Artikel 1. De bij artikel 19, derde lid, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 bedoelde rechthebbenden behouden het recht op een rente onder de volgende voorwaarden :
1° getroffen zijn door een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66 %, die wordt vastgesteld op de wijze zoals bepaald in artikel 2 van het koninklijk besluit van 3 mei 1991 tot uitvoering van de artikelen 47, 56septies, 62, § 3, en 63 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders en van artikel 96 van de wet van 29 december 1990 houdende sociale bepalingen.
2° deze lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66 % moet een aanvang genomen hebben vooraleer de rechthebbende heeft opgehouden rechtgevend te zijn op kinderbijslag wegens het bereiken van de leeftijdsgrens, zoals bepaald in de artikelen 62 en 63 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
16 SEPTEMBER 1992. - Koninklijk besluit betreffende de rente aan gehandicapte kinderen, kleinkinderen, broers en zusters van de door een arbeidsongeval getroffen persoon(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 11-12-2001 en tekstbijwerking tot 02-12-2021)
Titre
16 SEPTEMBRE 1992. - Arrêté royal relatif à la rente allouée aux enfants, petits-enfants, frères et soeurs handicapés d'une personne victime d'un accident du travail(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 11-12-2001 et mise à jour au 02-12-2021)
Informations sur le document
Info du document
Tekst (8)
Texte (8)
Article 1. Les ayants droit visés à l'article 19, alinéa 3 de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail conservent le droit à une rente aux conditions suivantes :
1° être atteint d'une incapacité physique ou mentale de 66 % au moins, qui est établie de la manière fixée à l'article 2 de l'arrêté royal du 3 mai 1991 portant exécution des articles 47, 56septies, 62, § 3, et 63 des lois coordonnées relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariés et de l'article 96 de la loi du 23 décembre 1990 portant des dispositions sociales;
2° cette incapacité physique ou mentale de 66 % au moins doit avoir pris cours avant que l'ayant droit ait cessé d'être bénéficiaire des allocations familiales pour avoir atteint la limite d'âge prévue aux articles 62 et 63 des lois coordonnées relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariés.
1° être atteint d'une incapacité physique ou mentale de 66 % au moins, qui est établie de la manière fixée à l'article 2 de l'arrêté royal du 3 mai 1991 portant exécution des articles 47, 56septies, 62, § 3, et 63 des lois coordonnées relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariés et de l'article 96 de la loi du 23 décembre 1990 portant des dispositions sociales;
2° cette incapacité physique ou mentale de 66 % au moins doit avoir pris cours avant que l'ayant droit ait cessé d'être bénéficiaire des allocations familiales pour avoir atteint la limite d'âge prévue aux articles 62 et 63 des lois coordonnées relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariés.
Art. 2. De lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66 % wordt vastgesteld door een [1 arts]1, bedoeld bij artikel 6 van het voornoemd koninklijk besluit van 3 mei 1991.
Modifications
Art. 2. L'incapacité physique ou mentale de 66 % au moins est constatée par un médecin visé à l'article 6 de l'arrêté royal du 3 mai 1991 précité.
Art. 3. Ten bewijze van de vaststelling van de in artikel 1, 1°, bedoelde lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66 % doet de rechthebbende aan de (verzekeringsonderneming) die de rente verschuldigd is een getuigschrift toekomen dat door de bevoegde kinderbijslaginstelling is uitgereikt en waarin deze bevestigt dat de lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66 % is vastgesteld op de wijze bepaald in artikel 2 van het voornoemd koninklijk besluit van 3 mei 1991. <KB 2001-11-10/40, art. 41, 002; Inwerkingtreding : 11-12-2001>
Art. 3. A titre de preuve de la constatation de l'incapacité physique ou mentale de 66 % au moins visée à l'article 1, 1°, l'ayant droit transmet à l'(entreprise d'assurances) redevable de la rente un certificat délivré par l'organisme compétent en matière d'allocations familiales, dans lequel ce dernier confirme que l'incapacité physique ou mentale de 66 % au moins a été constatée selon les modalités fixées à l'article 2 de l'arrêté royal du 3 mai 1991 précité. <AR 2001-11-10/40, art. 41, 002; En vigueur : 11-12-2001>
Art. 4. Bij gebreke van het getuigschrift, als bedoeld bij artikel 3 van dit besluit, kan hetzij de rechthebbende, hetzij de (verzekeringsonderneming) die de rente verschuldigd is, een aanvraag tot vaststelling van een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66 % indienen bij de Algemene Directie van de gezinsbijslag en de uitkeringen aan gehandicapten van het Ministerie van Sociale Voorzorg. Deze Algemene Directie wijst met het oog op die vaststelling een [1 arts]1 aan als bedoeld in artikel 2 van dit besluit. <KB 2001-11-10/40, art. 41, 002; Inwerkingtreding : 11-12-2001>
Modifications
Art. 4. A défaut du certificat visé à l'article 3 du présent arrêté, une demande de constatation de l'incapacité physique ou mentale de 66 % au moins peut être introduite auprès de la Direction générale des prestations familiales et des allocations aux handicapés du Ministère de la Prévoyance sociale soit par l'ayant droit, soit par l'(entreprise d'assurances) qui est redevable de la rente. En vue de cette constatation, cette Direction générale désigne le médecin visé à l'article 2 du présent arrêté. <AR 2001-11-10/40, art. 41, 002; En vigueur : 11-12-2001>
Art. 5. De rente is niet meer verschuldigd wanneer is vastgesteld dat een nieuw element in de ongeschiktheidstoestand van de rechthebbende tot gevolg heeft dat niet meer aan de voorwaarde, bedoeld bij artikel 1, 1° van dit besluit wordt voldaan.
De rente is evenwel opnieuw verschuldigd wanneer is vastgesteld dat de evolutie van dezelfde ongeschiktheidstoestand van de rechthebbende tot gevolg heeft dat opnieuw aan de voorwaarde, bepaald bij artikel 1, 1° van dit besluit wordt voldaan.
De (verzekeringsonderneming) of de rechthebbende kan op elk ogenblik de aanvraag, bedoeld in artikel 4 van dit besluit, indienen om te laten nagaan of aan de voorwaarde, bepaald bij artikel 1, 1° van dit besluit wordt voldaan. <KB 2001-11-10/40, art. 41, 002; Inwerkingtreding : 11-12-2001>
De rente is evenwel opnieuw verschuldigd wanneer is vastgesteld dat de evolutie van dezelfde ongeschiktheidstoestand van de rechthebbende tot gevolg heeft dat opnieuw aan de voorwaarde, bepaald bij artikel 1, 1° van dit besluit wordt voldaan.
De (verzekeringsonderneming) of de rechthebbende kan op elk ogenblik de aanvraag, bedoeld in artikel 4 van dit besluit, indienen om te laten nagaan of aan de voorwaarde, bepaald bij artikel 1, 1° van dit besluit wordt voldaan. <KB 2001-11-10/40, art. 41, 002; Inwerkingtreding : 11-12-2001>
Art. 5. La rente n'est plus due lorsqu'il a été constaté qu'un nouvel élément se rapportant à l'état d'incapacité de l'ayant droit a pour effet que la condition visée à l'article 1er, 1°, du présent arrêté n'est plus remplie.
Toutefois, la rente est à nouveau due lorsqu'il a été constaté que l'évolution du même état d'incapacité de l'ayant droit a pour effet que la condition visée à l'article 1er, 1°, du présent arrêté est à nouveau remplie.
L'(entreprise d'assurances) ou l'ayant droit peut à tout moment introduire la demande visée à l'article 4 du présent arrêté pour faire vérifier si la condition visée à l'article 1er, 1°, du présent arrêté est remplie. <AR 2001-11-10/40, art. 41, 002; En vigueur : 11-12-2001>
Toutefois, la rente est à nouveau due lorsqu'il a été constaté que l'évolution du même état d'incapacité de l'ayant droit a pour effet que la condition visée à l'article 1er, 1°, du présent arrêté est à nouveau remplie.
L'(entreprise d'assurances) ou l'ayant droit peut à tout moment introduire la demande visée à l'article 4 du présent arrêté pour faire vérifier si la condition visée à l'article 1er, 1°, du présent arrêté est remplie. <AR 2001-11-10/40, art. 41, 002; En vigueur : 11-12-2001>
Art. 6.
Voormeld koninklijk besluit blijft nochtans van toepassing voor de rechthebbenden die op datum van 1 april 1991 reeds genieten van een verlengde rente die hen voor deze datum op grond van artikel 19, derde lid, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 werd toegekend, tot de datum van de aanvraag, bedoeld in artikel 5, derde lid, van dit besluit.
Voormeld koninklijk besluit blijft nochtans van toepassing voor de rechthebbenden die op datum van 1 april 1991 reeds genieten van een verlengde rente die hen voor deze datum op grond van artikel 19, derde lid, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 werd toegekend, tot de datum van de aanvraag, bedoeld in artikel 5, derde lid, van dit besluit.
Art. 6. ( )
L'arrêté royal précité reste néanmoins d'application jusqu'à la date de la demande visée à l'article 5, alinéa 3, du présent arrêté pour les ayants droit qui, à la date du 1er avril 1991, bénéficient déjà d'une rente prolongée qui leur a été accordée avant cette date sur la base de l'article 19, alinéa 3, de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail.
L'arrêté royal précité reste néanmoins d'application jusqu'à la date de la demande visée à l'article 5, alinéa 3, du présent arrêté pour les ayants droit qui, à la date du 1er avril 1991, bénéficient déjà d'une rente prolongée qui leur a été accordée avant cette date sur la base de l'article 19, alinéa 3, de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail.
Art. 7. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 april 1991.
Art. 7. Le présent arrêté produit ses effets le 1er avril 1991.
Art. 8. De Minister die de Sociale Voorzorg onder zijn bevoegdheid heeft, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 8. Le Ministre qui a la Prévoyance sociale dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.