken verstrekt zijn advies binnen de termijn bepaald door de Minister van Justitie. Deze termijn mag niet minder dan twintig werkdagen bedragen. In geval van gemotiveerde dringende noodzakelijkheid, kan deze termijn tot vijf werkdagen teruggebracht worden. Wanneer deze termijnen verstreken zijn, wordt het advies geacht eensluidend te zijn. Het niet-eensluidend advies wordt met redenen omkleed.
§ 4. De Koning bepaalt de aangelegenheden betreffende de organisatie en het bestuur van de Veiligheid van de Staat, andere dan die bedoeld in de §§ 2 en 3, en die een rechtstreekse invloed hebben op de uitvoering van de opdrachten inzake de handhaving van de openbare orde en de bescherming van personen, en waarvoor de Minister van Justitie de Minister van Binnenlandse Zaken om advies verzoekt of inlicht, alsook de nadere regels in dit verband.
Art. 6. § 1er. Le Ministre de l'Intérieur est associé à l'organisation et à l'administration de la Sûreté de l'Etat, conformément aux §§ 2, 3 et 4, lorsque celles-ci ont une influence directe sur l'exécution des missions de maintien de l'ordre public et de protection des personnes.
Si le Ministre de la Justice estime ne pas pouvoir donner suite à une demande du Ministre de l'Intérieur, il informe ce dernier de ses raisons.
§ 2. La signature conjointe du Ministre de l'Intérieur est requise pour :
1° tout projet de loi relatif à la Sûreté de l'Etat;
2° tout projet d'arrêté réglementaire relatif à l'organisation générale de la Sûreté de l'Etat.
§ 3. L'avis conforme du Ministre de l'Intérieur est requis pour :
1° [1 ...]1
2° tout projet d'arrêté royal relatif à la nomination et à l'affectation des fonctionnaires généraux de la Sûreté de l'Etat;
3° [1 ...]1
4° [1 ...]1
5° [1 ...]1
6° [1 ...]1
7° tout projet d'arrêté réglementaire relatif aux attributions spécifiques du fonctionnaire qui dirige la Sûreté de l'Etat.
Le Ministre de l'Intérieur donne son avis dans le délai fixé par le Ministre de la Justice, ce délai ne pouvant être inférieur à vingt jours ouvrables. En cas d'urgence motivée, ce délai peut être ramené à cinq jours ouvrables. Passé ces délais, l'avis est réputé conforme. L'avis non conforme est motivé.
§ 4. Le Roi détermine les matières relatives à l'organisation et à l'administration de la Sûreté de l'Etat, autres que celles visées aux §§ 2 et 3, et qui ont une influence directe sur l'exécution des missions de maintien de l'ordre public et de protection des personnes, pour lesquelles le Ministre de la Justice demande un avis au Ministre de l'Intérieur ou l'informe, ainsi que les modalités s'y rapportant.
Si le Ministre de la Justice estime ne pas pouvoir donner suite à une demande du Ministre de l'Intérieur, il informe ce dernier de ses raisons.
§ 2. La signature conjointe du Ministre de l'Intérieur est requise pour :
1° tout projet de loi relatif à la Sûreté de l'Etat;
2° tout projet d'arrêté réglementaire relatif à l'organisation générale de la Sûreté de l'Etat.
§ 3. L'avis conforme du Ministre de l'Intérieur est requis pour :
1° [1 ...]1
2° tout projet d'arrêté royal relatif à la nomination et à l'affectation des fonctionnaires généraux de la Sûreté de l'Etat;
3° [1 ...]1
4° [1 ...]1
5° [1 ...]1
6° [1 ...]1
7° tout projet d'arrêté réglementaire relatif aux attributions spécifiques du fonctionnaire qui dirige la Sûreté de l'Etat.
Le Ministre de l'Intérieur donne son avis dans le délai fixé par le Ministre de la Justice, ce délai ne pouvant être inférieur à vingt jours ouvrables. En cas d'urgence motivée, ce délai peut être ramené à cinq jours ouvrables. Passé ces délais, l'avis est réputé conforme. L'avis non conforme est motivé.
§ 4. Le Roi détermine les matières relatives à l'organisation et à l'administration de la Sûreté de l'Etat, autres que celles visées aux §§ 2 et 3, et qui ont une influence directe sur l'exécution des missions de maintien de l'ordre public et de protection des personnes, pour lesquelles le Ministre de la Justice demande un avis au Ministre de l'Intérieur ou l'informe, ainsi que les modalités s'y rapportant.
Art. 7. De Veiligheid van de Staat [4 , belast met de nationale veiligheid,]4 heeft als opdracht :
1° het inwinnen, analyseren en verwerken van inlichtingen die betrekking hebben op elke activiteit die de inwendige veiligheid van de Staat en het voortbestaan van de democratische en grondwettelijke orde, de uitwendige veiligheid van de Staat en de internationale betrekkingen, het wetenschappelijk of economisch potentieel, zoals gedefinieerd door [1 de Nationale Veiligheidsraad]1, of elk ander fundamenteel belang van het land, zoals gedefinieerd door de Koning op voorstel van [1 de Nationale Veiligheidsraad]1, bedreigt of zou kunnen bedreigen;
2° het uitvoeren van de veiligheidsonderzoeken die haar overeenkomstig de richtlijnen van [1 de Nationale Veiligheidsraad]1 worden toevertrouwd;
3° [3 ...]3
[2 3° /1 het inwinnen, analyseren en verwerken van inlichtingen die betrekking hebben op de activiteiten van buitenlandse inlichtingendiensten op Belgisch grondgebied;]2
4° het uitvoeren van alle andere opdrachten die haar door of krachtens de wet worden toevertrouwd.
1° het inwinnen, analyseren en verwerken van inlichtingen die betrekking hebben op elke activiteit die de inwendige veiligheid van de Staat en het voortbestaan van de democratische en grondwettelijke orde, de uitwendige veiligheid van de Staat en de internationale betrekkingen, het wetenschappelijk of economisch potentieel, zoals gedefinieerd door [1 de Nationale Veiligheidsraad]1, of elk ander fundamenteel belang van het land, zoals gedefinieerd door de Koning op voorstel van [1 de Nationale Veiligheidsraad]1, bedreigt of zou kunnen bedreigen;
2° het uitvoeren van de veiligheidsonderzoeken die haar overeenkomstig de richtlijnen van [1 de Nationale Veiligheidsraad]1 worden toevertrouwd;
3° [3 ...]3
[2 3° /1 het inwinnen, analyseren en verwerken van inlichtingen die betrekking hebben op de activiteiten van buitenlandse inlichtingendiensten op Belgisch grondgebied;]2
4° het uitvoeren van alle andere opdrachten die haar door of krachtens de wet worden toevertrouwd.
Modifications
Art. 7. La Sûreté de l'Etat [4 , chargée de la sécurité nationale,]4 a pour mission :
1° de rechercher, d'analyser et de traiter le renseignement relatif à toute activité qui menace ou pourrait menacer la sûreté intérieure de l'Etat et la pérennité de l'ordre démocratique et constitutionnel, la sûreté extérieure de l'Etat et les relations internationales, le potentiel scientifique ou économique défini par le [1 Conseil national de sécurité]1, ou tout autre intérêt fondamental du pays défini par le Roi sur proposition du [1 Conseil national de sécurité]1;
2° d'effectuer les enquêtes de sécurité qui lui sont confiées conformément aux directives du [1 Conseil national de sécurité]1;
3° [3 ...]3
[2 3° /1 de rechercher, d'analyser et de traiter le renseignement relatif aux activités des services de renseignement étrangers sur le territoire belge;]2
4° d'exécuter toutes autres missions qui lui sont confiées par ou en vertu de la loi.
1° de rechercher, d'analyser et de traiter le renseignement relatif à toute activité qui menace ou pourrait menacer la sûreté intérieure de l'Etat et la pérennité de l'ordre démocratique et constitutionnel, la sûreté extérieure de l'Etat et les relations internationales, le potentiel scientifique ou économique défini par le [1 Conseil national de sécurité]1, ou tout autre intérêt fondamental du pays défini par le Roi sur proposition du [1 Conseil national de sécurité]1;
2° d'effectuer les enquêtes de sécurité qui lui sont confiées conformément aux directives du [1 Conseil national de sécurité]1;
3° [3 ...]3
[2 3° /1 de rechercher, d'analyser et de traiter le renseignement relatif aux activités des services de renseignement étrangers sur le territoire belge;]2
4° d'exécuter toutes autres missions qui lui sont confiées par ou en vertu de la loi.
Modifications
Art. 8. Voor de toepassing van artikel 7 wordt verstaan onder :
1° "activiteit die bedreigt of zou kunnen bedreigen" : elke individuele of collectieve activiteit ontplooid in het land of vanuit het buitenland die verband kan houden met spionage, inmenging, terrorisme, extremisme, proliferatie, schadelijke sektarische organisaties, criminele organisaties, daarbij inbegrepen de verspreiding van propaganda, de aanmoediging of de rechtstreekse of onrechtstreekse steun, onder meer door het verstrekken van financiële, technische of logistieke middelen, het verstrekken van [4 informatie]4 over mogelijke doelwitten, de ontwikkeling van structuren en van actiecapaciteit en de verwezenlijking van de nagestreefde doeleinden.
Voor de toepassing van het vorige lid wordt verstaan onder :
a) spionage : het opzoeken of het verstrekken van [4 niet voor het publiek toegankelijke informatie]4 en het onderhouden van geheime verstandhoudingen die deze handelingen kunnen voorbereiden of vergemakkelijken;
b) terrorisme : het gebruik van geweld tegen personen of materiële belangen om ideologische of politieke redenen met het doel zijn doelstellingen door middel van terreur, intimidatie of [3 dreigingen]3 te bereiken [4 . Hieronder wordt ook het radicaliseringproces begrepen]4;
c) extremisme : racistische, xenofobe, anarchistische, nationalistische, autoritaire of totalitaire opvattingen of bedoelingen, ongeacht of ze van politieke, ideologische, confessionele of filosofische aard zijn, die theoretisch of in de praktijk strijdig zijn met de beginselen van de democratie of de mensenrechten, met de goede werking van de democratische instellingen of andere grondslagen van de rechtsstaat [4 . Hieronder wordt ook het radicaliseringproces begrepen]4;
d) proliferatie : de handel of de transacties betreffende materialen, producten, goederen. of know-how die kunnen bijdragen tot de productie of de ontwikkeling van non-conventionele of zeer geavanceerde wapensystemen. In dit verband worden onder meer bedoeld de ontwikkeling van nucleaire, chemische en biologische wapenprogramma's, de daaraan verbonden transmissiesystemen, alsook de personen, structuren of landen die daarbij betrokken zijn;
e) schadelijke sektarische organisatie : elke groep met filosofische of religieuze inslag of die voorwendt dat te zijn en die qua organisatie of in haar praktijk schadelijke onwettige activiteiten uitoefent, individuen of de maatschappij nadeel berokkent of de menselijke waardigheid schendt;
f) criminele organisatie : iedere gestructureerde vereniging van meer dan twee personen die duurt in de tijd, met als oogmerk het in onderling overleg plegen van misdaden en wanbedrijven, om direct of indirect vermogensvoordelen te verkrijgen, waarbij gebruik gemaakt wordt van intimidatie, [2 dreiging]2, geweld, listige kunstgrepen of corruptie, of waarbij commerciële of andere structuren worden aangewend om het plegen van misdrijven te verbergen of te vergemakkelijken. In dit kader worden bedoeld de vormen en structuren van de criminele organisaties die wezenlijk betrekking hebben op de activiteiten bedoeld in artikel 8, 1°, a) tot e) en g), of die destabiliserende gevolgen kunnen hebben op het politieke of sociaal-economische vlak;
g) inmenging : de poging om met ongeoorloofde, bedrieglijke of clandestiene middelen beslissingsprocessen te beïnvloeden;
2° "de inwendige veiligheid van de Staat en het voortbestaan van de democratische en grondwettelijke orde" :
a) de veiligheid van de instellingen van de Staat en het vrijwaren van de continuïteit van de regelmatige werking van de rechtsstaat, de democratische instellingen, de elementaire beginselen die eigen zijn aan iedere rechtsstaat, alsook de mensenrechten en de fundamentele vrijheden;
b) de veiligheid en de fysieke en morele vrijwaring van personen en de veiligheid en de vrijwaring van goederen;
3° "de uitwendige veiligheid van de Staat en de internationale betrekkingen" : het vrijwaren van de onschendbaarheid van het nationaal grondgebied, van de soevereiniteit en de onafhankelijkheid van de Staat, van de belangen van de landen waarmee België gemeenschappelijke doeleinden nastreeft, alsook van de internationale en andere betrekkingen die België met vreemde Staten en internationale of supranationale instellingen onderhoudt;
4° "het wetenschappelijk of economisch potentieel" : de vrijwaring van de essentiële elementen van het wetenschappelijk of economisch potentieel;
5° [1 ...]1
1° "activiteit die bedreigt of zou kunnen bedreigen" : elke individuele of collectieve activiteit ontplooid in het land of vanuit het buitenland die verband kan houden met spionage, inmenging, terrorisme, extremisme, proliferatie, schadelijke sektarische organisaties, criminele organisaties, daarbij inbegrepen de verspreiding van propaganda, de aanmoediging of de rechtstreekse of onrechtstreekse steun, onder meer door het verstrekken van financiële, technische of logistieke middelen, het verstrekken van [4 informatie]4 over mogelijke doelwitten, de ontwikkeling van structuren en van actiecapaciteit en de verwezenlijking van de nagestreefde doeleinden.
Voor de toepassing van het vorige lid wordt verstaan onder :
a) spionage : het opzoeken of het verstrekken van [4 niet voor het publiek toegankelijke informatie]4 en het onderhouden van geheime verstandhoudingen die deze handelingen kunnen voorbereiden of vergemakkelijken;
b) terrorisme : het gebruik van geweld tegen personen of materiële belangen om ideologische of politieke redenen met het doel zijn doelstellingen door middel van terreur, intimidatie of [3 dreigingen]3 te bereiken [4 . Hieronder wordt ook het radicaliseringproces begrepen]4;
c) extremisme : racistische, xenofobe, anarchistische, nationalistische, autoritaire of totalitaire opvattingen of bedoelingen, ongeacht of ze van politieke, ideologische, confessionele of filosofische aard zijn, die theoretisch of in de praktijk strijdig zijn met de beginselen van de democratie of de mensenrechten, met de goede werking van de democratische instellingen of andere grondslagen van de rechtsstaat [4 . Hieronder wordt ook het radicaliseringproces begrepen]4;
d) proliferatie : de handel of de transacties betreffende materialen, producten, goederen. of know-how die kunnen bijdragen tot de productie of de ontwikkeling van non-conventionele of zeer geavanceerde wapensystemen. In dit verband worden onder meer bedoeld de ontwikkeling van nucleaire, chemische en biologische wapenprogramma's, de daaraan verbonden transmissiesystemen, alsook de personen, structuren of landen die daarbij betrokken zijn;
e) schadelijke sektarische organisatie : elke groep met filosofische of religieuze inslag of die voorwendt dat te zijn en die qua organisatie of in haar praktijk schadelijke onwettige activiteiten uitoefent, individuen of de maatschappij nadeel berokkent of de menselijke waardigheid schendt;
f) criminele organisatie : iedere gestructureerde vereniging van meer dan twee personen die duurt in de tijd, met als oogmerk het in onderling overleg plegen van misdaden en wanbedrijven, om direct of indirect vermogensvoordelen te verkrijgen, waarbij gebruik gemaakt wordt van intimidatie, [2 dreiging]2, geweld, listige kunstgrepen of corruptie, of waarbij commerciële of andere structuren worden aangewend om het plegen van misdrijven te verbergen of te vergemakkelijken. In dit kader worden bedoeld de vormen en structuren van de criminele organisaties die wezenlijk betrekking hebben op de activiteiten bedoeld in artikel 8, 1°, a) tot e) en g), of die destabiliserende gevolgen kunnen hebben op het politieke of sociaal-economische vlak;
g) inmenging : de poging om met ongeoorloofde, bedrieglijke of clandestiene middelen beslissingsprocessen te beïnvloeden;
2° "de inwendige veiligheid van de Staat en het voortbestaan van de democratische en grondwettelijke orde" :
a) de veiligheid van de instellingen van de Staat en het vrijwaren van de continuïteit van de regelmatige werking van de rechtsstaat, de democratische instellingen, de elementaire beginselen die eigen zijn aan iedere rechtsstaat, alsook de mensenrechten en de fundamentele vrijheden;
b) de veiligheid en de fysieke en morele vrijwaring van personen en de veiligheid en de vrijwaring van goederen;
3° "de uitwendige veiligheid van de Staat en de internationale betrekkingen" : het vrijwaren van de onschendbaarheid van het nationaal grondgebied, van de soevereiniteit en de onafhankelijkheid van de Staat, van de belangen van de landen waarmee België gemeenschappelijke doeleinden nastreeft, alsook van de internationale en andere betrekkingen die België met vreemde Staten en internationale of supranationale instellingen onderhoudt;
4° "het wetenschappelijk of economisch potentieel" : de vrijwaring van de essentiële elementen van het wetenschappelijk of economisch potentieel;
5° [1 ...]1
Modifications
Art. 8. Pour l'application de l'article 7, on entend par :
1° " activité qui menace ou pourrait menacer " : toute activité, individuelle ou collective, déployée à l'intérieur du pays ou à partir de l'étranger, qui peut avoir un rapport avec l'espionnage, l'ingérence, le terrorisme, l'extrémisme, la prolifération, les organisations sectaires nuisibles, les organisations criminelles; en ce compris la diffusion de propagande, l'encouragement ou le soutien direct ou indirect, notamment par la fourniture de moyens financiers, techniques ou logistiques, la livraison d'informations sur des objectifs potentiels, le développement des structures et du potentiel d'action et la réalisation des buts poursuivis.
Pour l'application de l'alinéa précédent, on entend par :
a) espionnage : le recueil ou la livraison d'informations non accessibles au public, et le fait d'entretenir des intelligences de nature à les préparer ou à les faciliter;
b) terrorisme : le recours à la violence à l'encontre de personnes ou d'intérêts matériels, pour des motifs idéologiques ou politiques, dans le but d'atteindre ses objectifs par la terreur, l'intimidation ou les menaces [2 en ce compris le processus de radicalisation]2;
c) extrémisme : les conceptions ou les visées racistes, xénophobes, anarchistes, nationalistes, autoritaires ou totalitaires, qu'elles soient à caractère politique, idéologique, confessionnel ou philosophique, contraires, en théorie ou en pratique, aux principes de la démocratie ou des droits de l'homme, au bon fonctionnement des institutions démocratiques ou aux autres fondements de l'Etat de droit [2 en ce compris le processus de radicalisation]2;
d) prolifération : le trafic ou les transactions relatifs aux matériaux, produits, biens ou know-how pouvant contribuer à la production ou au développement de systèmes d'armement non conventionnels ou très avancés. Sont notamment visés dans ce cadre le développement de programmes d'armement nucléaire, chimique et biologique, les systèmes de transmission qui s'y rapportent, ainsi que les personnes, structures ou pays qui y sont impliqués;
e) organisation sectaire nuisible : tout groupement à vocation philosophique ou religieuse, ou se prétendant tel, qui, dans son organisation ou sa pratique, se livre à des activités illégales dommageables, nuit aux individus ou à la société ou porte atteinte à la dignité humaine;
f) organisation criminelle : toute association structurée de plus de deux personnes, établie dans le temps, en vue de commettre de façon concertée des crimes et délits, pour obtenir, directement ou indirectement, des avantages patrimoniaux, en utilisant l'intimidation, la menace, la violence, des manoeuvres frauduleuses ou la corruption ou en recourant à des structures commerciales ou autres pour dissimuler ou faciliter la réalisation des infractions. Sont visées dans ce cadre les formes et structures des organisations criminelles qui se rapportent intrinsèquement aux activités visées à l'article 8, 1°, a) à e) et g), ou qui peuvent avoir des conséquences déstabilisantes sur le plan politique ou socio-économique;
g) ingérence : la tentative d'influencer des processus décisionnels par des moyens illicites, trompeurs ou clandestins;
2° " la sûreté intérieure de l'Etat et la pérennité de l'ordre démocratique et constitutionnel " :
a) la sécurité des institutions de l'Etat et la sauvegarde de la continuité du fonctionnement régulier de l'Etat de droit, des institutions démocratiques, des principes élémentaires propres à tout Etat de droit, ainsi que des droits de l'homme et des libertés fondamentales;
b) la sécurité et la sauvegarde physique et morale des personnes et la sécurité et la sauvegarde des biens;
3° " la sûreté extérieure de l'Etat et les relations internationales " : la sauvegarde de l'intégrité du territoire national, de la souveraineté et de l'indépendance de l'Etat, des intérêts des pays avec lesquels la Belgique poursuit des objectifs communs, ainsi que des relations internationales et autres que la Belgique entretient avec des Etats étrangers et des institutions internationales ou supranationales;
4° " le potentiel scientifique ou économique " : la sauvegarde des éléments essentiels du potentiel scientifique ou économique;
5° [1 ...]1
1° " activité qui menace ou pourrait menacer " : toute activité, individuelle ou collective, déployée à l'intérieur du pays ou à partir de l'étranger, qui peut avoir un rapport avec l'espionnage, l'ingérence, le terrorisme, l'extrémisme, la prolifération, les organisations sectaires nuisibles, les organisations criminelles; en ce compris la diffusion de propagande, l'encouragement ou le soutien direct ou indirect, notamment par la fourniture de moyens financiers, techniques ou logistiques, la livraison d'informations sur des objectifs potentiels, le développement des structures et du potentiel d'action et la réalisation des buts poursuivis.
Pour l'application de l'alinéa précédent, on entend par :
a) espionnage : le recueil ou la livraison d'informations non accessibles au public, et le fait d'entretenir des intelligences de nature à les préparer ou à les faciliter;
b) terrorisme : le recours à la violence à l'encontre de personnes ou d'intérêts matériels, pour des motifs idéologiques ou politiques, dans le but d'atteindre ses objectifs par la terreur, l'intimidation ou les menaces [2 en ce compris le processus de radicalisation]2;
c) extrémisme : les conceptions ou les visées racistes, xénophobes, anarchistes, nationalistes, autoritaires ou totalitaires, qu'elles soient à caractère politique, idéologique, confessionnel ou philosophique, contraires, en théorie ou en pratique, aux principes de la démocratie ou des droits de l'homme, au bon fonctionnement des institutions démocratiques ou aux autres fondements de l'Etat de droit [2 en ce compris le processus de radicalisation]2;
d) prolifération : le trafic ou les transactions relatifs aux matériaux, produits, biens ou know-how pouvant contribuer à la production ou au développement de systèmes d'armement non conventionnels ou très avancés. Sont notamment visés dans ce cadre le développement de programmes d'armement nucléaire, chimique et biologique, les systèmes de transmission qui s'y rapportent, ainsi que les personnes, structures ou pays qui y sont impliqués;
e) organisation sectaire nuisible : tout groupement à vocation philosophique ou religieuse, ou se prétendant tel, qui, dans son organisation ou sa pratique, se livre à des activités illégales dommageables, nuit aux individus ou à la société ou porte atteinte à la dignité humaine;
f) organisation criminelle : toute association structurée de plus de deux personnes, établie dans le temps, en vue de commettre de façon concertée des crimes et délits, pour obtenir, directement ou indirectement, des avantages patrimoniaux, en utilisant l'intimidation, la menace, la violence, des manoeuvres frauduleuses ou la corruption ou en recourant à des structures commerciales ou autres pour dissimuler ou faciliter la réalisation des infractions. Sont visées dans ce cadre les formes et structures des organisations criminelles qui se rapportent intrinsèquement aux activités visées à l'article 8, 1°, a) à e) et g), ou qui peuvent avoir des conséquences déstabilisantes sur le plan politique ou socio-économique;
g) ingérence : la tentative d'influencer des processus décisionnels par des moyens illicites, trompeurs ou clandestins;
2° " la sûreté intérieure de l'Etat et la pérennité de l'ordre démocratique et constitutionnel " :
a) la sécurité des institutions de l'Etat et la sauvegarde de la continuité du fonctionnement régulier de l'Etat de droit, des institutions démocratiques, des principes élémentaires propres à tout Etat de droit, ainsi que des droits de l'homme et des libertés fondamentales;
b) la sécurité et la sauvegarde physique et morale des personnes et la sécurité et la sauvegarde des biens;
3° " la sûreté extérieure de l'Etat et les relations internationales " : la sauvegarde de l'intégrité du territoire national, de la souveraineté et de l'indépendance de l'Etat, des intérêts des pays avec lesquels la Belgique poursuit des objectifs communs, ainsi que des relations internationales et autres que la Belgique entretient avec des Etats étrangers et des institutions internationales ou supranationales;
4° " le potentiel scientifique ou économique " : la sauvegarde des éléments essentiels du potentiel scientifique ou économique;
5° [1 ...]1
Art. 9. Op verzoek van de Veiligheid van de Staat verleent de [2 Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid]2 zijn medewerking aan de Veiligheid van de Staat bij het inwinnen van inlichtingen wanneer militairen betrokken zijn bij activiteiten bedoeld in artikel 7, 1° [1 en 3° /1]1.
Art. 9. A la requête de la Sûreté de l'Etat, le [2 Service Général du Renseignement et de la Sécurité]2 prête son concours à celle-ci pour recueillir les renseignements lorsque des militaires sont impliqués dans les activités visées à l'article 7, 1° [1 et 3° /1]1.
Afdeling 2. - [1 Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid]1.
Section 2. [1 - Du Service Général du Renseignement et de la Sécurité.]1
Art. 10. § 1. De [2 Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid]2 vervult zijn opdrachten door tussenkomst van de Minister van Landsverdediging, overeenkomstig de richtlijnen van [1 de Nationale Veiligheidsraad]1.
§ 2. Voor de uitvoering van zijn opdrachten staat de [2 Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid]2 onder het gezag van de Minister van Landsverdediging.
§ 3. De Minister van Landsverdediging wordt belast met de organisatie en het algemeen bestuur van de [2 Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid]2, inzonderheid voor de uitgaven, het beheer en de opleiding van het personeel, de inwendige orde en de tucht, de wedden en vergoedingen, alsook de uitrusting.
§ 2. Voor de uitvoering van zijn opdrachten staat de [2 Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid]2 onder het gezag van de Minister van Landsverdediging.
§ 3. De Minister van Landsverdediging wordt belast met de organisatie en het algemeen bestuur van de [2 Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid]2, inzonderheid voor de uitgaven, het beheer en de opleiding van het personeel, de inwendige orde en de tucht, de wedden en vergoedingen, alsook de uitrusting.
Art. 10. § 1er. A l'intervention du Ministre de la Défense nationale, le [2 Service Général du Renseignement et de la Sécurité]2 accomplit ses missions conformément aux directives du [1 Conseil national de sécurité]1.
§ 2. Pour l'exécution de ses missions, le [2 Service Général du Renseignement et de la Sécurité]2 est placé sous l'autorité du Ministre de la Défense nationale.
§ 3. Le Ministre de la Défense nationale est chargé de l'organisation et de l'administration générale de [2 Service Général du Renseignement et de la Sécurité]2, en particulier en ce qui concerne les dépenses, l'administration du personnel et la formation, l'ordre intérieur et la discipline, les traitements et indemnités, ainsi que l'équipement.
§ 2. Pour l'exécution de ses missions, le [2 Service Général du Renseignement et de la Sécurité]2 est placé sous l'autorité du Ministre de la Défense nationale.
§ 3. Le Ministre de la Défense nationale est chargé de l'organisation et de l'administration générale de [2 Service Général du Renseignement et de la Sécurité]2, en particulier en ce qui concerne les dépenses, l'administration du personnel et la formation, l'ordre intérieur et la discipline, les traitements et indemnités, ainsi que l'équipement.
Art. 11. § 1. [6 De Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid [8 , belast met de nationale veiligheid,]8 heeft als opdracht:
1° het inwinnen, analyseren en verwerken van inlichtingen die betrekking hebben op de factoren die de nationale en internationale veiligheid beïnvloeden of kunnen beïnvloeden in die mate dat de Krijgsmacht betrokken is of zou kunnen worden om inlichtingensteun te bieden aan hun lopende of eventuele komende operaties, alsook de inlichtingen die betrekking hebben op elke activiteit die:
a) de onschendbaarheid van het nationaal grondgebied of de bevolking,
b) de militaire defensieplannen,
c) het wetenschappelijk en economisch potentieel met betrekking tot de actoren, zowel de natuurlijke als de rechtspersonen, die actief zijn in de economische en industriële sectoren die verbonden zijn met defensie en die opgenomen zijn in een op voorstel van de minister van Justitie en de minister van Landsverdediging door de Nationale Veiligheidsraad goedgekeurde lijst,
d) de vervulling van de opdrachten van de strijdkrachten,
e) de veiligheid van de Belgische onderdanen in het buitenland,
f) elk ander fundamenteel belang van het land, zoals gedefinieerd door de Koning op voorstel van de Nationale Veiligheidsraad,
[7 bedreigt of zou kunnen bedreigen]7 en er de bevoegde ministers onverwijld over inlichten alsook de regering, op haar verzoek, advies te verlenen bij de omschrijving van haar binnen- en buitenlands beleid inzake veiligheid en defensie;]6
2° het zorgen voor het behoud van de militaire veiligheid van het personeel dat onder de Minister van Landsverdediging ressorteert, de militaire installaties, wapens [6 en wapensystemen]6, munitie, uitrusting, plannen, geschriften, documenten, informatica- en verbindingssystemen of andere militaire voorwerpen [1 en, in het kader van de cyberaanvallen op [6 wapensystemen,]6 militaire informatica- en verbindingssystemen of systemen die de Minister van Landsverdediging [7 beheert]7, de aanval neutraliseren en er de daders van identificeren, onverminderd het recht onmiddellijk met een eigen cyberaanval te reageren overeenkomstig de bepalingen van het [7 internationaal recht]7]1;
[7 2° /1 het neutraliseren, in het kader van een nationale cybersecurity crisis, van een cyberaanval op informatica- en verbindingssystemen niet beheerd door de minister van Landsverdediging en er de daders van identificeren, onverminderd het recht onmiddellijk met een eigen cyberaanval te reageren overeenkomstig de bepalingen van het internationaal recht;]7
3° het beschermen van het geheim dat, krachtens de internationale verbintenissen van België of teneinde de onschendbaarheid van het nationaal grondgebied en de vervulling van de opdrachten van de strijdkrachten te verzekeren, verbonden is met de militaire installaties, wapens, munitie, uitrusting, met de plannen, geschriften, documenten of andere militaire voorwerpen, met de militaire inlichtingen en verbindingen, alsook met de militaire informatica- en verbindingssystemen of die systemen die de Minister van Landsverdediging beheert;
4° het uitvoeren van de veiligheidsonderzoeken die hem overeenkomstig de richtlijnen van [3 de Nationale Veiligheidsraad]3 worden toevertrouwd[7 ;]7
[4 5° het inwinnen, analyseren en verwerken van inlichtingen die betrekking hebben op de activiteiten van buitenlandse inlichtingendiensten op Belgisch grondgebied]4[7 ;]7
[7 6° het uitvoeren van alle andere opdrachten die hem door of krachtens de wet worden toevertrouwd.]7
§ 2. Voor de toepassing van § 1 wordt verstaan onder :
1° "activiteit die de onschendbaarheid van het nationaal grondgebied [6 of de bevolking]6 bedreigt of zou kunnen bedreigen" : elke uiting van het voornemen om, met middelen van militaire aard, het gehele grondgebied of een gedeelte ervan, alsook het luchtruim boven dat grondgebied of de territoriale wateren, in te nemen, te bezetten of aan te vallen, of de bescherming of het voortbestaan [6 van de gehele bevolking of een gedeelte ervan]6, het nationaal patrimonium of het economisch potentieel van het land in gevaar te brengen;
2° "activiteit die de militaire defensieplannen bedreigt of zou kunnen bedreigen" : elke uiting van het voornemen om op ongeoorloofde wijze kennis te nemen van de plannen betreffende de militaire verdediging van het nationaal grondgebied, van het luchtruim boven dat grondgebied of van de territoriale wateren en van de vitale belangen van de Staat, of betreffende de gemeenschappelijke militaire verdediging in het kader van een bondgenootschap of een internationaal of supranationaal samenwerkingsverband;
[1 2°/1 " activiteit die het wetenschappelijk en economisch potentieel bedreigt of zou kunnen bedreigen met betrekking tot de actoren, zowel de natuurlijke als de rechtspersonen, die actief zijn in de economische en industriële sectoren en die opgenomen zijn in een op voorstel van de Minister van Justitie en de Minister van Landsverdediging door [2 de Nationale Veiligheidsraad]2 goedgekeurde lijst " : elke uiting van het voornemen om de essentiële elementen van het wetenschappelijk en economisch potentieel van deze actoren in het gedrang te brengen;]1
3° "activiteit die de vervulling van de opdrachten van de strijdkrachten bedreigt of zou kunnen bedreigen" : elke uiting van het voornemen om de paraatstelling, de mobilisatie en de aanwending van de Belgische Krijgsmacht, van de geallieerde strijdkrachten of van intergeallieerde defensie-organisaties te neutraliseren, te belemmeren, te saboteren, in het gedrang te brengen of te verhinderen bij opdrachten, acties of operaties in nationaal verband, in het kader van een bondgenootschap of een internationaal of supranationaal samenwerkingsverband;
4° "activiteit die de veiligheid van Belgische onderdanen in het buitenland bedreigt of zou kunnen bedreigen" : elke uiting van het voornemen om het leven of de lichamelijke integriteit van Belgen in het buitenland en van hun familieleden collectief te schaden [6 ...]6.
[7 5° "nationale cybersecurity crisis": elke cybersecurity gebeurtenis die wegens haar aard of gevolgen:
- de vitale belangen van het land of de essentiële behoeften van de bevolking bedreigt;
- een dringende besluitvorming vereist; en
- de gecoördineerde inzet van verscheidene departementen en organismen vergt.]7
§ 3. Op verzoek van de [5 Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid]5 verleent de Veiligheid van de Staat zijn medewerking bij het inwinnen van inlichtingen wanneer personen die niet ressorteren onder de Minister van Landsverdediging of niet behoren tot ondernemingen die overeenkomsten uitvoeren, welke met hem, met internationale militaire organisaties of met derde landen worden gesloten in militaire aangelegenheden, of die deelnemen aan een gunningsprocedure van een overheidsopdracht die door de laatstgenoemden werd uitgeschreven, betrokken zijn bij activiteiten [4 bedoeld in [7 paragraaf 1, 1° tot 3°, 5° en 6° ]7]4.
De maatregelen inzake industriële bescherming worden enkel genomen wanneer de Minister van Landsverdediging, derde landen of de organisaties waarmee België verdragsrechtelijk of contractueel verbonden is, hierom verzoeken.
1° het inwinnen, analyseren en verwerken van inlichtingen die betrekking hebben op de factoren die de nationale en internationale veiligheid beïnvloeden of kunnen beïnvloeden in die mate dat de Krijgsmacht betrokken is of zou kunnen worden om inlichtingensteun te bieden aan hun lopende of eventuele komende operaties, alsook de inlichtingen die betrekking hebben op elke activiteit die:
a) de onschendbaarheid van het nationaal grondgebied of de bevolking,
b) de militaire defensieplannen,
c) het wetenschappelijk en economisch potentieel met betrekking tot de actoren, zowel de natuurlijke als de rechtspersonen, die actief zijn in de economische en industriële sectoren die verbonden zijn met defensie en die opgenomen zijn in een op voorstel van de minister van Justitie en de minister van Landsverdediging door de Nationale Veiligheidsraad goedgekeurde lijst,
d) de vervulling van de opdrachten van de strijdkrachten,
e) de veiligheid van de Belgische onderdanen in het buitenland,
f) elk ander fundamenteel belang van het land, zoals gedefinieerd door de Koning op voorstel van de Nationale Veiligheidsraad,
[7 bedreigt of zou kunnen bedreigen]7 en er de bevoegde ministers onverwijld over inlichten alsook de regering, op haar verzoek, advies te verlenen bij de omschrijving van haar binnen- en buitenlands beleid inzake veiligheid en defensie;]6
2° het zorgen voor het behoud van de militaire veiligheid van het personeel dat onder de Minister van Landsverdediging ressorteert, de militaire installaties, wapens [6 en wapensystemen]6, munitie, uitrusting, plannen, geschriften, documenten, informatica- en verbindingssystemen of andere militaire voorwerpen [1 en, in het kader van de cyberaanvallen op [6 wapensystemen,]6 militaire informatica- en verbindingssystemen of systemen die de Minister van Landsverdediging [7 beheert]7, de aanval neutraliseren en er de daders van identificeren, onverminderd het recht onmiddellijk met een eigen cyberaanval te reageren overeenkomstig de bepalingen van het [7 internationaal recht]7]1;
[7 2° /1 het neutraliseren, in het kader van een nationale cybersecurity crisis, van een cyberaanval op informatica- en verbindingssystemen niet beheerd door de minister van Landsverdediging en er de daders van identificeren, onverminderd het recht onmiddellijk met een eigen cyberaanval te reageren overeenkomstig de bepalingen van het internationaal recht;]7
3° het beschermen van het geheim dat, krachtens de internationale verbintenissen van België of teneinde de onschendbaarheid van het nationaal grondgebied en de vervulling van de opdrachten van de strijdkrachten te verzekeren, verbonden is met de militaire installaties, wapens, munitie, uitrusting, met de plannen, geschriften, documenten of andere militaire voorwerpen, met de militaire inlichtingen en verbindingen, alsook met de militaire informatica- en verbindingssystemen of die systemen die de Minister van Landsverdediging beheert;
4° het uitvoeren van de veiligheidsonderzoeken die hem overeenkomstig de richtlijnen van [3 de Nationale Veiligheidsraad]3 worden toevertrouwd[7 ;]7
[4 5° het inwinnen, analyseren en verwerken van inlichtingen die betrekking hebben op de activiteiten van buitenlandse inlichtingendiensten op Belgisch grondgebied]4[7 ;]7
[7 6° het uitvoeren van alle andere opdrachten die hem door of krachtens de wet worden toevertrouwd.]7
§ 2. Voor de toepassing van § 1 wordt verstaan onder :
1° "activiteit die de onschendbaarheid van het nationaal grondgebied [6 of de bevolking]6 bedreigt of zou kunnen bedreigen" : elke uiting van het voornemen om, met middelen van militaire aard, het gehele grondgebied of een gedeelte ervan, alsook het luchtruim boven dat grondgebied of de territoriale wateren, in te nemen, te bezetten of aan te vallen, of de bescherming of het voortbestaan [6 van de gehele bevolking of een gedeelte ervan]6, het nationaal patrimonium of het economisch potentieel van het land in gevaar te brengen;
2° "activiteit die de militaire defensieplannen bedreigt of zou kunnen bedreigen" : elke uiting van het voornemen om op ongeoorloofde wijze kennis te nemen van de plannen betreffende de militaire verdediging van het nationaal grondgebied, van het luchtruim boven dat grondgebied of van de territoriale wateren en van de vitale belangen van de Staat, of betreffende de gemeenschappelijke militaire verdediging in het kader van een bondgenootschap of een internationaal of supranationaal samenwerkingsverband;
[1 2°/1 " activiteit die het wetenschappelijk en economisch potentieel bedreigt of zou kunnen bedreigen met betrekking tot de actoren, zowel de natuurlijke als de rechtspersonen, die actief zijn in de economische en industriële sectoren en die opgenomen zijn in een op voorstel van de Minister van Justitie en de Minister van Landsverdediging door [2 de Nationale Veiligheidsraad]2 goedgekeurde lijst " : elke uiting van het voornemen om de essentiële elementen van het wetenschappelijk en economisch potentieel van deze actoren in het gedrang te brengen;]1
3° "activiteit die de vervulling van de opdrachten van de strijdkrachten bedreigt of zou kunnen bedreigen" : elke uiting van het voornemen om de paraatstelling, de mobilisatie en de aanwending van de Belgische Krijgsmacht, van de geallieerde strijdkrachten of van intergeallieerde defensie-organisaties te neutraliseren, te belemmeren, te saboteren, in het gedrang te brengen of te verhinderen bij opdrachten, acties of operaties in nationaal verband, in het kader van een bondgenootschap of een internationaal of supranationaal samenwerkingsverband;
4° "activiteit die de veiligheid van Belgische onderdanen in het buitenland bedreigt of zou kunnen bedreigen" : elke uiting van het voornemen om het leven of de lichamelijke integriteit van Belgen in het buitenland en van hun familieleden collectief te schaden [6 ...]6.
[7 5° "nationale cybersecurity crisis": elke cybersecurity gebeurtenis die wegens haar aard of gevolgen:
- de vitale belangen van het land of de essentiële behoeften van de bevolking bedreigt;
- een dringende besluitvorming vereist; en
- de gecoördineerde inzet van verscheidene departementen en organismen vergt.]7
§ 3. Op verzoek van de [5 Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid]5 verleent de Veiligheid van de Staat zijn medewerking bij het inwinnen van inlichtingen wanneer personen die niet ressorteren onder de Minister van Landsverdediging of niet behoren tot ondernemingen die overeenkomsten uitvoeren, welke met hem, met internationale militaire organisaties of met derde landen worden gesloten in militaire aangelegenheden, of die deelnemen aan een gunningsprocedure van een overheidsopdracht die door de laatstgenoemden werd uitgeschreven, betrokken zijn bij activiteiten [4 bedoeld in [7 paragraaf 1, 1° tot 3°, 5° en 6° ]7]4.
De maatregelen inzake industriële bescherming worden enkel genomen wanneer de Minister van Landsverdediging, derde landen of de organisaties waarmee België verdragsrechtelijk of contractueel verbonden is, hierom verzoeken.
Modifications
Art. 11. § 1er. [6 Le Service Général du Renseignement et de la Sécurité [8 , chargé de la sécurité nationale,]8 a pour mission:
1° de rechercher, d'analyser et de traiter le renseignement relatif aux facteurs qui influencent ou peuvent influencer la sécurité nationale et internationale dans la mesure où les Forces armées sont ou pourraient être impliquées, en fournissant un soutien en renseignement à leurs opérations en cours ou à leurs éventuelles opérations à venir, ainsi que le renseignement relatif à toute activité qui menace ou pourrait menacer:
a) l'intégrité du territoire national ou la population,
b) les plans de défense militaires,
c) le potentiel scientifique et économique en rapport avec les acteurs, tant personnes physiques que personnes morales, qui sont actifs dans les secteurs économiques et industriels liés à la défense et qui figurent sur une liste approuvée par le Conseil national de sécurité, sur proposition du ministre de la Justice et du ministre de la Défense,
d) l'accomplissement des missions des Forces armées,
e) la sécurité des ressortissants belges à l'étranger,
f) tout autre intérêt fondamental du pays défini par le Roi sur proposition du Conseil national de sécurité;
et d'en informer sans délai les ministres compétents ainsi que de donner des avis au gouvernement, à la demande de celui-ci, concernant la définition de sa politique intérieure et étrangère de sécurité et de défense;]6
2° de veiller au maintien de la sécurité militaire du personnel relevant du Ministre de la Défense nationale, et des installations militaires, armes [6 et systèmes d'armes]6, munitions, équipements, plans, écrits, documents, systèmes informatiques et de communications ou autres objets militaires [1 et, dans le cadre des cyberattaques de [6 systèmes d'armes, de]6 systèmes informatiques et de communications militaires ou de ceux que le Ministre de la Défense nationale gère, de neutraliser l'attaque et d'en identifier les auteurs, sans préjudice du droit de réagir immédiatement par une propre cyberattaque, dans le respect des dispositions du droit des conflits armés]1;
[7 2° /1 de neutraliser, dans le cadre d'une crise nationale de cybersécurité, une cyberattaque de systèmes informatiques et de communications non gérés par le ministre de la Défense et d'en identifier les auteurs, sans préjudice du droit de réagir immédiatement par une propre cyberattaque, dans le respect des dispositions du droit international;]7
3° de protéger le secret qui, en vertu des engagements internationaux de la Belgique ou afin d'assurer l'intégrité du territoire national et l'accomplissement des missions des Forces armées, s'attache aux installations militaires, armes, munitions, équipements, aux plans, écrits, documents ou autres objets militaires, aux renseignements et communications militaires, ainsi qu'aux systèmes informatiques et de communications militaires ou ceux que le Ministre de la Défense nationale gère;
4° d'effectuer les enquêtes de sécurité qui lui sont confiées conformément aux directives du [3 Conseil national de sécurité]3[7 ;]7
[4 5° de rechercher, d'analyser et de traiter le renseignement relatif aux activités des services de renseignement étrangers sur le territoire belge.]4[7 ;]7
[7 6° d'exécuter toutes autres missions qui lui sont confiées par ou en vertu de la loi.]7
§ 2. Pour l'application du § 1er, on entend par :
1° " activité qui menace ou pourrait menacer l'intégrité du territoire national [6 ou la population]6 " : toute manifestation de l'intention de, par des moyens de nature militaire, saisir, occuper ou agresser tout ou partie du territoire national, de l'espace aérien au-dessus de ce territoire ou de la mer territoriale, ou porter atteinte à la protection ou à la survie de [6 tout ou partie de]6 la population, au patrimoine national ou au potentiel économique du pays;
2° " activité qui menace ou pourrait menacer les plans de défense militaires " : toute manifestation de l'intention de prendre connaissance par voie illicite des plans relatifs à la défense militaire du territoire national, de l'espace aérien au-dessus de ce territoire ou de la mer territoriale et des intérêts vitaux de l'Etat, ou à la défense militaire commune dans le cadre d'une alliance ou d'une collaboration internationale ou supranationale;
[1 2°/1 " activité qui menace ou pourrait menacer le potentiel scientifique et économique en rapport avec les acteurs, tant personnes physiques que personnes morales, qui sont actifs dans les secteurs économiques et industriels liés à la défense et qui figurent sur une liste approuvée par le [2 Conseil national de sécurité]2, sur proposition du Ministre de la Justice et du Ministre de la Défense " : toute manifestation de l'intention de porter atteinte aux éléments essentiels du potentiel scientifique et économique de ces acteurs;]1
3° " activité qui menace ou pourrait menacer l'accomplissement des missions des Forces armées " : toute manifestation de l'intention de neutraliser, d'entraver, de saboter, de porter atteinte ou d'empêcher la mise en condition, la mobilisation et la mise en oeuvre des Forces armées belges, des Forces armées alliées ou des organismes de défense interalliés lors de missions, actions ou opérations dans le cadre national, dans le cadre d'une alliance ou d'une collaboration internationale ou supranationale;
4° " activité qui menace ou pourrait menacer la sécurité des ressortissants belges à l'étranger " : toute manifestation de l'intention de porter collectivement atteinte [6 ...]6 à la vie ou à l'intégrité physique de ressortissants belges à l'étranger et des membres de leur famille.
[7 5° "crise nationale de cybersécurité": tout incident de cybersécurité qui, par sa nature ou ses conséquences:
- menace les intérêts vitaux du pays ou les besoins essentiels de la population;
- requiert des décisions urgentes; et
- demande une action coordonnée de plusieurs départements et organismes.]7
§ 3. A la requête du [5 Service Général du Renseignement et de la Sécurité]5, la Sûreté de l'Etat prête son concours pour recueillir le renseignement lorsque des personnes qui ne relèvent pas du Ministre de la Défense nationale ou qui ne relèvent pas d'entreprises qui exécutent des contrats conclus avec lui, avec des organisations militaires internationales ou avec des pays tiers en matière militaire, ou qui participent à une procédure de passation de marché public lancée par ceux-ci, sont impliquées dans les activités [4 visées au [7 paragraphe 1er, 1° à 3°, 5° et 6°]7]4.
Les mesures de protection industrielle ne seront prises qu'à la demande du Ministre de la Défense nationale, de pays tiers ou des organisations avec lesquelles la Belgique est liée par traité, convention ou contrat.
1° de rechercher, d'analyser et de traiter le renseignement relatif aux facteurs qui influencent ou peuvent influencer la sécurité nationale et internationale dans la mesure où les Forces armées sont ou pourraient être impliquées, en fournissant un soutien en renseignement à leurs opérations en cours ou à leurs éventuelles opérations à venir, ainsi que le renseignement relatif à toute activité qui menace ou pourrait menacer:
a) l'intégrité du territoire national ou la population,
b) les plans de défense militaires,
c) le potentiel scientifique et économique en rapport avec les acteurs, tant personnes physiques que personnes morales, qui sont actifs dans les secteurs économiques et industriels liés à la défense et qui figurent sur une liste approuvée par le Conseil national de sécurité, sur proposition du ministre de la Justice et du ministre de la Défense,
d) l'accomplissement des missions des Forces armées,
e) la sécurité des ressortissants belges à l'étranger,
f) tout autre intérêt fondamental du pays défini par le Roi sur proposition du Conseil national de sécurité;
et d'en informer sans délai les ministres compétents ainsi que de donner des avis au gouvernement, à la demande de celui-ci, concernant la définition de sa politique intérieure et étrangère de sécurité et de défense;]6
2° de veiller au maintien de la sécurité militaire du personnel relevant du Ministre de la Défense nationale, et des installations militaires, armes [6 et systèmes d'armes]6, munitions, équipements, plans, écrits, documents, systèmes informatiques et de communications ou autres objets militaires [1 et, dans le cadre des cyberattaques de [6 systèmes d'armes, de]6 systèmes informatiques et de communications militaires ou de ceux que le Ministre de la Défense nationale gère, de neutraliser l'attaque et d'en identifier les auteurs, sans préjudice du droit de réagir immédiatement par une propre cyberattaque, dans le respect des dispositions du droit des conflits armés]1;
[7 2° /1 de neutraliser, dans le cadre d'une crise nationale de cybersécurité, une cyberattaque de systèmes informatiques et de communications non gérés par le ministre de la Défense et d'en identifier les auteurs, sans préjudice du droit de réagir immédiatement par une propre cyberattaque, dans le respect des dispositions du droit international;]7
3° de protéger le secret qui, en vertu des engagements internationaux de la Belgique ou afin d'assurer l'intégrité du territoire national et l'accomplissement des missions des Forces armées, s'attache aux installations militaires, armes, munitions, équipements, aux plans, écrits, documents ou autres objets militaires, aux renseignements et communications militaires, ainsi qu'aux systèmes informatiques et de communications militaires ou ceux que le Ministre de la Défense nationale gère;
4° d'effectuer les enquêtes de sécurité qui lui sont confiées conformément aux directives du [3 Conseil national de sécurité]3[7 ;]7
[4 5° de rechercher, d'analyser et de traiter le renseignement relatif aux activités des services de renseignement étrangers sur le territoire belge.]4[7 ;]7
[7 6° d'exécuter toutes autres missions qui lui sont confiées par ou en vertu de la loi.]7
§ 2. Pour l'application du § 1er, on entend par :
1° " activité qui menace ou pourrait menacer l'intégrité du territoire national [6 ou la population]6 " : toute manifestation de l'intention de, par des moyens de nature militaire, saisir, occuper ou agresser tout ou partie du territoire national, de l'espace aérien au-dessus de ce territoire ou de la mer territoriale, ou porter atteinte à la protection ou à la survie de [6 tout ou partie de]6 la population, au patrimoine national ou au potentiel économique du pays;
2° " activité qui menace ou pourrait menacer les plans de défense militaires " : toute manifestation de l'intention de prendre connaissance par voie illicite des plans relatifs à la défense militaire du territoire national, de l'espace aérien au-dessus de ce territoire ou de la mer territoriale et des intérêts vitaux de l'Etat, ou à la défense militaire commune dans le cadre d'une alliance ou d'une collaboration internationale ou supranationale;
[1 2°/1 " activité qui menace ou pourrait menacer le potentiel scientifique et économique en rapport avec les acteurs, tant personnes physiques que personnes morales, qui sont actifs dans les secteurs économiques et industriels liés à la défense et qui figurent sur une liste approuvée par le [2 Conseil national de sécurité]2, sur proposition du Ministre de la Justice et du Ministre de la Défense " : toute manifestation de l'intention de porter atteinte aux éléments essentiels du potentiel scientifique et économique de ces acteurs;]1
3° " activité qui menace ou pourrait menacer l'accomplissement des missions des Forces armées " : toute manifestation de l'intention de neutraliser, d'entraver, de saboter, de porter atteinte ou d'empêcher la mise en condition, la mobilisation et la mise en oeuvre des Forces armées belges, des Forces armées alliées ou des organismes de défense interalliés lors de missions, actions ou opérations dans le cadre national, dans le cadre d'une alliance ou d'une collaboration internationale ou supranationale;
4° " activité qui menace ou pourrait menacer la sécurité des ressortissants belges à l'étranger " : toute manifestation de l'intention de porter collectivement atteinte [6 ...]6 à la vie ou à l'intégrité physique de ressortissants belges à l'étranger et des membres de leur famille.
[7 5° "crise nationale de cybersécurité": tout incident de cybersécurité qui, par sa nature ou ses conséquences:
- menace les intérêts vitaux du pays ou les besoins essentiels de la population;
- requiert des décisions urgentes; et
- demande une action coordonnée de plusieurs départements et organismes.]7
§ 3. A la requête du [5 Service Général du Renseignement et de la Sécurité]5, la Sûreté de l'Etat prête son concours pour recueillir le renseignement lorsque des personnes qui ne relèvent pas du Ministre de la Défense nationale ou qui ne relèvent pas d'entreprises qui exécutent des contrats conclus avec lui, avec des organisations militaires internationales ou avec des pays tiers en matière militaire, ou qui participent à une procédure de passation de marché public lancée par ceux-ci, sont impliquées dans les activités [4 visées au [7 paragraphe 1er, 1° à 3°, 5° et 6°]7]4.
Les mesures de protection industrielle ne seront prises qu'à la demande du Ministre de la Défense nationale, de pays tiers ou des organisations avec lesquelles la Belgique est liée par traité, convention ou contrat.
Modifications
HOOFDSTUK III. [1 - De uitoefening van de inlichtingen- en veiligheidsopdrachten.]1
CHAPITRE III. [1 - L'exercice des missions de renseignement et de sécurité.]1
Afdeling 1. [1 - Algemene bepalingen.]1
Section 1. [1 - Dispositions générales.]1
Onderafdeling 1.
Sous-section 1.
Art. 12. Om hun opdrachten te vervullen, mogen de inlichtingen- en veiligheidsdiensten slechts dwangmiddelen gebruiken onder de voorwaarden die door de wet worden bepaald.
Art. 12. Pour accomplir leurs missions, les services de renseignement et de sécurité ne peuvent utiliser des moyens de contrainte que dans les conditions prévues par la loi.
Art. 13. [4 [3 § 1.]3 [2 De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen]2 [1 informatie]1 en persoonsgegevens opsporen, verzamelen, ontvangen en verwerken die nuttig kunnen zijn om hun opdrachten te vervullen en een documentatie bijhouden, meer bepaald met betrekking tot de gebeurtenissen, de groeperingen en de personen die een belang vertonen voor de uitoefening van hun opdrachten.
[4 ...]4 De in de documentatie vervatte inlichtingen moeten in verband staan met de doeleinden van het gegevensbestand en beperkt blijven tot de vereisten die eruit voortvloeien.]4
[4 § 2.]4[1 De inlichtingen- en veiligheidsdiensten waken over de veiligheid van de gegevens die betrekking hebben op hun bronnen en van de informatie en persoonsgegevens die deze bronnen leveren.]1
[4 § 3.]4 [1 De agenten van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten hebben toegang tot de door hun dienst ingewonnen en verwerkte informatie, inlichtingen en persoonsgegevens, voor zover deze nuttig zijn voor de uitoefening van hun functie of opdracht.]1
[4 § 4. Indien een agent, tijdens een veiligheidsonderzoek of een veiligheidsverificatie in de zin van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie, de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten, veiligheidsadviezen en de publiek gereguleeerde dienst, kennis neemt van informatie die wijst op het bestaan van een potentiële dreiging als bedoeld in de artikelen 7 en 8 of tegen een belang als bedoeld in artikel 11, maakt hij deze onmiddellijk schriftelijk over aan zijn diensthoofd of aan diens gedelegeerde, met het oog op de verwerking ervan ter bestrijding van de voormelde dreiging.]4
[4 ...]4 De in de documentatie vervatte inlichtingen moeten in verband staan met de doeleinden van het gegevensbestand en beperkt blijven tot de vereisten die eruit voortvloeien.]4
[4 § 2.]4[1 De inlichtingen- en veiligheidsdiensten waken over de veiligheid van de gegevens die betrekking hebben op hun bronnen en van de informatie en persoonsgegevens die deze bronnen leveren.]1
[4 § 3.]4 [1 De agenten van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten hebben toegang tot de door hun dienst ingewonnen en verwerkte informatie, inlichtingen en persoonsgegevens, voor zover deze nuttig zijn voor de uitoefening van hun functie of opdracht.]1
[4 § 4. Indien een agent, tijdens een veiligheidsonderzoek of een veiligheidsverificatie in de zin van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie, de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten, veiligheidsadviezen en de publiek gereguleeerde dienst, kennis neemt van informatie die wijst op het bestaan van een potentiële dreiging als bedoeld in de artikelen 7 en 8 of tegen een belang als bedoeld in artikel 11, maakt hij deze onmiddellijk schriftelijk over aan zijn diensthoofd of aan diens gedelegeerde, met het oog op de verwerking ervan ter bestrijding van de voormelde dreiging.]4
Art. 13. [4 [3 § 1.]3 [2 Les services de renseignement et de sécurité]2 peuvent rechercher, collecter, recevoir et traiter des informations et des données à caractère personnel qui peuvent être utiles à l'exécution de leurs missions et tenir à jour une documentation relative notamment à des événements, à des groupements et à des personnes présentant un intérêt pour l'exécution de leurs missions.
[4 ...]4 Les renseignements contenus dans la documentation doivent présenter un lien avec la finalité du fichier et se limiter aux exigences qui en découlent.]4
[4 § 2.]4 [1 Les services de renseignement et de sécurité veillent à la sécurité des données ayant trait à leurs sources et à celles des informations et des données à caractère personnel fournies par ces sources.]1
[4 § 3.]4 [1 Les agents des services de renseignement et de sécurité ont accès aux informations, renseignements et données à caractère personnel recueillis et traités par leur service, pour autant que ceux-ci soient utiles dans l'exercice de leur fonction ou de leur mission.]1
[4 § 4. Lorsque, au cours d'une enquête ou d'une vérification de sécurité au sens de la loi du 11 décembre 1998 relative à la classification, aux habilitations de sécurité, attestations de sécurité, avis de sécurité et au service public réglementé, un agent prend connaissance d'informations indiquant l'existence d'une menace potentielle visée aux articles 7 et 8 ou contre un intérêt visé à l'article 11, il les transmet immédiatement par écrit au dirigeant de son service, ou à son délégué, en vue de leur traitement pour lutter contre ladite menace.]4
[4 ...]4 Les renseignements contenus dans la documentation doivent présenter un lien avec la finalité du fichier et se limiter aux exigences qui en découlent.]4
[4 § 2.]4 [1 Les services de renseignement et de sécurité veillent à la sécurité des données ayant trait à leurs sources et à celles des informations et des données à caractère personnel fournies par ces sources.]1
[4 § 3.]4 [1 Les agents des services de renseignement et de sécurité ont accès aux informations, renseignements et données à caractère personnel recueillis et traités par leur service, pour autant que ceux-ci soient utiles dans l'exercice de leur fonction ou de leur mission.]1
[4 § 4. Lorsque, au cours d'une enquête ou d'une vérification de sécurité au sens de la loi du 11 décembre 1998 relative à la classification, aux habilitations de sécurité, attestations de sécurité, avis de sécurité et au service public réglementé, un agent prend connaissance d'informations indiquant l'existence d'une menace potentielle visée aux articles 7 et 8 ou contre un intérêt visé à l'article 11, il les transmet immédiatement par écrit au dirigeant de son service, ou à son délégué, en vue de leur traitement pour lutter contre ladite menace.]4
Afdeling 2. [1 - De beschermings- en ondersteuningsmaatregelen.]1
Section 2. [1 - Mesures de protection et d'appui.]1
Onderafdeling 1. [1 Het plegen van strafbare feiten ]1
Sous-section 1. [1 Commission d'infractions ]1
Art. 13/1. [3 § 1.]3[1 [2 ...]2 [2 Het is de agenten verboden strafbare feiten te plegen.]2
[2 [3 § 2. In afwijking van paragraaf 1, blijven vrij van straf de agenten die overtredingen, inbreuken op de wegcode of een gebruiksdiefstal begaan die strikt noodzakelijk zijn voor het welslagen van de optimale uitvoering van de opdracht of ter verzekering van hun eigen veiligheid of die van derden, wanneer deze agenten:
1° belast zijn met de uitvoering van de methoden voor het verzamelen van gegevens; of
2° leden zijn van het interventieteam]3.]2
[3 § 3. Onverminderd paragraaf 2, blijven vrij van straf, de agenten die in de uitvoering van de opdrachten bedoeld in de artikelen 7, 1° en 3° /1 en 11, § 1, 1° tot 3° en 5°, strafbare feiten plegen die strikt noodzakelijk zijn voor het welslagen van de optimale uitvoering van hun opdracht of ter verzekering van hun eigen veiligheid of die van derden.
De strafbare feiten, bedoeld in het eerste lid, kunnen slechts worden gepleegd na voorafgaand schriftelijk akkoord van de Commissie. De Commissie geeft haar schriftelijk akkoord binnen vier dagen na ontvangst van de schriftelijke en met redenen omklede vraag van het diensthoofd.
Het akkoord geldt voor een maximumtermijn van zes maanden, onverminderd de mogelijkheid om de maatregel te verlengen volgens de procedure bedoeld in het tweede lid.
De vraag van het diensthoofd vermeldt, op straffe van onwettigheid:
1° de feiten die als strafbaar feit of strafbare feiten kunnen worden gekwalificeerd;
2° de context van de vraag en de finaliteit;
3° de lijst met agenten die beantwoorden aan het vereiste profiel om de feiten die als strafbaar feit of strafbare feiten kunnen worden gekwalificeerd bedoeld in de bepaling onder 1° te plegen;
4° de strikte noodzakelijkheid;
5° de proportionaliteit bedoeld in paragraaf 4;
6° de periode waarbinnen het strafbaar feit of de strafbare feiten kunnen worden gepleegd, te rekenen vanaf het akkoord van de Commissie en de motivering van de duur van deze periode;
7° in voorkomend geval, de redenen die de hoogdringendheid bedoeld in paragraaf 6 rechtvaardigen;
8° de naam van de agent(en) belast met de opvolging van het verloop van het strafbaar feit;
9° de datum van de vraag;
10° de handtekening van het diensthoofd]3.
[3 § 4. De strafbare feiten moeten in gelijke verhouding staan tot het door de opdracht nagestreefde doel en mogen in geen geval afbreuk doen aan de fysieke integriteit van personen]3.
[3 § 5. De agent belast met de opvolging van het verloop van het strafbaar feit brengt zo spoedig mogelijk na het plegen van het strafbaar feit schriftelijk verslag uit aan het diensthoofd.
De betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst informeert zo spoedig mogelijk schriftelijk de Commissie.
In afwijking van het tweede lid, indien de maatregel is toegestaan voor een periode langer dan twee maanden, brengt de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst om de twee weken schriftelijk verslag uit aan de Commissie over het verloop van de maatregel
Op een met redenen omkleed verzoek van de Commissie wordt het verslag op een kortere termijn overgezonden, voor zover de agent die het strafbaar feit pleegde in veiligheid is.]3.
[3 § 6. In geval van hoogdringendheid vraagt het diensthoofd vooraf het mondeling akkoord van de voorzitter van de Commissie of, indien hij niet bereikbaar is, van een ander lid. Diegene die het akkoord gegeven heeft, brengt de andere leden hiervan onmiddellijk op de hoogte. Het diensthoofd bevestigt zijn vraag schriftelijk binnen vierentwintig uur na de mededeling van het akkoord. Deze schriftelijke bevestiging bevat de vermeldingen bedoeld in paragraaf 3, vierde lid. De voorzitter of het gecontacteerde lid bevestigt eveneens zo spoedig mogelijk schriftelijk zijn akkoord. Dit akkoord geldt voor vijf dagen]3.
[3 § 7. Indien door onvoorziene omstandigheden feiten die als strafbaar feit of strafbare feiten kunnen worden gekwalificeerd gepleegd werden en waarvoor de procedure bedoeld in de paragrafen 3 of 6 niet gevolgd kon worden, brengt het diensthoofd dit zo spoedig mogelijk en ten laatste binnen vierentwintig uur vanaf zijn kennisname van het plegen van de feiten die als strafbaar feit of strafbare feiten kunnen worden gekwalificeerd schriftelijk ter kennis van de Commissie. De agent die deze feiten heeft gepleegd blijft vrij van straf indien de Commissie oordeelt dat zij niet voorzienbaar en strikt noodzakelijk waren ter verzekering van de eigen veiligheid of die van derden.
§ 8. Indien de Commissie nalaat haar beslissing te nemen overeenkomstig de paragrafen 3, 6 of 7, kan het betrokken diensthoofd het Vast Comité I vatten, dat zo spoedig mogelijk al dan niet de toestemming zal geven om het strafbaar feit of de strafbare feiten te plegen.
In geval van een negatieve beslissing van de Commissie overeenkomstig de paragrafen 3, 6 of 7, kan het betrokken diensthoofd het Vast Comité I vatten. Het Vast Comité I zal zo spoedig mogelijk al dan niet de toestemming geven om het strafbaar feit of de strafbare feiten te plegen. Het Vast Comité I deelt zijn beslissing mee aan het diensthoofd en aan de Commissie.
§ 9. De Commissie zendt alle documenten bedoeld in de paragrafen 3 tot 7 onverwijld over aan het Vast Comité I.
§ 10. Het diensthoofd beëindigt de maatregel zo snel mogelijk, wanneer de absolute noodzaak om een strafbaar feit te plegen is weggevallen, wanneer de maatregel niet langer nuttig is voor het doel waarvoor hij werd aangevraagd of wanneer een onwettigheid is vastgesteld. Hij brengt zijn beslissing zo snel mogelijk ter kennis van de Commissie en het Vast Comité I.
Indien de Commissie of het Vast Comité I een onwettigheid vaststelt, brengt zij of hij het betrokken diensthoofd hiervan schriftelijk op de hoogte. Deze laatste beëindigt zo snel mogelijk de geplande of lopende maatregel en bevestigt vervolgens schriftelijk aan de Commissie en aan het Vast Comité I dat de maatregel is beëindigd.
§ 11. De leden van de Commissie kunnen op elk ogenblik een controle uitoefenen op de wettigheid van de maatregelen.
Zij kunnen daartoe toegang hebben tot de gegevens met betrekking tot de maatregel, zich alle nuttige stukken toe-eigenen en de leden van de dienst horen.]3
[2 [3 § 2. In afwijking van paragraaf 1, blijven vrij van straf de agenten die overtredingen, inbreuken op de wegcode of een gebruiksdiefstal begaan die strikt noodzakelijk zijn voor het welslagen van de optimale uitvoering van de opdracht of ter verzekering van hun eigen veiligheid of die van derden, wanneer deze agenten:
1° belast zijn met de uitvoering van de methoden voor het verzamelen van gegevens; of
2° leden zijn van het interventieteam]3.]2
[3 § 3. Onverminderd paragraaf 2, blijven vrij van straf, de agenten die in de uitvoering van de opdrachten bedoeld in de artikelen 7, 1° en 3° /1 en 11, § 1, 1° tot 3° en 5°, strafbare feiten plegen die strikt noodzakelijk zijn voor het welslagen van de optimale uitvoering van hun opdracht of ter verzekering van hun eigen veiligheid of die van derden.
De strafbare feiten, bedoeld in het eerste lid, kunnen slechts worden gepleegd na voorafgaand schriftelijk akkoord van de Commissie. De Commissie geeft haar schriftelijk akkoord binnen vier dagen na ontvangst van de schriftelijke en met redenen omklede vraag van het diensthoofd.
Het akkoord geldt voor een maximumtermijn van zes maanden, onverminderd de mogelijkheid om de maatregel te verlengen volgens de procedure bedoeld in het tweede lid.
De vraag van het diensthoofd vermeldt, op straffe van onwettigheid:
1° de feiten die als strafbaar feit of strafbare feiten kunnen worden gekwalificeerd;
2° de context van de vraag en de finaliteit;
3° de lijst met agenten die beantwoorden aan het vereiste profiel om de feiten die als strafbaar feit of strafbare feiten kunnen worden gekwalificeerd bedoeld in de bepaling onder 1° te plegen;
4° de strikte noodzakelijkheid;
5° de proportionaliteit bedoeld in paragraaf 4;
6° de periode waarbinnen het strafbaar feit of de strafbare feiten kunnen worden gepleegd, te rekenen vanaf het akkoord van de Commissie en de motivering van de duur van deze periode;
7° in voorkomend geval, de redenen die de hoogdringendheid bedoeld in paragraaf 6 rechtvaardigen;
8° de naam van de agent(en) belast met de opvolging van het verloop van het strafbaar feit;
9° de datum van de vraag;
10° de handtekening van het diensthoofd]3.
[3 § 4. De strafbare feiten moeten in gelijke verhouding staan tot het door de opdracht nagestreefde doel en mogen in geen geval afbreuk doen aan de fysieke integriteit van personen]3.
[3 § 5. De agent belast met de opvolging van het verloop van het strafbaar feit brengt zo spoedig mogelijk na het plegen van het strafbaar feit schriftelijk verslag uit aan het diensthoofd.
De betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst informeert zo spoedig mogelijk schriftelijk de Commissie.
In afwijking van het tweede lid, indien de maatregel is toegestaan voor een periode langer dan twee maanden, brengt de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst om de twee weken schriftelijk verslag uit aan de Commissie over het verloop van de maatregel
Op een met redenen omkleed verzoek van de Commissie wordt het verslag op een kortere termijn overgezonden, voor zover de agent die het strafbaar feit pleegde in veiligheid is.]3.
[3 § 6. In geval van hoogdringendheid vraagt het diensthoofd vooraf het mondeling akkoord van de voorzitter van de Commissie of, indien hij niet bereikbaar is, van een ander lid. Diegene die het akkoord gegeven heeft, brengt de andere leden hiervan onmiddellijk op de hoogte. Het diensthoofd bevestigt zijn vraag schriftelijk binnen vierentwintig uur na de mededeling van het akkoord. Deze schriftelijke bevestiging bevat de vermeldingen bedoeld in paragraaf 3, vierde lid. De voorzitter of het gecontacteerde lid bevestigt eveneens zo spoedig mogelijk schriftelijk zijn akkoord. Dit akkoord geldt voor vijf dagen]3.
[3 § 7. Indien door onvoorziene omstandigheden feiten die als strafbaar feit of strafbare feiten kunnen worden gekwalificeerd gepleegd werden en waarvoor de procedure bedoeld in de paragrafen 3 of 6 niet gevolgd kon worden, brengt het diensthoofd dit zo spoedig mogelijk en ten laatste binnen vierentwintig uur vanaf zijn kennisname van het plegen van de feiten die als strafbaar feit of strafbare feiten kunnen worden gekwalificeerd schriftelijk ter kennis van de Commissie. De agent die deze feiten heeft gepleegd blijft vrij van straf indien de Commissie oordeelt dat zij niet voorzienbaar en strikt noodzakelijk waren ter verzekering van de eigen veiligheid of die van derden.
§ 8. Indien de Commissie nalaat haar beslissing te nemen overeenkomstig de paragrafen 3, 6 of 7, kan het betrokken diensthoofd het Vast Comité I vatten, dat zo spoedig mogelijk al dan niet de toestemming zal geven om het strafbaar feit of de strafbare feiten te plegen.
In geval van een negatieve beslissing van de Commissie overeenkomstig de paragrafen 3, 6 of 7, kan het betrokken diensthoofd het Vast Comité I vatten. Het Vast Comité I zal zo spoedig mogelijk al dan niet de toestemming geven om het strafbaar feit of de strafbare feiten te plegen. Het Vast Comité I deelt zijn beslissing mee aan het diensthoofd en aan de Commissie.
§ 9. De Commissie zendt alle documenten bedoeld in de paragrafen 3 tot 7 onverwijld over aan het Vast Comité I.
§ 10. Het diensthoofd beëindigt de maatregel zo snel mogelijk, wanneer de absolute noodzaak om een strafbaar feit te plegen is weggevallen, wanneer de maatregel niet langer nuttig is voor het doel waarvoor hij werd aangevraagd of wanneer een onwettigheid is vastgesteld. Hij brengt zijn beslissing zo snel mogelijk ter kennis van de Commissie en het Vast Comité I.
Indien de Commissie of het Vast Comité I een onwettigheid vaststelt, brengt zij of hij het betrokken diensthoofd hiervan schriftelijk op de hoogte. Deze laatste beëindigt zo snel mogelijk de geplande of lopende maatregel en bevestigt vervolgens schriftelijk aan de Commissie en aan het Vast Comité I dat de maatregel is beëindigd.
§ 11. De leden van de Commissie kunnen op elk ogenblik een controle uitoefenen op de wettigheid van de maatregelen.
Zij kunnen daartoe toegang hebben tot de gegevens met betrekking tot de maatregel, zich alle nuttige stukken toe-eigenen en de leden van de dienst horen.]3
Art. 13/1. [3 § 1. ]3[1 [2 ...]2 [2 ...]2 [2 Il est interdit aux agents de commettre des infractions.]2
[3 § 2. Par dérogation au paragraphe 1er, sont exemptés de peine les agents qui commettent des contraventions, des infractions au code de la route ou un vol d'usage, qui sont absolument nécessaires afin d'assurer l'exécution optimale de la mission ou de garantir leur propre sécurité ou celle de tiers, lorsque ces agents sont:
1° chargés d'exécuter les méthodes de recueil de données; ou
2° membres de l'équipe d'intervention]3.
[3 § 3. Sans préjudice du paragraphe 2, sont exemptés de peine, les agents qui, lors de l'exécution des missions visées aux articles 7, 1° et 3° /1 et 11, § 1er, 1° à 3° et 5°, commettent des infractions absolument nécessaires afin d'assurer l'exécution optimale de leur mission ou de garantir leur propre sécurité ou celle de tiers.
Les infractions visées à l'alinéa 1er ne peuvent être commises qu'avec l'accord écrit préalable de la Commission. La Commission donne son accord écrit dans les quatre jours suivant la réception de la demande écrite et motivée du dirigeant du service.
L'accord ne peut porter sur une période supérieure à six mois, sans préjudice de la possibilité de prolonger la mesure en suivant la procédure visée à l'alinéa 2.
La demande du dirigeant du service mentionne, sous peine d'illégalité:
1° les faits susceptibles d'être qualifiés infraction(s);
2° le contexte de la demande et la finalité;
3° la liste des agents répondant au profil requis pour commettre les faits susceptibles d'être qualifiés infraction(s) visés au 1° ;
4° l'absolue nécessité;
5° la proportionnalité visée au paragraphe 4;
6° la période durant laquelle la ou les infractions peuvent être commises à compter de l'accord de la Commission et la motivation de la durée de la période;
7° le cas échéant, les motifs qui justifient l'extrême urgence visée au paragraphe 6;
8° le nom du ou des agent(s) chargé(s) du suivi du déroulement de l'infraction;
9° la date de la demande;
10° la signature du dirigeant du service]3.
[3 § 4. Les infractions doivent être directement proportionnelles à l'objectif visé par la mission et ne peuvent en aucun cas porter atteinte à l'intégrité physique des personnes]3.
[3 § 5. L'agent qui assure le suivi du déroulement de l'infraction fait rapport par écrit au dirigeant du service dans les plus brefs délais après la commission de l'infraction.
Le service de renseignement et de sécurité concerné en informe la Commission par écrit dans les plus brefs délais.
Par dérogation à l'alinéa 2, si la mesure a été autorisée pour une période supérieure à deux mois, le service de renseignement et de sécurité concerné fait rapport toutes les deux semaines par écrit à la Commission sur le déroulement de la mesure.
A la demande motivée de la Commission, le rapport est transmis à plus courte échéance, pour autant que l'agent qui a commis l'infraction soit en sécurité pour le faire]3.
[3 § 6. En cas d'extrême urgence, le dirigeant du service demande l'accord verbal préalable du président de la Commission ou, s'il n'est pas joignable, d'un autre membre. L'auteur de l'accord en informe immédiatement les autres membres. Le dirigeant du service confirme sa demande par écrit dans les vingt-quatre heures suivant la communication de l'accord. Cette confirmation écrite comprend les mentions visées au paragraphe 3, alinéa 4. Le président ou le membre contacté confirme également son accord par écrit dans les plus brefs délais. Cet accord est valable cinq jours]3.
[3 § 7. Si, en raison de circonstances imprévisibles, les faits susceptibles d'être qualifiés infraction(s) ont été commis pour lesquels la procédure prévue aux paragraphes 3 ou 6 n'a pas pu être suivie, le dirigeant du service en informe la Commission par écrit dans les plus brefs délais et au plus tard dans les vingt-quatre heures qui suivent sa prise de connaissance de la commission des faits susceptibles d'être qualifiés infraction(s). L'agent qui a commis ces faits bénéficie de l'exemption de peine si la Commission estime qu'ils étaient imprévisibles et strictement nécessaires pour assurer sa propre sécurité ou celle de tiers.]3
[3 § 8. Si la Commission ne rend pas sa décision conformément aux paragraphes 3, 6 ou 7, le dirigeant du service concerné peut saisir le Comité permanent R qui autorisera ou n'autorisera pas la commission de(s) (l') infraction(s) dans les plus brefs délais.
En cas de décision négative de la Commission en application des paragraphes 3, 6 ou 7, le dirigeant du service concerné peut saisir le Comité permanent R. Le Comité permanent R autorisera ou n'autorisera pas la commission d'infraction(s) dans les plus brefs délais. Le Comité permanent R communique sa décision au dirigeant du service et à la Commission.]3
[3 § 9. La Commission transmet sans délai tous les documents visés aux paragraphes 3 à 7 au Comité permanent R.]3
[3 § 10. Le dirigeant du service met fin à la mesure dès que possible, lorsque l'absolue nécessité de commettre une infraction a disparu, lorsque la mesure n'est plus utile pour la finalité pour laquelle elle avait été demandée ou lorsqu'il a été constaté une illégalité. Il en informe dès que possible la Commission et le Comité permanent R.
Lorsque la Commission ou le Comité permanent R constate une illégalité, elle ou il en informe par écrit le dirigeant du service concerné. Ce dernier met fin à la mesure en cours ou planifiée dès que possible et confirme ensuite par écrit à la Commission et au Comité permanent R que la mesure a pris fin.]3
[3 § 11. Les membres de la Commission peuvent contrôler à tout moment la légalité des mesures.
Ils peuvent, à cet effet, avoir accès aux données relatives à la mesure, se saisir de toutes les pièces utiles et entendre les membres du service.]3
[3 § 2. Par dérogation au paragraphe 1er, sont exemptés de peine les agents qui commettent des contraventions, des infractions au code de la route ou un vol d'usage, qui sont absolument nécessaires afin d'assurer l'exécution optimale de la mission ou de garantir leur propre sécurité ou celle de tiers, lorsque ces agents sont:
1° chargés d'exécuter les méthodes de recueil de données; ou
2° membres de l'équipe d'intervention]3.
[3 § 3. Sans préjudice du paragraphe 2, sont exemptés de peine, les agents qui, lors de l'exécution des missions visées aux articles 7, 1° et 3° /1 et 11, § 1er, 1° à 3° et 5°, commettent des infractions absolument nécessaires afin d'assurer l'exécution optimale de leur mission ou de garantir leur propre sécurité ou celle de tiers.
Les infractions visées à l'alinéa 1er ne peuvent être commises qu'avec l'accord écrit préalable de la Commission. La Commission donne son accord écrit dans les quatre jours suivant la réception de la demande écrite et motivée du dirigeant du service.
L'accord ne peut porter sur une période supérieure à six mois, sans préjudice de la possibilité de prolonger la mesure en suivant la procédure visée à l'alinéa 2.
La demande du dirigeant du service mentionne, sous peine d'illégalité:
1° les faits susceptibles d'être qualifiés infraction(s);
2° le contexte de la demande et la finalité;
3° la liste des agents répondant au profil requis pour commettre les faits susceptibles d'être qualifiés infraction(s) visés au 1° ;
4° l'absolue nécessité;
5° la proportionnalité visée au paragraphe 4;
6° la période durant laquelle la ou les infractions peuvent être commises à compter de l'accord de la Commission et la motivation de la durée de la période;
7° le cas échéant, les motifs qui justifient l'extrême urgence visée au paragraphe 6;
8° le nom du ou des agent(s) chargé(s) du suivi du déroulement de l'infraction;
9° la date de la demande;
10° la signature du dirigeant du service]3.
[3 § 4. Les infractions doivent être directement proportionnelles à l'objectif visé par la mission et ne peuvent en aucun cas porter atteinte à l'intégrité physique des personnes]3.
[3 § 5. L'agent qui assure le suivi du déroulement de l'infraction fait rapport par écrit au dirigeant du service dans les plus brefs délais après la commission de l'infraction.
Le service de renseignement et de sécurité concerné en informe la Commission par écrit dans les plus brefs délais.
Par dérogation à l'alinéa 2, si la mesure a été autorisée pour une période supérieure à deux mois, le service de renseignement et de sécurité concerné fait rapport toutes les deux semaines par écrit à la Commission sur le déroulement de la mesure.
A la demande motivée de la Commission, le rapport est transmis à plus courte échéance, pour autant que l'agent qui a commis l'infraction soit en sécurité pour le faire]3.
[3 § 6. En cas d'extrême urgence, le dirigeant du service demande l'accord verbal préalable du président de la Commission ou, s'il n'est pas joignable, d'un autre membre. L'auteur de l'accord en informe immédiatement les autres membres. Le dirigeant du service confirme sa demande par écrit dans les vingt-quatre heures suivant la communication de l'accord. Cette confirmation écrite comprend les mentions visées au paragraphe 3, alinéa 4. Le président ou le membre contacté confirme également son accord par écrit dans les plus brefs délais. Cet accord est valable cinq jours]3.
[3 § 7. Si, en raison de circonstances imprévisibles, les faits susceptibles d'être qualifiés infraction(s) ont été commis pour lesquels la procédure prévue aux paragraphes 3 ou 6 n'a pas pu être suivie, le dirigeant du service en informe la Commission par écrit dans les plus brefs délais et au plus tard dans les vingt-quatre heures qui suivent sa prise de connaissance de la commission des faits susceptibles d'être qualifiés infraction(s). L'agent qui a commis ces faits bénéficie de l'exemption de peine si la Commission estime qu'ils étaient imprévisibles et strictement nécessaires pour assurer sa propre sécurité ou celle de tiers.]3
[3 § 8. Si la Commission ne rend pas sa décision conformément aux paragraphes 3, 6 ou 7, le dirigeant du service concerné peut saisir le Comité permanent R qui autorisera ou n'autorisera pas la commission de(s) (l') infraction(s) dans les plus brefs délais.
En cas de décision négative de la Commission en application des paragraphes 3, 6 ou 7, le dirigeant du service concerné peut saisir le Comité permanent R. Le Comité permanent R autorisera ou n'autorisera pas la commission d'infraction(s) dans les plus brefs délais. Le Comité permanent R communique sa décision au dirigeant du service et à la Commission.]3
[3 § 9. La Commission transmet sans délai tous les documents visés aux paragraphes 3 à 7 au Comité permanent R.]3
[3 § 10. Le dirigeant du service met fin à la mesure dès que possible, lorsque l'absolue nécessité de commettre une infraction a disparu, lorsque la mesure n'est plus utile pour la finalité pour laquelle elle avait été demandée ou lorsqu'il a été constaté une illégalité. Il en informe dès que possible la Commission et le Comité permanent R.
Lorsque la Commission ou le Comité permanent R constate une illégalité, elle ou il en informe par écrit le dirigeant du service concerné. Ce dernier met fin à la mesure en cours ou planifiée dès que possible et confirme ensuite par écrit à la Commission et au Comité permanent R que la mesure a pris fin.]3
[3 § 11. Les membres de la Commission peuvent contrôler à tout moment la légalité des mesures.
Ils peuvent, à cet effet, avoir accès aux données relatives à la mesure, se saisir de toutes les pièces utiles et entendre les membres du service.]3
Art. 13/1/1. [1 § 1. Het is de menselijke bronnen verboden strafbare feiten te plegen.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1, blijven vrij van straf, de meerderjarige menselijke bronnen die, in het belang van de uitoefening van de opdrachten van de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst, bedoeld in de artikelen 7, 1° en 3° /1 en 11, § 1, 1° tot 3° en 5°, strafbare feiten plegen die strikt noodzakelijk zijn ter verzekering van hun informatiepositie of ter verzekering van hun eigen veiligheid of die van derden.
De strafbare feiten kunnen slechts worden gepleegd na voorafgaand schriftelijk akkoord van de Commissie. De Commissie geeft haar schriftelijk akkoord binnen vier dagen na ontvangst van de schriftelijke en met redenen omklede vraag van het diensthoofd.
Het akkoord geldt voor een maximumtermijn van twee maanden, onverminderd de mogelijkheid om de maatregel te verlengen volgens de procedure bedoeld in het tweede lid.
Een risicoanalyse betreffende de betrouwbaarheid van de bron en de risico's waar zij zich aan blootstelt in het kader van het plegen van het strafbaar feit of de strafbare feiten moet worden uitgevoerd voorafgaand aan de vraag van het diensthoofd.
De vraag van het diensthoofd vermeldt, op straffe van onwettigheid:
1° de identificatiecode van de menselijke bron;
2° de feiten die als strafbaar feit of strafbare feiten kunnen worden gekwalificeerd;
3° de context van de vraag en de finaliteit;
4° de synthese van de risicoanalyse bedoeld in het vierde lid;
5° de strikte noodzakelijkheid;
6° de proportionaliteit bedoeld in paragraaf 3;
7° de strikte voorwaarden opgelegd aan de menselijke bron;
8° de periode tijdens dewelke strafbare feiten begaan kunnen worden en de motivering van de duur van deze periode;
9° in voorkomend geval, de redenen die de hoogdringendheid bedoeld in paragraaf 6 rechtvaardigen;
10° de naam van de agent(en) belast met de opvolging van het verloop van het strafbaar feit;
11° de datum van de vraag;
12° de handtekening van het diensthoofd.
§ 3. De strafbare feiten moeten in gelijke verhouding staan tot het door de opdracht nagestreefde doel en mogen in geen geval afbreuk doen aan de fysieke integriteit van personen.
§ 4. Vooraleer het toegelaten strafbaar feit kan worden gepleegd, ondertekent de menselijke bron een memorandum dat onder meer de nadere regels voor de tenuitvoerlegging en de verslaggeving bevat. Dit memorandum wordt bewaard in het individueel dossier van de menselijke bron.
Het memorandum wordt gedateerd en omvat onder meer de volgende vermeldingen:
1° de identificatiecode van de menselijke bron;
2° de wijze waarop het strafbaar feit ten uitvoer zal worden gelegd;
3° de instructies en de strikte voorwaarden in het kader waarvan het strafbaar feit mag worden gepleegd;
4° de rechten en plichten van de bron in het kader van het plegen van het toegelaten strafbaar feit;
Een afschrift van het memorandum wordt overgezonden aan de Commissie.
§ 5. Zodra het strafbaar feit gepleegd is en de menselijke bron in veiligheid is, brengt deze verslag uit aan de agent belast met de opvolging van het verloop van het strafbaar feit. Deze laatste informeert schriftelijk het diensthoofd dat, op zijn beurt, zo spoedig mogelijk de Commissie schriftelijk informeert.
Indien de maatregel werd toegestaan voor een periode langer dan twee weken, brengt de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst om de twee weken schriftelijk verslag uit aan de Commissie over het verloop van de maatregel.
Op een met redenen omkleed verzoek van de Commissie wordt het verslag op een kortere termijn overgezonden, voor zover de agent en de bron in veiligheid zijn.
§ 6. In geval van hoogdringendheid, wanneer uitzonderlijke omstandigheden en een ernstige potentiële dreiging dit rechtvaardigen, vraagt het diensthoofd het voorafgaand mondeling akkoord van de voorzitter van de Commissie of, indien hij niet bereikbaar is, van een ander lid. Diegene die het akkoord gegeven heeft, brengt de andere leden hiervan onmiddellijk op de hoogte. Het diensthoofd bevestigt zijn vraag schriftelijk binnen vierentwintig uur na mededeling van het akkoord. Deze schriftelijke bevestiging bevat de vermeldingen bedoeld in paragraaf 2, vijfde lid. De voorzitter of het gecontacteerde lid bevestigt eveneens zo spoedig mogelijk schriftelijk zijn akkoord. Dit akkoord geldt voor vijf dagen. De voorafgaandelijke voorwaarden bedoeld in de paragrafen 2 tot 4 zijn van toepassing op deze paragraaf.
§ 7. Indien de Commissie nalaat haar beslissing uit te brengen overeenkomstig de paragrafen 2 of 6, kan het betrokken diensthoofd het Vast Comité I vatten, dat zo spoedig mogelijk al dan niet de toestemming zal geven om het strafbaar feit of de strafbare feiten te plegen.
In geval van een negatieve beslissing van de Commissie overeenkomstig de paragrafen 2 of 6, kan het betrokken diensthoofd het Vast Comité I vatten. Het Vast Comité I zal zo spoedig mogelijk al dan niet de toestemming geven om het strafbaar feit of de strafbare feiten te plegen. Het Vast Comité I deelt zijn beslissing mee aan het diensthoofd en aan de Commissie.
§ 8. De Commissie zendt alle documenten bedoeld in de paragrafen 2 tot 6 onverwijld over aan het Vast Comité I.
§ 9. Het diensthoofd beëindigt de maatregel zo snel mogelijk, wanneer de absolute noodzaak om een strafbaar feit te plegen is weggevallen, wanneer de maatregel niet langer nuttig is voor het doel waarvoor hij werd aangevraagd of wanneer een onwettigheid is vastgesteld. Hij brengt zijn beslissing zo snel mogelijk ter kennis van de Commissie.
Indien de Commissie of het Vast Comité I een onwettigheid vaststelt, brengt zij of hij het betrokken diensthoofd hiervan schriftelijk op de hoogte. Deze laatste beëindigt zo snel mogelijk de geplande of lopende maatregel en bevestigt vervolgens schriftelijk aan de Commissie en aan het Vast Comité I dat de maatregel is beëindigd.
§ 10. De leden van de Commissie kunnen op elk ogenblik een controle uitoefenen op de wettigheid van de maatregelen.
Zij kunnen daartoe toegang hebben tot de papieren versie van de documenten met betrekking tot het plegen van een strafbaar feit of strafbare feiten door de bron en de agent horen die belast is met de opvolging van het verloop van het strafbaar feit, in het bijzijn van zijn hiërarchische meerdere, en ieder ander die verantwoordelijk is voor de behandeling van voornoemde bron. ]1
§ 2. In afwijking van paragraaf 1, blijven vrij van straf, de meerderjarige menselijke bronnen die, in het belang van de uitoefening van de opdrachten van de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst, bedoeld in de artikelen 7, 1° en 3° /1 en 11, § 1, 1° tot 3° en 5°, strafbare feiten plegen die strikt noodzakelijk zijn ter verzekering van hun informatiepositie of ter verzekering van hun eigen veiligheid of die van derden.
De strafbare feiten kunnen slechts worden gepleegd na voorafgaand schriftelijk akkoord van de Commissie. De Commissie geeft haar schriftelijk akkoord binnen vier dagen na ontvangst van de schriftelijke en met redenen omklede vraag van het diensthoofd.
Het akkoord geldt voor een maximumtermijn van twee maanden, onverminderd de mogelijkheid om de maatregel te verlengen volgens de procedure bedoeld in het tweede lid.
Een risicoanalyse betreffende de betrouwbaarheid van de bron en de risico's waar zij zich aan blootstelt in het kader van het plegen van het strafbaar feit of de strafbare feiten moet worden uitgevoerd voorafgaand aan de vraag van het diensthoofd.
De vraag van het diensthoofd vermeldt, op straffe van onwettigheid:
1° de identificatiecode van de menselijke bron;
2° de feiten die als strafbaar feit of strafbare feiten kunnen worden gekwalificeerd;
3° de context van de vraag en de finaliteit;
4° de synthese van de risicoanalyse bedoeld in het vierde lid;
5° de strikte noodzakelijkheid;
6° de proportionaliteit bedoeld in paragraaf 3;
7° de strikte voorwaarden opgelegd aan de menselijke bron;
8° de periode tijdens dewelke strafbare feiten begaan kunnen worden en de motivering van de duur van deze periode;
9° in voorkomend geval, de redenen die de hoogdringendheid bedoeld in paragraaf 6 rechtvaardigen;
10° de naam van de agent(en) belast met de opvolging van het verloop van het strafbaar feit;
11° de datum van de vraag;
12° de handtekening van het diensthoofd.
§ 3. De strafbare feiten moeten in gelijke verhouding staan tot het door de opdracht nagestreefde doel en mogen in geen geval afbreuk doen aan de fysieke integriteit van personen.
§ 4. Vooraleer het toegelaten strafbaar feit kan worden gepleegd, ondertekent de menselijke bron een memorandum dat onder meer de nadere regels voor de tenuitvoerlegging en de verslaggeving bevat. Dit memorandum wordt bewaard in het individueel dossier van de menselijke bron.
Het memorandum wordt gedateerd en omvat onder meer de volgende vermeldingen:
1° de identificatiecode van de menselijke bron;
2° de wijze waarop het strafbaar feit ten uitvoer zal worden gelegd;
3° de instructies en de strikte voorwaarden in het kader waarvan het strafbaar feit mag worden gepleegd;
4° de rechten en plichten van de bron in het kader van het plegen van het toegelaten strafbaar feit;
Een afschrift van het memorandum wordt overgezonden aan de Commissie.
§ 5. Zodra het strafbaar feit gepleegd is en de menselijke bron in veiligheid is, brengt deze verslag uit aan de agent belast met de opvolging van het verloop van het strafbaar feit. Deze laatste informeert schriftelijk het diensthoofd dat, op zijn beurt, zo spoedig mogelijk de Commissie schriftelijk informeert.
Indien de maatregel werd toegestaan voor een periode langer dan twee weken, brengt de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst om de twee weken schriftelijk verslag uit aan de Commissie over het verloop van de maatregel.
Op een met redenen omkleed verzoek van de Commissie wordt het verslag op een kortere termijn overgezonden, voor zover de agent en de bron in veiligheid zijn.
§ 6. In geval van hoogdringendheid, wanneer uitzonderlijke omstandigheden en een ernstige potentiële dreiging dit rechtvaardigen, vraagt het diensthoofd het voorafgaand mondeling akkoord van de voorzitter van de Commissie of, indien hij niet bereikbaar is, van een ander lid. Diegene die het akkoord gegeven heeft, brengt de andere leden hiervan onmiddellijk op de hoogte. Het diensthoofd bevestigt zijn vraag schriftelijk binnen vierentwintig uur na mededeling van het akkoord. Deze schriftelijke bevestiging bevat de vermeldingen bedoeld in paragraaf 2, vijfde lid. De voorzitter of het gecontacteerde lid bevestigt eveneens zo spoedig mogelijk schriftelijk zijn akkoord. Dit akkoord geldt voor vijf dagen. De voorafgaandelijke voorwaarden bedoeld in de paragrafen 2 tot 4 zijn van toepassing op deze paragraaf.
§ 7. Indien de Commissie nalaat haar beslissing uit te brengen overeenkomstig de paragrafen 2 of 6, kan het betrokken diensthoofd het Vast Comité I vatten, dat zo spoedig mogelijk al dan niet de toestemming zal geven om het strafbaar feit of de strafbare feiten te plegen.
In geval van een negatieve beslissing van de Commissie overeenkomstig de paragrafen 2 of 6, kan het betrokken diensthoofd het Vast Comité I vatten. Het Vast Comité I zal zo spoedig mogelijk al dan niet de toestemming geven om het strafbaar feit of de strafbare feiten te plegen. Het Vast Comité I deelt zijn beslissing mee aan het diensthoofd en aan de Commissie.
§ 8. De Commissie zendt alle documenten bedoeld in de paragrafen 2 tot 6 onverwijld over aan het Vast Comité I.
§ 9. Het diensthoofd beëindigt de maatregel zo snel mogelijk, wanneer de absolute noodzaak om een strafbaar feit te plegen is weggevallen, wanneer de maatregel niet langer nuttig is voor het doel waarvoor hij werd aangevraagd of wanneer een onwettigheid is vastgesteld. Hij brengt zijn beslissing zo snel mogelijk ter kennis van de Commissie.
Indien de Commissie of het Vast Comité I een onwettigheid vaststelt, brengt zij of hij het betrokken diensthoofd hiervan schriftelijk op de hoogte. Deze laatste beëindigt zo snel mogelijk de geplande of lopende maatregel en bevestigt vervolgens schriftelijk aan de Commissie en aan het Vast Comité I dat de maatregel is beëindigd.
§ 10. De leden van de Commissie kunnen op elk ogenblik een controle uitoefenen op de wettigheid van de maatregelen.
Zij kunnen daartoe toegang hebben tot de papieren versie van de documenten met betrekking tot het plegen van een strafbaar feit of strafbare feiten door de bron en de agent horen die belast is met de opvolging van het verloop van het strafbaar feit, in het bijzijn van zijn hiërarchische meerdere, en ieder ander die verantwoordelijk is voor de behandeling van voornoemde bron. ]1
Art. 13/1/1. [1 l est interdit aux sources humaines de commettre des infractions.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, sont exemptées de peine les sources humaines majeures d'âge qui, dans l'intérêt de l'exercice des missions du service de renseignement et de sécurité concerné, telles que visées aux articles 7, 1° et 3° /1 et 11, § 1er, 1° à 3° et 5°, commettent des infractions absolument nécessaires afin d'assurer leur position d'information ou de garantir leur propre sécurité ou celle de tiers.
Les infractions ne peuvent être commises qu'avec l'accord écrit préalable de la Commission. La Commission donne son accord écrit dans les quatre jours suivant la réception de la demande écrite et motivée du dirigeant du service.
L'accord ne peut porter sur une période supérieure à deux mois, sans préjudice de la possibilité de prolonger la mesure en suivant la procédure visée à l'alinéa 2.
Une analyse de risque(s) portant sur la fiabilité de la source et les risques qu'elle encourt dans le cadre de la commission de(s) (l')infraction(s) doit être réalisée préalablement à la demande du dirigeant du service.
La demande du dirigeant du service mentionne, sous peine d'illégalité:
1° le code d'identification de la source humaine;
2° les faits susceptibles d'être qualifiés infraction(s);
3° le contexte de la demande et la finalité;
4° la synthèse de l'analyse de risque(s) visée à l'alinéa 4;
5° l'absolue nécessité;
6° la proportionnalité visée au paragraphe 3;
7° les conditions strictes imposées à la source humaine;
8° la période durant laquelle la ou les infractions peuvent être commises et la motivation de la durée de la période;
9° le cas échéant, les motifs qui justifient l'extrême urgence visée au paragraphe 6;
10° le nom du ou des agent(s) chargé(s) du suivi du déroulement de l'infraction;
11° la date de la demande;
12° la signature du dirigeant du service.
§ 3. Les infractions doivent être directement proportionnelles à l'objectif visé par la mission et ne peuvent en aucun cas porter atteinte à l'intégrité physique des personnes.
§ 4. Avant que l'infraction autorisée ne puisse être commise, la source humaine signe un mémorandum contenant notamment les modalités de mise en oeuvre et de rapportage. Ce mémorandum est conservé dans le dossier individuel de la source humaine.
Le mémorandum est daté et inclut notamment les mentions suivantes:
1° le code d'identification de la source humaine;
2° la manière dont l'infraction sera mise en oeuvre;
3° les instructions et les conditions strictes dans le cadre desquelles l'infraction peut être commise;
4° les droits et les obligations de la source dans le cadre de la commission de l'infraction autorisée;
Une copie du mémorandum est transmise à la Commission.
§ 5. Dès que l'infraction a été commise et que la source humaine est en sécurité pour le faire, celle-ci fait rapport à l'agent chargé du suivi du déroulement de l'infraction. Ce dernier en informe par écrit le dirigeant du service qui, à son tour, informe par écrit la Commission dans les plus brefs délais.
Si la mesure a été autorisée pour une période supérieure à deux semaines, le service de renseignement et de sécurité concerné fait rapport toutes les deux semaines par écrit à la Commission sur le déroulement de la mesure.
A la demande motivée de la Commission, le rapport est transmis à plus courte échéance, pour autant que l'agent et la source soient en sécurité pour le faire.
§ 6. En cas d'extrême urgence, lorsque des circonstances exceptionnelles et une menace potentielle grave le justifient, le dirigeant du service demande l'accord verbal préalable du président de la Commission ou, s'il n'est pas joignable, d'un autre membre. L'auteur de l'accord en informe immédiatement les autres membres. Le dirigeant du service confirme sa demande par écrit dans les vingt-quatre heures suivant la communication de l'accord. Cette confirmation écrite comprend les mentions visées au paragraphe 2, alinéa 5. Le président ou le membre contacté confirme également son accord par écrit dans les plus brefs délais. Cet accord est valable cinq jours. Les conditions préalables visées aux paragraphes 2 à 4 s'appliquent au présent paragraphe.
§ 7. Si la Commission ne rend pas sa décision conformément aux paragraphes 2 ou 6, le dirigeant du service concerné peut saisir le Comité permanent R qui autorisera ou n'autorisera pas la commission de(s) (l')infraction(s) dans les plus brefs délais.
En cas de décision négative de la Commission en application des paragraphes 2 ou 6, le dirigeant du service concerné peut saisir le Comité permanent R. Le Comité permanent R autorisera ou n'autorisera pas la commission d'infraction(s) dans les plus brefs délais. Le Comité permanent R communique sa décision au dirigeant du service et à la Commission.
§ 8. La Commission transmet sans délai tous les documents visés aux paragraphes 2 à 6 au Comité permanent R.
§ 9. Le dirigeant du service met fin à la mesure dès que possible, lorsque l'absolue nécessité de commettre une infraction a disparu, lorsque la mesure n'est plus utile pour la finalité pour laquelle elle avait été demandée ou lorsqu'il a été constaté une illégalité. Il en informe dès que possible la Commission.
Lorsque la Commission ou le Comité permanent R constate une illégalité, elle ou il en informe par écrit le dirigeant du service concerné. Ce dernier met fin à la mesure en cours ou planifiée dès que possible et confirme ensuite par écrit à la Commission et au Comité permanent R que la mesure a pris fin.
§ 10. Les membres de la Commission peuvent contrôler à tout moment la légalité des mesures.
Ils peuvent, à cet effet, avoir accès à la version papier des documents en relation avec la commission d'infraction(s) par la source et entendre l'agent chargé du suivi du déroulement de l'infraction, en présence de son supérieur hiérarchique et de tout autre responsable de la gestion de ladite source. ]1
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, sont exemptées de peine les sources humaines majeures d'âge qui, dans l'intérêt de l'exercice des missions du service de renseignement et de sécurité concerné, telles que visées aux articles 7, 1° et 3° /1 et 11, § 1er, 1° à 3° et 5°, commettent des infractions absolument nécessaires afin d'assurer leur position d'information ou de garantir leur propre sécurité ou celle de tiers.
Les infractions ne peuvent être commises qu'avec l'accord écrit préalable de la Commission. La Commission donne son accord écrit dans les quatre jours suivant la réception de la demande écrite et motivée du dirigeant du service.
L'accord ne peut porter sur une période supérieure à deux mois, sans préjudice de la possibilité de prolonger la mesure en suivant la procédure visée à l'alinéa 2.
Une analyse de risque(s) portant sur la fiabilité de la source et les risques qu'elle encourt dans le cadre de la commission de(s) (l')infraction(s) doit être réalisée préalablement à la demande du dirigeant du service.
La demande du dirigeant du service mentionne, sous peine d'illégalité:
1° le code d'identification de la source humaine;
2° les faits susceptibles d'être qualifiés infraction(s);
3° le contexte de la demande et la finalité;
4° la synthèse de l'analyse de risque(s) visée à l'alinéa 4;
5° l'absolue nécessité;
6° la proportionnalité visée au paragraphe 3;
7° les conditions strictes imposées à la source humaine;
8° la période durant laquelle la ou les infractions peuvent être commises et la motivation de la durée de la période;
9° le cas échéant, les motifs qui justifient l'extrême urgence visée au paragraphe 6;
10° le nom du ou des agent(s) chargé(s) du suivi du déroulement de l'infraction;
11° la date de la demande;
12° la signature du dirigeant du service.
§ 3. Les infractions doivent être directement proportionnelles à l'objectif visé par la mission et ne peuvent en aucun cas porter atteinte à l'intégrité physique des personnes.
§ 4. Avant que l'infraction autorisée ne puisse être commise, la source humaine signe un mémorandum contenant notamment les modalités de mise en oeuvre et de rapportage. Ce mémorandum est conservé dans le dossier individuel de la source humaine.
Le mémorandum est daté et inclut notamment les mentions suivantes:
1° le code d'identification de la source humaine;
2° la manière dont l'infraction sera mise en oeuvre;
3° les instructions et les conditions strictes dans le cadre desquelles l'infraction peut être commise;
4° les droits et les obligations de la source dans le cadre de la commission de l'infraction autorisée;
Une copie du mémorandum est transmise à la Commission.
§ 5. Dès que l'infraction a été commise et que la source humaine est en sécurité pour le faire, celle-ci fait rapport à l'agent chargé du suivi du déroulement de l'infraction. Ce dernier en informe par écrit le dirigeant du service qui, à son tour, informe par écrit la Commission dans les plus brefs délais.
Si la mesure a été autorisée pour une période supérieure à deux semaines, le service de renseignement et de sécurité concerné fait rapport toutes les deux semaines par écrit à la Commission sur le déroulement de la mesure.
A la demande motivée de la Commission, le rapport est transmis à plus courte échéance, pour autant que l'agent et la source soient en sécurité pour le faire.
§ 6. En cas d'extrême urgence, lorsque des circonstances exceptionnelles et une menace potentielle grave le justifient, le dirigeant du service demande l'accord verbal préalable du président de la Commission ou, s'il n'est pas joignable, d'un autre membre. L'auteur de l'accord en informe immédiatement les autres membres. Le dirigeant du service confirme sa demande par écrit dans les vingt-quatre heures suivant la communication de l'accord. Cette confirmation écrite comprend les mentions visées au paragraphe 2, alinéa 5. Le président ou le membre contacté confirme également son accord par écrit dans les plus brefs délais. Cet accord est valable cinq jours. Les conditions préalables visées aux paragraphes 2 à 4 s'appliquent au présent paragraphe.
§ 7. Si la Commission ne rend pas sa décision conformément aux paragraphes 2 ou 6, le dirigeant du service concerné peut saisir le Comité permanent R qui autorisera ou n'autorisera pas la commission de(s) (l')infraction(s) dans les plus brefs délais.
En cas de décision négative de la Commission en application des paragraphes 2 ou 6, le dirigeant du service concerné peut saisir le Comité permanent R. Le Comité permanent R autorisera ou n'autorisera pas la commission d'infraction(s) dans les plus brefs délais. Le Comité permanent R communique sa décision au dirigeant du service et à la Commission.
§ 8. La Commission transmet sans délai tous les documents visés aux paragraphes 2 à 6 au Comité permanent R.
§ 9. Le dirigeant du service met fin à la mesure dès que possible, lorsque l'absolue nécessité de commettre une infraction a disparu, lorsque la mesure n'est plus utile pour la finalité pour laquelle elle avait été demandée ou lorsqu'il a été constaté une illégalité. Il en informe dès que possible la Commission.
Lorsque la Commission ou le Comité permanent R constate une illégalité, elle ou il en informe par écrit le dirigeant du service concerné. Ce dernier met fin à la mesure en cours ou planifiée dès que possible et confirme ensuite par écrit à la Commission et au Comité permanent R que la mesure a pris fin.
§ 10. Les membres de la Commission peuvent contrôler à tout moment la légalité des mesures.
Ils peuvent, à cet effet, avoir accès à la version papier des documents en relation avec la commission d'infraction(s) par la source et entendre l'agent chargé du suivi du déroulement de l'infraction, en présence de son supérieur hiérarchique et de tout autre responsable de la gestion de ladite source. ]1
Modifications
Art. 13/1/2. [1 § 1. In de toepassing van de artikelen 13/1 en 13/1/1, treedt de Commissie op volgens de nadere regels bedoeld in artikel 43/1.
§ 2. Blijven vrij van straf, de leden van de Commissie die een akkoord verlenen tot het plegen van strafbare feiten bedoeld in de artikelen 13/1 en 13/1/1.
§ 3. Blijven vrij van straf, de raadsleden en de medewerkers van het Vast Comité I wanneer zij hun toezicht uitoefenen binnen de toepassing van deze onderafdeling.
§ .4. Blijven vrij van straf, de agenten van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten die de agenten bedoeld in artikel 13/1 en de menselijke bronnen bedoeld in artikel 13/1/1, begeleiden of controleren. ]1
§ 2. Blijven vrij van straf, de leden van de Commissie die een akkoord verlenen tot het plegen van strafbare feiten bedoeld in de artikelen 13/1 en 13/1/1.
§ 3. Blijven vrij van straf, de raadsleden en de medewerkers van het Vast Comité I wanneer zij hun toezicht uitoefenen binnen de toepassing van deze onderafdeling.
§ .4. Blijven vrij van straf, de agenten van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten die de agenten bedoeld in artikel 13/1 en de menselijke bronnen bedoeld in artikel 13/1/1, begeleiden of controleren. ]1
Art. 13/1/2. [1 § 1er. Lors de l'application des articles 13/1 et 13/1/1, la Commission fonctionne selon les modalités visées à l'article 43/1.
§ 2. Sont exemptés de peine, les membres de la Commission qui autorisent la commission des infractions visées aux articles 13/1 et 13/1/1.
§ 3. Sont exemptés de peine, les membres et les collaborateurs du Comité permanent R, lorsqu'ils exercent leur contrôle dans le cadre de l'application de la présente sous-section.
§ 4. Sont exemptés de peine, les agents des services de renseignement et de sécurité qui encadrent ou contrôlent les agents visés à l'article 13/1 et les sources humaines visées à l'article 13/1/1. ]1
§ 2. Sont exemptés de peine, les membres de la Commission qui autorisent la commission des infractions visées aux articles 13/1 et 13/1/1.
§ 3. Sont exemptés de peine, les membres et les collaborateurs du Comité permanent R, lorsqu'ils exercent leur contrôle dans le cadre de l'application de la présente sous-section.
§ 4. Sont exemptés de peine, les agents des services de renseignement et de sécurité qui encadrent ou contrôlent les agents visés à l'article 13/1 et les sources humaines visées à l'article 13/1/1. ]1
Modifications
Onderafdeling 2. [1 Valse naam, valse hoedanigheid, fictieve identiteit en fictieve hoedanigheid ]1
Sous-section 2. [1 Faux nom, fausse qualité, identité fictive et qualité fictive ]1
Art. 13/2. [1 Een agent kan, om veiligheidsredenen verbonden aan de bescherming van zijn persoon of van derden, gebruik maken van [2 een valse naam, een valse hoedanigheid, een fictieve identiteit of een fictieve hoedanigheid]2, volgens de door de Koning [2 bepaalde]2 nadere regels.
De in het eerste lid bedoelde maatregel mag niet autonoom aangewend worden voor het verzamelen van gegevens.
Elk actief gebruik van een fictieve identiteit dient [2 ...]2 doelgericht te zijn en wordt vermeld in een lijst die maandelijks overgemaakt wordt aan het Vast Comité I.
De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen, in het kader van de aanmaak en het gebruik van een valse naam [2 , van een valse hoedanigheid,]2 [2 ...]2van een fictieve identiteit [2 of]2 hoedanigheid, valse documenten vervaardigen, laten vervaardigen en gebruiken.
Elke aanmaak van officiële documenten ten bewijze van een fictieve identiteit of hoedanigheid wordt gemachtigd door het diensthoofd en wordt ter kennis gebracht van het Vast Comité I.
In het kader van de uitvoering van de in dit artikel bedoelde maatregelen kunnen de inlichtingen- en veiligheidsdiensten de medewerking vorderen van de ambtenaren en agenten van de openbare diensten.]1
De in het eerste lid bedoelde maatregel mag niet autonoom aangewend worden voor het verzamelen van gegevens.
Elk actief gebruik van een fictieve identiteit dient [2 ...]2 doelgericht te zijn en wordt vermeld in een lijst die maandelijks overgemaakt wordt aan het Vast Comité I.
De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen, in het kader van de aanmaak en het gebruik van een valse naam [2 , van een valse hoedanigheid,]2 [2 ...]2van een fictieve identiteit [2 of]2 hoedanigheid, valse documenten vervaardigen, laten vervaardigen en gebruiken.
Elke aanmaak van officiële documenten ten bewijze van een fictieve identiteit of hoedanigheid wordt gemachtigd door het diensthoofd en wordt ter kennis gebracht van het Vast Comité I.
In het kader van de uitvoering van de in dit artikel bedoelde maatregelen kunnen de inlichtingen- en veiligheidsdiensten de medewerking vorderen van de ambtenaren en agenten van de openbare diensten.]1
Art. 13/2. [2 Un agent peut, pour des raisons de sécurité liées à la protection de sa personne ou de tiers, utiliser un [3 faux nom, une fausse qualité, une identité fictive ou une qualité fictive]3, selon les modalités fixées par le Roi.
La mesure visée à l'alinéa 1er ne peut pas être mise en oeuvre de manière autonome pour la collecte de données.
Chaque utilisation active d'une identité fictive doit être [3 ...]3 et orientée vers l'objectif et est mentionnée dans une liste transmise mensuellement au Comité permanent R.
Dans le cadre de la création et de l'utilisation d'un faux nom, [3 d'une fausse qualité,]3 d'une identité [3 ou]3 d'une qualité fictives, les services de renseignement et de sécurité peuvent fabriquer, faire fabriquer et utiliser des faux documents.
Chaque création de documents officiels attestant d'une identité ou d'une qualité fictive est autorisée par le dirigeant du service et notifiée au Comité permanent R.
Dans le cadre de l'exécution des mesures prévues au présent article, les services de renseignement et de sécurité peuvent requérir le concours des fonctionnaires et des agents des services publics.]2
La mesure visée à l'alinéa 1er ne peut pas être mise en oeuvre de manière autonome pour la collecte de données.
Chaque utilisation active d'une identité fictive doit être [3 ...]3 et orientée vers l'objectif et est mentionnée dans une liste transmise mensuellement au Comité permanent R.
Dans le cadre de la création et de l'utilisation d'un faux nom, [3 d'une fausse qualité,]3 d'une identité [3 ou]3 d'une qualité fictives, les services de renseignement et de sécurité peuvent fabriquer, faire fabriquer et utiliser des faux documents.
Chaque création de documents officiels attestant d'une identité ou d'une qualité fictive est autorisée par le dirigeant du service et notifiée au Comité permanent R.
Dans le cadre de l'exécution des mesures prévues au présent article, les services de renseignement et de sécurité peuvent requérir le concours des fonctionnaires et des agents des services publics.]2
Onderafdeling 3. [1 De oprichting en inzet van rechtspersonen ]1
Sous-section 3. [1 La création et l'utilisation de personnes morales ]1
Art. 13/3. [1 § 1. De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen rechtspersonen oprichten, volgens de door de Koning te bepalen nadere regels. Die nadere regels kunnen afwijken van de wettelijke bepalingen die van toepassing zijn in geval van ontbinding en vereffening van een rechtspersoon.
§ 2. De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen rechtspersonen inzetten ter ondersteuning van hun opdrachten.
Onverminderd het eerste lid, worden de nadere regels voor het inzetten van een rechtspersoon voor het verzamelen van gegevens bepaald in artikel 18/13.
§ 3. De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen, in het kader van de toepassing van paragrafen 1 en 2, valse documenten vervaardigen, laten vervaardigen en gebruiken.
§ 4. Elke oprichting van een rechtspersoon wordt gemachtigd door het diensthoofd en wordt ter kennis gebracht van het Vast Comité I.
Elke inzet van een rechtspersoon buiten het geval voorzien in artikel 18/13, wordt vermeld in een lijst die maandelijks overgemaakt wordt aan het Vast Comité I.
§ 5. In het kader van de uitvoering van dit artikel kunnen de inlichtingen- en veiligheidsdiensten de medewerking vorderen van de ambtenaren en agenten van de openbare diensten.]1
§ 2. De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen rechtspersonen inzetten ter ondersteuning van hun opdrachten.
Onverminderd het eerste lid, worden de nadere regels voor het inzetten van een rechtspersoon voor het verzamelen van gegevens bepaald in artikel 18/13.
§ 3. De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen, in het kader van de toepassing van paragrafen 1 en 2, valse documenten vervaardigen, laten vervaardigen en gebruiken.
§ 4. Elke oprichting van een rechtspersoon wordt gemachtigd door het diensthoofd en wordt ter kennis gebracht van het Vast Comité I.
Elke inzet van een rechtspersoon buiten het geval voorzien in artikel 18/13, wordt vermeld in een lijst die maandelijks overgemaakt wordt aan het Vast Comité I.
§ 5. In het kader van de uitvoering van dit artikel kunnen de inlichtingen- en veiligheidsdiensten de medewerking vorderen van de ambtenaren en agenten van de openbare diensten.]1
Art. 13/3. [2 § 1er. Les services de renseignement et de sécurité peuvent créer des personnes morales, selon les modalités fixées par le Roi. Ces modalités peuvent déroger aux dispositions légales applicables en cas de dissolution et de liquidation d'une personne morale.
§ 2. Les services de renseignement et de sécurité peuvent recourir à des personnes morales à l'appui de leurs missions.
Sans préjudice de l'alinéa 1er, les modalités du recours à une personne morale pour la collecte de données sont réglées à l'article 18/13.
§ 3. Dans le cadre de l'application des paragraphes 1er et 2, les services de renseignement et de sécurité peuvent fabriquer, faire fabriquer et utiliser des faux documents.
§ 4. Chaque création d'une personne morale est autorisée par le dirigeant du service et notifiée au Comité permanent R.
Chaque recours à une personne morale hors le cas visé à l'article 18/13 est mentionné dans une liste transmise mensuellement au Comité permanent R.
§ 5. Dans le cadre de l'application du présent article, les services de renseignement et de sécurité peuvent requérir le concours des fonctionnaires et des agents des services publics.]2
§ 2. Les services de renseignement et de sécurité peuvent recourir à des personnes morales à l'appui de leurs missions.
Sans préjudice de l'alinéa 1er, les modalités du recours à une personne morale pour la collecte de données sont réglées à l'article 18/13.
§ 3. Dans le cadre de l'application des paragraphes 1er et 2, les services de renseignement et de sécurité peuvent fabriquer, faire fabriquer et utiliser des faux documents.
§ 4. Chaque création d'une personne morale est autorisée par le dirigeant du service et notifiée au Comité permanent R.
Chaque recours à une personne morale hors le cas visé à l'article 18/13 est mentionné dans une liste transmise mensuellement au Comité permanent R.
§ 5. Dans le cadre de l'application du présent article, les services de renseignement et de sécurité peuvent requérir le concours des fonctionnaires et des agents des services publics.]2
Onderafdeling 4. [1 ]1Onderafdeling 3.
Sous-section 4. [1 Le concours de tiers ]1
Art. 13/4. [1 De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen de medewerking van derden verzoeken.
De diensten waken over de veiligheid van de gegevens die betrekking hebben op de derden die een medewerking aan hen verlenen of hebben verleend.
[2 De paragrafen [3 2 tot 6 en 8 tot 11]3 van artikel 13/1 zijn van toepassing op de derden die noodzakelijke en rechtstreekse hulp en bijstand verlenen voor de toepassing van deze wet]2.]1
[2 De verleende hulp en bijstand geschiedt te allen tijde onder het toezicht van de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst, die de leiding behoudt over de operatie.]2
De diensten waken over de veiligheid van de gegevens die betrekking hebben op de derden die een medewerking aan hen verlenen of hebben verleend.
[2 De paragrafen [3 2 tot 6 en 8 tot 11]3 van artikel 13/1 zijn van toepassing op de derden die noodzakelijke en rechtstreekse hulp en bijstand verlenen voor de toepassing van deze wet]2.]1
[2 De verleende hulp en bijstand geschiedt te allen tijde onder het toezicht van de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst, die de leiding behoudt over de operatie.]2
Art. 13/4. [1 Les services de renseignement et de sécurité peuvent solliciter le concours de tiers.
Les services veillent à la sécurité des données relatives aux tiers qui leur apportent ou leur ont apporté un concours.
[2 Les paragraphes 2 à 6 et [3 8 à 11]3 de l'article 13/1 s'appliquent aux tiers qui fournissent directement une aide ou une assistance nécessaire pour l'application de la présente loi]2.]1
[2 L'aide et l'assistance apportées se font toujours sous le contrôle du service de renseignement et de sécurité concerné, qui garde la direction de l'opération.]2
Les services veillent à la sécurité des données relatives aux tiers qui leur apportent ou leur ont apporté un concours.
[2 Les paragraphes 2 à 6 et [3 8 à 11]3 de l'article 13/1 s'appliquent aux tiers qui fournissent directement une aide ou une assistance nécessaire pour l'application de la présente loi]2.]1
[2 L'aide et l'assistance apportées se font toujours sous le contrôle du service de renseignement et de sécurité concerné, qui garde la direction de l'opération.]2
Afdeling 3. [1 - De samenloop met een opsporings- of gerechtelijk onderzoek.]1
Section 3. [1 - Concours avec une information ou une instruction judiciaire.]1
Art. 13/5. ]2 [1 De inlichtingen- en veiligheidsdiensten waken erover geen onderzoeken te voeren die een bewuste aantasting uitmaken van de [2 opdrachten van de bevoegde magistraat]2 en die het goede verloop van opsporingsonderzoeken of gerechtelijke onderzoeken kunnen schaden.
Wanneer een inlichtingen- en veiligheidsdienst een onderzoek instelt dat een weerslag kan hebben op een opsporings- of gerechtelijk onderzoek, mag deze dienst, indien hij de in artikel 18/2 bedoelde methoden voor het verzamelen van gegevens aanwendt, dit gerechtelijk- of opsporingsonderzoek niet schaden.
De inlichtingen- en veiligheidsdienst brengt de commissie hiervan op de hoogte. Onverminderd de overeenkomsten gesloten met de gerechtelijke overheden, beslist de commissie, in overleg met [2 ...]2 de bevoegde magistraat en het hoofd van de betrokken dienst [2 of de agent die hij daartoe machtigt]2, of en volgens welke nadere regels de inlichtingen- en veiligheidsdienst het onderzoek kan voortzetten. De commissie brengt het Vast Comité I op de hoogte van haar beslissing. De inlichtingen- en veiligheidsdienst voert zijn opdracht uit overeenkomstig de beslissing van de commissie. De commissie ziet toe op de naleving van haar beslissing.]1
Wanneer een inlichtingen- en veiligheidsdienst een onderzoek instelt dat een weerslag kan hebben op een opsporings- of gerechtelijk onderzoek, mag deze dienst, indien hij de in artikel 18/2 bedoelde methoden voor het verzamelen van gegevens aanwendt, dit gerechtelijk- of opsporingsonderzoek niet schaden.
De inlichtingen- en veiligheidsdienst brengt de commissie hiervan op de hoogte. Onverminderd de overeenkomsten gesloten met de gerechtelijke overheden, beslist de commissie, in overleg met [2 ...]2 de bevoegde magistraat en het hoofd van de betrokken dienst [2 of de agent die hij daartoe machtigt]2, of en volgens welke nadere regels de inlichtingen- en veiligheidsdienst het onderzoek kan voortzetten. De commissie brengt het Vast Comité I op de hoogte van haar beslissing. De inlichtingen- en veiligheidsdienst voert zijn opdracht uit overeenkomstig de beslissing van de commissie. De commissie ziet toe op de naleving van haar beslissing.]1
Art. 13/5. ]2 [1 Les services de renseignement et de sécurité veillent à ne pas mener d'enquête portant atteinte délibérément aux [2 missions du magistrat compétent]2 et risquant d'entraver le bon déroulement d'une information ou d'une instruction judiciaire.
Lorsqu'un service de renseignement et de sécurité procède à une investigation qui peut avoir une incidence sur une information ou une instruction judiciaire, ce service, s'il met en oeuvre les méthodes de recueil de données visées à l'article 18/2, ne peut porter préjudice à ladite information ou instruction judiciaire.
Le service de renseignement et de sécurité en informe la commission. Sans préjudice des accords conclus avec les autorités judiciaires, la commission décide, en concertation avec [2 ...]2 le magistrat compétent et le dirigeant du service concerné [2 ou l'agent qu'il délègue à cet effet]2, si et selon quelles modalités le service de renseignement et de sécurité peut continuer ses investigations. Elle informe le Comité permanent R de sa décision. Le service de renseignement et de sécurité exécute sa mission conformément à la décision de la commission. La commission veille au respect de sa décision.]1
Lorsqu'un service de renseignement et de sécurité procède à une investigation qui peut avoir une incidence sur une information ou une instruction judiciaire, ce service, s'il met en oeuvre les méthodes de recueil de données visées à l'article 18/2, ne peut porter préjudice à ladite information ou instruction judiciaire.
Le service de renseignement et de sécurité en informe la commission. Sans préjudice des accords conclus avec les autorités judiciaires, la commission décide, en concertation avec [2 ...]2 le magistrat compétent et le dirigeant du service concerné [2 ou l'agent qu'il délègue à cet effet]2, si et selon quelles modalités le service de renseignement et de sécurité peut continuer ses investigations. Elle informe le Comité permanent R de sa décision. Le service de renseignement et de sécurité exécute sa mission conformément à la décision de la commission. La commission veille au respect de sa décision.]1
Afdeling 3/1. [1 - Vorderingen tot bewaring.]1
Section 3/1. [1 - Réquisitions de conservation.]1
Art. 13/6. [1 § 1. De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen, in het belang van de uitoefening van hun opdrachten, de medewerking vorderen van een operator van een elektronisch communicatienetwerk of een verstrekker van een elektronische communicatiedienst om over te gaan tot:
1° de bewaring van de verkeers- en lokalisatiegegevens van elektronische communicatiemiddelen waarover hij beschikt op het tijdstip van de vordering;
2° de bewaring van de verkeers- en lokalisatiegegevens die hij op basis van de vordering genereert en verwerkt.
De in het eerste lid bedoelde vordering is gebaseerd op een schriftelijke en met redenen omklede beslissing van het diensthoofd of zijn gedelegeerde.
§ 2. De in paragraaf 1, eerste lid, bedoelde vordering vermeldt:
1° de aard van de verkeers- en lokalisatiegegevens die moeten worden bewaard;
2° de personen, groeperingen, geografische gebieden, communicatiemiddelen en/of gebruikswijze waarvan de verkeers- en lokalisatiegegevens moeten bewaard worden;
3° voor de maatregel bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 1°, de bewaartermijn van de gegevens, die niet langer mag zijn dan zes maanden, te rekenen vanaf de datum van de vordering, onverminderd de mogelijkheid tot verlenging volgens dezelfde procedure;
4° voor de maatregel bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 2° :
- de duur van de maatregel, die niet langer mag zijn dan zes maanden, te rekenen vanaf de datum van de vordering, onverminderd de mogelijkheid tot verlenging volgens dezelfde procedure;
- de bewaartermijn van gegevens, die niet langer mag zijn dan zes maanden, te rekenen vanaf de datum van de communicatie, onverminderd de mogelijkheid tot verlenging volgens dezelfde procedure;
5° de datum van de vordering;
6° de handtekening van het diensthoofd of van zijn gedelegeerde.
§ 3. In geval van hoogdringendheid kan het diensthoofd of zijn gedelegeerde de bewaring mondeling vorderen. Deze mondelinge vordering wordt schriftelijk bevestigd uiterlijk op de eerstvolgende werkdag.
§ 4. De inlichtingen- en veiligheidsdiensten houden een register bij van alle vorderingen tot bewaring.
Elke beslissing tot vordering en de motivering ervan worden ter kennis gebracht van het Vast Comité I. Indien het Vast Comité I een onwettigheid vaststelt, maakt het een einde aan de vordering.
Indien de vordering voortijdig wordt beëindigd, wordt de gevorderde operator van een elektronisch communicatienetwerk of de verstrekker van een elektronische communicatiedienst daarvan zo spoedig mogelijk op de hoogte gebracht.
§ 5. Voor de uitvoering van de vordering kan het diensthoofd of zijn gedelegeerde de medewerking vorderen van het Instituut bedoeld in artikel 2, 1°, van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie, alsook van de personen waarvan hij veronderstelt dat zij over een nuttige technische deskundigheid beschikken. Deze vordering gebeurt schriftelijk en vermeldt de wettelijke grondslag.
§ 6. Eenieder die weigert zijn medewerking te verlenen aan de in de paragrafen 1 en 5 bedoelde vorderingen, wordt gestraft met een geldboete van zesentwintig euro tot twintigduizend euro.
§ 7. De Koning kan, op voorstel van de minister van Justitie, de minister van Landsverdediging en de minister bevoegd voor de Elektronische Communicatie, de nadere regels bepalen voor de samenwerking van de operatoren van een elektronisch communicatienetwerk of de verstrekkers van een elektronische communicatiedienst.]1
1° de bewaring van de verkeers- en lokalisatiegegevens van elektronische communicatiemiddelen waarover hij beschikt op het tijdstip van de vordering;
2° de bewaring van de verkeers- en lokalisatiegegevens die hij op basis van de vordering genereert en verwerkt.
De in het eerste lid bedoelde vordering is gebaseerd op een schriftelijke en met redenen omklede beslissing van het diensthoofd of zijn gedelegeerde.
§ 2. De in paragraaf 1, eerste lid, bedoelde vordering vermeldt:
1° de aard van de verkeers- en lokalisatiegegevens die moeten worden bewaard;
2° de personen, groeperingen, geografische gebieden, communicatiemiddelen en/of gebruikswijze waarvan de verkeers- en lokalisatiegegevens moeten bewaard worden;
3° voor de maatregel bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 1°, de bewaartermijn van de gegevens, die niet langer mag zijn dan zes maanden, te rekenen vanaf de datum van de vordering, onverminderd de mogelijkheid tot verlenging volgens dezelfde procedure;
4° voor de maatregel bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 2° :
- de duur van de maatregel, die niet langer mag zijn dan zes maanden, te rekenen vanaf de datum van de vordering, onverminderd de mogelijkheid tot verlenging volgens dezelfde procedure;
- de bewaartermijn van gegevens, die niet langer mag zijn dan zes maanden, te rekenen vanaf de datum van de communicatie, onverminderd de mogelijkheid tot verlenging volgens dezelfde procedure;
5° de datum van de vordering;
6° de handtekening van het diensthoofd of van zijn gedelegeerde.
§ 3. In geval van hoogdringendheid kan het diensthoofd of zijn gedelegeerde de bewaring mondeling vorderen. Deze mondelinge vordering wordt schriftelijk bevestigd uiterlijk op de eerstvolgende werkdag.
§ 4. De inlichtingen- en veiligheidsdiensten houden een register bij van alle vorderingen tot bewaring.
Elke beslissing tot vordering en de motivering ervan worden ter kennis gebracht van het Vast Comité I. Indien het Vast Comité I een onwettigheid vaststelt, maakt het een einde aan de vordering.
Indien de vordering voortijdig wordt beëindigd, wordt de gevorderde operator van een elektronisch communicatienetwerk of de verstrekker van een elektronische communicatiedienst daarvan zo spoedig mogelijk op de hoogte gebracht.
§ 5. Voor de uitvoering van de vordering kan het diensthoofd of zijn gedelegeerde de medewerking vorderen van het Instituut bedoeld in artikel 2, 1°, van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie, alsook van de personen waarvan hij veronderstelt dat zij over een nuttige technische deskundigheid beschikken. Deze vordering gebeurt schriftelijk en vermeldt de wettelijke grondslag.
§ 6. Eenieder die weigert zijn medewerking te verlenen aan de in de paragrafen 1 en 5 bedoelde vorderingen, wordt gestraft met een geldboete van zesentwintig euro tot twintigduizend euro.
§ 7. De Koning kan, op voorstel van de minister van Justitie, de minister van Landsverdediging en de minister bevoegd voor de Elektronische Communicatie, de nadere regels bepalen voor de samenwerking van de operatoren van een elektronisch communicatienetwerk of de verstrekkers van een elektronische communicatiedienst.]1
Art. 13/6. [1 § 1er. Les services de renseignement et de sécurité peuvent, dans l'intérêt de l'exercice de leurs missions, requérir le concours d'un opérateur de réseaux de communications électroniques ou d'un fournisseur de services de communications électroniques pour procéder à:
1° la conservation des données de trafic et de localisation de moyens de communications électroniques qui sont à sa disposition au moment de la réquisition;
2° la conservation des données de trafic et de localisation qu'il génère et traite à partir de la réquisition.
La réquisition visée à l'alinéa 1er repose sur une décision écrite et motivée du dirigeant du service ou de son délégué.
§ 2. La réquisition visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, mentionne:
1° la nature des données de trafic et de localisation à conserver;
2° les personnes, les groupements, les zones géographiques, les moyens de communication et/ou le mode d'utilisation dont les données de trafic et de localisation doivent être conservées;
3° pour la mesure visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, le délai de conservation des données, qui ne peut excéder six mois à compter de la date de la réquisition, sans préjudice de la possibilité de prolongation en suivant la même procédure;
4° pour la mesure visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, 2° :
- la durée de la mesure, qui ne peut excéder six mois à compter de la date de la réquisition, sans préjudice de la possibilité de prolongation en suivant la même procédure;
- le délai de conservation des données, qui ne peut excéder six mois à compter de la date de la communication, sans préjudice de la possibilité de prolongation en suivant la même procédure;
5° la date de la réquisition;
6° la signature du dirigeant du service ou de son délégué.
§ 3. En cas d'extrême urgence, le dirigeant du service ou son délégué peut requérir la conservation verbalement. Cette réquisition verbale est confirmée par écrit au plus tard le premier jour ouvrable qui suit.
§ 4. Les services de renseignement et de sécurité tiennent un registre de toutes les réquisitions de conservation.
Chaque décision de réquisition est notifiée avec sa motivation au Comité permanent R. Lorsqu'il constate une illégalité, le Comité permanent R met fin à la réquisition.
Lorsqu'il est mis fin prématurément à la réquisition, l'opérateur d'un réseau de communications électroniques ou le fournisseur d'un service de communications électroniques requis en est averti le plus rapidement possible.
§ 5. Pour l'exécution de la réquisition, le dirigeant du service ou son délégué peut requérir le concours de l'Institut visé à l'article 2, 1°, de la loi du 13 juin 2005 relative aux communications électroniques, ainsi que des personnes dont il présume qu'elles ont une expertise technique utile. Cette réquisition est écrite et mentionne la base légale.
§ 6. Toute personne qui refuse de prêter son concours aux réquisitions visées aux paragraphes 1er et 5 est punie d'une amende de vingt-six euros à vingt mille euros.
§ 7. Le Roi peut déterminer, sur proposition du ministre de la Justice, du ministre de la Défense et du ministre qui a les Communications électroniques dans ses attributions, les modalités de collaboration des opérateurs d'un réseau de communications électroniques ou des fournisseurs d'un service de communications électroniques.]1
1° la conservation des données de trafic et de localisation de moyens de communications électroniques qui sont à sa disposition au moment de la réquisition;
2° la conservation des données de trafic et de localisation qu'il génère et traite à partir de la réquisition.
La réquisition visée à l'alinéa 1er repose sur une décision écrite et motivée du dirigeant du service ou de son délégué.
§ 2. La réquisition visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, mentionne:
1° la nature des données de trafic et de localisation à conserver;
2° les personnes, les groupements, les zones géographiques, les moyens de communication et/ou le mode d'utilisation dont les données de trafic et de localisation doivent être conservées;
3° pour la mesure visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, le délai de conservation des données, qui ne peut excéder six mois à compter de la date de la réquisition, sans préjudice de la possibilité de prolongation en suivant la même procédure;
4° pour la mesure visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, 2° :
- la durée de la mesure, qui ne peut excéder six mois à compter de la date de la réquisition, sans préjudice de la possibilité de prolongation en suivant la même procédure;
- le délai de conservation des données, qui ne peut excéder six mois à compter de la date de la communication, sans préjudice de la possibilité de prolongation en suivant la même procédure;
5° la date de la réquisition;
6° la signature du dirigeant du service ou de son délégué.
§ 3. En cas d'extrême urgence, le dirigeant du service ou son délégué peut requérir la conservation verbalement. Cette réquisition verbale est confirmée par écrit au plus tard le premier jour ouvrable qui suit.
§ 4. Les services de renseignement et de sécurité tiennent un registre de toutes les réquisitions de conservation.
Chaque décision de réquisition est notifiée avec sa motivation au Comité permanent R. Lorsqu'il constate une illégalité, le Comité permanent R met fin à la réquisition.
Lorsqu'il est mis fin prématurément à la réquisition, l'opérateur d'un réseau de communications électroniques ou le fournisseur d'un service de communications électroniques requis en est averti le plus rapidement possible.
§ 5. Pour l'exécution de la réquisition, le dirigeant du service ou son délégué peut requérir le concours de l'Institut visé à l'article 2, 1°, de la loi du 13 juin 2005 relative aux communications électroniques, ainsi que des personnes dont il présume qu'elles ont une expertise technique utile. Cette réquisition est écrite et mentionne la base légale.
§ 6. Toute personne qui refuse de prêter son concours aux réquisitions visées aux paragraphes 1er et 5 est punie d'une amende de vingt-six euros à vingt mille euros.
§ 7. Le Roi peut déterminer, sur proposition du ministre de la Justice, du ministre de la Défense et du ministre qui a les Communications électroniques dans ses attributions, les modalités de collaboration des opérateurs d'un réseau de communications électroniques ou des fournisseurs d'un service de communications électroniques.]1
Modifications
Art. 13/7. [1 § 1. De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen, in het belang van de uitoefening van hun opdrachten en in geval van een reële en actuele of voorzienbare ernstige dreiging tegen de nationale veiligheid, de medewerking vorderen van de operatoren van een elektronisch communicatienetwerk en de verstrekkers van een elektronische communicatiedienst om over te gaan tot de algemene en ongedifferentieerde bewaring van de door hen gegenereerde en verwerkte verkeers- en lokalisatiegegevens van elektronische communicatiemiddelen.
§ 2. De in paragraaf 1 bedoelde vordering kan enkel ingesteld worden mits een voorafgaand schriftelijk akkoord van de commissie. De commissie geeft haar akkoord binnen vier dagen na ontvangst van de schriftelijke en gemotiveerde vraag van het diensthoofd.
§ 3. De vraag van het diensthoofd om een vordering tot bewaring in te stellen vermeldt, op straffe van onwettigheid:
1° de ernstige dreiging tegen de nationale veiligheid die reëel en actueel of voorzienbaar is;
2° de feitelijke omstandigheden die de ongedifferentieerde en algemene bewaring van de verkeers- en lokalisatiegegevens rechtvaardigen;
3° de aard van de verkeers- en lokalisatiegegevens die moeten worden bewaard;
4° de duur van de bewaringsmaatregel, die niet langer mag zijn dan zes maanden, te rekenen vanaf de datum van de vordering. Hij kan volgens dezelfde procedure worden verlengd;
5° de bewaartermijn van de gegevens, die niet langer mag zijn dan zes maanden, te rekenen vanaf de datum van de communicatie. Hij kan volgens dezelfde procedure worden verlengd;
6° in voorkomend geval, de redenen die de in paragraaf 5 bedoelde hoogdringendheid rechtvaardigen;
7° de datum van de vraag;
8° de handtekening van het diensthoofd.
§ 4. De in paragraaf 1 bedoelde vordering vermeldt:
1° de datum van het akkoord van de commissie;
2° de aard van de verkeers- en lokalisatiegegevens die moeten worden bewaard;
3° de duur van de maatregel en de bewaartermijn van de gegevens;
4° de datum van de vordering;
5° de handtekening van het diensthoofd of zijn gedelegeerde.
§ 5. In geval van hoogdringendheid vraagt het diensthoofd vooraf om het mondelinge akkoord van de voorzitter van de commissie of, indien deze niet beschikbaar is, een ander lid van de commissie. De auteur van het akkoord informeert onmiddellijk de andere commissieleden. Het diensthoofd bevestigt zijn vraag schriftelijk binnen vierentwintig uur volgend op het akkoord. De voorzitter of het gecontacteerde lid bevestigt eveneens zo spoedig mogelijk schriftelijk zijn akkoord. Dit akkoord is gedurende vijf dagen geldig.
§ 6. De vordering tot een algemene en ongedifferentieerde bewaring wordt bevestigd bij koninklijk besluit.
Het koninklijk besluit vermeldt enkel:
1° de datum van het akkoord van de commissie;
2° de datum van de vordering;
3° de aard van de verkeers- en lokalisatiegegevens die moeten worden bewaard;
4° de duur van de maatregel en de bewaartermijn van de gegevens.
Bij gebrek aan bevestiging bij koninklijk besluit binnen een maand na de vordering, eindigt deze vordering.
De gevorderde operatoren van een elektronisch communicatienetwerk en verstrekkers van een elektronische communicatiedienst worden hiervan zo spoedig mogelijk op de hoogte gebracht.
§ 7. Voor de uitvoering van de vordering kan het diensthoofd de medewerking vorderen van het Instituut bedoeld in artikel 2, 1°, van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie, alsook van de personen waarvan hij veronderstelt dat zij over een nuttige technische deskundigheid beschikken. Deze vordering gebeurt schriftelijk en vermeldt de wettelijke grondslag en het akkoord van de commissie.
§ 8. Eenieder die weigert zijn medewerking te verlenen aan de in de paragrafen 1 en 7 bedoelde vorderingen wordt gestraft met een geldboete van zesentwintig euro tot twintigduizend euro.
§ 9. De commissie geeft onverwijld de vraag van het diensthoofd en haar akkoord door aan het Vast Comité I.
§ 10. De inlichtingen- en veiligheidsdienst brengt om de twee weken verslag uit aan de commissie over de evolutie van de dreiging. Dit verslag belicht de elementen die ofwel de handhaving van de algemene en ongedifferentieerde bewaring, ofwel de beëindiging ervan, rechtvaardigen.
§ 11. Het diensthoofd beëindigt de vordering, niettegenstaande de bevestiging bij koninklijk besluit, wanneer de bewaring niet langer van nut is voor de bestrijding van de reële en actuele of voorzienbare ernstige dreiging tegen de nationale veiligheid, wanneer deze dreiging is verdwenen of wanneer hij een onwettigheid vaststelt.
Wanneer de commissie of het Vast Comité I een onwettigheid vaststelt, wordt een einde gemaakt aan de vordering niettegenstaande de bevestiging bij koninklijk besluit.
Indien de vordering voortijdig wordt beëindigd, worden de gevorderde operatoren van een elektronisch communicatienetwerk of de verstrekkers van een elektronische communicatiedienst daarvan zo spoedig mogelijk op de hoogte gebracht.
§ 12. De Koning bepaalt, op voorstel van de minister van Justitie, de minister van Landsverdediging en de minister bevoegd voor de Elektronische Communicatie, de nadere regels voor de samenwerking van de operatoren van een elektronisch communicatienetwerk of de verstrekkers van een elektronische communicatiedienst.]1
§ 2. De in paragraaf 1 bedoelde vordering kan enkel ingesteld worden mits een voorafgaand schriftelijk akkoord van de commissie. De commissie geeft haar akkoord binnen vier dagen na ontvangst van de schriftelijke en gemotiveerde vraag van het diensthoofd.
§ 3. De vraag van het diensthoofd om een vordering tot bewaring in te stellen vermeldt, op straffe van onwettigheid:
1° de ernstige dreiging tegen de nationale veiligheid die reëel en actueel of voorzienbaar is;
2° de feitelijke omstandigheden die de ongedifferentieerde en algemene bewaring van de verkeers- en lokalisatiegegevens rechtvaardigen;
3° de aard van de verkeers- en lokalisatiegegevens die moeten worden bewaard;
4° de duur van de bewaringsmaatregel, die niet langer mag zijn dan zes maanden, te rekenen vanaf de datum van de vordering. Hij kan volgens dezelfde procedure worden verlengd;
5° de bewaartermijn van de gegevens, die niet langer mag zijn dan zes maanden, te rekenen vanaf de datum van de communicatie. Hij kan volgens dezelfde procedure worden verlengd;
6° in voorkomend geval, de redenen die de in paragraaf 5 bedoelde hoogdringendheid rechtvaardigen;
7° de datum van de vraag;
8° de handtekening van het diensthoofd.
§ 4. De in paragraaf 1 bedoelde vordering vermeldt:
1° de datum van het akkoord van de commissie;
2° de aard van de verkeers- en lokalisatiegegevens die moeten worden bewaard;
3° de duur van de maatregel en de bewaartermijn van de gegevens;
4° de datum van de vordering;
5° de handtekening van het diensthoofd of zijn gedelegeerde.
§ 5. In geval van hoogdringendheid vraagt het diensthoofd vooraf om het mondelinge akkoord van de voorzitter van de commissie of, indien deze niet beschikbaar is, een ander lid van de commissie. De auteur van het akkoord informeert onmiddellijk de andere commissieleden. Het diensthoofd bevestigt zijn vraag schriftelijk binnen vierentwintig uur volgend op het akkoord. De voorzitter of het gecontacteerde lid bevestigt eveneens zo spoedig mogelijk schriftelijk zijn akkoord. Dit akkoord is gedurende vijf dagen geldig.
§ 6. De vordering tot een algemene en ongedifferentieerde bewaring wordt bevestigd bij koninklijk besluit.
Het koninklijk besluit vermeldt enkel:
1° de datum van het akkoord van de commissie;
2° de datum van de vordering;
3° de aard van de verkeers- en lokalisatiegegevens die moeten worden bewaard;
4° de duur van de maatregel en de bewaartermijn van de gegevens.
Bij gebrek aan bevestiging bij koninklijk besluit binnen een maand na de vordering, eindigt deze vordering.
De gevorderde operatoren van een elektronisch communicatienetwerk en verstrekkers van een elektronische communicatiedienst worden hiervan zo spoedig mogelijk op de hoogte gebracht.
§ 7. Voor de uitvoering van de vordering kan het diensthoofd de medewerking vorderen van het Instituut bedoeld in artikel 2, 1°, van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie, alsook van de personen waarvan hij veronderstelt dat zij over een nuttige technische deskundigheid beschikken. Deze vordering gebeurt schriftelijk en vermeldt de wettelijke grondslag en het akkoord van de commissie.
§ 8. Eenieder die weigert zijn medewerking te verlenen aan de in de paragrafen 1 en 7 bedoelde vorderingen wordt gestraft met een geldboete van zesentwintig euro tot twintigduizend euro.
§ 9. De commissie geeft onverwijld de vraag van het diensthoofd en haar akkoord door aan het Vast Comité I.
§ 10. De inlichtingen- en veiligheidsdienst brengt om de twee weken verslag uit aan de commissie over de evolutie van de dreiging. Dit verslag belicht de elementen die ofwel de handhaving van de algemene en ongedifferentieerde bewaring, ofwel de beëindiging ervan, rechtvaardigen.
§ 11. Het diensthoofd beëindigt de vordering, niettegenstaande de bevestiging bij koninklijk besluit, wanneer de bewaring niet langer van nut is voor de bestrijding van de reële en actuele of voorzienbare ernstige dreiging tegen de nationale veiligheid, wanneer deze dreiging is verdwenen of wanneer hij een onwettigheid vaststelt.
Wanneer de commissie of het Vast Comité I een onwettigheid vaststelt, wordt een einde gemaakt aan de vordering niettegenstaande de bevestiging bij koninklijk besluit.
Indien de vordering voortijdig wordt beëindigd, worden de gevorderde operatoren van een elektronisch communicatienetwerk of de verstrekkers van een elektronische communicatiedienst daarvan zo spoedig mogelijk op de hoogte gebracht.
§ 12. De Koning bepaalt, op voorstel van de minister van Justitie, de minister van Landsverdediging en de minister bevoegd voor de Elektronische Communicatie, de nadere regels voor de samenwerking van de operatoren van een elektronisch communicatienetwerk of de verstrekkers van een elektronische communicatiedienst.]1
Art. 13/7. [1 § 1er. Les services de renseignement et de sécurité peuvent, dans l'intérêt de l'exercice de leurs missions et lorsqu'il existe une menace grave pour la sécurité nationale qui s'avère réelle et actuelle ou prévisible, requérir le concours des opérateurs d'un réseau de communications électroniques et des fournisseurs d'un service de communications électroniques afin de procéder à la conservation généralisée et indifférenciée des données de trafic et de localisation de moyens de communications électroniques générées et traitées par eux.
§ 2. La réquisition visée au paragraphe 1er ne peut avoir lieu qu'avec l'accord écrit préalable de la commission. La commission donne son accord dans les quatre jours suivant la réception de la demande écrite et motivée du dirigeant du service.
§ 3. La demande du dirigeant du service de requérir la conservation mentionne, sous peine d'illégalité:
1° la menace grave pour la sécurité nationale qui s'avère réelle et actuelle ou prévisible;
2° les circonstances de fait qui justifient la conservation généralisée et indifférenciée des données de trafic et de localisation;
3° la nature des données de trafic et de localisation à conserver;
4° la durée de la mesure de conservation, qui ne peut excéder six mois à compter de la date de la réquisition. Elle peut être prolongée en suivant la même procédure;
5° le délai de conservation des données, qui ne peut excéder six mois à compter de la date de la communication. Il peut être prolongé en suivant la même procédure;
6° le cas échéant, les motifs qui justifient l'extrême urgence visée au paragraphe 5;
7° la date de la demande;
8° la signature du dirigeant du service.
§ 4. La réquisition visée au paragraphe 1er mentionne:
1° la date de l'accord de la commission;
2° la nature des données de trafic et de localisation à conserver;
3° la durée de la mesure et le délai de conservation des données;
4° la date de la réquisition;
5° la signature du dirigeant du service ou de son délégué.
§ 5. En cas d'extrême urgence, le dirigeant du service demande l'accord verbal préalable du président de la commission ou, en cas d'indisponibilité, d'un autre membre de la commission. L'auteur de l'accord en informe immédiatement les autres membres de la commission. Le dirigeant du service confirme sa demande par écrit dans les vingt-quatre heures suivant l'accord. Le président ou le membre contacté confirme également son accord par écrit le plus rapidement possible. Cet accord est valable cinq jours.
§ 6. La réquisition de conservation généralisée et indifférenciée est confirmée par arrêté royal.
L'arrêté royal ne mentionne que:
1° la date de l'accord de la commission;
2° la date de la réquisition;
3° la nature des données de trafic et de localisation à conserver;
4° la durée de la mesure et le délai de conservation des données.
En l'absence de confirmation par arrêté royal dans le mois de la réquisition, cette réquisition prend fin.
Les opérateurs d'un réseau de communications électroniques et les fournisseurs d'un service de communications électroniques requis en sont avertis le plus rapidement possible.
§ 7. Pour l'exécution de la réquisition, le dirigeant du service peut requérir le concours de l'Institut visé à l'article 2, 1°, de la loi du 13 juin 2005 relative aux communications électroniques, ainsi que des personnes dont il présume qu'elles ont une expertise technique utile. Cette réquisition est écrite et mentionne la base légale et l'accord de la commission.
§ 8. Toute personne qui refuse de prêter son concours aux réquisitions visées aux paragraphes 1er et 7 est punie d'une amende de vingt-six euros à vingt mille euros.
§ 9. La commission transmet sans délai la demande du dirigeant du service et son accord au Comité permanent R.
§ 10. Le service de renseignement et de sécurité fait rapport à la commission toutes les deux semaines sur l'évolution de la menace. Ce rapport met en évidence les éléments qui justifient soit le maintien de la conservation généralisée et indifférenciée, soit la fin de celle-ci.
§ 11. Le dirigeant du service met fin à la réquisition, nonobstant la confirmation par arrêté royal, lorsque la conservation n'est plus utile pour lutter contre la menace grave pour la sécurité nationale qui s'avère réelle et actuelle ou prévisible, lorsque cette menace a disparu ou lorsqu'il constate une illégalité.
Lorsque la commission ou le Comité permanent R constate une illégalité, il est mis fin à la réquisition nonobstant la confirmation par arrêté royal.
Lorsqu'il est mis fin prématurément à la réquisition, les opérateurs d'un réseau de communications électroniques ou les fournisseurs d'un service de communications électroniques requis en sont avertis le plus rapidement possible.
§ 12. Le Roi détermine, sur proposition du ministre de la Justice, du ministre de la Défense et du ministre qui a les Communications électroniques dans ses attributions, les modalités de collaboration des opérateurs d'un réseau de communications électroniques ou des fournisseurs d'un service de communications électroniques.]1
§ 2. La réquisition visée au paragraphe 1er ne peut avoir lieu qu'avec l'accord écrit préalable de la commission. La commission donne son accord dans les quatre jours suivant la réception de la demande écrite et motivée du dirigeant du service.
§ 3. La demande du dirigeant du service de requérir la conservation mentionne, sous peine d'illégalité:
1° la menace grave pour la sécurité nationale qui s'avère réelle et actuelle ou prévisible;
2° les circonstances de fait qui justifient la conservation généralisée et indifférenciée des données de trafic et de localisation;
3° la nature des données de trafic et de localisation à conserver;
4° la durée de la mesure de conservation, qui ne peut excéder six mois à compter de la date de la réquisition. Elle peut être prolongée en suivant la même procédure;
5° le délai de conservation des données, qui ne peut excéder six mois à compter de la date de la communication. Il peut être prolongé en suivant la même procédure;
6° le cas échéant, les motifs qui justifient l'extrême urgence visée au paragraphe 5;
7° la date de la demande;
8° la signature du dirigeant du service.
§ 4. La réquisition visée au paragraphe 1er mentionne:
1° la date de l'accord de la commission;
2° la nature des données de trafic et de localisation à conserver;
3° la durée de la mesure et le délai de conservation des données;
4° la date de la réquisition;
5° la signature du dirigeant du service ou de son délégué.
§ 5. En cas d'extrême urgence, le dirigeant du service demande l'accord verbal préalable du président de la commission ou, en cas d'indisponibilité, d'un autre membre de la commission. L'auteur de l'accord en informe immédiatement les autres membres de la commission. Le dirigeant du service confirme sa demande par écrit dans les vingt-quatre heures suivant l'accord. Le président ou le membre contacté confirme également son accord par écrit le plus rapidement possible. Cet accord est valable cinq jours.
§ 6. La réquisition de conservation généralisée et indifférenciée est confirmée par arrêté royal.
L'arrêté royal ne mentionne que:
1° la date de l'accord de la commission;
2° la date de la réquisition;
3° la nature des données de trafic et de localisation à conserver;
4° la durée de la mesure et le délai de conservation des données.
En l'absence de confirmation par arrêté royal dans le mois de la réquisition, cette réquisition prend fin.
Les opérateurs d'un réseau de communications électroniques et les fournisseurs d'un service de communications électroniques requis en sont avertis le plus rapidement possible.
§ 7. Pour l'exécution de la réquisition, le dirigeant du service peut requérir le concours de l'Institut visé à l'article 2, 1°, de la loi du 13 juin 2005 relative aux communications électroniques, ainsi que des personnes dont il présume qu'elles ont une expertise technique utile. Cette réquisition est écrite et mentionne la base légale et l'accord de la commission.
§ 8. Toute personne qui refuse de prêter son concours aux réquisitions visées aux paragraphes 1er et 7 est punie d'une amende de vingt-six euros à vingt mille euros.
§ 9. La commission transmet sans délai la demande du dirigeant du service et son accord au Comité permanent R.
§ 10. Le service de renseignement et de sécurité fait rapport à la commission toutes les deux semaines sur l'évolution de la menace. Ce rapport met en évidence les éléments qui justifient soit le maintien de la conservation généralisée et indifférenciée, soit la fin de celle-ci.
§ 11. Le dirigeant du service met fin à la réquisition, nonobstant la confirmation par arrêté royal, lorsque la conservation n'est plus utile pour lutter contre la menace grave pour la sécurité nationale qui s'avère réelle et actuelle ou prévisible, lorsque cette menace a disparu ou lorsqu'il constate une illégalité.
Lorsque la commission ou le Comité permanent R constate une illégalité, il est mis fin à la réquisition nonobstant la confirmation par arrêté royal.
Lorsqu'il est mis fin prématurément à la réquisition, les opérateurs d'un réseau de communications électroniques ou les fournisseurs d'un service de communications électroniques requis en sont avertis le plus rapidement possible.
§ 12. Le Roi détermine, sur proposition du ministre de la Justice, du ministre de la Défense et du ministre qui a les Communications électroniques dans ses attributions, les modalités de collaboration des opérateurs d'un réseau de communications électroniques ou des fournisseurs d'un service de communications électroniques.]1
Modifications
Afdeling 4. [1 - De methoden voor het verzamelen van gegevens.]1
Section 4. [1 - Des méthodes de recueil de données.]1
Onderafdeling 1.]2 - [1 Gewone methoden voor het verzamelen van gegevens.]1
Sous-section 1.]2 [1 - Des méthodes ordinaires de recueil de données.]1
Art. 14. [2 ...]2 [2 De gerechtelijke overheden]2, de ambtenaren en agenten van de openbare diensten [1 , die van de politiediensten inbegrepen,]1 [2 kunnen]2 uit eigen beweging aan de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst [2 de informatie meedelen die nuttig is voor de uitvoering van zijn opdrachten]2.
[1 Op verzoek van een inlichtingen- en veiligheidsdienst, delen de gerechtelijke overheden, de ambtenaren en agenten van de openbare diensten, die van de politiediensten inbegrepen, aan de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst, [2 ...]2 [2 de informatie mee die nuttig is voor de uitvoering van zijn opdrachten]2.]1
[1 Wanneer de gerechtelijke overheden, de ambtenaren en de agenten van de openbare diensten, die van de politiediensten inbegrepen, van oordeel zijn dat het meedelen van de informatie bedoeld in het tweede lid van aard is afbreuk te doen aan een lopend opsporings- of gerechtelijk onderzoek, of aan de verzameling van gegevens overeenkomstig de [3 wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten]3, of iemand in zijn persoonlijke fysieke integriteit kan schaden, kunnen zij binnen vijf werkdagen na ontvangst van de aanvraag deze mededeling weigeren en delen zij de redenen hiervan schriftelijk mee.]1
[1 Met inachtneming van de geldende wetgeving kunnen de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, overeenkomstig de door de Koning vastgelegde algemene nadere regels, toegang krijgen tot de gegevensbanken van de openbare sector die nuttig zijn voor de uitoefening van hun opdrachten.]1
[1 Op verzoek van een inlichtingen- en veiligheidsdienst, delen de gerechtelijke overheden, de ambtenaren en agenten van de openbare diensten, die van de politiediensten inbegrepen, aan de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst, [2 ...]2 [2 de informatie mee die nuttig is voor de uitvoering van zijn opdrachten]2.]1
[1 Wanneer de gerechtelijke overheden, de ambtenaren en de agenten van de openbare diensten, die van de politiediensten inbegrepen, van oordeel zijn dat het meedelen van de informatie bedoeld in het tweede lid van aard is afbreuk te doen aan een lopend opsporings- of gerechtelijk onderzoek, of aan de verzameling van gegevens overeenkomstig de [3 wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten]3, of iemand in zijn persoonlijke fysieke integriteit kan schaden, kunnen zij binnen vijf werkdagen na ontvangst van de aanvraag deze mededeling weigeren en delen zij de redenen hiervan schriftelijk mee.]1
[1 Met inachtneming van de geldende wetgeving kunnen de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, overeenkomstig de door de Koning vastgelegde algemene nadere regels, toegang krijgen tot de gegevensbanken van de openbare sector die nuttig zijn voor de uitoefening van hun opdrachten.]1
Art. 14. [2 Les autorités judiciaires]2 les fonctionnaires et les agents des services publics [1 , y compris des services de police,]1 peuvent communiquer d'initiative au Service de Renseignement et de Sécurité concerné les informations utiles à l'exécution de ses missions.
[1 A la requête d'un service de renseignement et de sécurité, les autorités judiciaires, les fonctionnaires et les agents des services publics, y compris des services de police, communiquent au service de renseignement et de sécurité concerné, [2 ....]2 les informations utiles à l'exécution de ses missions.]1
[1 Lorsque les autorités judiciaires, les fonctionnaires et les agents des services publics, y compris les services de police, estiment que la communication des informations visées à l'alinéa 2 est de nature à porter atteinte à une information ou à une instruction judiciaire en cours ou à la récolte d'informations visée par la [3 loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces]3, ou qu'elle est susceptible de nuire à l'intégrité physique d'une personne, ils peuvent refuser cette communication dans les cinq jours ouvrables de la demande, en exposant leurs raisons par écrit.]1
[1 Dans le respect de la législation en vigueur, les services de renseignement et de sécurité peuvent selon les modalités générales fixées par le Roi, avoir accès aux banques de données du secteur public utiles à l'exécution de leurs missions.]1
[1 A la requête d'un service de renseignement et de sécurité, les autorités judiciaires, les fonctionnaires et les agents des services publics, y compris des services de police, communiquent au service de renseignement et de sécurité concerné, [2 ....]2 les informations utiles à l'exécution de ses missions.]1
[1 Lorsque les autorités judiciaires, les fonctionnaires et les agents des services publics, y compris les services de police, estiment que la communication des informations visées à l'alinéa 2 est de nature à porter atteinte à une information ou à une instruction judiciaire en cours ou à la récolte d'informations visée par la [3 loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces]3, ou qu'elle est susceptible de nuire à l'intégrité physique d'une personne, ils peuvent refuser cette communication dans les cinq jours ouvrables de la demande, en exposant leurs raisons par écrit.]1
[1 Dans le respect de la législation en vigueur, les services de renseignement et de sécurité peuvent selon les modalités générales fixées par le Roi, avoir accès aux banques de données du secteur public utiles à l'exécution de leurs missions.]1
Art. 15. De regels voor de mededeling van de gegevens die voorkomen in de bevolkings- en vreemdelingenregisters alsook in het wachtregister van de vreemdelingen, worden vastgesteld bij een in ministerraad overlegd koninklijk besluit.
Art. 15. Les modalités de communication des informations contenues dans les registres de la population et des étrangers ainsi que dans le registre d'attente des étrangers sont fixées par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres.
Art. 16. [1 De personen en organisaties die behoren tot de privésector kunnen, onverminderd artikel 2, § 2, uit eigen beweging aan de inlichtingen- en veiligheidsdiensten de informatie en persoonsgegevens meedelen die nuttig zijn voor de uitvoering van hun opdrachten.
De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen, in het belang van de uitoefening van hun opdrachten, onverminderd artikel 2, § 2, informatie en persoonsgegevens inwinnen bij personen en organisaties die behoren tot de privésector.]1
De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen, in het belang van de uitoefening van hun opdrachten, onverminderd artikel 2, § 2, informatie en persoonsgegevens inwinnen bij personen en organisaties die behoren tot de privésector.]1
Modifications
Art. 16. [1 Sans préjudice de l'article 2, § 2, les personnes et organisations relevant du secteur privé peuvent communiquer d'initiative aux services de renseignement et de sécurité, les informations et les données à caractère personnel utiles à l'exercice de leurs missions.
Dans l'intérêt de l'exercice de leurs missions, sans préjudice de l'article 2, § 2, les services de renseignement et de sécurité peuvent collecter auprès des personnes et organisations relevant du secteur privé des informations et des données à caractère personnel.]1
Dans l'intérêt de l'exercice de leurs missions, sans préjudice de l'article 2, § 2, les services de renseignement et de sécurité peuvent collecter auprès des personnes et organisations relevant du secteur privé des informations et des données à caractère personnel.]1
Modifications
Art. 16/1. [1 § 1. De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen, in het belang van de uitoefening van hun opdrachten, zonder behulp van technische middelen het volgende observeren:
1° voor het publiek toegankelijke plaatsen;
2° personen en voorwerpen die zich daar bevinden;
3° gebeurtenissen die daar plaatsvinden.
§ 2. De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen, in het belang van de uitoefening van hun opdrachten, zonder behulp van technische middelen:
1° voor het publiek toegankelijke plaatsen doorzoeken;
2° ter plaatse de inhoud doorzoeken van niet-vergrendelde voorwerpen die zich daar bevinden en die niet bewaakt zijn door de bezitter.]1
1° voor het publiek toegankelijke plaatsen;
2° personen en voorwerpen die zich daar bevinden;
3° gebeurtenissen die daar plaatsvinden.
§ 2. De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen, in het belang van de uitoefening van hun opdrachten, zonder behulp van technische middelen:
1° voor het publiek toegankelijke plaatsen doorzoeken;
2° ter plaatse de inhoud doorzoeken van niet-vergrendelde voorwerpen die zich daar bevinden en die niet bewaakt zijn door de bezitter.]1
Modifications
Art. 16/1. [1 § 1er. Dans l'intérêt de l'exercice de leurs missions, les services de renseignement et de sécurité peuvent observer, sans moyen technique:
1° des lieux accessibles au public;
2° des personnes et objets qui s'y trouvent;
3° des événements qui s'y déroulent.
§ 2. Dans l'intérêt de l'exercice de leurs missions, les services de renseignement et de sécurité peuvent, sans moyen technique:
1° inspecter des lieux accessibles au public;
2° inspecter sur place le contenu d'objets non verrouillés qui s'y trouvent et qui ne sont pas surveillés par le possesseur.]1
1° des lieux accessibles au public;
2° des personnes et objets qui s'y trouvent;
3° des événements qui s'y déroulent.
§ 2. Dans l'intérêt de l'exercice de leurs missions, les services de renseignement et de sécurité peuvent, sans moyen technique:
1° inspecter des lieux accessibles au public;
2° inspecter sur place le contenu d'objets non verrouillés qui s'y trouvent et qui ne sont pas surveillés par le possesseur.]1
Modifications
Art. 16/2. [2 § 1.]2 [1 De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen, in het belang van de uitoefening van hun opdrachten, de medewerking vorderen van een operator van een elektronisch communicatienetwerk of de verstrekker van een elektronische communicatiedienst om over te gaan tot :
1° het identificeren van de abonnee of de gewoonlijke gebruiker van een elektronische communicatiedienst of van het gebruikte elektronische communicatiemiddel;
2° het identificeren van de elektronische communicatiediensten en -middelen waarop een bepaald persoon is geabonneerd of die door een bepaald persoon gewoonlijk worden gebruikt.
De vordering gebeurt schriftelijk door het diensthoofd of zijn gedelegeerde. In geval van hoogdringendheid kan het diensthoofd of zijn gedelegeerde deze gegevens mondeling vorderen. Deze mondelinge vordering wordt binnen vierentwintig uur bevestigd door een schriftelijke vordering.
Iedere operator van een elektronisch communicatienetwerk en iedere verstrekker van een elektronische communicatiedienst die wordt gevorderd, verstrekt aan het diensthoofd of zijn gedelegeerde de gegevens waar om werd verzocht binnen een termijn en overeenkomstig de nadere regels te bepalen bij koninklijk besluit genomen op het voorstel van de minister van Justitie, de minister van Landsverdediging en de minister bevoegd voor de elektronische communicatie.
Het diensthoofd of zijn gedelegeerde kan, mits naleving van de principes van proportionaliteit en subsidiariteit en mits de registratie van de raadpleging, de bedoelde gegevens ook verkrijgen met behulp van toegang tot de klantenbestanden van de operator of van de dienstenverstrekker. De Koning bepaalt, op voorstel van de minister van Justitie, de minister van Landsverdediging en de minister bevoegd voor de elektronische communicatie, de technische voorwaarden waaronder deze toegang mogelijk is.
[2 § 2. [3 De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen, in het belang van de uitoefening van hun opdrachten en met het oog op de identificatie van de abonnee of de gewoonlijke gebruiker van een elektronische communicatiedienst, de medewerking vorderen van:
1° de personen of instellingen bedoeld in artikel 5, § 1, eerste lid, 3° tot 22° van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten en van de personen of instellingen die, binnen het Belgisch grondgebied, diensten beschikbaar stellen of aanbieden met betrekking tot virtuele waarden die toelaten dat gereglementeerde betaalmiddelen in virtuele waarden worden uitgewisseld, op basis van de referentie van een elektronische banktransactie die voorafgaandelijk meegedeeld is door een operator of verstrekker met toepassing van paragraaf 1;
2° andere rechtspersonen die de abonnee zijn van een operator of verstrekker zoals bedoeld in paragraaf 1 of die zich in naam en voor rekening van natuurlijke personen abonneren op een elektronische communicatiedienst, op basis van gegevens die voorafgaand meegedeeld zijn door een operator of verstrekker in toepassing van paragraaf 1.]3
De vordering gebeurt schriftelijk door het diensthoofd of zijn afgevaardigde. In geval van hoogdringendheid kan het diensthoofd of zijn gedelegeerde deze gegevens mondeling vorderen. Deze mondelinge vordering wordt binnen de vierentwintig uur bevestigd door een schriftelijke vordering.
[3 Iedere persoon en iedere instelling]3 die wordt gevorderd, verstrekt aan het diensthoofd of zijn afgevaardigde onverwijld de gegevens waar om werd verzocht.
De identificatiegegevens die de inlichtingen- en veiligheidsdiensten binnen het uitoefenen van de in deze paragraaf bedoelde methode ontvangen, zijn beperkt tot de identificatiegegevens bedoeld in paragraaf 1.]2
[2 § 3.]2 Eenieder die weigert de aldus gevraagde gegevens mee te delen of de vereiste toegang te verschaffen, wordt gestraft met geldboete van zesentwintig euro tot tienduizend euro.
[2 § 4.]2 Beide inlichtingen- en veiligheidsdiensten houden een register bij van alle gevorderde identificaties en van alle via rechtstreekse toegang verkregen identificaties. Het Vast Comité I ontvangt van [2 de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst]2 maandelijks een lijst van de gevorderde identificaties en van elke toegang.]1
1° het identificeren van de abonnee of de gewoonlijke gebruiker van een elektronische communicatiedienst of van het gebruikte elektronische communicatiemiddel;
2° het identificeren van de elektronische communicatiediensten en -middelen waarop een bepaald persoon is geabonneerd of die door een bepaald persoon gewoonlijk worden gebruikt.
De vordering gebeurt schriftelijk door het diensthoofd of zijn gedelegeerde. In geval van hoogdringendheid kan het diensthoofd of zijn gedelegeerde deze gegevens mondeling vorderen. Deze mondelinge vordering wordt binnen vierentwintig uur bevestigd door een schriftelijke vordering.
Iedere operator van een elektronisch communicatienetwerk en iedere verstrekker van een elektronische communicatiedienst die wordt gevorderd, verstrekt aan het diensthoofd of zijn gedelegeerde de gegevens waar om werd verzocht binnen een termijn en overeenkomstig de nadere regels te bepalen bij koninklijk besluit genomen op het voorstel van de minister van Justitie, de minister van Landsverdediging en de minister bevoegd voor de elektronische communicatie.
Het diensthoofd of zijn gedelegeerde kan, mits naleving van de principes van proportionaliteit en subsidiariteit en mits de registratie van de raadpleging, de bedoelde gegevens ook verkrijgen met behulp van toegang tot de klantenbestanden van de operator of van de dienstenverstrekker. De Koning bepaalt, op voorstel van de minister van Justitie, de minister van Landsverdediging en de minister bevoegd voor de elektronische communicatie, de technische voorwaarden waaronder deze toegang mogelijk is.
[2 § 2. [3 De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen, in het belang van de uitoefening van hun opdrachten en met het oog op de identificatie van de abonnee of de gewoonlijke gebruiker van een elektronische communicatiedienst, de medewerking vorderen van:
1° de personen of instellingen bedoeld in artikel 5, § 1, eerste lid, 3° tot 22° van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten en van de personen of instellingen die, binnen het Belgisch grondgebied, diensten beschikbaar stellen of aanbieden met betrekking tot virtuele waarden die toelaten dat gereglementeerde betaalmiddelen in virtuele waarden worden uitgewisseld, op basis van de referentie van een elektronische banktransactie die voorafgaandelijk meegedeeld is door een operator of verstrekker met toepassing van paragraaf 1;
2° andere rechtspersonen die de abonnee zijn van een operator of verstrekker zoals bedoeld in paragraaf 1 of die zich in naam en voor rekening van natuurlijke personen abonneren op een elektronische communicatiedienst, op basis van gegevens die voorafgaand meegedeeld zijn door een operator of verstrekker in toepassing van paragraaf 1.]3
De vordering gebeurt schriftelijk door het diensthoofd of zijn afgevaardigde. In geval van hoogdringendheid kan het diensthoofd of zijn gedelegeerde deze gegevens mondeling vorderen. Deze mondelinge vordering wordt binnen de vierentwintig uur bevestigd door een schriftelijke vordering.
[3 Iedere persoon en iedere instelling]3 die wordt gevorderd, verstrekt aan het diensthoofd of zijn afgevaardigde onverwijld de gegevens waar om werd verzocht.
De identificatiegegevens die de inlichtingen- en veiligheidsdiensten binnen het uitoefenen van de in deze paragraaf bedoelde methode ontvangen, zijn beperkt tot de identificatiegegevens bedoeld in paragraaf 1.]2
[2 § 3.]2 Eenieder die weigert de aldus gevraagde gegevens mee te delen of de vereiste toegang te verschaffen, wordt gestraft met geldboete van zesentwintig euro tot tienduizend euro.
[2 § 4.]2 Beide inlichtingen- en veiligheidsdiensten houden een register bij van alle gevorderde identificaties en van alle via rechtstreekse toegang verkregen identificaties. Het Vast Comité I ontvangt van [2 de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst]2 maandelijks een lijst van de gevorderde identificaties en van elke toegang.]1
Art. 16/2. [2 § 1er.]2 [1 Les services de renseignement et de sécurité peuvent, dans l'intérêt de l'exercice de leurs missions, requérir le concours d'un opérateur de réseaux de communications électroniques ou d'un fournisseur de services de communications électroniques pour procéder à :
1° l'identification de l'abonné ou de l'utilisateur habituel d'un service de communication électronique ou du moyen de communication électronique utilisé;
2° l'identification des services et des moyens de communications électroniques auxquels une personne déterminée est abonnée ou qui sont habituellement utilisés par une personne déterminée.
La réquisition est effectuée par écrit par le [2 dirigeant]2 de service ou son délégué. En cas d'urgence, le [2 dirigeant]2 de service ou son délégué peut requérir ces données verbalement. Cette réquisition verbale est confirmée dans un délai de vingt-quatre heures par une réquisition écrite.
Tout opérateur d'un réseau de communications électroniques et tout fournisseur d'un service de communications électroniques qui est requis donne au [2 dirigeant]2 de service ou à son délégué les données qui ont été demandées dans un délai et selon les modalités à fixer par un arrêté royal pris sur la proposition du ministre de la Justice, du ministre de la Défense et du ministre qui a les communications électroniques dans ses attributions.
Le [2 dirigeant]2 de service ou son délégué peut, dans le respect des principes de proportionnalité et de subsidiarité, et moyennant l'enregistrement de la consultation, également obtenir les données visées au moyen d'un accès aux fichiers des clients de l'opérateur ou du fournisseur du service. Le Roi fixe, sur la proposition du ministre de la Justice, du ministre de la Défense et du ministre qui a les communications électroniques dans ses attributions, les conditions techniques auxquelles cet accès est possible.
[2 § 2. [3 Les services de renseignement et de sécurité peuvent, dans l'intérêt de l'exercice de leurs missions, pour procéder à l'identification de l'abonné ou de l'utilisateur habituel d'un service de communications électroniques, requérir le concours:
1° des personnes ou institutions visées à l'article 5, § 1er, alinéa 1er, 3° à 22°, de la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces et des personnes ou institutions qui, sur le territoire belge, mettent à disposition ou proposent des services en lien avec les valeurs virtuelles permettant d'échanger des moyens de paiement réglementés en valeurs virtuelles, sur la base de la référence d'une transaction bancaire électronique qui a préalablement été communiquée par un opérateur ou un fournisseur en application du paragraphe 1er;
2° des autres personnes morales qui sont l'abonné d'un opérateur ou d'un fournisseur visés au paragraphe 1er ou qui souscrivent au nom et pour le compte de personnes physiques à un service de communications électroniques, sur la base des données qui ont été préalablement communiquées par un opérateur ou un fournisseur en application du paragraphe 1er.]3
La réquisition est effectuée par écrit par le dirigeant de service ou son délégué. En cas d'urgence, le dirigeant de service ou son délégué peut requérir ces données verbalement. Cette réquisition verbale est confirmée dans un délai de vingt-quatre heures par une réquisition écrite.
[3 Toute personne et toute institution]3 qui est requise donne sans délai au dirigeant de service ou à son délégué les données qui ont été demandées.
Les données d'identification que les services de renseignement et de sécurité reçoivent dans le cadre de l'exercice de la méthode visée au présent paragraphe, se limitent aux données d'identification visées au paragraphe 1er .]2
[2 § 3.]2 Toute personne qui refuse de communiquer les données ainsi demandées ou de fournir l'accès requis est punie d'une amende de vingt-six euros à dix mille euros.
[2 § 4.]2 Les services de renseignement et de sécurité tiennent un registre de toutes les identifications requises et de toutes les identifications obtenues par accès direct. Le Comité permanent R reçoit chaque mois du service de renseignement [2 et de sécurité]2 concerné une liste des identifications requises et de tout accès.]1
1° l'identification de l'abonné ou de l'utilisateur habituel d'un service de communication électronique ou du moyen de communication électronique utilisé;
2° l'identification des services et des moyens de communications électroniques auxquels une personne déterminée est abonnée ou qui sont habituellement utilisés par une personne déterminée.
La réquisition est effectuée par écrit par le [2 dirigeant]2 de service ou son délégué. En cas d'urgence, le [2 dirigeant]2 de service ou son délégué peut requérir ces données verbalement. Cette réquisition verbale est confirmée dans un délai de vingt-quatre heures par une réquisition écrite.
Tout opérateur d'un réseau de communications électroniques et tout fournisseur d'un service de communications électroniques qui est requis donne au [2 dirigeant]2 de service ou à son délégué les données qui ont été demandées dans un délai et selon les modalités à fixer par un arrêté royal pris sur la proposition du ministre de la Justice, du ministre de la Défense et du ministre qui a les communications électroniques dans ses attributions.
Le [2 dirigeant]2 de service ou son délégué peut, dans le respect des principes de proportionnalité et de subsidiarité, et moyennant l'enregistrement de la consultation, également obtenir les données visées au moyen d'un accès aux fichiers des clients de l'opérateur ou du fournisseur du service. Le Roi fixe, sur la proposition du ministre de la Justice, du ministre de la Défense et du ministre qui a les communications électroniques dans ses attributions, les conditions techniques auxquelles cet accès est possible.
[2 § 2. [3 Les services de renseignement et de sécurité peuvent, dans l'intérêt de l'exercice de leurs missions, pour procéder à l'identification de l'abonné ou de l'utilisateur habituel d'un service de communications électroniques, requérir le concours:
1° des personnes ou institutions visées à l'article 5, § 1er, alinéa 1er, 3° à 22°, de la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces et des personnes ou institutions qui, sur le territoire belge, mettent à disposition ou proposent des services en lien avec les valeurs virtuelles permettant d'échanger des moyens de paiement réglementés en valeurs virtuelles, sur la base de la référence d'une transaction bancaire électronique qui a préalablement été communiquée par un opérateur ou un fournisseur en application du paragraphe 1er;
2° des autres personnes morales qui sont l'abonné d'un opérateur ou d'un fournisseur visés au paragraphe 1er ou qui souscrivent au nom et pour le compte de personnes physiques à un service de communications électroniques, sur la base des données qui ont été préalablement communiquées par un opérateur ou un fournisseur en application du paragraphe 1er.]3
La réquisition est effectuée par écrit par le dirigeant de service ou son délégué. En cas d'urgence, le dirigeant de service ou son délégué peut requérir ces données verbalement. Cette réquisition verbale est confirmée dans un délai de vingt-quatre heures par une réquisition écrite.
[3 Toute personne et toute institution]3 qui est requise donne sans délai au dirigeant de service ou à son délégué les données qui ont été demandées.
Les données d'identification que les services de renseignement et de sécurité reçoivent dans le cadre de l'exercice de la méthode visée au présent paragraphe, se limitent aux données d'identification visées au paragraphe 1er .]2
[2 § 3.]2 Toute personne qui refuse de communiquer les données ainsi demandées ou de fournir l'accès requis est punie d'une amende de vingt-six euros à dix mille euros.
[2 § 4.]2 Les services de renseignement et de sécurité tiennent un registre de toutes les identifications requises et de toutes les identifications obtenues par accès direct. Le Comité permanent R reçoit chaque mois du service de renseignement [2 et de sécurité]2 concerné une liste des identifications requises et de tout accès.]1
Art. 16/3. [1 § 1. In het kader van artikel 27 van de wet van 25 december 2016 betreffende de verwerking van passagiersgegevens, kunnen de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, in het belang van de uitoefening van hun opdrachten, mits afdoende motivering, beslissen om toegang te hebben tot de passagiersgegevens bedoeld in artikel 9 van de wet van 25 december 2016 betreffende de verwerking van passagiersgegevens.
§ 2. Met uitzondering van de in de paragrafen 4 en 5 bedoelde gevallen, kan de in paragraaf 1 bedoelde methode slechts worden aangewend nadat de voorzitter van de Commissie, of een ander lid indien de voorzitter niet onmiddellijk beschikbaar is, een voorafgaande controle heeft uitgevoerd op de schriftelijke en met redenen omklede beslissing van het betrokken diensthoofd of zijn gedelegeerde.
De beslissing van het betrokken diensthoofd of zijn gedelegeerde vermeldt:
1° de natuurlijke personen die het voorwerp uitmaken van de methode;
2° de feitelijke omstandigheden die de methode rechtvaardigen, de motivering inzake subsidiariteit en proportionaliteit;
3° de afdoende gemotiveerde aanduiding van het directe verband tussen de opdrachten uit artikelen 7, 8 en 11 van deze wet en de doelen vermeld in artikel 8 van de wet van 25 december 2016 betreffende de verwerking van passagiersgegevens;
4° in voorkomend geval, de redenen die de hoogdringendheid rechtvaardigen.
De in het tweede lid bedoelde vermeldingen zijn op straffe van onwettigheid voorgeschreven.
§ 3. De voorzitter van de Commissie, of een ander lid indien de voorzitter niet onmiddellijk beschikbaar is, brengt een schriftelijk antwoord uit ten laatste de eerste werkdag na ontvangst van de in paragraaf 2 bedoelde beslissing.
Indien de voorzitter van de Commissie, of een ander lid indien de voorzitter niet onmiddellijk beschikbaar is, een schriftelijk positief antwoord uitbrengt aan het betrokken diensthoofd of zijn gedelegeerde, mag de methode voor het verzamelen van gegevens door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten onmiddellijk worden aangewend.
De Commissie zendt alle documenten bedoeld in de paragrafen 2 en 3 onverwijld over aan het Vast Comité I. De Commissie stelt het Vast Comité I op eigen initiatief en onverwijld in kennis indien zij geen schriftelijk antwoord heeft uitgebracht.
§ 4. Indien de voorzitter van de Commissie, of een ander lid indien de voorzitter niet onmiddellijk beschikbaar is, een schriftelijk negatief antwoord uitbrengt of nalaat een schriftelijk antwoord uit te brengen binnen de termijn bedoeld in paragraaf 3, eerste lid, kan het betrokken diensthoofd of zijn gedelegeerde het Vast Comité I vatten, dat zo spoedig mogelijk antwoord zal geven om de methode voor het verzamelen van gegevens aan te wenden. Het Vast Comité I deelt zijn antwoord mee aan het betrokken diensthoofd of zijn gedelegeerde en aan de Commissie.
§ 5. In geval van hoogdringendheid kan het betrokken diensthoofd of zijn gedelegeerde mondeling over de methode beslissen nadat hij een mondeling positief antwoord heeft verkregen van de voorzitter van de Commissie, of een ander lid indien de voorzitter niet onmiddellijk beschikbaar is. Deze mondelinge beslissing wordt bevestigd door een met redenen omklede schriftelijke beslissing die de vermeldingen bedoeld in paragraaf 2 bevat, en die uiterlijk de eerste werkdag volgend op de datum van de mondelinge beslissing moet toekomen op de zetel van de Commissie.
§ 6. De in paragraaf 1 bedoelde beslissing wordt door het betrokken diensthoofd of zijn gedelegeerde overgemaakt aan de Passagiersinformatie-eenheid bedoeld in hoofdstuk 7 van de wet van 25 december 2016 betreffende de verwerking van passagiersgegevens.
§ 7. De Commissie en het Vast Comité I kunnen op elk ogenblik controle uitoefenen op de wettigheid van de methode voor het verzamelen van gegevens, hierbij inbegrepen de in artikel 13 bepaalde principes, en de inlichtingen- en veiligheidsdiensten verbieden deze gegevens, verkregen in omstandigheden die de vigerende wettelijke bepalingen niet naleven, te exploiteren.
Wanneer het Vast Comité I vaststelt dat de gegevens werden verzameld in omstandigheden die de vigerende wettelijke bepalingen niet naleven, beveelt het hun vernietiging.]1
§ 2. Met uitzondering van de in de paragrafen 4 en 5 bedoelde gevallen, kan de in paragraaf 1 bedoelde methode slechts worden aangewend nadat de voorzitter van de Commissie, of een ander lid indien de voorzitter niet onmiddellijk beschikbaar is, een voorafgaande controle heeft uitgevoerd op de schriftelijke en met redenen omklede beslissing van het betrokken diensthoofd of zijn gedelegeerde.
De beslissing van het betrokken diensthoofd of zijn gedelegeerde vermeldt:
1° de natuurlijke personen die het voorwerp uitmaken van de methode;
2° de feitelijke omstandigheden die de methode rechtvaardigen, de motivering inzake subsidiariteit en proportionaliteit;
3° de afdoende gemotiveerde aanduiding van het directe verband tussen de opdrachten uit artikelen 7, 8 en 11 van deze wet en de doelen vermeld in artikel 8 van de wet van 25 december 2016 betreffende de verwerking van passagiersgegevens;
4° in voorkomend geval, de redenen die de hoogdringendheid rechtvaardigen.
De in het tweede lid bedoelde vermeldingen zijn op straffe van onwettigheid voorgeschreven.
§ 3. De voorzitter van de Commissie, of een ander lid indien de voorzitter niet onmiddellijk beschikbaar is, brengt een schriftelijk antwoord uit ten laatste de eerste werkdag na ontvangst van de in paragraaf 2 bedoelde beslissing.
Indien de voorzitter van de Commissie, of een ander lid indien de voorzitter niet onmiddellijk beschikbaar is, een schriftelijk positief antwoord uitbrengt aan het betrokken diensthoofd of zijn gedelegeerde, mag de methode voor het verzamelen van gegevens door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten onmiddellijk worden aangewend.
De Commissie zendt alle documenten bedoeld in de paragrafen 2 en 3 onverwijld over aan het Vast Comité I. De Commissie stelt het Vast Comité I op eigen initiatief en onverwijld in kennis indien zij geen schriftelijk antwoord heeft uitgebracht.
§ 4. Indien de voorzitter van de Commissie, of een ander lid indien de voorzitter niet onmiddellijk beschikbaar is, een schriftelijk negatief antwoord uitbrengt of nalaat een schriftelijk antwoord uit te brengen binnen de termijn bedoeld in paragraaf 3, eerste lid, kan het betrokken diensthoofd of zijn gedelegeerde het Vast Comité I vatten, dat zo spoedig mogelijk antwoord zal geven om de methode voor het verzamelen van gegevens aan te wenden. Het Vast Comité I deelt zijn antwoord mee aan het betrokken diensthoofd of zijn gedelegeerde en aan de Commissie.
§ 5. In geval van hoogdringendheid kan het betrokken diensthoofd of zijn gedelegeerde mondeling over de methode beslissen nadat hij een mondeling positief antwoord heeft verkregen van de voorzitter van de Commissie, of een ander lid indien de voorzitter niet onmiddellijk beschikbaar is. Deze mondelinge beslissing wordt bevestigd door een met redenen omklede schriftelijke beslissing die de vermeldingen bedoeld in paragraaf 2 bevat, en die uiterlijk de eerste werkdag volgend op de datum van de mondelinge beslissing moet toekomen op de zetel van de Commissie.
§ 6. De in paragraaf 1 bedoelde beslissing wordt door het betrokken diensthoofd of zijn gedelegeerde overgemaakt aan de Passagiersinformatie-eenheid bedoeld in hoofdstuk 7 van de wet van 25 december 2016 betreffende de verwerking van passagiersgegevens.
§ 7. De Commissie en het Vast Comité I kunnen op elk ogenblik controle uitoefenen op de wettigheid van de methode voor het verzamelen van gegevens, hierbij inbegrepen de in artikel 13 bepaalde principes, en de inlichtingen- en veiligheidsdiensten verbieden deze gegevens, verkregen in omstandigheden die de vigerende wettelijke bepalingen niet naleven, te exploiteren.
Wanneer het Vast Comité I vaststelt dat de gegevens werden verzameld in omstandigheden die de vigerende wettelijke bepalingen niet naleven, beveelt het hun vernietiging.]1
Modifications
Art. 16/3. [1 § 1. Dans le cadre de l'article 27 de la loi du 25 décembre 2016 relative au traitement des données des passagers, les services de renseignement et de sécurité peuvent, dans l'intérêt de l'exercice de leurs missions, décider de façon dûment motivée d'accéder aux données des passagers visées à l'article 9 de la loi du 25 décembre 2016 relative au traitement des données des passagers.
§ 2. A l'exception des cas prévus aux paragraphes 4 et 5, la méthode visée au paragraphe 1er ne peut être mise en oeuvre qu'après que le président de la Commission, ou un autre membre si celui-ci n'est pas immédiatement disponible, a effectué un contrôle préalable de la décision écrite et motivée du dirigeant du service concerné ou de son délégué.
La décision du dirigeant de service concerné ou de son délégué comprend:
1° les personnes physiques qui font l'objet de la méthode;
2° les circonstances de fait qui justifient la méthode ainsi que la motivation relative à la subsidiarité et à la proportionnalité;
3° l'indication dûment motivée du lien direct entre les missions des articles 7, 8 et 11 de la présente loi et les finalités énoncées à l'article 8 de la loi du 25 décembre 2016 relative au traitement des données des passagers;
4° le cas échéant, les raisons qui justifient l'urgence.
Les mentions visées au deuxième alinéa sont prescrites à peine d'illégalité.
§ 3. Le président de la Commission, ou un autre membre si celui-ci n'est pas immédiatement disponible, adresse une réponse écrite au plus tard le premier jour ouvrable après réception de la décision visée au paragraphe 2.
Lorsque le président de la Commission, ou un autre membre si celui-ci n'est pas immédiatement disponible, transmet une réponse écrite positive au dirigeant du service concerné ou son délégué, la méthode de recueil de données des services de renseignement et de sécurité peut être immédiatement mise en oeuvre.
La Commission transmet sans délai tous les documents visés aux paragraphes 2 et 3 au Comité permanent R. La Commission informe le Comité permanent R de sa propre initiative et sans délai qu'elle n'a fourni aucune réponse écrite.
§ 4. Lorsque le président de la Commission, ou un autre membre si celui-ci n'est pas immédiatement disponible, transmet une réponse écrite négative ou ne transmet pas de réponse écrite dans le délai visé au paragraphe 3, alinéa 1er, le dirigeant du service concerné ou son délégué peut en informer le Comité permanent R, qui se prononce dans les plus brefs délais sur la mise en oeuvre de la méthode de recueil de données. Le Comité permanent R communique sa réponse au dirigeant de service concerné ou son délégué et à la Commission.
§ 5. En cas d'extrême urgence, le dirigeant de service concerné ou son délégué peut décider de la méthode oralement après avoir obtenu une réponse orale positive du président de la Commission, ou d'un autre membre si le président n'est pas immédiatement disponible. Cette décision verbale est confirmée par une décision écrite motivée contenant les informations visées au paragraphe 2, qui devra parvenir au siège de la Commission au plus tard le premier jour ouvrable suivant la date de la décision verbale.
§ 6. La décision visée au paragraphe 1er est transmise par le dirigeant de service concerné ou son délégué à l'Unité d'information des passagers visée au chapitre 7 de la loi du 25 décembre 2016 relative au traitement des données des passagers.
§ 7. La Commission et le Comité permanent R peuvent à tout moment contrôler la légalité de la méthode de recueil de données, en ce compris les principes énoncés à l'article 13, et interdisent aux services de renseignement et de sécurité d'exploiter les données obtenues dans des conditions qui ne respectent pas les dispositions légales en vigueur.
Si le Comité permanent R constate que les données ont été recueillies dans des conditions qui ne respectent pas les dispositions légales en vigueur, il ordonne leur destruction.]1
§ 2. A l'exception des cas prévus aux paragraphes 4 et 5, la méthode visée au paragraphe 1er ne peut être mise en oeuvre qu'après que le président de la Commission, ou un autre membre si celui-ci n'est pas immédiatement disponible, a effectué un contrôle préalable de la décision écrite et motivée du dirigeant du service concerné ou de son délégué.
La décision du dirigeant de service concerné ou de son délégué comprend:
1° les personnes physiques qui font l'objet de la méthode;
2° les circonstances de fait qui justifient la méthode ainsi que la motivation relative à la subsidiarité et à la proportionnalité;
3° l'indication dûment motivée du lien direct entre les missions des articles 7, 8 et 11 de la présente loi et les finalités énoncées à l'article 8 de la loi du 25 décembre 2016 relative au traitement des données des passagers;
4° le cas échéant, les raisons qui justifient l'urgence.
Les mentions visées au deuxième alinéa sont prescrites à peine d'illégalité.
§ 3. Le président de la Commission, ou un autre membre si celui-ci n'est pas immédiatement disponible, adresse une réponse écrite au plus tard le premier jour ouvrable après réception de la décision visée au paragraphe 2.
Lorsque le président de la Commission, ou un autre membre si celui-ci n'est pas immédiatement disponible, transmet une réponse écrite positive au dirigeant du service concerné ou son délégué, la méthode de recueil de données des services de renseignement et de sécurité peut être immédiatement mise en oeuvre.
La Commission transmet sans délai tous les documents visés aux paragraphes 2 et 3 au Comité permanent R. La Commission informe le Comité permanent R de sa propre initiative et sans délai qu'elle n'a fourni aucune réponse écrite.
§ 4. Lorsque le président de la Commission, ou un autre membre si celui-ci n'est pas immédiatement disponible, transmet une réponse écrite négative ou ne transmet pas de réponse écrite dans le délai visé au paragraphe 3, alinéa 1er, le dirigeant du service concerné ou son délégué peut en informer le Comité permanent R, qui se prononce dans les plus brefs délais sur la mise en oeuvre de la méthode de recueil de données. Le Comité permanent R communique sa réponse au dirigeant de service concerné ou son délégué et à la Commission.
§ 5. En cas d'extrême urgence, le dirigeant de service concerné ou son délégué peut décider de la méthode oralement après avoir obtenu une réponse orale positive du président de la Commission, ou d'un autre membre si le président n'est pas immédiatement disponible. Cette décision verbale est confirmée par une décision écrite motivée contenant les informations visées au paragraphe 2, qui devra parvenir au siège de la Commission au plus tard le premier jour ouvrable suivant la date de la décision verbale.
§ 6. La décision visée au paragraphe 1er est transmise par le dirigeant de service concerné ou son délégué à l'Unité d'information des passagers visée au chapitre 7 de la loi du 25 décembre 2016 relative au traitement des données des passagers.
§ 7. La Commission et le Comité permanent R peuvent à tout moment contrôler la légalité de la méthode de recueil de données, en ce compris les principes énoncés à l'article 13, et interdisent aux services de renseignement et de sécurité d'exploiter les données obtenues dans des conditions qui ne respectent pas les dispositions légales en vigueur.
Si le Comité permanent R constate que les données ont été recueillies dans des conditions qui ne respectent pas les dispositions légales en vigueur, il ordonne leur destruction.]1
Modifications
Art. 16/3/1. [1 § 1. De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen, in het belang van de uitoefening van hun opdrachten, mits afdoende motivering, beslissen om toegang te hebben tot de gegevens opgeslagen in het centrale Etias-systeem overeenkomstig artikel 13 van de wet van 29 maart 2024 betreffende de oprichting en de organisatie van de opdrachten van de ETIAS Nationale Eenheid (E.N.E.).
§ 2. Met uitzondering van de in paragrafen 4 en 5 bedoelde gevallen, kan de in paragraaf 1 bedoelde methode slechts worden aangewend nadat de voorzitter van de Commissie, of een ander lid indien de voorzitter niet onmiddellijk beschikbaar is, een voorafgaande controle heeft uitgevoerd van de schriftelijke en met redenen omklede beslissing van het betrokken diensthoofd of zijn gedelegeerde.
De beslissing van het betrokken diensthoofd of zijn gedelegeerde vermeldt:
1° de natuurlijke personen die het voorwerp uitmaken van de methode;
2° de feitelijke omstandigheden die de methode rechtvaardigen en de motivering inzake noodzakelijkheid en proportionaliteit;
3° de afdoende met redenen omklede aanduiding van het directe verband tussen de opdrachten bedoeld in de artikelen 7, 8 en 11 van deze wet en de doeleinden vermeld in artikel 13, § 1, van de wet van 29 maart 2024 betreffende de oprichting en de organisatie van de opdrachten van de ETIAS Nationale Eenheid (E.N.E.);
4° in voorkomend geval, de redenen die de hoogdringendheid rechtvaardigen;
5° in voorkomend geval, de rechtvaardiging van de noodzakelijkheid om bepaalde gegevens van het centrale Etias-systeem te raadplegen.
De in het tweede lid bedoelde vermeldingen zijn op straffe van onwettigheid voorgeschreven.
§ 3. De voorzitter van de Commissie, of een ander lid indien de voorzitter niet onmiddellijk beschikbaar is, brengt aan het betrokken diensthoofd of zijn gedelegeerde een schriftelijk antwoord uit ten laatste de eerste werkdag na ontvangst van de in paragraaf 2 bedoelde beslissing.
De Commissie zendt alle documenten bedoeld in de paragrafen 2 en 3 onverwijld over aan het Vast Comité I.
§ 4. Indien de voorzitter van de Commissie, of een ander lid indien de voorzitter niet onmiddellijk beschikbaar is, een schriftelijk negatief antwoord uitbrengt of nalaat een schriftelijk antwoord uit te brengen binnen de termijn bedoeld in paragraaf 3, eerste lid, kan het betrokken diensthoofd, of zijn gedelegeerde, het Vast Comité I vatten, dat zo spoedig mogelijk antwoord zal geven om de methode voor het verzamelen van gegevens aan te wenden. Het Vast Comité I deelt zijn antwoord mee aan het betrokken diensthoofd of zijn gedelegeerde en aan de Commissie.
§ 5. In dringende gevallen, wanneer een dreigend gevaar voor het leven van een persoon moet worden voorkomen, kan het betrokken diensthoofd of zijn gedelegeerde de methode mondeling toestaan nadat hij een mondeling positief antwoord heeft verkregen van de voorzitter van de Commissie, of een ander lid indien de voorzitter niet onmiddellijk beschikbaar is. Deze mondelinge beslissing wordt bevestigd door een met redenen omklede schriftelijke beslissing die de vermeldingen bedoeld in paragraaf 2 bevat, en die uiterlijk de eerste werkdag volgend op de datum van de mondelinge beslissing moet toekomen op de zetel van de Commissie.
§ 6. Zodra de beslissing van het betrokken diensthoofd of zijn gedelegeerde schriftelijk goedgekeurd wordt door de Commissie of het Vast Comité I, worden de elementen die noodzakelijk zijn voor de controle die uitgevoerd moet worden krachtens artikel 14, § 1, van de wet van 29 maart 2024 betreffende de oprichting en de organisatie van de opdrachten van de ETIAS Nationale Eenheid (E.N.E.), schriftelijk of op elektronische wijze overgezonden aan het centraal toegangspunt.
§ 7. De Commissie en het Vast Comité I kunnen op elk ogenblik controle uitoefenen op de wettigheid van de methode voor het verzamelen van gegevens, hierbij inbegrepen de in artikel 13 bepaalde principes, en de inlichtingen- en veiligheidsdiensten verbieden deze gegevens, verkregen in omstandigheden die de vigerende wettelijke bepalingen niet naleven, te exploiteren.
Wanneer het Vast Comité I vaststelt dat de gegevens werden verzameld in omstandigheden die de vigerende wettelijke bepalingen niet naleven, beveelt het de vernietiging ervan. In dat geval wordt het centraal toegangspunt hiervan op de hoogte gehouden.]1
§ 2. Met uitzondering van de in paragrafen 4 en 5 bedoelde gevallen, kan de in paragraaf 1 bedoelde methode slechts worden aangewend nadat de voorzitter van de Commissie, of een ander lid indien de voorzitter niet onmiddellijk beschikbaar is, een voorafgaande controle heeft uitgevoerd van de schriftelijke en met redenen omklede beslissing van het betrokken diensthoofd of zijn gedelegeerde.
De beslissing van het betrokken diensthoofd of zijn gedelegeerde vermeldt:
1° de natuurlijke personen die het voorwerp uitmaken van de methode;
2° de feitelijke omstandigheden die de methode rechtvaardigen en de motivering inzake noodzakelijkheid en proportionaliteit;
3° de afdoende met redenen omklede aanduiding van het directe verband tussen de opdrachten bedoeld in de artikelen 7, 8 en 11 van deze wet en de doeleinden vermeld in artikel 13, § 1, van de wet van 29 maart 2024 betreffende de oprichting en de organisatie van de opdrachten van de ETIAS Nationale Eenheid (E.N.E.);
4° in voorkomend geval, de redenen die de hoogdringendheid rechtvaardigen;
5° in voorkomend geval, de rechtvaardiging van de noodzakelijkheid om bepaalde gegevens van het centrale Etias-systeem te raadplegen.
De in het tweede lid bedoelde vermeldingen zijn op straffe van onwettigheid voorgeschreven.
§ 3. De voorzitter van de Commissie, of een ander lid indien de voorzitter niet onmiddellijk beschikbaar is, brengt aan het betrokken diensthoofd of zijn gedelegeerde een schriftelijk antwoord uit ten laatste de eerste werkdag na ontvangst van de in paragraaf 2 bedoelde beslissing.
De Commissie zendt alle documenten bedoeld in de paragrafen 2 en 3 onverwijld over aan het Vast Comité I.
§ 4. Indien de voorzitter van de Commissie, of een ander lid indien de voorzitter niet onmiddellijk beschikbaar is, een schriftelijk negatief antwoord uitbrengt of nalaat een schriftelijk antwoord uit te brengen binnen de termijn bedoeld in paragraaf 3, eerste lid, kan het betrokken diensthoofd, of zijn gedelegeerde, het Vast Comité I vatten, dat zo spoedig mogelijk antwoord zal geven om de methode voor het verzamelen van gegevens aan te wenden. Het Vast Comité I deelt zijn antwoord mee aan het betrokken diensthoofd of zijn gedelegeerde en aan de Commissie.
§ 5. In dringende gevallen, wanneer een dreigend gevaar voor het leven van een persoon moet worden voorkomen, kan het betrokken diensthoofd of zijn gedelegeerde de methode mondeling toestaan nadat hij een mondeling positief antwoord heeft verkregen van de voorzitter van de Commissie, of een ander lid indien de voorzitter niet onmiddellijk beschikbaar is. Deze mondelinge beslissing wordt bevestigd door een met redenen omklede schriftelijke beslissing die de vermeldingen bedoeld in paragraaf 2 bevat, en die uiterlijk de eerste werkdag volgend op de datum van de mondelinge beslissing moet toekomen op de zetel van de Commissie.
§ 6. Zodra de beslissing van het betrokken diensthoofd of zijn gedelegeerde schriftelijk goedgekeurd wordt door de Commissie of het Vast Comité I, worden de elementen die noodzakelijk zijn voor de controle die uitgevoerd moet worden krachtens artikel 14, § 1, van de wet van 29 maart 2024 betreffende de oprichting en de organisatie van de opdrachten van de ETIAS Nationale Eenheid (E.N.E.), schriftelijk of op elektronische wijze overgezonden aan het centraal toegangspunt.
§ 7. De Commissie en het Vast Comité I kunnen op elk ogenblik controle uitoefenen op de wettigheid van de methode voor het verzamelen van gegevens, hierbij inbegrepen de in artikel 13 bepaalde principes, en de inlichtingen- en veiligheidsdiensten verbieden deze gegevens, verkregen in omstandigheden die de vigerende wettelijke bepalingen niet naleven, te exploiteren.
Wanneer het Vast Comité I vaststelt dat de gegevens werden verzameld in omstandigheden die de vigerende wettelijke bepalingen niet naleven, beveelt het de vernietiging ervan. In dat geval wordt het centraal toegangspunt hiervan op de hoogte gehouden.]1
Art. 16/3/1. [1 § 1er. Les services de renseignement et de sécurité peuvent, dans l'intérêt de l'exercice de leurs missions, décider de façon dûment motivée d'accéder aux données conservées dans le système central ETIAS conformément à l'article 13 de la loi du 29 mars 2024 relative à la création et à l'organisation des missions de l'Unité nationale ETIAS (U.N.E.).
§ 2. A l'exception des cas visés aux paragraphes 4 et 5, la méthode visée au paragraphe 1er peut seulement être mise en oeuvre après que le président de la Commission, ou un autre membre si le président n'est pas immédiatement disponible, a procédé à un contrôle préalable de la décision écrite et motivée du dirigeant du service concerné ou de son délégué.
La décision du dirigeant du service concerné ou de son délégué mentionne:
1° les personnes physiques qui font l'objet de la méthode;
2° les circonstances de fait qui justifient la méthode ainsi que la motivation relative à la nécessité et à la proportionnalité;
3° l'indication, dûment motivée, du lien direct entre les missions visées aux articles 7, 8 et 11 de la présente loi et les finalités mentionnées à l'article 13, § 1er, de la loi du 29 mars 2024 relative à l'établissement et à l'organisation des missions de l'unité nationale ETIAS (U.N.E.);
4° le cas échéant, les raisons qui justifient l'urgence;
5° le cas échéant, la justification de la nécessité de consulter certaines données du système central ETIAS.
Les mentions visées au deuxième alinéa sont prescrites à peine d'illégalité.
§ 3. Le président de la Commission, ou un autre membre si le président n'est pas immédiatement disponible, adresse au dirigeant du service concerné ou son délégué une réponse écrite au plus tard le premier jour ouvrable après réception de la décision visée au paragraphe 2.
La Commission transmet sans délai au Comité permanent R tous les documents visés aux paragraphes 2 et 3.
§ 4. Si le président de la Commission, ou un autre membre si le président n'est pas immédiatement disponible, transmet une réponse écrite négative ou n'émet pas de réponse écrite dans le délai visé au paragraphe 3, alinéa 1er, le dirigeant du service concerné, ou son délégué, peut saisir le Comité permanent R, qui se prononce dans les plus brefs délais sur la mise en oeuvre de la méthode de recueil des données. Le Comité permanent R communique sa réponse au dirigeant du service concerné ou son délégué et à la Commission.
§ 5. En cas d'urgence nécessitant de prévenir un risque imminent pour la vie d'une personne, le dirigeant du service concerné ou son délégué peut autoriser verbalement la méthode après avoir obtenu une réponse verbale positive du président de la Commission, ou d'un autre membre si le président n'est pas immédiatement disponible. Cette décision verbale est confirmée par une décision écrite motivée contenant les mentions visées au paragraphe 2, qui doit parvenir au siège de la Commission au plus tard le premier jour ouvrable suivant la date de la décision verbale.
§ 6. Dès que la décision du dirigeant du service concerné ou son délégué est approuvée par écrit par la Commission ou le Comité permanent R, sont transmis par écrit ou voie électronique au point d'accès central les éléments nécessaires au contrôle qu'il doit opérer en vertu de l'article 14, § 1er, de la loi du 29 mars 2024 relative à la création et à l'organisation des missions de l'Unité nationale ETIAS (U.N.E.).
§ 7. La Commission et le Comité permanent R peuvent à tout moment contrôler la légalité de la méthode de recueil de données, en ce compris les principes prévus à l'article 13, et interdire aux services de renseignement et de sécurité l'exploitation des données obtenues dans des conditions qui ne respectent pas les dispositions légales en vigueur.
Si le Comité permanent R constate que les données ont été recueillies dans des conditions qui ne respectent pas les dispositions légales en vigueur, il ordonne leur destruction. Dans ce cas, le point d'accès central en est tenu informé.]1
§ 2. A l'exception des cas visés aux paragraphes 4 et 5, la méthode visée au paragraphe 1er peut seulement être mise en oeuvre après que le président de la Commission, ou un autre membre si le président n'est pas immédiatement disponible, a procédé à un contrôle préalable de la décision écrite et motivée du dirigeant du service concerné ou de son délégué.
La décision du dirigeant du service concerné ou de son délégué mentionne:
1° les personnes physiques qui font l'objet de la méthode;
2° les circonstances de fait qui justifient la méthode ainsi que la motivation relative à la nécessité et à la proportionnalité;
3° l'indication, dûment motivée, du lien direct entre les missions visées aux articles 7, 8 et 11 de la présente loi et les finalités mentionnées à l'article 13, § 1er, de la loi du 29 mars 2024 relative à l'établissement et à l'organisation des missions de l'unité nationale ETIAS (U.N.E.);
4° le cas échéant, les raisons qui justifient l'urgence;
5° le cas échéant, la justification de la nécessité de consulter certaines données du système central ETIAS.
Les mentions visées au deuxième alinéa sont prescrites à peine d'illégalité.
§ 3. Le président de la Commission, ou un autre membre si le président n'est pas immédiatement disponible, adresse au dirigeant du service concerné ou son délégué une réponse écrite au plus tard le premier jour ouvrable après réception de la décision visée au paragraphe 2.
La Commission transmet sans délai au Comité permanent R tous les documents visés aux paragraphes 2 et 3.
§ 4. Si le président de la Commission, ou un autre membre si le président n'est pas immédiatement disponible, transmet une réponse écrite négative ou n'émet pas de réponse écrite dans le délai visé au paragraphe 3, alinéa 1er, le dirigeant du service concerné, ou son délégué, peut saisir le Comité permanent R, qui se prononce dans les plus brefs délais sur la mise en oeuvre de la méthode de recueil des données. Le Comité permanent R communique sa réponse au dirigeant du service concerné ou son délégué et à la Commission.
§ 5. En cas d'urgence nécessitant de prévenir un risque imminent pour la vie d'une personne, le dirigeant du service concerné ou son délégué peut autoriser verbalement la méthode après avoir obtenu une réponse verbale positive du président de la Commission, ou d'un autre membre si le président n'est pas immédiatement disponible. Cette décision verbale est confirmée par une décision écrite motivée contenant les mentions visées au paragraphe 2, qui doit parvenir au siège de la Commission au plus tard le premier jour ouvrable suivant la date de la décision verbale.
§ 6. Dès que la décision du dirigeant du service concerné ou son délégué est approuvée par écrit par la Commission ou le Comité permanent R, sont transmis par écrit ou voie électronique au point d'accès central les éléments nécessaires au contrôle qu'il doit opérer en vertu de l'article 14, § 1er, de la loi du 29 mars 2024 relative à la création et à l'organisation des missions de l'Unité nationale ETIAS (U.N.E.).
§ 7. La Commission et le Comité permanent R peuvent à tout moment contrôler la légalité de la méthode de recueil de données, en ce compris les principes prévus à l'article 13, et interdire aux services de renseignement et de sécurité l'exploitation des données obtenues dans des conditions qui ne respectent pas les dispositions légales en vigueur.
Si le Comité permanent R constate que les données ont été recueillies dans des conditions qui ne respectent pas les dispositions légales en vigueur, il ordonne leur destruction. Dans ce cas, le point d'accès central en est tenu informé.]1
Modifications
Art. 16/4. [1 § 1. Overeenkomstig de nadere regels bepaald door de Koning, na advies van de bevoegde toezichthoudende autoriteit voor de verwerking van persoonsgegevens, is een rechtstreekse toegang toegestaan voor de inlichtingen- en veiligheidsdiensten tot de informatie en persoonsgegevens die verzameld worden door middel van camera's waarvan het gebruik door de politiediensten is toegestaan overeenkomstig hoofdstuk IV, afdeling 1, en hoofdstuk IV/1, afdeling 2, van de wet op het politieambt en die in het bijzonder worden verwerkt in de gegevensbanken bedoeld in artikel 44/2 van de genoemde wet.
In afwijking van artikelen 25/5, § 2, en 46/2 van de wet op het politieambt, oefenen de politiediensten geen controle uit op het bekijken van beelden in real time door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.
De informatie en persoonsgegevens bedoeld in het eerste lid kunnen na anonimisering worden gebruikt voor didactische en pedagogische doeleinden in het kader van de opleiding van de leden van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.
§ 2. De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen, in het belang van de uitoefening van hun opdrachten, op gerichte wijze en na hun registratie toegang nemen tot de informatie en persoonsgegevens van de gegevensbanken bedoeld in [2 de artikelen]2 25/6, 44/2, § 3, tweede lid, 1° en 2°, en 46/12 van de wet op het politieambt, indien dit gemotiveerd wordt op operationeel vlak, noodzakelijk is voor de uitoefening van een precieze opdracht en beslist wordt door [2 een methodenofficier]2.
Na de eerste maand van bewaring, wordt de toegang tot de gegevens bedoeld in deze paragraaf toegestaan door het diensthoofd of zijn gedelegeerde.
[2 In geval van hoogdringendheid kan het diensthoofd of zijn gedelegeerde mondeling beslissen om toegang te hebben tot deze gegevens. Deze mondelinge beslissing wordt de eerste werkdag volgend op de datum van de beslissing bevestigd door een schriftelijke beslissing volgens de nadere regels bepaald in het vierde lid.]2
De beslissing van het diensthoofd of zijn gedelegeerde wordt met de motivering van deze beslissing zo spoedig mogelijk aan het Vast Comité I betekend. De beslissing kan betrekking hebben op een geheel van gegevens die betrekking hebben op een specifiek inlichtingenonderzoek. In dit geval wordt een lijst van de gerichte toegangen een maal per maand aan het Vast Comité I doorgegeven. Het Vast Comité I verbiedt de inlichtingen- en veiligheidsdiensten om gebruik te maken van de gegevens die verzameld werden in omstandigheden die niet aan de wettelijke [2 bepalingen]2 voldoen.
De toegang tot deze informatie en persoonsgegevens is beveiligd, alle toegangen worden dagelijks bijgewerkt en de concrete redenen van de bevragingen worden geregistreerd.
§ 3. De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen, in het belang van de uitoefening van hun opdrachten, de informatie en persoonsgegevens van de gegevensbanken bedoeld in artikel 44/2, § 3, tweede lid, 1° en 2°, van de wet op het politieambt in correlatie brengen met :
1° de gegevensbanken beheerd door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten of die voor hen rechtstreeks beschikbaar of toegankelijk zijn in het kader van hun opdrachten, of lijsten van personen uitgewerkt door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten in het kader van hun opdrachten;
2° vooraf bepaalde beoordelingscriteria.
De gegevensbanken of lijsten of de vooraf bepaalde beoordelingscriteria bedoeld in deze paragraaf worden voorbereid met als doel deze correlatie tot stand te brengen na registratie van de gegevens.
De inhoud van de gegevensbanken of van de lijsten bedoeld in het eerste lid, 1°, die gebruikt worden voor een correlatie, is onderworpen aan de toelating van een [2 een methodenofficier]2. De beslissing om de gegevensbanken of de lijsten in correlatie te brengen, kan slaan op een geheel van gegevens die betrekking hebben op een of meerdere specifieke inlichtingenonderzoeken.
Elke lijst aan de hand waarvan de correlatie bedoeld in het eerste lid, 1°, wordt uitgevoerd, wordt zo spoedig mogelijk doorgegeven aan het Vast Comité I. Het Vast Comité I verbiedt de inlichtingen- en veiligheidsdiensten om gebruik te maken van de gegevens die verzameld werden in omstandigheden die niet aan de wettelijke [2 bepalingen]2 voldoen.
De beoordelingscriteria bedoeld in het eerste lid, 2°, worden voorafgaandelijk aan het Vast Comité I voorgelegd. Correlaties die deze beoordelingscriteria verder verfijnen, dienen niet meer opnieuw voorgelegd te worden. Deze beoordelingscriteria mogen niet gericht zijn op de identificatie van een individu en moeten doelgericht, evenredig en specifiek zijn.
§ 4. De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen, in het belang van de uitoefening van hun opdrachten, toegang krijgen tot het register bedoeld in artikel 25/8, tweede lid, van de wet op het politieambt.
§ 5. In geval de rechtstreekse toegang bedoeld in dit artikel mogelijk is, kan een inlichtingen- en veiligheidsdienst niet eenzelfde rechtstreekse toegang verzoeken op basis van artikel 14, tweede lid.
De bevoegde magistraat die oordeelt dat een rechtstreekse toegang tot de informatie en persoonsgegevens het goede verloop van een [2 opsporings- of gerechtelijk onderzoek]2 kan schaden, kan besluiten om die toegang tijdelijk onmogelijk te maken. Indien een inlichtingen- en veiligheidsdienst ten aanzien van deze informatie en persoonsgegevens gebruik maakt van de rechtstreekse toegang, wordt haar meegedeeld dat deze onvolledig zijn.
§ 6. [2 De methodenofficier]2 die de beslissingen voorzien in dit artikel neemt, kan niet tegelijk de beheerder zijn van het dossier waarop die beslissing betrekking heeft.]1
In afwijking van artikelen 25/5, § 2, en 46/2 van de wet op het politieambt, oefenen de politiediensten geen controle uit op het bekijken van beelden in real time door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.
De informatie en persoonsgegevens bedoeld in het eerste lid kunnen na anonimisering worden gebruikt voor didactische en pedagogische doeleinden in het kader van de opleiding van de leden van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.
§ 2. De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen, in het belang van de uitoefening van hun opdrachten, op gerichte wijze en na hun registratie toegang nemen tot de informatie en persoonsgegevens van de gegevensbanken bedoeld in [2 de artikelen]2 25/6, 44/2, § 3, tweede lid, 1° en 2°, en 46/12 van de wet op het politieambt, indien dit gemotiveerd wordt op operationeel vlak, noodzakelijk is voor de uitoefening van een precieze opdracht en beslist wordt door [2 een methodenofficier]2.
Na de eerste maand van bewaring, wordt de toegang tot de gegevens bedoeld in deze paragraaf toegestaan door het diensthoofd of zijn gedelegeerde.
[2 In geval van hoogdringendheid kan het diensthoofd of zijn gedelegeerde mondeling beslissen om toegang te hebben tot deze gegevens. Deze mondelinge beslissing wordt de eerste werkdag volgend op de datum van de beslissing bevestigd door een schriftelijke beslissing volgens de nadere regels bepaald in het vierde lid.]2
De beslissing van het diensthoofd of zijn gedelegeerde wordt met de motivering van deze beslissing zo spoedig mogelijk aan het Vast Comité I betekend. De beslissing kan betrekking hebben op een geheel van gegevens die betrekking hebben op een specifiek inlichtingenonderzoek. In dit geval wordt een lijst van de gerichte toegangen een maal per maand aan het Vast Comité I doorgegeven. Het Vast Comité I verbiedt de inlichtingen- en veiligheidsdiensten om gebruik te maken van de gegevens die verzameld werden in omstandigheden die niet aan de wettelijke [2 bepalingen]2 voldoen.
De toegang tot deze informatie en persoonsgegevens is beveiligd, alle toegangen worden dagelijks bijgewerkt en de concrete redenen van de bevragingen worden geregistreerd.
§ 3. De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen, in het belang van de uitoefening van hun opdrachten, de informatie en persoonsgegevens van de gegevensbanken bedoeld in artikel 44/2, § 3, tweede lid, 1° en 2°, van de wet op het politieambt in correlatie brengen met :
1° de gegevensbanken beheerd door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten of die voor hen rechtstreeks beschikbaar of toegankelijk zijn in het kader van hun opdrachten, of lijsten van personen uitgewerkt door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten in het kader van hun opdrachten;
2° vooraf bepaalde beoordelingscriteria.
De gegevensbanken of lijsten of de vooraf bepaalde beoordelingscriteria bedoeld in deze paragraaf worden voorbereid met als doel deze correlatie tot stand te brengen na registratie van de gegevens.
De inhoud van de gegevensbanken of van de lijsten bedoeld in het eerste lid, 1°, die gebruikt worden voor een correlatie, is onderworpen aan de toelating van een [2 een methodenofficier]2. De beslissing om de gegevensbanken of de lijsten in correlatie te brengen, kan slaan op een geheel van gegevens die betrekking hebben op een of meerdere specifieke inlichtingenonderzoeken.
Elke lijst aan de hand waarvan de correlatie bedoeld in het eerste lid, 1°, wordt uitgevoerd, wordt zo spoedig mogelijk doorgegeven aan het Vast Comité I. Het Vast Comité I verbiedt de inlichtingen- en veiligheidsdiensten om gebruik te maken van de gegevens die verzameld werden in omstandigheden die niet aan de wettelijke [2 bepalingen]2 voldoen.
De beoordelingscriteria bedoeld in het eerste lid, 2°, worden voorafgaandelijk aan het Vast Comité I voorgelegd. Correlaties die deze beoordelingscriteria verder verfijnen, dienen niet meer opnieuw voorgelegd te worden. Deze beoordelingscriteria mogen niet gericht zijn op de identificatie van een individu en moeten doelgericht, evenredig en specifiek zijn.
§ 4. De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen, in het belang van de uitoefening van hun opdrachten, toegang krijgen tot het register bedoeld in artikel 25/8, tweede lid, van de wet op het politieambt.
§ 5. In geval de rechtstreekse toegang bedoeld in dit artikel mogelijk is, kan een inlichtingen- en veiligheidsdienst niet eenzelfde rechtstreekse toegang verzoeken op basis van artikel 14, tweede lid.
De bevoegde magistraat die oordeelt dat een rechtstreekse toegang tot de informatie en persoonsgegevens het goede verloop van een [2 opsporings- of gerechtelijk onderzoek]2 kan schaden, kan besluiten om die toegang tijdelijk onmogelijk te maken. Indien een inlichtingen- en veiligheidsdienst ten aanzien van deze informatie en persoonsgegevens gebruik maakt van de rechtstreekse toegang, wordt haar meegedeeld dat deze onvolledig zijn.
§ 6. [2 De methodenofficier]2 die de beslissingen voorzien in dit artikel neemt, kan niet tegelijk de beheerder zijn van het dossier waarop die beslissing betrekking heeft.]1
Art. 16/4. [1 § 1er. Selon les modalités déterminées par le Roi, après avis de l'autorité compétente de contrôle des traitements de données à caractère personnel, un accès direct est autorisé pour les services de renseignement et de sécurité aux informations et données à caractère personnel qui sont collectées au moyen de caméras dont l'utilisation par les services de police est autorisée conformément au chapitre IV, section 1re, et au chapitre IV/1, section 2, de la loi sur la fonction de police et qui sont notamment traitées dans les banques de données visées à l'article 44/2 de ladite loi.
Par dérogation aux articles 25/5, § 2, et 46/2 de la loi sur la fonction de police, les services de police n'exercent pas de contrôle sur le visionnage en temps réel des images par les services de renseignement et de sécurité.
Après anonymisation, les informations et données à caractère personnel visées à l'alinéa 1er peuvent être utilisées à des fins didactiques et pédagogiques dans le cadre de la formation des membres des services de renseignement et de sécurité.
§ 2. Dans l'intérêt de l'exercice de leurs missions, les services de renseignement et de sécurité peuvent accéder de manière ponctuelle et après leur enregistrement aux informations et données à caractère personnel des banques de données visées aux articles 25/6, 44/2, § 3, alinéa 2, 1° et 2°, et 46/12 de la loi sur la fonction de police, si cela est motivé sur le plan opérationnel, nécessaire pour l'exercice d'une mission précise et décidé par un [3 officier des méthodes]3.
Après le premier mois de conservation, l'accès aux données visées au présent paragraphe est décidé par le dirigeant de service ou son délégué.
[2 En cas d'urgence, le dirigeant du service ou son délégué peut décider verbalement d'accéder à ces données. Cette décision verbale est confirmée par une décision écrite, le premier jour ouvrable qui suit la date de la décision, selon les modalités fixées à l'alinéa 4.]2
La décision du dirigeant de service ou de son délégué et sa motivation sont transmises au comité permanent R dans les meilleurs délais. La décision peut porter sur un ensemble de données relatives à une enquête de renseignement spécifique. Dans ce cas, une liste des accès ponctuels est communiquée une fois par mois au Comité permanent R. Le Comité permanent R interdit aux services de renseignement et de sécurité d'exploiter les données recueillies dans [2 des conditions qui ne respectent pas les dispositions légales]2.
L'accès à ces informations et données à caractère personnel est protégé, tous les accès sont journalisés et les raisons concrètes des accès sont enregistrées.
§ 3. Dans l'intérêt de l'exercice de leurs missions, les services de renseignement et de sécurité peuvent mettre les informations et données à caractère personnel des banques de données visées à l'article 44/2, § 3, alinéa 2, 1° et 2°, de la loi sur la fonction de police en corrélation avec :
1° les banques de données gérées par les services de renseignement et de sécurité ou qui leur sont directement disponibles ou accessibles dans le cadre de leurs missions, ou des listes de personnes élaborées par les services de renseignement et de sécurité dans le cadre de leurs missions;
2° des critères d'évaluation préétablis.
Les banques de données ou les listes, ou les critères d'évaluation préétablis visés au présent paragraphe sont préparés dans le but de réaliser cette corrélation après enregistrement des données.
Le contenu des banques de données ou des listes visées à l'alinéa 1er, 1°, utilisées en vue d'une corrélation, est soumis à l'autorisation [2 d'un officier des méthodes]2. La décision de mettre les banques de données ou les listes en corrélation peut porter sur un ensemble de données relatives à une ou plusieurs enquêtes de renseignement spécifiques.
Chaque liste avec laquelle la corrélation visée à l'alinéa 1er, 1°, est réalisée, est communiquée dans les meilleurs délais au Comité permanent R. Le Comité permanent R interdit aux services de renseignement et de sécurité d'exploiter les données recueillies dans [2 des conditions qui ne respectent pas les dispositions légales]2.
Les critères d'évaluation visés à l'alinéa 1er, 2°, sont préalablement présentés au Comité permanent R. Des corrélations qui affinent ces critères d'évaluations ne doivent plus être présentées. Ces critères d'évaluation ne peuvent viser l'identification d'un individu et doivent être ciblés, proportionnés et spécifiques.
§ 4. Dans l'intérêt de l'exercice de leurs missions, les services de renseignement et de sécurité peuvent accéder au registre mentionné à l'article 25/8, alinéa 2, de la loi sur la fonction de police.
§ 5. Dans le cas où l'accès direct visé au présent article est possible, un service de renseignement et de sécurité ne peut pas solliciter le même accès direct sur la base de l'article 14, alinéa 2.
Le magistrat compétent qui estime qu'un accès direct aux informations et aux données à caractère personnel entrave la bonne exécution d'une [2 information]2 ou d'une instruction judiciaire, peut décider de suspendre temporairement l'accès. Si un service de renseignement ou de sécurité utilise un accès direct concernant ces informations et données à caractère personnel, il sera informé que ces dernières sont incomplètes.
§ 6. [2 L'officier des méthodes]2 qui prend les décisions prévues par cet article, ne peut pas être en même temps le gestionnaire du dossier auquel la décision se rapporte.]1
Par dérogation aux articles 25/5, § 2, et 46/2 de la loi sur la fonction de police, les services de police n'exercent pas de contrôle sur le visionnage en temps réel des images par les services de renseignement et de sécurité.
Après anonymisation, les informations et données à caractère personnel visées à l'alinéa 1er peuvent être utilisées à des fins didactiques et pédagogiques dans le cadre de la formation des membres des services de renseignement et de sécurité.
§ 2. Dans l'intérêt de l'exercice de leurs missions, les services de renseignement et de sécurité peuvent accéder de manière ponctuelle et après leur enregistrement aux informations et données à caractère personnel des banques de données visées aux articles 25/6, 44/2, § 3, alinéa 2, 1° et 2°, et 46/12 de la loi sur la fonction de police, si cela est motivé sur le plan opérationnel, nécessaire pour l'exercice d'une mission précise et décidé par un [3 officier des méthodes]3.
Après le premier mois de conservation, l'accès aux données visées au présent paragraphe est décidé par le dirigeant de service ou son délégué.
[2 En cas d'urgence, le dirigeant du service ou son délégué peut décider verbalement d'accéder à ces données. Cette décision verbale est confirmée par une décision écrite, le premier jour ouvrable qui suit la date de la décision, selon les modalités fixées à l'alinéa 4.]2
La décision du dirigeant de service ou de son délégué et sa motivation sont transmises au comité permanent R dans les meilleurs délais. La décision peut porter sur un ensemble de données relatives à une enquête de renseignement spécifique. Dans ce cas, une liste des accès ponctuels est communiquée une fois par mois au Comité permanent R. Le Comité permanent R interdit aux services de renseignement et de sécurité d'exploiter les données recueillies dans [2 des conditions qui ne respectent pas les dispositions légales]2.
L'accès à ces informations et données à caractère personnel est protégé, tous les accès sont journalisés et les raisons concrètes des accès sont enregistrées.
§ 3. Dans l'intérêt de l'exercice de leurs missions, les services de renseignement et de sécurité peuvent mettre les informations et données à caractère personnel des banques de données visées à l'article 44/2, § 3, alinéa 2, 1° et 2°, de la loi sur la fonction de police en corrélation avec :
1° les banques de données gérées par les services de renseignement et de sécurité ou qui leur sont directement disponibles ou accessibles dans le cadre de leurs missions, ou des listes de personnes élaborées par les services de renseignement et de sécurité dans le cadre de leurs missions;
2° des critères d'évaluation préétablis.
Les banques de données ou les listes, ou les critères d'évaluation préétablis visés au présent paragraphe sont préparés dans le but de réaliser cette corrélation après enregistrement des données.
Le contenu des banques de données ou des listes visées à l'alinéa 1er, 1°, utilisées en vue d'une corrélation, est soumis à l'autorisation [2 d'un officier des méthodes]2. La décision de mettre les banques de données ou les listes en corrélation peut porter sur un ensemble de données relatives à une ou plusieurs enquêtes de renseignement spécifiques.
Chaque liste avec laquelle la corrélation visée à l'alinéa 1er, 1°, est réalisée, est communiquée dans les meilleurs délais au Comité permanent R. Le Comité permanent R interdit aux services de renseignement et de sécurité d'exploiter les données recueillies dans [2 des conditions qui ne respectent pas les dispositions légales]2.
Les critères d'évaluation visés à l'alinéa 1er, 2°, sont préalablement présentés au Comité permanent R. Des corrélations qui affinent ces critères d'évaluations ne doivent plus être présentées. Ces critères d'évaluation ne peuvent viser l'identification d'un individu et doivent être ciblés, proportionnés et spécifiques.
§ 4. Dans l'intérêt de l'exercice de leurs missions, les services de renseignement et de sécurité peuvent accéder au registre mentionné à l'article 25/8, alinéa 2, de la loi sur la fonction de police.
§ 5. Dans le cas où l'accès direct visé au présent article est possible, un service de renseignement et de sécurité ne peut pas solliciter le même accès direct sur la base de l'article 14, alinéa 2.
Le magistrat compétent qui estime qu'un accès direct aux informations et aux données à caractère personnel entrave la bonne exécution d'une [2 information]2 ou d'une instruction judiciaire, peut décider de suspendre temporairement l'accès. Si un service de renseignement ou de sécurité utilise un accès direct concernant ces informations et données à caractère personnel, il sera informé que ces dernières sont incomplètes.
§ 6. [2 L'officier des méthodes]2 qui prend les décisions prévues par cet article, ne peut pas être en même temps le gestionnaire du dossier auquel la décision se rapporte.]1
Art. 16/5. [1 De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen, in het belang van de uitoefening van hun opdrachten, in de virtuele wereld infiltreren, al dan niet onder dekmantel van een valse naam of valse hoedanigheid. ]1
Art. 16/5. [1 Les services de renseignement et de sécurité peuvent, dans l'intérêt de l'exercice de leurs missions, s'infiltrer dans le monde virtuel, sous couvert ou non d'un faux nom ou d'une fausse qualité. ]1
Modifications
Art. 16/6. [1 § 1. De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen, in het belang van de uitoefening van hun opdrachten, de medewerking vorderen van:
1° de personen en instellingen bedoeld in artikel 5, paragraaf 1, 3° tot 22°, van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten;
2° de personen en instellingen die, binnen het Belgisch grondgebied, diensten beschikbaar stellen of aanbieden met betrekking tot virtuele waarden die toelaten dat gereglementeerde betaalmiddelen in virtuele waarden worden uitgewisseld;
3° het centraal aanspreekpunt gehouden door de Nationale Bank van België overeenkomstig de wet van 8 juli 2018 houdende organisatie van een centraal aanspreekpunt van bankrekeningen en financiële contracten en tot uitbreiding van de toegang tot het centraal bestand van berichten van beslag, delegatie, overdracht, collectieve schuldenregeling en protest;
om over te gaan tot:
a) het identificeren van de producten en diensten, waarvan de geviseerde persoon titularis, gevolmachtigde of de uiteindelijke gerechtigde is;
b) het identificeren van de titularissen, de gevolmachtigden, of de uiteindelijke gerechtigden van de producten en diensten.
De vordering bedoeld in het eerste lid, 1° en 2°, gebeurt schriftelijk door het diensthoofd of zijn gedelegeerde. In geval van hoogdringendheid kan het diensthoofd of zijn gedelegeerde deze gegevens mondeling vorderen. Deze mondelinge vordering wordt binnen vierentwintig uur bevestigd door een schriftelijke vordering.
De gevorderde medewerking bedoeld in het eerste lid, 3°, gebeurt na schriftelijke beslissing van het diensthoofd of zijn gedelegeerde, en overeenkomstig de wet van 8 juli 2018 houdende organisatie van een centraal aanspreekpunt van bankrekeningen en financiële contracten en tot uitbreiding van de toegang tot het centraal bestand van berichten van beslag, delegatie, overdracht, collectieve schuldenregeling en protest. In geval van hoogdringendheid kan het diensthoofd of zijn gedelegeerde de methode mondeling toestaan. Deze mondelinge beslissing wordt binnen vierentwintig uur bevestigd door een schriftelijke beslissing.
§ 2. De gevorderde persoon of instelling is ertoe gehouden de gevraagde informatie onverwijld te verstrekken na ontvangst van de schriftelijke vordering van het diensthoofd of zijn gedelegeerde.
De gevorderde persoon of instelling die de in dit artikel bedoelde medewerking weigert te verlenen, wordt gestraft met geldboete van zesentwintig euro tot twintigduizend euro.
§ 3. Beide inlichtingen- en veiligheidsdiensten houden een register bij van alle gevorderde identificaties. De betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst maakt maandelijks een lijst van de gevorderde identificaties over aan het Vast Comité I.
Het Vast Comité I verbiedt de inlichtingen- en veiligheidsdiensten om gebruik te maken van de gegevens die verzameld werden in omstandigheden die niet aan de wettelijke bepalingen voldoen. ]1
1° de personen en instellingen bedoeld in artikel 5, paragraaf 1, 3° tot 22°, van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten;
2° de personen en instellingen die, binnen het Belgisch grondgebied, diensten beschikbaar stellen of aanbieden met betrekking tot virtuele waarden die toelaten dat gereglementeerde betaalmiddelen in virtuele waarden worden uitgewisseld;
3° het centraal aanspreekpunt gehouden door de Nationale Bank van België overeenkomstig de wet van 8 juli 2018 houdende organisatie van een centraal aanspreekpunt van bankrekeningen en financiële contracten en tot uitbreiding van de toegang tot het centraal bestand van berichten van beslag, delegatie, overdracht, collectieve schuldenregeling en protest;
om over te gaan tot:
a) het identificeren van de producten en diensten, waarvan de geviseerde persoon titularis, gevolmachtigde of de uiteindelijke gerechtigde is;
b) het identificeren van de titularissen, de gevolmachtigden, of de uiteindelijke gerechtigden van de producten en diensten.
De vordering bedoeld in het eerste lid, 1° en 2°, gebeurt schriftelijk door het diensthoofd of zijn gedelegeerde. In geval van hoogdringendheid kan het diensthoofd of zijn gedelegeerde deze gegevens mondeling vorderen. Deze mondelinge vordering wordt binnen vierentwintig uur bevestigd door een schriftelijke vordering.
De gevorderde medewerking bedoeld in het eerste lid, 3°, gebeurt na schriftelijke beslissing van het diensthoofd of zijn gedelegeerde, en overeenkomstig de wet van 8 juli 2018 houdende organisatie van een centraal aanspreekpunt van bankrekeningen en financiële contracten en tot uitbreiding van de toegang tot het centraal bestand van berichten van beslag, delegatie, overdracht, collectieve schuldenregeling en protest. In geval van hoogdringendheid kan het diensthoofd of zijn gedelegeerde de methode mondeling toestaan. Deze mondelinge beslissing wordt binnen vierentwintig uur bevestigd door een schriftelijke beslissing.
§ 2. De gevorderde persoon of instelling is ertoe gehouden de gevraagde informatie onverwijld te verstrekken na ontvangst van de schriftelijke vordering van het diensthoofd of zijn gedelegeerde.
De gevorderde persoon of instelling die de in dit artikel bedoelde medewerking weigert te verlenen, wordt gestraft met geldboete van zesentwintig euro tot twintigduizend euro.
§ 3. Beide inlichtingen- en veiligheidsdiensten houden een register bij van alle gevorderde identificaties. De betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst maakt maandelijks een lijst van de gevorderde identificaties over aan het Vast Comité I.
Het Vast Comité I verbiedt de inlichtingen- en veiligheidsdiensten om gebruik te maken van de gegevens die verzameld werden in omstandigheden die niet aan de wettelijke bepalingen voldoen. ]1
Art. 16/6. [1 § 1er. Les services de renseignement et de sécurité peuvent, dans l'intérêt de l'exercice de leurs missions, requérir le concours:
1° des personnes et institutions visées à l'article 5, paragraphe 1er, 3° à 22°, de la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces;
2° des personnes et institutions qui, sur le territoire belge, mettent à disposition ou proposent des services en lien avec des valeurs virtuelles permettant d'échanger des moyens de paiement réglementés en valeurs virtuelles;
3° du point de contact central tenu par la Banque nationale de Belgique conformément à la loi du 8 juillet 2018 portant organisation d'un point de contact central des comptes et contrats financiers et portant extension de l'accès au fichier central des avis de saisie, de délégation, de cession, de règlement collectif de dettes et de protêt;
afin de procéder à:
a) l'identification des produits et services dont la personne visée est le titulaire, le mandataire ou le bénéficiaire effectif;
b) l'identification des titulaires, des mandataires ou des bénéficiaires effectifs des produits et services.
Le dirigeant du service ou son délégué effectue la réquisition, visée à l'alinéa 1er, 1° et 2°, par écrit. En cas d'extrême urgence, le dirigeant du service ou son délégué peut requérir ces données verbalement. Cette réquisition verbale doit être confirmée par écrit dans un délai de vingt-quatre heures.
La coopération requise visée à l'alinéa 1er, 3°, a lieu après une décision écrite du dirigeant du service ou de son délégué, et conformément à la loi du 8 juillet 2018 portant organisation d'un point de contact central des comptes et contrats financiers et portant extension de l'accès au fichier central des avis de saisie, de délégation, de cession, de règlement collectif de dettes et de protêt. En cas d'extrême urgence, le dirigeant du service ou son délégué peut autoriser verbalement la méthode. Cette décision verbale est confirmée par une décision écrite dans un délai de vingt-quatre heures.
§ 2. La personne ou l'institution requise est tenue de remettre sans délai les informations demandées après réception de la réquisition écrite du dirigeant du service ou de son délégué.
La personne ou l'institution requise qui refuse de prêter le concours visé au présent article est punie d'une amende de vingt-six euros à vingt mille euros.
§ 3. Les deux services de renseignement et de sécurité tiennent un registre de toutes les identifications requises. Le service de renseignement et de sécurité concerné transmet chaque mois au Comité permanent R une liste des identifications requises.
Le Comité permanent R interdit aux services de renseignement et de sécurité d'exploiter les données recueillies dans des conditions qui ne respectent pas les dispositions légales. ]1
1° des personnes et institutions visées à l'article 5, paragraphe 1er, 3° à 22°, de la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces;
2° des personnes et institutions qui, sur le territoire belge, mettent à disposition ou proposent des services en lien avec des valeurs virtuelles permettant d'échanger des moyens de paiement réglementés en valeurs virtuelles;
3° du point de contact central tenu par la Banque nationale de Belgique conformément à la loi du 8 juillet 2018 portant organisation d'un point de contact central des comptes et contrats financiers et portant extension de l'accès au fichier central des avis de saisie, de délégation, de cession, de règlement collectif de dettes et de protêt;
afin de procéder à:
a) l'identification des produits et services dont la personne visée est le titulaire, le mandataire ou le bénéficiaire effectif;
b) l'identification des titulaires, des mandataires ou des bénéficiaires effectifs des produits et services.
Le dirigeant du service ou son délégué effectue la réquisition, visée à l'alinéa 1er, 1° et 2°, par écrit. En cas d'extrême urgence, le dirigeant du service ou son délégué peut requérir ces données verbalement. Cette réquisition verbale doit être confirmée par écrit dans un délai de vingt-quatre heures.
La coopération requise visée à l'alinéa 1er, 3°, a lieu après une décision écrite du dirigeant du service ou de son délégué, et conformément à la loi du 8 juillet 2018 portant organisation d'un point de contact central des comptes et contrats financiers et portant extension de l'accès au fichier central des avis de saisie, de délégation, de cession, de règlement collectif de dettes et de protêt. En cas d'extrême urgence, le dirigeant du service ou son délégué peut autoriser verbalement la méthode. Cette décision verbale est confirmée par une décision écrite dans un délai de vingt-quatre heures.
§ 2. La personne ou l'institution requise est tenue de remettre sans délai les informations demandées après réception de la réquisition écrite du dirigeant du service ou de son délégué.
La personne ou l'institution requise qui refuse de prêter le concours visé au présent article est punie d'une amende de vingt-six euros à vingt mille euros.
§ 3. Les deux services de renseignement et de sécurité tiennent un registre de toutes les identifications requises. Le service de renseignement et de sécurité concerné transmet chaque mois au Comité permanent R une liste des identifications requises.
Le Comité permanent R interdit aux services de renseignement et de sécurité d'exploiter les données recueillies dans des conditions qui ne respectent pas les dispositions légales. ]1
Modifications
Art. 17. [2 De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen, in het belang van de uitoefening van hun opdrachten,]2 steeds de voor het publiek toegankelijke plaatsen betreden en, met inachtneming van de onschendbaarheid van de woning, hotelinrichtingen en andere logiesverstrekkende inrichtingen bezoeken.
Zij kunnen zich door de eigenaars, exploitanten of aangestelden van die inrichtingen de [1 inschrijvingsgegevens]1 van de reizigers doen overleggen.
Zij kunnen zich door de eigenaars, exploitanten of aangestelden van die inrichtingen de [1 inschrijvingsgegevens]1 van de reizigers doen overleggen.
Art. 17. [2 Les services de renseignement et de sécurité peuvent, dans l'intérêt de l'exercice de leurs missions,]2 toujours pénétrer dans les lieux accessibles au public et, dans le respect de l'inviolabilité du domicile, visiter les établissements hôteliers et autres établissements de logement.
Ils peuvent se faire présenter par les propriétaires, tenanciers ou préposés de ces établissements, les [1 données d'inscription]1 des voyageurs.
Ils peuvent se faire présenter par les propriétaires, tenanciers ou préposés de ces établissements, les [1 données d'inscription]1 des voyageurs.
Art. 18. [4 § 1.]4 [3 De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen, in het belang van de uitoefening van hun opdrachten,]3 een beroep doen [4 op personen waaronder]4 menselijke bronnen [1 voor het verzamelen van gegevens omtrent gebeurtenissen, voorwerpen, groeperingen en natuurlijke personen of rechtspersonen die een belang vertonen voor de uitoefening van hun opdrachten, conform de richtlijnen van [2 de Nationale Veiligheidsraad]2]1. [1 ...]1
[4 § 2. In het belang van de uitvoering van hun opdrachten bedoeld in de artikelen 7, 1° en 3° /1 en 11, § 1, 1° tot 3° en 5°, kunnen de inlichtingen- en veiligheidsdiensten de methoden voor het verzamelen van gegevens aanwenden ten opzichte van een menselijke bron:
1° indien er twijfel bestaat over zijn betrouwbaarheid, discretie of loyauteit tegenover de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst waardoor een nadeel ontstaat voor de uitoefening van de opdrachten van die dienst, of
2° ter verzekering van zijn bescherming.]4
[4 § 2. In het belang van de uitvoering van hun opdrachten bedoeld in de artikelen 7, 1° en 3° /1 en 11, § 1, 1° tot 3° en 5°, kunnen de inlichtingen- en veiligheidsdiensten de methoden voor het verzamelen van gegevens aanwenden ten opzichte van een menselijke bron:
1° indien er twijfel bestaat over zijn betrouwbaarheid, discretie of loyauteit tegenover de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst waardoor een nadeel ontstaat voor de uitoefening van de opdrachten van die dienst, of
2° ter verzekering van zijn bescherming.]4
Art. 18. [4 § 1.]4[3 Les services de renseignement et de sécurité peuvent, dans l'intérêt de l'exercice de leurs missions,]3 avoir recours [4 à des personnes dont]4 des sources humaines [1 pour la collecte de données en rapport avec des événements, des objets, des groupements et des personnes physiques ou morales présentant un intérêt pour l'exercice de leurs missions, conformément aux directives du [2 Conseil national de sécurité]2]1. [1 ...]1
[4 § 2. Dans l'intérêt de l'exercice de leurs missions visées aux articles 7, 1° et 3° /1 et 11, § 1er, 1° à 3° et 5°, les services de renseignement et de sécurité peuvent mettre en oeuvre des méthodes de recueil de données à l'égard d'une source humaine:
1° lorsqu'il y a un doute quant à sa fiabilité, discrétion ou loyauté vis-à-vis du service de renseignement et de sécurité concerné susceptible de causer un préjudice pour l'exercice des missions dudit service, ou
2° pour assurer sa protection.]4
[4 § 2. Dans l'intérêt de l'exercice de leurs missions visées aux articles 7, 1° et 3° /1 et 11, § 1er, 1° à 3° et 5°, les services de renseignement et de sécurité peuvent mettre en oeuvre des méthodes de recueil de données à l'égard d'une source humaine:
1° lorsqu'il y a un doute quant à sa fiabilité, discrétion ou loyauté vis-à-vis du service de renseignement et de sécurité concerné susceptible de causer un préjudice pour l'exercice des missions dudit service, ou
2° pour assurer sa protection.]4
Onderafdeling 2.]2[1 - Specifieke methoden en uitzonderlijke methoden voor het verzamelen van gegevens]1
Sous-section 2.]2[1 Des méthodes spécifiques et des méthodes exceptionnelles de recueil de données]1
A. [1 Algemene bepalingen]1
A. [1 Dispositions générales]1
Art. 18/1. [1 Deze onderafdeling is van toepassing :
1° op de Veiligheid van de Staat voor de uitoefening, [5 op of vanaf het grondgebied van het Rijk]5, van de opdrachten bedoeld in [2 de artikelen 7, 1° en 3° /1, en [4 ...]4]2, onverminderd artikel 18/9, § 1, 1°;
2° op de [3 Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid]3 van de Krijgsmacht [5 , onverminderd artikel 18/9, § 1, 2°,]5 voor de uitoefening [5 ...]5 van de opdrachten bedoeld in [2 de artikelen 11, § 1, 1° tot 3° en 5°, en § 2]2, [5 met uitzondering van de interceptie van communicatie uitgezonden of ontvangen in het buitenland alsook het binnendringen in een informaticasysteem dat zich in het buitenland bevindt en het maken van vaste of bewegende beelden uitgevoerd in het buitenland, bedoeld in de artikelen 44 tot 44/5.]5]1
[6 3° onverminderd de bepalingen onder 1° en 2°, op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, in het kader van artikel 18, paragraaf 2.]6
1° op de Veiligheid van de Staat voor de uitoefening, [5 op of vanaf het grondgebied van het Rijk]5, van de opdrachten bedoeld in [2 de artikelen 7, 1° en 3° /1, en [4 ...]4]2, onverminderd artikel 18/9, § 1, 1°;
2° op de [3 Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid]3 van de Krijgsmacht [5 , onverminderd artikel 18/9, § 1, 2°,]5 voor de uitoefening [5 ...]5 van de opdrachten bedoeld in [2 de artikelen 11, § 1, 1° tot 3° en 5°, en § 2]2, [5 met uitzondering van de interceptie van communicatie uitgezonden of ontvangen in het buitenland alsook het binnendringen in een informaticasysteem dat zich in het buitenland bevindt en het maken van vaste of bewegende beelden uitgevoerd in het buitenland, bedoeld in de artikelen 44 tot 44/5.]5]1
[6 3° onverminderd de bepalingen onder 1° en 2°, op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, in het kader van artikel 18, paragraaf 2.]6
Modifications
Art. 18/1. [1 La présente sous-section s'applique :
1° à la Sûreté de l'Etat pour l'exercice, [5 sur ou à partir du territoire du Royaume]5, des missions visées aux [2 articles 7, 1° et 3° /1 [4 ...]4 ;]2, sans préjudice de l'article 18/9, § 1er, 1°;
2° au [3 Service Général du Renseignement et de la Sécurité]3 [5 , sans préjudice de l'article 18/9, § 1er, 2°,]5 pour l'exercice [5 ...]5 des missions visées aux [2 articles 11, § 1er, 1° à 3° et 5°, et § 2]2, [5 à l'exception de l'interception de communications émises ou reçues à l'étranger et de l'intrusion dans un système informatique situé à l'étranger et de la prise d'images fixes ou animées effectuée à l'étranger, visées aux articles 44 à 44/5.]5]1
[6 3° sans préjudice des 1° et 2°, aux services de renseignement et de sécurité, dans le cadre de l'article 18, paragraphe 2.]6
1° à la Sûreté de l'Etat pour l'exercice, [5 sur ou à partir du territoire du Royaume]5, des missions visées aux [2 articles 7, 1° et 3° /1 [4 ...]4 ;]2, sans préjudice de l'article 18/9, § 1er, 1°;
2° au [3 Service Général du Renseignement et de la Sécurité]3 [5 , sans préjudice de l'article 18/9, § 1er, 2°,]5 pour l'exercice [5 ...]5 des missions visées aux [2 articles 11, § 1er, 1° à 3° et 5°, et § 2]2, [5 à l'exception de l'interception de communications émises ou reçues à l'étranger et de l'intrusion dans un système informatique situé à l'étranger et de la prise d'images fixes ou animées effectuée à l'étranger, visées aux articles 44 à 44/5.]5]1
[6 3° sans préjudice des 1° et 2°, aux services de renseignement et de sécurité, dans le cadre de l'article 18, paragraphe 2.]6
Modifications
Art. 18/2. [1 § 1. [3 De specifieke methoden voor het verzamelen van gegevens worden opgesomd in de artikelen 18/4 tot 18/8.]3
§ 2. [3 De uitzonderlijke methoden voor het verzamelen van gegevens worden opgesomd in de artikelen 18/11 tot 18/17.]3
§ 3. Als een in [4 paragrafen]4 1 en 2 bedoelde methode aangewend wordt ten opzichte van een advocaat, een arts of een journalist, of van hun lokalen of communicatiemiddelen die zij voor beroepsdoeleinden gebruiken, of van hun woonplaats of verblijfplaats, mag deze methode niet uitgevoerd worden zonder dat, naargelang het geval, de voorzitter van de Orde van de Vlaamse balies, van de Ordre des barreaux francophones et germanophone, van de Nationale Raad van de Orde van Geneesheren of van de Vereniging van Beroepsjournalisten [3 of in geval van ziekte of verhindering van de voorzitter diens plaatsvervanger]3 hiervan vooraf op de hoogte is gebracht door de voorzitter van de commissie [4 of, bij verhindering, door een ander Commissielid]4. De voorzitter van de commissie [4 of het Commissielid dat de voorzitter vervangt,]4 is verplicht om de nodige inlichtingen te verstrekken aan de voorzitter van de Orde of van de Vereniging van Beroepsjournalisten, waarvan de advocaat, de arts of de journalist deel uitmaakt [3 of aan de plaatsvervanger van de voorzitter]3. De betrokken voorzitter [3 en zijn plaatsvervanger zijn tot geheimhouding verplicht]3. De straffen bepaald in artikel 458 van het Strafwetboek zijn van toepassing voor inbreuken op deze verplichting tot geheimhouding.
Als een in [4 paragrafen]4 1 en 2 bedoelde methode aangewend wordt ten opzichte van een advocaat, een arts of een journalist, van hun lokalen of communicatiemiddelen die zij voor beroepsdoeleinden gebruiken, of van hun woonplaats of verblijfplaats, gaat de voorzitter van de commissie [4 of, bij verhindering, een ander Commissielid]4 na of de via deze methode verkregen gegevens een rechtstreeks verband hebben met [3 de potentiële dreiging]3, wanneer zij beschermd worden door het beroepsgeheim van een advocaat of arts of door het bronnengeheim van een journalist. [3 Zo geen rechtstreeks verband is aangetoond, verbiedt de Commissie de inlichtingen- en veiligheidsdiensten deze gegevens te exploiteren.]3
Als een in [4 paragraaf]4 2 bedoelde uitzonderlijke methode aangewend wordt ten opzichte van een advocaat, een arts of een journalist, [3 kan]3 de voorzitter van de commissie of het door hem aangewezen lid van de commissie aanwezig [3 ...]3 zijn bij de aanwending van deze methode.]1 [3 De voorzitter houdt rekening met het risico dat zijn aanwezigheid kan hebben voor de uitoefening van de opdracht, zijn eigen veiligheid en de veiligheid van de agenten en van derden.]3
[4 § 4. Indien een in de paragrafen 1 en 2 bedoelde methode wordt aangewend ten opzichte van een menselijke bron in toepassing van artikel 18, § 2, wordt van de op straffe van nietigheid voorgeschreven vermeldingen bedoeld in de artikelen 18/3, § 2, 2° en 3° en 18/10, § 2, 2° en 3° afgeweken.]4
§ 2. [3 De uitzonderlijke methoden voor het verzamelen van gegevens worden opgesomd in de artikelen 18/11 tot 18/17.]3
§ 3. Als een in [4 paragrafen]4 1 en 2 bedoelde methode aangewend wordt ten opzichte van een advocaat, een arts of een journalist, of van hun lokalen of communicatiemiddelen die zij voor beroepsdoeleinden gebruiken, of van hun woonplaats of verblijfplaats, mag deze methode niet uitgevoerd worden zonder dat, naargelang het geval, de voorzitter van de Orde van de Vlaamse balies, van de Ordre des barreaux francophones et germanophone, van de Nationale Raad van de Orde van Geneesheren of van de Vereniging van Beroepsjournalisten [3 of in geval van ziekte of verhindering van de voorzitter diens plaatsvervanger]3 hiervan vooraf op de hoogte is gebracht door de voorzitter van de commissie [4 of, bij verhindering, door een ander Commissielid]4. De voorzitter van de commissie [4 of het Commissielid dat de voorzitter vervangt,]4 is verplicht om de nodige inlichtingen te verstrekken aan de voorzitter van de Orde of van de Vereniging van Beroepsjournalisten, waarvan de advocaat, de arts of de journalist deel uitmaakt [3 of aan de plaatsvervanger van de voorzitter]3. De betrokken voorzitter [3 en zijn plaatsvervanger zijn tot geheimhouding verplicht]3. De straffen bepaald in artikel 458 van het Strafwetboek zijn van toepassing voor inbreuken op deze verplichting tot geheimhouding.
Als een in [4 paragrafen]4 1 en 2 bedoelde methode aangewend wordt ten opzichte van een advocaat, een arts of een journalist, van hun lokalen of communicatiemiddelen die zij voor beroepsdoeleinden gebruiken, of van hun woonplaats of verblijfplaats, gaat de voorzitter van de commissie [4 of, bij verhindering, een ander Commissielid]4 na of de via deze methode verkregen gegevens een rechtstreeks verband hebben met [3 de potentiële dreiging]3, wanneer zij beschermd worden door het beroepsgeheim van een advocaat of arts of door het bronnengeheim van een journalist. [3 Zo geen rechtstreeks verband is aangetoond, verbiedt de Commissie de inlichtingen- en veiligheidsdiensten deze gegevens te exploiteren.]3
Als een in [4 paragraaf]4 2 bedoelde uitzonderlijke methode aangewend wordt ten opzichte van een advocaat, een arts of een journalist, [3 kan]3 de voorzitter van de commissie of het door hem aangewezen lid van de commissie aanwezig [3 ...]3 zijn bij de aanwending van deze methode.]1 [3 De voorzitter houdt rekening met het risico dat zijn aanwezigheid kan hebben voor de uitoefening van de opdracht, zijn eigen veiligheid en de veiligheid van de agenten en van derden.]3
[4 § 4. Indien een in de paragrafen 1 en 2 bedoelde methode wordt aangewend ten opzichte van een menselijke bron in toepassing van artikel 18, § 2, wordt van de op straffe van nietigheid voorgeschreven vermeldingen bedoeld in de artikelen 18/3, § 2, 2° en 3° en 18/10, § 2, 2° en 3° afgeweken.]4
Art. 18/2. [1 § 1er. [3 Les méthodes spécifiques de recueil de données sont énumérées aux articles 18/4 à 18/8.]3
§ 2. [3 Les méthodes exceptionnelles de recueil de données sont énumérées aux articles 18/11 à 18/17.]3
§ 3. Si une méthode visée aux [4 paragraphes]4 1er et 2 est mise en oeuvre à l'égard d'un avocat, d'un médecin ou d'un journaliste, ou de leurs locaux ou de moyens de communication qu'ils utilisent à des fins professionnelles, ou de leur résidence, ou de leur domicile, cette méthode ne peut être exécutée sans que, suivant le cas, le président de l'Ordre des barreaux francophones et germanophone ou le président de l'Orde van Vlaamse balies, le président du Conseil national de l'Ordre des médecins ou le président de l'Association des journalistes professionnels, [3 ou leur suppléant en cas de maladie ou d'empêchement du président,]3 en soit averti au préalable par le président de la commission [4 ou, en cas d'empêchement, par un autre membre de la Commission]4. Le président de la commission [4 ou le membre de la Commission qui remplace le président]4 est tenu de fournir les informations nécessaires au président de l'Ordre ou de l'association des journalistes professionnels dont fait partie l'avocat, le médecin ou le journaliste [3 ou à son suppléant]3. Le président concerné [3 et son suppléant sont tenus au secret]3. Les peines prévues à l'article 458 du Code pénal s'appliquent aux infractions à cette obligation de garder le secret.
Si une méthode visée aux [4 paragraphes]4 1er et 2 est mise en oeuvre à l'égard d'un avocat, d'un médecin ou d'un journaliste, ou de leurs locaux ou de moyens de communication qu'ils utilisent à des fins professionnelles, ou de leur résidence ou de leur domicile, le président de la commission [4 ou, en cas d'empêchement, un autre membre de la Commission]4 vérifie si les données obtenues grâce à cette méthode, lorsqu'elles sont protégées par le secret professionnel de l'avocat ou du médecin ou par le secret des sources du journaliste, sont directement liées à [3 la menace potentielle]3. [3 Si aucun lien direct n'est démontré, la Commission interdit aux services de renseignement et de sécurité d'exploiter ces données.]3
Si une méthode exceptionnelle visée au [4 paragraphe]4 2 est mise en oeuvre à l'égard d'un avocat, d'un médecin ou d'un journaliste, le président de la commission ou le membre de la commission délégué par lui [3 peut]3 être présent lors de la mise en oeuvre de la méthode. [3 Le président tient compte du risque que sa présence peut occasionner pour l'exécution de la mission, sa propre sécurité et celle des agents et des tiers.]3]1
[4 § 4. Lorsqu'une méthode visée aux paragraphes 1er et 2 est mise en oeuvre à l'égard d'une source humaine en application de l'article 18, § 2, il est dérogé aux mentions prescrites sous peine de nullité visées aux articles 18/3, § 2, 2° et 3° et 18/10, § 2, 2° et 3°. ]4
§ 2. [3 Les méthodes exceptionnelles de recueil de données sont énumérées aux articles 18/11 à 18/17.]3
§ 3. Si une méthode visée aux [4 paragraphes]4 1er et 2 est mise en oeuvre à l'égard d'un avocat, d'un médecin ou d'un journaliste, ou de leurs locaux ou de moyens de communication qu'ils utilisent à des fins professionnelles, ou de leur résidence, ou de leur domicile, cette méthode ne peut être exécutée sans que, suivant le cas, le président de l'Ordre des barreaux francophones et germanophone ou le président de l'Orde van Vlaamse balies, le président du Conseil national de l'Ordre des médecins ou le président de l'Association des journalistes professionnels, [3 ou leur suppléant en cas de maladie ou d'empêchement du président,]3 en soit averti au préalable par le président de la commission [4 ou, en cas d'empêchement, par un autre membre de la Commission]4. Le président de la commission [4 ou le membre de la Commission qui remplace le président]4 est tenu de fournir les informations nécessaires au président de l'Ordre ou de l'association des journalistes professionnels dont fait partie l'avocat, le médecin ou le journaliste [3 ou à son suppléant]3. Le président concerné [3 et son suppléant sont tenus au secret]3. Les peines prévues à l'article 458 du Code pénal s'appliquent aux infractions à cette obligation de garder le secret.
Si une méthode visée aux [4 paragraphes]4 1er et 2 est mise en oeuvre à l'égard d'un avocat, d'un médecin ou d'un journaliste, ou de leurs locaux ou de moyens de communication qu'ils utilisent à des fins professionnelles, ou de leur résidence ou de leur domicile, le président de la commission [4 ou, en cas d'empêchement, un autre membre de la Commission]4 vérifie si les données obtenues grâce à cette méthode, lorsqu'elles sont protégées par le secret professionnel de l'avocat ou du médecin ou par le secret des sources du journaliste, sont directement liées à [3 la menace potentielle]3. [3 Si aucun lien direct n'est démontré, la Commission interdit aux services de renseignement et de sécurité d'exploiter ces données.]3
Si une méthode exceptionnelle visée au [4 paragraphe]4 2 est mise en oeuvre à l'égard d'un avocat, d'un médecin ou d'un journaliste, le président de la commission ou le membre de la commission délégué par lui [3 peut]3 être présent lors de la mise en oeuvre de la méthode. [3 Le président tient compte du risque que sa présence peut occasionner pour l'exécution de la mission, sa propre sécurité et celle des agents et des tiers.]3]1
[4 § 4. Lorsqu'une méthode visée aux paragraphes 1er et 2 est mise en oeuvre à l'égard d'une source humaine en application de l'article 18, § 2, il est dérogé aux mentions prescrites sous peine de nullité visées aux articles 18/3, § 2, 2° et 3° et 18/10, § 2, 2° et 3°. ]4
B. [1 Specifieke methoden voor het verzamelen van de gegevens]1
B. [1 Des méthodes spécifiques de recueil des données]1
Art. 18/3. [1 § 1. Rekening houdend met een potentiële [3 dreiging]3 zoals bedoeld in artikel 18/1 [5 of in het kader van artikel 18, § 2,]5 kunnen de in artikel 18/2, § 1, bedoelde specifieke methoden voor het verzamelen van gegevens aangewend worden indien de gewone methoden voor het verzamelen van gegevens ontoereikend worden geacht om de informatie te verzamelen die nodig is om de inlichtingenopdracht te volbrengen. De specifieke methode moet worden gekozen in functie van de graad van ernst van de potentiële [3 dreiging]3 waarvoor ze wordt aangewend [5 of in functie van de graad van ernst van het potentieel nadeel voor de uitoefening van de opdrachten van de diensten of het potentiële gevaar voor de veiligheid van de menselijke bron in het kader van artikel 18, § 2]5.
De specifieke methode kan slechts worden aangewend na een schriftelijke en met redenen omklede beslissing van het diensthoofd en na kennisgeving van deze beslissing aan de commissie.
§ 2. [2 De beslissing van het diensthoofd vermeldt :
1° de aard van de specifieke methode;
2° naargelang het geval, de natuurlijke personen of rechtspersonen, [4 feitelijke]4 verenigingen of groeperingen, voorwerpen, plaatsen, gebeurtenissen of informatie die het voorwerp uitmaken van de specifieke methode;
3° de potentiële dreiging die de specifieke methode rechtvaardigt;
4° de feitelijke omstandigheden die de specifieke methode rechtvaardigen, de motivering inzake subsidiariteit en proportionaliteit, inbegrepen het verband tussen de bepalingen onder 2° en 3° ;
5° de periode waarin de specifieke methode kan worden aangewend, te rekenen vanaf de kennisgeving van de beslissing aan de Commissie;
6° de naam [5 van de methodenofficier(en)]5) verantwoordelijk om de aanwending van de specifieke methode op te volgen;
7° in voorkomend geval, het technisch middel dat gebruikt wordt bij de aanwending van de specifieke methode [4 in toepassing van de artikelen 18/4 of 18/5]4;
8° in voorkomend geval, de samenloop met een opsporings- of gerechtelijke onderzoek;
[4 9° in voorkomend geval,[5 de feiten die als strafbaar feit of strafbare feiten kunnen worden gekwalificeerd]5 die strikt noodzakelijk zijn voor het welslagen van de uitvoering van de methode of ter verzekering van de veiligheid van de agenten of derden;
10° in voorkomend geval, de ernstige aanwijzingen waaruit blijkt dat de advocaat, de arts of de journalist persoonlijk en actief meewerkt of heeft meegewerkt aan het ontstaan of de ontwikkeling van de potentiële dreiging;
11° in voorkomend geval, de redenen die de hoogdringendheid rechtvaardigen;
12° in geval toepassing wordt gemaakt van artikel 18/8, de motivering van de duur van de periode waarop de inzameling van gegevens betrekking heeft;
13° de datum van de beslissing;
14° de handtekening van het diensthoofd.]4]2
[4 De vermeldingen bedoeld in de bepalingen onder 1° tot 4°, 7°, 9°, 10°, 11° en 14° zijn op straffe van onwettigheid voorgeschreven.]4
[5 In het kader van artikel 18, § 2, en in afwijking van paragraaf 2, 2° en 3°, vermeldt de beslissing van het diensthoofd respectievelijk de identificatiecode van de menselijke bron en het potentieel nadeel voor de uitoefening van de opdrachten van de diensten of het potentiële gevaar voor de veiligheid van de menselijke bron.";
§ 3. [4 In geval van hoogdringendheid kan het diensthoofd de specifieke methode mondeling toestaan. Deze mondelinge beslissing wordt bevestigd door een met redenen omklede schriftelijke beslissing die de vermeldingen bedoeld in paragraaf 2 bevat, en die uiterlijk de eerste werkdag volgend op de datum van de beslissing moet toekomen op de zetel van de Commissie.
[5 De methodenofficier]5 kan mondeling of schriftelijk de medewerking vorderen van de personen bedoeld in de artikelen 18/6, [5 18/6/1,]5 18/7 en 18/8. De aard van de methode wordt hen meegedeeld. Op een mondelinge vordering volgt zo spoedig mogelijk schriftelijke bevestiging ervan door [5 De methodenofficier]5.]4
§ 4. De specifieke methode kan enkel verlengd of hernieuwd worden mits een nieuwe beslissing van het diensthoofd, die voldoet aan de voorwaarden bepaald in § 1.]1
[2 § 5.]2 (vroeger §1, L3) De specifieke methoden kunnen slechts worden aangewend ten opzichte van een advocaat, een arts of een journalist, of van communicatiemiddelen die ze voor beroepsdoeleinden gebruiken, op voorwaarde dat de inlichtingen- en veiligheidsdienst vooraf over ernstige aanwijzingen beschikt dat de advocaat, de arts of de journalist persoonlijk en actief meewerkt of heeft meegewerkt aan het ontstaan of aan de ontwikkeling van de potentiële [3 dreiging]3 en nadat de commissie, overeenkomstig artikel 18/10 een eensluidend advies uitgebracht heeft op [4 het ontwerp van beslissing]4 van het diensthoofd.
[2 § 6. ]2 (vroeger §2, L2-L5) De leden van de commissie kunnen op elk ogenblik een controle uitoefenen op de wettigheid van de [5 specifieke methoden voor het verzamelen van gegevens, hierbij inbegrepen de naleving van de principes van subsidiariteit en proportionaliteit bedoeld in artikel 18/3, § 1]5.
Zij kunnen daartoe de plaatsen betreden waar de gegevens betreffende de specifieke methode door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten in ontvangst worden genomen of bewaard, zich alle nuttige stukken toe-eigenen en de leden van de dienst horen.
De gegevens verkregen in omstandigheden die de vigerende wettelijke bepalingen niet naleven, worden onder het toezicht van de [4 Commissie]4 bewaard overeenkomstig de door de Koning bepaalde nadere regels en termijnen, na advies van [5 het Vast Comité I]5. De commissie verbiedt de inlichtingen- en veiligheidsdiensten deze gegevens te exploiteren en schorst de aangewende methode indien deze nog lopende is.
De commissie stelt het Vast Comité I op eigen initiatief en onverwijld in kennis van haar beslissing.
[2 § 7.]2 (vroeger §1, L4) [5 De methodenofficier]5 die is aangesteld [2 om de aanwending van de specifieke methode voor het verzamelen van gegevens op te volgen]2, informeert het diensthoofd regelmatig over de uitvoering van deze methode.
[2 § 8. Het diensthoofd beëindigt de specifieke methode wanneer de potentiële dreiging die haar rechtvaardigt weggevallen is, wanneer de methode niet langer nuttig is voor het doel waarvoor zij werd ingesteld, of wanneer hij een onwettigheid heeft vastgesteld. Hij brengt zijn beslissing zo spoedig mogelijk ter kennis van de Commissie.]2
De specifieke methode kan slechts worden aangewend na een schriftelijke en met redenen omklede beslissing van het diensthoofd en na kennisgeving van deze beslissing aan de commissie.
§ 2. [2 De beslissing van het diensthoofd vermeldt :
1° de aard van de specifieke methode;
2° naargelang het geval, de natuurlijke personen of rechtspersonen, [4 feitelijke]4 verenigingen of groeperingen, voorwerpen, plaatsen, gebeurtenissen of informatie die het voorwerp uitmaken van de specifieke methode;
3° de potentiële dreiging die de specifieke methode rechtvaardigt;
4° de feitelijke omstandigheden die de specifieke methode rechtvaardigen, de motivering inzake subsidiariteit en proportionaliteit, inbegrepen het verband tussen de bepalingen onder 2° en 3° ;
5° de periode waarin de specifieke methode kan worden aangewend, te rekenen vanaf de kennisgeving van de beslissing aan de Commissie;
6° de naam [5 van de methodenofficier(en)]5) verantwoordelijk om de aanwending van de specifieke methode op te volgen;
7° in voorkomend geval, het technisch middel dat gebruikt wordt bij de aanwending van de specifieke methode [4 in toepassing van de artikelen 18/4 of 18/5]4;
8° in voorkomend geval, de samenloop met een opsporings- of gerechtelijke onderzoek;
[4 9° in voorkomend geval,[5 de feiten die als strafbaar feit of strafbare feiten kunnen worden gekwalificeerd]5 die strikt noodzakelijk zijn voor het welslagen van de uitvoering van de methode of ter verzekering van de veiligheid van de agenten of derden;
10° in voorkomend geval, de ernstige aanwijzingen waaruit blijkt dat de advocaat, de arts of de journalist persoonlijk en actief meewerkt of heeft meegewerkt aan het ontstaan of de ontwikkeling van de potentiële dreiging;
11° in voorkomend geval, de redenen die de hoogdringendheid rechtvaardigen;
12° in geval toepassing wordt gemaakt van artikel 18/8, de motivering van de duur van de periode waarop de inzameling van gegevens betrekking heeft;
13° de datum van de beslissing;
14° de handtekening van het diensthoofd.]4]2
[4 De vermeldingen bedoeld in de bepalingen onder 1° tot 4°, 7°, 9°, 10°, 11° en 14° zijn op straffe van onwettigheid voorgeschreven.]4
[5 In het kader van artikel 18, § 2, en in afwijking van paragraaf 2, 2° en 3°, vermeldt de beslissing van het diensthoofd respectievelijk de identificatiecode van de menselijke bron en het potentieel nadeel voor de uitoefening van de opdrachten van de diensten of het potentiële gevaar voor de veiligheid van de menselijke bron.";
§ 3. [4 In geval van hoogdringendheid kan het diensthoofd de specifieke methode mondeling toestaan. Deze mondelinge beslissing wordt bevestigd door een met redenen omklede schriftelijke beslissing die de vermeldingen bedoeld in paragraaf 2 bevat, en die uiterlijk de eerste werkdag volgend op de datum van de beslissing moet toekomen op de zetel van de Commissie.
[5 De methodenofficier]5 kan mondeling of schriftelijk de medewerking vorderen van de personen bedoeld in de artikelen 18/6, [5 18/6/1,]5 18/7 en 18/8. De aard van de methode wordt hen meegedeeld. Op een mondelinge vordering volgt zo spoedig mogelijk schriftelijke bevestiging ervan door [5 De methodenofficier]5.]4
§ 4. De specifieke methode kan enkel verlengd of hernieuwd worden mits een nieuwe beslissing van het diensthoofd, die voldoet aan de voorwaarden bepaald in § 1.]1
[2 § 5.]2 (vroeger §1, L3) De specifieke methoden kunnen slechts worden aangewend ten opzichte van een advocaat, een arts of een journalist, of van communicatiemiddelen die ze voor beroepsdoeleinden gebruiken, op voorwaarde dat de inlichtingen- en veiligheidsdienst vooraf over ernstige aanwijzingen beschikt dat de advocaat, de arts of de journalist persoonlijk en actief meewerkt of heeft meegewerkt aan het ontstaan of aan de ontwikkeling van de potentiële [3 dreiging]3 en nadat de commissie, overeenkomstig artikel 18/10 een eensluidend advies uitgebracht heeft op [4 het ontwerp van beslissing]4 van het diensthoofd.
[2 § 6. ]2 (vroeger §2, L2-L5) De leden van de commissie kunnen op elk ogenblik een controle uitoefenen op de wettigheid van de [5 specifieke methoden voor het verzamelen van gegevens, hierbij inbegrepen de naleving van de principes van subsidiariteit en proportionaliteit bedoeld in artikel 18/3, § 1]5.
Zij kunnen daartoe de plaatsen betreden waar de gegevens betreffende de specifieke methode door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten in ontvangst worden genomen of bewaard, zich alle nuttige stukken toe-eigenen en de leden van de dienst horen.
De gegevens verkregen in omstandigheden die de vigerende wettelijke bepalingen niet naleven, worden onder het toezicht van de [4 Commissie]4 bewaard overeenkomstig de door de Koning bepaalde nadere regels en termijnen, na advies van [5 het Vast Comité I]5. De commissie verbiedt de inlichtingen- en veiligheidsdiensten deze gegevens te exploiteren en schorst de aangewende methode indien deze nog lopende is.
De commissie stelt het Vast Comité I op eigen initiatief en onverwijld in kennis van haar beslissing.
[2 § 7.]2 (vroeger §1, L4) [5 De methodenofficier]5 die is aangesteld [2 om de aanwending van de specifieke methode voor het verzamelen van gegevens op te volgen]2, informeert het diensthoofd regelmatig over de uitvoering van deze methode.
[2 § 8. Het diensthoofd beëindigt de specifieke methode wanneer de potentiële dreiging die haar rechtvaardigt weggevallen is, wanneer de methode niet langer nuttig is voor het doel waarvoor zij werd ingesteld, of wanneer hij een onwettigheid heeft vastgesteld. Hij brengt zijn beslissing zo spoedig mogelijk ter kennis van de Commissie.]2
Modifications
Art. 18/3. [1 § 1er. Les méthodes spécifiques de recueil de données visées à l'article 18/2, § 1er, peuvent être mises en oeuvre compte tenu de la menace potentielle visée à l'article 18/1, [4 ou dans le cadre de l'article 18, § 2,]4 si les méthodes ordinaires de recueil de données sont jugées insuffisantes pour permettre de récolter les informations nécessaires à l'aboutissement d'une mission de renseignement. La méthode spécifique doit être choisie en fonction du degré de gravité de la menace potentielle pour laquelle elle est mise en oeuvre [4 ou en fonction du degré de gravité du préjudice potentiel pour l'exercice des missions des services ou du danger potentiel pour la sécurité de la source humaine dans le cadre de l'article 18, § 2.]4.
La méthode spécifique ne peut être mise en oeuvre qu'après décision écrite et motivée du dirigeant du service et après notification de cette décision à la commission.
§ 2. [2 La décision du dirigeant du service mentionne :
1° la nature de la méthode spécifique;
2° selon le cas, les personnes physiques ou morales, les associations [3 de fait]3 ou les groupements, les objets, les lieux, les événements ou les informations soumis à la méthode spécifique;
3° la menace potentielle qui justifie la méthode spécifique;
4° les circonstances de fait qui justifient la méthode spécifique, la motivation en matière de subsidiarité et de proportionnalité, en ce compris le lien entre le 2° et le 3° ;
5° la période pendant laquelle la méthode spécifique peut être appliquée, à compter de la notification de la décision à la Commission;
6° le nom [4 du (ou des) officier(s) des méthodes]4 responsable(s) pour le suivi de la mise en oeuvre de la méthode spécifique;
7° le cas échéant, le moyen technique employé pour mettre en oeuvre la méthode spécifique [3 en application des articles 18/4 ou 18/5]3;
8° le cas échéant, le concours avec une information ou une instruction judiciaire;
[3 9° le cas échéant, les [4 du (ou des) officier(s) des méthodes]4 absolument nécessaires afin d'assurer l'exécution optimale de la méthode ou de garantir la sécurité des agents ou de tiers;
10° le cas échéant, les indices sérieux attestant que l'avocat, le médecin ou le journaliste participe ou a participé personnellement et activement à la naissance ou au développement de la menace potentielle;
11° le cas échéant, les motifs qui justifient l'extrême urgence;
12° dans le cas où il est fait application de l'article 18/8, la motivation de la durée de la période à laquelle a trait la collecte de données;
13° la date de la décision;
14° la signature du dirigeant du service.]3]2
[3 Les mentions visées aux 1° à 4°, 7°, 9°, 10°, 11° et 14° sont prescrites sous peine d'illégalité.]3
[4 Dans le cadre de l'article 18, § 2, et par dérogation au paragraphe 2, 2° et 3°, la décision du dirigeant du service mentionne respectivement le code d'identification de la source humaine et le préjudice potentiel pour l'exercice des missions des services ou le danger potentiel pour la sécurité de la source humaine.]4
§ 3. [3 En cas d'extrême urgence, le dirigeant du service peut autoriser verbalement la méthode spécifique. Cette décision verbale est confirmée par une décision écrite motivée comprenant les mentions prévues au paragraphe 2 et qui doit parvenir au siège de la Commission au plus tard le premier jour ouvrable qui suit la date de la décision.
[4 l'officier des méthodes]4 peut requérir verbalement ou par écrit le concours des personnes visées aux articles 18/6, [4 18/6/1]4 18/7 et 18/8. La nature de la méthode leur est communiquée. En cas de réquisition verbale, celle-ci est confirmée par écrit dans les plus brefs délais par [4 l'officier des méthodes]4.]3
§ 4. L'utilisation de la méthode spécifique ne peut être prolongée ou renouvelée que moyennant une nouvelle décision du dirigeant du service qui répond aux conditions prévues au § 1er.]1
[2 § 5.]2 (ancien §1er, L3) Les méthodes spécifiques ne peuvent être mise en oeuvre à l'égard d'un avocat, d'un médecin ou d'un journaliste, ou de moyens de communication que ceux-ci utilisent à des fins professionnelles qu'à la condition que le service de renseignement et de sécurité dispose au préalable d'indices sérieux attestant que l'avocat, le médecin ou le journaliste participe ou a participé personnellement et activement à la naissance ou au développement de la menace potentielle et après que la commission a rendu, conformément à l'article 18/10, un avis conforme sur [3 le projet de décision]3 du dirigeant du service.
[2 § 6.]2 (ancien § 2, L2-L5) Les membres de la commission peuvent contrôler à tout moment la légalité des [4 méthodes spécifiques de recueil de données, y compris le respect des principes de subsidiarité et de proportionnalité visés à l'article 18/3, § 1er]4.
Ils peuvent, à cet effet, pénétrer dans les lieux où sont réceptionnées ou conservées les données relatives aux méthodes spécifiques, se saisir de toutes les pièces utiles et entendre les membres du service.
Les données recueillies dans des conditions qui ne respectent pas les dispositions légales en vigueur sont conservées sous le contrôle de la commission, selon les modalités et les délais fixés par le Roi, après avis [4 du Comité permanent R]4. La commission interdit aux services de renseignement et de sécurité d'exploiter ces données et suspend la méthode mise en oeuvre si celle-ci est toujours en cours.
La commission notifie de sa propre initiative et sans délai sa décision au Comité permanent R.
[2 § 7.]2 (ancien §1er, L4) [4 L'officier des méthodes]4 désigné pour [2 le suivi de la mise]2 en oeuvre la méthode spécifique de recueil de données informe régulièrement le dirigeant du service de l'exécution de cette méthode.
[2 § 8. Le dirigeant du service met fin à la méthode spécifique lorsque la menace potentielle qui la justifie a disparu, lorsque la méthode n'est plus utile pour la finalité pour laquelle elle avait été mise en oeuvre, ou quand il a constaté une illégalité. Il informe dans les plus brefs délais la Commission de sa décision.]2
La méthode spécifique ne peut être mise en oeuvre qu'après décision écrite et motivée du dirigeant du service et après notification de cette décision à la commission.
§ 2. [2 La décision du dirigeant du service mentionne :
1° la nature de la méthode spécifique;
2° selon le cas, les personnes physiques ou morales, les associations [3 de fait]3 ou les groupements, les objets, les lieux, les événements ou les informations soumis à la méthode spécifique;
3° la menace potentielle qui justifie la méthode spécifique;
4° les circonstances de fait qui justifient la méthode spécifique, la motivation en matière de subsidiarité et de proportionnalité, en ce compris le lien entre le 2° et le 3° ;
5° la période pendant laquelle la méthode spécifique peut être appliquée, à compter de la notification de la décision à la Commission;
6° le nom [4 du (ou des) officier(s) des méthodes]4 responsable(s) pour le suivi de la mise en oeuvre de la méthode spécifique;
7° le cas échéant, le moyen technique employé pour mettre en oeuvre la méthode spécifique [3 en application des articles 18/4 ou 18/5]3;
8° le cas échéant, le concours avec une information ou une instruction judiciaire;
[3 9° le cas échéant, les [4 du (ou des) officier(s) des méthodes]4 absolument nécessaires afin d'assurer l'exécution optimale de la méthode ou de garantir la sécurité des agents ou de tiers;
10° le cas échéant, les indices sérieux attestant que l'avocat, le médecin ou le journaliste participe ou a participé personnellement et activement à la naissance ou au développement de la menace potentielle;
11° le cas échéant, les motifs qui justifient l'extrême urgence;
12° dans le cas où il est fait application de l'article 18/8, la motivation de la durée de la période à laquelle a trait la collecte de données;
13° la date de la décision;
14° la signature du dirigeant du service.]3]2
[3 Les mentions visées aux 1° à 4°, 7°, 9°, 10°, 11° et 14° sont prescrites sous peine d'illégalité.]3
[4 Dans le cadre de l'article 18, § 2, et par dérogation au paragraphe 2, 2° et 3°, la décision du dirigeant du service mentionne respectivement le code d'identification de la source humaine et le préjudice potentiel pour l'exercice des missions des services ou le danger potentiel pour la sécurité de la source humaine.]4
§ 3. [3 En cas d'extrême urgence, le dirigeant du service peut autoriser verbalement la méthode spécifique. Cette décision verbale est confirmée par une décision écrite motivée comprenant les mentions prévues au paragraphe 2 et qui doit parvenir au siège de la Commission au plus tard le premier jour ouvrable qui suit la date de la décision.
[4 l'officier des méthodes]4 peut requérir verbalement ou par écrit le concours des personnes visées aux articles 18/6, [4 18/6/1]4 18/7 et 18/8. La nature de la méthode leur est communiquée. En cas de réquisition verbale, celle-ci est confirmée par écrit dans les plus brefs délais par [4 l'officier des méthodes]4.]3
§ 4. L'utilisation de la méthode spécifique ne peut être prolongée ou renouvelée que moyennant une nouvelle décision du dirigeant du service qui répond aux conditions prévues au § 1er.]1
[2 § 5.]2 (ancien §1er, L3) Les méthodes spécifiques ne peuvent être mise en oeuvre à l'égard d'un avocat, d'un médecin ou d'un journaliste, ou de moyens de communication que ceux-ci utilisent à des fins professionnelles qu'à la condition que le service de renseignement et de sécurité dispose au préalable d'indices sérieux attestant que l'avocat, le médecin ou le journaliste participe ou a participé personnellement et activement à la naissance ou au développement de la menace potentielle et après que la commission a rendu, conformément à l'article 18/10, un avis conforme sur [3 le projet de décision]3 du dirigeant du service.
[2 § 6.]2 (ancien § 2, L2-L5) Les membres de la commission peuvent contrôler à tout moment la légalité des [4 méthodes spécifiques de recueil de données, y compris le respect des principes de subsidiarité et de proportionnalité visés à l'article 18/3, § 1er]4.
Ils peuvent, à cet effet, pénétrer dans les lieux où sont réceptionnées ou conservées les données relatives aux méthodes spécifiques, se saisir de toutes les pièces utiles et entendre les membres du service.
Les données recueillies dans des conditions qui ne respectent pas les dispositions légales en vigueur sont conservées sous le contrôle de la commission, selon les modalités et les délais fixés par le Roi, après avis [4 du Comité permanent R]4. La commission interdit aux services de renseignement et de sécurité d'exploiter ces données et suspend la méthode mise en oeuvre si celle-ci est toujours en cours.
La commission notifie de sa propre initiative et sans délai sa décision au Comité permanent R.
[2 § 7.]2 (ancien §1er, L4) [4 L'officier des méthodes]4 désigné pour [2 le suivi de la mise]2 en oeuvre la méthode spécifique de recueil de données informe régulièrement le dirigeant du service de l'exécution de cette méthode.
[2 § 8. Le dirigeant du service met fin à la méthode spécifique lorsque la menace potentielle qui la justifie a disparu, lorsque la méthode n'est plus utile pour la finalité pour laquelle elle avait été mise en oeuvre, ou quand il a constaté une illégalité. Il informe dans les plus brefs délais la Commission de sa décision.]2
Art. 18/4. [1 § 1. De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen, in het belang van de uitoefening van hun opdrachten, met behulp van technische middelen het volgende observeren:
1° voor het publiek toegankelijke plaatsen;
2° personen en voorwerpen die zich daar bevinden;
3° gebeurtenissen die daar plaatsvinden;
en er een technisch middel installeren, dat middel bedienen of het terugnemen.
§ 2. De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen, in het belang van de uitoefening van hun opdrachten, al dan niet met behulp van technische middelen het volgende observeren:
1° niet voor het publiek toegankelijke plaatsen die niet aan het zicht onttrokken zijn;
2° personen en voorwerpen die zich daar bevinden;
3° gebeurtenissen die daar plaatsvinden;
zonder die plaatsen te betreden.]1
[2 § 3. De observatie met behulp van technische middelen kan uitgevoerd worden via een rechtstreekse toegang tot de informatie en persoonsgegevens bedoeld in artikel 16/4, § 1.
In voorkomend geval kan ze worden uitgevoerd via de correlatie bedoeld in artikel 16/4, § 3, waarbij de gegevensbanken of lijsten of de vooraf bepaalde beoordelingscriteria worden voorbereid met als doel deze correlatie in real time tot stand te brengen, op het moment van de verzameling van de gegevens door de intelligente camera's of de intelligente systemen voor de automatische nummerplaatherkenning.
De beslissing van het diensthoofd kan slaan op een geheel van gegevens die betrekking hebben op een specifiek inlichtingenonderzoek.
De beoordelingscriteria bedoeld in artikel 16/4, § 3, eerste lid, 2°, mogen niet gericht zijn op de identificatie van een individu en moeten doelgericht, evenredig en specifiek zijn.
In afwijking van artikel 18/3, § 2, 2° tot 4°, vermeldt de beslissing het fenomeen of de dreiging die het voorwerp uitmaakt van de methode en het verband met de criteria.]2
1° voor het publiek toegankelijke plaatsen;
2° personen en voorwerpen die zich daar bevinden;
3° gebeurtenissen die daar plaatsvinden;
en er een technisch middel installeren, dat middel bedienen of het terugnemen.
§ 2. De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen, in het belang van de uitoefening van hun opdrachten, al dan niet met behulp van technische middelen het volgende observeren:
1° niet voor het publiek toegankelijke plaatsen die niet aan het zicht onttrokken zijn;
2° personen en voorwerpen die zich daar bevinden;
3° gebeurtenissen die daar plaatsvinden;
zonder die plaatsen te betreden.]1
[2 § 3. De observatie met behulp van technische middelen kan uitgevoerd worden via een rechtstreekse toegang tot de informatie en persoonsgegevens bedoeld in artikel 16/4, § 1.
In voorkomend geval kan ze worden uitgevoerd via de correlatie bedoeld in artikel 16/4, § 3, waarbij de gegevensbanken of lijsten of de vooraf bepaalde beoordelingscriteria worden voorbereid met als doel deze correlatie in real time tot stand te brengen, op het moment van de verzameling van de gegevens door de intelligente camera's of de intelligente systemen voor de automatische nummerplaatherkenning.
De beslissing van het diensthoofd kan slaan op een geheel van gegevens die betrekking hebben op een specifiek inlichtingenonderzoek.
De beoordelingscriteria bedoeld in artikel 16/4, § 3, eerste lid, 2°, mogen niet gericht zijn op de identificatie van een individu en moeten doelgericht, evenredig en specifiek zijn.
In afwijking van artikel 18/3, § 2, 2° tot 4°, vermeldt de beslissing het fenomeen of de dreiging die het voorwerp uitmaakt van de methode en het verband met de criteria.]2
Art. 18/4. [1 § 1er. Dans l'intérêt de l'exercice de leurs missions, les services de renseignement et de sécurité peuvent observer à l'aide de moyens techniques:
1° des lieux accessibles au public;
2° des personnes et objets qui s'y trouvent;
3° des événements qui s'y déroulent;
et y installer un moyen technique, intervenir sur ce moyen ou le retirer.
§ 2. Dans l'intérêt de l'exercice de leurs missions, les services de renseignement et de sécurité peuvent observer à l'aide ou non de moyens techniques:
1° des lieux non accessibles au public qui ne sont pas soustraits à la vue;
2° des personnes et objets qui s'y trouvent;
3° des événements qui s'y déroulent;
sans pénétrer dans ces lieux.]1
[2 § 3. L'observation à l'aide de moyens techniques peut être mise en oeuvre via un accès direct aux informations et données à caractère personnel visées à l'article 16/4, § 1er.
Le cas échéant, elle peut être mise en oeuvre via la corrélation visée à l'article 16/4, § 3, pour laquelle les banques de données ou les listes, ou les critères d'évaluation préétablis sont préparés dans le but de réaliser cette corrélation en temps réel, au moment de la collecte des données par les caméras intelligentes ou les systèmes intelligents de reconnaissance automatique de plaques d'immatriculation.
La décision du dirigeant de service peut porter sur un ensemble de données relatives à une enquête de renseignement spécifique.
Les critères d'évaluation visés à l'article 16/4, § 3, alinéa 1er, 2°, ne peuvent viser l'identification d'un individu et doivent être ciblés, proportionnés et spécifiques.
Par dérogation à l'article 18/3, § 2, 2° à 4°, la décision mentionne le phénomène ou la menace qui fait l'objet de la méthode et le lien avec les critères.]2
1° des lieux accessibles au public;
2° des personnes et objets qui s'y trouvent;
3° des événements qui s'y déroulent;
et y installer un moyen technique, intervenir sur ce moyen ou le retirer.
§ 2. Dans l'intérêt de l'exercice de leurs missions, les services de renseignement et de sécurité peuvent observer à l'aide ou non de moyens techniques:
1° des lieux non accessibles au public qui ne sont pas soustraits à la vue;
2° des personnes et objets qui s'y trouvent;
3° des événements qui s'y déroulent;
sans pénétrer dans ces lieux.]1
[2 § 3. L'observation à l'aide de moyens techniques peut être mise en oeuvre via un accès direct aux informations et données à caractère personnel visées à l'article 16/4, § 1er.
Le cas échéant, elle peut être mise en oeuvre via la corrélation visée à l'article 16/4, § 3, pour laquelle les banques de données ou les listes, ou les critères d'évaluation préétablis sont préparés dans le but de réaliser cette corrélation en temps réel, au moment de la collecte des données par les caméras intelligentes ou les systèmes intelligents de reconnaissance automatique de plaques d'immatriculation.
La décision du dirigeant de service peut porter sur un ensemble de données relatives à une enquête de renseignement spécifique.
Les critères d'évaluation visés à l'article 16/4, § 3, alinéa 1er, 2°, ne peuvent viser l'identification d'un individu et doivent être ciblés, proportionnés et spécifiques.
Par dérogation à l'article 18/3, § 2, 2° à 4°, la décision mentionne le phénomène ou la menace qui fait l'objet de la méthode et le lien avec les critères.]2
Art. 18/5. [1 De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen, in het belang van de uitoefening van hun opdrachten:
1° voor het publiek toegankelijke plaatsen doorzoeken met behulp van technische middelen;
2° de inhoud doorzoeken van al dan niet vergrendelde voorwerpen die zich daar bevinden;
3° al dan niet vergrendelde voorwerpen meenemen voor een strikt beperkte duur, indien het onderzoek ervan niet ter plaatse kan gebeuren om technische of veiligheidsredenen. Die voorwerpen worden zo spoedig mogelijk teruggeplaatst, tenzij dit het goede verloop van de opdracht in de weg staat.]1
1° voor het publiek toegankelijke plaatsen doorzoeken met behulp van technische middelen;
2° de inhoud doorzoeken van al dan niet vergrendelde voorwerpen die zich daar bevinden;
3° al dan niet vergrendelde voorwerpen meenemen voor een strikt beperkte duur, indien het onderzoek ervan niet ter plaatse kan gebeuren om technische of veiligheidsredenen. Die voorwerpen worden zo spoedig mogelijk teruggeplaatst, tenzij dit het goede verloop van de opdracht in de weg staat.]1
Modifications
Art. 18/5. [1 Dans l'intérêt de l'exercice de leurs missions, les services de renseignement et de sécurité peuvent:
1° inspecter à l'aide de moyens techniques des lieux accessibles au public;
2° inspecter le contenu d'objets verrouillés ou non qui s'y trouvent;
3° emporter des objets verrouillés ou non pour une durée strictement limitée, si leur examen ne peut se faire sur place pour des raisons techniques ou de sécurité. Ces objets sont remis en place le plus rapidement possible, à moins que cela n'entrave le bon déroulement de la mission.]1
1° inspecter à l'aide de moyens techniques des lieux accessibles au public;
2° inspecter le contenu d'objets verrouillés ou non qui s'y trouvent;
3° emporter des objets verrouillés ou non pour une durée strictement limitée, si leur examen ne peut se faire sur place pour des raisons techniques ou de sécurité. Ces objets sont remis en place le plus rapidement possible, à moins que cela n'entrave le bon déroulement de la mission.]1
Modifications
Art. 18/5/1. [1 De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen, in het belang van de uitoefening van hun opdrachten, in de virtuele wereld infiltreren onder dekmantel van een fictieve identiteit of fictieve hoedanigheid. ]1
Art. 18/5/1. [1 Les services de renseignement et de sécurité peuvent, dans l'intérêt de l'exercice de leurs missions, s'infiltrer dans le monde virtuel sous couvert d'une identifié fictive ou d'une qualité fictive. ]1
Modifications
Art. 18/6. [1 § 1. De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen [2 , in het belang van de uitoefening van hun opdrachten,]2 kennis nemen van de identificatiegegevens van de afzender of de geadresseerde van al dan niet aan een postoperator toevertrouwde post en van de identificatiegegevens van de titularis van een postbus [2 ...]2. Wanneer de medewerking van een postoperator wordt gevorderd, richt het diensthoofd een schriftelijke vraag aan deze operator. De aard van de beslissing wordt meegedeeld aan de postoperator die wordt gevorderd.
§ 2. [2 ...]2
§ 3. De postoperator die weigert de in dit artikel bedoelde medewerking te verlenen wordt gestraft met geldboete van zesentwintig euro tot [2 twintigduizend euro]2.]1
§ 2. [2 ...]2
§ 3. De postoperator die weigert de in dit artikel bedoelde medewerking te verlenen wordt gestraft met geldboete van zesentwintig euro tot [2 twintigduizend euro]2.]1
Art. 18/6. [1 § 1er. Les services de renseignement et de sécurité peuvent [2 , dans l'intérêt de l'exercice de leurs missions,]2 prendre connaissance des données d'identification de l'expéditeur ou du destinataire d'un courrier confié ou non à un opérateur postal et des données d'identification du titulaire d'une boîte postale [2 ...]2. Lorsque le concours d'un opérateur postal est requis, le dirigeant du service adresse une demande écrite à cet opérateur. La nature de la décision est communiquée à l'opérateur postal qui est requis.
§ 2. [2 ...]2
§ 3. L'opérateur postal qui refuse de prêter le concours visé au présent article est puni d'une amende de vingt-six euros à [2 vingt mille euros]2.]1
§ 2. [2 ...]2
§ 3. L'opérateur postal qui refuse de prêter le concours visé au présent article est puni d'une amende de vingt-six euros à [2 vingt mille euros]2.]1
Art. 18/6/1. [1 De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen, in het belang van de uitoefening van hun opdrachten, vervoers- en reisgegevens vorderen van iedere private verstrekker van een vervoers- of reisdienst. Het diensthoofd stuurt een schriftelijke vordering. De aard van de methode wordt meegedeeld aan de dienstenverstrekker die wordt gevorderd.
De verstrekker van een vervoers- of reisdienst die weigert om de in zijn bezit zijnde informatie die overeenkomstig dit artikel gevorderd wordt, mee te delen, wordt gestraft met een geldboete van zesentwintig euro tot twintigduizend euro.]1
De verstrekker van een vervoers- of reisdienst die weigert om de in zijn bezit zijnde informatie die overeenkomstig dit artikel gevorderd wordt, mee te delen, wordt gestraft met een geldboete van zesentwintig euro tot twintigduizend euro.]1
Art. 18/6/1. [1 Dans l'intérêt de l'exercice de leurs missions, les services de renseignement et de sécurité peuvent requérir des données de transport et de voyage auprès de tout fournisseur privé de service en matière de transport ou de voyage. Le dirigeant du service adresse une réquisition écrite. La nature de la méthode est communiquée au fournisseur du service qui est requis.
Le fournisseur de service en matière de transport ou de voyage qui refuse de communiquer les informations en sa possession requises en application du présent article est puni d'une amende de vingt-six euros à vingt mille euros.]1
Le fournisseur de service en matière de transport ou de voyage qui refuse de communiquer les informations en sa possession requises en application du présent article est puni d'une amende de vingt-six euros à vingt mille euros.]1
Modifications
Art. 18/7. [1 § 1. [2 [4 De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen, in het belang van de uitoefening van hun opdrachten,]4 overgaan of doen overgaan tot :
1° de identificatie of de lokalisatie, met behulp van een technisch middel, van de elektronische communicatiediensten en -middelen waarop een bepaald persoon is geabonneerd of die door een bepaald persoon gewoonlijk worden gebruikt;
2° de vordering van de operator van een elektronisch communicatienetwerk of van een verstrekker van een elektronische communicatiedienst tot het bekomen van [4 de mededeling van de facturen met betrekking tot de geïdentificeerde abonnementen,]4 de gegevens betreffende de betalingswijze, de identificatie van het betalingsmiddel en het tijdstip van betaling voor het abonnement of voor het gebruik van de elektronische communicatiedienst. Een inlichtingen- en veiligheidsdienst kan de bedoelde gegevens ook verkrijgen met behulp van toegang tot de bestanden van de klanten van de operator of van de verstrekker van de dienst.]2.
§ 2. [3 ...]3
§ 3. Iedere operator van een communicatienetwerk en iedere verstrekker van een communicatiedienst die wordt gevorderd om de in § 1 bedoelde gegevens mee te delen, verstrekt aan het diensthoofd de gegevens waarom werd verzocht binnen een termijn en overeenkomstig de nadere regels te bepalen bij koninklijk besluit genomen op het voorstel van de Minister van Justitie, de Minister van Landsverdediging en de Minister bevoegd voor de elektronische communicatie.
De Koning bepaalt, op voorstel van de Minister van Justitie, de Minister van Landsverdediging en de Minister bevoegd voor de elektronische communicatie, de voorwaarden waaronder de in § 1 bedoelde toegang mogelijk is voor [4 de betrokken dienst]4.
Elke in het eerste lid bedoelde persoon die weigert de aldus gevraagde gegevens mee te delen, wordt gestraft met geldboete van zesentwintig euro tot [3 twintigduizend euro]3.]1
1° de identificatie of de lokalisatie, met behulp van een technisch middel, van de elektronische communicatiediensten en -middelen waarop een bepaald persoon is geabonneerd of die door een bepaald persoon gewoonlijk worden gebruikt;
2° de vordering van de operator van een elektronisch communicatienetwerk of van een verstrekker van een elektronische communicatiedienst tot het bekomen van [4 de mededeling van de facturen met betrekking tot de geïdentificeerde abonnementen,]4 de gegevens betreffende de betalingswijze, de identificatie van het betalingsmiddel en het tijdstip van betaling voor het abonnement of voor het gebruik van de elektronische communicatiedienst. Een inlichtingen- en veiligheidsdienst kan de bedoelde gegevens ook verkrijgen met behulp van toegang tot de bestanden van de klanten van de operator of van de verstrekker van de dienst.]2.
§ 2. [3 ...]3
§ 3. Iedere operator van een communicatienetwerk en iedere verstrekker van een communicatiedienst die wordt gevorderd om de in § 1 bedoelde gegevens mee te delen, verstrekt aan het diensthoofd de gegevens waarom werd verzocht binnen een termijn en overeenkomstig de nadere regels te bepalen bij koninklijk besluit genomen op het voorstel van de Minister van Justitie, de Minister van Landsverdediging en de Minister bevoegd voor de elektronische communicatie.
De Koning bepaalt, op voorstel van de Minister van Justitie, de Minister van Landsverdediging en de Minister bevoegd voor de elektronische communicatie, de voorwaarden waaronder de in § 1 bedoelde toegang mogelijk is voor [4 de betrokken dienst]4.
Elke in het eerste lid bedoelde persoon die weigert de aldus gevraagde gegevens mee te delen, wordt gestraft met geldboete van zesentwintig euro tot [3 twintigduizend euro]3.]1
Art. 18/7. [1 § 1er. [2 [4 Les services de renseignement et de sécurité peuvent, dans l'intérêt de l'exercice de leurs missions]4 procéder ou faire procéder à :
1° l'identification ou la localisation, à l'aide d'un moyen technique, des services et des moyens de communication électronique auxquels une personne déterminée est abonnée ou qui sont habituellement utilisés par une personne déterminée;
2° la réquisition de l'opérateur d'un réseau de communications électroniques ou d'un fournisseur d'un service de communications électroniques afin d'obtenir [4 la communication des factures afférentes aux abonnements identifiés,]4 les données relatives à la méthode de paiement, l'identification du moyen de paiement et le moment du paiement de l'abonnement ou de l'utilisation du service de communications électroniques. Un service de renseignement et de sécurité peut également obtenir les données visées au moyen d'un accès aux fichiers des clients de l'opérateur ou du fournisseur du service.]2
§ 2. [3 ...]3
§ 3. Tout opérateur d'un réseau de communications et tout fournisseur d'un service de communications qui est requis de communiquer les données visées au § 1er donne au dirigeant du service les données qui ont été demandées dans un délai et suivant les modalités à fixer par un arrêté royal pris sur la proposition du Ministre de la Justice, du Ministre de la Défense et du Ministre qui a les communications électroniques dans ses attributions.
Le Roi fixe, sur la proposition du Ministre de la Justice, du Ministre de la Défense et du Ministre qui a les communications électroniques dans ses attributions, les conditions auxquelles l'accès visé au § 1er est possible pour [4 le service concerné]4.
Toute personne visée à l'alinéa 1er qui refuse de communiquer les données ainsi demandées est punie d'une amende de vingt-six euros à [3 vingt mille euros]3.]1
1° l'identification ou la localisation, à l'aide d'un moyen technique, des services et des moyens de communication électronique auxquels une personne déterminée est abonnée ou qui sont habituellement utilisés par une personne déterminée;
2° la réquisition de l'opérateur d'un réseau de communications électroniques ou d'un fournisseur d'un service de communications électroniques afin d'obtenir [4 la communication des factures afférentes aux abonnements identifiés,]4 les données relatives à la méthode de paiement, l'identification du moyen de paiement et le moment du paiement de l'abonnement ou de l'utilisation du service de communications électroniques. Un service de renseignement et de sécurité peut également obtenir les données visées au moyen d'un accès aux fichiers des clients de l'opérateur ou du fournisseur du service.]2
§ 2. [3 ...]3
§ 3. Tout opérateur d'un réseau de communications et tout fournisseur d'un service de communications qui est requis de communiquer les données visées au § 1er donne au dirigeant du service les données qui ont été demandées dans un délai et suivant les modalités à fixer par un arrêté royal pris sur la proposition du Ministre de la Justice, du Ministre de la Défense et du Ministre qui a les communications électroniques dans ses attributions.
Le Roi fixe, sur la proposition du Ministre de la Justice, du Ministre de la Défense et du Ministre qui a les communications électroniques dans ses attributions, les conditions auxquelles l'accès visé au § 1er est possible pour [4 le service concerné]4.
Toute personne visée à l'alinéa 1er qui refuse de communiquer les données ainsi demandées est punie d'une amende de vingt-six euros à [3 vingt mille euros]3.]1
Art. 18/8. [1 § 1. De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen, in het belang van de uitoefening van hun opdrachten, zo nodig door daartoe de medewerking van de operator van een elektronisch communicatienetwerk of van de verstrekker van een elektronische communicatiedienst te vorderen, overgaan of doen overgaan tot:
1° het opsporen van de verkeersgegevens van elektronische communicatiemiddelen van waaruit of waarnaar elektronische communicaties worden of werden gedaan;
2° het lokaliseren van de oorsprong of de bestemming van elektronische communicaties.
In de gevallen bedoeld in het eerste lid worden voor elk elektronisch communicatiemiddel waarvan de verkeersgegevens worden opgespoord of waarvan de oorsprong of de bestemming van de elektronische communicatie wordt gelokaliseerd de dag, het tijdstip en de duur en indien nodig de plaats van de elektronische communicatie aangegeven en vastgelegd in een verslag.
De aard van de beslissing wordt meegedeeld aan de gevorderde operator van het elektronisch communicatienetwerk of aan de verstrekker van de elektronische communicatiedienst die wordt gevorderd.
§ 2. [...]
§ 3. Iedere operator van een elektronisch communicatienetwerk en iedere verstrekker van een elektronische communicatiedienst die verzocht wordt de in paragraaf 1 bedoelde gegevens mee te delen, verstrekt het diensthoofd de gevraagde gegevens binnen een termijn en overeenkomstig de nadere regels te bepalen bij koninklijk besluit genomen op voorstel van de minister van Justitie, de minister van Landsverdediging en de minister bevoegd voor de Elektronische Communicatie.
Elke in het eerste lid bedoelde persoon die weigert zijn technische medewerking te verlenen aan de vorderingen bedoeld in dit artikel wordt gestraft met geldboete van zesentwintig euro tot twintigduizend euro.
§ 4. [...]".]1
1° het opsporen van de verkeersgegevens van elektronische communicatiemiddelen van waaruit of waarnaar elektronische communicaties worden of werden gedaan;
2° het lokaliseren van de oorsprong of de bestemming van elektronische communicaties.
In de gevallen bedoeld in het eerste lid worden voor elk elektronisch communicatiemiddel waarvan de verkeersgegevens worden opgespoord of waarvan de oorsprong of de bestemming van de elektronische communicatie wordt gelokaliseerd de dag, het tijdstip en de duur en indien nodig de plaats van de elektronische communicatie aangegeven en vastgelegd in een verslag.
De aard van de beslissing wordt meegedeeld aan de gevorderde operator van het elektronisch communicatienetwerk of aan de verstrekker van de elektronische communicatiedienst die wordt gevorderd.
§ 2. [...]
§ 3. Iedere operator van een elektronisch communicatienetwerk en iedere verstrekker van een elektronische communicatiedienst die verzocht wordt de in paragraaf 1 bedoelde gegevens mee te delen, verstrekt het diensthoofd de gevraagde gegevens binnen een termijn en overeenkomstig de nadere regels te bepalen bij koninklijk besluit genomen op voorstel van de minister van Justitie, de minister van Landsverdediging en de minister bevoegd voor de Elektronische Communicatie.
Elke in het eerste lid bedoelde persoon die weigert zijn technische medewerking te verlenen aan de vorderingen bedoeld in dit artikel wordt gestraft met geldboete van zesentwintig euro tot twintigduizend euro.
§ 4. [...]".]1
Modifications
Art. 18/8. [1 § 1er. Les services de renseignement et de sécurité peuvent, dans l'intérêt de l'exercice de leurs missions, au besoin en requérant à cette fin le concours technique de l'opérateur d'un réseau de communications électroniques ou du fournisseur d'un service de communications électroniques, procéder ou faire procéder:
1° au repérage des données de trafic de moyens de communication électronique à partir desquels ou vers lesquels des communications électroniques sont adressées ou ont été adressées;
2° à la localisation de l'origine ou de la destination de communications électroniques.
Dans les cas visés à l'alinéa 1er et pour chaque moyen de communication électronique dont les données de trafic sont repérées ou dont l'origine ou la destination de la communication électronique est localisée, le jour, l'heure et la durée ainsi que, si nécessaire, le lieu de la communication électronique sont indiqués et consignés dans un rapport.
La nature de la décision est communiquée à l'opérateur requis du réseau de communications électroniques ou au fournisseur du service de communications électroniques qui est requis.
§ 2. [...]
§ 3. Tout opérateur d'un réseau de communications électroniques et tout fournisseur d'un service de communications électroniques qui est requis de communiquer les données visées au paragraphe 1er donne au dirigeant du service les données qui ont été demandées dans un délai et selon les modalités à fixer par un arrêté royal pris sur la proposition du ministre de la Justice, du ministre de la Défense et du ministre qui a les Communications électroniques dans ses attributions.
Toute personne visée à l'alinéa 1er qui refuse de prêter son concours technique aux réquisitions visées au présent article est punie d'une amende de vingt-six euros à vingt mille euros.
§ 4. [...]".]1
1° au repérage des données de trafic de moyens de communication électronique à partir desquels ou vers lesquels des communications électroniques sont adressées ou ont été adressées;
2° à la localisation de l'origine ou de la destination de communications électroniques.
Dans les cas visés à l'alinéa 1er et pour chaque moyen de communication électronique dont les données de trafic sont repérées ou dont l'origine ou la destination de la communication électronique est localisée, le jour, l'heure et la durée ainsi que, si nécessaire, le lieu de la communication électronique sont indiqués et consignés dans un rapport.
La nature de la décision est communiquée à l'opérateur requis du réseau de communications électroniques ou au fournisseur du service de communications électroniques qui est requis.
§ 2. [...]
§ 3. Tout opérateur d'un réseau de communications électroniques et tout fournisseur d'un service de communications électroniques qui est requis de communiquer les données visées au paragraphe 1er donne au dirigeant du service les données qui ont été demandées dans un délai et selon les modalités à fixer par un arrêté royal pris sur la proposition du ministre de la Justice, du ministre de la Défense et du ministre qui a les Communications électroniques dans ses attributions.
Toute personne visée à l'alinéa 1er qui refuse de prêter son concours technique aux réquisitions visées au présent article est punie d'une amende de vingt-six euros à vingt mille euros.
§ 4. [...]".]1
Modifications
C. [1 Uitzonderlijke methoden voor het verzamelen van gegevens]1
C. [1 Des méthodes exceptionnelles de recueil des données]1
Art. 18/9. [1 § 1. De in artikel 18/2, § 2, bedoelde uitzonderlijke methoden voor het verzamelen van gegevens kunnen worden aangewend :
1° [6 door de Veiligheid van de Staat, wanneer er een ernstige potentiële dreiging bestaat voor een fundamenteel belang van het land bedoeld in artikel 8, 2° tot 4°, en wanneer deze potentiële dreiging betrekking heeft op een activiteit bedoeld in artikel 8, 1° of verband houdt met een activiteit van een buitenlandse inlichtingendienst [7 of in het kader van artikel 18, § 2, indien er ernstig potentieel nadeel bestaat voor de uitoefening van de opdrachten van de diensten of een ernstig potentieel gevaar voor de veiligheid van de menselijke bron]7;]6
2° [6 door de Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid wanneer er een ernstige potentiële dreiging bestaat voor een fundamenteel belang bedoeld in artikel 11, § 1, 1° tot 3° en 5°, met uitzondering van elk ander fundamenteel belang van het land bedoeld in artikel 11, § 1, 1°, f) [7 of in het kader van artikel 18, § 2, indien er een ernstig potentieel nadeel bestaat voor de uitoefening van de opdrachten van de diensten of een ernstig potentieel gevaar voor de veiligheid van de menselijke bron]7.]6
§ 2. Bij uitzondering en [7 rekening houdend met een potentiële dreiging, nadeel of gevaar als bedoeld in paragraaf 1 ]7 kunnen de in artikel 18/2, § 2, bedoelde uitzonderlijke methoden voor het verzamelen van gegevens slechts aangewend worden indien de gewone en de specifieke methoden voor het verzamelen van gegevens ontoereikend worden geacht om de informatie te verzamelen die nodig is om de inlichtingenopdracht te volbrengen.
Het diensthoofd mag de aanwending van een uitzonderlijke methode slechts machtigen na eensluidend advies van de commissie.
§ 3. De uitzonderlijke methode moet worden gekozen in functie van de graad van de ernst van de potentiële [4 dreiging]4 [6 ...]6 [7 of in functie van de graad van de ernst van het potentieel nadeel voor de uitoefening van de opdrachten van de diensten of het potentiële gevaar voor de veiligheid van de menselijke bron in het kader van artikel 18, § 2.]7.
§ 4. De uitzonderlijke methoden kunnen slechts aangewend worden ten opzichte van een advocaat, een arts of een journalist, of van hun lokalen of communicatiemiddelen die ze voor beroepsdoeleinden gebruiken, of van hun verblijfplaats, of van hun woonplaats, op voorwaarde dat de inlichtingen- en veiligheidsdienst vooraf over ernstige aanwijzingen beschikt dat de advocaat, de arts of de journalist persoonlijk en actief meewerkt of heeft meegewerkt aan het ontstaan of aan de ontwikkeling [6 van een ernstige potentiële dreiging bedoeld in paragraaf 1]6.]1
1° [6 door de Veiligheid van de Staat, wanneer er een ernstige potentiële dreiging bestaat voor een fundamenteel belang van het land bedoeld in artikel 8, 2° tot 4°, en wanneer deze potentiële dreiging betrekking heeft op een activiteit bedoeld in artikel 8, 1° of verband houdt met een activiteit van een buitenlandse inlichtingendienst [7 of in het kader van artikel 18, § 2, indien er ernstig potentieel nadeel bestaat voor de uitoefening van de opdrachten van de diensten of een ernstig potentieel gevaar voor de veiligheid van de menselijke bron]7;]6
2° [6 door de Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid wanneer er een ernstige potentiële dreiging bestaat voor een fundamenteel belang bedoeld in artikel 11, § 1, 1° tot 3° en 5°, met uitzondering van elk ander fundamenteel belang van het land bedoeld in artikel 11, § 1, 1°, f) [7 of in het kader van artikel 18, § 2, indien er een ernstig potentieel nadeel bestaat voor de uitoefening van de opdrachten van de diensten of een ernstig potentieel gevaar voor de veiligheid van de menselijke bron]7.]6
§ 2. Bij uitzondering en [7 rekening houdend met een potentiële dreiging, nadeel of gevaar als bedoeld in paragraaf 1 ]7 kunnen de in artikel 18/2, § 2, bedoelde uitzonderlijke methoden voor het verzamelen van gegevens slechts aangewend worden indien de gewone en de specifieke methoden voor het verzamelen van gegevens ontoereikend worden geacht om de informatie te verzamelen die nodig is om de inlichtingenopdracht te volbrengen.
Het diensthoofd mag de aanwending van een uitzonderlijke methode slechts machtigen na eensluidend advies van de commissie.
§ 3. De uitzonderlijke methode moet worden gekozen in functie van de graad van de ernst van de potentiële [4 dreiging]4 [6 ...]6 [7 of in functie van de graad van de ernst van het potentieel nadeel voor de uitoefening van de opdrachten van de diensten of het potentiële gevaar voor de veiligheid van de menselijke bron in het kader van artikel 18, § 2.]7.
§ 4. De uitzonderlijke methoden kunnen slechts aangewend worden ten opzichte van een advocaat, een arts of een journalist, of van hun lokalen of communicatiemiddelen die ze voor beroepsdoeleinden gebruiken, of van hun verblijfplaats, of van hun woonplaats, op voorwaarde dat de inlichtingen- en veiligheidsdienst vooraf over ernstige aanwijzingen beschikt dat de advocaat, de arts of de journalist persoonlijk en actief meewerkt of heeft meegewerkt aan het ontstaan of aan de ontwikkeling [6 van een ernstige potentiële dreiging bedoeld in paragraaf 1]6.]1
Modifications
Art. 18/9. [1 § 1er. Les méthodes exceptionnelles de recueil des données visées à l'article 18/2, § 2, peuvent être mises en oeuvre :
1° [5 par la Sûreté de l'Etat, lorsqu'il existe une menace potentielle grave contre un intérêt fondamental de l'Etat visé à l'article 8, 2° à 4°, et lorsque cette menace potentielle est liée à une activité visée à l'article 8, 1° ou est liée à une activité d'un service de renseignement étranger [6 ou dans le cadre de l'article 18, § 2 lorsqu'il existe un préjudice potentiel grave pour l'exercice des missions des services ou un danger potentiel grave pour la sécurité de la source humaine]6;]5
2° [5 par le Service Général du Renseignement et de la Sécurité lorsqu'il existe une menace potentielle grave contre un intérêt fondamental visé à l'article 11, § 1er, 1° à 3° et 5°, à l'exception de tout autre intérêt fondamental du pays défini par le Roi visé à l'article 11, § 1er, 1°, f [6 ou, dans le cadre de l'article 18, § 2 lorsqu'il existe un préjudice potentiel grave pour l'exercice des missions des services ou un danger potentiel grave pour la sécurité de la source humaine]6).]5
§ 2. A titre exceptionnel et [6 compte tenu d'une menace, d'un préjudice ou d'un danger potentiel visé au paragraphe 1er]6]5, les méthodes exceptionnelles de recueil de données visées à l'article 18/2, § 2, ne peuvent être mises en oeuvre que si les méthodes ordinaires et spécifiques de recueil de données sont jugées insuffisantes pour permettre de recueillir les informations nécessaires à l'aboutissement d'une mission de renseignement.
Le dirigeant du service ne peut autoriser la mise en oeuvre d'une méthode exceptionnelle qu'après avis conforme de la commission.
§ 3. La méthode exceptionnelle doit être choisie en fonction du degré de gravité que représente la menace potentielle [5 ...]5 [6 ou en fonction du degré de gravité du préjudice potentiel pour l'exercice des missions des services ou du danger potentiel pour la sécurité de la source humaine dans le cadre de l'article 18, § 2]6.
§ 4. Les méthodes exceptionnelles ne peuvent être mises en oeuvre à l'égard d'un avocat, d'un médecin, d'un journaliste, ou des locaux ou moyens de communications qu'ils utilisent à des fins professionnelles, ou de leur résidence, ou de leur domicile qu'à la condition que le service de renseignement et de sécurité dispose préalablement d'indices sérieux attestant que l'avocat, le médecin ou le journaliste participe ou a participé personnellement et activement à la naissance ou au développement [5 d'une menace potentielle grave visée au paragraphe 1er]5.]1
1° [5 par la Sûreté de l'Etat, lorsqu'il existe une menace potentielle grave contre un intérêt fondamental de l'Etat visé à l'article 8, 2° à 4°, et lorsque cette menace potentielle est liée à une activité visée à l'article 8, 1° ou est liée à une activité d'un service de renseignement étranger [6 ou dans le cadre de l'article 18, § 2 lorsqu'il existe un préjudice potentiel grave pour l'exercice des missions des services ou un danger potentiel grave pour la sécurité de la source humaine]6;]5
2° [5 par le Service Général du Renseignement et de la Sécurité lorsqu'il existe une menace potentielle grave contre un intérêt fondamental visé à l'article 11, § 1er, 1° à 3° et 5°, à l'exception de tout autre intérêt fondamental du pays défini par le Roi visé à l'article 11, § 1er, 1°, f [6 ou, dans le cadre de l'article 18, § 2 lorsqu'il existe un préjudice potentiel grave pour l'exercice des missions des services ou un danger potentiel grave pour la sécurité de la source humaine]6).]5
§ 2. A titre exceptionnel et [6 compte tenu d'une menace, d'un préjudice ou d'un danger potentiel visé au paragraphe 1er]6]5, les méthodes exceptionnelles de recueil de données visées à l'article 18/2, § 2, ne peuvent être mises en oeuvre que si les méthodes ordinaires et spécifiques de recueil de données sont jugées insuffisantes pour permettre de recueillir les informations nécessaires à l'aboutissement d'une mission de renseignement.
Le dirigeant du service ne peut autoriser la mise en oeuvre d'une méthode exceptionnelle qu'après avis conforme de la commission.
§ 3. La méthode exceptionnelle doit être choisie en fonction du degré de gravité que représente la menace potentielle [5 ...]5 [6 ou en fonction du degré de gravité du préjudice potentiel pour l'exercice des missions des services ou du danger potentiel pour la sécurité de la source humaine dans le cadre de l'article 18, § 2]6.
§ 4. Les méthodes exceptionnelles ne peuvent être mises en oeuvre à l'égard d'un avocat, d'un médecin, d'un journaliste, ou des locaux ou moyens de communications qu'ils utilisent à des fins professionnelles, ou de leur résidence, ou de leur domicile qu'à la condition que le service de renseignement et de sécurité dispose préalablement d'indices sérieux attestant que l'avocat, le médecin ou le journaliste participe ou a participé personnellement et activement à la naissance ou au développement [5 d'une menace potentielle grave visée au paragraphe 1er]5.]1
Modifications
Art. 18/10. [1 § 1. Het diensthoofd onderwerpt zijn ontwerp van machtiging aan het eensluidend advies van de commissie, die onderzoekt of de wettelijke bepalingen voor het aanwenden van de uitzonderlijke methode voor het verzamelen van gegevens, alsook de in artikel 18/9 § § 2 en 3, bepaalde [4 principes van subsidiariteit en proportionaliteit]4, zijn nageleefd en die de door § 2 voorgeschreven vermeldingen controleert.
Behoudens andersluidende wettelijke bepaling mag de periode tijdens welke de uitzonderlijke methode voor het verzamelen van gegevens aangewend mag worden niet langer duren dan twee maanden, [4 te rekenen vanaf de machtiging,]4 onverminderd de mogelijkheid om de methode te verlengen overeenkomstig § 5.
[5 De methodenofficier]5 die is aangesteld [4 om de aanwending van de uitzonderlijke methode voor het verzamelen van gegevens op te volgen]4, informeert op regelmatige wijze het diensthoofd, dat op zijn beurt, overeenkomstig de door de Koning bepaalde nadere regels en termijnen, de commissie inlicht over de uitvoering van deze methode.
[4 Het diensthoofd beëindigt de uitzonderlijke methode wanneer de ernstige potentiële dreiging die haar rechtvaardigt weggevallen is, wanneer de methode niet langer nuttig is voor het doel waarvoor zij werd ingesteld, of wanneer hij een onwettigheid heeft vastgesteld. Hij brengt zijn beslissing zo spoedig mogelijk ter kennis van de Commissie.]4
§ 2. [4 Het ontwerp van machtiging van het diensthoofd vermeldt:
1° de aard van de uitzonderlijke methode;
2° naargelang het geval, de natuurlijke personen of rechtspersonen, feitelijke verenigingen of groeperingen, voorwerpen, plaatsen, gebeurtenissen of informatie die het voorwerp uitmaken van de uitzonderlijke methode;
3° de ernstige potentiële dreiging die de uitzonderlijke methode voor het verzamelen van gegevens rechtvaardigt;
4° de feitelijke omstandigheden die de uitzonderlijke methode rechtvaardigen, de motivering inzake subsidiariteit en proportionaliteit, inbegrepen het verband tussen de bepalingen onder 2° en 3° ;
5° de periode waarin de uitzonderlijke methode voor het verzamelen van gegevens kan worden aangewend, te rekenen vanaf de machtiging van het diensthoofd;
6° de naam [5 van de methodenofficier(en)]5) verantwoordelijk om de aanwending van de uitzonderlijke methode op te volgen;
7° in voorkomend geval, het technisch middel dat gebruikt wordt bij de aanwending van de uitzonderlijke methode in toepassing van de artikelen 18/11 of 18/12;
8° in voorkomend geval, de samenloop met een opsporings- of gerechtelijk onderzoek;
9° in voorkomend geval, [5 de feiten die als strafbaar feit of strafbare feiten kunnen worden gekwalificeerd]5 die strikt noodzakelijk zijn voor het welslagen van de uitvoering van de methode of ter verzekering van de veiligheid van de agenten of derden;
10° in voorkomend geval, de ernstige aanwijzingen waaruit blijkt dat de advocaat, de arts of de journalist persoonlijk en actief meewerkt of heeft meegewerkt aan het ontstaan of de ontwikkeling van de potentiële dreiging;
11° in voorkomend geval, de redenen die de hoogdringendheid rechtvaardigen;
12° de datum van de machtiging;
13° de handtekening van het diensthoofd. "
De in het eerste lid bedoelde vermeldingen zijn op straffe van onwettigheid voorgeschreven.]4
[5 In het kader van artikel 18, § 2, en in afwijking van paragraaf 2, 2° en 3°, vermeldt de beslissing van het diensthoofd respectievelijk de identificatiecode van de menselijke bron en het potentieel nadeel voor de uitoefening van de opdrachten van de diensten of het potentiële gevaar voor de veiligheid van de menselijke bron.]5
§ 3. De commissie verleent haar eensluidend advies binnen de vier dagen na ontvangst van [4 het ontwerp van machtiging]4.
Indien de commissie een negatief advies uitbrengt, mag de uitzonderlijke methode voor het verzamelen van gegevens door de betrokken dienst niet worden aangewend.
Indien de commissie geen advies uitbrengt binnen de termijn van vier dagen [4 of zij de betrokken dienst meedeelt dat zij niet kan beraadslagen binnen die termijn overeenkomstig artikel 43, § 1, zevende lid]4, kan de betrokken dienst de bevoegde minister aanzoeken, die al dan niet toelating geeft om zo spoedig mogelijk de beoogde methode uit te voeren. De minister deelt zijn beslissing mee aan de voorzitters van de commissie en van het Vast Comité I.
Het diensthoofd brengt de minister op de hoogte van de opvolging van de aldus toegelaten uitzonderlijke methode door hem op regelmatige tijdstippen, zoals vastgelegd door de minister in zijn toelating, een omstandig verslag uit te brengen over het verloop van de methode.
De betrokken minister beëindigt de uitzonderlijke methode die hij heeft toegestaan [4 wanneer de potentiële dreiging die haar rechtvaardigt weggevallen is]4 of wanneer de methode niet langer nuttig blijkt voor het doel waarvoor zij werd beslist. Hij schorst de methode indien hij een onwettigheid vaststelt. In dat geval brengt de betrokken minister zijn met redenen omklede beslissing om de uitzonderlijke methode te beëindigen of te schorsen, naargelang het geval, onverwijld ter kennis van de commissie, het diensthoofd en het Vast Comité I.
§ 4. [4 In geval van hoogdringendheid en wanneer elk uitblijven van de machtiging van aard is om de belangen bedoeld in artikel 18/9 ernstig in het gedrang te brengen, kan het diensthoofd, nadat hij wegens de hoogdringendheid het mondeling eensluidend advies van de voorzitter van de Commissie heeft verkregen, de uitzonderlijke methode voor het verzamelen van gegevens mondeling machtigen voor ten hoogste vijf dagen.
Indien de voorzitter van de Commissie niet bereikbaar is, kan het diensthoofd contact opnemen met een ander lid van de Commissie.
De voorzitter, of het andere gecontacteerde lid, brengt de overige leden van de Commissie onmiddellijk op de hoogte van zijn mondeling advies.
[5 De methodenofficier]5 kan schriftelijk de medewerking vorderen van de personen bedoeld in de artikelen 18/14, 18/15, 18/16 en 18/17. De aard van de methode wordt hen meegedeeld. Deze vordering wordt zo spoedig mogelijk aan het diensthoofd meegedeeld.
Het diensthoofd geeft schriftelijke bevestiging van de mondelinge machtiging en geeft daarvan kennis aan de zetel van de Commissie, volgens de door de Koning vastgestelde nadere regels, ten laatste binnen de vierentwintig uur vanaf deze machtiging. Deze schriftelijke bevestiging bevat de in paragraaf 2 bedoelde vermeldingen.
In voorkomend geval vermeldt die bevestiging de redenen die de handhaving rechtvaardigen van de aanwending van de methode na de termijn van vijf dagen, zonder de twee maanden bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, te boven te gaan. In dat geval geldt die bevestiging als ontwerp van machtiging bedoeld in paragraaf 1.
In geval de noodzaak tot handhaving van de methode na de termijn van vijf dagen niet kon worden voorzien, of in uitzonderlijke gevallen, kan het diensthoofd de verlenging ervan machtigen volgens de procedure onder het eerste lid.]4
[5 Indien de voorzitter of het gecontacteerde Commissielid]5 een [4 mondeling]4 negatief advies uitbrengt, mag de uitzonderlijke methode voor het verzamelen van gegevens door de betrokken dienst niet worden aangewend.
[5 Indien de voorzitter of het gecontacteerde Commissielid]5 in geval van hoogdringendheid niet onmiddellijk advies uitbrengt, kan de betrokken dienst de bevoegde minister aanzoeken, die al dan niet de toelating geeft de beoogde methode uit te voeren. De minister deelt zijn beslissing mee aan de voorzitters van de commissie en van het Vast Comité I.
Het diensthoofd brengt de minister op de hoogte van de opvolging van de aldus toegelaten uitzonderlijke methode door hem op regelmatige tijdstippen, zoals vastgelegd door de minister in zijn toelating, een omstandig verslag uit te brengen over het verloop van de methode.
De betrokken minister beëindigt de uitzonderlijke methode die hij heeft toegestaan [4 wanneer de potentiële dreiging die haar rechtvaardigt weggevallen is]4 of wanneer de methode niet langer nuttig blijkt voor het doel waarvoor zij werd beslist. Hij schorst de methode indien hij een onwettigheid vaststelt. In dat geval brengt de betrokken minister zijn met redenen omklede beslissing om de methode te beëindigen of te schorsen, naargelang het geval, onverwijld ter kennis van de commissie, het diensthoofd en het Vast Comité I.
In ieder geval wordt de uitzonderlijke methode stopgezet binnen [4 vijf dagen]4 na de door de betrokken minister verleende toelating [4 , behalve in de gevallen van verlenging bedoeld in het vijfde en zesde lid]4.
§ 5. Het diensthoofd kan, op voorafgaand eensluidend advies van de commissie, de verlenging van de uitzonderlijke methode voor het verzamelen van [4 gegevens]4 machtigen voor een nieuwe termijn die niet langer mag zijn dan [4 ...]4 twee maanden [4 te rekenen vanaf het verstrijken van de lopende methode]4, onverminderd zijn verplichting om de methode te beëindigen zodra [4 de potentiële dreiging die haar rechtvaardigt weggevallen is]4 [4 ,]4 wanneer de methode niet langer nuttig is voor het doel waarvoor zij werd beslist [4 of wanneer]4 hij een onwettigheid vaststelt. In dat geval brengt het diensthoofd van de betrokken dienst zijn met redenen omklede beslissing om de methode te beëindigen [4 ...]4 ter kennis van de commissie.
Een tweede en elke volgende verlenging van de uitzonderlijke methode voor het verzamelen van [4 gegevens]4 is slechts mogelijk indien er bijzondere omstandigheden aanwezig zijn, die de verlenging van het gebruik van deze methode noodzaken. Deze bijzondere redenen worden in de beslissing opgenomen. Indien deze bijzondere omstandigheden niet voorhanden zijn, dient de methode te worden beëindigd.
De voorwaarden bepaald in de paragrafen 1 tot 3 zijn toepasselijk op de in deze paragraaf bepaalde wijzen van verlenging van de uitzonderlijke methode voor het verzamelen van gegevens.
§ 6. De leden van de commissie kunnen op elk ogenblik controle uitoefenen op de wettigheid van de uitzonderlijke methoden voor het verzamelen van gegevens, hierbij inbegrepen de naleving van de principes van subsidiariteit en proportionaliteit bepaald in artikel 18/9, § § 2 en 3.
Zij kunnen daartoe de plaatsen betreden waar de gegevens die met de uitzonderlijke methoden verzameld werden, in ontvangst genomen of bewaard worden, zich alle nuttige stukken toe-eigenen en de leden van de dienst horen.
De commissie beëindigt de uitzonderlijke methode voor het verzamelen van gegevens wanneer zij vaststelt dat [4 de potentiële dreiging die haar rechtvaardigt weggevallen is]4 of wanneer de uitzonderlijke methode niet meer nuttig blijkt te zijn voor het doel waarvoor ze werd aangewend, of schorst de uitzonderlijke methode ingeval van onwettigheid.
De gegevens verkregen in omstandigheden die de vigerende wettelijke bepalingen niet naleven, worden onder het toezicht van de commissie bewaard overeenkomstig de door de Koning bepaalde regels en termijnen, na advies van [5 het Vast Comité I]5. De commissie verbiedt de inlichtingen- en veiligheidsdiensten deze gegevens te exploiteren.
§ 7. De commissie stelt het Vast Comité I op eigen initiatief in kennis [4 van het in § 2 bedoelde ontwerp van machtiging]4 van de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst, van het in § 3 bedoelde eensluidend advies, [4 , van de in paragraaf 4 bedoelde schriftelijke bevestiging van de mondelinge machtiging]4 van de in § 5 bedoelde eventuele verlenging van de uitzonderlijke methode voor het verzamelen van gegevens en van haar in § 6 bedoelde beslissing om de methode te beëindigen of in voorkomend geval te schorsen en de exploitatie van de aldus verzamelde gegevens te verbieden.]1
Behoudens andersluidende wettelijke bepaling mag de periode tijdens welke de uitzonderlijke methode voor het verzamelen van gegevens aangewend mag worden niet langer duren dan twee maanden, [4 te rekenen vanaf de machtiging,]4 onverminderd de mogelijkheid om de methode te verlengen overeenkomstig § 5.
[5 De methodenofficier]5 die is aangesteld [4 om de aanwending van de uitzonderlijke methode voor het verzamelen van gegevens op te volgen]4, informeert op regelmatige wijze het diensthoofd, dat op zijn beurt, overeenkomstig de door de Koning bepaalde nadere regels en termijnen, de commissie inlicht over de uitvoering van deze methode.
[4 Het diensthoofd beëindigt de uitzonderlijke methode wanneer de ernstige potentiële dreiging die haar rechtvaardigt weggevallen is, wanneer de methode niet langer nuttig is voor het doel waarvoor zij werd ingesteld, of wanneer hij een onwettigheid heeft vastgesteld. Hij brengt zijn beslissing zo spoedig mogelijk ter kennis van de Commissie.]4
§ 2. [4 Het ontwerp van machtiging van het diensthoofd vermeldt:
1° de aard van de uitzonderlijke methode;
2° naargelang het geval, de natuurlijke personen of rechtspersonen, feitelijke verenigingen of groeperingen, voorwerpen, plaatsen, gebeurtenissen of informatie die het voorwerp uitmaken van de uitzonderlijke methode;
3° de ernstige potentiële dreiging die de uitzonderlijke methode voor het verzamelen van gegevens rechtvaardigt;
4° de feitelijke omstandigheden die de uitzonderlijke methode rechtvaardigen, de motivering inzake subsidiariteit en proportionaliteit, inbegrepen het verband tussen de bepalingen onder 2° en 3° ;
5° de periode waarin de uitzonderlijke methode voor het verzamelen van gegevens kan worden aangewend, te rekenen vanaf de machtiging van het diensthoofd;
6° de naam [5 van de methodenofficier(en)]5) verantwoordelijk om de aanwending van de uitzonderlijke methode op te volgen;
7° in voorkomend geval, het technisch middel dat gebruikt wordt bij de aanwending van de uitzonderlijke methode in toepassing van de artikelen 18/11 of 18/12;
8° in voorkomend geval, de samenloop met een opsporings- of gerechtelijk onderzoek;
9° in voorkomend geval, [5 de feiten die als strafbaar feit of strafbare feiten kunnen worden gekwalificeerd]5 die strikt noodzakelijk zijn voor het welslagen van de uitvoering van de methode of ter verzekering van de veiligheid van de agenten of derden;
10° in voorkomend geval, de ernstige aanwijzingen waaruit blijkt dat de advocaat, de arts of de journalist persoonlijk en actief meewerkt of heeft meegewerkt aan het ontstaan of de ontwikkeling van de potentiële dreiging;
11° in voorkomend geval, de redenen die de hoogdringendheid rechtvaardigen;
12° de datum van de machtiging;
13° de handtekening van het diensthoofd. "
De in het eerste lid bedoelde vermeldingen zijn op straffe van onwettigheid voorgeschreven.]4
[5 In het kader van artikel 18, § 2, en in afwijking van paragraaf 2, 2° en 3°, vermeldt de beslissing van het diensthoofd respectievelijk de identificatiecode van de menselijke bron en het potentieel nadeel voor de uitoefening van de opdrachten van de diensten of het potentiële gevaar voor de veiligheid van de menselijke bron.]5
§ 3. De commissie verleent haar eensluidend advies binnen de vier dagen na ontvangst van [4 het ontwerp van machtiging]4.
Indien de commissie een negatief advies uitbrengt, mag de uitzonderlijke methode voor het verzamelen van gegevens door de betrokken dienst niet worden aangewend.
Indien de commissie geen advies uitbrengt binnen de termijn van vier dagen [4 of zij de betrokken dienst meedeelt dat zij niet kan beraadslagen binnen die termijn overeenkomstig artikel 43, § 1, zevende lid]4, kan de betrokken dienst de bevoegde minister aanzoeken, die al dan niet toelating geeft om zo spoedig mogelijk de beoogde methode uit te voeren. De minister deelt zijn beslissing mee aan de voorzitters van de commissie en van het Vast Comité I.
Het diensthoofd brengt de minister op de hoogte van de opvolging van de aldus toegelaten uitzonderlijke methode door hem op regelmatige tijdstippen, zoals vastgelegd door de minister in zijn toelating, een omstandig verslag uit te brengen over het verloop van de methode.
De betrokken minister beëindigt de uitzonderlijke methode die hij heeft toegestaan [4 wanneer de potentiële dreiging die haar rechtvaardigt weggevallen is]4 of wanneer de methode niet langer nuttig blijkt voor het doel waarvoor zij werd beslist. Hij schorst de methode indien hij een onwettigheid vaststelt. In dat geval brengt de betrokken minister zijn met redenen omklede beslissing om de uitzonderlijke methode te beëindigen of te schorsen, naargelang het geval, onverwijld ter kennis van de commissie, het diensthoofd en het Vast Comité I.
§ 4. [4 In geval van hoogdringendheid en wanneer elk uitblijven van de machtiging van aard is om de belangen bedoeld in artikel 18/9 ernstig in het gedrang te brengen, kan het diensthoofd, nadat hij wegens de hoogdringendheid het mondeling eensluidend advies van de voorzitter van de Commissie heeft verkregen, de uitzonderlijke methode voor het verzamelen van gegevens mondeling machtigen voor ten hoogste vijf dagen.
Indien de voorzitter van de Commissie niet bereikbaar is, kan het diensthoofd contact opnemen met een ander lid van de Commissie.
De voorzitter, of het andere gecontacteerde lid, brengt de overige leden van de Commissie onmiddellijk op de hoogte van zijn mondeling advies.
[5 De methodenofficier]5 kan schriftelijk de medewerking vorderen van de personen bedoeld in de artikelen 18/14, 18/15, 18/16 en 18/17. De aard van de methode wordt hen meegedeeld. Deze vordering wordt zo spoedig mogelijk aan het diensthoofd meegedeeld.
Het diensthoofd geeft schriftelijke bevestiging van de mondelinge machtiging en geeft daarvan kennis aan de zetel van de Commissie, volgens de door de Koning vastgestelde nadere regels, ten laatste binnen de vierentwintig uur vanaf deze machtiging. Deze schriftelijke bevestiging bevat de in paragraaf 2 bedoelde vermeldingen.
In voorkomend geval vermeldt die bevestiging de redenen die de handhaving rechtvaardigen van de aanwending van de methode na de termijn van vijf dagen, zonder de twee maanden bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, te boven te gaan. In dat geval geldt die bevestiging als ontwerp van machtiging bedoeld in paragraaf 1.
In geval de noodzaak tot handhaving van de methode na de termijn van vijf dagen niet kon worden voorzien, of in uitzonderlijke gevallen, kan het diensthoofd de verlenging ervan machtigen volgens de procedure onder het eerste lid.]4
[5 Indien de voorzitter of het gecontacteerde Commissielid]5 een [4 mondeling]4 negatief advies uitbrengt, mag de uitzonderlijke methode voor het verzamelen van gegevens door de betrokken dienst niet worden aangewend.
[5 Indien de voorzitter of het gecontacteerde Commissielid]5 in geval van hoogdringendheid niet onmiddellijk advies uitbrengt, kan de betrokken dienst de bevoegde minister aanzoeken, die al dan niet de toelating geeft de beoogde methode uit te voeren. De minister deelt zijn beslissing mee aan de voorzitters van de commissie en van het Vast Comité I.
Het diensthoofd brengt de minister op de hoogte van de opvolging van de aldus toegelaten uitzonderlijke methode door hem op regelmatige tijdstippen, zoals vastgelegd door de minister in zijn toelating, een omstandig verslag uit te brengen over het verloop van de methode.
De betrokken minister beëindigt de uitzonderlijke methode die hij heeft toegestaan [4 wanneer de potentiële dreiging die haar rechtvaardigt weggevallen is]4 of wanneer de methode niet langer nuttig blijkt voor het doel waarvoor zij werd beslist. Hij schorst de methode indien hij een onwettigheid vaststelt. In dat geval brengt de betrokken minister zijn met redenen omklede beslissing om de methode te beëindigen of te schorsen, naargelang het geval, onverwijld ter kennis van de commissie, het diensthoofd en het Vast Comité I.
In ieder geval wordt de uitzonderlijke methode stopgezet binnen [4 vijf dagen]4 na de door de betrokken minister verleende toelating [4 , behalve in de gevallen van verlenging bedoeld in het vijfde en zesde lid]4.
§ 5. Het diensthoofd kan, op voorafgaand eensluidend advies van de commissie, de verlenging van de uitzonderlijke methode voor het verzamelen van [4 gegevens]4 machtigen voor een nieuwe termijn die niet langer mag zijn dan [4 ...]4 twee maanden [4 te rekenen vanaf het verstrijken van de lopende methode]4, onverminderd zijn verplichting om de methode te beëindigen zodra [4 de potentiële dreiging die haar rechtvaardigt weggevallen is]4 [4 ,]4 wanneer de methode niet langer nuttig is voor het doel waarvoor zij werd beslist [4 of wanneer]4 hij een onwettigheid vaststelt. In dat geval brengt het diensthoofd van de betrokken dienst zijn met redenen omklede beslissing om de methode te beëindigen [4 ...]4 ter kennis van de commissie.
Een tweede en elke volgende verlenging van de uitzonderlijke methode voor het verzamelen van [4 gegevens]4 is slechts mogelijk indien er bijzondere omstandigheden aanwezig zijn, die de verlenging van het gebruik van deze methode noodzaken. Deze bijzondere redenen worden in de beslissing opgenomen. Indien deze bijzondere omstandigheden niet voorhanden zijn, dient de methode te worden beëindigd.
De voorwaarden bepaald in de paragrafen 1 tot 3 zijn toepasselijk op de in deze paragraaf bepaalde wijzen van verlenging van de uitzonderlijke methode voor het verzamelen van gegevens.
§ 6. De leden van de commissie kunnen op elk ogenblik controle uitoefenen op de wettigheid van de uitzonderlijke methoden voor het verzamelen van gegevens, hierbij inbegrepen de naleving van de principes van subsidiariteit en proportionaliteit bepaald in artikel 18/9, § § 2 en 3.
Zij kunnen daartoe de plaatsen betreden waar de gegevens die met de uitzonderlijke methoden verzameld werden, in ontvangst genomen of bewaard worden, zich alle nuttige stukken toe-eigenen en de leden van de dienst horen.
De commissie beëindigt de uitzonderlijke methode voor het verzamelen van gegevens wanneer zij vaststelt dat [4 de potentiële dreiging die haar rechtvaardigt weggevallen is]4 of wanneer de uitzonderlijke methode niet meer nuttig blijkt te zijn voor het doel waarvoor ze werd aangewend, of schorst de uitzonderlijke methode ingeval van onwettigheid.
De gegevens verkregen in omstandigheden die de vigerende wettelijke bepalingen niet naleven, worden onder het toezicht van de commissie bewaard overeenkomstig de door de Koning bepaalde regels en termijnen, na advies van [5 het Vast Comité I]5. De commissie verbiedt de inlichtingen- en veiligheidsdiensten deze gegevens te exploiteren.
§ 7. De commissie stelt het Vast Comité I op eigen initiatief in kennis [4 van het in § 2 bedoelde ontwerp van machtiging]4 van de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst, van het in § 3 bedoelde eensluidend advies, [4 , van de in paragraaf 4 bedoelde schriftelijke bevestiging van de mondelinge machtiging]4 van de in § 5 bedoelde eventuele verlenging van de uitzonderlijke methode voor het verzamelen van gegevens en van haar in § 6 bedoelde beslissing om de methode te beëindigen of in voorkomend geval te schorsen en de exploitatie van de aldus verzamelde gegevens te verbieden.]1
Modifications
Art. 18/10. [1 § 1er. Le dirigeant du service soumet son projet d'autorisation à l'avis conforme de la commission, qui vérifie si les dispositions légales relatives à l'utilisation de la méthode exceptionnelle pour le recueil de données, ainsi que [2 les principes de subsidiarité et de proportionnalité]2 prévus à l'article 18/9 § § 2 et 3, sont respectés et qui contrôle les mentions prescrites par le § 2.
Sauf disposition légale contraire, la période durant laquelle la méthode exceptionnelle de recueil de données peut être appliquée ne peut excéder deux mois, [2 à compter de l'autorisation,]2 sans préjudice de la possibilité de prolongation prévue au § 5.
[3 L'officier des méthodes]3 désigné [2 pour le suivi de la mise en oeuvre de la méthode exceptionnelle de recueil de données]2 informe régulièrement le dirigeant du service, qui, à son tour, informe la commission de l'exécution de cette méthode, selon les modalités et délais déterminés par le Roi.
[2 Le dirigeant du service met fin à la méthode exceptionnelle lorsque la menace potentielle grave qui la justifie a disparu, lorsque la méthode n'est plus utile pour la finalité pour laquelle elle avait été mise en oeuvre, ou quand il a constaté une illégalité. Il informe dès que possible la Commission de sa décision.]2
§ 2. [2 Le projet d'autorisation du dirigeant du service mentionne:
1° la nature de la méthode exceptionnelle;
2° selon le cas, la ou les personnes physiques ou morales, les associations de fait ou les groupements, les objets, les lieux, les événements ou les informations faisant l'objet de la méthode exceptionnelle de recueil de données;
3° la menace potentielle grave qui justifie la méthode exceptionnelle de recueil de données;
4° les circonstances de fait qui justifient la méthode exceptionnelle, la motivation en matière de subsidiarité et de proportionnalité, en ce compris le lien entre le 2° et le 3° ;
5° la période pendant laquelle la méthode exceptionnelle de recueil de données peut être mise en oeuvre à compter de l'autorisation du dirigeant du service;
6° le nom du ou [3 des officier(s) des méthodes]3 désigné(s) pour le suivi de la mise en oeuvre de la méthode exceptionnelle;
7° le cas échéant, le moyen technique employé pour mettre en oeuvre la méthode exceptionnelle en application des articles 18/11 ou 18/12;
8° le cas échéant, le concours d'une information ou d'une instruction judiciaire;
9° le cas échéant, [3 les faits susceptibles d'être qualifiés infraction(s)]3 absolument nécessaires afin d'assurer l'exécution optimale de la méthode ou de garantir la sécurité des agents ou de tiers;
10° le cas échéant, les indices sérieux attestant que l'avocat, le médecin ou le journaliste participe ou a participé personnellement et activement à la naissance ou au développement de la menace potentielle;
11° le cas échéant, les motifs qui justifient l'extrême urgence;
12° la date de l'autorisation;
13° la signature du dirigeant du service.
Les mentions visées à l'alinéa 1er sont prescrites sous peine d'illégalité.]2
[3 Dans le cadre de l'article 18, § 2, et par dérogation au paragraphe 2, 2° et 3°, la décision du dirigeant du service mentionne respectivement le code d'identification de la source humaine et le préjudice potentiel grave pour l'exercice des missions des services ou le danger potentiel grave pour la sécurité de la source humaine.]3
§ 3. La commission donne son avis conforme dans les quatre jours de la réception [2 du projet d'autorisation]2.
Si la commission rend un avis négatif, la méthode exceptionnelle de recueil de données ne peut pas être mise en oeuvre par le service concerné.
Si la commission ne rend pas d'avis dans le délai de quatre jours [2 ou informe le service concerné qu'elle est dans l'impossibilité de délibérer dans ce délai conformément à l'article 43, paragraphe 1er, alinéa 7]2, le service concerné peut saisir le ministre compétent, qui autorisera ou n'autorisera pas la mise en oeuvre dans les plus brefs délais de la méthode envisagée. Le ministre communique sa décision aux présidents de la commission et du Comité permanent R.
Le dirigeant du service informe le ministre du suivi de la méthode exceptionnelle ainsi autorisée en lui faisant, selon une périodicité fixée par le ministre dans son autorisation, un rapport circonstancié sur le déroulement de la méthode.
Le ministre concerné met fin à la méthode exceptionnelle qu'il a autorisée [2 lorsque la menace potentielle qui la justifie a disparu]2 ou si la méthode en question ne s'avère plus utile à la finalité pour laquelle elle a été décidée. Il suspend la méthode lorsqu'il constate une illégalité. Dans ce cas, le ministre concerné porte sans délai à la connaissance de la commission, du dirigeant du service et du Comité permanent R sa décision motivée de mettre fin à la méthode exceptionnelle ou de la suspendre, selon le cas.
§ 4. [2 En cas d'extrême urgence, et lorsque tout retard apporté à l'autorisation est de nature à compromettre gravement les intérêts visés à l'article 18/9, le dirigeant du service peut autoriser verbalement la méthode exceptionnelle de recueil de données pour une durée ne pouvant excéder cinq jours, après avoir obtenu au bénéfice de l'urgence l'avis conforme verbal du président de la Commission.
Si le président de la Commission n'est pas joignable, le dirigeant du service peut prendre contact avec un autre membre de la Commission.
Le président, ou l'autre membre contacté, informe immédiatement les autres membres de la Commission de son avis verbal.
[3 L'officier des méthodes]3 peut requérir par écrit le concours des personnes visées aux articles 18/14, 18/15, 18/16 et 18/17. La nature de la méthode leur est communiquée. Cette réquisition est communiquée le plus rapidement possible au dirigeant du service.
Le dirigeant du service confirme par écrit l'autorisation verbale et la notifie au siège de la Commission, selon les modalités fixées par le Roi, au maximum dans les vingt-quatre heures de cette autorisation. Cette confirmation écrite comprend les mentions visées au paragraphe 2.
Le cas échéant, cette confirmation indique les motifs qui justifient le maintien de la mise en oeuvre de la méthode au-delà du délai de cinq jours, sans excéder les deux mois visés au paragraphe 1er, alinéa 2. Dans ce cas, cette confirmation vaut projet d'autorisation visé au paragraphe 1er.
Dans le cas où la nécessité du maintien de la méthode au-delà du délai de cinq jours n'a pas pu être anticipée ou dans des circonstances exceptionnelles, le dirigeant du service peut en autoriser la prolongation selon la procédure de l'alinéa 1er.]2
[3 Si le président ou le membre de la Commission contacté]3 rend un avis [2 verbal]2 négatif, la méthode exceptionnelle de recueil de données ne peut pas être mise en oeuvre par le service concerné.
[3 Si le président ou le membre de la Commission contacté]3 ne rend pas immédiatement un avis dans les cas d'extrême urgence, le service concerné peut saisir le ministre compétent, qui autorisera ou non le recours à la méthode envisagée. Le ministre communique sa décision aux présidents de la commission et du Comité permanent R.
Le dirigeant du service informe le ministre du suivi de la méthode exceptionnelle ainsi autorisée en lui faisant, selon une périodicité fixée par le ministre dans son autorisation, un rapport circonstancié sur le déroulement de la méthode.
Le ministre concerné met fin à la méthode exceptionnelle qu'il a autorisée [2 lorsque la menace potentielle qui la justifie a disparu]2 ou si la méthode en question ne s'avère plus utile à la finalité pour laquelle elle a été décidée. Il suspend la méthode lorsqu'il constate une illégalité. Dans ce cas, le ministre concerné porte sans délai à la connaissance de la commission, du dirigeant du service et du Comité permanent R sa décision motivée de mettre fin à la méthode ou de la suspendre, selon le cas.
Il est en tout cas mis fin à la méthode exceptionnelle dans les [2 cinq jours]2 à compter de l'autorisation accordée par le ministre concerné [2 , sauf dans les cas de prolongation visés aux alinéas 5 et 6]2.
§ 5. Le dirigeant du service peut, sur avis conforme préalable de la commission, autoriser la prolongation de la méthode exceptionnelle de recueil de données pour une nouvelle période ne pouvant excéder deux mois [2 à compter de l'échéance de la méthode en cours]2, sans préjudice de l'obligation qui lui est faite de mettre fin à la méthode dès que [2 la menace potentielle qui la justifie a disparu]2 [2 ,]2 que la méthode n'est plus utile à la finalité pour laquelle elle a été décidée [2 ou qu'il constate]2 une illégalité. Dans ce cas, le dirigeant du service concerné porte [2 ...]2 à la connaissance de la commission sa décision motivée de mettre fin à la méthode exceptionnelle [2 ...]2.
Une seconde prolongation et toute nouvelle prolongation de la méthode exceptionnelle de recueil de données n'est possible qu'en présence de circonstances particulières nécessitant de prolonger l'utilisation de cette méthode. Ces motifs particuliers sont indiqués dans la décision. Si ces circonstances particulières font défaut, il doit être mis fin à la méthode.
Les conditions prévues aux paragraphes 1er à 3 sont applicables aux modalités de prolongation de la méthode exceptionnelle de recueil de données qui sont prévues dans le présent paragraphe.
§ 6. Les membres de la commission peuvent à tout moment contrôler la légalité des méthodes exceptionnelles de recueil de données, y compris le respect des principes de subsidiarité et de proportionnalité, prévues à l'article 18/9, § § 2 et 3.
Ils peuvent à cet effet pénétrer dans les lieux où sont réceptionnées ou conservées les données recueillies par ces méthodes exceptionnelles, se saisir de toutes les pièces utiles et entendre les membres du service.
La commission met fin à la méthode exceptionnelle de recueil de données lorsqu'elle constate que [2 la menace potentielle qui la justifie a disparu]2 ou si la méthode exceptionnelle ne s'avère plus utile à la finalité pour laquelle elle a été mise en oeuvre, ou suspend la méthode exceptionnelle en cas d'illégalité.
Les données recueillies dans des conditions qui ne respectent pas les dispositions légales en vigueur sont conservées sous le contrôle de la commission, selon les modalités et délais fixés par le Roi, après avis [3 du Comité permanent R]3. La commission interdit aux services de renseignement et de sécurité d'exploiter ces données.
§ 7. La commission informe, de sa propre initiative, le Comité permanent R [2 du projet d'autorisation, visé au paragraphe 2, introduit]2 par le service de renseignement et de sécurité concerné, de l'avis conforme visé au § 3 [2 , la confirmation écrite de l'autorisation verbale visée au paragraphe 4]2, de l'éventuelle prolongation, visée au § 5, de la méthode exceptionnelle de recueil de données et de sa décision visée au § 6 de mettre fin à la méthode ou, le cas échéant, de la suspendre et d'interdire l'exploitation des données ainsi recueillies.]1
Sauf disposition légale contraire, la période durant laquelle la méthode exceptionnelle de recueil de données peut être appliquée ne peut excéder deux mois, [2 à compter de l'autorisation,]2 sans préjudice de la possibilité de prolongation prévue au § 5.
[3 L'officier des méthodes]3 désigné [2 pour le suivi de la mise en oeuvre de la méthode exceptionnelle de recueil de données]2 informe régulièrement le dirigeant du service, qui, à son tour, informe la commission de l'exécution de cette méthode, selon les modalités et délais déterminés par le Roi.
[2 Le dirigeant du service met fin à la méthode exceptionnelle lorsque la menace potentielle grave qui la justifie a disparu, lorsque la méthode n'est plus utile pour la finalité pour laquelle elle avait été mise en oeuvre, ou quand il a constaté une illégalité. Il informe dès que possible la Commission de sa décision.]2
§ 2. [2 Le projet d'autorisation du dirigeant du service mentionne:
1° la nature de la méthode exceptionnelle;
2° selon le cas, la ou les personnes physiques ou morales, les associations de fait ou les groupements, les objets, les lieux, les événements ou les informations faisant l'objet de la méthode exceptionnelle de recueil de données;
3° la menace potentielle grave qui justifie la méthode exceptionnelle de recueil de données;
4° les circonstances de fait qui justifient la méthode exceptionnelle, la motivation en matière de subsidiarité et de proportionnalité, en ce compris le lien entre le 2° et le 3° ;
5° la période pendant laquelle la méthode exceptionnelle de recueil de données peut être mise en oeuvre à compter de l'autorisation du dirigeant du service;
6° le nom du ou [3 des officier(s) des méthodes]3 désigné(s) pour le suivi de la mise en oeuvre de la méthode exceptionnelle;
7° le cas échéant, le moyen technique employé pour mettre en oeuvre la méthode exceptionnelle en application des articles 18/11 ou 18/12;
8° le cas échéant, le concours d'une information ou d'une instruction judiciaire;
9° le cas échéant, [3 les faits susceptibles d'être qualifiés infraction(s)]3 absolument nécessaires afin d'assurer l'exécution optimale de la méthode ou de garantir la sécurité des agents ou de tiers;
10° le cas échéant, les indices sérieux attestant que l'avocat, le médecin ou le journaliste participe ou a participé personnellement et activement à la naissance ou au développement de la menace potentielle;
11° le cas échéant, les motifs qui justifient l'extrême urgence;
12° la date de l'autorisation;
13° la signature du dirigeant du service.
Les mentions visées à l'alinéa 1er sont prescrites sous peine d'illégalité.]2
[3 Dans le cadre de l'article 18, § 2, et par dérogation au paragraphe 2, 2° et 3°, la décision du dirigeant du service mentionne respectivement le code d'identification de la source humaine et le préjudice potentiel grave pour l'exercice des missions des services ou le danger potentiel grave pour la sécurité de la source humaine.]3
§ 3. La commission donne son avis conforme dans les quatre jours de la réception [2 du projet d'autorisation]2.
Si la commission rend un avis négatif, la méthode exceptionnelle de recueil de données ne peut pas être mise en oeuvre par le service concerné.
Si la commission ne rend pas d'avis dans le délai de quatre jours [2 ou informe le service concerné qu'elle est dans l'impossibilité de délibérer dans ce délai conformément à l'article 43, paragraphe 1er, alinéa 7]2, le service concerné peut saisir le ministre compétent, qui autorisera ou n'autorisera pas la mise en oeuvre dans les plus brefs délais de la méthode envisagée. Le ministre communique sa décision aux présidents de la commission et du Comité permanent R.
Le dirigeant du service informe le ministre du suivi de la méthode exceptionnelle ainsi autorisée en lui faisant, selon une périodicité fixée par le ministre dans son autorisation, un rapport circonstancié sur le déroulement de la méthode.
Le ministre concerné met fin à la méthode exceptionnelle qu'il a autorisée [2 lorsque la menace potentielle qui la justifie a disparu]2 ou si la méthode en question ne s'avère plus utile à la finalité pour laquelle elle a été décidée. Il suspend la méthode lorsqu'il constate une illégalité. Dans ce cas, le ministre concerné porte sans délai à la connaissance de la commission, du dirigeant du service et du Comité permanent R sa décision motivée de mettre fin à la méthode exceptionnelle ou de la suspendre, selon le cas.
§ 4. [2 En cas d'extrême urgence, et lorsque tout retard apporté à l'autorisation est de nature à compromettre gravement les intérêts visés à l'article 18/9, le dirigeant du service peut autoriser verbalement la méthode exceptionnelle de recueil de données pour une durée ne pouvant excéder cinq jours, après avoir obtenu au bénéfice de l'urgence l'avis conforme verbal du président de la Commission.
Si le président de la Commission n'est pas joignable, le dirigeant du service peut prendre contact avec un autre membre de la Commission.
Le président, ou l'autre membre contacté, informe immédiatement les autres membres de la Commission de son avis verbal.
[3 L'officier des méthodes]3 peut requérir par écrit le concours des personnes visées aux articles 18/14, 18/15, 18/16 et 18/17. La nature de la méthode leur est communiquée. Cette réquisition est communiquée le plus rapidement possible au dirigeant du service.
Le dirigeant du service confirme par écrit l'autorisation verbale et la notifie au siège de la Commission, selon les modalités fixées par le Roi, au maximum dans les vingt-quatre heures de cette autorisation. Cette confirmation écrite comprend les mentions visées au paragraphe 2.
Le cas échéant, cette confirmation indique les motifs qui justifient le maintien de la mise en oeuvre de la méthode au-delà du délai de cinq jours, sans excéder les deux mois visés au paragraphe 1er, alinéa 2. Dans ce cas, cette confirmation vaut projet d'autorisation visé au paragraphe 1er.
Dans le cas où la nécessité du maintien de la méthode au-delà du délai de cinq jours n'a pas pu être anticipée ou dans des circonstances exceptionnelles, le dirigeant du service peut en autoriser la prolongation selon la procédure de l'alinéa 1er.]2
[3 Si le président ou le membre de la Commission contacté]3 rend un avis [2 verbal]2 négatif, la méthode exceptionnelle de recueil de données ne peut pas être mise en oeuvre par le service concerné.
[3 Si le président ou le membre de la Commission contacté]3 ne rend pas immédiatement un avis dans les cas d'extrême urgence, le service concerné peut saisir le ministre compétent, qui autorisera ou non le recours à la méthode envisagée. Le ministre communique sa décision aux présidents de la commission et du Comité permanent R.
Le dirigeant du service informe le ministre du suivi de la méthode exceptionnelle ainsi autorisée en lui faisant, selon une périodicité fixée par le ministre dans son autorisation, un rapport circonstancié sur le déroulement de la méthode.
Le ministre concerné met fin à la méthode exceptionnelle qu'il a autorisée [2 lorsque la menace potentielle qui la justifie a disparu]2 ou si la méthode en question ne s'avère plus utile à la finalité pour laquelle elle a été décidée. Il suspend la méthode lorsqu'il constate une illégalité. Dans ce cas, le ministre concerné porte sans délai à la connaissance de la commission, du dirigeant du service et du Comité permanent R sa décision motivée de mettre fin à la méthode ou de la suspendre, selon le cas.
Il est en tout cas mis fin à la méthode exceptionnelle dans les [2 cinq jours]2 à compter de l'autorisation accordée par le ministre concerné [2 , sauf dans les cas de prolongation visés aux alinéas 5 et 6]2.
§ 5. Le dirigeant du service peut, sur avis conforme préalable de la commission, autoriser la prolongation de la méthode exceptionnelle de recueil de données pour une nouvelle période ne pouvant excéder deux mois [2 à compter de l'échéance de la méthode en cours]2, sans préjudice de l'obligation qui lui est faite de mettre fin à la méthode dès que [2 la menace potentielle qui la justifie a disparu]2 [2 ,]2 que la méthode n'est plus utile à la finalité pour laquelle elle a été décidée [2 ou qu'il constate]2 une illégalité. Dans ce cas, le dirigeant du service concerné porte [2 ...]2 à la connaissance de la commission sa décision motivée de mettre fin à la méthode exceptionnelle [2 ...]2.
Une seconde prolongation et toute nouvelle prolongation de la méthode exceptionnelle de recueil de données n'est possible qu'en présence de circonstances particulières nécessitant de prolonger l'utilisation de cette méthode. Ces motifs particuliers sont indiqués dans la décision. Si ces circonstances particulières font défaut, il doit être mis fin à la méthode.
Les conditions prévues aux paragraphes 1er à 3 sont applicables aux modalités de prolongation de la méthode exceptionnelle de recueil de données qui sont prévues dans le présent paragraphe.
§ 6. Les membres de la commission peuvent à tout moment contrôler la légalité des méthodes exceptionnelles de recueil de données, y compris le respect des principes de subsidiarité et de proportionnalité, prévues à l'article 18/9, § § 2 et 3.
Ils peuvent à cet effet pénétrer dans les lieux où sont réceptionnées ou conservées les données recueillies par ces méthodes exceptionnelles, se saisir de toutes les pièces utiles et entendre les membres du service.
La commission met fin à la méthode exceptionnelle de recueil de données lorsqu'elle constate que [2 la menace potentielle qui la justifie a disparu]2 ou si la méthode exceptionnelle ne s'avère plus utile à la finalité pour laquelle elle a été mise en oeuvre, ou suspend la méthode exceptionnelle en cas d'illégalité.
Les données recueillies dans des conditions qui ne respectent pas les dispositions légales en vigueur sont conservées sous le contrôle de la commission, selon les modalités et délais fixés par le Roi, après avis [3 du Comité permanent R]3. La commission interdit aux services de renseignement et de sécurité d'exploiter ces données.
§ 7. La commission informe, de sa propre initiative, le Comité permanent R [2 du projet d'autorisation, visé au paragraphe 2, introduit]2 par le service de renseignement et de sécurité concerné, de l'avis conforme visé au § 3 [2 , la confirmation écrite de l'autorisation verbale visée au paragraphe 4]2, de l'éventuelle prolongation, visée au § 5, de la méthode exceptionnelle de recueil de données et de sa décision visée au § 6 de mettre fin à la méthode ou, le cas échéant, de la suspendre et d'interdire l'exploitation des données ainsi recueillies.]1
Art. 18/11. [1 § 1. De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen, in het belang van de uitoefening van hun opdrachten, al dan niet met behulp van technische middelen het volgende observeren:
1° niet voor het publiek toegankelijke plaatsen die aan het zicht onttrokken zijn;
2° personen en voorwerpen die zich daar bevinden;
3° gebeurtenissen die daar plaatsvinden.
§ 2. De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen, in het belang van de uitoefening van hun opdrachten, zonder medeweten of toestemming van de eigenaar of zijn rechthebbende, op ieder ogenblik, niet voor het publiek toegankelijke plaatsen die al dan niet aan het zicht onttrokken zijn, betreden, teneinde:
1° de observatie te verrichten;
2° er een technisch middel te installeren, dat middel te bedienen of het terug te nemen;
3° een vergrendeld voorwerp te openen om er een technisch middel in te plaatsen;
4° een voorwerp mee te nemen om een technisch middel erop te installeren, dat voorwerp te bedienen en het terug te plaatsen.
Het technisch middel of het meegenomen voorwerp wordt zo spoedig mogelijk na de observatie teruggenomen respectievelijk teruggeplaatst, tenzij dit het goede verloop van de opdracht in de weg staat.]1
[2 § 3. De observatie met behulp van technische middelen kan uitgevoerd worden via een rechtstreekse toegang tot de informatie en persoonsgegevens bedoeld in artikel 16/4, § 1.
In voorkomend geval kan ze worden uitgevoerd via de correlatie bedoeld in artikel 16/4, § 3, waarbij de gegevensbanken of lijsten of de vooraf bepaalde beoordelingscriteria worden voorbereid met als doel deze correlatie in real time tot stand te brengen, op het moment van de verzameling van de gegevens door de intelligente camera's of de intelligente systemen voor de automatische nummerplaatherkenning.
De beslissing van het diensthoofd kan slaan op een geheel van gegevens die betrekking hebben op een specifiek inlichtingenonderzoek.
De evaluatiecriteria bedoeld in artikel 16/4, § 3, eerste lid, 2°, mogen niet gericht zijn op de identificatie van een individu en moeten doelgericht, evenredig en specifiek zijn.
In afwijking van artikel 18/10, § 2, 2° tot 4°, vermeldt het ontwerp van machtiging het fenomeen of de dreiging die het voorwerp uitmaakt van de methode en het verband met de criteria.]2
1° niet voor het publiek toegankelijke plaatsen die aan het zicht onttrokken zijn;
2° personen en voorwerpen die zich daar bevinden;
3° gebeurtenissen die daar plaatsvinden.
§ 2. De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen, in het belang van de uitoefening van hun opdrachten, zonder medeweten of toestemming van de eigenaar of zijn rechthebbende, op ieder ogenblik, niet voor het publiek toegankelijke plaatsen die al dan niet aan het zicht onttrokken zijn, betreden, teneinde:
1° de observatie te verrichten;
2° er een technisch middel te installeren, dat middel te bedienen of het terug te nemen;
3° een vergrendeld voorwerp te openen om er een technisch middel in te plaatsen;
4° een voorwerp mee te nemen om een technisch middel erop te installeren, dat voorwerp te bedienen en het terug te plaatsen.
Het technisch middel of het meegenomen voorwerp wordt zo spoedig mogelijk na de observatie teruggenomen respectievelijk teruggeplaatst, tenzij dit het goede verloop van de opdracht in de weg staat.]1
[2 § 3. De observatie met behulp van technische middelen kan uitgevoerd worden via een rechtstreekse toegang tot de informatie en persoonsgegevens bedoeld in artikel 16/4, § 1.
In voorkomend geval kan ze worden uitgevoerd via de correlatie bedoeld in artikel 16/4, § 3, waarbij de gegevensbanken of lijsten of de vooraf bepaalde beoordelingscriteria worden voorbereid met als doel deze correlatie in real time tot stand te brengen, op het moment van de verzameling van de gegevens door de intelligente camera's of de intelligente systemen voor de automatische nummerplaatherkenning.
De beslissing van het diensthoofd kan slaan op een geheel van gegevens die betrekking hebben op een specifiek inlichtingenonderzoek.
De evaluatiecriteria bedoeld in artikel 16/4, § 3, eerste lid, 2°, mogen niet gericht zijn op de identificatie van een individu en moeten doelgericht, evenredig en specifiek zijn.
In afwijking van artikel 18/10, § 2, 2° tot 4°, vermeldt het ontwerp van machtiging het fenomeen of de dreiging die het voorwerp uitmaakt van de methode en het verband met de criteria.]2
Art. 18/11. [1 § 1er. Dans l'intérêt de l'exercice de leurs missions, les services de renseignement et de sécurité peuvent observer, à l'aide ou non de moyens techniques:
1° des lieux non accessibles au public qui sont soustraits à la vue;
2° des personnes et objets qui s'y trouvent;
3° des événements qui s'y déroulent.
§ 2. Dans l'intérêt de l'exercice de leurs missions, les services de renseignement et de sécurité peuvent, à l'insu du propriétaire ou de son ayant droit ou sans le consentement de ceux-ci, pénétrer, à tout moment, dans des lieux non accessibles au public, soustraits ou non à la vue, pour:
1° exécuter l'observation;
2° y installer un moyen technique, intervenir sur ce moyen ou le retirer;
3° ouvrir un objet verrouillé pour y placer un moyen technique;
4° emporter un objet pour y installer un moyen technique, intervenir sur cet objet et le replacer.
Le moyen technique est retiré ou l'objet emporté est remis en place le plus rapidement possible à l'échéance de l'observation, à moins que cela n'entrave le bon déroulement de la mission.]1
[2 § 3. L'observation à l'aide de moyens techniques peut être mise en oeuvre via un accès direct aux informations et données à caractère personnel visées à l'article 16/4, § 1er.
Le cas échéant, elle peut être mise en oeuvre via la corrélation visée à l'article 16/4, § 3, pour laquelle les banques de données ou les listes, ou les critères d'évaluation préétablis sont préparés dans le but de réaliser cette corrélation en temps réel, au moment de la collecte des données par les caméras intelligentes ou les systèmes intelligents de reconnaissance automatique de plaques d'immatriculation.
La décision du dirigeant du service peut porter sur un ensemble de données relatives à une enquête de renseignement spécifique.
Les critères d'évaluation visés à l'article 16/4, § 3, alinéa 1er, 2°, ne peuvent viser l'identification d'un individu et doivent être ciblés, proportionnés et spécifiques.
Par dérogation à l'article 18/10, § 2, 2° à 4°, le projet d'autorisation mentionne le phénomène ou la menace qui fait l'objet de la méthode et le lien avec les critères.]2
1° des lieux non accessibles au public qui sont soustraits à la vue;
2° des personnes et objets qui s'y trouvent;
3° des événements qui s'y déroulent.
§ 2. Dans l'intérêt de l'exercice de leurs missions, les services de renseignement et de sécurité peuvent, à l'insu du propriétaire ou de son ayant droit ou sans le consentement de ceux-ci, pénétrer, à tout moment, dans des lieux non accessibles au public, soustraits ou non à la vue, pour:
1° exécuter l'observation;
2° y installer un moyen technique, intervenir sur ce moyen ou le retirer;
3° ouvrir un objet verrouillé pour y placer un moyen technique;
4° emporter un objet pour y installer un moyen technique, intervenir sur cet objet et le replacer.
Le moyen technique est retiré ou l'objet emporté est remis en place le plus rapidement possible à l'échéance de l'observation, à moins que cela n'entrave le bon déroulement de la mission.]1
[2 § 3. L'observation à l'aide de moyens techniques peut être mise en oeuvre via un accès direct aux informations et données à caractère personnel visées à l'article 16/4, § 1er.
Le cas échéant, elle peut être mise en oeuvre via la corrélation visée à l'article 16/4, § 3, pour laquelle les banques de données ou les listes, ou les critères d'évaluation préétablis sont préparés dans le but de réaliser cette corrélation en temps réel, au moment de la collecte des données par les caméras intelligentes ou les systèmes intelligents de reconnaissance automatique de plaques d'immatriculation.
La décision du dirigeant du service peut porter sur un ensemble de données relatives à une enquête de renseignement spécifique.
Les critères d'évaluation visés à l'article 16/4, § 3, alinéa 1er, 2°, ne peuvent viser l'identification d'un individu et doivent être ciblés, proportionnés et spécifiques.
Par dérogation à l'article 18/10, § 2, 2° à 4°, le projet d'autorisation mentionne le phénomène ou la menace qui fait l'objet de la méthode et le lien avec les critères.]2
Art. 18/12. [1 De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen, in het belang van de uitoefening van hun opdrachten, zonder medeweten of toestemming van de eigenaar of zijn rechthebbende, op ieder ogenblik:
1° niet voor het publiek toegankelijke plaatsen doorzoeken, al dan niet met behulp van technische middelen;
2° de inhoud doorzoeken van al dan niet vergrendelde voorwerpen die zich daar bevinden;
3° al dan niet vergrendelde voorwerpen meenemen voor een strikt beperkte duur, indien het onderzoek ervan niet ter plaatse kan gebeuren om technische of veiligheidsredenen;
4° deze plaatsen betreden om de voorwerpen terug te plaatsen.
Die voorwerpen worden zo spoedig mogelijk teruggeplaatst, tenzij dit het goede verloop van de opdracht in de weg staat.]1
1° niet voor het publiek toegankelijke plaatsen doorzoeken, al dan niet met behulp van technische middelen;
2° de inhoud doorzoeken van al dan niet vergrendelde voorwerpen die zich daar bevinden;
3° al dan niet vergrendelde voorwerpen meenemen voor een strikt beperkte duur, indien het onderzoek ervan niet ter plaatse kan gebeuren om technische of veiligheidsredenen;
4° deze plaatsen betreden om de voorwerpen terug te plaatsen.
Die voorwerpen worden zo spoedig mogelijk teruggeplaatst, tenzij dit het goede verloop van de opdracht in de weg staat.]1
Modifications
Art. 18/12. [1 Dans l'intérêt de l'exercice de leurs missions, les services de renseignement et de sécurité peuvent, à tout moment, à l'insu du propriétaire ou de son ayant droit ou sans le consentement de ceux-ci:
1° inspecter, à l'aide ou non de moyens techniques, des lieux non accessibles au public;
2° inspecter le contenu d'objets verrouillés ou non qui s'y trouvent;
3° emporter des objets verrouillés ou non pour une durée strictement limitée, si leur examen ne peut se faire sur place pour des raisons techniques ou de sécurité;
4° pénétrer dans ces lieux pour replacer les objets.
Ceux-ci doivent être replacés le plus rapidement possible, à moins que cela n'entrave le bon déroulement de la mission.]1
1° inspecter, à l'aide ou non de moyens techniques, des lieux non accessibles au public;
2° inspecter le contenu d'objets verrouillés ou non qui s'y trouvent;
3° emporter des objets verrouillés ou non pour une durée strictement limitée, si leur examen ne peut se faire sur place pour des raisons techniques ou de sécurité;
4° pénétrer dans ces lieux pour replacer les objets.
Ceux-ci doivent être replacés le plus rapidement possible, à moins que cela n'entrave le bon déroulement de la mission.]1
Modifications
Art. 18/12/1. [1 De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen, in het belang van de uitoefening van hun opdrachten, in de reële wereld infiltreren, conform de richtlijnen van de Nationale Veiligheidsraad.
Met reële wereld wordt bedoeld de relaties die hoofdzakelijk plaatsvinden via rechtstreekse fysieke contacten zonder dat daarbij zijn fysieke uiterlijk verborgen wordt.
De methode is toegelaten zolang als nodig is voor het doel waarvoor ze wordt aangewend.
De betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst brengt om de twee maanden verslag uit aan de Commissie over de evolutie van de dreiging die het beroep op een infiltratie in de reële wereld noodzakelijk maakte. Dit verslag benadrukt de elementen die hetzij het behoud, hetzij de stopzetting van de uitzonderlijke methode rechtvaardigen. ]1
Met reële wereld wordt bedoeld de relaties die hoofdzakelijk plaatsvinden via rechtstreekse fysieke contacten zonder dat daarbij zijn fysieke uiterlijk verborgen wordt.
De methode is toegelaten zolang als nodig is voor het doel waarvoor ze wordt aangewend.
De betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst brengt om de twee maanden verslag uit aan de Commissie over de evolutie van de dreiging die het beroep op een infiltratie in de reële wereld noodzakelijk maakte. Dit verslag benadrukt de elementen die hetzij het behoud, hetzij de stopzetting van de uitzonderlijke methode rechtvaardigen. ]1
Art. 18/12/1. [1 Les services de renseignement et de sécurité peuvent, dans l'intérêt de l'exercice de leurs missions, s'infiltrer dans le monde réel, conformément aux directives du Conseil national de sécurité.
Le monde réel vise les relations qui se déroulent principalement avec des contacts physiques directs sans dissimuler son apparence physique.
La méthode est autorisée aussi longtemps qu'elle est nécessaire aux finalités pour lesquelles elle est mise en oeuvre.
Le service de renseignement et de sécurité concerné fait rapport à la Commission tous les deux mois sur l'évolution de la menace qui a nécessité le recours à l'infiltration dans le monde réel. Ce rapport met en évidence les éléments qui justifient soit le maintien de la méthode exceptionnelle, soit la fin de celle-ci. ]1
Le monde réel vise les relations qui se déroulent principalement avec des contacts physiques directs sans dissimuler son apparence physique.
La méthode est autorisée aussi longtemps qu'elle est nécessaire aux finalités pour lesquelles elle est mise en oeuvre.
Le service de renseignement et de sécurité concerné fait rapport à la Commission tous les deux mois sur l'évolution de la menace qui a nécessité le recours à l'infiltration dans le monde réel. Ce rapport met en évidence les éléments qui justifient soit le maintien de la méthode exceptionnelle, soit la fin de celle-ci. ]1
Modifications
Art. 18/13. [1 [2 De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen, in het belang van de uitoefening van hun opdrachten, een rechtspersoon bedoeld in artikel 13/3, § 1, inzetten teneinde gegevens te verzamelen omtrent gebeurtenissen, voorwerpen, groeperingen en natuurlijke personen of rechtspersonen die een belang vertonen voor de uitoefening van hun opdrachten.]2
[2 ...]2
[2 De methode is toegelaten zolang als nodig is voor het doel waarvoor ze wordt aangewend.]2
De betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst brengt om de twee maanden verslag uit aan de commissie over de evolutie van de operatie die [2 ...]2 het beroep op een rechtspersoon noodzakelijk maakte. Dit verslag benadrukt de elementen die hetzij het behoud, hetzij de stopzetting van de uitzonderlijke methode rechtvaardigen. [2 ...]2]1
[2 ...]2
[2 De methode is toegelaten zolang als nodig is voor het doel waarvoor ze wordt aangewend.]2
De betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst brengt om de twee maanden verslag uit aan de commissie over de evolutie van de operatie die [2 ...]2 het beroep op een rechtspersoon noodzakelijk maakte. Dit verslag benadrukt de elementen die hetzij het behoud, hetzij de stopzetting van de uitzonderlijke methode rechtvaardigen. [2 ...]2]1
Art. 18/13. [1 [2 Dans l'intérêt de l'exercice de leurs missions, les services de renseignement et de sécurité peuvent recourir à une personne morale visée à l'article 13/3, § 1er, afin de collecter des données en rapport avec des événements, des objets, des groupements et des personnes physiques ou morales présentant un intérêt pour l'exercice de leurs missions.]2
[2 ...]2
[2 La méthode est autorisée aussi longtemps qu'elle est nécessaire aux finalités pour lesquelles elle est mise en oeuvre.]2
Le service de renseignement et de sécurité concerné fait rapport à la commission tous les deux mois sur l'évolution de l'opération qui a nécessité [2 ...]2 le recours à une personne morale. Ce rapport met en évidence les éléments qui justifient soit le maintien de la méthode exceptionnelle, soit la fin de celle-ci. [2 ...]2]1
[2 ...]2
[2 La méthode est autorisée aussi longtemps qu'elle est nécessaire aux finalités pour lesquelles elle est mise en oeuvre.]2
Le service de renseignement et de sécurité concerné fait rapport à la commission tous les deux mois sur l'évolution de l'opération qui a nécessité [2 ...]2 le recours à une personne morale. Ce rapport met en évidence les éléments qui justifient soit le maintien de la méthode exceptionnelle, soit la fin de celle-ci. [2 ...]2]1
Art. 18/14. [1 § 1. [3 De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen, in het belang van de uitoefening van hun opdrachten,]3 [2 ...]2 de al dan niet aan een postoperator toevertrouwde post [2 openmaken en kennisnemen]2 van de inhoud ervan.
De in het eerste lid bedoelde postoperator is ertoe gehouden de post waarop de machtiging betrekking heeft tegen ontvangstbewijs af te geven aan een [2 ...]2 agent van de dienst, op vertoon van zijn legitimatiebewijs en een schriftelijke vraag van het diensthoofd. Deze vraag vermeldt, naargelang het geval, de aard van het eensluidend advies van de commissie, de aard van het eensluidend advies van de voorzitter van de commissie of de aard van de toelating van de betrokken minister.
§ 2. De diensten zien erop toe dat een door een postoperator afgegeven postzending, na onderzoek ervan, onverwijld aan de postoperator wordt teruggegeven voor verdere verzending.
§ 3. De postoperator die weigert de medewerking te verlenen als bedoeld in de § § 1 en 2 wordt gestraft met geldboete van zesentwintig tot [2 twintigduizend euro]2.
§ 4. De Staat is burgerrechtelijk aansprakelijk jegens de postoperator voor de schade toegebracht aan de hem toevertrouwde post.]1
De in het eerste lid bedoelde postoperator is ertoe gehouden de post waarop de machtiging betrekking heeft tegen ontvangstbewijs af te geven aan een [2 ...]2 agent van de dienst, op vertoon van zijn legitimatiebewijs en een schriftelijke vraag van het diensthoofd. Deze vraag vermeldt, naargelang het geval, de aard van het eensluidend advies van de commissie, de aard van het eensluidend advies van de voorzitter van de commissie of de aard van de toelating van de betrokken minister.
§ 2. De diensten zien erop toe dat een door een postoperator afgegeven postzending, na onderzoek ervan, onverwijld aan de postoperator wordt teruggegeven voor verdere verzending.
§ 3. De postoperator die weigert de medewerking te verlenen als bedoeld in de § § 1 en 2 wordt gestraft met geldboete van zesentwintig tot [2 twintigduizend euro]2.
§ 4. De Staat is burgerrechtelijk aansprakelijk jegens de postoperator voor de schade toegebracht aan de hem toevertrouwde post.]1
Art. 18/14. [1 § 1er. [3 Les services de renseignement et de sécurité peuvent, dans l'intérêt de l'exercice de leurs missions,]3 [2 ...]2 ouvrir un courrier confié ou non à un opérateur postal et [2 prendre]2 connaissance de son contenu.
L'opérateur postal visé à l'alinéa 1er est tenu de remettre le courrier auquel l'autorisation se rapporte, contre récépissé, à un agent du service [2 ...]2, sur présentation de sa carte de légitimation et d'une demande écrite du dirigeant du service. Cette demande mentionne la nature de l'avis conforme de la commission, la nature de l'avis conforme du président de la commission ou la nature de l'autorisation du ministre concerné, selon le cas.
§ 2. Les services veillent à ce qu'un envoi postal remis par un opérateur postal soit rendu sans délai, après son examen, à l'opérateur de la poste pour expédition ultérieure.
§ 3. L'opérateur postal qui refuse de prêter le concours visé aux § § 1er et 2 est puni d'une amende de vingt-six euros à [2 vingt mille euros]2.
§ 4. L'Etat est civilement responsable vis-à-vis de l'opérateur postal en cas de dommage causé au courrier qui lui a été confié.]1
L'opérateur postal visé à l'alinéa 1er est tenu de remettre le courrier auquel l'autorisation se rapporte, contre récépissé, à un agent du service [2 ...]2, sur présentation de sa carte de légitimation et d'une demande écrite du dirigeant du service. Cette demande mentionne la nature de l'avis conforme de la commission, la nature de l'avis conforme du président de la commission ou la nature de l'autorisation du ministre concerné, selon le cas.
§ 2. Les services veillent à ce qu'un envoi postal remis par un opérateur postal soit rendu sans délai, après son examen, à l'opérateur de la poste pour expédition ultérieure.
§ 3. L'opérateur postal qui refuse de prêter le concours visé aux § § 1er et 2 est puni d'une amende de vingt-six euros à [2 vingt mille euros]2.
§ 4. L'Etat est civilement responsable vis-à-vis de l'opérateur postal en cas de dommage causé au courrier qui lui a été confié.]1
Art. 18/15. [1 § 1. De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen, in het belang van de uitoefening van hun opdrachten, informatie over de producten, diensten en verrichtingen van financiële aard en betreffende virtuele valuta, met betrekking tot de geviseerde persoon vorderen van:
1° de personen en instellingen bedoeld in artikel 5, paragraaf 1, 3° tot 22°, van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten;
2° de personen en instellingen die, binnen het Belgisch grondgebied, diensten beschikbaar stellen of aanbieden met betrekking tot virtuele waarden die toelaten dat gereglementeerde betaalmiddelen in virtuele waarden worden uitgewisseld;
3° het centraal aanspreekpunt gehouden door de Nationale Bank van België overeenkomstig de wet van 8 juli 2018 houdende organisatie van een centraal aanspreekpunt van bankrekeningen en financiële contracten en tot uitbreiding van de toegang tot het centraal bestand van berichten van beslag, delegatie, overdracht, collectieve schuldenregeling en protest.
§ 2. De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen, in het belang van de uitoefening van hun opdrachten, van de personen en instellingen bedoeld in paragraaf 1, 1° en 2°, vorderen dat de verrichtingen van de geviseerde persoon onder toezicht worden geplaatst.
§ 3. De gevorderde medewerking bedoeld in paragraaf 1, 3°, gebeurt overeenkomstig de wet van 8 juli 2018 houdende organisatie van een centraal aanspreekpunt van bankrekeningen en financiële contracten en tot uitbreiding van de toegang tot het centraal bestand van berichten van beslag, delegatie, overdracht, collectieve schuldenregeling en protest.
De gevorderde persoon of instelling, bedoeld in paragraaf 1, 1° en 2°, is ertoe gehouden de gevraagde informatie onverwijld te verstrekken na ontvangst van de schriftelijke vordering van het diensthoofd.
Deze vordering vermeldt, naargelang het geval, de aard van het eensluidend advies van de Commissie, de aard van het eensluidend advies van de voorzitter van de Commissie of de aard van de toelating van de betrokken minister. In deze vordering beschrijft de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst eveneens nauwkeurig de informatie die wordt gevorderd en de vorm waarin deze wordt meegedeeld.
§ 4. Iedere gevorderde persoon of instelling die de gegevens weigert mee te delen of niet meedeelt in werkelijke tijd of, in voorkomend geval, op het tijdstip bepaald in de vordering, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar en met geldboete van zesentwintig euro tot twintigduizend euro of met een van die straffen alleen ]1.
1° de personen en instellingen bedoeld in artikel 5, paragraaf 1, 3° tot 22°, van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten;
2° de personen en instellingen die, binnen het Belgisch grondgebied, diensten beschikbaar stellen of aanbieden met betrekking tot virtuele waarden die toelaten dat gereglementeerde betaalmiddelen in virtuele waarden worden uitgewisseld;
3° het centraal aanspreekpunt gehouden door de Nationale Bank van België overeenkomstig de wet van 8 juli 2018 houdende organisatie van een centraal aanspreekpunt van bankrekeningen en financiële contracten en tot uitbreiding van de toegang tot het centraal bestand van berichten van beslag, delegatie, overdracht, collectieve schuldenregeling en protest.
§ 2. De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen, in het belang van de uitoefening van hun opdrachten, van de personen en instellingen bedoeld in paragraaf 1, 1° en 2°, vorderen dat de verrichtingen van de geviseerde persoon onder toezicht worden geplaatst.
§ 3. De gevorderde medewerking bedoeld in paragraaf 1, 3°, gebeurt overeenkomstig de wet van 8 juli 2018 houdende organisatie van een centraal aanspreekpunt van bankrekeningen en financiële contracten en tot uitbreiding van de toegang tot het centraal bestand van berichten van beslag, delegatie, overdracht, collectieve schuldenregeling en protest.
De gevorderde persoon of instelling, bedoeld in paragraaf 1, 1° en 2°, is ertoe gehouden de gevraagde informatie onverwijld te verstrekken na ontvangst van de schriftelijke vordering van het diensthoofd.
Deze vordering vermeldt, naargelang het geval, de aard van het eensluidend advies van de Commissie, de aard van het eensluidend advies van de voorzitter van de Commissie of de aard van de toelating van de betrokken minister. In deze vordering beschrijft de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst eveneens nauwkeurig de informatie die wordt gevorderd en de vorm waarin deze wordt meegedeeld.
§ 4. Iedere gevorderde persoon of instelling die de gegevens weigert mee te delen of niet meedeelt in werkelijke tijd of, in voorkomend geval, op het tijdstip bepaald in de vordering, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar en met geldboete van zesentwintig euro tot twintigduizend euro of met een van die straffen alleen ]1.
Modifications
Art. 18/15. [1 § 1er. Les services de renseignement et de sécurité peuvent, dans l'intérêt de l'exercice de leurs missions, requérir des informations relatives aux produits, services et transactions de nature financière et aux valeurs virtuelles, concernant la personne visée, auprès:
1° des personnes et institutions visées à l'article 5, paragraphe 1er, 3° à 22°, de la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces;
2° des personnes et institutions qui, sur le territoire belge, mettent à disposition ou proposent des services en lien avec des valeurs virtuelles permettant d'échanger des moyens de paiement réglementés en valeurs virtuelles;
3° du point de contact central tenu par la Banque nationale de Belgique conformément à la loi du 8 juillet 2018 portant organisation d'un point de contact central des comptes et contrats financiers et portant extension de l'accès au fichier central des avis de saisie, de délégation, de cession, de règlement collectif de dettes et de protêt.
§ 2. Les services de renseignement et de sécurité peuvent, dans l'intérêt de l'exercice de leurs missions, exiger des personnes et institutions visées au paragraphe 1er, 1° et 2°, le placement sous surveillance des transactions de la personne visée.
§ 3. La coopération requise visée au paragraphe 1er, 3°, a lieu conformément à la loi du 8 juillet 2018 portant organisation d'un point de contact central des comptes et contrats financiers et portant extension de l'accès au fichier central des avis de saisie, de délégation, de cession, de règlement collectif de dettes et de protêt.
La personne ou l'institution requise, visée au paragraphe 1er, 1° et 2°, est tenue de remettre sans délai les informations demandées après réception de la réquisition écrite du dirigeant du service.
Cette réquisition mentionne, selon le cas, la nature de l'avis conforme de la Commission, la nature de l'avis conforme du président de la Commission ou la nature de l'autorisation du ministre concerné. Dans la réquisition, le service de renseignement et de sécurité concerné fournit également une description précise des informations requises et détermine la forme sous laquelle elles doivent être communiquées.
§ 4. Toute personne ou institution requise qui refuse de communiquer les données ou qui ne les communique pas en temps réel ou, le cas échéant, au moment précisé dans la réquisition est punie d'un emprisonnement de huit jours à un an et d'une amende de vingt-six euros à vingt mille euros ou d'une de ces peines seulement]1.
1° des personnes et institutions visées à l'article 5, paragraphe 1er, 3° à 22°, de la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces;
2° des personnes et institutions qui, sur le territoire belge, mettent à disposition ou proposent des services en lien avec des valeurs virtuelles permettant d'échanger des moyens de paiement réglementés en valeurs virtuelles;
3° du point de contact central tenu par la Banque nationale de Belgique conformément à la loi du 8 juillet 2018 portant organisation d'un point de contact central des comptes et contrats financiers et portant extension de l'accès au fichier central des avis de saisie, de délégation, de cession, de règlement collectif de dettes et de protêt.
§ 2. Les services de renseignement et de sécurité peuvent, dans l'intérêt de l'exercice de leurs missions, exiger des personnes et institutions visées au paragraphe 1er, 1° et 2°, le placement sous surveillance des transactions de la personne visée.
§ 3. La coopération requise visée au paragraphe 1er, 3°, a lieu conformément à la loi du 8 juillet 2018 portant organisation d'un point de contact central des comptes et contrats financiers et portant extension de l'accès au fichier central des avis de saisie, de délégation, de cession, de règlement collectif de dettes et de protêt.
La personne ou l'institution requise, visée au paragraphe 1er, 1° et 2°, est tenue de remettre sans délai les informations demandées après réception de la réquisition écrite du dirigeant du service.
Cette réquisition mentionne, selon le cas, la nature de l'avis conforme de la Commission, la nature de l'avis conforme du président de la Commission ou la nature de l'autorisation du ministre concerné. Dans la réquisition, le service de renseignement et de sécurité concerné fournit également une description précise des informations requises et détermine la forme sous laquelle elles doivent être communiquées.
§ 4. Toute personne ou institution requise qui refuse de communiquer les données ou qui ne les communique pas en temps réel ou, le cas échéant, au moment précisé dans la réquisition est punie d'un emprisonnement de huit jours à un an et d'une amende de vingt-six euros à vingt mille euros ou d'une de ces peines seulement]1.
Modifications
Art. 18/16. [1 § 1. Behoudens met betrekking tot de informaticasystemen van de rechterlijke macht en de administratieve rechtscolleges, kunnen de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, in het belang van de uitoefening van hun opdrachten, [3 ...]3 al dan niet met behulp van technische middelen, valse signalen, valse sleutels of valse hoedanigheden :
1° toegang [3 ...]3 krijgen tot een informaticasysteem;
2° er elke beveiliging van [3 opheffen]3;
3° er technische voorzieningen in [3 aanbrengen]3 teneinde de door het informaticasysteem opgeslagen, verwerkte of doorgestuurde gegevens te ontcijferen en te decoderen;
4° er de door het informaticasysteem [3 ...]3 opgeslagen, verwerkte of doorgestuurde gegevens op eender welke manier van [3 overnemen]3.
De in het eerste lid bedoelde methode kan slechts aangewend worden tegenover de informaticasystemen van de overheid, mits voorafgaande toestemming van de betrokken overheid.
Het in het eerste lid bedoelde binnendringen door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten in de informaticasystemen kan enkel het verzamelen van relevante gegevens die erin werden opgeslagen, verwerkt of doorgestuurd tot doel hebben, zonder dat er een onomkeerbare vernietiging of wijziging van deze gegevens gebeurt.
De inlichtingen- en veiligheidsdiensten waken erover dat bij de installatie van de in het eerste lid, 3°, bedoelde technische dispositieven derden geen niet-toegelaten toegang kunnen krijgen tot deze systemen via de tussenkomsten van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.
§ 2. [3 De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen, zonder medeweten of toestemming van de eigenaar of zijn rechthebbende, op ieder ogenblik, niet voor het publiek toegankelijke plaatsen betreden en zich toegang verschaffen tot al dan niet vergrendelde voorwerpen, teneinde:
1° informaticasystemen binnen te dringen;
2° er een technisch middel te installeren, dat middel te bedienen of het terug te nemen;
3° de informaticasystemen mee te nemen en ze terug te plaatsen.
Het technisch middel of de informaticasystemen worden zo spoedig mogelijk na het binnendringen teruggenomen respectievelijk teruggeplaatst, tenzij dit het goede verloop van de opdracht in de weg staat.]3
§ 3. Het diensthoofd kan van de personen van wie hij vermoedt dat zij een bijzondere kennis hebben van het in § 1 bedoelde informaticasysteem of van de diensten die het mogelijk maken de gegevens die door het informaticasysteem zijn opgeslagen, verwerkt of doorgestuurd te beveiligen of te versleutelen, met een schriftelijke beslissing eisen dat zij informatie verstrekken over de werking van dat systeem en over de manier om toegang te krijgen tot de inhoud van het informaticasysteem onder een begrijpelijke vorm [3 en dat zij hun medewerking verlenen aan het binnendringen in een informaticasysteem]3. Deze vraag vermeldt, naargelang het geval, de aard van het eensluidend advies van de commissie, de aard van het eensluidend advies van de voorzitter van de commissie of de aard van de toelating van de betrokken minister.
§ 4. Eenieder die zijn technische medewerking weigert te verlenen aan de in § 3 bedoelde vorderingen wordt gestraft met geldboete van zesentwintig tot [3 twintigduizend euro]3.
§ 5. Ingeval het binnendringen in een informaticasysteem tot gevolg heeft dat de exploitatie van dit systeem volledig of gedeeltelijk wordt verstoord, is de Staat slechts burgerrechtelijk aansprakelijk voor de schade aldus veroorzaakt indien dit binnendringen geen verband hield met het verzamelen van gegevens met betrekking tot een ernstige [2 dreiging]2 voor de fysieke integriteit van één of meer personen, hierbij inbegrepen de terroristische misdrijven bedoeld in artikel 137 van het Strafwetboek.]1
1° toegang [3 ...]3 krijgen tot een informaticasysteem;
2° er elke beveiliging van [3 opheffen]3;
3° er technische voorzieningen in [3 aanbrengen]3 teneinde de door het informaticasysteem opgeslagen, verwerkte of doorgestuurde gegevens te ontcijferen en te decoderen;
4° er de door het informaticasysteem [3 ...]3 opgeslagen, verwerkte of doorgestuurde gegevens op eender welke manier van [3 overnemen]3.
De in het eerste lid bedoelde methode kan slechts aangewend worden tegenover de informaticasystemen van de overheid, mits voorafgaande toestemming van de betrokken overheid.
Het in het eerste lid bedoelde binnendringen door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten in de informaticasystemen kan enkel het verzamelen van relevante gegevens die erin werden opgeslagen, verwerkt of doorgestuurd tot doel hebben, zonder dat er een onomkeerbare vernietiging of wijziging van deze gegevens gebeurt.
De inlichtingen- en veiligheidsdiensten waken erover dat bij de installatie van de in het eerste lid, 3°, bedoelde technische dispositieven derden geen niet-toegelaten toegang kunnen krijgen tot deze systemen via de tussenkomsten van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.
§ 2. [3 De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen, zonder medeweten of toestemming van de eigenaar of zijn rechthebbende, op ieder ogenblik, niet voor het publiek toegankelijke plaatsen betreden en zich toegang verschaffen tot al dan niet vergrendelde voorwerpen, teneinde:
1° informaticasystemen binnen te dringen;
2° er een technisch middel te installeren, dat middel te bedienen of het terug te nemen;
3° de informaticasystemen mee te nemen en ze terug te plaatsen.
Het technisch middel of de informaticasystemen worden zo spoedig mogelijk na het binnendringen teruggenomen respectievelijk teruggeplaatst, tenzij dit het goede verloop van de opdracht in de weg staat.]3
§ 3. Het diensthoofd kan van de personen van wie hij vermoedt dat zij een bijzondere kennis hebben van het in § 1 bedoelde informaticasysteem of van de diensten die het mogelijk maken de gegevens die door het informaticasysteem zijn opgeslagen, verwerkt of doorgestuurd te beveiligen of te versleutelen, met een schriftelijke beslissing eisen dat zij informatie verstrekken over de werking van dat systeem en over de manier om toegang te krijgen tot de inhoud van het informaticasysteem onder een begrijpelijke vorm [3 en dat zij hun medewerking verlenen aan het binnendringen in een informaticasysteem]3. Deze vraag vermeldt, naargelang het geval, de aard van het eensluidend advies van de commissie, de aard van het eensluidend advies van de voorzitter van de commissie of de aard van de toelating van de betrokken minister.
§ 4. Eenieder die zijn technische medewerking weigert te verlenen aan de in § 3 bedoelde vorderingen wordt gestraft met geldboete van zesentwintig tot [3 twintigduizend euro]3.
§ 5. Ingeval het binnendringen in een informaticasysteem tot gevolg heeft dat de exploitatie van dit systeem volledig of gedeeltelijk wordt verstoord, is de Staat slechts burgerrechtelijk aansprakelijk voor de schade aldus veroorzaakt indien dit binnendringen geen verband hield met het verzamelen van gegevens met betrekking tot een ernstige [2 dreiging]2 voor de fysieke integriteit van één of meer personen, hierbij inbegrepen de terroristische misdrijven bedoeld in artikel 137 van het Strafwetboek.]1
Art. 18/16. [1 § 1er. Sauf pour ce qui concerne les systèmes informatiques du pouvoir judiciaire et des juridictions administratives, les services de renseignement et de sécurité peuvent, dans l'intérêt de l'exercice de leurs missions, [2 ...]2 à l'aide ou non de moyens techniques, de faux signaux, de fausses clés ou de fausses qualités :
1° accéder à un système informatique;
2° y lever toute protection quelconque;
3° y installer des dispositifs techniques en vue du décryptage et du décodage de données stockées, traitées ou transmises par le système informatique;
4° y reprendre, de quelque manière que ce soit, les données [2 ...]2 stockées, traitées ou transmises par le système informatique.
La méthode visée à l'alinéa 1er ne peut être mise en oeuvre à l'égard des systèmes informatiques de l'autorité publique qu'avec l'accord préalable de l'autorité concernée.
L'intrusion des services de renseignement et de sécurité dans les systèmes informatiques, visée à l'alinéa 1er, ne peut avoir d'autre but que le recueil de données pertinentes qui y sont stockées, traitées ou transmises, sans qu'il y ait destruction ou altération irréversible de celles-ci.
Les services de renseignement et de sécurité veillent à ce que, lors de l'installation des dispositifs techniques visés à l'alinéa 1er, 3°, des tiers ne puissent pas obtenir, par le biais des interventions des services de renseignement et de sécurité, un accès non autorisé à ces systèmes.
§ 2. [2 Les services de renseignement et de sécurité peuvent, à l'insu du propriétaire ou de son ayant droit ou sans le consentement de ceux-ci, pénétrer, à tout moment, dans des lieux non accessibles au public, et dans des objets verrouillés ou non, afin de:
1° procéder à l'intrusion informatique;
2° y installer un moyen technique, intervenir sur ce moyen ou le retirer;
3° emporter les systèmes informatiques et les replacer.
Le moyen technique est retiré ou les systèmes informatiques sont remis en place le plus rapidement possible à l'échéance de l'intrusion, à moins que cela n'entrave le bon déroulement de la mission.]2
§ 3. Le dirigeant du service peut requérir, par une décision écrite, des personnes dont il présume qu'elles ont une connaissance particulière du système informatique visé au § 1er ou des services qui permettent de protéger ou de crypter les données qui sont stockées, traitées ou transmises par le système informatique, qu'elles fournissent des informations sur le fonctionnement de ce système et sur la manière d'accéder au contenu du système informatique dans une forme compréhensible [2 et qu'elles prêtent leur concours à l'intrusion informatique]2. Cette demande mentionne la nature de l'avis conforme de la commission, la nature de l'avis conforme du président de la commission ou la nature de l'autorisation du ministre concerné, selon le cas.
§ 4. Toute personne qui refuse de prêter son concours technique aux réquisitions visées au § 3 est punie d'une amende de vingt-six euros à [2 vingt mille euros]2.
§ 5. En cas d'intrusion dans un système informatique qui a pour effet de perturber totalement ou partiellement l'exploitation de ce système, l'Etat n'est civilement responsable du dommage ainsi causé que si l'intrusion effectuée n'était pas liée au recueil de données relatives à une menace grave pour l'intégrité physique d'une ou de plusieurs personnes, en ce compris les infractions terroristes visées à l'article 137 du Code pénal.]1
1° accéder à un système informatique;
2° y lever toute protection quelconque;
3° y installer des dispositifs techniques en vue du décryptage et du décodage de données stockées, traitées ou transmises par le système informatique;
4° y reprendre, de quelque manière que ce soit, les données [2 ...]2 stockées, traitées ou transmises par le système informatique.
La méthode visée à l'alinéa 1er ne peut être mise en oeuvre à l'égard des systèmes informatiques de l'autorité publique qu'avec l'accord préalable de l'autorité concernée.
L'intrusion des services de renseignement et de sécurité dans les systèmes informatiques, visée à l'alinéa 1er, ne peut avoir d'autre but que le recueil de données pertinentes qui y sont stockées, traitées ou transmises, sans qu'il y ait destruction ou altération irréversible de celles-ci.
Les services de renseignement et de sécurité veillent à ce que, lors de l'installation des dispositifs techniques visés à l'alinéa 1er, 3°, des tiers ne puissent pas obtenir, par le biais des interventions des services de renseignement et de sécurité, un accès non autorisé à ces systèmes.
§ 2. [2 Les services de renseignement et de sécurité peuvent, à l'insu du propriétaire ou de son ayant droit ou sans le consentement de ceux-ci, pénétrer, à tout moment, dans des lieux non accessibles au public, et dans des objets verrouillés ou non, afin de:
1° procéder à l'intrusion informatique;
2° y installer un moyen technique, intervenir sur ce moyen ou le retirer;
3° emporter les systèmes informatiques et les replacer.
Le moyen technique est retiré ou les systèmes informatiques sont remis en place le plus rapidement possible à l'échéance de l'intrusion, à moins que cela n'entrave le bon déroulement de la mission.]2
§ 3. Le dirigeant du service peut requérir, par une décision écrite, des personnes dont il présume qu'elles ont une connaissance particulière du système informatique visé au § 1er ou des services qui permettent de protéger ou de crypter les données qui sont stockées, traitées ou transmises par le système informatique, qu'elles fournissent des informations sur le fonctionnement de ce système et sur la manière d'accéder au contenu du système informatique dans une forme compréhensible [2 et qu'elles prêtent leur concours à l'intrusion informatique]2. Cette demande mentionne la nature de l'avis conforme de la commission, la nature de l'avis conforme du président de la commission ou la nature de l'autorisation du ministre concerné, selon le cas.
§ 4. Toute personne qui refuse de prêter son concours technique aux réquisitions visées au § 3 est punie d'une amende de vingt-six euros à [2 vingt mille euros]2.
§ 5. En cas d'intrusion dans un système informatique qui a pour effet de perturber totalement ou partiellement l'exploitation de ce système, l'Etat n'est civilement responsable du dommage ainsi causé que si l'intrusion effectuée n'était pas liée au recueil de données relatives à une menace grave pour l'intégrité physique d'une ou de plusieurs personnes, en ce compris les infractions terroristes visées à l'article 137 du Code pénal.]1
Art. 18/17. [1 § 1. [4 De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen, in het belang van de uitoefening van hun opdrachten,]4 [3 ...]3 communicaties [3 onderscheppen, er kennis van nemen en ze registreren]3.
§ 2. [3 Hiertoe kunnen de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, zonder medeweten of toestemming van de eigenaar of zijn rechthebbende, op ieder ogenblik, al dan niet voor het publiek toegankelijke plaatsen betreden, teneinde:
1° er een technisch middel te installeren, dat middel te bedienen of het terug te nemen;
2° een vergrendeld voorwerp te openen om er een technisch middel in te plaatsen;
3° het voorwerp mee te nemen waarop het technisch middel zal worden geïnstalleerd, dat voorwerp te bedienen en het terug te plaatsen.
Het technisch middel of het meegenomen voorwerp wordt zo spoedig mogelijk na de onderschepping teruggenomen respectievelijk teruggeplaatst, tenzij dit het goede verloop van de opdracht in de weg staat.]3
§ 3. Indien er een ingreep nodig is op een elektronisch communicatienetwerk, wordt de operator van het netwerk of de verstrekker van een elektronische communicatiedienst met een schriftelijke vraag van het diensthoofd gevorderd en is hij, als gevolg van deze aanvraag ertoe gehouden zijn technische medewerking te verlenen. Deze vraag vermeldt, naargelang het geval, de aard van het eensluidend advies van de commissie, de aard van het eensluidend advies van de voorzitter van de commissie of de aard van de toelating van de betrokken minister.
Eenieder die zijn technische medewerking weigert te verlenen aan de in het eerste lid bedoelde vorderingen, wordt gestraft met een geldboete van zesentwintig euro tot [3 twintigduizend euro]3. De nadere regels en termijnen voor deze technische medewerking worden door de Koning vastgesteld, op voorstel van de Ministers van Justitie, van Landsverdediging en van de Minister bevoegd voor de Elektronische Communicatie.
§ 4. De communicaties die verzameld werden aan de hand van de in § 1 bedoelde uitzonderlijke methode worden opgenomen. Het voorwerp van de uitzonderlijke methode alsook de dagen en uren waarop deze is uitgevoerd, worden opgenomen bij het begin en op het einde van iedere opname die erop betrekking heeft.
Alleen die delen van de opname van communicaties die door het diensthoofd [5 ...]5 of de persoon die hij daartoe heeft aangewezen voor de Veiligheid van de Staat, of door de officier of de burgerambtenaar, die minstens de graad van commissaris heeft, voor de [2 Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid]2 relevant worden geacht, kunnen worden overgeschreven.
Iedere notitie die in het kader van de uitvoering van de uitzonderlijke methode door de daartoe aangewezen personen werd genomen en die niet werd opgenomen in een verslag, wordt vernietigd door de in het tweede lid vermelde personen of door de persoon die zij hiertoe aanwijzen. Deze vernietiging maakt het voorwerp uit van een vermelding in het bijzondere register waarin wordt voorzien in § 6.
§ 5. De opnamen worden samen met de eventuele overschrijving van de relevant geachte communicaties of de eventuele vertaling bewaard, op een beveiligde plaats die het diensthoofd aanduidt overeenkomstig de vereisten van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen.
§ 6. Een regelmatig bijgehouden bijzonder register bevat een overzicht van elk van de in de §§ 1 en 2 bedoelde maatregelen.
Het overzicht vermeldt de datum en het uur waarop de maatregel is gestart en waarop hij werd beëindigd.
§ 7. [3 De opnamen van communicaties worden volgens de door de Koning vastgestelde nadere regels en onder het toezicht van de Commissie en van een door het diensthoofd hiertoe aangestelde agent, vernietigd binnen een termijn van vijf jaar die aanvangt op de dag van de opname. Met het voorafgaand schriftelijk akkoord van de Commissie kan het diensthoofd beslissen om de bewaringsperiode te verlengen wanneer de opname nog noodzakelijk is in het kader van een inlichtingenonderzoek of van een gerechtelijke procedure. De totale bewaringsperiode mag tien jaar niet te boven gaan behalve wanneer een opname nog noodzakelijk is in het kader van een gerechtelijke procedure. De vernietiging wordt vermeld in het in paragraaf 6 vermelde bijzonder register.
De overschrijvingen van de relevant geachte communicaties en de eventuele vertalingen worden bewaard en vernietigd overeenkomstig artikel 21.]3]1
§ 2. [3 Hiertoe kunnen de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, zonder medeweten of toestemming van de eigenaar of zijn rechthebbende, op ieder ogenblik, al dan niet voor het publiek toegankelijke plaatsen betreden, teneinde:
1° er een technisch middel te installeren, dat middel te bedienen of het terug te nemen;
2° een vergrendeld voorwerp te openen om er een technisch middel in te plaatsen;
3° het voorwerp mee te nemen waarop het technisch middel zal worden geïnstalleerd, dat voorwerp te bedienen en het terug te plaatsen.
Het technisch middel of het meegenomen voorwerp wordt zo spoedig mogelijk na de onderschepping teruggenomen respectievelijk teruggeplaatst, tenzij dit het goede verloop van de opdracht in de weg staat.]3
§ 3. Indien er een ingreep nodig is op een elektronisch communicatienetwerk, wordt de operator van het netwerk of de verstrekker van een elektronische communicatiedienst met een schriftelijke vraag van het diensthoofd gevorderd en is hij, als gevolg van deze aanvraag ertoe gehouden zijn technische medewerking te verlenen. Deze vraag vermeldt, naargelang het geval, de aard van het eensluidend advies van de commissie, de aard van het eensluidend advies van de voorzitter van de commissie of de aard van de toelating van de betrokken minister.
Eenieder die zijn technische medewerking weigert te verlenen aan de in het eerste lid bedoelde vorderingen, wordt gestraft met een geldboete van zesentwintig euro tot [3 twintigduizend euro]3. De nadere regels en termijnen voor deze technische medewerking worden door de Koning vastgesteld, op voorstel van de Ministers van Justitie, van Landsverdediging en van de Minister bevoegd voor de Elektronische Communicatie.
§ 4. De communicaties die verzameld werden aan de hand van de in § 1 bedoelde uitzonderlijke methode worden opgenomen. Het voorwerp van de uitzonderlijke methode alsook de dagen en uren waarop deze is uitgevoerd, worden opgenomen bij het begin en op het einde van iedere opname die erop betrekking heeft.
Alleen die delen van de opname van communicaties die door het diensthoofd [5 ...]5 of de persoon die hij daartoe heeft aangewezen voor de Veiligheid van de Staat, of door de officier of de burgerambtenaar, die minstens de graad van commissaris heeft, voor de [2 Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid]2 relevant worden geacht, kunnen worden overgeschreven.
Iedere notitie die in het kader van de uitvoering van de uitzonderlijke methode door de daartoe aangewezen personen werd genomen en die niet werd opgenomen in een verslag, wordt vernietigd door de in het tweede lid vermelde personen of door de persoon die zij hiertoe aanwijzen. Deze vernietiging maakt het voorwerp uit van een vermelding in het bijzondere register waarin wordt voorzien in § 6.
§ 5. De opnamen worden samen met de eventuele overschrijving van de relevant geachte communicaties of de eventuele vertaling bewaard, op een beveiligde plaats die het diensthoofd aanduidt overeenkomstig de vereisten van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen.
§ 6. Een regelmatig bijgehouden bijzonder register bevat een overzicht van elk van de in de §§ 1 en 2 bedoelde maatregelen.
Het overzicht vermeldt de datum en het uur waarop de maatregel is gestart en waarop hij werd beëindigd.
§ 7. [3 De opnamen van communicaties worden volgens de door de Koning vastgestelde nadere regels en onder het toezicht van de Commissie en van een door het diensthoofd hiertoe aangestelde agent, vernietigd binnen een termijn van vijf jaar die aanvangt op de dag van de opname. Met het voorafgaand schriftelijk akkoord van de Commissie kan het diensthoofd beslissen om de bewaringsperiode te verlengen wanneer de opname nog noodzakelijk is in het kader van een inlichtingenonderzoek of van een gerechtelijke procedure. De totale bewaringsperiode mag tien jaar niet te boven gaan behalve wanneer een opname nog noodzakelijk is in het kader van een gerechtelijke procedure. De vernietiging wordt vermeld in het in paragraaf 6 vermelde bijzonder register.
De overschrijvingen van de relevant geachte communicaties en de eventuele vertalingen worden bewaard en vernietigd overeenkomstig artikel 21.]3]1
Modifications
[5]<W 2026-02-08/04, art. 59, 024; Inwerkingtreding : 26-02-2026>
Art. 18/17. [1 § 1er. [4 Les services de renseignement et de sécurité peuvent, dans l'intérêt de l'exercice de leurs missions,]4 [3 ...]3 [3 intercepter des]3 communications, [3 ...]3 en prendre connaissance et [3 ...]3 les enregistrer.
§ 2. [3 A cet effet, les services de renseignement et de sécurité peuvent pénétrer, à tout moment, à l'insu du propriétaire ou de son ayant droit ou sans le consentement de ceux-ci, dans des lieux accessibles ou non au public afin d':
1° installer un moyen technique, intervenir sur ce moyen ou le retirer;
2° ouvrir un objet verrouillé pour y placer un moyen technique;
3° emporter l'objet sur lequel sera installé le moyen technique, intervenir sur cet objet et le replacer.
Le moyen technique est retiré ou l'objet emporté est remis en place le plus rapidement possible à l'échéance de l'interception, à moins que cela n'entrave le bon déroulement de la mission.]3
§ 3. Si une opération sur un réseau de communications électroniques est nécessaire, l'opérateur du réseau ou le fournisseur d'une service de communicatons électroniques est saisi d'une demande écrite du dirigeant du service et est tenu de prêter son concours technique à la suite de cette demande. Cette demande mentionne la nature de l'avis conforme de la commission, la nature de l'avis conforme du président de la commission ou la nature de l'autorisation du ministre concerné, selon le cas.
Toute personne qui refuse de prêter son concours technique aux réquisitions visées à l'alinéa 1er est punie d'une amende de vingt-six euros à [3 vingt mille euros]3. Les modalités et délais de ce concours technique sont déterminés par le Roi, sur la proposition des Ministres de la Justice et de la Défense et du Ministre qui a les Communications électroniques dans ses attributions.
§ 4. Les communications recueillies grâce à la méthode exceptionnelle visée au § 1er sont enregistrées. L'objet de la méthode exceptionnelle ainsi que les jours et heures où celle-ci a été exécutée sont enregistrés au début et à la fin de chaque enregistrement qui s'y rapporte.
Seules les parties d'enregistrement des communications estimées pertinentes par le dirigeant du service [5 ...]5 ou la personne qu'il a désignée à cet effet pour la Sûreté de l'Etat, ou l'officier ou l'agent civil, ayant au moins le grade de commissaire de sécurité pour le [2 Service Général du Renseignement et de la Sécurité]2, peuvent faire l'objet d'une transcription.
Toute note prise dans le cadre de l'exécution de la méthode exceptionnelle par les personnes commises à cette fin et qui n'est pas consignée dans un rapport est détruite par les personnes visées à l'alinéa 2 ou par la personne qu'elles délèguent à cette fin. Cette destruction fait l'objet d'une mention dans le registre spécial prévu au § 6.
§ 5. Les enregistrements accompagnés de la transcription éventuelle des communications jugées pertinentes ou de la traduction éventuelle sont conservés, dans un lieu sécurisé désigné par le dirigeant du service conformément aux exigences de la loi du 11 décembre 1998 relative à la classification et aux habilitations, attestations et avis de sécurité.
§ 6. Un registre spécial tenu régulièrement à jour contient un relevé de chacune des mesures visées aux §§ 1er et 2.
Le relevé mentionne la date et l'heure auxquelles la mesure a commencé et celles auxquelles elle s'est terminée.
§ 7. [3 Les enregistrements des communications sont détruits, suivant les modalités fixées par le Roi et sous le contrôle de la Commission et d'un agent désigné à cet effet par le dirigeant du service, dans un délai de cinq ans qui débute le jour de l'enregistrement. Avec l'accord écrit préalable de la Commission, le dirigeant du service peut décider de prolonger la durée de conservation lorsque l'enregistrement est encore nécessaire dans le cadre d'une enquête de renseignement ou d'une procédure judiciaire. La durée totale de conservation ne peut pas dépasser dix ans, sauf lorsqu'un enregistrement est encore nécessaire dans le cadre d'une procédure judiciaire. La destruction est mentionnée dans le registre spécial visé au paragraphe 6.
Les transcriptions des communications estimées pertinentes et les traductions éventuelles sont conservées et détruites conformément à l'article 21.]3]1
§ 2. [3 A cet effet, les services de renseignement et de sécurité peuvent pénétrer, à tout moment, à l'insu du propriétaire ou de son ayant droit ou sans le consentement de ceux-ci, dans des lieux accessibles ou non au public afin d':
1° installer un moyen technique, intervenir sur ce moyen ou le retirer;
2° ouvrir un objet verrouillé pour y placer un moyen technique;
3° emporter l'objet sur lequel sera installé le moyen technique, intervenir sur cet objet et le replacer.
Le moyen technique est retiré ou l'objet emporté est remis en place le plus rapidement possible à l'échéance de l'interception, à moins que cela n'entrave le bon déroulement de la mission.]3
§ 3. Si une opération sur un réseau de communications électroniques est nécessaire, l'opérateur du réseau ou le fournisseur d'une service de communicatons électroniques est saisi d'une demande écrite du dirigeant du service et est tenu de prêter son concours technique à la suite de cette demande. Cette demande mentionne la nature de l'avis conforme de la commission, la nature de l'avis conforme du président de la commission ou la nature de l'autorisation du ministre concerné, selon le cas.
Toute personne qui refuse de prêter son concours technique aux réquisitions visées à l'alinéa 1er est punie d'une amende de vingt-six euros à [3 vingt mille euros]3. Les modalités et délais de ce concours technique sont déterminés par le Roi, sur la proposition des Ministres de la Justice et de la Défense et du Ministre qui a les Communications électroniques dans ses attributions.
§ 4. Les communications recueillies grâce à la méthode exceptionnelle visée au § 1er sont enregistrées. L'objet de la méthode exceptionnelle ainsi que les jours et heures où celle-ci a été exécutée sont enregistrés au début et à la fin de chaque enregistrement qui s'y rapporte.
Seules les parties d'enregistrement des communications estimées pertinentes par le dirigeant du service [5 ...]5 ou la personne qu'il a désignée à cet effet pour la Sûreté de l'Etat, ou l'officier ou l'agent civil, ayant au moins le grade de commissaire de sécurité pour le [2 Service Général du Renseignement et de la Sécurité]2, peuvent faire l'objet d'une transcription.
Toute note prise dans le cadre de l'exécution de la méthode exceptionnelle par les personnes commises à cette fin et qui n'est pas consignée dans un rapport est détruite par les personnes visées à l'alinéa 2 ou par la personne qu'elles délèguent à cette fin. Cette destruction fait l'objet d'une mention dans le registre spécial prévu au § 6.
§ 5. Les enregistrements accompagnés de la transcription éventuelle des communications jugées pertinentes ou de la traduction éventuelle sont conservés, dans un lieu sécurisé désigné par le dirigeant du service conformément aux exigences de la loi du 11 décembre 1998 relative à la classification et aux habilitations, attestations et avis de sécurité.
§ 6. Un registre spécial tenu régulièrement à jour contient un relevé de chacune des mesures visées aux §§ 1er et 2.
Le relevé mentionne la date et l'heure auxquelles la mesure a commencé et celles auxquelles elle s'est terminée.
§ 7. [3 Les enregistrements des communications sont détruits, suivant les modalités fixées par le Roi et sous le contrôle de la Commission et d'un agent désigné à cet effet par le dirigeant du service, dans un délai de cinq ans qui débute le jour de l'enregistrement. Avec l'accord écrit préalable de la Commission, le dirigeant du service peut décider de prolonger la durée de conservation lorsque l'enregistrement est encore nécessaire dans le cadre d'une enquête de renseignement ou d'une procédure judiciaire. La durée totale de conservation ne peut pas dépasser dix ans, sauf lorsqu'un enregistrement est encore nécessaire dans le cadre d'une procédure judiciaire. La destruction est mentionnée dans le registre spécial visé au paragraphe 6.
Les transcriptions des communications estimées pertinentes et les traductions éventuelles sont conservées et détruites conformément à l'article 21.]3]1
Modifications
[5]<L 2026-02-08/04, art. 59, 024; En vigueur : 26-02-2026>
Onderafdeling 3. [1 - Gemeenschappelijke bepaling voor sommige methoden voor het verzamelen van gegevens.]1
Sous-section 3. [1 - Disposition commune à certaines méthodes de recueil de données.]1
Art. 18/18. [1 De Koning legt de tarieven vast voor de medewerking van [2 de natuurlijke]2 personen en rechtspersonen aan [2 de methoden bedoeld in artikel 16/2 en in de onderafdeling 2]2, waarbij Hij rekening houdt met de werkelijke kostprijs van deze medewerking.]1
Art. 18/18. [1 Le Roi fixe les tarifs rétribuant la collaboration des personnes physiques et des personnes morales aux [2 méthodes visées à l'article 16/2 et dans la sous-section 2]2, en tenant compte du coût réel de cette collaboration.]1
[1
[1
Afdeling 5.]1 - De mededeling van de gegevens.
Section 5.]1 - De la communication des données.
Art. 19. De inlichtingen- en veiligheidsdiensten delen de inlichtingen bedoeld in artikel 13, tweede lid, slechts mee aan de betrokken ministers en de betrokken gerechtelijke en administratieve overheden, aan de politiediensten en aan alle bevoegde instanties en personen overeenkomstig de doelstellingen van hun opdrachten alsook aan de instanties en personen die het voorwerp zijn van een [1 dreiging]1 bedoeld in de artikelen 7 en 11.
Met eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de personen en voor zover de voorlichting van het publiek of het algemeen belang dit vereist, mogen de administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat en de chef van de [2 Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid]2, of de persoon die elk van hen aanwijst, inlichtingen aan de pers mededelen.
Met eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de personen en voor zover de voorlichting van het publiek of het algemeen belang dit vereist, mogen de administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat en de chef van de [2 Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid]2, of de persoon die elk van hen aanwijst, inlichtingen aan de pers mededelen.
Art. 19. Les services de renseignement et de sécurité ne communiquent les renseignements visés à l'article 13, deuxième alinéa, qu'aux ministres et autorités administratives et judiciaires concernés, aux services de police et à toutes les instances et personnes compétentes conformément aux finalités de leurs missions ainsi qu'aux instances et personnes qui font l'objet d'une menace visée aux articles 7 et 11.
Dans le respect de la vie privée des personnes, et pour autant que l'information du public ou l'intérêt général l'exige, l'administrateur général de la Sûreté de l'Etat et le chef du [1 Service Général du Renseignement et de la Sécurité]1, ou la personne qu'ils désignent chacun, peuvent communiquer des informations à la presse.
Dans le respect de la vie privée des personnes, et pour autant que l'information du public ou l'intérêt général l'exige, l'administrateur général de la Sûreté de l'Etat et le chef du [1 Service Général du Renseignement et de la Sécurité]1, ou la personne qu'ils désignent chacun, peuvent communiquer des informations à la presse.
Modifications
Art. 19/1. [1 Wanneer de aanwending van de specifieke of uitzonderlijke methoden ernstige aanwijzingen aan het licht brengt over het plegen van een misdaad of wanbedrijf of, op grond van een redelijk vermoeden wijst op te plegen of reeds gepleegde maar nog niet aan het licht gebrachte strafbare feiten, brengen de betrokken diensten dit onverwijld ter kennis aan de commissie met het oog op de toepassing van artikel 29 van het Wetboek van strafvordering. Deze commissie onderzoekt de verzamelde gegevens ongeacht de drager waarop ze vastgelegd werden.
Indien de commissie het bestaan vaststelt van ernstige aanwijzingen die kunnen leiden tot het plegen van een misdaad of wanbedrijf of van een redelijk vermoeden van te plegen of reeds gepleegde maar nog niet aan het licht gebrachte strafbare feiten, stelt de voorzitter [3 , of bij verhindering, een ander Commissielid]3 daarvan een niet-geclassificeerd proces-verbaal op. Dit proces-verbaal wordt onverwijld overgezonden aan de procureur des Konings of aan de federale procureur, nadat het diensthoofd vooraf gehoord werd over de voorwaarden van deze overzending [2 en over de inhoud van het proces-verbaal]2.
[2 Dit proces-verbaal vermeldt de ernstige aanwijzingen die eventueel in rechte kunnen worden gebruikt.]2
Dit proces-verbaal mag niet de exclusieve grond, noch de overheersende maatregel zijn voor de veroordeling van een persoon. De elementen vervat in dit proces-verbaal moeten in overheersende mate steun vinden in andere bewijsmiddelen.
De procureur des Konings of de federale procureur licht de voorzitter van de commissie in over de gevolgen die aan de overzending van het proces-verbaal worden gegeven. De voorzitter van de commissie licht op zijn beurt het diensthoofd van de betrokken dienst in.]1
Indien de commissie het bestaan vaststelt van ernstige aanwijzingen die kunnen leiden tot het plegen van een misdaad of wanbedrijf of van een redelijk vermoeden van te plegen of reeds gepleegde maar nog niet aan het licht gebrachte strafbare feiten, stelt de voorzitter [3 , of bij verhindering, een ander Commissielid]3 daarvan een niet-geclassificeerd proces-verbaal op. Dit proces-verbaal wordt onverwijld overgezonden aan de procureur des Konings of aan de federale procureur, nadat het diensthoofd vooraf gehoord werd over de voorwaarden van deze overzending [2 en over de inhoud van het proces-verbaal]2.
[2 Dit proces-verbaal vermeldt de ernstige aanwijzingen die eventueel in rechte kunnen worden gebruikt.]2
Dit proces-verbaal mag niet de exclusieve grond, noch de overheersende maatregel zijn voor de veroordeling van een persoon. De elementen vervat in dit proces-verbaal moeten in overheersende mate steun vinden in andere bewijsmiddelen.
De procureur des Konings of de federale procureur licht de voorzitter van de commissie in over de gevolgen die aan de overzending van het proces-verbaal worden gegeven. De voorzitter van de commissie licht op zijn beurt het diensthoofd van de betrokken dienst in.]1
Art. 19/1. [1 En vue de l'application de l'article 29 du Code d'Instruction criminelle, lorsque la mise en oeuvre des méthodes spécifiques ou exceptionnelles révèle des indices sérieux relatifs à la commission d'un crime ou d'un délit ou indique, sur la base d'une suspicion raisonnable que des faits punissables vont être commis ou ont été commis mais ne sont pas encore connus, les services concernés portent immédiatement ceux-ci à la connaissance de la commission. La commission examine les données ainsi recueillies quel que soit le support qui fixe ces données.
Si la commission constate l'existence d'indices sérieux qui peuvent conduire à la commission d'un crime ou d'un délit, ou d'une suspicion raisonnable que des faits punissables vont être commis ou ont été commis mais ne sont pas encore connus, le président [3 ou, en cas d'empêchement, un autre membre de la Commission]3 en dresse procès-verbal non classifié. Ce procès-verbal est transmis sans délai au procureur du Roi ou au procureur fédéral, le dirigeant du service étant préalablement entendu sur les conditions de cette transmission [2 et sur le contenu du procès-verbal]2.
[2 Ce procès-verbal précise les indices sérieux qui peuvent éventuellement être utilisés en justice.]2
Ce procès-verbal ne peut constituer le motif exclusif ni la mesure prédominante conduisant à la condamnation d'une personne. Les éléments contenus dans ce procès-verbal doivent être étayés de manière prédominante par d'autres éléments de preuve.
Le procureur du Roi ou le procureur fédéral informe le président de la commission des suites réservées à la transmission du procès-verbal. Le président de la commission en informe à son tour le dirigeant du service concerné.]1
Si la commission constate l'existence d'indices sérieux qui peuvent conduire à la commission d'un crime ou d'un délit, ou d'une suspicion raisonnable que des faits punissables vont être commis ou ont été commis mais ne sont pas encore connus, le président [3 ou, en cas d'empêchement, un autre membre de la Commission]3 en dresse procès-verbal non classifié. Ce procès-verbal est transmis sans délai au procureur du Roi ou au procureur fédéral, le dirigeant du service étant préalablement entendu sur les conditions de cette transmission [2 et sur le contenu du procès-verbal]2.
[2 Ce procès-verbal précise les indices sérieux qui peuvent éventuellement être utilisés en justice.]2
Ce procès-verbal ne peut constituer le motif exclusif ni la mesure prédominante conduisant à la condamnation d'une personne. Les éléments contenus dans ce procès-verbal doivent être étayés de manière prédominante par d'autres éléments de preuve.
Le procureur du Roi ou le procureur fédéral informe le président de la commission des suites réservées à la transmission du procès-verbal. Le président de la commission en informe à son tour le dirigeant du service concerné.]1
Afdeling 6.]1 - De samenwerking tussen de diensten.
Section 6.]1 - De la coopération entre les services.
Art. 20. § 1. De inlichtingen- en veiligheidsdiensten, de politiediensten, de administratieve en gerechtelijke overheden zorgen voor een zo doeltreffend mogelijke wederzijdse samenwerking. De inlichtingen- en veiligheidsdiensten zorgen er eveneens voor dat er samenwerking is met de buitenlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten.
§ 2. Wanneer ze daartoe door hen aangezocht worden kunnen de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, [5 ...]5 hun medewerking en in het bijzonder hun technische bijstand verlenen aan de gerechtelijke en bestuurlijke overheden.
[5 De nadere regels voor deze medewerking kunnen in het kader van een protocol worden vastgelegd.]5
§ 3. [1 de Nationale Veiligheidsraad]1 bepaalt de in artikel 19, eerste lid, bedoelde voorwaarden waaronder de inlichtingen worden meegedeeld en de voorwaarden van de in § 1 van dit artikel bedoelde samenwerking.
[2 § 4. Voor de opdrachten omschreven in artikel 7, 3° /1 en artikel 11, § 1, 5°, sluiten de [4 Veiligheid van de Staat]4 en de [3 Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid]3, een samenwerkingsakkoord op grond van richtlijnen verkregen van de Nationale Veiligheidsraad.]2
§ 2. Wanneer ze daartoe door hen aangezocht worden kunnen de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, [5 ...]5 hun medewerking en in het bijzonder hun technische bijstand verlenen aan de gerechtelijke en bestuurlijke overheden.
[5 De nadere regels voor deze medewerking kunnen in het kader van een protocol worden vastgelegd.]5
§ 3. [1 de Nationale Veiligheidsraad]1 bepaalt de in artikel 19, eerste lid, bedoelde voorwaarden waaronder de inlichtingen worden meegedeeld en de voorwaarden van de in § 1 van dit artikel bedoelde samenwerking.
[2 § 4. Voor de opdrachten omschreven in artikel 7, 3° /1 en artikel 11, § 1, 5°, sluiten de [4 Veiligheid van de Staat]4 en de [3 Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid]3, een samenwerkingsakkoord op grond van richtlijnen verkregen van de Nationale Veiligheidsraad.]2
Modifications
Art. 20. § 1er. Les services de renseignement et de sécurité, les services de police, les autorités administratives et judiciaires veillent à assurer entre eux une coopération mutuelle aussi efficace que possible. Les services de renseignement et de sécurité veillent également à assurer une [4 coopération]4 avec les services de renseignement et de sécurité étrangers.
§ 2. Lorsqu'ils en sont sollicités par celles-ci, les services de renseignement et de sécurité peuvent [4 ...]4 prêter leur concours et notamment leur assistance technique aux autorités judiciaires et administratives.
[4 Les modalités de ce concours peuvent être fixées dans le cadre d'un protocole.]4
§ 3. Le [1 Conseil national de sécurité]1 définit les conditions de la communication prévue à l'article 19, alinéa 1er, et de la coopération prévue au § 1er du présent article.
[2 § 4. Pour les missions décrites à l'article 7, 3° /1 et à l'article 11, § 1er, 5°, la Sûreté de l'Etat et le [3 Service Général du Renseignement et de la Sécurité]3 concluent un accord de coopération sur la base de directives obtenues du Conseil national de sécurité.]2
§ 2. Lorsqu'ils en sont sollicités par celles-ci, les services de renseignement et de sécurité peuvent [4 ...]4 prêter leur concours et notamment leur assistance technique aux autorités judiciaires et administratives.
[4 Les modalités de ce concours peuvent être fixées dans le cadre d'un protocole.]4
§ 3. Le [1 Conseil national de sécurité]1 définit les conditions de la communication prévue à l'article 19, alinéa 1er, et de la coopération prévue au § 1er du présent article.
[2 § 4. Pour les missions décrites à l'article 7, 3° /1 et à l'article 11, § 1er, 5°, la Sûreté de l'Etat et le [3 Service Général du Renseignement et de la Sécurité]3 concluent un accord de coopération sur la base de directives obtenues du Conseil national de sécurité.]2
[1Afdeling 7.]1 - De bewaring en de vernietiging van de gegevens.
[1Section 7.]1 - De la conservation et de la destruction des données.
Art. 21. Persoonsgegevens verwerkt in het kader van de toepassing van huidige wet worden bewaard voor een duur die niet langer mag zijn dan die welke noodzakelijk is om de doeleinden waarvoor ze opgeslagen worden, met uitzondering van de gegevens die een door het Rijksarchief erkend historisch karakter hebben.
Zij worden slechts vernietigd na een zekere termijn volgende op de laatste verwerking waarvan zij het voorwerp zijn geweest.
De Koning legt, na advies van [1 het Vast Comité I]1, de termijn vast tijdens welke de persoonsgegevens bedoeld in het vorige lid bewaard worden na hun laatste verwerking.
Onverminderd de wettelijke bepalingen betreffende het Rijksarchief, bepaalt de Koning, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de procedure met betrekking tot hun vernietiging.
Zij worden slechts vernietigd na een zekere termijn volgende op de laatste verwerking waarvan zij het voorwerp zijn geweest.
De Koning legt, na advies van [1 het Vast Comité I]1, de termijn vast tijdens welke de persoonsgegevens bedoeld in het vorige lid bewaard worden na hun laatste verwerking.
Onverminderd de wettelijke bepalingen betreffende het Rijksarchief, bepaalt de Koning, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de procedure met betrekking tot hun vernietiging.
Modifications
Art. 21. Les données à caractère personnel traitées dans le cadre de l'application de la présente loi sont conservées pendant une durée n'excédant pas celle nécessaire aux finalités pour lesquelles elles sont enregistrées, à l'exception de celles présentant un caractère historique, reconnu par les archives de l'Etat.
Elles ne sont détruites qu'après un certain délai qui suit le dernier traitement dont elles ont fait l'objet.
Le Roi fixe, après avis [1 du Comité R]1, le délai pendant lequel les données à caractère personnel visées à l'alinéa précédent sont conservées après leur dernier traitement.
Sans préjudice des dispositions légales relatives aux archives de l'Etat, le Roi détermine, après avis [1 du Comité R]1, la procédure relative à leur destruction.
Elles ne sont détruites qu'après un certain délai qui suit le dernier traitement dont elles ont fait l'objet.
Le Roi fixe, après avis [1 du Comité R]1, le délai pendant lequel les données à caractère personnel visées à l'alinéa précédent sont conservées après leur dernier traitement.
Sans préjudice des dispositions légales relatives aux archives de l'Etat, le Roi détermine, après avis [1 du Comité R]1, la procédure relative à leur destruction.
Modifications
Art. 21/1. [1 § 1. De inlichtingen- en veiligheidsdiensten worden vrijgesteld van overbrenging van hun archiefdocumenten van minder dan vijftig jaar, op voorwaarde dat:
1° de langetermijnbewaring, de authenticiteit, de integriteit, de ordening, de toegankelijkheid en de leesbaarheid van deze archiefdocumenten worden gewaarborgd volgens de door de Koning vastgestelde voorwaarden;
2° het publiek deze archiefdocumenten kan raadplegen onder dezelfde voorwaarden als in het Rijksarchief.
De bewaring van de archiefdocumenten staat onder het toezicht van de algemeen rijksarchivaris of zijn gemachtigden.
§ 2. Na de in paragraaf 1 bepaalde termijn evalueert de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst of een herziening van het beschermingsniveau of de declassificatie van de geclassificeerde archiefdocumenten mogelijk is.
§ 3. De inlichtingen- en veiligheidsdiensten brengen hun archiefdocumenten van meer dan vijftig jaar over naar het Rijksarchief, op voorwaarde dat:
1° het Rijksarchief de geclassificeerde archiefdocumenten bewaart en aanwendt overeenkomstig de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen;
2° de buitenlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten uitdrukkelijk hun toestemming hebben gegeven dat het Rijksarchief de van hen afkomstige geclassificeerde documenten bewaart;
3° de algemeen rijksarchivaris of zijn gemachtigden oordeelt, na overleg met de verantwoordelijke voor de archiefwerking van de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst, dat het belang van de eenheid van de collectie een overbrenging niet verhindert.
De Koning bepaalt, op voorstel van de minister van Justitie, de minister van Defensie en de minister van Wetenschapsbeleid, de nadere regels inzake het archiefbeheer en de aanwending van de overgebrachte geclassificeerde archiefdocumenten.
§ 4. Archiefdocumenten kunnen slechts worden vernietigd na schriftelijke toestemming van de algemeen rijksarchivaris of zijn gemachtigden.]1
1° de langetermijnbewaring, de authenticiteit, de integriteit, de ordening, de toegankelijkheid en de leesbaarheid van deze archiefdocumenten worden gewaarborgd volgens de door de Koning vastgestelde voorwaarden;
2° het publiek deze archiefdocumenten kan raadplegen onder dezelfde voorwaarden als in het Rijksarchief.
De bewaring van de archiefdocumenten staat onder het toezicht van de algemeen rijksarchivaris of zijn gemachtigden.
§ 2. Na de in paragraaf 1 bepaalde termijn evalueert de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst of een herziening van het beschermingsniveau of de declassificatie van de geclassificeerde archiefdocumenten mogelijk is.
§ 3. De inlichtingen- en veiligheidsdiensten brengen hun archiefdocumenten van meer dan vijftig jaar over naar het Rijksarchief, op voorwaarde dat:
1° het Rijksarchief de geclassificeerde archiefdocumenten bewaart en aanwendt overeenkomstig de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen;
2° de buitenlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten uitdrukkelijk hun toestemming hebben gegeven dat het Rijksarchief de van hen afkomstige geclassificeerde documenten bewaart;
3° de algemeen rijksarchivaris of zijn gemachtigden oordeelt, na overleg met de verantwoordelijke voor de archiefwerking van de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst, dat het belang van de eenheid van de collectie een overbrenging niet verhindert.
De Koning bepaalt, op voorstel van de minister van Justitie, de minister van Defensie en de minister van Wetenschapsbeleid, de nadere regels inzake het archiefbeheer en de aanwending van de overgebrachte geclassificeerde archiefdocumenten.
§ 4. Archiefdocumenten kunnen slechts worden vernietigd na schriftelijke toestemming van de algemeen rijksarchivaris of zijn gemachtigden.]1
Art. 21/1. [1 § 1er. Les services de renseignement et de sécurité sont dispensés du transfert de leurs documents d'archives de moins de cinquante ans, à condition que:
1° la pérennité, l'authenticité, l'intégrité, le classement, l'accessibilité et la lisibilité de ces documents d'archives soient assurés aux conditions fixées par le Roi;
2° le public puisse consulter ces documents d'archives dans les mêmes conditions qu'aux Archives de l'Etat.
La conservation des documents d'archives est sous la surveillance de l'archiviste général du Royaume ou de ses délégués.
§ 2. Au terme du délai fixé au paragraphe 1er, le service de renseignement et de sécurité concerné évalue si une révision du niveau de protection ou la déclassification des documents d'archives classifiés est possible.
§ 3. Les services de renseignement et de sécurité transfèrent leurs documents d'archives de plus de cinquante ans aux Archives de l'Etat, à condition que:
1° les Archives de l'Etat conservent et utilisent les documents d'archives classifiés conformément à la loi du 11 décembre 1998 relative à la classification et aux habilitations, attestations et avis de sécurité;
2° les services de renseignement et de sécurité étrangers aient expressément autorisé que les Archives de l'Etat conservent les documents classifiés qui émanent d'eux;
3° l'archiviste général du Royaume ou ses délégués décident, après concertation avec le responsable de la gestion des archives du service de renseignement et de sécurité concerné, que l'intérêt de l'unité de la collection n'empêche pas un transfert.
Le Roi fixe, sur proposition du ministre de la Justice, du ministre de la Défense et du ministre de la Politique scientifique, les modalités relatives à l'archivage et à l'utilisation des documents d'archives classifiés transférés.
§ 4. Les documents d'archives ne peuvent être détruits qu'après autorisation écrite de l'archiviste général du Royaume ou ses délégués.]1
1° la pérennité, l'authenticité, l'intégrité, le classement, l'accessibilité et la lisibilité de ces documents d'archives soient assurés aux conditions fixées par le Roi;
2° le public puisse consulter ces documents d'archives dans les mêmes conditions qu'aux Archives de l'Etat.
La conservation des documents d'archives est sous la surveillance de l'archiviste général du Royaume ou de ses délégués.
§ 2. Au terme du délai fixé au paragraphe 1er, le service de renseignement et de sécurité concerné évalue si une révision du niveau de protection ou la déclassification des documents d'archives classifiés est possible.
§ 3. Les services de renseignement et de sécurité transfèrent leurs documents d'archives de plus de cinquante ans aux Archives de l'Etat, à condition que:
1° les Archives de l'Etat conservent et utilisent les documents d'archives classifiés conformément à la loi du 11 décembre 1998 relative à la classification et aux habilitations, attestations et avis de sécurité;
2° les services de renseignement et de sécurité étrangers aient expressément autorisé que les Archives de l'Etat conservent les documents classifiés qui émanent d'eux;
3° l'archiviste général du Royaume ou ses délégués décident, après concertation avec le responsable de la gestion des archives du service de renseignement et de sécurité concerné, que l'intérêt de l'unité de la collection n'empêche pas un transfert.
Le Roi fixe, sur proposition du ministre de la Justice, du ministre de la Défense et du ministre de la Politique scientifique, les modalités relatives à l'archivage et à l'utilisation des documents d'archives classifiés transférés.
§ 4. Les documents d'archives ne peuvent être détruits qu'après autorisation écrite de l'archiviste général du Royaume ou ses délégués.]1
Modifications
HOOFDSTUK III/1. [1 - De bescherming van het personeel, de infrastructuur en de goederen van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.]1
CHAPITRE III/1. [1 - De la protection du personnel, des infrastructures et des biens des services de renseignement et de sécurité.]1
Afdeling 1. [1 - Algemene bepaling.]1
Section 1re. [1 - Disposition générale.]1
Art. 22. [1 Er kan binnen elke inlichtingen- en veiligheidsdienst een interventieteam worden opgericht met als opdracht de bescherming van het personeel, de infrastructuur en de goederen van de betrokken dienst.
De agenten belast met deze opdracht worden aangesteld, respectievelijk door de Minister van Justitie, op voordracht van het hoofd van de Veiligheid van de Staat, en door de Minister van Defensie, op voordracht van het hoofd van de Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid.
De leden van het interventieteam zijn de enige agenten die gemachtigd zijn de opdracht tot bescherming van het personeel, de infrastructuur en de goederen van hun dienst uit te voeren, onverminderd hun andere functies. Daartoe ontvangen zij een vorming.
De leden van het interventieteam brengen verslag uit over hun interventies aan het betrokken diensthoofd.
In de uitvoering van hun andere opdrachten kunnen zij geen gebruik maken van de bevoegdheden die aan hen zijn toegekend door dit hoofdstuk.]1
De agenten belast met deze opdracht worden aangesteld, respectievelijk door de Minister van Justitie, op voordracht van het hoofd van de Veiligheid van de Staat, en door de Minister van Defensie, op voordracht van het hoofd van de Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid.
De leden van het interventieteam zijn de enige agenten die gemachtigd zijn de opdracht tot bescherming van het personeel, de infrastructuur en de goederen van hun dienst uit te voeren, onverminderd hun andere functies. Daartoe ontvangen zij een vorming.
De leden van het interventieteam brengen verslag uit over hun interventies aan het betrokken diensthoofd.
In de uitvoering van hun andere opdrachten kunnen zij geen gebruik maken van de bevoegdheden die aan hen zijn toegekend door dit hoofdstuk.]1
Modifications
Art. 22. [1 Il peut être institué au sein de chaque service de renseignement et de sécurité une équipe d'intervention ayant pour fonction de protéger le personnel, les infrastructures et les biens du service concerné.
Les agents affectés à cette fonction sont désignés respectivement par le ministre de la Justice, sur la proposition du dirigeant de la Sûreté de l'Etat, et par le ministre de la Défense, sur la proposition du dirigeant du Service Général du Renseignement et de la Sécurité.
Les membres de l'équipe d'intervention sont les seuls agents habilités à exercer la fonction de protection du personnel, des infrastructures et des biens de leur service, sans préjudice de leurs autres fonctions. Ils reçoivent une formation à cet effet.
Les membres de l'équipe d'intervention font rapport de leurs interventions au dirigeant du service concerné.
Ils ne peuvent faire usage dans l'exercice de leurs autres missions des pouvoirs qui leur sont conférés par le présent chapitre.]1
Les agents affectés à cette fonction sont désignés respectivement par le ministre de la Justice, sur la proposition du dirigeant de la Sûreté de l'Etat, et par le ministre de la Défense, sur la proposition du dirigeant du Service Général du Renseignement et de la Sécurité.
Les membres de l'équipe d'intervention sont les seuls agents habilités à exercer la fonction de protection du personnel, des infrastructures et des biens de leur service, sans préjudice de leurs autres fonctions. Ils reçoivent une formation à cet effet.
Les membres de l'équipe d'intervention font rapport de leurs interventions au dirigeant du service concerné.
Ils ne peuvent faire usage dans l'exercice de leurs autres missions des pouvoirs qui leur sont conférés par le présent chapitre.]1
Modifications
Afdeling 2. [1 - De uitoefening van de opdracht tot bescherming van het personeel, de infrastructuur en de goederen van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.]1
Section 2. [1 De l'exercice de la fonction de protection du personnel, des infrastructures et des biens des services de renseignement et de sécurité.]1
Art. 23. [1 De leden van het interventieteam kunnen steeds verlaten gebouwen, bijgebouwen en vervoersmiddelen betreden.
Zij kunnen enkel bij een ernstig en nakend gevaar voor het leven of de fysieke integriteit van een personeelslid van de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst niet-verlaten gebouwen, bijgebouwen en vervoersmiddelen betreden en doorzoeken, zowel overdag als 's nachts, voor zover dit personeelslid zich bevindt in het binnengedeelte van een niet voor het publiek toegankelijke plaats en wanneer het gevaar op geen andere wijze kan worden afgewend.
Zij kunnen enkel in de gevallen bedoeld in het tweede lid verlaten gebouwen, bijgebouwen en vervoersmiddelen doorzoeken.]1
Zij kunnen enkel bij een ernstig en nakend gevaar voor het leven of de fysieke integriteit van een personeelslid van de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst niet-verlaten gebouwen, bijgebouwen en vervoersmiddelen betreden en doorzoeken, zowel overdag als 's nachts, voor zover dit personeelslid zich bevindt in het binnengedeelte van een niet voor het publiek toegankelijke plaats en wanneer het gevaar op geen andere wijze kan worden afgewend.
Zij kunnen enkel in de gevallen bedoeld in het tweede lid verlaten gebouwen, bijgebouwen en vervoersmiddelen doorzoeken.]1
Modifications
Art. 23. [1 Les membres de l'équipe d'intervention peuvent toujours pénétrer dans des bâtiments, annexes et moyens de transport abandonnés.
Ils ne peuvent pénétrer et fouiller des bâtiments, leurs annexes ainsi que des moyens de transport non abandonnés, tant de jour que de nuit, qu'en cas de danger grave et imminent pour la vie ou l'intégrité physique d'un membre du personnel du service de renseignement et de sécurité concerné se trouvant à l'intérieur d'un lieu non accessible au public et pour autant que ce danger ne puisse être écarté autrement.
Ils ne peuvent fouiller des bâtiments, annexes et moyens de transport abandonnés que dans les cas visés à l'alinéa 2.]1
Ils ne peuvent pénétrer et fouiller des bâtiments, leurs annexes ainsi que des moyens de transport non abandonnés, tant de jour que de nuit, qu'en cas de danger grave et imminent pour la vie ou l'intégrité physique d'un membre du personnel du service de renseignement et de sécurité concerné se trouvant à l'intérieur d'un lieu non accessible au public et pour autant que ce danger ne puisse être écarté autrement.
Ils ne peuvent fouiller des bâtiments, annexes et moyens de transport abandonnés que dans les cas visés à l'alinéa 2.]1
Modifications
Art. 24. [1 De leden van het interventieteam kunnen, teneinde er zich van te vergewissen dat een persoon geen wapen draagt of enig voorwerp dat gevaarlijk is voor hun leven of fysieke integriteit of die van de personeelsleden van de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst of voor de integriteit van de infrastructuur en de goederen van de te beschermen dienst, in de volgende gevallen overgaan tot een veiligheidsfouillering:
1° wanneer het lid van het interventieteam, op grond van de gedragingen van deze persoon, van materiële aanwijzingen of van de omstandigheden, redelijke gronden heeft om te denken dat de persoon die aan een identiteitscontrole wordt onderworpen in de gevallen en onder de voorwaarden bepaald in artikel 28, een wapen of een gevaarlijk voorwerp draagt;
2° wanneer een persoon voorlopig wordt vastgehouden overeenkomstig de artikelen 27 en 28;
3° wanneer de personen toegang hebben tot plaatsen waar de personeelsleden van de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst worden bedreigd.
De veiligheidsfouillering gebeurt door het betasten van het lichaam en de kleding van de gefouilleerde persoon evenals door de controle van zijn bagage. Zij mag niet langer duren dan de daartoe noodzakelijke tijd en de persoon mag te dien einde niet langer dan één uur worden opgehouden.
In het in de bepaling onder 3° bedoelde geval wordt de fouillering uitgevoerd op bevel en onder verantwoordelijkheid van het lid van het interventieteam dat verantwoordelijk is voor de opdracht; zij wordt uitgevoerd door een lid van het interventieteam van hetzelfde geslacht als de gefouilleerde persoon.]1
1° wanneer het lid van het interventieteam, op grond van de gedragingen van deze persoon, van materiële aanwijzingen of van de omstandigheden, redelijke gronden heeft om te denken dat de persoon die aan een identiteitscontrole wordt onderworpen in de gevallen en onder de voorwaarden bepaald in artikel 28, een wapen of een gevaarlijk voorwerp draagt;
2° wanneer een persoon voorlopig wordt vastgehouden overeenkomstig de artikelen 27 en 28;
3° wanneer de personen toegang hebben tot plaatsen waar de personeelsleden van de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst worden bedreigd.
De veiligheidsfouillering gebeurt door het betasten van het lichaam en de kleding van de gefouilleerde persoon evenals door de controle van zijn bagage. Zij mag niet langer duren dan de daartoe noodzakelijke tijd en de persoon mag te dien einde niet langer dan één uur worden opgehouden.
In het in de bepaling onder 3° bedoelde geval wordt de fouillering uitgevoerd op bevel en onder verantwoordelijkheid van het lid van het interventieteam dat verantwoordelijk is voor de opdracht; zij wordt uitgevoerd door een lid van het interventieteam van hetzelfde geslacht als de gefouilleerde persoon.]1
Modifications
Art. 24. [1 Afin de s'assurer qu'une personne ne porte pas une arme ou un objet dangereux pour leur vie ou leur intégrité physique ou celle des membres du personnel du service de renseignement et de sécurité concerné ou pour l'intégrité des infrastructures et des biens du service à protéger, les membres de l'équipe d'intervention peuvent procéder à une fouille de sécurité dans les cas suivants:
1° lorsque, en fonction du comportement de cette personne, d'indices matériels ou des circonstances, le membre de l'équipe d'intervention a des motifs raisonnables de croire que la personne soumise à un contrôle d'identité dans les cas et aux conditions prévus à l'article 28, porte une arme ou un objet dangereux;
2° lorsqu'une personne est provisoirement retenue conformément aux articles 27 et 28;
3° lorsque des personnes accèdent à des lieux où se trouvent menacés les membres du personnel du service de renseignement et de sécurité concerné.
La fouille de sécurité s'effectue par la palpation du corps et des vêtements de la personne fouillée ainsi que par le contrôle de ses bagages. Elle ne peut durer plus longtemps que le temps nécessaire à cette fin et la personne ne peut être retenue pendant plus d'une heure à cet effet.
Dans le cas visé au 3°, la fouille est exécutée sur ordre et sous la responsabilité du membre de l'équipe d'intervention responsable de la mission; elle est effectuée par un membre de l'équipe d'intervention du même sexe que la personne fouillée.]1
1° lorsque, en fonction du comportement de cette personne, d'indices matériels ou des circonstances, le membre de l'équipe d'intervention a des motifs raisonnables de croire que la personne soumise à un contrôle d'identité dans les cas et aux conditions prévus à l'article 28, porte une arme ou un objet dangereux;
2° lorsqu'une personne est provisoirement retenue conformément aux articles 27 et 28;
3° lorsque des personnes accèdent à des lieux où se trouvent menacés les membres du personnel du service de renseignement et de sécurité concerné.
La fouille de sécurité s'effectue par la palpation du corps et des vêtements de la personne fouillée ainsi que par le contrôle de ses bagages. Elle ne peut durer plus longtemps que le temps nécessaire à cette fin et la personne ne peut être retenue pendant plus d'une heure à cet effet.
Dans le cas visé au 3°, la fouille est exécutée sur ordre et sous la responsabilité du membre de l'équipe d'intervention responsable de la mission; elle est effectuée par un membre de l'équipe d'intervention du même sexe que la personne fouillée.]1
Modifications
Art. 25. [1 De leden van het interventieteam kunnen overgaan tot het doorzoeken van een voertuig of enig ander vervoermiddel, zowel in het verkeer als geparkeerd op de openbare weg of op voor het publiek toegankelijke plaatsen, indien zij op grond van de gedragingen van de bestuurder of de passagiers, van materiële aanwijzingen of van omstandigheden van tijd of plaats, redelijke gronden hebben om te denken dat het voertuig of vervoermiddel gebruikt wordt of gebruikt zou kunnen worden om het leven of de fysieke integriteit van een personeelslid van de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst of de integriteit van de infrastructuur en de goederen van de te beschermen dienst ernstig in gevaar te brengen.
Het doorzoeken van een voertuig mag nooit langer duren dan de tijd vereist door de omstandigheden die het rechtvaardigen. In elk geval mag het voertuig niet langer dan één uur worden opgehouden voor een doorzoeking.
Het doorzoeken van een voertuig dat permanent als woning is ingericht en dat op het ogenblik van het doorzoeken daadwerkelijk als woning wordt gebruikt, wordt gelijkgesteld met huiszoeking.]1
Het doorzoeken van een voertuig mag nooit langer duren dan de tijd vereist door de omstandigheden die het rechtvaardigen. In elk geval mag het voertuig niet langer dan één uur worden opgehouden voor een doorzoeking.
Het doorzoeken van een voertuig dat permanent als woning is ingericht en dat op het ogenblik van het doorzoeken daadwerkelijk als woning wordt gebruikt, wordt gelijkgesteld met huiszoeking.]1
Modifications
Art. 25. [1 Les membres de l'équipe d'intervention peuvent procéder à la fouille d'un véhicule ou de tout autre moyen de transport, qu'il soit en circulation ou en stationnement sur la voie publique ou dans des lieux accessibles au public, lorsqu'ils ont des motifs raisonnables de croire, en fonction du comportement du conducteur ou des passagers, d'indices matériels ou des circonstances de temps ou de lieu, que le véhicule ou le moyen de transport sert ou pourrait servir à mettre gravement en danger la vie ou l'intégrité physique d'un membre du personnel du service de renseignement et de sécurité concerné ou l'intégrité des infrastructures et des biens du service à protéger.
La fouille exécutée dans un véhicule ne peut durer plus longtemps que le temps exigé par les circonstances qui la justifient. Dans tous les cas, le véhicule ne peut être retenu plus d'une heure en raison d'une fouille.
La fouille d'un véhicule aménagé de façon permanente en logement et qui est effectivement utilisé comme logement au moment de la fouille est assimilée à la visite domiciliaire.]1
La fouille exécutée dans un véhicule ne peut durer plus longtemps que le temps exigé par les circonstances qui la justifient. Dans tous les cas, le véhicule ne peut être retenu plus d'une heure en raison d'une fouille.
La fouille d'un véhicule aménagé de façon permanente en logement et qui est effectivement utilisé comme logement au moment de la fouille est assimilée à la visite domiciliaire.]1
Modifications
Art. 26. [1 De voorwerpen en dieren die een gevaar betekenen voor het leven of de fysieke integriteit van een personeelslid van de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst of voor de integriteit van de infrastructuur en de goederen van de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst kunnen, in de voor het publiek toegankelijke plaatsen, door een lid van het interventieteam, voor de vereisten van diens beschermingsopdracht, aan de eigenaar, de bezitter of de houder onttrokken worden. Deze bestuurlijke inbeslagneming geschiedt overeenkomstig de richtlijnen en onder de verantwoordelijkheid van het lid van het interventieteam dat verantwoordelijk is voor de opdracht.
De in beslag genomen voorwerpen worden ter beschikking gesteld van een politieambtenaar opdat gehandeld wordt overeenkomstig artikel 30 van de wet op het politieambt.]1
De in beslag genomen voorwerpen worden ter beschikking gesteld van een politieambtenaar opdat gehandeld wordt overeenkomstig artikel 30 van de wet op het politieambt.]1
Modifications
Art. 26. [1 Les objets et les animaux qui présentent un danger pour la vie ou l'intégrité physique d'un membre du personnel du service de renseignement et de sécurité concerné ou pour l'intégrité des infrastructures et des biens du service de renseignement et de sécurité concerné peuvent, dans les lieux accessibles au public, être soustraits à la libre disposition du propriétaire, du possesseur ou du détenteur par un membre de l'équipe d'intervention pour les nécessités de sa mission de protection. Cette saisie administrative s'effectue conformément aux instructions et sous la responsabilité du membre de l'équipe d'intervention responsable de la mission.
Les objets saisis sont mis à la disposition d'un fonctionnaire de police afin qu'il soit procédé conformément à l'article 30 de la loi sur la fonction de police.]1
Les objets saisis sont mis à la disposition d'un fonctionnaire de police afin qu'il soit procédé conformément à l'article 30 de la loi sur la fonction de police.]1
Modifications
Art. 27. [1 De leden van het interventieteam kunnen, in geval van volstrekte noodzaak, een persoon vasthouden ten aanzien van wie er op grond van zijn gedragingen, van materiële aanwijzingen of van de omstandigheden, redelijke gronden zijn om te denken dat hij voorbereidingen treft om een daad te verrichten of dat hij een daad verricht die het leven of de fysieke integriteit van een agent of een derde of de integriteit van de infrastructuur en de goederen van de te beschermen inlichtingen- en veiligheidsdienst ernstig in gevaar brengt, met als doel hem te beletten een dergelijke daad te verrichten of teneinde deze te doen ophouden.
In dat geval zal de persoon slechts worden vastgehouden voor de tijd die nodig is om de betrokkene ter beschikking te stellen van een politieambtenaar.
De door het lid van het interventieteam verrichte vrijheidsbeneming mag nooit langer duren dan de tijd vereist door de omstandigheden die haar rechtvaardigen en mag in geen geval een uur te boven gaan. Deze termijn gaat in vanaf het ogenblik waarop de betrokken persoon als gevolg van het optreden van een lid van het interventieteam, niet meer beschikt over de vrijheid van komen en gaan.
De Koning legt de nadere regels vast voor het registreren van de aanhouding en het bewaren van gegevens over deze aanhouding.
Als de vrijheidsbeneming wordt gevolgd door een bestuurlijke aanhouding overeenkomstig de artikelen 31 tot 33 van de wet op het politieambt, wordt de maximale duur van de bestuurlijke aanhouding met een overeenkomstige periode verminderd.]1
In dat geval zal de persoon slechts worden vastgehouden voor de tijd die nodig is om de betrokkene ter beschikking te stellen van een politieambtenaar.
De door het lid van het interventieteam verrichte vrijheidsbeneming mag nooit langer duren dan de tijd vereist door de omstandigheden die haar rechtvaardigen en mag in geen geval een uur te boven gaan. Deze termijn gaat in vanaf het ogenblik waarop de betrokken persoon als gevolg van het optreden van een lid van het interventieteam, niet meer beschikt over de vrijheid van komen en gaan.
De Koning legt de nadere regels vast voor het registreren van de aanhouding en het bewaren van gegevens over deze aanhouding.
Als de vrijheidsbeneming wordt gevolgd door een bestuurlijke aanhouding overeenkomstig de artikelen 31 tot 33 van de wet op het politieambt, wordt de maximale duur van de bestuurlijke aanhouding met een overeenkomstige periode verminderd.]1
Modifications
Art. 27. [1 Les membres de l'équipe d'intervention peuvent, en cas d'absolue nécessité, retenir une personne s'il existe à l'égard de cette personne des motifs raisonnables de croire, en fonction de son comportement, d'indices matériels ou des circonstances, qu'elle se prépare à commettre ou commet un acte qui met gravement en danger la vie ou l'intégrité physique d'un agent ou un tiers ou l'intégrité des infrastructures et des biens du service de renseignement et de sécurité à protéger, afin de l'empêcher de commettre un tel acte ou de faire cesser cet acte.
Dans ce cas, la personne ne sera retenue que le temps nécessaire pour sa mise à la disposition d'un fonctionnaire de police.
La privation de liberté effectuée par le membre de l'équipe d'intervention ne peut jamais durer plus longtemps que le temps requis par les circonstances qui la justifient et ne peut en aucun cas dépasser une heure. Ce délai prend cours à partir du moment où la personne concernée ne dispose plus, à la suite de l'intervention d'un membre de l'équipe d'intervention, de la liberté d'aller et de venir.
Le Roi fixe les modalités selon lesquelles l'arrestation est enregistrée et selon lesquelles les données en lien avec cette arrestation sont conservées.
Lorsque la privation de liberté est suivie d'une arrestation administrative conformément aux articles 31 à 33 de la loi sur la fonction de police, la durée maximale de l'arrestation administrative est réduite à due concurrence.]1
Dans ce cas, la personne ne sera retenue que le temps nécessaire pour sa mise à la disposition d'un fonctionnaire de police.
La privation de liberté effectuée par le membre de l'équipe d'intervention ne peut jamais durer plus longtemps que le temps requis par les circonstances qui la justifient et ne peut en aucun cas dépasser une heure. Ce délai prend cours à partir du moment où la personne concernée ne dispose plus, à la suite de l'intervention d'un membre de l'équipe d'intervention, de la liberté d'aller et de venir.
Le Roi fixe les modalités selon lesquelles l'arrestation est enregistrée et selon lesquelles les données en lien avec cette arrestation sont conservées.
Lorsque la privation de liberté est suivie d'une arrestation administrative conformément aux articles 31 à 33 de la loi sur la fonction de police, la durée maximale de l'arrestation administrative est réduite à due concurrence.]1
Modifications
Art. 28. [1 § 1. De leden van het interventieteam kunnen de identiteit controleren van ieder persoon indien zij, op grond van zijn gedragingen, van materiële aanwijzingen of van omstandigheden van tijd of plaats, redelijke gronden hebben om te denken dat hij zich voorbereidt om het leven of de fysieke integriteit van een personeelslid van de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst of de integriteit van de gebouwen van die dienst te schaden.
§ 2. De identiteitsstukken die aan het lid van het interventieteam overhandigd worden, mogen slechts ingehouden worden gedurende de voor de verificatie van de identiteit noodzakelijke tijd en moeten daarna onmiddellijk aan de betrokkene worden teruggegeven.
§ 3. Indien de in de voorgaande paragrafen bedoelde persoon weigert of in de onmogelijkheid verkeert het bewijs te leveren van zijn identiteit, alsook indien zijn identiteit twijfelachtig is, mag hij worden vastgehouden om ter beschikking te worden gesteld van een politieambtenaar.
De door het lid van het interventieteam verrichte vrijheidsbeneming mag nooit langer duren dan de tijd vereist door de omstandigheden die haar rechtvaardigen en mag in geen geval een uur te boven gaan. Deze termijn gaat in vanaf het ogenblik waarop de betrokken persoon, als gevolg van het optreden van een lid van het interventieteam, niet meer beschikt over de vrijheid van komen en gaan.
Als de vrijheidsbeneming wordt gevolgd door een bestuurlijke aanhouding, overeenkomstig artikel 34, § 4, van de wet op het politieambt, wordt de maximale duur van de bestuurlijke aanhouding met een overeenkomstige periode verminderd.]1
§ 2. De identiteitsstukken die aan het lid van het interventieteam overhandigd worden, mogen slechts ingehouden worden gedurende de voor de verificatie van de identiteit noodzakelijke tijd en moeten daarna onmiddellijk aan de betrokkene worden teruggegeven.
§ 3. Indien de in de voorgaande paragrafen bedoelde persoon weigert of in de onmogelijkheid verkeert het bewijs te leveren van zijn identiteit, alsook indien zijn identiteit twijfelachtig is, mag hij worden vastgehouden om ter beschikking te worden gesteld van een politieambtenaar.
De door het lid van het interventieteam verrichte vrijheidsbeneming mag nooit langer duren dan de tijd vereist door de omstandigheden die haar rechtvaardigen en mag in geen geval een uur te boven gaan. Deze termijn gaat in vanaf het ogenblik waarop de betrokken persoon, als gevolg van het optreden van een lid van het interventieteam, niet meer beschikt over de vrijheid van komen en gaan.
Als de vrijheidsbeneming wordt gevolgd door een bestuurlijke aanhouding, overeenkomstig artikel 34, § 4, van de wet op het politieambt, wordt de maximale duur van de bestuurlijke aanhouding met een overeenkomstige periode verminderd.]1
Modifications
Art. 28. [1 § 1er. Les membres de l'équipe d'intervention peuvent contrôler l'identité de toute personne s'ils ont des motifs raisonnables de croire, en fonction de son comportement, d'indices matériels ou de circonstances de temps ou de lieu, qu'elle se prépare à porter atteinte à la vie ou l'intégrité physique d'un membre du personnel du service de renseignement et de sécurité concerné ou à l'intégrité des bâtiments de ce service.
§ 2. Les pièces d'identité qui sont remises au membre de l'équipe d'intervention ne peuvent être retenues que pendant le temps nécessaire à la vérification de l'identité et doivent ensuite être immédiatement remises à l'intéressé.
§ 3. Si la personne visée aux paragraphes précédents refuse ou est dans l'impossibilité de faire la preuve de son identité, de même que si son identité est douteuse, elle peut être retenue pour être mise à la disposition d'un fonctionnaire de police.
La privation de liberté effectuée par le membre de l'équipe d'intervention ne peut jamais durer plus longtemps que le temps requis par les circonstances qui la justifient et ne peut en aucun cas dépasser une heure. Ce délai prend cours à partir du moment où la personne concernée ne dispose plus, à la suite de l'intervention d'un membre de l'équipe d'intervention, de la liberté d'aller et de venir.
Lorsque la privation de liberté est suivie d'une arrestation administrative conformément à l'article 34, § 4, de la loi sur la fonction de police, la durée maximale de l'arrestation administrative est réduite à due concurrence.]1
§ 2. Les pièces d'identité qui sont remises au membre de l'équipe d'intervention ne peuvent être retenues que pendant le temps nécessaire à la vérification de l'identité et doivent ensuite être immédiatement remises à l'intéressé.
§ 3. Si la personne visée aux paragraphes précédents refuse ou est dans l'impossibilité de faire la preuve de son identité, de même que si son identité est douteuse, elle peut être retenue pour être mise à la disposition d'un fonctionnaire de police.
La privation de liberté effectuée par le membre de l'équipe d'intervention ne peut jamais durer plus longtemps que le temps requis par les circonstances qui la justifient et ne peut en aucun cas dépasser une heure. Ce délai prend cours à partir du moment où la personne concernée ne dispose plus, à la suite de l'intervention d'un membre de l'équipe d'intervention, de la liberté d'aller et de venir.
Lorsque la privation de liberté est suivie d'une arrestation administrative conformément à l'article 34, § 4, de la loi sur la fonction de police, la durée maximale de l'arrestation administrative est réduite à due concurrence.]1
Modifications
Art. 29. [1 De leden van het interventieteam mogen vastgehouden personen, buiten noodzaak, niet aan publieke nieuwsgierigheid blootstellen.
Zij mogen deze personen zonder hun instemming niet onderwerpen of laten onderwerpen aan vragen van journalisten of derden die vreemd zijn aan de zaak, noch van hen beeldopnamen maken of laten maken behalve die welke bestemd zijn voor hun identificatie.]1
Zij mogen deze personen zonder hun instemming niet onderwerpen of laten onderwerpen aan vragen van journalisten of derden die vreemd zijn aan de zaak, noch van hen beeldopnamen maken of laten maken behalve die welke bestemd zijn voor hun identificatie.]1
Modifications
Art. 29. [1 Les membres de l'équipe d'intervention ne peuvent pas, sans nécessité, exposer à la curiosité publique les personnes retenues.
Ils ne peuvent pas soumettre ou laisser soumettre ces personnes, sans leur accord, aux questions de journalistes ou de tiers étrangers à leur cas, ni à des prises de vue autres que celles destinées à leur identification.]1
Ils ne peuvent pas soumettre ou laisser soumettre ces personnes, sans leur accord, aux questions de journalistes ou de tiers étrangers à leur cas, ni à des prises de vue autres que celles destinées à leur identification.]1
Modifications
Art. 30. [1 De leden van het interventieteam kunnen, rekening houdend met de risico's die zulks meebrengt, geweld gebruiken om een wettig doel na te streven dat niet op andere wijze kan worden bereikt.
Elk gebruik van geweld moet redelijk zijn en in verhouding staan tot het nagestreefde doel.
Aan elk gebruik van geweld gaat een waarschuwing vooraf, tenzij dit gebruik daardoor onwerkzaam zou worden.]1
Elk gebruik van geweld moet redelijk zijn en in verhouding staan tot het nagestreefde doel.
Aan elk gebruik van geweld gaat een waarschuwing vooraf, tenzij dit gebruik daardoor onwerkzaam zou worden.]1
Modifications
Art. 30. [1 Les membres de l'équipe d'intervention peuvent, en tenant compte des risques que cela comporte, recourir à la force pour poursuivre un objectif légitime qui ne peut être atteint autrement.
Tout recours à la force doit être raisonnable et proportionné à l'objectif poursuivi.
Tout usage de la force est précédé d'un avertissement, à moins que cela ne rende cet usage inopérant.]1
Tout recours à la force doit être raisonnable et proportionné à l'objectif poursuivi.
Tout usage de la force est précédé d'un avertissement, à moins que cela ne rende cet usage inopérant.]1
Modifications
Art. 31. [1 Onverminderd artikel 30 van deze wet, de artikelen 70, 416 en 417 van het Strafwetboek en de toepasselijke regels van internationaal recht, kunnen de leden van het interventieteam slechts gebruik maken van vuurwapens tegen personen in de volgende gevallen:
1° tegen gewapende personen of in de richting van voertuigen aan boord waarvan zich gewapende personen bevinden, in geval van misdaad of van een op heterdaad ontdekt wanbedrijf in de zin van artikel 41 van het Wetboek van strafvordering, welke misdaad of welk wanbedrijf met geweld is gepleegd, indien redelijkerwijze mag aangenomen worden dat die personen in het bezit zijn van een vuurwapen klaar voor gebruik, en dat zij dit wapen zullen gebruiken tegen personen;
2° wanneer in geval van volstrekte noodzakelijkheid, de leden van het interventieteam de aan hun bescherming toevertrouwde personen, infrastructuur of goederen op geen andere wijze kunnen verdedigen.
Het gebruik van wapens geregeld in de bepalingen onder 1° en 2° geschiedt slechts overeenkomstig de richtlijnen en na waarschuwing met luide stem of met enig ander beschikbaar middel, tenzij dit gebruik daardoor onwerkzaam zou worden.]1
1° tegen gewapende personen of in de richting van voertuigen aan boord waarvan zich gewapende personen bevinden, in geval van misdaad of van een op heterdaad ontdekt wanbedrijf in de zin van artikel 41 van het Wetboek van strafvordering, welke misdaad of welk wanbedrijf met geweld is gepleegd, indien redelijkerwijze mag aangenomen worden dat die personen in het bezit zijn van een vuurwapen klaar voor gebruik, en dat zij dit wapen zullen gebruiken tegen personen;
2° wanneer in geval van volstrekte noodzakelijkheid, de leden van het interventieteam de aan hun bescherming toevertrouwde personen, infrastructuur of goederen op geen andere wijze kunnen verdedigen.
Het gebruik van wapens geregeld in de bepalingen onder 1° en 2° geschiedt slechts overeenkomstig de richtlijnen en na waarschuwing met luide stem of met enig ander beschikbaar middel, tenzij dit gebruik daardoor onwerkzaam zou worden.]1
Modifications
Art. 31. [1 Sans préjudice de l'article 30 de la présente loi, des articles 70, 416 et 417 du Code pénal et des règles de droit international applicables, les membres de l'équipe d'intervention ne peuvent faire usage d'armes à feu contre des personnes que dans les cas suivants:
1° contre des personnes armées ou en direction de véhicules à bord desquels se trouvent des personnes armées, en cas de crime ou de délit flagrant au sens de l'article 41 du Code d'instruction criminelle, commis avec violences, lorsqu'il est raisonnablement permis de supposer que ces personnes disposent d'une arme à feu prête à l'emploi et qu'elles l'utiliseront contre des personnes;
2° lorsqu'en cas d'absolue nécessité, les membres de l'équipe d'intervention ne peuvent défendre autrement les personnes, les infrastructures et biens confiés à leur protection.
Le recours aux armes prévu aux 1° et 2° ne s'effectue que conformément aux instructions et après avertissement donné à haute voix ou par tout autre moyen disponible, à moins que cela ne rende ce recours inopérant.]1
1° contre des personnes armées ou en direction de véhicules à bord desquels se trouvent des personnes armées, en cas de crime ou de délit flagrant au sens de l'article 41 du Code d'instruction criminelle, commis avec violences, lorsqu'il est raisonnablement permis de supposer que ces personnes disposent d'une arme à feu prête à l'emploi et qu'elles l'utiliseront contre des personnes;
2° lorsqu'en cas d'absolue nécessité, les membres de l'équipe d'intervention ne peuvent défendre autrement les personnes, les infrastructures et biens confiés à leur protection.
Le recours aux armes prévu aux 1° et 2° ne s'effectue que conformément aux instructions et après avertissement donné à haute voix ou par tout autre moyen disponible, à moins que cela ne rende ce recours inopérant.]1
Modifications
Art. 32. [1 Behalve wanneer de omstandigheden het niet toelaten of indien het de opdracht onwerkzaam zou maken, doen de leden van het interventieteam, of ten minste één van hen, die tegenover een persoon optreden of zich aanmelden aan de woning van een persoon, van hun hoedanigheid blijken door middel van het legitimatiebewijs waarvan zij houder zijn.]1
Modifications
Art. 32. [1 Sauf si les circonstances ne le permettent pas ou si cela rend la mission inopérante, les membres de l'équipe d'intervention ou au moins l'un d'entre eux, qui interviennent à l'égard d'une personne ou qui se présentent au domicile d'une personne, justifient de leur qualité au moyen du titre de légitimation dont ils sont porteurs.]1
Modifications
Art. 33. [1 Wanneer hij in gevaar gebracht wordt bij het vervullen van zijn opdracht of wanneer een agent van de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst in gevaar is, kan ieder lid van het interventieteam de hulp of bijstand vorderen van ter plaatse aanwezige personen.
In geval van volstrekte noodzaak kan hij eveneens de hulp of bijstand van enig ander nuttige persoon vorderen.
De gevorderde hulp of bijstand mag de persoon die ze verleent niet in gevaar brengen.]1
In geval van volstrekte noodzaak kan hij eveneens de hulp of bijstand van enig ander nuttige persoon vorderen.
De gevorderde hulp of bijstand mag de persoon die ze verleent niet in gevaar brengen.]1
Modifications
Art. 33. [1 Lorsqu'il est mis en danger dans l'exercice de sa mission ou lorsqu'un agent du service de renseignement et de sécurité concerné est en danger, tout membre de l'équipe d'intervention peut requérir l'aide ou l'assistance des personnes présentes sur place.
En cas d'absolue nécessité, il peut de même requérir l'aide ou l'assistance de toute autre personne utile.
L'aide ou l'assistance requise ne peut mettre en danger la personne qui la prête.]1
En cas d'absolue nécessité, il peut de même requérir l'aide ou l'assistance de toute autre personne utile.
L'aide ou l'assistance requise ne peut mettre en danger la personne qui la prête.]1
Modifications
Art. 34. [1 De bewapening die tot de voorgeschreven uitrusting behoort, wordt bepaald overeenkomstig de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens.
In voorkomend geval bepaalt de Koning de aanvullende uitrusting van de leden van het interventieteam die noodzakelijk is voor de uitoefening van hun functie.]1
In voorkomend geval bepaalt de Koning de aanvullende uitrusting van de leden van het interventieteam die noodzakelijk is voor de uitoefening van hun functie.]1
Modifications
Art. 34. [1 L'armement faisant partie de l'équipement réglementaire est déterminé conformément à la loi du 8 juin 2006 réglant des activités économiques et individuelles avec des armes.
Le cas échéant, le Roi détermine l'équipement complémentaire des membres de l'équipe d'intervention nécessaire à l'exercice de leur fonction.]1
Le cas échéant, le Roi détermine l'équipement complémentaire des membres de l'équipe d'intervention nécessaire à l'exercice de leur fonction.]1
Modifications
Afdeling 3. [1 - De burgerlijke aansprakelijkheid en de rechtshulp met betrekking tot de leden van het interventieteam bij de uitoefening van hun functie.]1
Section 3. [1 - De la responsabilité civile et de l'assistance en justice applicables aux membres de l'équipe d'intervention dans l'exercice de leur fonction.]1
Art. 35. [1 Voor de leden van het interventieteam aan wie opdrachten tot bescherming van de agenten, de infrastructuur en de goederen van de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst zijn toevertrouwd, geldt het stelsel van burgerlijke aansprakelijkheid en rechtshulp voorzien in de artikelen 91 tot 98 van de wet van 20 mei 1994 inzake de rechtstoestanden van het personeel van Defensie, in de wet van 10 februari 2003 betreffende de aansprakelijkheid van en voor personeelsleden in dienst van openbare rechtspersonen en in het koninklijk besluit van 16 maart 2006 betreffende de rechtshulp aan de personeelsleden van bepaalde overheidsdiensten en de schadeloosstelling van de door hen opgelopen zaakschade.]1
Modifications
Art. 35. [1 Les membres de l'équipe d'intervention affectés à la fonction de protection des agents, des infrastructures et des biens du service de renseignement et de sécurité concerné bénéficient du régime de responsabilité civile et d'assistance en justice prévu aux articles 91 à 98 de la loi du 20 mai 1994 relative aux statuts du personnel de la Défense, dans la loi du 10 février 2003 relative à la responsabilité des et pour les membres du personnel au service des personnes publiques et dans l'arrêté royal du 16 mars 2006 relatif à l'assistance en justice des membres du personnel de certains services publics et à l'indemnisation des dommages aux biens, encourus par eux.]1
Modifications
HOOFDSTUK IV. - De geheimhouding.
CHAPITRE IV. - Le secret.
Art. 36. § 1. Onverminderd artikel 19 is iedere agent alsmede iedere persoon die, in welke hoedanigheid ook, zijn medewerking verleent aan de toepassing van deze wet, verplicht de geheimen te bewaren die hem zijn toevertrouwd in de uitoefening van zijn opdracht of zijn medewerking.
§ 2. Het geheim blijft bestaan zelfs wanneer de agenten hun functie hebben neergelegd of de personen hun medewerking met de diensten hebben stopgezet.
§ 2. Het geheim blijft bestaan zelfs wanneer de agenten hun functie hebben neergelegd of de personen hun medewerking met de diensten hebben stopgezet.
Art. 36. § 1er. Sans préjudice de l'article 19, tout agent et toute personne qui, à quelque titre que ce soit, apporte son concours à l'application de la présente loi est dépositaire des secrets qui lui sont confiés dans l'exercice de sa mission ou de sa coopération.
§ 2. Le secret subsiste même lorsque les agents ont cessé leurs fonctions ou lorsque les personnes ne coopèrent plus avec les services.
§ 2. Le secret subsiste même lorsque les agents ont cessé leurs fonctions ou lorsque les personnes ne coopèrent plus avec les services.
Art. 37. De agenten die een beroep doen op de medewerking van een persoon die niet tot de diensten van de Veiligheid van de Staat of van de [1 Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid]1 behoort, hebben de plicht deze persoon uitdrukkelijk op zijn geheimhoudingsplicht te wijzen.
Modifications
Art. 37. Les agents qui font appel au concours d'une personne qui ne relève pas des services de la Sûreté de l'Etat ou du [1 Service Général du Renseignement et de la Sécurité]1 doivent explicitement informer cette personne du secret auquel elle est tenue.
Modifications
Art. 38. § 1. De gerechtelijke huiszoekingen en inbeslagnemingen die uitgevoerd worden op de plaatsen waar de leden van inlichtingen- en veiligheidsdiensten hun functie uitoefenen, worden verricht in aanwezigheid van [5 het betrokken diensthoofd]5. [3 Het diensthoofd]3 waarschuwt onmiddellijk de bevoegde minister over de uitgevoerde gerechtelijke huiszoekingen en inbeslagnemingen.
§ 2. Indien [4 het diensthoofd]4 van oordeel is dat de inbeslagneming van de geclassificeerde gegevens en voorwerpen van die aard is dat zij een [1 dreiging]1 vormt voor de uitoefening van de opdrachten bedoeld in de artikelen 7 [2 ...]2 en 11, §§ 1 en 2, of dat zij een gevaar meebrengt voor een natuurlijke persoon, waarschuwt hij onmiddellijk de voorzitter van het Vast Comité I en de bevoegde minister. Deze geclassificeerde inbeslaggenomen stukken worden in een verzegelde omslag geplaatst, ondertekend door [4 het diensthoofd]4 en op een veilige plaats bewaard door de onderzoeksmagistraat.
Terzelfder tijd kan de korpschef of zijn plaatsvervanger, na kennisgeving aan de bevoegde minister, de opheffing van de inbeslagneming aan de kamer van inbeschuldigingstelling vragen. De vraag tot opheffing van de inbeslagneming heeft voor deze een opschortend gevolg. De zaak wordt bij de kamer van inbeschuldigingstelling aanhangig gemaakt door een verklaring afgelegd op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg. De kamer beslist binnen vijftien dagen na de neerlegging van de verklaring. [3 Het diensthoofd]3 en de onderzoeksmagistraat worden gehoord.
In het kader van deze procedure kunnen enkel de magistraten van de zetel en van het openbaar ministerie die zitting hebben in de kamer van inbeschuldigingstelling, de onderzoeksmagistraat, de korpschef of zijn plaatsvervanger kennis nemen van de inbeslaggenomen geclassificeerde stukken.
Wanneer de kamer van inbeschuldigingstelling besluit tot het opheffen van het beslag wegens de [1 dreiging]1 voor de uitoefening van de opdrachten bedoeld in de artikelen 7 [2 ...]2 en 11, §§ 1 en 2, of wegens het gevaar voor een natuurlijke persoon, worden de geclassificeerde stukken in een verzegelde omslag terug gegeven aan [4 het diensthoofd]4.
Wanneer de kamer van inbeschuldigingstelling concludeert dat de stukken in beslag genomen kunnen worden, zendt de procureur-generaal deze inbeslaggenomen geclassificeerde stukken na afloop van de gerechtelijke procedure niettemin terug aan [4 het diensthoofd]4.
§ 3. Indien [4 het diensthoofd]4 met toepassing van § 2, tweede lid, niet binnen een termijn van tien dagen aan de kamer van inbeschuldigingstelling de opheffing van de inbeslagneming vraagt, wordt de plaatsing onder verzegelde omslag bedoeld in § 2, eerste lid, opgeheven.
§ 2. Indien [4 het diensthoofd]4 van oordeel is dat de inbeslagneming van de geclassificeerde gegevens en voorwerpen van die aard is dat zij een [1 dreiging]1 vormt voor de uitoefening van de opdrachten bedoeld in de artikelen 7 [2 ...]2 en 11, §§ 1 en 2, of dat zij een gevaar meebrengt voor een natuurlijke persoon, waarschuwt hij onmiddellijk de voorzitter van het Vast Comité I en de bevoegde minister. Deze geclassificeerde inbeslaggenomen stukken worden in een verzegelde omslag geplaatst, ondertekend door [4 het diensthoofd]4 en op een veilige plaats bewaard door de onderzoeksmagistraat.
Terzelfder tijd kan de korpschef of zijn plaatsvervanger, na kennisgeving aan de bevoegde minister, de opheffing van de inbeslagneming aan de kamer van inbeschuldigingstelling vragen. De vraag tot opheffing van de inbeslagneming heeft voor deze een opschortend gevolg. De zaak wordt bij de kamer van inbeschuldigingstelling aanhangig gemaakt door een verklaring afgelegd op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg. De kamer beslist binnen vijftien dagen na de neerlegging van de verklaring. [3 Het diensthoofd]3 en de onderzoeksmagistraat worden gehoord.
In het kader van deze procedure kunnen enkel de magistraten van de zetel en van het openbaar ministerie die zitting hebben in de kamer van inbeschuldigingstelling, de onderzoeksmagistraat, de korpschef of zijn plaatsvervanger kennis nemen van de inbeslaggenomen geclassificeerde stukken.
Wanneer de kamer van inbeschuldigingstelling besluit tot het opheffen van het beslag wegens de [1 dreiging]1 voor de uitoefening van de opdrachten bedoeld in de artikelen 7 [2 ...]2 en 11, §§ 1 en 2, of wegens het gevaar voor een natuurlijke persoon, worden de geclassificeerde stukken in een verzegelde omslag terug gegeven aan [4 het diensthoofd]4.
Wanneer de kamer van inbeschuldigingstelling concludeert dat de stukken in beslag genomen kunnen worden, zendt de procureur-generaal deze inbeslaggenomen geclassificeerde stukken na afloop van de gerechtelijke procedure niettemin terug aan [4 het diensthoofd]4.
§ 3. Indien [4 het diensthoofd]4 met toepassing van § 2, tweede lid, niet binnen een termijn van tien dagen aan de kamer van inbeschuldigingstelling de opheffing van de inbeslagneming vraagt, wordt de plaatsing onder verzegelde omslag bedoeld in § 2, eerste lid, opgeheven.
Modifications
Art. 38. § 1er. Les perquisitions et saisies judiciaires opérées dans les lieux où les membres des services de renseignement et de sécurité exercent leur fonction, s'effectuent en présence [4 du dirigeant du service concerné]4. [2 Le dirigeant du service]2 avertit sans délai le Ministre compétent des perquisitions et saisies judiciaires opérées.
§ 2. Si [3 le dirigeant du service]3 estime que la saisie de données ou matériels classifiés est de nature à constituer une menace pour l'exercice des missions visées aux articles 7 [1 ...]1 et 11, §§ 1er et 2, ou qu'elle présente un danger pour une personne physique, il en informe immédiatement le président du Comité permanent R et le Ministre compétent. Ces pièces classifiees saisies sont mises sous pli scellé, signé par [3 le dirigeant du service]3 et conservé en lieu sur par le magistrat instructeur.
Dans le même temps, [3 le dirigeant du service]3 peut demander la levée de la saisie à la Chambre des mises en accusation après en avoir informé le Ministre compétent. La demande de levée de la saisie a un effet suspensif sur celle-ci. La Chambre des mises en accusation est saisie par une déclaration faite au Greffe du Tribunal de première instance. Elle statue dans les quinze jours du dépôt de la declaration. [2 Le dirigeant du service]2 et le magistrat instructeur sont entendus.
Dans le cadre de cette procédure, seuls les magistrats du siège et du ministère public siégeant en Chambre des mises en accusation, le magistrat instructeur, [3 le dirigeant du service]3 peuvent prendre connaissance des pièces classifiées saisies.
Lorsque la Chambre des mises en accusation conclut à la levée de la saisie en raison de la menace pour l'exercice des missions visées aux articles 7 [1 ...]1 et 11, §§ 1er et 2, ou du danger pour une personne physique, les pieces classifiées sont restituées sous pli scellé [5 au dirigeant du service]5.
Lorsque la Chambre des mises en accusation conclut que des pièces peuvent faire l'objet de la saisie, ces pièces classifiées saisies sont néanmoins restituées [5 au dirigeant du service]5 par le procureur général à l'expiration de la procédure judiciaire.
§ 3. Si [3 le dirigeant du service]3 ne demande pas dans un délai de dix jours la levée de la saisie à la Chambre des mises en accusation en application de l'alinéa 2 du § 2, la mise sous scellé visée a l'alinéa 1er du § 2 est levée.
§ 2. Si [3 le dirigeant du service]3 estime que la saisie de données ou matériels classifiés est de nature à constituer une menace pour l'exercice des missions visées aux articles 7 [1 ...]1 et 11, §§ 1er et 2, ou qu'elle présente un danger pour une personne physique, il en informe immédiatement le président du Comité permanent R et le Ministre compétent. Ces pièces classifiees saisies sont mises sous pli scellé, signé par [3 le dirigeant du service]3 et conservé en lieu sur par le magistrat instructeur.
Dans le même temps, [3 le dirigeant du service]3 peut demander la levée de la saisie à la Chambre des mises en accusation après en avoir informé le Ministre compétent. La demande de levée de la saisie a un effet suspensif sur celle-ci. La Chambre des mises en accusation est saisie par une déclaration faite au Greffe du Tribunal de première instance. Elle statue dans les quinze jours du dépôt de la declaration. [2 Le dirigeant du service]2 et le magistrat instructeur sont entendus.
Dans le cadre de cette procédure, seuls les magistrats du siège et du ministère public siégeant en Chambre des mises en accusation, le magistrat instructeur, [3 le dirigeant du service]3 peuvent prendre connaissance des pièces classifiées saisies.
Lorsque la Chambre des mises en accusation conclut à la levée de la saisie en raison de la menace pour l'exercice des missions visées aux articles 7 [1 ...]1 et 11, §§ 1er et 2, ou du danger pour une personne physique, les pieces classifiées sont restituées sous pli scellé [5 au dirigeant du service]5.
Lorsque la Chambre des mises en accusation conclut que des pièces peuvent faire l'objet de la saisie, ces pièces classifiées saisies sont néanmoins restituées [5 au dirigeant du service]5 par le procureur général à l'expiration de la procédure judiciaire.
§ 3. Si [3 le dirigeant du service]3 ne demande pas dans un délai de dix jours la levée de la saisie à la Chambre des mises en accusation en application de l'alinéa 2 du § 2, la mise sous scellé visée a l'alinéa 1er du § 2 est levée.
Modifications
Art. 39. § 1. De huiszoekingen en inbeslagnemingen in de plaatsen bedoeld in artikel 38, die uitgevoerd worden in het kader van een parlementair onderzoek, worden verricht in aanwezigheid van [4 het diensthoofd]4.
§ 2. Indien [4 het diensthoofd]4 van oordeel is dat de inbeslagneming van de geclassificeerde gegevens en voorwerpen van die aard is dat zij een [1 dreiging]1 vormt voor de uitoefening van de opdrachten bedoeld in de artikelen 7 [2 ...]2 en 11, §§ 1 en 2, of dat zij een gevaar meebrengt voor een fysiek persoon, verwittigt hij onmiddellijk de voorzitter van het Vast Comité I. Deze geclassificeerde inbeslaggenomen stukken worden in een verzegelde omslag geplaatst, ondertekend door [4 het diensthoofd]4. Deze omslag wordt onmiddellijk overgemaakt door de magistraat die het onderzoek leidt aan de voorzitter van het Vast Comité I die hem bewaart op een veilige plaats.
Terzelfdertijd kan [4 het diensthoofd]4 de opheffing van de inbeslagneming vragen, naargelang het geval, aan de voorzitter van de Kamer of van de onderzoekscommissie die uitspraak doet.[3 Het diensthoofd]3 en de voorzitter van het Vast Comité I worden gehoord. De vraag tot opheffing van de inbeslagneming heeft voor deze een opschortend gevolg.
§ 2. Indien [4 het diensthoofd]4 van oordeel is dat de inbeslagneming van de geclassificeerde gegevens en voorwerpen van die aard is dat zij een [1 dreiging]1 vormt voor de uitoefening van de opdrachten bedoeld in de artikelen 7 [2 ...]2 en 11, §§ 1 en 2, of dat zij een gevaar meebrengt voor een fysiek persoon, verwittigt hij onmiddellijk de voorzitter van het Vast Comité I. Deze geclassificeerde inbeslaggenomen stukken worden in een verzegelde omslag geplaatst, ondertekend door [4 het diensthoofd]4. Deze omslag wordt onmiddellijk overgemaakt door de magistraat die het onderzoek leidt aan de voorzitter van het Vast Comité I die hem bewaart op een veilige plaats.
Terzelfdertijd kan [4 het diensthoofd]4 de opheffing van de inbeslagneming vragen, naargelang het geval, aan de voorzitter van de Kamer of van de onderzoekscommissie die uitspraak doet.[3 Het diensthoofd]3 en de voorzitter van het Vast Comité I worden gehoord. De vraag tot opheffing van de inbeslagneming heeft voor deze een opschortend gevolg.
Art. 39. § 1er. Les perquisitions et saisies dans les lieux visés à l'article 38 opérées dans le cadre d'une enquête parlementaire s'effectuent en présence [3 du dirigeant du service]3.
§ 2. Si [3 le dirigeant du service]3 estime que la saisie de données ou matériels classifiés est de nature à constituer une menace pour l'exercice des missions visées aux articles 7 [1 ...]1 et 11, §§ 1er et 2, ou qu'elle présente un danger pour une personne physique, il en informe immédiatement le président du Comité permanent R. Ces pièces classifiées saisies sont mises sous pli scellé, signé par [3 le dirigeant du service]3. Ce pli est transmis immédiatement par le magistrat instructeur au président du Comité permanent R qui le conserve en lieu sûr.
Dans le même temps, [3 le dirigeant du service]3 peut demander la levée de la saisie, selon le cas, au président de la Chambre ou au président de la Commission d'enquête qui statue. [2 Le dirigeant du service]2 et le président du Comité permanent R sont entendus. La demande de levée de la saisie a un effet suspensif sur celle-ci.
§ 2. Si [3 le dirigeant du service]3 estime que la saisie de données ou matériels classifiés est de nature à constituer une menace pour l'exercice des missions visées aux articles 7 [1 ...]1 et 11, §§ 1er et 2, ou qu'elle présente un danger pour une personne physique, il en informe immédiatement le président du Comité permanent R. Ces pièces classifiées saisies sont mises sous pli scellé, signé par [3 le dirigeant du service]3. Ce pli est transmis immédiatement par le magistrat instructeur au président du Comité permanent R qui le conserve en lieu sûr.
Dans le même temps, [3 le dirigeant du service]3 peut demander la levée de la saisie, selon le cas, au président de la Chambre ou au président de la Commission d'enquête qui statue. [2 Le dirigeant du service]2 et le président du Comité permanent R sont entendus. La demande de levée de la saisie a un effet suspensif sur celle-ci.
Art. 40. § 1. In het kader van de huiszoekingen en inbeslagnemingen die uitgevoerd worden in andere plaatsen dan die bedoeld in artikel 38, wanneer geclassificeerde gegevens of voorwerpen uitgaande van inlichtingen- en veiligheidsdiensten worden ontdekt, worden [3 het diensthoofd]3 er onmiddellijk over ingelicht door de onderzoeksmagistraat of de gemachtigde officier van gerechtelijke politie.
§ 2. Indien [3 het diensthoofd]3 van oordeel is dat de inbeslagneming van de geclassificeerde gegevens of voorwerpen van die aard is dat zij een [1 dreiging]1 vormt voor de uitoefening van de opdrachten bedoeld in de artikelen 7 [2 ...]2 en 11, §§ 1 en 2, of dat zij een gevaar meebrengt voor een fysieke persoon, wordt volgens het geval gehandeld zoals in artikelen 38 en 39.
§ 2. Indien [3 het diensthoofd]3 van oordeel is dat de inbeslagneming van de geclassificeerde gegevens of voorwerpen van die aard is dat zij een [1 dreiging]1 vormt voor de uitoefening van de opdrachten bedoeld in de artikelen 7 [2 ...]2 en 11, §§ 1 en 2, of dat zij een gevaar meebrengt voor een fysieke persoon, wordt volgens het geval gehandeld zoals in artikelen 38 en 39.
Art. 40. § 1er. Dans le cadre des perquisitions et saisies opérées en tous autres lieux que ceux visés à l'article 38, lorsque des données ou matériels classifiés émanant des services de renseignement et de sécurité ont été découverts, [2 le dirigeant du service]2 en sont immédiatement avisés par le magistrat instructeur ou l'officier de police judiciaire délégué.
§ 2. Si [2 le dirigeant du service]2 estime que la saisie des données ou materiels classifiés est de nature à constituer une menace pour l'exercice des missions visées aux articles 7 [1 ...]1 et 11, §§ 1er et 2, ou qu'elle présente un danger pour une personne physique, il sera procédé selon le cas comme aux articles 38 et 39.
§ 2. Si [2 le dirigeant du service]2 estime que la saisie des données ou materiels classifiés est de nature à constituer une menace pour l'exercice des missions visées aux articles 7 [1 ...]1 et 11, §§ 1er et 2, ou qu'elle présente un danger pour une personne physique, il sera procédé selon le cas comme aux articles 38 et 39.
Art. 41. Wanneer de inbeslagneming van geclassificeerde gegevens of voorwerpen wordt verricht overeenkomstig artikel 51 van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten, en [3 het diensthoofd]3 van oordeel is dat de inbeslagneming van die aard is dat zij een [1 dreiging]1 vormt voor de uitoefening van de opdrachten bedoeld in de artikelen 7 [2 ...]2 en 11, §§ 1 en 2, wordt de kwestie voorgelegd aan de voorzitter van het Vast Comité I, die uitspraak doet.
Art. 41. Lorsque la saisie de données ou matériels classifiés est effectuée conformément à l'article 51 de la loi du 18 juillet 1991 organique du contrôle des services de police et de renseignements et si [2 le dirigeant du service]2 estime que la saisie est de nature à constituer une menace pour l'exercice des missions visées aux articles 7 [1 ...]1 et 11, §§ 1er et 2, la question est soumise au président du Comité permanent R, qui statue.
Art. 43. [1 Onverminderd artikel 458 van het Strafwetboek en de artikelen 48 en 51 van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op de politie- en inlichtingendiensten en op het Coördinatieorganen voor de dreigingsanalyse wordt gestraft :
1° met gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en met geldboete van honderd euro tot vijfhonderd euro, de agent of de persoon bedoeld in artikel 36 die de geheimen met schending van dit artikel onthult;
2° met gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en met geldboete van vijfhonderd euro tot dertigduizend euro of met een van die straffen alleen, de agent of persoon bedoeld in artikel 36 die de identiteit onthult van een persoon die om anonimiteit verzoekt;
3° met gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en met geldboete van vijfhonderd euro tot dertigduizend euro of met een van die straffen alleen, eenieder die, met kwaadwillig opzet, met welk uitdrukkingsmiddel dan ook de identiteit onthult van agenten van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten wiens opdrachten omwille van veiligheidsredenen de eerbiediging van de grootste discretie vereisen.]1
1° met gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en met geldboete van honderd euro tot vijfhonderd euro, de agent of de persoon bedoeld in artikel 36 die de geheimen met schending van dit artikel onthult;
2° met gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en met geldboete van vijfhonderd euro tot dertigduizend euro of met een van die straffen alleen, de agent of persoon bedoeld in artikel 36 die de identiteit onthult van een persoon die om anonimiteit verzoekt;
3° met gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en met geldboete van vijfhonderd euro tot dertigduizend euro of met een van die straffen alleen, eenieder die, met kwaadwillig opzet, met welk uitdrukkingsmiddel dan ook de identiteit onthult van agenten van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten wiens opdrachten omwille van veiligheidsredenen de eerbiediging van de grootste discretie vereisen.]1
Modifications
Art. 43. [1 Sans préjudice de l'article 458 du Code pénal et des articles 48 et 51 de la loi du 18 juillet 1991 organique du contrôle des services de police et de renseignement et de l'Organe de Coordination pour l'analyse de la menace :
1° est puni d'un emprisonnement de huit jours à six mois et d'une amende de cent euros à cinq cents euros, l'agent ou la personne visés à l'article 36 qui a révélé les secrets en violation de cet article;
2° est puni d'un emprisonnement de six mois à trois ans et d'une amende de cinq cents euros à trente mille euros ou d'une de ces peines seulement, l'agent ou la personne visés à l'article 36 qui a révélé l'identité d'une personne qui demande l'anonymat;
3° est puni d'un emprisonnement de six mois à trois ans et d'une amende de cinq cents euros à trente mille euros ou d'une de ces peines seulement, quiconque a révélé, avec une intention malveillante, par quelque moyen d'expression que ce soit, l'identité d'agents des services de renseignement et de sécurité dont les missions exigent, pour des raisons de sécurité, le respect de la plus grande discrétion.]1
1° est puni d'un emprisonnement de huit jours à six mois et d'une amende de cent euros à cinq cents euros, l'agent ou la personne visés à l'article 36 qui a révélé les secrets en violation de cet article;
2° est puni d'un emprisonnement de six mois à trois ans et d'une amende de cinq cents euros à trente mille euros ou d'une de ces peines seulement, l'agent ou la personne visés à l'article 36 qui a révélé l'identité d'une personne qui demande l'anonymat;
3° est puni d'un emprisonnement de six mois à trois ans et d'une amende de cinq cents euros à trente mille euros ou d'une de ces peines seulement, quiconque a révélé, avec une intention malveillante, par quelque moyen d'expression que ce soit, l'identité d'agents des services de renseignement et de sécurité dont les missions exigent, pour des raisons de sécurité, le respect de la plus grande discrétion.]1
Modifications
Hoofdstuk IV/1. [1 Het toezicht op de specifieke en uitzonderlijke methoden voor het verzamelen van gegevens door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten]1
Chapitre IV/1. [1 Le contrôle des méthodes spécifiques et exceptionnelles de recueil de données des services de renseignement et de sécurité]1
Art. 43/1. [1 § 1. Er wordt een bestuurlijke commissie opgericht die is belast met het toezicht op de in artikel 18/2 bedoelde specifieke en uitzonderlijke methoden voor het verzamelen van gegevens door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.
[6 Voor de financiering van de werking van de commissie wordt een dotatie uitgetrokken op de algemene uitgavenbegroting van de Staat.
De commissie stelt jaarlijks een ontwerp van begroting op voor zijn werking. Bijgestaan door het Rekenhof, onderzoekt de Kamer van volksvertegenwoordigers de gedetailleerde begrotingsvoorstellen van de commissie, zij keurt ze goed en zij controleert de uitvoering van zijn begroting. Zij onderzoekt ze en keurt daarenboven de gedetailleerde rekeningen goed.
De commissie hanteert voor zijn begroting en rekeningen een schema dat vergelijkbaar is met het schema van de begroting en rekeningen van de Kamer van volksvertegenwoordigers.]6
De commissie handelt volledig onafhankelijk in de uitoefening van haar controleopdrachten. Zij staat ook in voor het opstellen van haar huishoudelijk reglement.
De commissie is samengesteld uit drie effectieve leden. Voor elk effectief lid wordt een plaatsvervanger aangewezen.
Op voorstel van de Minister van Justitie en van de Minister van Landsverdediging wijst de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de effectieve leden van de commissie aan, evenals hun plaatsvervangers.
De effectieve leden en hun plaatsvervangers hebben de hoedanigheid van magistraat. Onder de effectieve leden heeft één lid de hoedanigheid van lid van het openbaar ministerie en hebben beide anderen de hoedanigheid van rechter, waarvan één deze van onderzoeksrechter. De plaatsvervangende leden hebben dezelfde hoedanigheid als het effectief lid dat zij vervangen.
[3 De Commissie beslist bij meerderheid van de drie aanwezige effectieve leden of van hun plaatsvervanger of, in geval van verhindering van een van de effectieve leden en diens plaatsvervanger, bij unanimiteit van de twee aanwezige effectieve leden of van hun plaatsvervanger.]3
Het voorzitterschap van de commissie wordt uitgeoefend door de magistraat die de hoedanigheid van onderzoeksrechter heeft.
Met uitzondering van de voorzitter, die voldoende kennis van het Frans en het Nederlands moet hebben, behoren de twee overige effectieve leden elk tot een verschillende taalrol.
§ 2. Op het ogenblik van hun aanwijzing dienen de effectieve en plaatsvervangende leden van de commissie de volgende voorwaarden te vervullen :
1° de leeftijd van veertig jaar hebben bereikt;
2° minstens vijf jaar nuttige ervaring hebben in één van de materies bedoeld in artikel 18/9, § 1;
3° houder zijn van een veiligheidsmachtiging van het niveau " zeer geheim " krachtens de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen;
4° gedurende de periode van vijf jaar voorafgaand aan de aanwijzing geen lid geweest zijn van het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten, noch van het Vast Comité van Toezicht op de inlichtingendiensten, noch van een politiedienst, noch van een inlichtingen- en veiligheidsdienst.
Deze magistraten worden aangewezen voor een termijn van vijf jaar. Dit mandaat kan tweemaal worden hernieuwd. [5 Magistraten kunnen evenwel, aan het einde van hun tweede hernieuwing, opnieuw voor een mandaat van vijf jaar aangewezen worden, en dit volgens de procedure voorzien in paragraaf 1, wanneer er geen andere kandidaten zijn of er geen andere kandidaten geschikt worden bevonden voor het opnemen van een mandaat als effectief of plaatsvervangend lid.]5
[3 Met uitzondering van de plaatsvervangend voorzitter, die voldoende kennis van het Nederlands en het Frans moet hebben, moeten de plaatsvervangende leden]3 tot dezelfde taalrol behoren als de effectieve leden die zij vervangen.
§ 3. In geval van verhindering of afwezigheid van meer dan drie maanden van een van de leden van de commissie, alsook ingeval zijn mandaat vacant is, wordt hij definitief vervangen door zijn plaatsvervanger.
Indien een lid van de commissie ophoudt met het uitoefenen van zijn mandaat, niet langer houder is van de veiligheidsmachtiging bedoeld in § 2, eerste lid, 3°, of aangesteld wordt in een andere functie, waardoor hij de hoedanigheid bedoeld in § 1 verliest, wordt zijn mandaat voleindigd door zijn plaatsvervanger.
Ingeval een plaats van een plaatsvervanger vacant is of indien een plaatsvervanger het mandaat van een effectief lid van de commissie voleindigt met toepassing van het tweede lid, doet de Koning, op voorstel van de Minister van Justitie en de Minister van Landsverdediging, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, een nieuwe aanwijzing.
Indien er ernstige tekortkomingen vastgesteld worden, kan de Koning, op voorstel van de Minister van Justitie en de Minister van Landsverdediging, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, een effectief lid of een plaatsvervanger van zijn functie ontheffen.
§ 4. De effectieve leden oefenen hun functie bij de commissie voltijds uit. Gedurende de duur van hun opdracht handelen de effectieve leden, evenals hun plaatsvervangers, in volstrekte onafhankelijkheid tegenover hun korps van herkomst of tegenover hun hiërarchische overste.
Na de aanwijzing van een effectief lid kan in het rechtscollege waarvan deze magistraat deel uitmaakt, voorzien worden in zijn vervanging door een benoeming in overtal bovenop de personeelsformatie van dit rechtscollege.
De effectieve leden ontvangen de wedde die toegekend wordt aan de federale magistraten, overeenkomstig artikel 355bis van het Gerechtelijk Wetboek.
Indien een plaatsvervanger geroepen wordt om gedurende ten minste één maand een effectief lid te vervangen, ontvangt hij per volledige maand, bovenop zijn wedde, het verschil tussen zijn wedde en de wedde van een effectief lid, zoals bepaald in het derde lid.
Indien een plaatsvervanger geroepen wordt om een effectief lid te vervangen, ontvangt hij een toelage per dag waarop hij dit effectief lid vervangt. Deze toelage bedraagt 1/20 van het verschil tussen zijn eigen maandelijkse wedde en de maandelijkse wedde die hem zou worden toegekend indien hij de functie van effectief lid zou vervullen.
[4 Artikel 357, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek is tevens van toepassing op de plaatsvervangende leden van de Commissie.]4
§ 5. De commissie wordt ondersteund door een secretariaat, dat is samengesteld uit personeelsleden die door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten worden gedetacheerd volgens de door de Koning te bepalen nadere regels. De Koning bepaalt tevens het statuut van deze leden, zonder afbreuk te doen aan hun oorspronkelijke administratieve en geldelijke statuut.]1
[6 Voor de financiering van de werking van de commissie wordt een dotatie uitgetrokken op de algemene uitgavenbegroting van de Staat.
De commissie stelt jaarlijks een ontwerp van begroting op voor zijn werking. Bijgestaan door het Rekenhof, onderzoekt de Kamer van volksvertegenwoordigers de gedetailleerde begrotingsvoorstellen van de commissie, zij keurt ze goed en zij controleert de uitvoering van zijn begroting. Zij onderzoekt ze en keurt daarenboven de gedetailleerde rekeningen goed.
De commissie hanteert voor zijn begroting en rekeningen een schema dat vergelijkbaar is met het schema van de begroting en rekeningen van de Kamer van volksvertegenwoordigers.]6
De commissie handelt volledig onafhankelijk in de uitoefening van haar controleopdrachten. Zij staat ook in voor het opstellen van haar huishoudelijk reglement.
De commissie is samengesteld uit drie effectieve leden. Voor elk effectief lid wordt een plaatsvervanger aangewezen.
Op voorstel van de Minister van Justitie en van de Minister van Landsverdediging wijst de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de effectieve leden van de commissie aan, evenals hun plaatsvervangers.
De effectieve leden en hun plaatsvervangers hebben de hoedanigheid van magistraat. Onder de effectieve leden heeft één lid de hoedanigheid van lid van het openbaar ministerie en hebben beide anderen de hoedanigheid van rechter, waarvan één deze van onderzoeksrechter. De plaatsvervangende leden hebben dezelfde hoedanigheid als het effectief lid dat zij vervangen.
[3 De Commissie beslist bij meerderheid van de drie aanwezige effectieve leden of van hun plaatsvervanger of, in geval van verhindering van een van de effectieve leden en diens plaatsvervanger, bij unanimiteit van de twee aanwezige effectieve leden of van hun plaatsvervanger.]3
Het voorzitterschap van de commissie wordt uitgeoefend door de magistraat die de hoedanigheid van onderzoeksrechter heeft.
Met uitzondering van de voorzitter, die voldoende kennis van het Frans en het Nederlands moet hebben, behoren de twee overige effectieve leden elk tot een verschillende taalrol.
§ 2. Op het ogenblik van hun aanwijzing dienen de effectieve en plaatsvervangende leden van de commissie de volgende voorwaarden te vervullen :
1° de leeftijd van veertig jaar hebben bereikt;
2° minstens vijf jaar nuttige ervaring hebben in één van de materies bedoeld in artikel 18/9, § 1;
3° houder zijn van een veiligheidsmachtiging van het niveau " zeer geheim " krachtens de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen;
4° gedurende de periode van vijf jaar voorafgaand aan de aanwijzing geen lid geweest zijn van het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten, noch van het Vast Comité van Toezicht op de inlichtingendiensten, noch van een politiedienst, noch van een inlichtingen- en veiligheidsdienst.
Deze magistraten worden aangewezen voor een termijn van vijf jaar. Dit mandaat kan tweemaal worden hernieuwd. [5 Magistraten kunnen evenwel, aan het einde van hun tweede hernieuwing, opnieuw voor een mandaat van vijf jaar aangewezen worden, en dit volgens de procedure voorzien in paragraaf 1, wanneer er geen andere kandidaten zijn of er geen andere kandidaten geschikt worden bevonden voor het opnemen van een mandaat als effectief of plaatsvervangend lid.]5
[3 Met uitzondering van de plaatsvervangend voorzitter, die voldoende kennis van het Nederlands en het Frans moet hebben, moeten de plaatsvervangende leden]3 tot dezelfde taalrol behoren als de effectieve leden die zij vervangen.
§ 3. In geval van verhindering of afwezigheid van meer dan drie maanden van een van de leden van de commissie, alsook ingeval zijn mandaat vacant is, wordt hij definitief vervangen door zijn plaatsvervanger.
Indien een lid van de commissie ophoudt met het uitoefenen van zijn mandaat, niet langer houder is van de veiligheidsmachtiging bedoeld in § 2, eerste lid, 3°, of aangesteld wordt in een andere functie, waardoor hij de hoedanigheid bedoeld in § 1 verliest, wordt zijn mandaat voleindigd door zijn plaatsvervanger.
Ingeval een plaats van een plaatsvervanger vacant is of indien een plaatsvervanger het mandaat van een effectief lid van de commissie voleindigt met toepassing van het tweede lid, doet de Koning, op voorstel van de Minister van Justitie en de Minister van Landsverdediging, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, een nieuwe aanwijzing.
Indien er ernstige tekortkomingen vastgesteld worden, kan de Koning, op voorstel van de Minister van Justitie en de Minister van Landsverdediging, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, een effectief lid of een plaatsvervanger van zijn functie ontheffen.
§ 4. De effectieve leden oefenen hun functie bij de commissie voltijds uit. Gedurende de duur van hun opdracht handelen de effectieve leden, evenals hun plaatsvervangers, in volstrekte onafhankelijkheid tegenover hun korps van herkomst of tegenover hun hiërarchische overste.
Na de aanwijzing van een effectief lid kan in het rechtscollege waarvan deze magistraat deel uitmaakt, voorzien worden in zijn vervanging door een benoeming in overtal bovenop de personeelsformatie van dit rechtscollege.
De effectieve leden ontvangen de wedde die toegekend wordt aan de federale magistraten, overeenkomstig artikel 355bis van het Gerechtelijk Wetboek.
Indien een plaatsvervanger geroepen wordt om gedurende ten minste één maand een effectief lid te vervangen, ontvangt hij per volledige maand, bovenop zijn wedde, het verschil tussen zijn wedde en de wedde van een effectief lid, zoals bepaald in het derde lid.
Indien een plaatsvervanger geroepen wordt om een effectief lid te vervangen, ontvangt hij een toelage per dag waarop hij dit effectief lid vervangt. Deze toelage bedraagt 1/20 van het verschil tussen zijn eigen maandelijkse wedde en de maandelijkse wedde die hem zou worden toegekend indien hij de functie van effectief lid zou vervullen.
[4 Artikel 357, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek is tevens van toepassing op de plaatsvervangende leden van de Commissie.]4
§ 5. De commissie wordt ondersteund door een secretariaat, dat is samengesteld uit personeelsleden die door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten worden gedetacheerd volgens de door de Koning te bepalen nadere regels. De Koning bepaalt tevens het statuut van deze leden, zonder afbreuk te doen aan hun oorspronkelijke administratieve en geldelijke statuut.]1
Modifications
Art. 43/1. [1 § 1er. Il est créé une commission administrative chargée de la surveillance des méthodes spécifiques et exceptionnelles de recueil de données par les services de renseignement et de sécurité, visées à l'article 18/2.
[6 Une dotation est inscrite au budget général des dépenses de l'Etat pour financer le fonctionnement de la commission.
La commission établit annuellement un projet de budget pour son fonctionnement. Assistée par la Cour des comptes, la Chambre des représentants examine les propositions budgétaires détaillées de la commission. Elle les approuve et contrôle l'exécution du budget de la commission. Elle examine et approuve en outre les comptes détaillés.
Pour son budget et ses comptes, la commission utilise un schéma budgétaire et des comptes comparable à celui qui est utilisé par la Chambre des représentants.]6
La commission effectue sa tâche de contrôle en toute indépendance. Elle est également chargée de la rédaction de son règlement d'ordre intérieur.
La commission est composée de trois membres effectifs. Un suppléant est désigné pour chaque membre effectif.
Le Roi désigne les membres effectifs de la commission, ainsi que leurs suppléants, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, sur proposition du Ministre de la Justice et du Ministre de la Défense.
Les membres effectifs et leurs suppléants ont la qualité de magistrat. Parmi les membres effectifs, un membre a la qualité de magistrat du ministère public et les deux autres ont la qualité de juge, dont un celle de juge d'instruction. Les membres suppléants ont la même qualité que les membres effectifs qu'ils remplacent.
[3 La Commission statue à la majorité des trois membres effectifs présents ou de leur suppléant ou, en cas d'empêchement d'un membre effectif et de son suppléant, à l'unanimité des deux membres effectifs présents ou de leur suppléant.]3
La présidence de la commission est assurée par le magistrat ayant la qualité de juge d'instruction.
A l'exception du président, qui doit avoir une connaissance suffisante du français et du néerlandais, les deux autres membres effectifs appartiennent chacun à un rôle linguistique différent.
§ 2. Au moment de leur désignation, les membres effectifs et les membres suppléants de la commission doivent répondre aux conditions suivantes :
1° avoir atteint l'âge de quarante ans;
2° avoir une expérience utile d'au moins cinq ans dans l'une des matières visées à l'article 18/9, § 1er;
3° être détenteur d'une habilitation de sécurité du niveau " très secret " en vertu de la loi du 11 décembre 1998 relative à la classification et aux habilitations de sécurité, attestations et avis de sécurité;
4° durant une période de cinq ans précédant la désignation, ne pas avoir été membre du Comité permanent de contrôle des services de police, ni du Comité permanent de Contrôle des services de renseignement, ni d'un service de police, ni d'un service de renseignement et de sécurité.
Ces magistrats sont désignés pour une période de cinq ans. Ce mandat est renouvelable deux fois. [5 Les magistrats peuvent cependant, à l'issue de leur deuxième renouvellement, être reconduits pour un nouveau mandat de cinq ans, selon la procédure visée au paragraphe 1er, lorsqu'il n'y a pas d'autres candidats ou lorsqu'aucun candidat n'est jugé apte à exercer un mandat en tant que membre effectif ou suppléant.]5
[3 A l'exception du suppléant du président, qui doit avoir une connaissance suffisante du néerlandais et du français, les membres suppléants doivent]3 être du même rôle linguistique que les membres effectifs qu'ils remplacent.
§ 3. En cas d'empêchement ou d'absence pour une durée de plus de trois mois d'un des membres de la commission, ou si son mandat devient vacant, il est remplacé définitivement par son suppléant.
Si un membre de la commission cesse d'exercer son mandat, n'est plus détenteur de l'habilitation de sécurité visée au § 2, alinéa 1er, 3°, ou est désigné à une autre fonction, de sorte qu'il perd la qualité visée au § 1er, son mandat est achevé par son suppléant.
Lorsque la fonction d'un suppléant est vacante ou lorsqu'un suppléant achève le mandat d'un membre effectif de la commission en application de l'alinéa 2, le Roi, sur proposition du Ministre de la Justice et du Ministre de la Défense, procède, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, à une nouvelle désignation.
En cas de constatation d'une faute grave, le Roi, sur proposition du Ministre de la Justice et du Ministre de la Défense, peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, démettre un membre effectif ou un suppléant de ses fonctions.
§ 4. Les membres effectifs exercent leur fonction à la commission à temps plein. Durant la durée de leur mission, les membres effectifs, ainsi que leurs suppléants, agissent en toute indépendance vis-à-vis du corps dont ils sont issus ou vis-à-vis de leur supérieur hiérarchique.
Après la désignation d'un membre effectif, il peut être pourvu à son remplacement dans la juridiction à laquelle appartient ce magistrat, par une nomination en surnombre par rapport au cadre du personnel de cette juridiction.
Les membres effectifs reçoivent le traitement qui est accordé aux magistraux fédéraux, conformément à l'article 355bis du Code Judiciaire.
Lorsqu'un suppléant est appelé à remplacer un membre effectif pour une durée d'au moins un mois, il perçoit par mois complet, en plus de son traitement, la différence entre ce dernier et celui de membre effectif, déterminé à l'alinéa 3.
Si un suppléant est appelé à remplacer un membre effectif, il perçoit une allocation par jour de remplacement de ce membre effectif. Cette allocation s'élève à 1/20 de la différence entre son traitement mensuel et le traitement mensuel qui lui serait accordé s'il remplissait la fonction de membre effectif.
[4 L'article 357, § 2, du Code judiciaire s'applique également aux membres suppléants de la Commission.]4
§ 5. La commission est soutenue par un secrétariat composé de membres du personnel détachés par les services de renseignement et de sécurité suivant les modalités à définir par le Roi. Le Roi détermine également le statut de ces membres, sans porter atteinte à leur statut administratif et pécuniaire d'origine.]1
[6 Une dotation est inscrite au budget général des dépenses de l'Etat pour financer le fonctionnement de la commission.
La commission établit annuellement un projet de budget pour son fonctionnement. Assistée par la Cour des comptes, la Chambre des représentants examine les propositions budgétaires détaillées de la commission. Elle les approuve et contrôle l'exécution du budget de la commission. Elle examine et approuve en outre les comptes détaillés.
Pour son budget et ses comptes, la commission utilise un schéma budgétaire et des comptes comparable à celui qui est utilisé par la Chambre des représentants.]6
La commission effectue sa tâche de contrôle en toute indépendance. Elle est également chargée de la rédaction de son règlement d'ordre intérieur.
La commission est composée de trois membres effectifs. Un suppléant est désigné pour chaque membre effectif.
Le Roi désigne les membres effectifs de la commission, ainsi que leurs suppléants, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, sur proposition du Ministre de la Justice et du Ministre de la Défense.
Les membres effectifs et leurs suppléants ont la qualité de magistrat. Parmi les membres effectifs, un membre a la qualité de magistrat du ministère public et les deux autres ont la qualité de juge, dont un celle de juge d'instruction. Les membres suppléants ont la même qualité que les membres effectifs qu'ils remplacent.
[3 La Commission statue à la majorité des trois membres effectifs présents ou de leur suppléant ou, en cas d'empêchement d'un membre effectif et de son suppléant, à l'unanimité des deux membres effectifs présents ou de leur suppléant.]3
La présidence de la commission est assurée par le magistrat ayant la qualité de juge d'instruction.
A l'exception du président, qui doit avoir une connaissance suffisante du français et du néerlandais, les deux autres membres effectifs appartiennent chacun à un rôle linguistique différent.
§ 2. Au moment de leur désignation, les membres effectifs et les membres suppléants de la commission doivent répondre aux conditions suivantes :
1° avoir atteint l'âge de quarante ans;
2° avoir une expérience utile d'au moins cinq ans dans l'une des matières visées à l'article 18/9, § 1er;
3° être détenteur d'une habilitation de sécurité du niveau " très secret " en vertu de la loi du 11 décembre 1998 relative à la classification et aux habilitations de sécurité, attestations et avis de sécurité;
4° durant une période de cinq ans précédant la désignation, ne pas avoir été membre du Comité permanent de contrôle des services de police, ni du Comité permanent de Contrôle des services de renseignement, ni d'un service de police, ni d'un service de renseignement et de sécurité.
Ces magistrats sont désignés pour une période de cinq ans. Ce mandat est renouvelable deux fois. [5 Les magistrats peuvent cependant, à l'issue de leur deuxième renouvellement, être reconduits pour un nouveau mandat de cinq ans, selon la procédure visée au paragraphe 1er, lorsqu'il n'y a pas d'autres candidats ou lorsqu'aucun candidat n'est jugé apte à exercer un mandat en tant que membre effectif ou suppléant.]5
[3 A l'exception du suppléant du président, qui doit avoir une connaissance suffisante du néerlandais et du français, les membres suppléants doivent]3 être du même rôle linguistique que les membres effectifs qu'ils remplacent.
§ 3. En cas d'empêchement ou d'absence pour une durée de plus de trois mois d'un des membres de la commission, ou si son mandat devient vacant, il est remplacé définitivement par son suppléant.
Si un membre de la commission cesse d'exercer son mandat, n'est plus détenteur de l'habilitation de sécurité visée au § 2, alinéa 1er, 3°, ou est désigné à une autre fonction, de sorte qu'il perd la qualité visée au § 1er, son mandat est achevé par son suppléant.
Lorsque la fonction d'un suppléant est vacante ou lorsqu'un suppléant achève le mandat d'un membre effectif de la commission en application de l'alinéa 2, le Roi, sur proposition du Ministre de la Justice et du Ministre de la Défense, procède, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, à une nouvelle désignation.
En cas de constatation d'une faute grave, le Roi, sur proposition du Ministre de la Justice et du Ministre de la Défense, peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, démettre un membre effectif ou un suppléant de ses fonctions.
§ 4. Les membres effectifs exercent leur fonction à la commission à temps plein. Durant la durée de leur mission, les membres effectifs, ainsi que leurs suppléants, agissent en toute indépendance vis-à-vis du corps dont ils sont issus ou vis-à-vis de leur supérieur hiérarchique.
Après la désignation d'un membre effectif, il peut être pourvu à son remplacement dans la juridiction à laquelle appartient ce magistrat, par une nomination en surnombre par rapport au cadre du personnel de cette juridiction.
Les membres effectifs reçoivent le traitement qui est accordé aux magistraux fédéraux, conformément à l'article 355bis du Code Judiciaire.
Lorsqu'un suppléant est appelé à remplacer un membre effectif pour une durée d'au moins un mois, il perçoit par mois complet, en plus de son traitement, la différence entre ce dernier et celui de membre effectif, déterminé à l'alinéa 3.
Si un suppléant est appelé à remplacer un membre effectif, il perçoit une allocation par jour de remplacement de ce membre effectif. Cette allocation s'élève à 1/20 de la différence entre son traitement mensuel et le traitement mensuel qui lui serait accordé s'il remplissait la fonction de membre effectif.
[4 L'article 357, § 2, du Code judiciaire s'applique également aux membres suppléants de la Commission.]4
§ 5. La commission est soutenue par un secrétariat composé de membres du personnel détachés par les services de renseignement et de sécurité suivant les modalités à définir par le Roi. Le Roi détermine également le statut de ces membres, sans porter atteinte à leur statut administratif et pécuniaire d'origine.]1
Modifications
Hoofdstuk IV/2. [1 De controle a posteriori van de specifieke en uitzonderlijke methoden voor het verzamelen van gegevens door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten]1
Chapitre IV/2. [1 - Du contrôle a posteriori des méthodes spécifiques et exceptionnelles de recueil de données par les services de renseignement et de sécurité]1
Art. 43/2. [1 Onverminderd de bevoegdheden omschreven in artikel 1 van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op de politie- en inlichtingendiensten en op het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse en [2 in artikel 44/4]2 van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, is het Vast Comité I ermee belast a posteriori de in artikel 18/2 bedoelde specifieke en uitzonderlijke methoden voor het verzamelen van gegevens door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten te controleren.
Het Vast Comité I spreekt zich uit over de wettelijkheid van de beslissingen met betrekking tot deze methoden, alsook op de naleving van de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit, bepaald bij de artikelen 18/3, § 1, eerste lid, en 18/9, § § 2 en 3.]1
Het Vast Comité I spreekt zich uit over de wettelijkheid van de beslissingen met betrekking tot deze methoden, alsook op de naleving van de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit, bepaald bij de artikelen 18/3, § 1, eerste lid, en 18/9, § § 2 en 3.]1
Art. 43/2. [1 Sans préjudice des compétences définies à l'article 1er de la loi du 18 juillet 1991 organique du contrôle des services de police et de renseignement et de l'Organe de coordination pour l'analyse de la menace et [2 à l'article 44/4]2 de la loi du 30 novembre 1998 organique des services de renseignement et de sécurité, le Comité permanent R est chargé du contrôle a posteriori des méthodes spécifiques et exceptionnelles de recueil de données par les services de renseignement et de sécurité visées à l'article 18/2.
Il se prononce sur la légalité des décisions relatives à ces méthodes, ainsi que sur le respect des principes de proportionnalité et de subsidiarité prévus aux articles 18/3, § 1er, alinéa 1er, et 18/9, § § 2 et 3.]1
Il se prononce sur la légalité des décisions relatives à ces méthodes, ainsi que sur le respect des principes de proportionnalité et de subsidiarité prévus aux articles 18/3, § 1er, alinéa 1er, et 18/9, § § 2 et 3.]1
Art. 43/3. [1 [3 ...]3
Alle [3 beslissingen, machtigingen, adviezen, akkoorden en bevestigingen]3 omtrent specifieke en uitzonderlijke methoden voor het verzamelen van gegevens worden door de bevoegde overheid onverwijld ter kennis gebracht aan het Vast Comité I, overeenkomstig de door de Koning te bepalen nadere regels.]1
Alle [3 beslissingen, machtigingen, adviezen, akkoorden en bevestigingen]3 omtrent specifieke en uitzonderlijke methoden voor het verzamelen van gegevens worden door de bevoegde overheid onverwijld ter kennis gebracht aan het Vast Comité I, overeenkomstig de door de Koning te bepalen nadere regels.]1
Art. 43/3. [1 [3 ...]3
L'ensemble des [3 décisions, autorisations, avis, accords et confirmations]3 concernant des méthodes spécifiques et exceptionnelles de recueil de données sont portés sans délai à la connaissance du Comité permanent R par l'autorité compétente, suivant les modalités à fixer par le Roi.]1
L'ensemble des [3 décisions, autorisations, avis, accords et confirmations]3 concernant des méthodes spécifiques et exceptionnelles de recueil de données sont portés sans délai à la connaissance du Comité permanent R par l'autorité compétente, suivant les modalités à fixer par le Roi.]1
Art. 43/4. [1 Het Vast Comité I handelt :
- ofwel op eigen initiatief;
- ofwel op verzoek van [2 een Gegevensbeschermingsautoriteit]2, volgens de nadere regels door de Koning bepaald, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, na advies [2 ...]2 van het Vast Comité I;
- ofwel op klacht, die op straffe van nietigheid schriftelijk gebeurt en de grieven vermeldt, van een ieder die een persoonlijk en rechtmatig belang kan aantonen, tenzij de klacht kennelijk niet gegrond is;
- telkens als de commissie een specifieke of een uitzonderlijke methode wegens onwettigheid heeft geschorst en de exploitatie van de gegevens heeft verboden wegens wederrechtelijkheid van een specifieke of uitzonderlijke methode;
- telkens als de bevoegde minister een beslissing heeft genomen op basis van artikel 18/10, § 3.
Het Vast Comité I beslist binnen een termijn van een maand volgend op de dag waarop het werd geadieerd overeenkomstig het eerste lid.
De beslissing van het Vast Comité I om geen gevolg te geven aan een klacht wordt met redenen omkleed en ter kennis gebracht van de klager.
Tenzij het Vast Comité I anders beslist, heeft zijn controle geen schorsende werking.]1
- ofwel op eigen initiatief;
- ofwel op verzoek van [2 een Gegevensbeschermingsautoriteit]2, volgens de nadere regels door de Koning bepaald, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, na advies [2 ...]2 van het Vast Comité I;
- ofwel op klacht, die op straffe van nietigheid schriftelijk gebeurt en de grieven vermeldt, van een ieder die een persoonlijk en rechtmatig belang kan aantonen, tenzij de klacht kennelijk niet gegrond is;
- telkens als de commissie een specifieke of een uitzonderlijke methode wegens onwettigheid heeft geschorst en de exploitatie van de gegevens heeft verboden wegens wederrechtelijkheid van een specifieke of uitzonderlijke methode;
- telkens als de bevoegde minister een beslissing heeft genomen op basis van artikel 18/10, § 3.
Het Vast Comité I beslist binnen een termijn van een maand volgend op de dag waarop het werd geadieerd overeenkomstig het eerste lid.
De beslissing van het Vast Comité I om geen gevolg te geven aan een klacht wordt met redenen omkleed en ter kennis gebracht van de klager.
Tenzij het Vast Comité I anders beslist, heeft zijn controle geen schorsende werking.]1
Art. 43/4. [1 Le Comité permanent R agit :
- soit d'initiative;
- soit à la demande [2 d'une Autorité de protection des données]2 suivant les modalités déterminées par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, après avis [2 ...]2 du Comité permanent R;
- soit à la suite du dépôt d'une plainte, qui, à peine de nullité, est écrite et précise les griefs, de toute personne qui peut justifier d'un intérêt personnel et légitime, sauf si la plainte est manifestement non fondée;
- soit chaque fois que la commission a suspendu l'utilisation d'une méthode spécifique ou d'une méthode exceptionnelle pour cause d'illégalité et a interdit l'exploitation des données pour cause d'illégalité d'une méthode spécifique ou d'une méthode exceptionnelle;
- soit chaque fois que le ministre compétent a pris une décision sur la base de l'article 18/10, § 3.
Le Comité permanent R se prononce dans un délai d'un mois suivant la date à laquelle il a été saisi conformément à l'alinéa 1er.
La décision du Comité permanent R de ne pas donner suite à une plainte est motivée et notifiée au plaignant.
Son contrôle n'est pas suspensif sauf si le Comité permanent R en décide autrement.]1
- soit d'initiative;
- soit à la demande [2 d'une Autorité de protection des données]2 suivant les modalités déterminées par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, après avis [2 ...]2 du Comité permanent R;
- soit à la suite du dépôt d'une plainte, qui, à peine de nullité, est écrite et précise les griefs, de toute personne qui peut justifier d'un intérêt personnel et légitime, sauf si la plainte est manifestement non fondée;
- soit chaque fois que la commission a suspendu l'utilisation d'une méthode spécifique ou d'une méthode exceptionnelle pour cause d'illégalité et a interdit l'exploitation des données pour cause d'illégalité d'une méthode spécifique ou d'une méthode exceptionnelle;
- soit chaque fois que le ministre compétent a pris une décision sur la base de l'article 18/10, § 3.
Le Comité permanent R se prononce dans un délai d'un mois suivant la date à laquelle il a été saisi conformément à l'alinéa 1er.
La décision du Comité permanent R de ne pas donner suite à une plainte est motivée et notifiée au plaignant.
Son contrôle n'est pas suspensif sauf si le Comité permanent R en décide autrement.]1
Art. 43/5. [1 § 1. De controle op de uitzonderlijke methoden voor het verzamelen van gegevens wordt onder meer uitgeoefend op grond van de documenten die door de commissie worden verstrekt overeenkomstig artikel 18/10, § 7, en van het in artikel 18/17, § 6, bedoelde bijzonder register, dat voortdurend ter beschikking wordt gehouden van het Vast Comité I, en op grond van elk ander nuttig document dat door de commissie wordt verstrekt of waarvan de overlegging door het Vast Comité I wordt gevorderd.
De controle op de specifieke methoden wordt [5 ...]5 uitgeoefend op grond van [5 ...]5 en van elk [5 ...]5 nuttig document dat door de commissie wordt verstrekt of waarvan de overlegging door het Vast Comité I wordt gevorderd.
Het Vast Comité I beschikt over het volledige dossier dat werd samengesteld door de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst, alsook over dat van de commissie en kan van de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst en de commissie de mededeling vorderen van iedere aanvullende informatie die het nuttig acht voor de controle waartoe het gemachtigd is. De betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst en de commissie zijn ertoe gehouden onverwijld gevolg te geven aan deze vordering.
§ 2. Het Vast Comité I, kan onderzoeksopdrachten toevertrouwen aan de Dienst enquêtes van het Vast Comité I. Deze dienst beschikt in dit kader over alle hem door de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten en op het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse toegekende bevoegdheden.
§ 3. De klager en zijn advocaat kunnen op de griffie van het Vast Comité I, gedurende vijf werkdagen, het dossier raadplegen op de dagen en uren medegedeeld door dit Comité. Dit dossier bevat alle informatie en inlichtingen die ter zake relevant zijn, met uitzondering van die welke afbreuk doen aan de bescherming van bronnen, de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van derden, de classificatieregels bepaald bij de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen, of de vervulling van de in de artikelen 7 [4 ...]4 en 11 omschreven opdrachten van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.
De betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst wordt in de gelegenheid gesteld vooraf zijn advies te verlenen omtrent de gegevens die in het dossier dat ter inzage ligt, worden opgenomen.
[5 Behalve indien dit de opdrachten van de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst kan schaden, blijkt uit het voor de klager en diens advocaat toegankelijke dossier minstens:]5
1° het juridisch kader dat het gebruik van de specifieke of uitzonderlijke methode voor het verzamelen van gegevens heeft gerechtvaardigd;
2° de aard van de [3 dreiging]3 en de graad van de ernst ervan die het beroep op de specifieke of uitzonderlijke methode voor het verzamelen van gegevens hebben gerechtvaardigd;
3° het type van persoonsgegevens verzameld tijdens het gebruik van de specifieke of uitzonderlijke methode voor zover die persoonsgegevens enkel betrekking hebben op de klager.
§ 4. Het Vast Comité I kan de leden van de commissie horen, alsook het diensthoofd van de betrokken dienst en de leden van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten die de specifieke of uitzonderlijke methoden voor het verzamelen van gegevens hebben aangewend. Zij worden gehoord buiten aanwezigheid van de klager of diens advocaat.
De leden van [5 de inlichtingen- en veiligheidsdiensten]5 zijn verplicht geheimen waarvan zij kennis dragen aan het Vast Comité I bekend te maken. Indien deze geheimen betrekking hebben op een lopend opsporings- of gerechtelijk onderzoek, pleegt het Vast Comité I hierover vooraf overleg met de bevoegde magistraat.
Indien het lid van de inlichtingen- en veiligheidsdienst meent het geheim waarvan hij drager is te moeten bewaren omdat de onthulling ervan nadelig is voor de bescherming van de bronnen, de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van derden of de vervulling van de in de artikelen 7 [4 ...]4 en 11 omschreven opdrachten van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, wordt de kwestie voorgelegd aan de voorzitter van het Vast Comité I, die uitspraak doet na het diensthoofd te hebben gehoord.
Op hun verzoek worden de klager en zijn advocaat door het Vast Comité I gehoord.]1
De controle op de specifieke methoden wordt [5 ...]5 uitgeoefend op grond van [5 ...]5 en van elk [5 ...]5 nuttig document dat door de commissie wordt verstrekt of waarvan de overlegging door het Vast Comité I wordt gevorderd.
Het Vast Comité I beschikt over het volledige dossier dat werd samengesteld door de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst, alsook over dat van de commissie en kan van de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst en de commissie de mededeling vorderen van iedere aanvullende informatie die het nuttig acht voor de controle waartoe het gemachtigd is. De betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst en de commissie zijn ertoe gehouden onverwijld gevolg te geven aan deze vordering.
§ 2. Het Vast Comité I, kan onderzoeksopdrachten toevertrouwen aan de Dienst enquêtes van het Vast Comité I. Deze dienst beschikt in dit kader over alle hem door de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten en op het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse toegekende bevoegdheden.
§ 3. De klager en zijn advocaat kunnen op de griffie van het Vast Comité I, gedurende vijf werkdagen, het dossier raadplegen op de dagen en uren medegedeeld door dit Comité. Dit dossier bevat alle informatie en inlichtingen die ter zake relevant zijn, met uitzondering van die welke afbreuk doen aan de bescherming van bronnen, de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van derden, de classificatieregels bepaald bij de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen, of de vervulling van de in de artikelen 7 [4 ...]4 en 11 omschreven opdrachten van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.
De betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst wordt in de gelegenheid gesteld vooraf zijn advies te verlenen omtrent de gegevens die in het dossier dat ter inzage ligt, worden opgenomen.
[5 Behalve indien dit de opdrachten van de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst kan schaden, blijkt uit het voor de klager en diens advocaat toegankelijke dossier minstens:]5
1° het juridisch kader dat het gebruik van de specifieke of uitzonderlijke methode voor het verzamelen van gegevens heeft gerechtvaardigd;
2° de aard van de [3 dreiging]3 en de graad van de ernst ervan die het beroep op de specifieke of uitzonderlijke methode voor het verzamelen van gegevens hebben gerechtvaardigd;
3° het type van persoonsgegevens verzameld tijdens het gebruik van de specifieke of uitzonderlijke methode voor zover die persoonsgegevens enkel betrekking hebben op de klager.
§ 4. Het Vast Comité I kan de leden van de commissie horen, alsook het diensthoofd van de betrokken dienst en de leden van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten die de specifieke of uitzonderlijke methoden voor het verzamelen van gegevens hebben aangewend. Zij worden gehoord buiten aanwezigheid van de klager of diens advocaat.
De leden van [5 de inlichtingen- en veiligheidsdiensten]5 zijn verplicht geheimen waarvan zij kennis dragen aan het Vast Comité I bekend te maken. Indien deze geheimen betrekking hebben op een lopend opsporings- of gerechtelijk onderzoek, pleegt het Vast Comité I hierover vooraf overleg met de bevoegde magistraat.
Indien het lid van de inlichtingen- en veiligheidsdienst meent het geheim waarvan hij drager is te moeten bewaren omdat de onthulling ervan nadelig is voor de bescherming van de bronnen, de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van derden of de vervulling van de in de artikelen 7 [4 ...]4 en 11 omschreven opdrachten van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, wordt de kwestie voorgelegd aan de voorzitter van het Vast Comité I, die uitspraak doet na het diensthoofd te hebben gehoord.
Op hun verzoek worden de klager en zijn advocaat door het Vast Comité I gehoord.]1
Modifications
Art. 43/5. [1 § 1er. Le contrôle des méthodes exceptionnelles de recueil de données s'effectue notamment sur la base des documents communiqués par la commission conformément à l'article 18/10, § 7, et du registre spécial visé à l'article 18/17, § 6, lequel est tenu en permanence à la disposition du Comité permanent R, et sur la base de tout autre document utile produit par la commission ou dont le Comité permanent R demande la production.
Le contrôle des méthodes spécifiques s'effectue [4 ...]4 sur la base [4 ...]4 de tout [4 ...]4 document utile produit par la commission ou dont le Comité permanent R demande la production.
Le Comité permanent R dispose du dossier complet établi par le service de renseignement et de sécurité concerné, ainsi que de celui de la commission, et peut requérir du service de renseignement et de sécurité concerné et de la commission la communication de toute information complémentaire qu'il juge utile au contrôle dont il est investi. Le service de renseignement et de sécurité concerné et la commission sont tenus de répondre sans délai à cette demande.
§ 2. Le Comité permanent R peut confier des missions d'enquête au Service d'enquêtes du Comité permanent R. Ce service dispose, dans ce cadre, de toutes les compétences qui lui ont été attribuées par la loi du 18 juillet 1991 organique du contrôle des services de police et de renseignement et de l'Organe de coordination pour l'analyse de la menace.
§ 3. Le plaignant et son avocat peuvent consulter le dossier au greffe du Comité permanent R pendant cinq jours ouvrables, aux dates et heures communiquées par ce Comité. Ce dossier contient tous les éléments et renseignements pertinents en la matière, à l'exception de ceux qui portent atteinte à la protection des sources, à la protection de la vie privée de tiers, aux règles de classification énoncées par la loi du 11 décembre 1998 relative à la classification et aux habilitations, attestations et avis de sécurité, ou à l'accomplissement des missions des services de renseignement et de sécurité définies aux articles 7 [3 ...]3 et 11.
Le service de renseignement et de sécurité concerné se voit offrir la possibilité de donner au préalable son avis sur les données enregistrées dans le dossier qui peut être consulté.
[4 Sauf si cela peut porter atteinte aux missions du service de renseignement et de sécurité concerné]4, le dossier accessible au plaignant et à son avocat permet au moins de déterminer :
1° le cadre juridique qui a fondé le recours à une méthode spécifique ou exceptionnelle de recueil des données;
2° la nature de la menace et son degré de gravité qui ont justifié le recours à la méthode spécifique ou exceptionnelle de recueil de données;
3° le type de données à caractère personnel recueillies lors de la mise en oeuvre de la méthode spécifique ou exceptionnelle, pour autant que ces données n'aient trait qu'au plaignant.
§ 4. Le Comité permanent R peut entendre les membres de la commission, le dirigeant du service concerné et les membres des services de renseignement et de sécurité qui ont mis en oeuvre les méthodes spécifiques ou exceptionnelles de recueil de données. Les intéressés sont entendus en l'absence du plaignant ou de son avocat.
Les membres [4 des services de renseignement et de sécurité]4 sont obligés de révéler au Comité permanent R les secrets dont ils sont dépositaires. Si ces secrets concernent une information ou une instruction en cours, le Comité permanent R se concerte préalablement à ce sujet avec le magistrat compétent.
Si le membre du service de renseignement et de sécurité estime devoir garder le secret dont il est dépositaire parce que sa divulgation est de nature à porter préjudice à la protection des sources, à la protection de la vie privée de tiers ou à l'accomplissement des missions des services de renseignement et de sécurité telles qu'elles sont définies aux articles 7 [3 ...]3 et 11, la question est soumise au président du Comité permanent R, qui statue après avoir entendu le dirigeant du service.
A leur demande, le plaignant et son avocat sont entendus par le Comité permanent R.]1
Le contrôle des méthodes spécifiques s'effectue [4 ...]4 sur la base [4 ...]4 de tout [4 ...]4 document utile produit par la commission ou dont le Comité permanent R demande la production.
Le Comité permanent R dispose du dossier complet établi par le service de renseignement et de sécurité concerné, ainsi que de celui de la commission, et peut requérir du service de renseignement et de sécurité concerné et de la commission la communication de toute information complémentaire qu'il juge utile au contrôle dont il est investi. Le service de renseignement et de sécurité concerné et la commission sont tenus de répondre sans délai à cette demande.
§ 2. Le Comité permanent R peut confier des missions d'enquête au Service d'enquêtes du Comité permanent R. Ce service dispose, dans ce cadre, de toutes les compétences qui lui ont été attribuées par la loi du 18 juillet 1991 organique du contrôle des services de police et de renseignement et de l'Organe de coordination pour l'analyse de la menace.
§ 3. Le plaignant et son avocat peuvent consulter le dossier au greffe du Comité permanent R pendant cinq jours ouvrables, aux dates et heures communiquées par ce Comité. Ce dossier contient tous les éléments et renseignements pertinents en la matière, à l'exception de ceux qui portent atteinte à la protection des sources, à la protection de la vie privée de tiers, aux règles de classification énoncées par la loi du 11 décembre 1998 relative à la classification et aux habilitations, attestations et avis de sécurité, ou à l'accomplissement des missions des services de renseignement et de sécurité définies aux articles 7 [3 ...]3 et 11.
Le service de renseignement et de sécurité concerné se voit offrir la possibilité de donner au préalable son avis sur les données enregistrées dans le dossier qui peut être consulté.
[4 Sauf si cela peut porter atteinte aux missions du service de renseignement et de sécurité concerné]4, le dossier accessible au plaignant et à son avocat permet au moins de déterminer :
1° le cadre juridique qui a fondé le recours à une méthode spécifique ou exceptionnelle de recueil des données;
2° la nature de la menace et son degré de gravité qui ont justifié le recours à la méthode spécifique ou exceptionnelle de recueil de données;
3° le type de données à caractère personnel recueillies lors de la mise en oeuvre de la méthode spécifique ou exceptionnelle, pour autant que ces données n'aient trait qu'au plaignant.
§ 4. Le Comité permanent R peut entendre les membres de la commission, le dirigeant du service concerné et les membres des services de renseignement et de sécurité qui ont mis en oeuvre les méthodes spécifiques ou exceptionnelles de recueil de données. Les intéressés sont entendus en l'absence du plaignant ou de son avocat.
Les membres [4 des services de renseignement et de sécurité]4 sont obligés de révéler au Comité permanent R les secrets dont ils sont dépositaires. Si ces secrets concernent une information ou une instruction en cours, le Comité permanent R se concerte préalablement à ce sujet avec le magistrat compétent.
Si le membre du service de renseignement et de sécurité estime devoir garder le secret dont il est dépositaire parce que sa divulgation est de nature à porter préjudice à la protection des sources, à la protection de la vie privée de tiers ou à l'accomplissement des missions des services de renseignement et de sécurité telles qu'elles sont définies aux articles 7 [3 ...]3 et 11, la question est soumise au président du Comité permanent R, qui statue après avoir entendu le dirigeant du service.
A leur demande, le plaignant et son avocat sont entendus par le Comité permanent R.]1
Art. 43/6. [1 § 1. Wanneer het Vast Comité I de onwettigheid van de beslissingen met betrekking tot specifieke of uitzonderlijke methoden voor het verzamelen van gegevens vaststelt, beveelt het de stopzetting van de betrokken methode indien deze nog steeds in uitvoering is of indien zij werd geschorst door de commissie en beveelt het dat de gegevens die met deze methode werden verkregen niet mogen worden geëxploiteerd en dienen te worden vernietigd, volgens de door de Koning na advies van [3 ...]3 het Vast Comité I te bepalen nadere regels.
De met redenen omklede beslissing wordt onverwijld meegedeeld aan het diensthoofd, aan de betrokken minister, aan de commissie en, in voorkomend geval, aan [3 een Gegevensbeschermings- autoriteit]3.
Wanneer het Vast Comité I meent dat een specifieke of uitzonderlijke methode voor het verzamelen van gegevens in overeenstemming is met de bepalingen van deze wet, terwijl de commissie de exploitatie van de met deze methode verzamelde gegevens had verboden, evenals de schorsing van deze methode had opgelegd, heft het Vast Comité I het verbod en de schorsing op door middel van een met redenen omklede beslissing en licht het onverwijld het diensthoofd, de bevoegde minister en de commissie hierover in.
§ 2. In geval van klacht wordt van de beslissing kennis gegeven aan de klager onder de volgende voorwaarde : elke informatie die een aantasting zou kunnen vormen van de verdediging van de onschendbaarheid van het nationaal grondgebied, van de militaire defensieplannen, van de vervulling van de opdrachten van de strijdkrachten, van de veiligheid van de Belgische onderdanen in het buitenland, van de inwendige veiligheid van de Staat, inbegrepen op het vlak van de kernenergie, van het voortbestaan van de democratische en grondwettelijke orde, van de uitwendige veiligheid van de Staat en de internationale betrekkingen, van de werking van de beslissingsorganen van de Staat, van de bescherming van de bronnen of van de bescherming van het privéleven van derden, wordt, onder verwijzing naar deze wetsbepaling, uit het ter kennis gebrachte afschrift van de beslissing geweerd.
Eenzelfde werkwijze wordt gehanteerd indien de beslissing informatie bevat die een aantasting zou kunnen vormen van [2 het geheim van het opsporings- of gerechtelijk onderzoek]2, indien gegevens betrekking hebben op een lopend opsporings- of gerechtelijk onderzoek.]1
De met redenen omklede beslissing wordt onverwijld meegedeeld aan het diensthoofd, aan de betrokken minister, aan de commissie en, in voorkomend geval, aan [3 een Gegevensbeschermings- autoriteit]3.
Wanneer het Vast Comité I meent dat een specifieke of uitzonderlijke methode voor het verzamelen van gegevens in overeenstemming is met de bepalingen van deze wet, terwijl de commissie de exploitatie van de met deze methode verzamelde gegevens had verboden, evenals de schorsing van deze methode had opgelegd, heft het Vast Comité I het verbod en de schorsing op door middel van een met redenen omklede beslissing en licht het onverwijld het diensthoofd, de bevoegde minister en de commissie hierover in.
§ 2. In geval van klacht wordt van de beslissing kennis gegeven aan de klager onder de volgende voorwaarde : elke informatie die een aantasting zou kunnen vormen van de verdediging van de onschendbaarheid van het nationaal grondgebied, van de militaire defensieplannen, van de vervulling van de opdrachten van de strijdkrachten, van de veiligheid van de Belgische onderdanen in het buitenland, van de inwendige veiligheid van de Staat, inbegrepen op het vlak van de kernenergie, van het voortbestaan van de democratische en grondwettelijke orde, van de uitwendige veiligheid van de Staat en de internationale betrekkingen, van de werking van de beslissingsorganen van de Staat, van de bescherming van de bronnen of van de bescherming van het privéleven van derden, wordt, onder verwijzing naar deze wetsbepaling, uit het ter kennis gebrachte afschrift van de beslissing geweerd.
Eenzelfde werkwijze wordt gehanteerd indien de beslissing informatie bevat die een aantasting zou kunnen vormen van [2 het geheim van het opsporings- of gerechtelijk onderzoek]2, indien gegevens betrekking hebben op een lopend opsporings- of gerechtelijk onderzoek.]1
Art. 43/6. [1 § 1er. Si le Comité permanent R constate que les décisions relatives à des méthodes spécifiques ou exceptionnelles de recueil de données sont illégales, il ordonne la cessation de la méthode concernée si celle-ci est toujours en cours ou si elle a été suspendue par la commission, et ordonne l'interdiction d'exploiter les données recueillies grâce à cette méthode et leur destruction, selon les modalités à fixer par le Roi après avis [3 ...]3 du Comité permanent R.
La décision motivée est communiquée sans délai au dirigeant du service, au ministre concerné, à la commission et, le cas échéant, à [3 une Autorité de protection des données]3.
Lorsque le Comité permanent R estime qu'une méthode spécifique ou exceptionnelle de recueil des données est conforme aux dispositions de la présente loi, alors que la commission avait ordonné l'interdiction d'exploiter les données recueillies grâce à cette méthode ainsi que la suspension de cette méthode, le Comité permanent R lève l'interdiction et la suspension par une décision motivée et en avise sans délai le dirigeant du service, le ministre compétent et la commission.
§ 2. En cas de plainte, la décision est portée à la connaissance du plaignant à la condition suivante : toute information de nature à porter atteinte à la défense de l'intégrité du territoire national, aux plans de défense militaires, à l'accomplissement des missions des forces armées, à la sécurité des ressortissants belges à l'étranger, à la sûreté intérieure de l'Etat, y compris dans le domaine de l'énergie nucléaire, à la pérennité de l'ordre démocratique et constitutionnel, à la sûreté extérieure de l'Etat et aux relations internationales, au fonctionnement des organes décisionnels de l'Etat, à la protection des sources ou à la protection de la vie privée de tiers, est supprimée, avec référence à la présente disposition, de la copie de la décision notifiée.
La même procédure sera appliquée lorsque la décision contient des informations de nature à porter atteinte [2 au secret de l'information ou de l'instruction judiciaire]2 si des données se rapportent à une information ou une instruction judiciaire en cours.]1
La décision motivée est communiquée sans délai au dirigeant du service, au ministre concerné, à la commission et, le cas échéant, à [3 une Autorité de protection des données]3.
Lorsque le Comité permanent R estime qu'une méthode spécifique ou exceptionnelle de recueil des données est conforme aux dispositions de la présente loi, alors que la commission avait ordonné l'interdiction d'exploiter les données recueillies grâce à cette méthode ainsi que la suspension de cette méthode, le Comité permanent R lève l'interdiction et la suspension par une décision motivée et en avise sans délai le dirigeant du service, le ministre compétent et la commission.
§ 2. En cas de plainte, la décision est portée à la connaissance du plaignant à la condition suivante : toute information de nature à porter atteinte à la défense de l'intégrité du territoire national, aux plans de défense militaires, à l'accomplissement des missions des forces armées, à la sécurité des ressortissants belges à l'étranger, à la sûreté intérieure de l'Etat, y compris dans le domaine de l'énergie nucléaire, à la pérennité de l'ordre démocratique et constitutionnel, à la sûreté extérieure de l'Etat et aux relations internationales, au fonctionnement des organes décisionnels de l'Etat, à la protection des sources ou à la protection de la vie privée de tiers, est supprimée, avec référence à la présente disposition, de la copie de la décision notifiée.
La même procédure sera appliquée lorsque la décision contient des informations de nature à porter atteinte [2 au secret de l'information ou de l'instruction judiciaire]2 si des données se rapportent à une information ou une instruction judiciaire en cours.]1
Art. 43/7. [1 § 1. Indien het Vast Comité I optreedt in het kader van dit hoofdstuk, wordt de griffie waargenomen door de griffier van het Vast Comité I of door een door hem aangewezen personeelslid van niveau 1.
§ 2. De leden van het Vast Comité I, de griffiers, de leden van de Dienst enquêtes en het administratief personeel zijn tot geheimhouding verplicht ten aanzien van de feiten, daden of inlichtingen waarvan zij kennis hebben door de medewerking die zij verlenen aan de toepassing van deze wet. Zij kunnen de gegevens en inlichtingen die zij in dit kader verkrijgen evenwel aanwenden bij de vervulling van hun opdracht, zoals vastgesteld in artikel 1 van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten en het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse.
Onverminderd artikel 458 van het Strafwetboek worden zij gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar en met geldboete van honderd euro tot vierduizend euro of met een van die straffen alleen, indien zij die geheimen onthullen in andere omstandigheden dan die bepaald bij deze wet.]1
§ 2. De leden van het Vast Comité I, de griffiers, de leden van de Dienst enquêtes en het administratief personeel zijn tot geheimhouding verplicht ten aanzien van de feiten, daden of inlichtingen waarvan zij kennis hebben door de medewerking die zij verlenen aan de toepassing van deze wet. Zij kunnen de gegevens en inlichtingen die zij in dit kader verkrijgen evenwel aanwenden bij de vervulling van hun opdracht, zoals vastgesteld in artikel 1 van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten en het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse.
Onverminderd artikel 458 van het Strafwetboek worden zij gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar en met geldboete van honderd euro tot vierduizend euro of met een van die straffen alleen, indien zij die geheimen onthullen in andere omstandigheden dan die bepaald bij deze wet.]1
Art. 43/7. [1 § 1er. Si le Comité permanent R intervient dans le cadre du présent chapitre, le greffe est assuré par le greffier du Comité permanent R ou par un membre du personnel de niveau 1 désigné par lui.
§ 2. Les membres du Comité permanent R, les greffiers, les membres du Service d'enquêtes et le personnel administratif sont tenus à une obligation de secret à l'égard des faits, actes ou renseignements dont ils ont connaissance en raison du concours qu'ils apportent à l'application de la présente loi. Ils peuvent toutefois utiliser les données et renseignements recueillis dans ce cadre dans l'accomplissement de leur mission définie par l'article 1er de la loi du 18 juillet 1991 organique du contrôle des services de police et de renseignements et de l'Organe de coordination pour l'analyse de la menace.
Sans préjudice de l'article 458 du Code pénal, ils seront punis d'un emprisonnement de huit jours à un an et d'une amende de cent euros à quatre mille euros, ou d'une de ces peines seulement, s'ils révèlent ces secrets dans des circonstances autres que celles prévues par la présente loi.]1
§ 2. Les membres du Comité permanent R, les greffiers, les membres du Service d'enquêtes et le personnel administratif sont tenus à une obligation de secret à l'égard des faits, actes ou renseignements dont ils ont connaissance en raison du concours qu'ils apportent à l'application de la présente loi. Ils peuvent toutefois utiliser les données et renseignements recueillis dans ce cadre dans l'accomplissement de leur mission définie par l'article 1er de la loi du 18 juillet 1991 organique du contrôle des services de police et de renseignements et de l'Organe de coordination pour l'analyse de la menace.
Sans préjudice de l'article 458 du Code pénal, ils seront punis d'un emprisonnement de huit jours à un an et d'une amende de cent euros à quatre mille euros, ou d'une de ces peines seulement, s'ils révèlent ces secrets dans des circonstances autres que celles prévues par la présente loi.]1
Modifications
Art. 43/8. [1 Tegen de beslissingen van het Vast Comité I is geen beroep mogelijk.]1
Art. 43/8. [1 Les décisions du Comité permanent R ne sont susceptibles d'aucun recours.]1
Modifications
HOOFDSTUK V. [1 - Bijzondere bepalingen betreffende de uitoefening van de opdrachten van de Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid.]1
CHAPITRE V. [1 - Dispositions particulières à l'exercice des missions du Service Général du Renseignement et de la Sécurité.]1
Art. 44. [1 De Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid kan elke vorm van communicatie uitgezonden of ontvangen in het buitenland opsporen, onderscheppen, afluisteren en er kennis van nemen alsook opnemen, volgens de nadere regels bepaald in de artikelen 44/3 en 44/4, in het kader van de opdrachten bedoeld in artikel 11, § 1, 1° tot 3° en 5°.]1
Modifications
Art. 44. [1 Le Service Général du Renseignement et de la Sécurité peut rechercher, capter, écouter, prendre connaissance et enregistrer toute forme de communications émises ou reçues à l'étranger, selon les modalités fixées aux articles 44/3 et 44/4, dans le cadre des missions visées à l'article 11, § 1er, 1° à 3° et 5°.]1
Modifications
Art. 44/1. [1 De Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid kan overgaan tot de intrusie in een informaticasysteem dat zich in het buitenland bevindt, er de beveiliging van opheffen, er technische voorzieningen in aanbrengen teneinde de door het informaticasysteem opgeslagen, verwerkte of doorgestuurde gegevens te ontcijferen, te decoderen, op te slaan en te manipuleren en het informaticasysteem te verstoren en te neutraliseren, volgens de nadere regels bepaald in de artikelen 44/3 en 44/4, in het kader van de opdrachten bedoeld in artikel 11, § 1, 1° tot 3° en 5°.]1
Art. 44/1. [1 Le Service Général du Renseignement et de la Sécurité peut procéder à l'intrusion dans un système informatique situé à l'étranger, y lever toute protection, y installer des dispositifs techniques en vue du décryptage, du décodage, du stockage et de la manipulation des données stockées, traitées ou transmises par le système, et perturber et neutraliser le système informatique, selon les modalités fixées aux articles 44/3 et 44/4, dans le cadre des missions visées à l'article 11, § 1er, 1° à 3° et 5°.]1
Modifications
Art. 44/2. [1 De Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid kan in het buitenland middelen gebruiken voor de opname van vaste of bewegende beelden volgens de nadere regels bepaald in de artikelen 44/3 en 44/4, in het kader van de opdrachten bedoeld in artikel 11, § 1, 1° tot 3° en 5°.]1
Art. 44/2. [1 Le Service Général du Renseignement et de la Sécurité peut utiliser des moyens de prises d'images fixes ou animées à l'étranger, selon les modalités fixées aux articles 44/3 et 44/4, dans le cadre des missions visées à l'article 11, § 1er, 1° à 3° et 5°.]1
Modifications
Art. 44/3. <INGEVOEGD bij W 2003-04-03/52, art. 4; Inwerkingtreding : 12-05-2003> Het toezicht van het Vast comité van toezicht op de inlichtingendiensten inzake interceptie van communicatie [4 uitgezonden of ontvangen in het buitenland, de intrusie in een informaticasysteem dat zich in het buitenland bevindt en de opname van vaste of bewegende beelden uitgevoerd in het buitenland]4 door de [3 Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid]3 gebeurt als volgt :
1° De controle voorafgaand [4 aan de intercepties, intrusies of opnames van vaste of bewegende beelden]4 gebeurt op basis van [4 jaarlijks opgestelde lijsten]4.
Te dien einde legt de [3 Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid]3 ieder jaar, bij het begin van de maand december, voor toelating aan de Minister van Landsverdediging [4 lijsten]4 voor met organisaties of instellingen die het voorwerp zullen uitmaken van interceptie van hun communicaties [4 , intrusies in hun informaticasystemen of opnames van vaste of bewegende beelden]4 tijdens het komende jaar. [4 Deze lijsten verantwoorden voor iedere organisatie of instelling de reden waarom zij het voorwerp is van een interceptie, intrusie of opname van vaste of bewegende beelden in verband met de opdrachten bedoeld in artikel 11, § 1, 1° tot 3 en 5°, en vermelden]4 de voorziene duur. Binnen de 10 werkdagen neemt de Minister van Landsverdediging een beslissing en deelt deze mede aan de Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid. Deze dienst maakt [4 de jaarlijkse lijsten]4, voorzien van de toelating van de minister van Landsverdediging, over aan het Vast Comité van toezicht op de inlichtingendiensten.
Indien de Minister van Landsverdediging geen beslissing heeft genomen of deze niet heeft medegedeeld aan de Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid vóór 1 januari, mag deze dienst de voorziene intercepties [4 intrusies en opnames van vaste of bewegende beelden]4 aanvangen, onverminderd iedere latere beslissing van de minister van Landsverdediging.
Indien intercepties van communicatie [4 , intrusies in informaticasystemen of opnames van vaste of bewegende beelden]4, niet hernomen op de jaarlijkse [4 lijsten]4, onontbeerlijk en dringend blijken te zijn voor de uitoefening van een opdracht van de Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid, licht deze dienst de Minister van Landsverdediging zo spoedig mogelijk in en uiterlijk op de eerste werkdag die volgt op de aanvang van de interceptie [4 , de intrusie of de opname van vaste of bewegende beelden]4. Indien de minister niet akkoord gaat, kan hij deze interceptie [4 , deze intrusie of deze opname van vaste of bewegende beelden]4 laten stopzetten. De beslissing van de Minister van Landsverdediging wordt [4 zo spoedig mogelijk door de Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid medegedeeld aan het Vast Comité I]4.
2° Het toezicht tijdens de interceptie [4 , de intrusie of de opname van vaste of bewegende beelden]4 gebeurt [4 op elk ogenblik]4 door middel van bezoeken aan de installaties waar de [3 Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid]3 deze intercepties [4 , intrusies en opnames van vaste of bewegende beelden]4 uitvoert.
3° Het toezicht na de intercepties [4 , intrusies en opnames van vaste of bewegende beelden]4 gebeurt aan de hand van [4 maandelijkse lijsten van landen of van organisaties of instellingen die effectief het onderwerp hebben uitgemaakt van een afluistering, intrusie of opname van beelden gedurende de voorafgaande maand, die ter kennis van het Vast Comité I gebracht werden, en die de reden verantwoorden waarom de interceptie, intrusie of opname van beelden werd uitgevoerd in verband met de opdrachten bedoeld in artikel 11, § 1, 1° tot 3° en 5°, alsook aan de hand van]4 het nazicht van [4 logboeken die]4 permanent op de plaats van de interceptie [4 , de intrusie of de opname van vaste of bewegende beelden]4 door de [3 Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid]3 [4 worden bijgehouden]4. [4 Deze logboeken zijn]4 steeds toegankelijk voor het Vast Comité van toezicht op de inlichtingendiensten.
1° De controle voorafgaand [4 aan de intercepties, intrusies of opnames van vaste of bewegende beelden]4 gebeurt op basis van [4 jaarlijks opgestelde lijsten]4.
Te dien einde legt de [3 Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid]3 ieder jaar, bij het begin van de maand december, voor toelating aan de Minister van Landsverdediging [4 lijsten]4 voor met organisaties of instellingen die het voorwerp zullen uitmaken van interceptie van hun communicaties [4 , intrusies in hun informaticasystemen of opnames van vaste of bewegende beelden]4 tijdens het komende jaar. [4 Deze lijsten verantwoorden voor iedere organisatie of instelling de reden waarom zij het voorwerp is van een interceptie, intrusie of opname van vaste of bewegende beelden in verband met de opdrachten bedoeld in artikel 11, § 1, 1° tot 3 en 5°, en vermelden]4 de voorziene duur. Binnen de 10 werkdagen neemt de Minister van Landsverdediging een beslissing en deelt deze mede aan de Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid. Deze dienst maakt [4 de jaarlijkse lijsten]4, voorzien van de toelating van de minister van Landsverdediging, over aan het Vast Comité van toezicht op de inlichtingendiensten.
Indien de Minister van Landsverdediging geen beslissing heeft genomen of deze niet heeft medegedeeld aan de Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid vóór 1 januari, mag deze dienst de voorziene intercepties [4 intrusies en opnames van vaste of bewegende beelden]4 aanvangen, onverminderd iedere latere beslissing van de minister van Landsverdediging.
Indien intercepties van communicatie [4 , intrusies in informaticasystemen of opnames van vaste of bewegende beelden]4, niet hernomen op de jaarlijkse [4 lijsten]4, onontbeerlijk en dringend blijken te zijn voor de uitoefening van een opdracht van de Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid, licht deze dienst de Minister van Landsverdediging zo spoedig mogelijk in en uiterlijk op de eerste werkdag die volgt op de aanvang van de interceptie [4 , de intrusie of de opname van vaste of bewegende beelden]4. Indien de minister niet akkoord gaat, kan hij deze interceptie [4 , deze intrusie of deze opname van vaste of bewegende beelden]4 laten stopzetten. De beslissing van de Minister van Landsverdediging wordt [4 zo spoedig mogelijk door de Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid medegedeeld aan het Vast Comité I]4.
2° Het toezicht tijdens de interceptie [4 , de intrusie of de opname van vaste of bewegende beelden]4 gebeurt [4 op elk ogenblik]4 door middel van bezoeken aan de installaties waar de [3 Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid]3 deze intercepties [4 , intrusies en opnames van vaste of bewegende beelden]4 uitvoert.
3° Het toezicht na de intercepties [4 , intrusies en opnames van vaste of bewegende beelden]4 gebeurt aan de hand van [4 maandelijkse lijsten van landen of van organisaties of instellingen die effectief het onderwerp hebben uitgemaakt van een afluistering, intrusie of opname van beelden gedurende de voorafgaande maand, die ter kennis van het Vast Comité I gebracht werden, en die de reden verantwoorden waarom de interceptie, intrusie of opname van beelden werd uitgevoerd in verband met de opdrachten bedoeld in artikel 11, § 1, 1° tot 3° en 5°, alsook aan de hand van]4 het nazicht van [4 logboeken die]4 permanent op de plaats van de interceptie [4 , de intrusie of de opname van vaste of bewegende beelden]4 door de [3 Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid]3 [4 worden bijgehouden]4. [4 Deze logboeken zijn]4 steeds toegankelijk voor het Vast Comité van toezicht op de inlichtingendiensten.
Art 44/3. Le contrôle du Comité permanent de contrôle des services de renseignement en ce qui concerne l'interception des communications [4 émises ou reçues à l'étranger, l'intrusion dans un système informatique situé à l'étranger et la prise d'images fixes ou animées effectuée à l'étranger]4 par le [3 Service Général du Renseignement et de la Sécurité]3 s'effectue comme suit :
1° Le contrôle préalable [4 aux interceptions, intrusions ou prises d'images fixes ou animées]4 s'effectue sur base [4 de listes établies]4 annuellement.
A cet effet, chaque année, au début du mois de décembre, le [3 Service Général du Renseignement et de la Sécurité]3 présente pour autorisation au Ministre de la Défense [4 des listes]4 d'organisations et d'institutions qui feront l'objet d'interceptions de leurs communications [4 , d'intrusions dans leurs systèmes informatiques ou de prises d'images fixes ou animées]4 dans le courant de l'année à venir. [4 Ces listes justifieront pour chaque organisation ou institution la raison pour laquelle elle fera l'objet d'une interception, intrusion ou prise d'images fixes ou animées en lien avec les missions visées à l'article 11, § 1er, 1° à 3° et 5°, et mentionneront]4 la durée prévue. Endéans les 10 jours ouvrables le Ministre de la Défense prend une décision et la communique au [3 Service Général du Renseignement et de la Sécurité]3. Ce service transmet [4 les listes annuelles pourvues]4 de l'autorisation du ministre de la Défense au Comité permanent de contrôle des services de renseignement.
Si le Ministre de la Défense n'a pas pris de décision ou n'a pas transmis cette décision au Service Général du Renseignement et de la Sécurité avant le 1er janvier, ce service peut entamer les interceptions [4 , intrusions et prises d'images fixes ou animées]4 prévues, sans préjudice de toute décision ultérieure du Ministre de la Défense.
Si des interceptions de communications [4 , des intrusions informatiques ou des prises d'images fixes ou animées]4 non reprises sur [4 les listes annuelles]4 s'avèrent indispensables et urgentes pour l'exécution d'une mission du [3 Service Général du Renseignement et de la Sécurité]3, ce service en avertit le Ministre de la Défense dans les plus brefs délais et au plus tard le premier jour ouvrable qui suit le début de l'interception [4 , de l'intrusion ou de la prise d'images fixes ou animées]4. Le ministre peut, s'il n'est pas d'accord, faire cesser cette interception [4 , cette intrusion ou cette prise d'images fixes ou animées]4. La décision du Ministre de la Défense est communiquée au Comité permanent de contrôle des services de renseignement [4 le plus rapidement possible par le Service Général du Renseignement et de la Sécurité]4.
2° Le contrôle pendant l'interception [4 , l'intrusion ou la prise d'images fixes ou animées]4 s'effectue [4 , à tout moment,]4 moyennant des visites aux installations dans lesquelles le [3 Service Général du Renseignement et de la Sécurité]3 effectue ces interceptions [4 , intrusions et prises d'images fixes ou animées]4.
3° Le contrôle postérieur aux interceptions [4 , aux intrusions et aux prises d'images fixes ou animées]4 s'effectue sur base [4 de listes mensuelles des pays ou des organisations ou institutions ayant effectivement fait l'objet d'une écoute, d'une intrusion ou d'une prise d'images durant le mois écoulé, notifiée au Comité permanent R et justifiant la raison pour laquelle l'écoute, l'intrusion ou la prise d'images a été effectuée en lien avec les missions visées à l'article 11, § 1er, 1° à 3° et 5°, ainsi que sur base]4 du contrôle [4 de journaux de bord tenus]4 d'une façon permanente sur le lieu d'interception [4 , d'intrusion ou de prise d'images fixes ou animées]4 par le [3 Service Général du Renseignement et de la Sécurité]3. Le Comité permanent de contrôle des services de renseignement a toujours accès à [4 ces journaux de bord]4.
1° Le contrôle préalable [4 aux interceptions, intrusions ou prises d'images fixes ou animées]4 s'effectue sur base [4 de listes établies]4 annuellement.
A cet effet, chaque année, au début du mois de décembre, le [3 Service Général du Renseignement et de la Sécurité]3 présente pour autorisation au Ministre de la Défense [4 des listes]4 d'organisations et d'institutions qui feront l'objet d'interceptions de leurs communications [4 , d'intrusions dans leurs systèmes informatiques ou de prises d'images fixes ou animées]4 dans le courant de l'année à venir. [4 Ces listes justifieront pour chaque organisation ou institution la raison pour laquelle elle fera l'objet d'une interception, intrusion ou prise d'images fixes ou animées en lien avec les missions visées à l'article 11, § 1er, 1° à 3° et 5°, et mentionneront]4 la durée prévue. Endéans les 10 jours ouvrables le Ministre de la Défense prend une décision et la communique au [3 Service Général du Renseignement et de la Sécurité]3. Ce service transmet [4 les listes annuelles pourvues]4 de l'autorisation du ministre de la Défense au Comité permanent de contrôle des services de renseignement.
Si le Ministre de la Défense n'a pas pris de décision ou n'a pas transmis cette décision au Service Général du Renseignement et de la Sécurité avant le 1er janvier, ce service peut entamer les interceptions [4 , intrusions et prises d'images fixes ou animées]4 prévues, sans préjudice de toute décision ultérieure du Ministre de la Défense.
Si des interceptions de communications [4 , des intrusions informatiques ou des prises d'images fixes ou animées]4 non reprises sur [4 les listes annuelles]4 s'avèrent indispensables et urgentes pour l'exécution d'une mission du [3 Service Général du Renseignement et de la Sécurité]3, ce service en avertit le Ministre de la Défense dans les plus brefs délais et au plus tard le premier jour ouvrable qui suit le début de l'interception [4 , de l'intrusion ou de la prise d'images fixes ou animées]4. Le ministre peut, s'il n'est pas d'accord, faire cesser cette interception [4 , cette intrusion ou cette prise d'images fixes ou animées]4. La décision du Ministre de la Défense est communiquée au Comité permanent de contrôle des services de renseignement [4 le plus rapidement possible par le Service Général du Renseignement et de la Sécurité]4.
2° Le contrôle pendant l'interception [4 , l'intrusion ou la prise d'images fixes ou animées]4 s'effectue [4 , à tout moment,]4 moyennant des visites aux installations dans lesquelles le [3 Service Général du Renseignement et de la Sécurité]3 effectue ces interceptions [4 , intrusions et prises d'images fixes ou animées]4.
3° Le contrôle postérieur aux interceptions [4 , aux intrusions et aux prises d'images fixes ou animées]4 s'effectue sur base [4 de listes mensuelles des pays ou des organisations ou institutions ayant effectivement fait l'objet d'une écoute, d'une intrusion ou d'une prise d'images durant le mois écoulé, notifiée au Comité permanent R et justifiant la raison pour laquelle l'écoute, l'intrusion ou la prise d'images a été effectuée en lien avec les missions visées à l'article 11, § 1er, 1° à 3° et 5°, ainsi que sur base]4 du contrôle [4 de journaux de bord tenus]4 d'une façon permanente sur le lieu d'interception [4 , d'intrusion ou de prise d'images fixes ou animées]4 par le [3 Service Général du Renseignement et de la Sécurité]3. Le Comité permanent de contrôle des services de renseignement a toujours accès à [4 ces journaux de bord]4.
Art. 44/4. <INGEVOEGD bij W 2003-04-03/52, art. 5; Inwerkingtreding : 12-05-2003> In het kader van de interceptie van communicatie [3 uitgezonden of ontvangen in het buitenland, de intrusies in een informaticasysteem dat zich in het buitenland bevindt en de opname van vaste of bewegende beelden uitgevoerd in het buitenland]3 door de [2 Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid]2 heeft het Vast Comité van toezicht op de inlichtingendiensten, ongeacht de andere bevoegdheden aan dit Comité toegekend op basis van de wet van 18 juli 1991, het recht de aan de gang zijnde intercepties [3 , intrusies of beeldopnames]3 te doen stopzetten wanneer blijkt dat de voorwaarden waarin ze uitgevoerd worden klaarblijkelijk de wettelijke bepalingen en/of de toelating bedoeld [3 in artikel 44/3]3, 1°, tweede lid, niet respecteren. [3 Het beveelt dat de gegevens die onwettig werden verkregen niet mogen worden geëxploiteerd en dienen te worden vernietigd, volgens de door de Koning te bepalen nadere regels.]3 Deze omstandig gemotiveerde beslissing moet medegedeeld worden aan de Chef van de [2 Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid]2 alsook aan de Minister van Landsverdediging.
Art. 44/4. Dans le cadre d'interceptions de communications [3 émises ou reçues à l'étranger, d'intrusions dans un système informatique situé à l'étranger et de prises d'images fixes ou animées effectuées à l'étranger]3 par le [2 Service Général du Renseignement et de la Sécurité]2, le Comité permanent de contrôle des services de renseignement, sans préjudice des autres compétences attribuées à ce Comité par la loi du 18 juillet 1991, a le droit de faire cesser des interceptions [3 , intrusions ou prises d'images]3 en cours lorsqu'il apparaît que [3 ...]3 celles-ci ne respectent [3 ...]3 pas les dispositions légales [3 ...]3 ou l'autorisation visée [3 à l'article 44/3]3, 1°, alinéa 2. [3 Il ordonne l'interdiction d'exploiter les données recueillies illégalement et leur destruction, selon les modalités à fixer par le Roi.]3 Cette décision motivée de manière circonstanciée doit être communiquée au Chef du [2 Service Général du Renseignement et de la Sécurité]2 ainsi qu'au Ministre de la Défense.
Art. 44/5. [1 Indien een ingreep op een communicatienetwerk noodzakelijk is om de interceptie van in het buitenland uitgezonden of ontvangen communicatie bedoeld in artikel 44 mogelijk te maken, wordt de operator van het netwerk of de verstrekker van de elektronische communicatiedienst met een schriftelijk verzoek van het diensthoofd aangezocht en is hij verplicht om zijn medewerking zo spoedig mogelijk te verlenen.
Eenieder die zijn medewerking weigert te verlenen aan de vorderingen bedoeld in het eerste lid, wordt gestraft met een geldboete van zesentwintig euro tot twintigduizend euro. De prestaties worden vergoed naargelang van de reële kosten, na voorlegging van de stavingstukken.
De Koning bepaalt, op voorstel van de Minister van Defensie en de Minister bevoegd voor de elektronische communicatie, de nadere regels voor deze medewerking.]1
Eenieder die zijn medewerking weigert te verlenen aan de vorderingen bedoeld in het eerste lid, wordt gestraft met een geldboete van zesentwintig euro tot twintigduizend euro. De prestaties worden vergoed naargelang van de reële kosten, na voorlegging van de stavingstukken.
De Koning bepaalt, op voorstel van de Minister van Defensie en de Minister bevoegd voor de elektronische communicatie, de nadere regels voor deze medewerking.]1
Art. 44/5. [1 Si une opération sur un réseau de communications est nécessaire pour permettre l'interception de communications émises ou reçues à l'étranger visée à l'article 44, l'opérateur du réseau ou le fournisseur du service de communications électroniques est saisi d'une demande écrite du dirigeant du service et est tenu de prêter son concours dans les plus brefs délais.
Toute personne qui refuse de prêter son concours aux réquisitions visées à l'alinéa 1er est punie d'une amende de vingt-six euros à vingt mille euros. Les prestations sont rétribuées selon les coûts réels, sur présentation des pièces justificatives.
Le Roi fixe, sur la proposition du ministre de la Défense et du ministre qui a les communications électroniques dans ses attributions, les modalités de ce concours.]1
Toute personne qui refuse de prêter son concours aux réquisitions visées à l'alinéa 1er est punie d'une amende de vingt-six euros à vingt mille euros. Les prestations sont rétribuées selon les coûts réels, sur présentation des pièces justificatives.
Le Roi fixe, sur la proposition du ministre de la Défense et du ministre qui a les communications électroniques dans ses attributions, les modalités de ce concours.]1
Modifications
HOOFDSTUK VI. [1 - Wijzigings- en slotbepalingen.]1
CHAPITRE VI. [1 - Dispositions modificatives et finales.]1
Art. 45. In artikel 39 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt, worden de woorden "officiële inlichtingendiensten" vervangen door de woorden "inlichtingen- en veiligheidsdiensten bedoeld bij de wet van 30 november 1998".
Art. 45. Dans l'article 39 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police, les mots " services de renseignement officiels " sont remplacés par les mots " services de renseignement et de sécurité visés par la loi du 30 novembre 1998 ".
Art. 46. In de wet van 18 juli 1991 houdende regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten, worden de hierna volgende wijzigingen aangebracht :
A) in artikel 3, eerste lid, 2°, worden de woorden "het bestuur van" weggelaten;
B) in artikel 31, 2°, worden de woorden "het bestuur van" weggelaten;
C) artikel 31 wordt aangevuld met een 4°, luidend als volgt :
"4° de minister tot wiens bevoegdheid Binnenlandse Zaken behoort, voor de opdrachten van de Veiligheid van de Staat wanneer ze betrekking hebben op de handhaving van de openbare orde en op de persoonsbescherming, alsook voor de organisatie en het bestuur van de Veiligheid van de Staat wanneer die organisatie en dat bestuur een rechtstreekse invloed hebben op de uitvoering van de opdrachten inzake de handhaving van de openbare orde en de persoonsbescherming.";
D) in artikel 51, lid 2, derde zin, worden de woorden "dat door het beslag een persoon fysiek gevaar zou kunnen lopen" vervangen door de woorden "dat het beslag van geclassificeerde gegevens van die aard is dat het een bedreiging vormt voor de uitoefening van de opdrachten van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten bedoeld in de artikelen 7, 8 en 11 van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten of dat een persoon daardoor fysiek gevaar dreigt te lopen".
A) in artikel 3, eerste lid, 2°, worden de woorden "het bestuur van" weggelaten;
B) in artikel 31, 2°, worden de woorden "het bestuur van" weggelaten;
C) artikel 31 wordt aangevuld met een 4°, luidend als volgt :
"4° de minister tot wiens bevoegdheid Binnenlandse Zaken behoort, voor de opdrachten van de Veiligheid van de Staat wanneer ze betrekking hebben op de handhaving van de openbare orde en op de persoonsbescherming, alsook voor de organisatie en het bestuur van de Veiligheid van de Staat wanneer die organisatie en dat bestuur een rechtstreekse invloed hebben op de uitvoering van de opdrachten inzake de handhaving van de openbare orde en de persoonsbescherming.";
D) in artikel 51, lid 2, derde zin, worden de woorden "dat door het beslag een persoon fysiek gevaar zou kunnen lopen" vervangen door de woorden "dat het beslag van geclassificeerde gegevens van die aard is dat het een bedreiging vormt voor de uitoefening van de opdrachten van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten bedoeld in de artikelen 7, 8 en 11 van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten of dat een persoon daardoor fysiek gevaar dreigt te lopen".
Art. 46. Dans la loi du 18 juillet 1991 organique du contrôle des services de police et de renseignements, sont apportées les modifications suivantes :
A) à l'article 3, alinéa 1er, 2°, les mots " l'Administration de " sont supprimés;
B) à l'article 31, 2°, les mots " l'Administration de ", sont supprimés;
C) l'article 31 est complété par un 4°, rédigé comme suit :
" 4° le Ministre qui a l'Intérieur dans ses attributions, pour les missions de la Sûreté de l'Etat qui ont trait au maintien de l'ordre public et à la protection des personnes, ainsi que l'organisation et l'administration de la Sûreté de l'Etat lorsque celles-ci ont une influence directe sur l'exécution des missions de maintien de l'ordre public et de protection des personnes. ";
D) à l'article 51, alinéa 2, 3ème phrase, sont insérés, entre les mots " saisie " et " risquerait ", les mots " de données classifiées est de nature à constituer une menace pour l'exercice des missions des services de renseignement et de sécurité visées aux articles 7, 8 et 11 de la loi du 30 novembre 1998, organique des services de renseignement et de sécurité, ou qu'elle ".
A) à l'article 3, alinéa 1er, 2°, les mots " l'Administration de " sont supprimés;
B) à l'article 31, 2°, les mots " l'Administration de ", sont supprimés;
C) l'article 31 est complété par un 4°, rédigé comme suit :
" 4° le Ministre qui a l'Intérieur dans ses attributions, pour les missions de la Sûreté de l'Etat qui ont trait au maintien de l'ordre public et à la protection des personnes, ainsi que l'organisation et l'administration de la Sûreté de l'Etat lorsque celles-ci ont une influence directe sur l'exécution des missions de maintien de l'ordre public et de protection des personnes. ";
D) à l'article 51, alinéa 2, 3ème phrase, sont insérés, entre les mots " saisie " et " risquerait ", les mots " de données classifiées est de nature à constituer une menace pour l'exercice des missions des services de renseignement et de sécurité visées aux articles 7, 8 et 11 de la loi du 30 novembre 1998, organique des services de renseignement et de sécurité, ou qu'elle ".
Art. 47. Artikel 5, derde lid, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, gewijzigd bij de wet van 24 mei 1994, wordt aangevuld als volgt :
"12° de administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat, ressorterend onder de Minister van Justitie.".
"12° de administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat, ressorterend onder de Minister van Justitie.".
Art. 47. L'article 5, alinéa 3, de la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques, modifié par la loi du 24 mai 1994, est complété par ce qui suit :
" 12° l'administrateur général de la Sûreté de l'Etat relevant du Ministre de la Justice. ".
" 12° l'administrateur général de la Sûreté de l'Etat relevant du Ministre de la Justice. ".
Art. 48. De Koning bepaalt de datum waarop deze wet in werking treedt.
Art. 48. Le Roi détermine la date de l'entrée en vigueur de la présente loi.
(NOTA : inwerkingtreding vastgesteld op 01-02-1999 volgens KB 22-01-1999, BS 30-01-1999, p. 2827)
(NOTE : Entrée en vigueur fixée le 01-02-1999 suivant AR du 22-01-1999 mentionné au Moniteur belge du 30-01-1999, p. 2827)